Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Wet betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen

Kort samengevat

Deze wet regelt de uitvoering van het Belgisch actieplan voor werkgelegenheid van 1998, met een focus op de stage en inschakeling van jongeren in het arbeidsproces. Het wijzigt bestaande regels om de tewerkstelling van jongeren te bevorderen en introduceert sancties bij niet-naleving.

Wat het reguleert

  • De voorwaarden voor stages van jongeren in administraties en ondernemingen.
  • Het verplichte aantal stagiairs dat door werkgevers moet worden tewerkgesteld.
  • De tewerkstellingsgraden (voltijds, 4/5-tijds, halftijds) voor stagiairs.
  • Compensatoire vergoedingen en toezicht bij het niet naleven van de stageregels.

Wie het aanbelangt

  • Werkzoekenden jonger dan dertig jaar die nog geen beroepsarbeid hebben verricht en een stage willen volgen.
  • Administraties en ondernemingen die ten minste 50 werknemers tewerkstellen.

Kernpunten

  • Werkzoekenden onder de 30 jaar zonder eerdere beroepsarbeid kunnen een stage volgen.
  • Administraties en ondernemingen met minstens 50 werknemers moeten stagiairs tewerkstellen, overeenkomend met 3% van hun personeelsbestand in voltijdse equivalenten.
  • Stagiairs kunnen voltijds, 4/5-tijds of halftijds tewerkgesteld worden.
  • Werkgevers die de regels niet naleven, kunnen een compensatoire vergoeding van 3.000 frank opgelegd krijgen, vermenigvuldigd met het aantal dagen en het aantal niet-tewerkgestelde stagiairs.
Wettekst
Wettekst

Wet betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998

houdende diverse bepalingen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn

hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen

Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK II. - Omzetting van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 Afdeling I. - Stage der jongeren Onderafdeling I. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage

de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces Art. 2.Artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage

de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces, gewijzigd door de wetten van 22 januari 1985, 6 juli 1989, 16 juli 1990, 20 juli 1991

22 december 1995, het koninklijk besluit van 27 januari 1997

de wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De werkzoekenden die minder dan dertig jaar zijn bij de aanvang van de stage

die nog geen beroepsarbeid hebben verricht, kunnen een stage volbrengen in een administratie of een onderneming overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. » Art. 3.In artikel 4 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 22 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De administratie die ten minste 50 werknemers tewerkstelt moet stagiairs als bedoeld in artikel 1 tewerkstellen.Het totaal aantal aangeworven stagiairs moet overeenstemmen met een voltijdse aanwerving van 3 % van het personeelsbestand van de administratie uitgedrukt in voltijdse equivalenten. De in dienst zijnde stagiairs worden in dat bestand niet meegeteld. » 2° § 3, ingevoegd door de wet van 16 juli 1990

gewijzigd bij de wetten van 20 juli 1991

22 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 3.In afwijking van § 1, eerste lid, wordt het percentage dat niet lager mag zijn dan 2 % van het personeelsbestand van de administratie vanaf 1 januari 1990 bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit vastgelegd. Het kan per instelling van openbaar nut gedifferentieerd worden in functie van de specifieke toestand van de instellingen van openbaar nut alsmede van de toestand van de arbeidsmarkt. » Art. 4.In artikel 5 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten, wordt vervangen door het volgende lid : « De stagiairs in de administratie worden ofwel voltijds, ofwel 4/5-tijds, ofwel halftijds tewerkgesteld.De 4/5-tijdse tewerkstelling moet verdeeld worden over volledige dagen »; 2° in § 1 worden het tweede, het derde

het vierde lid opgeheven;3° in § 2, 2°, gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985

13 februari 1998, worden de woorden « voltijdse stagiair » vervangen door de woorden « halftijdse stagiair ». Art. 5.In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985, 22 december 1989, 22 december 1995

13 februari 1998

bij de koninklijke besluiten van 24 december 1993

27 januari 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De onderneming die ten minste 50 werknemers tewerkstelt moet stagiairs als bedoeld in artikel 1 tewerkstellen.Het totaal aantal aangeworven stagiairs moet overeenstemmen met een voltijdse aanwerving van 3 % van het personeelsbestand van de onderneming berekend in voltijdse equivalenten. De in dienst zijnde stagiairs worden in dat personeelsbestand niet meegeteld. »; 2° het tweede lid, 4°, opgeheven bij de wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten, wordt opnieuw ingevoegd als volgt : « 4° de jongeren die werden aangeworven in het kader van een overeenkomst werkopleiding zoals bedoeld in het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling

opleiding voor de jongeren tussen 18

25 jaar

tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren,

dit gedurende de duur van deze overeenkomst; ». Art. 6.Artikel 10ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 januari 1997, wordt opgeheven. Art. 7.In artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985

van 13 februari 1998, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, worden het tweede

derde lid opgeheven;2° § 2, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 2° stemt de aanwerving van een leerling, bij toepassing van de wet van 19 juli 1983Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten4 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, of van een jonge werknemer die gelijkgesteld is met een stagiair ingevolge artikel 7, § 1, tweede lid, 3°

4° overeen met de aanwerving van een halftijdse stagiair;». Art. 8.Artikel 17, derde lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten, wordt opgeheven. Art. 9.Artikel 23, § 1, laatste lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 22 december 1995, wordt opgeheven. Art. 10.Artikel 24bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 22 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 24bis.De werkgever is er toe gehouden in zijn driemaandelijkse aangifte aan de instellingen belast met de inning

de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen, volgens de modaliteiten vastgesteld door laatstgenoemde instellingen, de juiste identiteit te vermelden van de werknemer die in dienst is met een stageovereenkomst. » Art. 11.In artikel 25, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989

van 13 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° 1° wordt aangevuld als volgt : « c) de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die de bepalingen van het artikel 24bis niet in acht neemt;»; 2° 2° wordt opgeheven. Art. 12.Een hoofdstuk Vbis, luidend als volgt,

bevattende de artikelen 26 tot 26ter, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd : « Hoofdstuk Vbis. - Compensatoire vergoeding voor de tewerkstelling van jongeren. Art. 26.§ 1. Aan de werkgever die de bepalingen, naar gelang van het geval, van de artikelen 4 of 7 niet heeft geëerbiedigd, kan een compensatoire vergoeding worden opgelegd van 3 000 frank. Deze vergoeding wordt vermenigvuldigd met : 1° het aantal kalenderdagen tijdens dewelke het verplicht aantal stagiairs niet werd tewerkgesteld of tijdens dewelke de aanwerving van stagiairs werd gecompenseerd door het ontslag van personeel;2° het aantal stagiairs dat niet werd tewerkgesteld of het aantal personen die werden ontslagen om de tewerkstelling van stagiairs te compenseren. Voor de toepassing van dit besluit, bepaalt de Koning wat verstaan moet worden onder compensatie van de aanwerving van stagiairs door het ontslag van personeel

stelt de berekeningswijze vast van deze compensatie. §

  1. Jaarlijks kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit het in § 1, eerste lid, bedoelde bedrag aanpassen. §
  2. Bij gebreke aan storting of in geval van ontoereikendheid ervan, is een verwijlintrest verschuldigd tegen een rentevoet van 1 % per maand tot

met de maand waarin de betaling geschiedt. Art. 26bis.Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van dit besluit

de uitvoeringsbesluiten ervan. Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/11/1972 pub. 17/08/2007 numac 2007000738 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsinspectie sluiten betreffende de arbeidsinspectie. De vaststelling van het niet-naleven van de bepalingen, voorzien in de artikelen 4 of 7 van dit besluit, gebeurt door middel van een proces-verbaal dat bewijswaarde heeft tot het tegendeel bewezen is, op voorwaarde dat een afschrift daarvan aan de werkgever wordt medegedeeld binnen een termijn van veertien dagen, die een aanvang neemt de dag na de vaststelling van de overtreding. Een exemplaar van het proces-verbaal waarbij de overtreding is vastgesteld, wordt aan de door de Koning aangewezen ambtenaar toegezonden. De door de Koning aangewezen ambtenaar beslist, nadat de werkgever de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voren te brengen, of wegens de niet-aanwerving van stagiairs of ontslagen van personeel in compensatie van aanwerving van stagiairs, een compensatoire vergoeding moet worden opgelegd. Deze vergoeding wordt opgelegd onder dezelfde voorwaarden

mits naleving van dezelfde regels als deze bedoeld in de artikelen 1ter, 2, 3, 8, 9

13 van de wet van 30 juni 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/06/1971 pub. 12/05/2009 numac 2009000304 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. De Koning bepaalt de termijn

de voorwaarden van betaling van de compensatoire vergoeding opgelegd door de in het eerste lid bedoelde ambtenaar. Art. 26ter.De compensatoire vergoeding bedoeld in de artikelen 26

26bis wordt gestort op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds opgericht bij het ministerie van Tewerkstelling

Arbeid in uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling. De opbrengst van deze compensatoire vergoeding wordt aangewend voor het scheppen van arbeidsplaatsen voor jongeren, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit. Art. 13.De eerste werkervaringscontracten die lopen op 1 januari 1999 blijven tot het beëindigen ervan onderworpen aan de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage

de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces zoals het gold vóór 1 januari

  1. Art. 14.§
  2. De in Hoofdstuk Vbis van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 voorziene compensatoire vergoeding is van toepassing op de inbreuken vastgesteld na de inwerkingtreding van deze wet

voor de stagiairs die niet in dienst zijn na deze datum. § 2. De bepaling van artikel 25, § 1, 2°, van hetzelfde besluit blijft van toepassing op de inbreuken gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wet

voor de stagiairs die niet in dienst waren vóór deze datum. Onderafdeling II. - Wijziging van de wet van 30 juni 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/06/1971 pub. 12/05/2009 numac 2009000304 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten Art. 15.In artikel 1, 36°, van de wet van 30 juni 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/06/1971 pub. 12/05/2009 numac 2009000304 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, ingevoegd door de wet van 20 juli 1991, worden de woorden « 16

23 » vervangen door de woorden « 16, 23

24bis ». Art. 16.Artikel 1bis, 4°, van dezelfde wet, wordt opgeheven. Art. 17.In artikel 11, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1976

gewijzigd bij de wetten van 23 maart 1994

30 maart 1994, wordt het cijfer « 4° » geschrapt. Art. 18.De bepalingen van de artikelen 1bis, 4°

