📄 Wettekst
15 FEBRUARI 2019. - Decreet betreffende het jeugddelinquentierecht (1)
Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: Decreet betreffende het jeugddelinquentierecht HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. Art. 2.In dit decreet wordt verstaan onder: 1° bemiddeling: het overleg tussen de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger, de ouders, de opvoedingsverantwoordelijken, het slachtoffer en de personen die ten aanzien van het minderjarig slachtoffer het ouderlijk gezag uitoefenen of de opvoedingsverantwoordelijken, om hen de mogelijkheid te bieden, samen en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar, onder meer aan de relationele en materiële gevolgen van een jeugddelict tegemoet te komen;2° betrokken personen: de minderjarige verdachte, de minderjarige delictpleger, de ouders, de opvoedingsverantwoordelijken, het slachtoffer en de personen die ten aanzien van het minderjarige slachtoffer het ouderlijk gezag uitoefenen of de opvoedingsverantwoordelijken;3° gemeenschapsdienst: de onbezoldigde prestatie voor een aantal uren, opgelegd door de jeugdrechter of jeugdrechtbank als reactie op een delict;4° gemeenschapsinstelling: een door de overheid ingerichte instelling met een gesloten aanbod;5° gesloten oriëntatie: een gemeenschapsinstelling, of een afdeling van een gemeenschapsinstelling, die als opdracht heeft om voor de minderjarige verdachte of minderjarige delictpleger een gedocumenteerd antwoord te formuleren op de vraag of gesloten residentiële begeleiding noodzakelijk is en een oriëntatievoorstel te formuleren;6° herstelgericht groepsoverleg: het overleg tussen de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger, het slachtoffer, hun sociale omgeving alsook alle dienstige personen, om hen de mogelijkheid te bieden om in groep en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar in overleg uitgewerkte oplossingen te overwegen over de wijze waarop het conflict kan worden opgelost dat voortvloeit uit het jeugddelict, onder meer rekening houdend met de relationele en materiële gevolgen van het jeugddelict;7° jeugddelict: een als misdrijf omschreven feit gepleegd door een minderjarige;8° leerproject: een gestructureerd leerprogramma, opgelegd door de jeugdrechter of jeugdrechtbank, of vastgelegd binnen de afhandeling op niveau van het openbaar ministerie, waarbij zowel het jeugddelict als de persoonlijkheid van de minderjarige of zijn vaardigheidstekorten als aanknopingspunt worden meegenomen;9° maatregel: het maatschappelijk antwoord op een jeugddelict tijdens de voorbereidende rechtspleging, met uitsluiting van het herstelrechtelijk aanbod;10° minderjarige: een persoon van minstens twaalf jaar die de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt op het ogenblik van het plegen van het jeugddelict;11° minderjarige delictpleger: een minderjarige die een jeugddelict heeft gepleegd;12° minderjarige verdachte: een minderjarige die verdacht wordt van het plegen van een jeugddelict;13° opvoedingsverantwoordelijken: andere natuurlijke personen dan de ouders die de minderjarige op duurzame wijze in feite onder hun bewaring hebben of bij wie de minderjarige geplaatst is door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid;14° oriëntatievoorstel: het voorstel van het meest aangewezen traject voor een bepaalde jongere dat wordt geformuleerd op grond van een multidisciplinaire screening en risicotaxatie tijdens een gesloten oriëntatie;15° ouders: de natuurlijke personen die titularis zijn van het ouderlijk gezag, of bij ontstentenis van die personen, de wettelijke vertegenwoordigers;16° positief project: de deelname aan een activiteit, een programma of een opleiding of het uitvoeren van een taak of een project.De minderjarige verdachte of delictpleger neemt zelf initiatief voor de invulling van het positief project en wordt bij de uitvoering ervan begeleid door een erkende dienst. Het positief project is gericht op het herstel van de gevolgen van het gedrag of het jeugddelict en/of de veroorzaakte schade; 17° reactie: de maatregel of sanctie als maatschappelijk antwoord op een jeugddelict;18° rechtspleging ten gronde: de rechtspleging met het oog op de toepassing van een van de sancties, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 3;19° sanctie: het maatschappelijk antwoord op een jeugddelict tijdens de rechtspleging ten gronde, met uitsluiting van het herstelrechtelijk aanbod, de uithandengeving en het toevertrouwen van een minderjarige aan een afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst;20° slachtoffer: de persoon die verklaart morele of materiële schade te hebben geleden die veroorzaakt is door een jeugddelict;21° sociale dienst: de Sociale Dienst voor Gerechtelijke Jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 56 van het
decreet van 12 juli 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021311
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming tot het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021298
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
01/07/1999
numac
1999009647
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk
sluiten5 betreffende de integrale jeugdhulp;22° voorbereidende rechtspleging: de rechtspleging met het oog op de toepassing van een van de maatregelen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2;23°
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021311
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming tot het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021298
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
01/07/1999
numac
1999009647
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk
sluiten1: de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021311
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming tot het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021298
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
01/07/1999
numac
1999009647
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk
sluiten1 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. HOOFDSTUK 2. - Grondbeginselen en toepassingsgebied Afdeling 1. - Grondbeginselen
Art. 3.§ 1. Het optreden van de actoren die betrokken zijn bij de uitvoering van dit decreet, beoogt tijdig en gepast: 1° het vaststellen van het jeugddelict en het bepalen van de verantwoordelijkheid hiervoor;2° de uitdrukkelijke verwijzing naar en de uitleg van de geldende norm, de procedure waarin de minderjarige zich bevindt, waar de minderjarige zich aan mag verwachten en wat de minderjarige zelf kan doen binnen deze procedure en dit in een voor de minderjarige begrijpelijke taal, alsook de confrontatie met de concrete gevolgen van het gepleegde jeugddelict;3° het herstel van de schade die door het gepleegde jeugddelict wordt berokkend, met inbegrip van de sociale re-integratie van de minderjarige in, en het herstel van de banden met zijn context.Dit mag de positieve medewerking van de minderjarige aan een buitengerechtelijk herstel van de maatschappelijke verhoudingen niet in de weg staan en mag de jeugdhulpverlening niet (ver)hinderen; 4° de bescherming van het veilig en vredig samenleven in de maatschappij;5° het vermijden van recidive ter bescherming van de maatschappij op lange termijn door multidisciplinair in te zetten op preventie en de onderliggende oorzaken van jeugddelinquentie aan te pakken. § 2. Elk optreden: 1° wordt uitgevoerd door personen die een speciale en aangehouden vorming hebben genoten over het jeugdrecht;2° is voor alle partijen humaan, zinvol en zingevend;3° mag niet strenger of ingrijpender zijn dan gerechtvaardigd wordt door de aard en de ernst van het jeugddelict, de erdoor veroorzaakte schade en de objectieve gevaarlijkheid van de minderjarige voor de maatschappij;4° houdt rekening met de specifieke situatie;5° houdt rekening met de kennis en inzichten verworven uit wetenschappelijk onderzoek en goede praktijken. § 3. De minderjarige verdachte en de minderjarige delictpleger genieten de toepasselijke rechtswaarborgen die zijn opgenomen in het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021311
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming tot het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021298
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
01/07/1999
numac
1999009647
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk
sluiten4 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp en bijkomende waarborgen die zijn ingebouwd in dit decreet. Op elke actor die betrokken is bij de uitvoering van dit decreet, rust de verplichting om de minderjarige verdachte en delictpleger van deze rechtswaarborgen op een door hem begrijpbare manier tijdig op de hoogte te brengen.
