📄 Wettekst
26 MAART 1999. - Wet betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK II. - Omzetting van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 Afdeling I. - Stage der jongeren
Onderafdeling I. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces Art. 2.Artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces, gewijzigd door de wetten van 22 januari 1985, 6 juli 1989, 16 juli 1990, 20 juli 1991 en 22 december 1995, het koninklijk besluit van 27 januari 1997 en de
wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De werkzoekenden die minder dan dertig jaar zijn bij de aanvang van de stage en die nog geen beroepsarbeid hebben verricht, kunnen een stage volbrengen in een administratie of een onderneming overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. » Art. 3.In artikel 4 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 22 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De administratie die ten minste 50 werknemers tewerkstelt moet stagiairs als bedoeld in artikel 1 tewerkstellen.Het totaal aantal aangeworven stagiairs moet overeenstemmen met een voltijdse aanwerving van 3 % van het personeelsbestand van de administratie uitgedrukt in voltijdse equivalenten. De in dienst zijnde stagiairs worden in dat bestand niet meegeteld. » 2° § 3, ingevoegd door de wet van 16 juli 1990 en gewijzigd bij de wetten van 20 juli 1991 en 22 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 3.In afwijking van § 1, eerste lid, wordt het percentage dat niet lager mag zijn dan 2 % van het personeelsbestand van de administratie vanaf 1 januari 1990 bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit vastgelegd. Het kan per instelling van openbaar nut gedifferentieerd worden in functie van de specifieke toestand van de instellingen van openbaar nut alsmede van de toestand van de arbeidsmarkt. » Art. 4.In artikel 5 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, eerste lid, gewijzigd bij de
wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten, wordt vervangen door het volgende lid : « De stagiairs in de administratie worden ofwel voltijds, ofwel 4/5-tijds, ofwel halftijds tewerkgesteld.De 4/5-tijdse tewerkstelling moet verdeeld worden over volledige dagen »; 2° in § 1 worden het tweede, het derde en het vierde lid opgeheven;3° in § 2, 2°, gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985 en 13 februari 1998, worden de woorden « voltijdse stagiair » vervangen door de woorden « halftijdse stagiair ». Art. 5.In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985, 22 december 1989, 22 december 1995 en 13 februari 1998 en bij de koninklijke besluiten van 24 december 1993 en 27 januari 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De onderneming die ten minste 50 werknemers tewerkstelt moet stagiairs als bedoeld in artikel 1 tewerkstellen.Het totaal aantal aangeworven stagiairs moet overeenstemmen met een voltijdse aanwerving van 3 % van het personeelsbestand van de onderneming berekend in voltijdse equivalenten. De in dienst zijnde stagiairs worden in dat personeelsbestand niet meegeteld. »; 2° het tweede lid, 4°, opgeheven bij de
wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten, wordt opnieuw ingevoegd als volgt : « 4° de jongeren die werden aangeworven in het kader van een overeenkomst werkopleiding zoals bedoeld in het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, en dit gedurende de duur van deze overeenkomst; ». Art. 6.Artikel 10ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 januari 1997, wordt opgeheven. Art. 7.In artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985 en van 13 februari 1998, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, worden het tweede en derde lid opgeheven;2° § 2, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 2° stemt de aanwerving van een leerling, bij toepassing van de
wet van 19 juli 1983Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten4 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, of van een jonge werknemer die gelijkgesteld is met een stagiair ingevolge artikel 7, § 1, tweede lid, 3° en 4° overeen met de aanwerving van een halftijdse stagiair;». Art. 8.Artikel 17, derde lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de
wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten, wordt opgeheven. Art. 9.Artikel 23, § 1, laatste lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 22 december 1995, wordt opgeheven. Art. 10.Artikel 24bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 22 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 24bis.De werkgever is er toe gehouden in zijn driemaandelijkse aangifte aan de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen, volgens de modaliteiten vastgesteld door laatstgenoemde instellingen, de juiste identiteit te vermelden van de werknemer die in dienst is met een stageovereenkomst. » Art. 11.In artikel 25, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 en van 13 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° 1° wordt aangevuld als volgt : « c) de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die de bepalingen van het artikel 24bis niet in acht neemt;»; 2° 2° wordt opgeheven. Art. 12.Een hoofdstuk Vbis, luidend als volgt, en bevattende de artikelen 26 tot 26ter, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd : « Hoofdstuk Vbis. - Compensatoire vergoeding voor de tewerkstelling van jongeren. Art. 26.§ 1. Aan de werkgever die de bepalingen, naar gelang van het geval, van de artikelen 4 of 7 niet heeft geëerbiedigd, kan een compensatoire vergoeding worden opgelegd van 3 000 frank.