11, tweede lid van dezelfde wet blijven van toepassing op de inbreuken gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wet

voor de stagiairs die niet in dienst waren vóór deze datum. Afdeling II. - Voordeelbanenplan Art. 19.In artikel 61, § 1, vierde lid, van de wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 houdende sociale

diverse bepalingen, gewijzigd bij de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6, worden de woorden « na 31 december 1998 » vervangen door de woorden « na 31 december 2000 ». Afdeling III. - Activering van de werkloosheidsuitkeringen Art. 20.Artikel 18 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, wordt aangevuld met de volgende leden : « Het in het tweede lid bedoelde fonds wordt eveneens gespijsd bij een tegemoetkoming van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of van het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid

Leefmilieu, Bestuur van Maatschappelijke Integratie, teneinde bij te dragen tot de financiering van het vakantiegeld van bepaalde arbeiders, tewerkgesteld in een stelsel van activering van werkloosheidsuitkeringen, respectievelijk bestaansminimum. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit het bedrag

de wijze van betaling van deze tegemoetkoming. » Art. 21.Artikel 7, § 1bis, vierde lid, 3°, van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten8 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij de wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten, wordt aangevuld met de woorden : «

in de artikelen 59, 1°

59ter, § 1, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971

in de artikelen 56, 1°,

57 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970. ». Afdeling IV. - Verlaging van de sociale lasten Art. 22.Artikel 35, § 1 tot § 4 van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten3 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1988

29 december 1990

bij de koninklijke besluiten van 17 april 1997

18 juli 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 35.- § 1. Werkgevers die werknemers tewerkstellen die zijn onderworpen aan het geheel der regelingen bedoeld in artikel 21, § 1, genieten voor elk van die werknemers per kwartaal een vermindering van werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7°,

§ 3b

is, overeenkomstig volgende principes : 1° De vermindering van de werkgeversbijdrage heeft betrekking op drie categorieën : Categorie 1 : de handarbeiders tewerkgesteld bij de werkgevers bedoeld in ten minste een van de volgende wetten : de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen; de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers; de wet van 12 mei 1975 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers; alsmede voor de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de diensten voor gezins-

bejaardenhulp

de werkgevers van de beschutte werkplaatsen die ressorteren onder het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen

de sociale werkplaatsen; met uitsluiting van de werkgevers die een activiteit uitoefenen zonder industriële of commerciële finaliteit alsook de werkgevers die onder de bevoegdheid vallen van de volgende paritaire comités : paritair comité voor de petroleumnijverheid

-handel; paritair comité voor de gezondheidsdiensten; paritair comité voor het verzekeringswezen; paritair comité voor de makelarij

de verzekeringsagentschappen; paritair comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen

kapitalisatie; paritair comité voor de wisselagenten; paritair comité voor de banken; paritair comité voor het gas-

elektriciteitsbedrijf. Categorie 2 : de werknemers tewerkgesteld door werkgevers van de non-profitsector, zoals bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 februari 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten1 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 mei 1997, 24 april 1998

10 augustus 1998, met uitzondering van de werknemers tewerkgesteld door werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de diensten voor gezins-

bejaardenhulp

door de werkgevers van de beschutte werkplaatsen die ressorteren onder het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen

de sociale werkplaatsen. Categorie 3 : de werknemers onderworpen aan het geheel der regelingen bedoeld in artikel 21, § 1, die niet bedoeld worden in de twee vorige leden. 2° Voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties in categorie 1

categorie 3 wordt de bijdragevermindering, zes jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, gelijk aan :

  1. i)voor de werknemers met een loon kleiner dan een eerste loongrens of met een loon groter dan een derde loongrens : een forfaitair bedrag van F* per kwartaal;
  2. ii)voor de werknemers met een loon groter dan of gelijk aan de eerste loongrens

kleiner dan of gelijk aan een tweede loongrens : een forfaitair bedrag van 29 706 Belgische frank per kwartaal; iii) voor de werknemers met een loon groter dan de tweede

kleiner dan of gelijk aan de derde loongrens : een bedrag dat lineair daalt in functie van het loon van de werknemer van 29 706 Belgische frank tot het bedrag F*. Voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties in categorie 2 wordt de bijdragevermindering, 6 jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, gelijk aan de bijdragevermindering bedoeld in 3°, iii, 2e streepje

in 3°, V. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, wat men verstaat onder voltijdse werknemers met volledige prestaties

onder de eerste, tweede

derde loongrens. 3° Het onder 2° omschreven eindstelsel, van toepassing zes jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, wordt als volgt bereikt :

  1. i)voor de werknemers in categorie 1 met een loon kleiner dan een eerste loongrens of met een loon groter dan een derde loongrens, wordt een forfaitaire basisvermindering per kwartaal toegekend, die, vanaf een basisbedrag van 8 170 Belgische frank, jaarlijks evenredig verhoogd wordt om na zes jaar het bedrag F* te bereiken;
  2. ii)voor de werknemers in categorie 3 met een loon kleiner dan een eerste loongrens of met een loon groter dan een derde loongrens, wordt een forfaitaire basisvermindering per kwartaal toegekend, die jaarlijks evenredig verhoogd wordt om na zes jaar het bedrag F* te bereiken; iii) voor de werknemers met een loon gelijk aan of groter dan de eerste

kleiner dan of gelijk aan de tweede loongrens, wordt de lastenverlaging als volgt bepaald : voor werknemers in categorie 1 wordt de totale lastenverlaging gelijk aan 29 706 Belgische frank per kwartaal; voor werknemers in categorie 2 wordt de totale lastenverlaging gelijk aan 21 206 Belgische frank per kwartaal; voor werknemers in categorie 3 wordt de lastenverlaging bedoeld in 3°, ii verhoogd met 21 206 Belgische frank per kwartaal, zonder dat de totale lastenverlaging evenwel 29 706 Belgische frank per kwartaal kan overschrijden. iv) Voor de werknemers in categorie 1

3 met een loon groter dan de tweede

kleiner dan of gelijk aan de derde loongrens, wordt een in functie van het loon forfaitaire bijdragevermindering toegekend, waarbij over een periode van zes jaar geleidelijk zal worden overgegaan naar de in functie van het loon gelineariseerde vermindering zoals omschreven in 2°, iii. v) Voor de werknemers in categorie 2 met een loon groter dan de tweede

kleiner of gelijk aan de derde loongrens, wordt een in functie van het loon forfaitaire bijdragevermindering toegekend, waarbij over een periode van zes jaar geleidelijk zal worden overgegaan naar een in functie van het loon gelineariseerde vermindering, zoals omschreven in 2°, iii met dien verstande dat het bedrag van de vermindering bij de tweede loongrens gelijk is aan 21 206 Belgische frank

nul bij de derde loongrens. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit wat verstaan wordt onder loon

onder gelineariseerde

geleidelijke bijdragevermindering. 4° Voor voltijdse werknemers met onvolledige prestaties

deeltijdse werknemers wordt voornoemde lastenverlaging proportioneel toegekend, mits een ondergrens inzake arbeidsprestatie wordt overschreden.Via een voor de voltijdse werknemers met onvolledige prestaties

deeltijdse werknemers, eenvormige toeslag kan van een bijdragevermindering die strict proportioneel is met de geleverde arbeidsprestaties afgeweken worden, zonder dat daarbij de bijdragevermindering in geval van volledige prestaties kan overschreden worden. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit wat verstaan wordt onder voltijdse werknemers met onvolledige prestaties

deeltijdse werknemers, ondergrens inzake arbeidsprestatie, proportionele

eenvormige toeslag. 5° Het bedrag F* wordt tweejaarlijks vastgelegd bij een in Ministerraad overlegd besluit.Voor het eerste jaar na inwerkingtreding van dit artikel wordt het bedrag vastgesteld op 16 025 Belgische frank per kwartaal. Voor het tweede jaar na de inwerkingtreding van dit artikel wordt het bedrag vastgesteld op 19 000 Belgische frank per kwartaal. Vóór 30 september 1999 evalueren de sociale gesprekpartners in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven

de Nationale Arbeidsraad de globale evolutie van de lonen, de vormingsinspanningen,

de werkgelegenheid. Indien die globale evaluatie niet positief is, wordt het bedrag F* dat van toepassing is vanaf het tweede jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, op 12 500 Belgische frank per kwartaal gebracht tenzij de onderneming gebonden is door een vormings-

tewerkstellings- collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair comité of, bij onstentenis, in de onderneming. Voor de ondernemingen met minder dan 50 werknemers op 30 juni van het vorige jaar aangegeven aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid

waar geen vakbondsafvaardiging bestaat, kan de vormings-

tewerkstellings- collectieve arbeidsovereenkomst de vorm aannemen van een vormings-

tewerkstellingsakkoord. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de vormvereisten waaraan een vormings- of tewerkstellingsakkoord

een vormings-

tewerkstellings- collectieve arbeidsovereenkomst moeten voldoen, alsook de procedure inzake raadpleging die moet worden gevolgd bij het tot stand komen van een vormings-

tewerkstellingsakkoord

, op gemeenschappelijk voorstel van de Nationale Arbeidsraad

de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de vormvereisten van de evaluatie door de Nationale Arbeidsraad

de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. § 2. De verhoging van de bijdragevermindering voorzien in 1°, 2°, 3°

4° van § 1, waarop een werkgever recht heeft, kan geheel of gedeeltelijk worden ingehouden voor de werkgevers die, zonder rechtvaardiging, hun verplichtingen niet nakomen inzake de betaling van sociale zekerheidsbijdragen, inzake het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage

de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces of die worden schuldig bevonden aan het doen of laten verrichten van arbeid door een werknemer waarvoor geen bijdragen werden betaald aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Nationale Arbeidsraad, nadere regelen tot uitvoering van deze inhouding. § 3. Het bedrag van de door dit artikel toegekende bijdragevermindering is beperkt tot het bedrag van de eventueel verschuldigde werkgeversbijdrage voor de regelingen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7°

§ 3bis van deze wet.

Wanneer de werkgever in hoofde van dezelfde werknemer verschillende types van bijdragevermindering kan toepassen, kan het totaal van deze verminderingen in geen geval groter zijn dan het bedrag van de patronale bijdragen die eventueel verschuldigd zijn ingevolge de regelingen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7°

§ 3bis van deze wet.