De minderjarige verdachte en de minderjarige delictpleger genieten bovendien van alle specifieke rechten die hem als dusdanig door de Grondwet en internationale verdragsteksten worden toegekend, inzonderheid de rechten die in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind zijn omschreven. Die rechten en vrijheden gaan gepaard met de volgende bijzondere waarborgen: 1° de situatie van minderjarige verdachten en delictplegers, vereist herstel, een reactie en begeleiding.Hun toestand van afhankelijkheid, hun ontwikkelingskansen en maturiteitsgraad scheppen bijzondere behoeften die luisterbereidheid, raad en bijstand vereisen; 2° elke reactie en afhandeling op niveau van het openbaar ministerie heeft tot doel de minderjarigen aan te moedigen zich de maatschappelijke normen eigen te maken;3° bij de tenlasteneming van minderjarige verdachten en delictplegers wordt, wanneer dit mogelijk is, een beroep gedaan op de in dit decreet in hoofdstuk 3, afdeling 2, voorziene afhandeling op niveau van het openbaar ministerie, waarbij rekening wordt gehouden met de bescherming van de maatschappij;4° in het kader van dit decreet mogen aan het recht op vrijheid van de minderjarigen alleen de belemmeringen worden opgelegd die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de maatschappij of van de minderjarige zelf, rekening houdend met de behoeften van de minderjarigen, de belangen van hun context en de rechten van de slachtoffers. Aan de minderjarige verdachte en de minderjarige delictpleger worden de toepasselijke artikelen uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, overhandigd. § 4. Het opnemen van de verantwoordelijkheid bij de uitoefening van de rechten en de plichten door de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken wordt op alle niveaus van de maatschappelijke tussenkomst geëerbiedigd. § 5. Reacties worden voor een zo kort mogelijke duur genomen.
Reacties worden genomen als er voldoende ernstige aanwijzingen bestaan dat verder onderzoek noodzakelijk is, of de schuld bewezen is, en alleen als de reden waarom een reactie wordt opgelegd op geen enkele andere manier kan worden bereikt.
Geen enkele maatregel kan worden genomen met het oog op onmiddellijke sanctionering, noch met het oog op bekentenissen of het afdwingen van bepaalde verklaringen. Afdeling 2. - Toepassingsgebied van het jeugddelinquentierecht
Art. 4.§ 1. Dit decreet is van toepassing op de minderjarige verdachte en de minderjarige delictpleger. § 2. Ten opzichte van een persoon die een jeugddelict heeft gepleegd en die op het ogenblik van de feiten de volle leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, bestaat binnen dit decreet een onweerlegbaar vermoeden van niet-verantwoordelijkheid.
De daden, handelingen of nalatigheid waarvan de persoon, vermeld in het eerste lid, wordt verdacht, of zijn leefsituatie, kunnen aanleiding geven tot doorverwijzing naar de jeugdhulpverlening overeenkomstig artikel 47 van het
decreet van 12 juli 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021311
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming tot het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021298
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
01/07/1999
numac
1999009647
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk
sluiten5 betreffende de integrale jeugdhulp. Art. 5.Behoudens samenhang met vervolgingen wegens andere misdrijven dan die hieronder bepaald, nemen de op grond van het gemene recht bevoegde rechtbanken, kennis van de vorderingen van het openbaar ministerie jegens personen ouder dan zestien jaar en beneden achttien jaar op het ogenblik van het plegen van de feiten, wegens overtreding van: 1° de bepalingen van de wetten en verordeningen betreffende het wegverkeer;2° de artikelen 418, 419 en 420 van het Strafwetboek voor zover er samenhang is met een overtreding van de onder punt 1° bedoelde wetten en verordeningen;3° de
wet van 21 november 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/11/1989
pub.
23/12/2009
numac
2009000839
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. Indien uit de debatten voor de rechtbanken, vermeld in het voorgaande lid, blijkt dat een reactie op grond van het voorliggende decreet geschikter is, kunnen die gerechten de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen met het oog op de vorderingen voor de jeugdrechtbank als daartoe grond bestaat. Art. 6.Behalve in het geval van de sancties, vermeld in de artikelen 29, § 2, eerste lid, 1° en 2°, en 37, §§ 1 en 2, en de terbeschikkingstelling, vermeld in artikel 37, § 8, nemen alle reacties, vermeld in hoofdstuk 4, uiterlijk een einde als de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt. Ook de afhandeling op niveau van het openbaar ministerie, vermeld in hoofdstuk 3, neemt een einde op het moment dat de minderjarige de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt.