Deze vergoeding wordt vermenigvuldigd met : 1° het aantal kalenderdagen tijdens dewelke het verplicht aantal stagiairs niet werd tewerkgesteld of tijdens dewelke de aanwerving van stagiairs werd gecompenseerd door het ontslag van personeel;2° het aantal stagiairs dat niet werd tewerkgesteld of het aantal personen die werden ontslagen om de tewerkstelling van stagiairs te compenseren. Voor de toepassing van dit besluit, bepaalt de Koning wat verstaan moet worden onder compensatie van de aanwerving van stagiairs door het ontslag van personeel en stelt de berekeningswijze vast van deze compensatie. § 2. Jaarlijks kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit het in § 1, eerste lid, bedoelde bedrag aanpassen. § 3. Bij gebreke aan storting of in geval van ontoereikendheid ervan, is een verwijlintrest verschuldigd tegen een rentevoet van 1 % per maand tot en met de maand waarin de betaling geschiedt. Art. 26bis.Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de
wet van 16 november 1972Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/11/1972
pub.
17/08/2007
numac
2007000738
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsinspectie
sluiten betreffende de arbeidsinspectie.
De vaststelling van het niet-naleven van de bepalingen, voorzien in de artikelen 4 of 7 van dit besluit, gebeurt door middel van een proces-verbaal dat bewijswaarde heeft tot het tegendeel bewezen is, op voorwaarde dat een afschrift daarvan aan de werkgever wordt medegedeeld binnen een termijn van veertien dagen, die een aanvang neemt de dag na de vaststelling van de overtreding. Een exemplaar van het proces-verbaal waarbij de overtreding is vastgesteld, wordt aan de door de Koning aangewezen ambtenaar toegezonden.
De door de Koning aangewezen ambtenaar beslist, nadat de werkgever de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voren te brengen, of wegens de niet-aanwerving van stagiairs of ontslagen van personeel in compensatie van aanwerving van stagiairs, een compensatoire vergoeding moet worden opgelegd.
Deze vergoeding wordt opgelegd onder dezelfde voorwaarden en mits naleving van dezelfde regels als deze bedoeld in de artikelen 1ter, 2, 3, 8, 9 en 13 van de
wet van 30 juni 1971Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/06/1971
pub.
12/05/2009
numac
2009000304
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.
De Koning bepaalt de termijn en de voorwaarden van betaling van de compensatoire vergoeding opgelegd door de in het eerste lid bedoelde ambtenaar. Art. 26ter.De compensatoire vergoeding bedoeld in de artikelen 26 en 26bis wordt gestort op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds opgericht bij het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid in uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling.
De opbrengst van deze compensatoire vergoeding wordt aangewend voor het scheppen van arbeidsplaatsen voor jongeren, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit. Art. 13.De eerste werkervaringscontracten die lopen op 1 januari 1999 blijven tot het beëindigen ervan onderworpen aan de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces zoals het gold vóór 1 januari 1999. Art. 14.§ 1. De in Hoofdstuk Vbis van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 voorziene compensatoire vergoeding is van toepassing op de inbreuken vastgesteld na de inwerkingtreding van deze wet en voor de stagiairs die niet in dienst zijn na deze datum. § 2. De bepaling van artikel 25, § 1, 2°, van hetzelfde besluit blijft van toepassing op de inbreuken gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wet en voor de stagiairs die niet in dienst waren vóór deze datum.