Zo dit zich zou voordoen, wordt de toegestane bijdragevermindering krachtens dit artikel herleid tot hetgeen verschuldigd is. § 4. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden

nadere regels vaststellen waarin de vermindering bedoeld in de §§ 1, 2

3 wordt toegepast op de werkgevers van de sector van de beschutte werkplaatsen die onder het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen

de sociale werkplaatsen vallen. ». Art. 23.Titel VII van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, zoals naderhand gewijzigd, wordt opgeheven. Art. 24.Artikel 128, § 1, i), van de programmawet van 30 december 1988, ingevoegd door het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, wordt vervangen door de volgende bepaling : « i) van de bepalingen van titel IV Bedrijfsplannen tot herverdeling van de arbeid van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. ». Art. 25.In artikel 64, § 1, 8°, van de wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 houdende sociale

diverse bepalingen, worden de woorden «

VII » geschrapt. Art. 26.Artikel 36, tweede lid, 5°, van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt opgeheven. Art. 27.Artikel 12, § 1, f), van het koninklijk besluit van 14 maart 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten2 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine

middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « f) van de bepalingen van titel IV Bedrijfsplannen tot herverdeling van de arbeid van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. ». Art. 28.Artikel 4, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 24 november 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten0 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt opgeheven. Afdeling V. - Betaald educatief verlof Art. 29.In artikel 108 van de herstel wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten7 houdende sociale bepalingen worden de §§ 1

2 respectievelijk vervangen door de volgende bepalingen : § 1. Deze afdeling is van toepassing : 1° op de werknemers die voltijds tewerkgesteld zijn in het kader van één of verscheidene arbeidsovereenkomsten; op de ten minste 4/5-tijds tewerkgestelde werknemers; op de werknemers tewerkgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten3 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2,

33 van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; op de werknemers tewerkgesteld op basis van het koninklijk besluit van 24 november 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten0 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; op de op basis van een variabele werktijdregeling deeltijds tewerkgestelde werknemers in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten

die een bij artikel 109 bedoelde opleiding volgen; 2° op de werkgevers. § 2. Voor de toepassing van deze afdeling worden gelijkgesteld : 1° met werknemers : de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van één of meer personen op basis van : een volledige dagtaak; 4/5e arbeidsprestaties; artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten3 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2,

33 van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; het koninklijk besluit van 24 november 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten0 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; een deeltijdse variabele werktijdregeling in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten; 2°, met werkgevers : de personen die de bij 1° bedoelde personen tewerkstellen. Afdeling VI. - Nieuwe arbeidsorganisatie Onderafdeling I. - Arbeidsherverdelende bijdrageverminderingen

compenserende aanwervingen Art. 30.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 november 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten0 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt gewijzigd als volgt : 1° § 1 wordt gewijzigd als volgt :

  1. a)in het eerste lid worden de woorden « 30 juni 1996 » vervangen door de woorden « 30 juni 1997 »;
  2. b)het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid kan overgaan tot de goedkeuring van maximaal 15 collectieve arbeidsovereenkomsten per trimester.De aanvragen tot goedkeuring zullen behandeld worden in functie van het percentage van de gecreëerde werkgelegenheid. De voorrang zal gegeven worden aan de collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in het hoogste percentage gecreëerde werkgelegenheid »;

  1. c)in het vierde lid worden de woorden « 30 april 1998 » vervangen door de woorden « 30 juni 1999 »;
  2. d)een vijfde lid wordt toegevoegd luidend als volgt : « de Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit het toepassingsgebied van dit besluit uitbreiden tot de ondernemingen die minder dan 50 werknemers tewerkstellen op 30 juni 1997

die gebonden zijn door een goedgekeurd bedrijfsplan bedoeld in titel IV van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, gesloten na 1 januari 1996

uiterlijk op 31 december 1997, dat voorziet in een collectieve arbeidsduurvermindering overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.Deze collectieve arbeidsduurvermindering moet op 1 januari 1999 nog van toepassing zijn. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere regelen

voorwaarden vastleggen met betrekking tot de gehele of gedeeltelijke toekenning van de voordelen van dit besluit aan deze onderneming. »; 2°, § 2 wordt vervangen door de volgende paragraaf : « § 2. De collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in § 1 moet voldoen aan de volgende voorwaarden om de goedkeuring te kunnen bekomen bedoeld in § 1 : een volledige identificatie vermelden van de onderneming; vermelden dat zij werd gesloten ter uitvoering van dit besluit; voorzien in een vermindering van de gemiddelde arbeidsduur met ten minste 10 % zonder dat de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur lager mag zijn dan 32 uur per week of in een vermindering van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur tot 32 uur, voor een aantal werknemers dat ten minste gelijk is aan 20 % van de werknemers tewerkgesteld op 30 juni 1997 in de onderneming of de technische bedrijfseenheid waar deze vermindering van de arbeidsduur wordt doorgevoerd; het bedrag bepalen van de looncompensatie die wordt toegekend aan de werknemers die overgaan naar een kortere arbeidsduur; een tewerkstellingsengagement bevatten waarbij overgegaan wordt tot nieuwe aanwervingen zodat voldaan wordt aan de bepaling van § 3; de wijze van rapportering aan de minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid vastleggen met betrekking tot de resultaten van de invoering van het stelsel van de arbeidsherverdeling met arbeidsherverdelende bijdragevermindering. De minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid maakt de resultaten van deze rapportering over aan de Hoge Raad voor Werkgelegenheid. »; 3° § 3 wordt vervangen door de volgende paragraaf : « § 3.Teneinde de bijdragevermindering te genieten, bedoeld in artikel 2, moet de onderneming kunnen aantonen dat : a) het totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996 naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering voor minimaal 85 % wordt gecompenseerd door bijkomende aanwervingen gedurende 4 kwartalen met ingang van de eerste dag van het eerste volledige kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering wordt doorgevoerd

ten vroegste met ingang van de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in dit artikel werd goedgekeurd;

  1. b)vanaf het kwartaal volgend op de periode bedoeld in a), het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996 voor minimaal 90 % wordt gecompenseerd. In afwijking van de bepalingen bedoeld in
  2. b)mag het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996 voor minder dan 90 % worden gecompenseerd vanaf het vijfde kwartaal volgend op de periode bedoeld in a). De minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid kan de vermindering van het aantal dagen economische werkloosheid van een kwartaal in vergelijking met de dagen economische werkloosheid van de vier kwartalen voorafgaand aan de neerlegging van de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in § 1, gelijkstellen met compenserende aanwervingen. De Koning bepaalt de nadere regelen

modaliteiten met betrekking tot deze gelijkstelling. Hij bepaalt de nadere regels met betrekking tot de vaststelling

de berekening van het « totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren. »; 4° § 4 wordt aangevuld met het volgende streepje : « De werknemer aangeworven in het kader van hoofdstuk II, afdeling VI, onderafdeling 2 van de wet van 26 maart 1999.» Art. 31.Artikel 2 van het hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° § 1, eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De ondernemingen die gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1 hebben per werknemer die overgaat van een voltijdse betrekking naar een betrekking waarbij de normale arbeidsduur ten minste 10 % lager ligt zonder dat de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur lager mag zijn dan 32 u/week of die overgaat naar een gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 32 uur, recht op een arbeidsherverdelende bijdragevermindering bedoeld in artikel 3

dit voorzover deze onderneming de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1 volledig naleeft

voorzover deze onderneming minimaal eenzelfde aantal werknemers in dienst heeft in het betrokken kwartaal in vergelijking met het overeenkomstige kwartaal van 1996 »; 2°, § 1 wordt aangevuld met een derde lid luidend als volgt : « De Koning kan nadere regelen bepalen met betrekking tot de vaststelling van het aantal in dienst zijnde werknemers. ». Art. 32.Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 3.- De arbeidsherverdelende bijdragevermindering wordt vastgesteld op : 1° 4 000 frank per werknemer bedoeld in artikel 2, § 1, per kwartaal

dit per uur arbeidsduurvermindering

dit gedurende acht kwartalen

dit met ingang van de eerste dag van het eerste volledige kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering wordt doorgevoerd

ten vroegste met ingang van de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1 werd goedgekeurd.De maximale bijdragevermindering is vastgesteld op 24 000 frank per werknemer per kwartaal; 2° 85 % van de bedragen bedoeld in 1°

dit gedurende de vier kwartalen volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;3° 70 % van de bedragen bedoeld in 1°

dit gedurende het vijfde tot het achtste kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;4° 55 % van de bedragen bedoeld in 1°

dit gedurende het negende tot het twaalfde kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;5° 40 % van de bedragen bedoeld in 1°

dit gedurende het dertiende tot het zestiende kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;6° 25 % van de bedragen bedoeld in 1°

dit gedurende het 17e tot het 20e kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°. Indien de onderneming overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, § 3, tweede lid, het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996, voor minder dan 90 % compenseert met bijkomende aanwervingen, worden de bedragen bedoeld in 2° tot 6° verminderd met een percentage dat gelijk is aan het verschil tussen 90 %

het percentage van de gerealiseerde compensatie van de vrijgekomen arbeidsuren voor de respectieve kwartalen. Art. 33.Artikel 4, § 1 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende streepje : « Hoofdstuk II, Afdeling VI, Onderafdeling 2 van de wet van 26 maart 1999 ». Art. 34.In hetzelfde besluit wordt een artikel 4bis ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 4bis.- De ondernemingen die overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, § 3, overgaan tot compenserende aanwervingen ten belope van minder dan 100 % van het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren, mogen de vrijgekomen loonmassa niet aanwenden voor compensatie van het loonverlies van de werknemers bedoeld in artikel 2, § 1. Deze ondernemingen mogen het percentage van de in artikel 3 bedoelde lastenvermindering, dat bekomen wordt door het verschil tussen 100 %

het percentage van de compenserende aanwervingen gerealiseerd om de vrijgekomen arbeidsuren in te vullen, ook niet aanwenden ter compensatie van het loonverlies van de werknemers bedoeld in artikel 2, § 1. ». Onderafdeling II. De vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen Art. 35.Deze onderafdeling is van toepassing op de werkgevers

de werknemers die ressorteren onder de toepassing van de wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten0 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten

de paritaire comités. Art. 36.§ 1. De werkgevers bedoeld in artikel 35 die een vakbondsafvaardiging hebben of die 50 of meer werknemers tellen op 30 juni 1997 moeten een collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot de invoering van de vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen sluiten, overeenkomstig de bepalingen van de voornoemde wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten0 om te kunnen genieten van de voordelen van deze onderafdeling. Deze collectieve arbeidsovereenkomst moet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 37