De sancties, vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, 1° en 2°, kunnen worden opgelegd tot de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt. HOOFDSTUK 3. - De sociale onderzoeksopdrachten en de afhandeling op niveau van het openbaar ministerie Afdeling 1. - De sociale onderzoeksopdrachten
Art. 7.De procureur des Konings kan een door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde of erkende dienst, de opdracht geven om de naleving van de voorwaarden, vermeld in artikel 11, op te volgen of een positief project, vermeld in artikel 13, te begeleiden.
De Vlaamse Regering bepaalt welke diensten instaan voor de sociale onderzoeksopdrachten en bepaalt de nadere regels voor de organisatie, de erkenning, de samenstelling, de werking, de subsidiëring, alsook de wijze waarop hun werking en de kwaliteit van hun dienstverlening worden geëvalueerd. Afdeling 2. - De afhandeling op niveau van het openbaar ministerie
Onderafdeling 1. - Seponering door de procureur des Konings Art. 8.De procureur des Konings kan de zaak met een met redenen omklede beslissing seponeren. Art. 9.De procureur des Konings kan de minderjarige verdachte een waarschuwingsbrief sturen waarin hij vermeldt dat hij heeft kennisgenomen van de feiten, dat hij van oordeel is dat die feiten ten laste van de minderjarige vaststaan en dat hij beslist heeft het dossier te seponeren.
Een kopie van de waarschuwingsbrief wordt bezorgd aan de ouders of aan de opvoedingsverantwoordelijken. Art. 10.De procureur des Konings die een beslissing tot seponering heeft genomen, kan de minderjarige verdachte en zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken oproepen en hen wijzen op hun wettelijke verplichtingen en de risico's die ze lopen.
Onderafdeling 2. - Verval van de strafvordering na de uitvoering van voorwaarden Art. 11.§ 1. De procureur des Konings kan voorwaarden verbinden aan de seponering als de minderjarige verdachte het plegen van het jeugddelict niet ontkent. Deze wijze van afhandeling bestaat uit de verplichting bijzondere voorwaarden na te leven gedurende een bepaalde termijn.
De procureur des Konings roept de minderjarige en zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken op om voor hem te verschijnen. De volgende voorwaarden kunnen worden vastgelegd door de procureur des Konings: 1° het verbod om op bepaalde plaatsen te verblijven;2° het verbod om bepaalde met naam genoemde personen op te zoeken of ze te verontrusten;3° het volgen van een schoolse of professionele vorming of opleiding;4° het volgen van een leerproject voor ten hoogste dertig uur;5° het onderwerpen aan de richtlijnen van een ambulant centrum voor geestelijke gezondheidszorg, voor seksuele opvoeding of een centrum voor de behandeling van alcohol- of drugsverslaving voor ten hoogste dertig uur;6° het aanmelden bij een door de gemeenschap georganiseerde dienst van hulpverlening. § 2. De procureur des Konings brengt de minderjarige verdachte op de hoogte dat hij recht heeft op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021311
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming tot het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021298
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
01/07/1999
numac
1999009647
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk
sluiten1.
Alle betrokkenen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, hebben een bedenktijd van vijftien werkdagen om al dan niet in te gaan op de door de procureur des Konings voorgestelde voorwaarden. § 3. De voorwaarden nemen zo snel mogelijk een aanvang en ze worden niet langer dan zes maanden uitgevoerd. § 4. Het bewijs van de naleving van de voorwaarden wordt aan de procureur des Konings geleverd door de hiertoe erkende diensten.
Na de uitvoering van de voorwaarden stelt de dienst, vermeld in het voorgaande lid, een verslag op en bezorgt dat aan de procureur des Konings. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd.
Als de minderjarige verdachte de vastgelegde voorwaarden heeft nageleefd, maakt de procureur des Konings daarvan een proces-verbaal op en vervalt de strafvordering.
Als de minderjarige de vastgelegde voorwaarden niet volledig heeft nageleefd, maakt de procureur des Konings daarvan een proces-verbaal op en voegt hij dat bij het dossier. Hij kan de zaak aanhangig maken bij de jeugdrechter overeenkomstig artikel 14.
Een kopie van het proces-verbaal wordt overhandigd aan de minderjarige, aan zijn advocaat, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken, alsook aan de dienst, vermeld in het eerste lid. Als de overhandiging aan een van deze personen niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt deze persoon op de hoogte gebracht van de kopie van het proces-verbaal met een gerechtsbrief, of per elektronische post, overeenkomstig artikel 32bis van het Gerechtelijk Wetboek.
De Vlaamse Regering bepaalt welke diensten instaan voor de opvolging van de voorwaarden en bepaalt de nadere regels voor de organisatie, de erkenning, de samenstelling, de werking, de subsidiëring, alsook de wijze waarop hun werking en de kwaliteit van hun dienstverlening worden geëvalueerd.
Onderafdeling 3. - De bemiddeling Art. 12.§ 1. De procureur des Konings doet de betrokken personen schriftelijk het aanbod om deel te nemen aan een bemiddeling.
De procureur des Konings informeert de betrokken personen dat ze in dit kader de mogelijkheid hebben om zich te wenden tot een dienst die hij aanwijst, door de gemeenschap georganiseerd of beantwoordend aan de door de gemeenschap gestelde voorwaarden.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van erkenning van de diensten die instaan voor begeleiding en ondersteuning van de bemiddeling en bepaalt de nadere regels voor de organisatie, de samenstelling, de werking, de subsidiëring, alsook de wijze waarop hun werking en de kwaliteit van hun dienstverlening worden geëvalueerd.
De procureur des Konings doet een aanbod als vermeld in het eerste lid, als de volgende voorwaarden vervuld zijn: 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld;2° de minderjarige verdachte ontkent het jeugddelict niet;3° er is een slachtoffer geïdentificeerd. De procureur des Konings brengt de betrokken personen ervan op de hoogte dat: 1° de minderjarige verdachte, alsook in voorkomend geval het slachtoffer dat jonger is dan achttien jaar, recht heeft op bijstand van een advocaat en zich moet wenden tot die advocaat voor hij ingaat op het voorstel van bemiddeling.Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021311
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming tot het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021298
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
01/07/1999
numac
1999009647
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk
sluiten1; 2° de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken en het slachtoffer dat ouder is dan achttien jaar, raad kunnen inwinnen bij een advocaat voor ze deelnemen aan de bemiddeling;3° de betrokken personen een bedenktijd hebben van vijftien werkdagen om al dan niet op het voorstel tot bemiddeling in te gaan;4° de betrokken personen op elk ogenblik kunnen terugkomen op hun instemming met de bemiddeling;5° alle betrokken personen gedurende de gehele duur van de bemiddeling bijstand van een advocaat kunnen krijgen;6° de minderjarige verdachte, alsook in voorkomend geval het slachtoffer dat jonger is dan achttien jaar, recht heeft op bijstand van een advocaat op het ogenblik dat het akkoord dat de betrokken personen hebben bereikt, wordt vastgelegd. De procureur des Konings deelt de dienst, vermeld in het tweede lid, de identiteit mee van de betrokken personen, met wie de dienst verzocht wordt contact op te nemen. De voormelde dienst kan, met het akkoord van de personen, vermeld in het eerste lid, ook andere personen met een direct belang bij de bemiddeling betrekken.
Als de betrokken personen binnen acht werkdagen vanaf de ontvangst van het schriftelijke aanbod van de procureur de Konings, vermeld in het eerste lid, geen stappen ondernomen hebben bij die dienst, vermeld in het tweede lid, neemt die dienst contact op met hen.
Een bemiddeling kan alleen plaatsvinden als alle personen die eraan deelnemen, er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ten aanzien van de procureur des Konings mee instemmen en dat blijven doen zolang de bemiddeling loopt. § 2. Binnen twee maanden vanaf zijn aanwijzing door de procureur des Konings stelt de dienst, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, een bondig verslag over de voortgang van de bemiddeling op. Daaruit moet de vrijwillige en positieve deelname van alle betrokkenen aan de bemiddeling blijken, alsook het vooruitzicht op een actieve medewerking aan de oplossing van de gevolgen van het jeugddelict.
De bij de bemiddeling betrokken personen leggen met behulp van de voormelde dienst zo snel mogelijk een voorstel voor aan de procureur des Konings.
Het bereikte akkoord wordt ondertekend door de bij de bemiddeling betrokken personen. De procureur des Konings kan de inhoud niet wijzigen. Hij kan alleen weigeren een akkoord goed te keuren als het strijdig is met de openbare orde. § 3. Een of meer van de bij de bemiddeling betrokken personen kunnen de procureur des Konings erom verzoeken het akkoord te laten homologeren door de jeugdrechtbank. In dat geval dagvaardt de procureur des Konings de betrokken personen.
De jeugdrechtbank kan de homologatie alleen weigeren als het akkoord strijdig is met de openbare orde.
De jeugdrechtbank motiveert haar beslissing om niet te homologeren.
Zij verwijst de bij de bemiddeling betrokken personen terug naar de procureur des Konings, die opnieuw handelt overeenkomstig dit artikel.
Daarna kan desgewenst een nieuwe procedure, eventueel met een nieuwe bemiddelaar, doorlopen worden. § 4. De dienst, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, stelt een verslag op over de uitvoering van het akkoord, en stuurt het naar de procureur des Konings. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd.
Als de minderjarige verdachte het akkoord heeft uitgevoerd volgens de afspraken die erin bepaald zijn, maakt de procureur des Konings daarvan een proces-verbaal op en houdt hij daarmee rekening bij zijn beslissing om de zaak al dan niet te seponeren. De beslissing tot seponering doet de strafvordering vervallen. Als de procureur des Konings beslist om de strafvordering alsnog in te stellen, moet hij zijn beslissing motiveren.
Een kopie van het proces-verbaal wordt overhandigd aan de bij de bemiddeling betrokken personen, aan de advocaat van de voormelde minderjarige, alsook aan de voormelde dienst. Als de overhandiging aan een van deze personen niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt deze persoon op de hoogte gebracht van de kopie van het proces-verbaal met een gerechtsbrief of per elektronische post, overeenkomstig artikel 32bis van het Gerechtelijk Wetboek. § 5. Als de bemiddeling geen resultaat oplevert, kan noch de erkenning van de feiten door de minderjarige, noch het verloop of het resultaat van de bemiddeling door de gerechtelijke overheden of een andere persoon worden gebruikt in het nadeel van de minderjarige. Evenmin kunnen het akkoord dat uit de bemiddeling voortvloeit of gegevens inzake de bemiddelingsprocedure, wanneer de bemiddeling geslaagd is, tegen de minderjarige worden gebruikt in een latere procedure.
De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de dienst, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, zijn vertrouwelijk. Zij kunnen slechts ter kennis worden gebracht van de gerechtelijke overheden mits instemming van de personen die deelnemen aan de bemiddeling. Ze kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis.
Onderafdeling 4. - Het positief project Art. 13.§ 1. De procureur des Konings kan aan de minderjarige verdachte voorstellen om een positief project uit te werken.
De procureur des Konings roept de minderjarige, vermeld in het eerste lid, en zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken op om voor hem te verschijnen. De procureur des Konings brengt de minderjarige verdachte op de hoogte dat hij recht heeft op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021311
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming tot het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021298
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
01/07/1999
numac
1999009647
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk
sluiten1.
De procureur des Konings kan een voorstel als vermeld in het eerste lid, doen als de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn: 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld;2° de minderjarige verdachte ontkent het jeugddelict niet. De procureur des Konings informeert de minderjarige dat hij de mogelijkheid heeft om zich te wenden tot een dienst die door de gemeenschap georganiseerd of erkend wordt, om hem te laten begeleiden en ondersteunen in de inhoudelijke uitwerking van het positief project.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van erkenning van de diensten die instaan voor begeleiding en ondersteuning van het positief project en bepaalt de nadere regels voor de organisatie, de samenstelling, de werking, de subsidiëring, alsook de wijze waarop hun werking en de kwaliteit van hun dienstverlening worden geëvalueerd.