  1. §
  2. De werkgevers met minder dan 50 werknemers in dienst op 30 juni 1997

die geen vakbondsafvaardiging hebben, moeten een akkoord sluiten met betrekking tot de invoering van de vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen om te kunnen genieten van de voordelen van deze onderafdeling. Dit akkoord moet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 37

38. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit nadere regelen

modaliteiten vastleggen met betrekking tot de door de onderneming te volgen procedure bij het sluiten van een akkoord bedoeld in het vorige lid. Art. 37.§ 1. De collectieve arbeidsovereenkomst

het akkoord bedoeld in artikel 36 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden om de goedkeuring bedoeld in artikel 38 te kunnen bekomen : de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord moet een volledige identificatie vermelden van de onderneming; de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord moet vermelden dat hij/het werd gesloten in uitvoering van deze onderafdeling II; de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord moet een tewerkstellingsengagement bevatten waarbij wordt overgegaan tot nieuwe aanwervingen om te voldoen aan de bepalingen van § 2; de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord moet aanduiden op welke wijze de invoering van de vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen leidt tot een verlenging van de totale productietijd van de onderneming; de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord moet de wijze van rapportering aan de minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid vastleggen met betrekking tot de resultaten van de invoering van de vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen. De minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid maakt de resultaten van deze rapportering over aan de Hoge Raad voor Werkgelegenheid. § 2. Teneinde te kunnen genieten van de bijdrageverminderingen bedoeld in artikel 38 moet de onderneming aantonen dat :

  1. a)het arbeidsvolume van het betrokken kwartaal met ten minste 10 % is toegenomen, dit in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1997. Het arbeidsvolume per kwartaal wordt berekend volgens de volgende bepalingen : 1° voor de voltijdse werknemers, met uitzondering van voltijdse werknemers die niet permanent vijf dagen per week tewerkgesteld zijn : (d + v + g)/w;2° voor een deeltijdse werknemer alsmede voor een voltijdse werknemer die niet permanent vijf dagen per week is tewerkgesteld : u x 5 x (d + v +
  2. g)d x m x w Wordt verstaan onder : d = de dagen bedoeld bij artikel 24, 1°, a), b), c)

e) van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten2 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten8 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met uitzondering van de dagen gedekt door de vergoedingen bedoeld in artikel 19, § 2, 2°, a), b), d)

e) van het koninklijk besluit; u = de uren die overeenstemmen met de dagen bedoeld in d; v = de dagen bedoeld bij artikel 24, d), van het bovengenoemd koninklijk besluit van 28 november 1969; g = de bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid als gelijkgestelde dag aangegeven dagen, met uitzondering van de dagen tijdelijke werkloosheid te wijten aan economische oorzaken bedoeld bij artikel 51 van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten; w = het aantal kalenderdagen van het burgerlijk kwartaal met uitzondering van de zaterdagen

zondagen; m = het gemiddeld aantal arbeidsuren per week van de voltijdse werknemer die in de onderneming, of bij gebrek daaraan in de sector, dezelfde soort arbeid verricht als de deeltijdse werknemer. Het arbeidsvolume van een onderneming per trimester is gelijk aan de som van alle individuele arbeidsvolumes van de voltijdse

de deeltijdse werknemers. b) het aantal tewerkgestelde werknemers van het betrokken kwartaal dat is tewerkgesteld in de vierdagenweek met ten minste eenzelfde percentage is toegenomen als het arbeidsvolume van hetzelfde kwartaal

dit in vergelijking met het aantal werknemers dat vóór de invoering van de vierdagenweek reeds in dienst was

dat rechtstreeks bij de invoering van de vierdagenweek betrokken is. De Koning kan nadere regelen

modaliteiten bepalen met betrekking tot de berekening van de toename van het aantal in de vierdagenweek tewerkgestelde werknemers. § 3. Worden niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers in het kader van het tewerkstellingsengagement opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord vermeld in § 1 : de werknemer aangeworven in het kader van het banenplan, bedoeld in titel IV, hoofdstuk II van de wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 houdende sociale

diverse bepalingen, gedurende de periode van de bijdragevermindering; de werknemer, aangeworven ten gevolge van een fusie of een overname van een andere instelling of onderneming of ten gevolge van een transfer binnen instellingen of ondernemingen die behoren tot diezelfde groep; de werknemer aangeworven in het kader van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot invoering van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen; de werknemer, tewerkgesteld in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten8, betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in uitvoering van artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid; de jongere, tewerkgesteld in het kader van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling

opleiding voor jongeren tussen 18

25 jaar

tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren; de werknemer aangeworven in het kader van titel III, hoofdstuk IV van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; de werknemer aangeworven in het kader van titel IV, hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen; de werknemer aangeworven in het kader van het koninklijk besluit van 5 februari 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten1 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector; de werknemer aangeworven in het kader van het koninklijk besluit van 24 november 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten0 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen. Art. 38.Teneinde te kunnen genieten van de bijdragevermindering bedoeld in artikel 39 moeten de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord bedoeld in artikel 36 door de minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid worden goedgekeurd. Daartoe moet de onderneming de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord ter goedkeuring voorleggen aan de minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid. Deze collectieve arbeidsovereenkomst

dit akkoord moeten worden neergelegd op de griffie van de dienst der Collectieve Arbeidsbetrekkingen van het ministerie van Tewerkstelling

Arbeid. Art. 39.De bijdragevermindering wordt per werknemer die bijkomend wordt aangeworven naar aanleiding van de invoering van de vierdagenweek om organisatorische redenen vastgesteld op : 1° een volledige vrijstelling van werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7°

§ 3bis van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten3 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers gedurende acht kwartalen met ingang van de eerste dag van het eerste volledige kwartaal waarin de vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen wordt ingevoerd

ten vroegste met ingang van de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord bedoeld in artikel 35 werden goedgekeurd;2° 85 % van de vrijstelling bedoeld in 1°, gedurende de vier kwartalen volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;3° 70 % van de vrijstelling bedoeld in 1°, gedurende het vijfde tot het achtste kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;4° 55 % van de vrijstelling bedoeld in 1°, gedurende het negende tot het twaalfde kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;5° 40 % van de vrijstelling bedoeld in 1°, gedurende het dertiende tot het zestiende kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;6° 25 % van de vrijstelling bedoeld in 1°, gedurende het zeventiende tot het twintigste kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°. De bijdragevermindering bedoeld in 1° tot 6° kan maximaal 50 000 frank per kwartaal per bijkomende voltijdse werknemer bedragen

kan maximaal worden toegekend voor een aantal bijkomende aanwervingen dat overeenstemt met 25 % van het aantal werknemers dat toetreedt tot de vierdagenweek in het betrokken kwartaal. De Koning bepaalt de nadere regelen met betrekking tot de vaststelling van het maximale bedrag van de bijdragevermindering dat wordt toegekend aan de bijkomende werknemers die deeltijds worden aangeworven. Art. 40.§ 1. Een werkgever bedoeld in artikel 35 kan voor een werknemer bedoeld in artikel 39 niet gelijktijdig genieten van de bijdragevermindering bedoeld in artikel 39

van de vermindering van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in : titel IV, hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen; titel III, hoofdstuk IV van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; artikel 8 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten3 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2,

33 van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; het banenplan bedoeld in titel IV, hoofstuk II van de wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 houdende sociale

diverse bepalingen; het voornoemd koninklijk besluit van 24 november 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten

  1. §
  2. Een onderneming die de bijdragevermindering geniet bedoeld in artikel 39 kan voor dezelfde werknemer gedurende dezelfde periode in voorkomend geval de vermindering genieten bedoeld in : 1° de bepalingen van artikel 35 van de voornoemde wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten3; 2°, de bepalingen van titel VII van het voornoemd koninklijk besluit van 24 december 1993; 3° de bepalingen van het voornoemd koninklijk besluit van 5 februari 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten1. De gelijktijdige toepassing van de verschillende verminderingen kan nooit tot gevolg hebben dat een werkgever voor dezelfde werknemer een vermindering van werkgeversbijdragen geniet die hoger is dan het bedrag van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid, bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7°

9°,

§ 3b

is, van de voornoemde wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten3, voor het betrokken kwartaal. Afdeling VII. - Aandelen met décote stock options Onderafdeling I. - Aandelenopties Art. 41.Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder : 1° vennootschap : iedere Belgische of buitenlandse vennootschap met rechtspersoonlijkheid;2° aandeel : ieder aandeel of winstbewijs van een vennootschap;3° optie : het recht om, gedurende een welbepaalde termijn een bepaald aantal aandelen aan te kopen of, naar aanleiding van de verhoging van het kapitaal van een vennootschap op een bepaald aantal aandelen in te schrijven tegen een vastgestelde of een nog vast te stellen prijs;4° aanbod : het aanbod van de optie waarvan aan de begunstigde kennisgegeven is;5° beurs : elke gereglementeerde markt of een andere openbare, regelmatig werkende markt. Art. 42.§

  1. De voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid van de begunstigde, onder de vorm van al dan niet kosteloze toekenning van een optie, vormen voor deze laatste een beroepsinkomen dat belastbaar is op het ogenblik van de toekenning ervan, wanneer hij die optie niet heeft aangewend voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid. De optie wordt uit fiscaal oogpunt geacht te zijn toegekend op de zestigste dag die volgt op de datum van het aanbod, zelfs indien aan de uitoefening van de optie opschortende of ontbindende voorwaarden zijn verbonden, tenzij de begunstigde, voor het verstrijken van die termijn, aan de aanbieder zijn weigering om het aanbod te aanvaarden schriftelijk te kennen heeft gegeven. §
  2. Wanneer het opties of aandelen betreft welke door de begunstigde niet worden aangewend voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid, vormen de verkregen voordelen naar aanleiding van de vervreemding van een optie, van de uitoefening van die optie of van de vervreemding van aandelen die verworven werden als gevolg van die uitoefening, geen belastbare beroepsinkomsten. Art. 43.§
  3. Het krachtens artikel 42, § 1, belastbare bedrag van het voordeel wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende paragrafen

, in geval van tegen betaling toegekende optie, wordt dit bedrag verminderd met de bijdrage van de begunstigde van het voordeel. §