De procureur des Konings brengt de personen, vermeld in het tweede lid, ervan op de hoogte dat: 1° het positief project ten hoogste dertig uur mag bedragen;2° de minderjarige verdachte een bedenktijd van vijftien werkdagen heeft om al dan niet op het aanbod in te gaan om een positief project uit te werken;3° de minderjarige verdachte recht heeft op bijstand van een advocaat op het ogenblik dat het uit te voeren positief project wordt vastgelegd;4° het positief project uitgevoerd moet worden binnen zes maanden nadat het voorgestelde positief project schriftelijk werd vastgelegd. Het positief project wordt ondertekend door de minderjarige verdachte en door zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken. De procureur des Konings kan de inhoud ervan niet wijzigen. Hij kan wel weigeren een positief project goed te keuren in een met bijzondere reden omklede beslissing.
De procureur des Konings stuurt onmiddellijk een kopie van het positief project naar de dienst, vermeld in het vierde lid. § 2. Na de uitvoering van het positief project stelt de dienst, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, een verslag op en bezorgt dat aan de procureur des Konings. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd.
Als de minderjarige verdachte het positief project heeft uitgevoerd overeenkomstig wat schriftelijk werd vastgelegd, maakt de procureur des Konings daarvan een proces-verbaal op en vervalt de strafvordering.
Als de minderjarige het positief project niet volledig heeft uitgevoerd, maakt de procureur des Konings daarvan een proces-verbaal op en voegt hij dat bij het dossier. Hij kan de zaak aanhangig maken bij de jeugdrechter overeenkomstig artikel 14.
Een kopie van het proces-verbaal wordt overhandigd aan de minderjarige, aan zijn advocaat, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken, alsook aan de dienst, vermeld in paragraaf 1, vierde lid. Als de overhandiging aan een van deze personen niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt deze persoon op de hoogte gebracht van de kopie van het proces-verbaal met een gerechtsbrief, of per elektronische post, overeenkomstig artikel 32bis van het Gerechtelijk Wetboek. HOOFDSTUK 4. - De afhandeling op niveau van de jeugdrechter en jeugdrechtbank Afdeling 1. - Het optreden van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en
de behandeling van de zaak Art. 14.De jeugdrechter of jeugdrechtbank neemt kennis van de vorderingen en de dagvaardingen van het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens het plegen van een jeugddelict. Art. 15.§ 1. De minderjarige verdachte of delictpleger wordt persoonlijk door de jeugdrechter of jeugdrechtbank gehoord over het jeugddelict dat hem ten laste wordt gelegd, vóór de jeugdrechter of jeugdrechtbank zich uitspreekt over de vordering van het openbaar ministerie en een reactie kan worden bepaald. De jeugdrechtbank moet de minderjarige verdachte of delictpleger niet persoonlijk horen wanneer hij niet kan gevonden worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of indien hij weigert te verschijnen.
De voormelde minderjarige verschijnt in persoon, maar kan na overleg met zijn advocaat, uitdrukkelijk kiezen om te verschijnen in een videoconferentie, wanneer dat tot de mogelijkheden behoort.
Om de werkelijke deelname van de minderjarige aan de zitting te garanderen, moet de videoconferentie voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger, de jeugdrechter of jeugdrechtbank, het openbaar ministerie, de ouders of de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige, de opvoedingsverantwoordelijken en de burgerlijke partijen en hun respectievelijke advocaten, moeten in de mogelijkheid zijn om iedereen die deelneemt aan de zitting tezelfdertijd en zonder technische belemmering te zien en horen;2° de partijen moeten daadwerkelijk en vertrouwelijk met hun advocaat kunnen communiceren. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels omtrent het gebruik van de video-conferentie voor de verschijning van minderjarige verdachten en delict-plegers.
In afwijking van wat vermeld is in het tweede lid, moet de voormelde minderjarige bij de eerste verschijning voor de jeugdrechter of jeugdrechtbank steeds in persoon aanwezig zijn. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan ook op elk moment na deze eerste verschijning bevelen dat de voormelde minderjarige in persoon moet aanwezig zijn.
Wanneer een minderjarige verdachte of delictpleger niet aanwezig is op de zitting waarvoor hij werd gedagvaard, is een beslissing bij verstek mogelijk. § 2. De minderjarige verdachte of delictpleger heeft, telkens als hij voor de jeugdrechter of jeugdrechtbank verschijnt, recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021311
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming tot het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021298
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
01/07/1999
numac
1999009647
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk
sluiten1. § 3. De ouders of de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of minderjarige delictpleger worden geïnformeerd over het jeugddelict dat deze persoon ten laste wordt gelegd, teneinde hen de mogelijkheid te bieden om te worden gehoord voor er een uitspraak wordt gedaan over de vordering van het openbaar ministerie en een reactie wordt opgelegd.
Wanneer de zaak eenmaal aanhangig is bij de jeugdrechter of jeugdrechtbank, kan deze de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken op elk moment oproepen om persoonlijk te verschijnen. Art. 16.§ 1. Om de beslissing tot het opleggen van een reactie te nemen, houdt de jeugdrechter of de jeugdrechtbank rekening met al de volgende factoren, overeenkomstig de opgesomde volgorde: 1° de ernst van de feiten, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer;2° de persoonlijkheid en maturiteit van de minderjarige verdachte of delictpleger;3° recidive, of het risico op recidive;4° de veiligheid van de maatschappij;5° de leefomgeving van de minderjarige verdachte of delictpleger;6° de veiligheid van de minderjarige verdachte of delictpleger. Uit de genomen beslissing blijkt duidelijk op welke wijze met de factoren rekening is gehouden. § 2. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan te allen tijde, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, de opgelegde maatregelen of sancties ten aanzien van de minderjarige verdachte of delictpleger herzien, door deze in te trekken of te wijzigen in een minder strenge of ingrijpende maatregel of sanctie.
De minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken, kunnen, via gemotiveerd verzoekschrift, de herziening van een opgelegde maatregel vragen. Zij kunnen de vraag, om een minder strenge of ingrijpende maatregel te nemen, stellen na een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de beslissing definitief werd. De griffie bezorgt het openbaar ministerie onverwijld een kopie van het verzoekschrift. De jeugdrechter hoort de minderjarige verdachte en zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken, alsmede het openbaar ministerie ingeval het erom verzoekt. De verzoeker mag geen nieuw verzoekschrift indienen dat hetzelfde voorwerp heeft alvorens een termijn van drie maanden is verstreken vanaf de datum van de laatste beslissing houdende verwerping van zijn verzoek.
De minderjarige delictpleger, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken, kunnen, via gemotiveerd verzoekschrift, de herziening van een opgelegde sanctie vragen. Zij kunnen de vraag, om een minder strenge of ingrijpende sanctie te nemen, stellen na een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop de beslissing definitief werd. Indien dit verzoekschrift wordt afgewezen, kan het niet worden hernieuwd voordat zes maanden verstreken zijn sedert de dag waarop de afwijzende beslissing definitief is geworden.
In het geval van uitvoering van een akkoord dat werd bereikt binnen het herstelrechtelijk aanbod als vermeld in artikel 30, geldt de wachttermijn van zes maanden voor het herzien van de sanctie. Ingeval de uitvoering van het akkoord volgens de daarin bepaalde regels plaatsvindt na de uitspraak van het vonnis, kan de zaak te allen tijde bij de jeugdrechtbank aanhangig worden gemaakt om de aan de minderjarige delictpleger opgelegde sanctie te herzien door deze in te trekken of te wijzigingen in een minder strenge of ingrijpende sanctie.
Iedere sanctie zoals bedoeld in artikel 29, § 2, moet, voor zover geen bijzondere bepalingen voorzien zijn, opnieuw worden onderzocht, ten einde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd vóór het verstrijken van een termijn van één jaar te rekenen van de dag waarop de beslissing definitief is geworden. Deze procedure wordt ingeleid door het openbaar ministerie overeenkomstig de in artikel 45, 2°, b) en c), genoemde vormvereisten.
De bevoegde dienst die instaat voor de opvolging van de sanctie stuurt om de drie maanden aan de jeugdrechtbank een evaluatieverslag.
De jeugdrechter of jeugdrechtbank houdt er bij de herziening rekening mee dat het herstelgericht karakter van de maatregel of sanctie gevrijwaard blijft. Bij de herziening van een sanctie moet de jeugdrechtbank bijkomend de belangen van het slachtoffer in overweging nemen voordat zij een beslissing neemt. Indien nodig kan zij hiertoe een maatschappelijk onderzoek laten uitvoeren.
Het slachtoffer wordt geïnformeerd over de beslissing tot herziening van de maatregel of de sanctie door de door de Vlaamse Regering bepaalde dienst. Art. 17.§ 1. De uitvoering van de maatregelen, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, en de sancties, vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, gebeurt bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de verblijfplaats van de minderjarige verdachte of minderjarige delictpleger, of de verblijfplaats van zijn ouders of de opvoedingsverantwoordelijken. § 2. Elke betrokken uitvoerende instantie bij een reactie die wordt opgelegd aan de minderjarige verdachte of minderjarige delictpleger voorziet van bij de aanvang in een opvolging na de gesloten begeleiding, die ook een ondersteuning en begeleiding voor ouders of opvoedingsverantwoordelijken inhoudt.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en voorwaarden voor de opvolging en de inhoudelijke invulling hiervan. Art. 18.§ 1. Als de jeugdrechter of de jeugdrechtbank de minderjarige verdachte of minderjarige delictpleger een maatregel of sanctie oplegt, kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, ambtshalve of op verzoek van de ouders of opvoedingsverantwoordelijken, opleggen dat ook met de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken delictgericht moet worden gewerkt.
De jeugdrechter of jeugdrechtbank doet een appel op de betrokkenheid van de personen, vermeld in het eerste lid, vanuit hun hoedanigheid als ouder of verantwoordelijke voor de opvoeding van de minderjarige, vermeld in het eerste lid, en bepaalt dat ook zij hun verantwoordelijkheid moeten nemen voor het jeugddelict en de gevolgen ervan.
Het delictgericht werken met de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken heeft tot doel om, samen en met de hulp van een onpartijdige tussenpersoon, onder meer aan de relationele en materiële gevolgen van een jeugddelict tegemoet te komen en breuken te herstellen. § 2. De jeugdrechter of jeugdrechtbank stuurt een kopie van de beslissing naar de dienst die georganiseerd wordt door de gemeenschap of beantwoordt aan de door de gemeenschap gestelde voorwaarden. Die dienst is belast met de uitvoering van het delictgericht werken met ouders of opvoedingsverantwoordelijken. § 3. Als de personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, binnen acht werkdagen vanaf de beslissing geen contact opnemen met de dienst, vermeld in paragraaf 2, neemt die dienst contact op met de voormelde personen. § 4. De dienst, vermeld in paragraaf 2, stelt een bondig verslag over de uitvoering van het delictgericht werken op en richt het aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en aan de bevoegde sociale dienst.
De personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, worden op de hoogte gebracht van de inhoud van dit verslag. § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van erkenning van de diensten die instaan voor begeleiding en ondersteuning van het delictgericht werken met voormelde personen en bepaalt de nadere regels voor de organisatie, de samenstelling, de werking, de subsidiëring, alsook de wijze waarop hun werking en de kwaliteit van hun dienstverlening worden geëvalueerd. De Vlaamse Regering kan hiervoor specifieke programma's erkennen en de toegankelijkheid tot die programma's bepalen. Afdeling 2. - De voorbereidende rechtspleging
Art. 19.De jeugdrechter neemt kennis van de vordering van het openbaar ministerie, vermeld in artikel 14, en van de beschikking tot verwijzing, bedoeld in artikel 49, derde lid, van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021311
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming tot het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
11/09/1999
numac
1999021298
bron
ministerie van justitie
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik
type
wet
prom.
04/05/1999
pub.
01/07/1999
numac
1999009647
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk
sluiten1.
Als bij de jeugdrechter de zaak aanhangig is van een minderjarige verdachte kan hij, zelfs als de vordering van het openbaar ministerie wordt ingesteld nadat die persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, een maatregel opleggen.