  1. Wanneer het om opties gaat die genoteerd of verhandeld worden op een beurs, wordt het belastbare voordeel bepaald op grond van de laatste slotkoers van de optie die voorafgaat aan de dag van het aanbod. §
  2. In de gevallen die niet worden bedoeld in paragraaf 2, wordt het belastbare voordeel forfaitair vastgesteld op een percentage van de waarde die de aandelen waarop de optie betrekking heeft, bezitten op het ogenblik van het aanbod. §
  3. Voor de toepassing van paragraaf 3, wordt de waarde van de aandelen bepaald als volgt : 1° wanneer de aandelen genoteerd of verhandeld worden op de beurs, is de waarde van het aandeel naar keuze van de persoon die de optie aanbiedt, de gemiddelde koers van het aandeel gedurende dertig dagen die het aanbod voorafgaan of de laatste slotkoers die voorafgaat aan de dag van het aanbod;2° in de andere gevallen, is de waarde van het aandeel de werkelijke waarde ervan op het ogenblik van het aanbod, zoals vastgesteld door de persoon die de optie aanbiedt, op eensluidend advies van de commissaris-revisor van de vennootschap die de aandelen uitgeeft waarop de optie betrekking heeft, of, als in die vennootschap geen commissaris-revisor is, door een bedrijfsrevisor, die door die vennootschap wordt aangewezen, of als de uitgevende vennootschap niet-verblijfhoudend is, door een accountant met een vergelijkbaar statuut, die door die vennootschap wordt aangewezen. Wanneer het om kapitaalvertegenwoordigende deelbewijzen gaat, mag de waarde bedoeld in het eerste lid, 2°, niet lager zijn dan de boekwaarde van die aandelen zoals blijkt uit de laatste jaarrekening van de uitgevende vennootschap die afgesloten

goedgekeurd is door het bevoegde orgaan vóór de datum van het aanbod. Wanneer het om niet-kapitaalvertegenwoordigende deelbewijzen gaat, wordt de waarde bedoeld in het eerste lid, 2°, bepaald overeenkomstig de rechten die aan die deelbewijzen toegekend worden op grond van de statuten van de uitgevende vennootschap. § 5. Voor de toepassing van paragraaf 3, wordt het belastbaar voordeel forfaitair vastgesteld op 15 % van de waarde zoals die is bepaald overeenkomstig § 4. Wanneer de optie wordt toegekend voor een periode van meer dan vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het aanbod, wordt het belastbare voordeel per jaar of gedeelte van een jaar dat de vijf jaar overschrijdt, vermeerderd met 1 % van de voornoemde waarde. § 6. De in § 5 vastgestelde percentages worden gehalveerd wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° de uitoefenprijs van de optie wordt definitief vastgesteld op het ogenblik van het aanbod; 2°, de optie bevat de volgende bedingen :

  1. a)zij mag niet worden uitgeoefend vóór het einde van het derde kalenderjaar na dat waarin het aanbod heeft plaatsgevonden, noch na het einde van het tiende jaar na dat waarin het aanbod heeft plaatsgevonden;
  2. b)ze mag niet onder levenden worden overgedragen;3° het risico van vermindering van de waarde van de aandelen waarop de optie betrekking heeft na de toekenning ervan, mag noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, gedekt worden door de persoon die de optie toekent, of door een persoon met wie er een band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat;4° de optie heeft betrekking op aandelen van de vennootschap ten behoeve van wie de beroepswerkzaamheid wordt uitgeoefend of op aandelen van een andere vennootschap die een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming heeft in de eerst genoemde vennootschap als bedoeld in het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen. Wanneer aan de in het eerste lid, 2°, vermelde voorwaarde niet wordt voldaan, worden de in § 5 bepaalde percentages niettemin tot de helft verminderd wanneer de begunstigde zich ertoe verbindt de verplichtingen na te leven die zijn opgenomen in de in dat lid vermelde bedingen. Wanneer het in het eerste lid, 3°, vermelde risico na de datum van het aanbod wordt gedekt

in het in het tweede lid vermelde geval wordt een tegen de helft belastbaar voordeel, dat overeenkomstig § 5 wordt vastgesteld, geacht een belastbaar inkomen te zijn van het jaar waarin de begunstigde zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin naar het buitenland overbrengt

ten laatste, als een inkomen van het elfde jaar dat volgt op dat waarin het aanbod heeft plaatsgehad, behalve indien, in het tweede lid vermelde geval, de belastingplichtige uiterlijk bij zijn aangifte in de personenbelasting of in de belasting der niet verblijfhouders met betrekking tot dat inkomen het bewijs levert : dat de optie niet overgedragen werd;

dat de optie werd uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid of dat zij niet werd uitgeoefend. §

  1. Indien de prijs van de uitoefening van de optie lager is dan de op het ogenblik van het aanbod geldende waarde van de aandelen waarop de optie betrekking heeft, wordt dat verschil, in de gevallen bedoeld in de §§ 4 tot 6, bij het belastbare voordeel gevoegd. §
  2. Wanneer de optie, op het ogenblik van het aanbod of tot op de vervaldag van de termijn van uitoefening van de optie, bedingen bevatten, die tot doel hebben een zeker voordeel aan de begunstigde van de optie te verlenen, vormt dit voordeel een beroepsinkomen voor het belastbaar tijdperk waarin dat laatste vaststaat, in de mate dat het meer bedraagt dan het bedrag van het belastbaar voordeel dat forfaitair wordt vastgesteld op het ogenblik van de toekenning van de optie. Art. 44.De persoon die belastbare voordelen toekent, die voortkomen van opties

die belastbaar zijn voor de begunstigden van de opties, dient de door artikel 57 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vereiste individuele fiches

samenvattende opgaven over te leggen, bij ontstentenis daarvan worden die voordelen als abnormaal of goedgunstig aangemerkt

bij zijn eigen belastbare inkomsten gevoegd. Wanneer de opties worden toegekend door een niet-verblijfhoudende vennootschap, zonder vestiging in België, wegens of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid van de begunstigde ten behoeve van een Belgische belastingplichtige, is de in het voorgaande lid bepaalde regeling van toepassing op de voornoemde belastingplichtige. Art. 45.Voor zover daarvan niet wordt afgeweken, zijn de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op deze onderafdeling. Art. 46.Het totaal bedrag van de opbrengst van de belasting van de voordelen bedoeld in artikelen 42, § 1,

43, § 8 wordt toegewezen, overeenkomstig de percentages vastgesteld in uitvoering van artikel 89, § 2, van de wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 houdende sociale

diverse bepalingen, aan het globaal RSZ-beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten2 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten8 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders,

aan het fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Art. 47.§

  1. De artikelen 41 tot 45 zijn van toepassing op de opties toegekend vanaf 1 januari
  2. §
  3. Artikel 45 van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, gewijzigd bij artikel 311 van de wet van 22 december 1989

bij artikel 20 van de wet van 28 december 1990, wordt opgeheven. Het blijft evenwel van toepassing op de opties die zijn toegekend vóór 1 januari

  1. §
  2. Het artikel 46 treedt in werking vanaf het aanslagjaar
  3. Onderafdeling II. - Uitgifte van aandelen met prijsreductie Art. 48.Artikel 2, eerste lid, 3°, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers wordt als volgt geïnterpreteerd : « Het voordeel verworven door de uitgifte van aandelen met prijsreductie overeenkomstig artikel 52septies van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, wordt niet beschouwd als een voordeel bepaald in artikel 2, eerste lid, 3°, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. ». Art. 49.Artikel 36 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt als volgt geïnterpreteerd : « De verkregen voordelen bij de toekenning van aandelenopties uitgegeven ter gelegenheid van een kapitaalverhoging in het kader van de bepalingen van artikel 52septies van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of bij de inschrijving van aandelen tegen verminderde prijs in het kader van dit artikel, wordt niet ten name van de begunstigden als een belastbaar voordeel aangemerkt. ». Afdeling VIII. - Dienstencheques Art. 50.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° dienstencheques : de cheques die dienen ter betaling van maximum de helft van het gedeelte van de factuur dat betrekking heeft op de kost van de gepresteerde werkuren, exclusief BTW, bij het uitvoeren van binnenwerken, overeenkomstig het toepassingsgebied bepaald bij het artikel 52;2° geregistreerde onderneming : onderneming die ingeschreven is als aannemer krachtens het koninklijk besluit van 26 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten5 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404

406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten2 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten8 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders

waaraan de categorie 22 van de bijlage van dit koninklijk besluit werd toegekend. Art. 51.Een natuurlijke persoon die beroep doet op een geregistreerde onderneming voor het laten uitvoeren van binnenhuiswerken van schilderen

behangen aan zijn hoofdverblijfplaats, met uitsluiting van de plaatsen voor professioneel gebruik, kan een financiële tegemoetkoming die de vorm van dienstencheques aanneemt genieten, onder de voorwaarden

modaliteiten bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit. Daartoe bepaalt de Koning inzonderheid : de maximale financiële vergoeding zonder dat deze evenwel hoger mag zijn dan 40 000 frank per jaar

per hoofdverblijfplaats; de vorm van de dienstencheque, alsmede het maximum aantal ervan; de nadere regelen om het bedrag van de financiële tegemoetkomingen binnen de grenzen te houden van het daartoe voorziene bedrag. Art. 52.De toepassingsregels

nadere regels zoals bedoeld in artikel 51 zullen, bij wijze van proef, gelden voor een duur van 2 jaar vanaf hun inwerkingtreding. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, na evaluatie deze duur verlengen evenals het toepassingsgebied verruimen naar andere categorieën van binnenwerken aan de hoofdverblijfplaats, met uitsluiting van de plaatsen voor professioneel gebruik,

overeenstemmende categorieën van aannemers. Art. 53.De Koning wijst de instellingen aan belast met de uitvoering

de ambtenaren belast met de controle van het naleven van de bepalingen van deze wet

haar uitvoeringsbesluiten, alsmede de nadere regelen van de uitvoering, controle

de teruggave van de ten onrechte toegekende financiële tegemoetkomingen. Art. 54.De Koning bepaalt de nadere regels voor de aanwending van de financiering van de dienstencheques waarvan de kost, naar rato van de verdeelsleutel bepaald in artikel 89, § 2, van de wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 houdende sociale

diverse bepalingen, ten laste wordt gelegd van

erzijds de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten2 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten8 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders,

anderzijds het globaal financieel beheer van het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, in uitvoering van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot modernisering van de sociale zekerheid

tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Afdeling IX. - Sociale balans Art. 55.Artikel 45 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid wordt aangevuld met het volgende lid : « De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, categorieën van bedrijven vrijstellen van de vermelding van alle of een gedeelte van de gegevens in de sociale balans, op voorwaarde dat deze gegevens per onderneming verstrekt kunnen worden, onder dezelfde vorm