Onderafdeling 1. - Het herstelrechtelijk aanbod en maatregelen ten aanzien van minderjarige verdachten Art. 20.§ 1. De jeugdrechter kan aan de minderjarige verdachte, een herstelrechtelijk aanbod doen van bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg.
In eerste instantie verdient een herstelrechtelijk aanbod de voorkeur.
Als de jeugdrechter geen herstelrechtelijk aanbod doet, motiveert hij daaromtrent specifiek zijn beslissing. § 2. De jeugdrechter kan, in voorkomend geval op cumulatieve wijze, in opgaande graad van het ingrijpende karakter van de maatregel en altijd in combinatie met een ondertoezichtstelling door de sociale dienst, de volgende maatregelen opleggen: 1° een positief project van ten hoogste zestig uur;2° een ambulante maatregel;3° voorwaarden;4° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten oriëntatie van maximaal een maand;5° de minderjarige verdachte toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal drie maanden opeenvolgend. De maatregelen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, verdienen de voorkeur boven het toevertrouwen van de minderjarige aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet.
Als de jeugdrechter een maatregel als vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 5°, uitspreekt, bepaalt hij de maximumduur ervan. De duur van een maand, vermeld in het eerste lid, 4° en 5°, is dertig dagen.
De maatregel als vermeld in het eerste lid, 5°, kan worden opgeheven voor hij zijn einddatum bereikt wanneer blijkt dat er voor de minderjarige verdachte geen behoefte aan gesloten begeleiding meer aanwezig is. De jeugdrechter kan ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, de opgelegde maatregel opheffen.
Alle maatregelen, vermeld in het eerste lid, betrekken op een actieve wijze de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken en andere relevante personen uit de leefomgeving van de minderjarige verdachte.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en modaliteiten waaraan de maatregelen, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen. Art. 21.§ 1. Buiten de gevallen, vermeld in paragraaf 2, is de duur van de voorbereidende rechtspleging beperkt tot zes maanden vanaf de vordering, vermeld in artikel 14. De termijn van de voorbereidende rechtspleging wordt geschorst tussen de datum van neerlegging van de akte van hoger beroep en de datum van de uitspraak van het arrest.
Als de termijn van zes maanden, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden, is het niet meer mogelijk om een maatregel op te leggen behoudens voor de gevallen, vermeld in paragraaf 2. § 2. In de volgende gevallen kan van de duur, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, worden afgeweken door de jeugdrechter: 1° het onderzoek naar de feiten is nog niet afgerond;2° het jeugddelict waarvan de minderjarige verdacht wordt het te hebben gepleegd, betreft een feit dat, als het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben. In het geval één voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, vervuld is, bedraagt de maximumduur van de voorbereidende rechtspleging twaalf maanden.
De duur van de voorbereidende rechtspleging bedraagt maximaal twee jaar, indien de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, cumulatief vervuld zijn.
De jeugdrechter neemt hiertoe uitdrukkelijk uiterlijk voor het verstrijken van de in paragraaf 1 vermelde termijn, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen, een bijzondere gemotiveerde beslissing tot verlenging van de termijn van maximaal drie maanden en zolang de voorwaarden zijn vervuld, telkenmale voor het verstrijken van de aldus verlengde termijn. § 3. De voorbereidende rechtspleging kan zeer uitzonderlijk, zolang beide voorwaarden cumulatief vervuld blijven, na de termijn, vermeld in paragraaf 2, derde lid, maximaal per maand opeenvolgend verlengd worden, indien de jeugdrechter dergelijke verlenging absoluut noodzakelijk acht en de redenen hiervoor specifiek motiveert in zijn beslissing, na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen. § 4. In afwijking van artikel 24, derde lid, artikel 25, § 2, en artikel 27, § 1, eerste lid, kan de duur van de maatregel maximaal per drie maanden opeenvolgend verlengd worden en dit uiterlijk totdat de maximale termijn van de voorbereidende rechtspleging is verstreken.
Onderafdeling 2. - Het herstelrechtelijk aanbod Art. 22.§ 1. De jeugdrechter kan aan de minderjarige verdachte een herstelrechtelijk aanbod van bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg doen als vermeld in artikel 20, § 1, als al de volgende voorwaarden zijn vervuld: 1° er bestaan voldoende ernstige aanwijzingen dat verder onderzoek noodzakelijk is;2° de minderjarige verdachte ontkent het jeugddelict niet;3° een slachtoffer is geïdentificeerd. De jeugdrechter stelt de betrokken personen schriftelijk voor om deel te nemen aan een bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg.
Bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg kunnen alleen worden toegepast als alle personen die eraan deelnemen, er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dat blijven doen zolang de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg duurt. § 2. De jeugdrechter brengt de betrokken personen ervan op de hoogte dat: 1° de minderjarige verdachte, alsook in voorkomend geval het slachtoffer dat jonger is dan achttien jaar, recht heeft op bijstand van een advocaat en dat die minderjarige zich tot die advocaat moet wenden voor hij ingaat op het voorstel van bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg;2° de ouders of de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte en het slachtoffer dat ouder is dan achttien jaar raad kunnen inwinnen bij een advocaat voor ze deelnemen aan de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg;3° de betrokken personen een bedenktijd van vijftien werkdagen hebben om al dan niet op het voorstel tot bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg in te gaan;4° de betrokken personen op elk ogenblik kunnen terugkomen op hun instemming met de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg;5° alle betrokken personen zich gedurende de gehele duur van de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg kunnen laten bijstaan door een advocaat;6° de minderjarige verdachte, alsook in voorkomend geval het slachtoffer als dit jonger is dan achttien jaar, zich moet laten bijstaan door een advocaat op het ogenblik dat het akkoord dat de betrokken personen hebben bereikt, wordt vastgelegd. § 3. De jeugdrechter bezorgt een kopie van zijn voorstel aan de dienst, vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid. Die dienst wordt belast met de uitvoering van de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg.
De jeugdrechter bezorgt aan de dienst de identiteit van de betrokken personen met wie de dienst verzocht wordt contact op te nemen. § 4. Als de personen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, binnen acht werkdagen vanaf het voorstel van de rechtbank geen contact opnemen met de dienst, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, neemt die dienst contact op met de vermelde personen om hen een herstelrechtelijk aanbod te doen. § 5. De dienst, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, kan, met het akkoord van de personen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, ook andere personen met een direct belang bij de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg betrekken. § 6. Als de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg tot een akkoord leidt, wordt het akkoord ondertekend door de betrokken personen en bij het gerechtelijk dossier gevoegd.
Het bereikte akkoord wordt door de jeugdrechtbank gehomologeerd. De jeugdrechtbank kan de inhoud ervan niet wijzigen. De jeugdrechtbank kan de homologatie alleen weigeren als het akkoord strijdig is met de openbare orde. § 7. Als de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg niet tot een akkoord leidt, kunnen de gerechtelijke overheden of de personen die bij de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg betrokken zijn, noch de erkenning van het jeugddelict door de minderjarige verdachte noch het verloop of het resultaat van de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg gebruiken ten nadele van de minderjarige.
Evenmin kan het akkoord dat uit de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg voortvloeit, of gegevens inzake de bemiddelingsprocedure of de procedure inzake het herstelgericht groepsoverleg, wanneer de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg geslaagd is, tegen de minderjarige worden gebruikt in een latere procedure.
De dienst, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, stelt een bondig verslag op over het verloop en het resultaat van de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg. Dat verslag wordt ter kennis gebracht van alle personen die aan de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg deelnemen. § 8. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de dienst, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, zijn vertrouwelijk. Zij kunnen slechts ter kennis worden gebracht van de gerechtelijke overheden mits instemming van de personen die deelnemen aan de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg. Ze kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. § 9. De dienst, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, stelt een bondig verslag op over de uitvoering van het akkoord en stuurt het naar de jeugdrechter, alsook naar de bevoegde sociale dienst. De minderjarige wordt op de hoogte gebracht van de inhoud van dit verslag. § 10. Als het akkoord volgens de regels die erin bepaald zijn, uitgevoerd wordt vóór de uitspraak van de beschikking waarbij een maatregel wordt opgelegd, houdt de jeugdrechter rekening met het akkoord en de uitvoering ervan.
Als het akkoord volgens de regels die erin bepaald zijn, uitgevoerd wordt na de uitspraak van de beschikking waarbij een maatregel wordt opgelegd, kan de zaak bij de jeugdrechter aanhangig worden gemaakt om de bevolen maatregel ten opzichte van de minderjarige verdachte te verlichten. De ouders, opvoedingsverantwoordelijken en de minderjarige verdachte kunnen zich met dat doel bij verzoekschrift tot de jeugdrechter wenden. De griffie bezorgt het openbaar ministerie onverwijld een kopie van het verzoekschrift. De jeugdrechter hoort de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn wettelijke vertegenwoordigers, alsmede het openbaar ministerie ingeval het erom verzoekt.
Onderafdeling 3. - Het positief project Art. 23.§ 1. De jeugdrechter kan aan de minderjarige verdachte voorstellen om een positief project uit te werken als vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 1°, waarbij de invulling door de minderjarige zelf gebeurt.
De jeugdrechter roept de minderjarige, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken op om voor hem te verschijnen.
De minderjarige doet een schriftelijk voorstel voor de inhoud van het positief project. De jeugdrechter informeert de minderjarige verdachte dat hij in dit kader de mogelijkheid heeft om zich te wenden tot een dienst die door de gemeenschap georganiseerd wordt of beantwoordt aan de door de gemeenschap gestelde voorwaarden. Deze diensten zijn dezelfde als vermeld in artikel 13, § 1, vierde lid.
De jeugdrechter kan een voorstel doen als vermeld in het eerste lid, als al de volgende voorwaarden vervuld zijn: 1° er bestaan voldoende ernstige aanwijzingen dat verder onderzoek noodzakelijk is;2° de minderjarige verdachte ontkent het jeugddelict niet. De jeugdrechter brengt de personen, vermeld in het tweede lid, ervan op de hoogte dat: 1° het positief project ten hoogste zestig uur mag bedragen;2° de minderjarige verdachte een bedenktijd van vijftien werkdagen heeft om al dan niet in te gaan op het voorstel om een positief project te formuleren;3° de minderjarige verdachte zich moet laten bijstaan door een advocaat op het ogenblik dat het uit te voeren positief project schriftelijk bevestigd wordt;4° het positief project uitgevoerd moet worden binnen zes maanden na de in het volgende lid bedoelde goedkeuring. Het positief project wordt ondertekend door de minderjarige verdachte, en door zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken, en moet door de jeugdrechter worden goedgekeurd. De jeugdrechter kan de inhoud ervan niet wijzigen, maar kan wel weigeren een positief project goed te keuren in een met bijzondere redenen omklede beslissing.
De jeugdrechter stuurt onmiddellijk een kopie van het goedgekeurde positief project naar de aangewezen dienst, vermeld in het derde lid. § 2. Het bewijs van het verloop en de uitvoering van het positief project wordt aan de jeugdrechter geleverd door de dienst, vermeld in paragraaf 1, derde lid. Die dienst brengt daarover op bepaalde tijdstippen verslag uit. De minderjarige wordt op de hoogte gebracht van de inhoud van dit verslag. § 3. Nadat het overeengekomen positief project volledig uitgevoerd is, stelt de dienst, vermeld in paragraaf 1, derde lid, een eindverslag op en richt dat aan de jeugdrechter. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd.
Als de minderjarige, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, het positief project heeft uitgevoerd overeenkomstig wat schriftelijk werd vastgelegd, neemt de jeugdrechtbank dat op in de motivering van haar beslissing tijdens de rechtspleging ten gronde.
Als de minderjarige het positief project niet of niet volledig heeft uitgevoerd, neemt de jeugdrechtbank dat op in de motivering van haar beslissing en houdt zij daarmee rekening bij de beslissing om de minderjarige in voorkomend geval een sanctie op te leggen overeenkomstig artikel 29, § 2.
Een kopie van de beslissing wordt overhandigd aan de minderjarige, aan zijn advocaat, aan zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken, alsook aan de dienst, vermeld in het eerste lid. Als de overh …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.