binnen dezelfde termijnen, door een administratieve overheid of door een door de overheid erkende instelling. Deze administratieve overheid of deze instelling verstrekt de gegevens aan de Nationale Bank

aan de werkgevers die deze mededelen aan de ondernemingsraden, aan de vakbondsafvaardigingen

aan de werknemers overeenkomstig de beschikkingen genomen in uitvoering van artikel 46. ». Art. 56.In artikel 46 van dezelfde wet worden de woorden « de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling bedoeld in artikel 45, derde lid » geschrapt. Art. 57.Een artikel 46bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd : « Art. 46bis.- Elk jaar bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling die in de sociale balans moeten worden opgenomen. ». Art. 58.In artikel 48 van dezelfde wet worden de woorden « behalve deze genomen op basis van artikel 46bis » ingevoegd tussen de woorden « De in onderhavig hoofdstuk bedoelde besluiten »

de woorden « worden aan ». Afdeling X. - Sociale economie Onderafdeling I. - Definitie

algemeenheden Art. 59.Onder sociale inschakelingseconomie wordt verstaan : de initiatieven waarvan het sociale doel bestaat in de socio-professionele inschakeling van bijzonder moeilijk te plaatsen werkzoekenden, via een activiteit van productie van goederen of diensten,

die aan volgende algemene voorwaarden voldoen : de doelgroep moet na de startfase ten belope van ten minste 50 % van de totale bezetting aan het werk of in opleiding zijn; ten minste 10 % van het omkaderingspersoneel van de doelgroep moet uit personeel bestaan dat bekwaam is om sociale vormings-

begeleidingsprogramma's te leiden

te ontwikkelen; de juridische vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, coöperatieve vennootschap of vennootschap met sociaal oogmerk of andere rechtsvormen, mits de doeleinden

de finaliteiten sociaal

collectief zijn, hebben aangenomen; geen meerderheid hebben van de leden van de bestuursorganen die behoren tot de overheidssector;

erkend zijn door de bevoegde overheid. Voor de toepassing van het vorige lid wordt verstaan onder bijzonder moeilijk te plaatsen werkzoekenden : werkzoekenden die, op het ogenblik van hun indienstneming of van het begin van hun opleidingsstage, gehandicapt of sedert twaalf maanden werkloos zijn, maximum een getuigschrift van het lager secundair onderwijs of gelijkgesteld hebben behaald

met sociale moeilijkheden kampen. Onderafdeling II. - Overheidsopdrachten Art. 60.In artikel 4 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, wordt een § 4 ingevoegd, luidend als volgt : « § 4. De ondernemingen voor sociale inschakelingseconomie als bedoeld in artikel 59 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgische actieplan voor de werkgelegenheid 1998

houdende diverse bepalingen, die voldoen aan de voorwaarden bepaald in § 1, 1°

3° tot 7°, kunnen een erkenning verkrijgen als aannemer. ». Onderafdeling III Statuut van stagiairs in leerwerkbedrijven Art. 61.In artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 tot regeling van de sociale zekerheid van sommige kansarme jongeren worden de woorden «

de leeftijd van 25 jaar niet bereikt hebben » vervangen door de woorden «

minder dan 30 jaar ». Onderafdeling IV. - Fiscale maatregelen Art. 62.Artikel 21 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij artikel 134 van de wet van 22 maart 1993, bij artikel 5 van de wet van 6 juli 1994, bij artikel 2 van de wet van 22 maart 1995, bij artikel 2 van de wet van 20 december 1995

bij artikel 4 van de wet van 22 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/12/1998 pub. 15/01/1999 numac 1998003665 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale

andere bepalingen sluiten, wordt aangevuld als volgt : « 10° de eerste schijf van 5 000 frank van interesten of dividenden betaald of toegekend door vennootschappen met een sociaal oogmerk : die erkend zijn zowel door de minister van Financiën als door de minister of de ministers die bevoegd zijn tot de verlening ervan, die uitsluitend als maatschappelijk doel hebben : a) de bijstand aan personen;b) de vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimte;c) de bescherming van het leefmilieu, daaronder begrepen de recyclage;d) de natuurbescherming

het natuurbehoud;

  1. e)de verwerving, het bouwen, de vernieuwing, de verkoop of het verhuren van sociale huisvesting;
  2. f)de hulp aan ontwikkelingslanden;
  3. g)de productie van duurzame

ergie;

  1. h)de vorming;
  2. i)de financiering van de hierboven bedoelde vennootschappen,

voor zover hun statuten bepalen dat in geval van vereffening het volledige nettoactief opnieuw wordt geïnvesteerd in een andere onder vorig streepje vermelde vennootschap met sociaal oogmerk.». Art. 63.In artikel 199 van hetzelfde wetboek, vervangen door artikel 24 van de wet van 22 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/12/1998 pub. 15/01/1999 numac 1998003665 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale

andere bepalingen sluiten, worden de woorden « artikel 21, 5°

6° vermelde » vervangen door de woorden « in artikel 21, 5°, 6°

10°, vermelde ». Art. 64.In artikel 221, 2°, van hetzelfde wetboek, vervangen door artikel 33 van de wet van 22 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/12/1998 pub. 15/01/1999 numac 1998003665 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale

andere bepalingen sluiten, worden de woorden « in artikel 21, 5°

6° vermelde », vervangen door de woorden « in artikel 21, 5°, 6°

10°, vermelde ». Art. 65.Artikel 313, eerste lid, 5°, van hetzelfde wetboek, vervangen door artikel 8 van de wet van 16 april 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 5° de in artikel 21, 5°, 6°

10°, vermelde inkomsten, in zoverre zij meer bedragen dan respectievelijk de in het 5°, 6°

10°, van dat artikel bepaalde grenzen

voor zover de roerende voorheffing niet geheven is op dit meerdere. ». Art. 66.De artikelen 62 tot 65 zijn van toepassing op de vanaf 1 januari 1999 betaalde of toegekende inkomsten. Art. 67.Voor inschakelingsbedrijven erkend in uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 houdende sociale

diverse bepalingen, wordt de winst die in het vermogen van de vennootschap wordt gehouden voor het of de belastbare tijdperken die zijn afgesloten in de loop van het tijdperk waarvoor zij erkend is door de minister van Tewerkstelling

Arbeid om te kunnen genieten van de vrijstellingen van de werkgeversbijdragen inzake sociale zekerheid uit de in vennootschapsbelasting belastbare winst gesloten. De vrijstelling van de winst die in het vermogen van de vennootschap wordt gehouden wordt slechts verleend

behouden indien : 1° de vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is

blijft;2° de vrijgestelde winst niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van

ige beloning of toekenning. Indien die vereisten tijdens

ig boekjaar niet langer worden nageleefd, wordt de vroeger vrijgestelde winst beschouwd als winst van dat boekjaar. Voor zover daarvan niet wordt afgeweken, zijn de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op dit artikel. Dit artikel treedt in werking vanaf het aanslagjaar 1999. Afdeling XI. - Non-profitsector Onderafdeling I. - Centrale raad voor het bedrijfsleven Art. 68.In artikel 2 van de wet van 20 september 1948Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1 houdende organisatie van het bedrijfsleven, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, wordt het woord « vijftig » door het woord « zesenvijftig » vervangen;2° in het tweede lid, a, worden de woorden « de landbouw, de handel

het ambachtswezen » door de woorden « de landbouw, de handel

het ambachtswezen

de non-profitsector » vervangen. Onderafdeling II. - Sociale Maribel Groepering van werkgevers Art. 69.In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/07/1987 pub. 13/02/2007 numac 2007000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid

het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. - Duitse vertaling sluiten betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid

het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, mogen de werknemers aangenomen met een arbeidsovereenkomst in toepassing van artikel 35, § 5, tweede lid van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten3 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, in het kader van een vrijwillige groepering van werkgevers, door één van de werkgevers van de groepering ter beschikking worden gesteld van andere werkgevers van de groepering, voor zover de voorwaarden

de duur van de terbeschikkingstelling wordt vastgesteld door een geschrift, ondertekend door de betrokken werkgevers

de werknemer, opgesteld voor het begin van de terbeschikkingstelling

ter kennis gebracht van de minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid. Onderafdeling III. - Sociale Maribel mutualisering Art. 70.§ 1. Artikel 35, § 5, derde lid, van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten3 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten, wordt vervangen door de volgende leden : « Op grond van het vorige lid,

voor de werkgevers van de private non-profitsector, wordt er bij het ministerie van Tewerkstelling

Arbeid opgericht : 1° een of verschillende sectorale fondsen die gespijsd worden met het bedrag van de vermindering bedoeld in het vorige lid.De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden

nadere regelen van storting

van bestemming alsmede de nadere regelen van inrichting

van werking van die fondsen; 2° een terugvorderingsfonds voor de ten onrechte toegekende verminderingen van werkgeversbijdragen op grond van het tweede lid van dit artikel.Dit fonds wordt gevormd door de terugvorderingen van de opbrengst van de vermindering van werkgeversbijdragen ten laste van de werkgevers van de privésector bedoeld in het tweede lid van dit artikel. Worden in de verschillende rubrieken van dit fonds opgenomen : de terugvorderingen ten laste van de ziekenhuizen

psychiatrische verzorgingstehuizen; de terugvorderingen ten laste van de andere dan de in het vorig streepje bedoelde werkgevers. De Koning bepaalt de voorwaarden

modaliteiten tot terugvordering, storting

toewijzing aan het terugvorderingsfonds van het bedrag van de in voorgaand lid bedoelde verminderingen, alsook de modaliteiten tot oprichting

werking van dit fonds. De regelen met betrekking tot de bestemming van de middelen van dit terugvorderingsfonds worden bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit. De verdeling wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Ministerraad. Tweemaal per jaar, op het moment van de opstelling van de begroting

op dat van de begrotingscontrole, wordt een rapport met betrekking tot de bestemming van de middelen van de fondsen bedoeld in het derde lid 1°

2°, gericht aan de minister bevoegd voor Begroting door de minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken

, voor de sectoren die tot zijn bevoegdheid behoren, de minister bevoegd voor Volksgezondheid. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag van 9 750 frank verhogen. » § 2. De Koning kan de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van deze onderafdeling naar een latere datum verschuiven. Art. 71.Opgericht wordt : 1° bij het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid

Leefmilieu, een fonds dat gespijsd wordt met de opbrengst van de verminderingen van werkgeversbijdragen waarop de werkgevers, bedoeld in artikel 35, § 5, tweede lid van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten3 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor de werknemers, van de ziekenhuizen

psychiatrische verzorgingstehuizen van de openbare sector, die aangesloten zijn bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, aanspraak kunnen maken.Ieder jaar bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag van de voormelde opbrengst voor de bedoelde sector. Volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, worden de beschikbare middelen van dit fonds, na aftrek van de administratieve kosten, besteed aan het creëren van tewerkstelling bij de voormelde werkgevers. Het fonds wordt beheerd door een beheersorgaan bestaande uit evenveel vertegenwoordigers van de werkgevers van de betrokken sector als vertegenwoordigers van de werknemers van de betrokken sector. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de samenstelling van het beheersorgaan. Met het oog op de uitvoering van de vorige leden, sluit het voormelde beheersorgaan een beheersovereenkomst af met de minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken

de minister bevoegd voor Volksgezondheid. Op voorstel van de voormelde ministers, wordt deze beheersovereenkomst bij een in Ministerraad overlegd besluit goedgekeurd. Deze beheersovereenkomst heeft inzonderheid betrekking op de modaliteiten voor het toezicht op de bedragen die ter beschikking worden gesteld

op hun bestemming; 2° bij het ministerie van Tewerkstelling

Arbeid, een fonds dat gespijsd wordt met de opbrengst van de verminderingen van werkgeversbijdragen waarop de werkgevers, bedoeld bij artikel 35, § 5, tweede lid, van voormelde wet, van de openbare sector die aangesloten zijn bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, anders dan deze bedoeld in 1°, aanspraak kunnen maken.Ieder jaar bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag van de voormelde opbrengst voor de bedoelde sector. Volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, worden de beschikbare middelen van dit fonds, na aftrek van de administratieve kosten, besteed aan het creëren van tewerkstelling bij de voormelde werkgevers. Het fonds wordt beheerd door een beheersorgaan bestaande uit evenveel vertegenwoordigers van de werkgevers van de betrokken sector als vertegenwoordigers van de werknemers van de betrokken sector. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de samenstelling van het beheersorgaan. Met het oog op de uitvoering van de vorige leden, sluit het voormelde beheersorgaan een beheersovereenkomst af met de minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken

de minister bevoegd voor Volksgezondheid. Op voorstel van de voormelde ministers, wordt deze beheersovereenkomst bij een in Ministerraad overlegd besluit goedgekeurd. Deze beheersovereenkomst heeft inzonderheid betrekking op de nadere regels voor het toezicht op de bedragen die ter beschikking worden gesteld

op hun bestemming; 3° een terugvorderingsfonds voor de ten onrechte toegekende verminderingen van werkgeversbijdragen op grond van artikel 35, § 5, tweede lid van de voormelde wet.Dit fonds wordt gevormd door de terugvorderingen van de opbrengst van de vermindering van de werkgeversbijdragen ten laste van de werkgevers bedoeld in 1°

2°. Worden in de verschillende rubrieken van dit fonds opgenomen : de terugvorderingen ten laste van de ziekenhuizen

psychiatrische verzorgingstehuizen; de terugvorderingen ten laste van de andere dan de in het vorig streepje bedoelde werkgevers. De Koning bepaalt de voorwaarden

nadere regels tot terugvordering, storting

toewijzing aan het terugvorderingsfonds van het bedrag van de in voorgaand lid bedoelde verminderingen, alsook de modaliteiten tot oprichting

werking van dit fonds. De regels met betrekking tot de bestemming van de middelen van dit terugvorderingsfonds worden vastgesteld door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit. De verdeling wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Ministerraad, na advies van het bevoegde algemeen onderhandelingscomité. Tweemaal per jaar, op het moment van de opstelling van de begroting

op dat van de begrotingscontrole, wordt een rapport met betrekking tot de bestemming van de middelen van de fondsen bedoeld in 1°, 2°,

3° gericht aan de minister bevoegd voor Begroting door de minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken

, voor de sectoren die tot zijn bevoegdheid behoren, de minister bevoegd voor Volksgezondheid. Wanneer ieder van deze fondsen bedoeld in 1°

2°, het geheel van de opbrengst van de bijdrageverminderingen, toegewezen aan dit fonds, niet gebruikt, met inbegrip van de renten, wordt het saldo overgedragen naar het volgende kwartaal. Wanneer het gecumuleerd saldo van ieder van deze fondsen een vierde van het bedrag dat ieder jaar bepaald wordt door de Koning overeenstemmend met de bepalingen in 1°

2°, overtreft, zal het verschil gestort worden door deze fondsen aan het terugvorderingsfonds bedoeld in 3°. ». Art. 72.In artikel 1 van de wet van 1 augustus 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/08/1985 pub. 15/11/2000 numac 2000000832 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende fiscale

andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling sluiten houdende sociale bepalingen wordt een § 6 toegevoegd, luidend als volgt : « § 6. De Rijksdienst neemt op de opbrengst van de bijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 1, § 2, 1°, van deze wet

in de artikelen 18

18bis van het koninklijk besluit van 25 oktober 1985 tot uitvoering van hoofdstuk I, sectie 1, van de wet van 1 augustus 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/08/1985 pub. 15/11/2000 numac 2000000832 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende fiscale

andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling sluiten houdende sociale bepalingen, het totale bedrag af van de verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen waarop de werkgevers aangesloten bij de Rijksdienst beroep hadden kunnen doen indien zij hadden genoten van de voordelen bedoeld in artikel 35, § 5, tweede lid van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten3 tot vaststelling van de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, verminderd met het bedrag van de effectief toegekende verminderingen gedurende ieder kwartaal. De Rijksdienst wijst dit bedrag toe aan het fonds, bedoeld in § 7, eerste lid, 1°, opgericht binnen deze dienst, in afwijking van § 5, wat de bijdragen van sociale zekerheid bedoeld in § 2, eerste lid, 1°, betreft. ». Art. 73.In artikel 1 van dezelfde wet wordt een § 7 ingevoegd, luidend als volgt : « § 7. Bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale

plaatselijke overheidsdiensten worden opgericht : 1° een fonds dat gespijsd wordt met de opbrengst van de verminderingen van de werkgeversbijdragen waarop de werkgevers bedoeld in artikel 35, § 5, tweede lid van voormelde wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten3, die aangesloten zijn bij de Rijksdienst, aanspraak hadden kunnen maken, na aftrek van de werkelijk toegekende verminderingen.Worden in verschillende rubrieken opgenomen : de bijdrageverminderingen waarop de ziekenhuizen

psychiatrische verzorgingstehuizen aanspraak hadden kunnen maken, na aftrek van het bedrag van de gedurende ieder kwartaal werkelijk toegekende verminderingen; de bijdragevermindering waarop de andere dan de in het vorige streepje bedoelde werkgevers aanspraak hadden kunnen maken, na aftrek van het bedrag van de gedurende ieder kwartaal werkelijk toegekende verminderingen. Volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, worden de beschikbare middelen van dit fonds, na aftrek van de administratieve kosten, besteed aan het creëren van tewerkstelling bij de werkgevers bedoeld in 1°. Dit fonds wordt beheerd door het beheerscomité van de Rijksdienst. Met het oog op de uitvoering van de bepalingen bedoeld in 1°, sluit het voormelde beheerscomité een beheersovereenkomst af met de minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken,

, voor de sectoren die tot zijn bevoegdheid behoren, de minister bevoegd voor Volksgezondheid. Op voorstel van de bovenvermelde ministers wordt deze beheersovereenkomst goedgekeurd bij een in Ministerraad overlegd besluit. Deze beheersovereenkomst heeft inzonderheid betrekking op de nadere regels voor het toezicht op de bedragen die ter beschikking worden gesteld

op hun bestemming; 2° een terugvorderingsfonds voor de ten onrechte toegekende verminderingen van werkgeversbijdragen op grond van artikel 35, § 5, tweede lid, van voormelde wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten3.Dit fonds wordt gevormd door de terugvorderingen van de opbrengst van de vermindering van de werkgeversbijdragen ten laste van de werkgevers bedoeld in 1°. Worden in de verschillende rubrieken van dit fonds opgenomen : de terugvorderingen ten laste van de ziekenhuizen

psychiatrische verzorgingstehuizen; de terugvorderingen ten laste van de andere dan de in het vorig streepje bedoelde werkgevers. De Koning bepaalt de voorwaarden

nadere regels tot terugvordering, storting

toewijzing aan het terugvorderingsfonds van het bedrag van de in voorgaand lid bedoelde verminderingen, alsook de nadere regels tot oprichting

werking van dit fonds. De regels met betrekking tot de bestemming van de middelen van dit terugvorderingsfonds worden vastgesteld door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit. De verdeling wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Ministerraad, na advies van het bevoegde algemeen onderhandelingscomité. Tweemaal per jaar, op het moment van de opstelling van de begroting

op dat van de begrotingscontrole, wordt een rapport met betrekking tot de bestemming van de middelen van de fondsen bedoeld in 1°

2°, gericht aan de minister bevoegd voor Begroting door de minister bevoegd voor Tewerkstelling

Arbeid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken

, voor de sectoren die tot zijn bevoegdheid behoren, de minister bevoegd voor Volksgezondheid. Wanneer het fonds bedoeld in 1° het geheel van de opbrengst van de bijdrageverminderingen, toegewezen aan dit fonds, niet gebruikt, met inbegrip van de renten, wordt het saldo overgedragen naar het volgende kwartaal. Wanneer het gecumuleerd saldo de door de Rijksdienst aan het voormelde fonds gestorte laatste driemaandelijkse opbrengst van de bijdrageverminderingen overtreft, zal het verschil gestort worden door dit fonds aan het terugvorderingsfonds bedoeld in 2°. ». Afdeling XII. - Plus-één-, plus-twee-, plus-drie-plan Art. 74.Artikel 118, § 1, van de programmawet van 30 december 1988, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992

13 februari 1998, wordt aangevuld met een 8°, luidend als volgt : « 8° een werknemer die het bewijs levert, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, dat hij bij dezelfde werkgever tewerkgesteld geweest is als uitzendkracht overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 juli 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/07/1987 pub. 13/02/2007 numac 2007000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid

het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. - Duitse vertaling sluiten betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid

het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers gedurende minstens drie maanden die zijn aanwerving voorafgaan. ». Art. 75.Artikel 6, § 1 van het koninklijk besluit van 14 maart 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten2 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine

middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid

tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten wordt aangevuld met een 13° luidend als volgt : « 13° een werknemer die het bewijs levert, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, dat hij bij dezelfde werkgever tewerkgesteld geweest is als uitzendkracht overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 juli 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/07/1987 pub. 13/02/2007 numac 2007000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid

het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. - Duitse vertaling sluiten betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid

het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers gedurende minstens drie maanden die zijn aanwerving voorafgaan. ». Afdeling XIII. - Loopbaanonderbreking Art. 76.In artikel 100, eerste lid, van de herstel wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten7 wordt de tweede zin vervangen door de volgende zin : « Behalve in geval van een beroep op artikel 100bis of ingeval het een werknemer betreft van een kleine

middelgrote onderneming die minder dan 10 werknemers tewerkstelde op 30 juni van het voorgaand burgerlijk jaar, dient de werknemer vervangen te worden door een vergoede volledig werkloze die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week. ». Art. 77.In artikel 102, § 1 van dezelfde wet wordt de tweede zin vervangen door de volgende zin : « Behalve in geval van een beroep op artikel 102bis of in geval het een werknemer betreft van een kleine

middelgrote onderneming die minder dan 10 werknemers tewerkstelde op 30 juni van het voorgaand burgerlijk jaar, dient de werknemer vervangen te worden door een vergoede volledig werkloze die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week. ». Art. 78.Artikel 105, § 1 van de voornoemde wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten7 wordt vervangen door : « De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen in welke gevallen

onder welke voorwaarden

nadere regelen er een recht wordt toegekend op de onderbreking van de beroepsloopbaan

op het verminderen van de arbeidsprestaties zoals bedoeld in de onderafdelingen 2

  1. ». HOOFDSTUK III. - Diverse bepalingen Afdeling I. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten Art. 79.Artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten wordt vervangen door de volgende bepaling : « §
  2. Wordt bovendien beschouwd als sociaal document waarvan het bijhouden voorgeschreven is door dit besluit, het aanwezigheidsregister dat moet worden bijgehouden in de bedrijfstakken of de categorieën van ondernemingen bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit. De Koning bepaalt eveneens bij een in Ministerraad overlegd besluit welke personen ertoe gehouden zijn een aanwezigheidsregister bij te houden, alsmede de werknemers die erin vermeld zullen moeten worden. ». Afdeling II. - Wijziging van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten8 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders Art. 80.In artikel 7, § 1, derde lid, j, van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1998 pub. 29/05/1998 numac 1998012284 bron ministerie van tewerkstelling

arbeid Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst sluiten8 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 13 van 11 oktober 1978, worden de woorden « die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische

de Franse munt » vervangen door de woorden « die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische

de Franse munt die zich voordeden voor 1 april 1987 ». Afdeling III. - Wijziging van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een sociaal fonds voor de diamantarbeiders Art. 81.Het opschrift van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een sociaal fonds voor de diamantarbeiders, wordt vervangen door het volgend opschrift : « Wet tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector ». Art. 82.Artikel 1 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 1.- Er wordt een intern compensatiefonds voor de diamantsector opgericht. ». Art. 83.Artikel 2 van de dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 2.- De opdrachten van het fonds zijn : 2° het financieren

het uitbetalen van interne compensatie-uitkeringen aan werkgevers die werklieden of werksters tewerkstellen aan het eigenlijke bewerken van diamant, zijnde het klieven, het slijpen, het snijden, het verstellen

het zagen van diamant.». Art. 84.In artikel 2bis, eerste lid van de dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 28 juli 1962, worden de woorden « door artikel 2 » vervangen door de woorden « door artikel 2, 1° ». Art. 85.In dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : in artikel 2bis, eerste lid ingevoegd door de wet van 28 juli 1962, in het artikel 4, zoals gewijzigd door de wet van 28 juli 1962

in artikel 10 worden de woorden « Sociaal fonds » vervangen door het woord « fonds »; in de artikelen 8bis, 25, 26

27, worden de woorden « Sociaal fonds voor diamantarbeiders » vervangen door het woord « fonds ». Art. 86.Een artikel 3bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd : « Art. 3bis.- Alle natuurlijke of rechtspersonen, die als hoofdzakelijke of bijkomstige bedrijvigheid de diamanthandel of de diamantnijverheid hebben, zijn gehouden tot de betaling van een compensatie-bijdrage, bestemd om het Fonds toe te laten de opdracht te vervullen waarmee het door artikel 2, 2°, is belast. Het bedrag van de door deze personen verschuldigde bijdrage is maximaal gelijk aan 0,10 % van de waarde van elke transactie van diamant. De Koning bepaalt wat onder transactie moet verstaan worden

kan het bijhouden opleggen van de boeken, registers

documenten die Hij nodig acht voor de toepassing van deze wet. De Koning oefent de bevoegdheden, bedoeld bij dit besluit, uit na advies van het algemeen beheersorgaan. ». Art. 87.Artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1962, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 4.- § 1. Het fonds wordt beheerd door een paritair samengesteld algemeen beheersorgaan, dat bijgestaan wordt door twee bijzondere beheerscomités, respectievelijk bevoegd voor de opdrachten voorzien bij artikel 2, 1°

bij artikel 2, 2°, van deze wet

die als volgt zijn samengesteld : § 2. Het algemeen beheersorgaan bestaat :

erzijds uit afgevaardigden van de representatieve werkgeversorganisaties, die in het paritair comité voor de diamantnijverheid

-handel vertegenwoordigd zijn

vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van in-

uitvoerders van diamant; anderzijds uit afgevaardigden van de representatieve werknemersorganisaties die in hetzelfde paritair comité vertegenwoordigd zijn. §

  1. Het bijzonder beheerscomité dat het algemeen beheersorgaan bijstaat voor de opdracht bedoeld bij artikel 2, 1°, van deze wet is op een gelijke wijze samengesteld als het algemeen beheersorgaan. §
  2. Het bijzonder beheerscomité dat het algemeen beheersorgaan bijstaat voor de opdracht bedoeld bij artikel 2, 2°, van deze wet is als volgt samengesteld :

erzijds, voor twee derden van de leden, uit afgevaardigden van de representatieve werkgeversorganisaties, die in het paritair comité voor de diamantnijverheid

-handel vertegenwoordigd zijn

vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van in-

uitvoerders van diamant

van de diamanthandel; anderzijds, voor een derde van de leden, uit afgevaardigden van de representatieve werknemersorganisaties die in hetzelfde paritair comité vertegenwoordigd zijn. § 5. De leden van het algemeen beheersorgaan

van de beheerscomités, worden door de Koning benoemd. § 6. Bij wijze van overgangsmaatregel wordt, vanaf het van kracht worden van deze wet, het beheer van het fonds voorlopig waargenomen door het bestaand beheersorgaan, dit in afwachting van de benoeming van de leden van de nieuwe beheersorganen bedoeld in dit artikel. Art. 88.Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepalingen : « Art. 5.- De statuten van het fonds moeten vermelden : 1° de benaming

de plaats waar de instelling gevestigd is, alsook de opdrachten;2° de personen die de in artikel 2, 1°, bedoelde voordelen kunnen genieten, de aard

het bedrag van deze uitkeringen

de regelen van toekenning

vereffening; De personen die de in artikel 2, 2°, bedoelde compensatie-uitkeringen kunnen genieten, de aard

het bedrag van deze uitkeringen

de regelen van toekenning

vereffening; 3° het bedrag of de wijze van vaststelling dezer bijdragen

de wijze

termijn van inning, rekening houdende met de navolgende bepalingen : Het bedrag van de bijdrage voor de financiering van de voordelen, bedoeld bij artikel 2, 1°, mag niet hoger zijn dan 1/3 % van de waarde van de ingevoerde ruwe diamant; Het bedrag van de bijdrage voor de financiering van de compensatie-uitkeringen, bedoeld bij artikel 2, 2°, mag niet hoger zijn dan 0,10 % van de waarde van elke transactie van diamant; 4° de wijze van benoeming

de bevoegdheid van de beheerders;5° de wijze van vaststelling van de balans

van de rekeningen;6° de wijze

het tijdstip waarop het algemeen beheersorgaan

de beheerscomités van het fonds, aan de minister die bevoegd is voor de Tewerkstelling

de Arbeid, verslag doen over het vervullen van hun opdrachten;7° de wijze van ontbinding, van vereffening

besteding van het vermogen.» Art. 89.In artikel 6 van dezelfde wet wordt het woord « bestuursorgaan » vervangen door de woorden « algemeen bestuursorgaan ». Art. 90.In artikel 12 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het vierde lid wordt het woord « beheersorgaan » vervangen door de woorden « algemeen beheersorgaan

aan de bijzondere beheerscomités »;2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : « Op het beheer van de compensatieregeling bedoeld bij artikel 2, 2°, wordt eveneens controle uitgeoefend door een regeringscommissaris.». Art. 91.Een artikel 13bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd : « Art. 13bis.- De regeringscommissaris bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van deze wet, wordt door de Koning benoemd op voorstel van de minister die bevoegd is voor de Tewerkstelling

de Arbeid. De regeringscommissaris woont, met raadgevende stem, de vergaderingen bij van de beheersorganen, alsook in voorkomend geval van de controleorganen. De regeringscommissaris kan binnen een termijn van vier vrije dagen beroep instellen tegen elke beslissing die hij met de wet of met de statuten strijdig acht. Het beroep is opschortend. Deze termijn gaat in de dag van de vergadering, waarop de beslissing genomen werd, voor zover de regeringscommissaris daarop regelmatig uitgenodigd werd,

, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen. Heeft de minister die bevoegd is voor de Tewerkstelling

de Arbeid, binnen een termijn van twintig vrije dagen, ingaand dezelfde dag als deze bedoeld in het vorig lid, de nietigverklaring niet uitgesproken, dan wordt de beslissing definitief. ». Art. 92.In artikel 14 van dezelfde wet worden de woorden « uitkeringen waarin het voorziet », vervangen door de woorden « uitkeringen bedoeld in artikel 2, 1°, ». Afdeling IV. - Pool van de Zeelieden ter Koopvaardij Art. 93.Artikel 2quater van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, ingevoegd bij koninklijk besluit van 18 februari 1997, wordt aangevuld als volgt : « Het toepassingsgebied van deze besluitwet wordt eveneens uitgebreid tot de varende werknemers die met één van de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit van 18 februari 1997, die de vervoerverplichtingen van de Regie hebben overgenomen, verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst gesloten na 1 januari 1997

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.