Onderafdeling II. - Wijziging van de
wet van 30 juni 1971Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/06/1971
pub.
12/05/2009
numac
2009000304
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten Art. 15.In artikel 1, 36°, van de
wet van 30 juni 1971Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/06/1971
pub.
12/05/2009
numac
2009000304
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, ingevoegd door de wet van 20 juli 1991, worden de woorden « 16 en 23 » vervangen door de woorden « 16, 23 en 24bis ». Art. 16.Artikel 1bis, 4°, van dezelfde wet, wordt opgeheven. Art. 17.In artikel 11, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1976 en gewijzigd bij de wetten van 23 maart 1994 en 30 maart 1994, wordt het cijfer « 4° » geschrapt. Art. 18.De bepalingen van de artikelen 1bis, 4° en 11, tweede lid van dezelfde wet blijven van toepassing op de inbreuken gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wet en voor de stagiairs die niet in dienst waren vóór deze datum. Afdeling II. - Voordeelbanenplan
Art. 19.In artikel 61, § 1, vierde lid, van de
wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten5 houdende sociale en diverse bepalingen, gewijzigd bij de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6, worden de woorden « na 31 december 1998 » vervangen door de woorden « na 31 december 2000 ». Afdeling III. - Activering van de werkloosheidsuitkeringen
Art. 20.Artikel 18 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, wordt aangevuld met de volgende leden : « Het in het tweede lid bedoelde fonds wordt eveneens gespijsd bij een tegemoetkoming van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of van het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Bestuur van Maatschappelijke Integratie, teneinde bij te dragen tot de financiering van het vakantiegeld van bepaalde arbeiders, tewerkgesteld in een stelsel van activering van werkloosheidsuitkeringen, respectievelijk bestaansminimum.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit het bedrag en de wijze van betaling van deze tegemoetkoming. » Art. 21.Artikel 7, § 1bis, vierde lid, 3°, van de
besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten8 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij de
wet van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten, wordt aangevuld met de woorden : « en in de artikelen 59, 1° en 59ter, § 1, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en in de artikelen 56, 1°, en 57 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970. ». Afdeling IV. - Verlaging van de sociale lasten
Art. 22.Artikel 35, § 1 tot § 4 van de
wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten3 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1988 en 29 december 1990 en bij de koninklijke besluiten van 17 april 1997 en 18 juli 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 35.- § 1. Werkgevers die werknemers tewerkstellen die zijn onderworpen aan het geheel der regelingen bedoeld in artikel 21, § 1, genieten voor elk van die werknemers per kwartaal een vermindering van werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7°, en § 3bis, overeenkomstig volgende principes : 1° De vermindering van de werkgeversbijdrage heeft betrekking op drie categorieën : Categorie 1 : de handarbeiders tewerkgesteld bij de werkgevers bedoeld in ten minste een van de volgende wetten : de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen; de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers; de wet van 12 mei 1975 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers; alsmede voor de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en de werkgevers van de beschutte werkplaatsen die ressorteren onder het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen; met uitsluiting van de werkgevers die een activiteit uitoefenen zonder industriële of commerciële finaliteit alsook de werkgevers die onder de bevoegdheid vallen van de volgende paritaire comités : paritair comité voor de petroleumnijverheid en -handel; paritair comité voor de gezondheidsdiensten; paritair comité voor het verzekeringswezen; paritair comité voor de makelarij en de verzekeringsagentschappen; paritair comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie; paritair comité voor de wisselagenten; paritair comité voor de banken; paritair comité voor het gas- en elektriciteitsbedrijf.
Categorie 2 : de werknemers tewerkgesteld door werkgevers van de non-profitsector, zoals bepaald in artikel 1 van het
koninklijk besluit van 5 februari 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten1 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 mei 1997, 24 april 1998 en 10 augustus 1998, met uitzondering van de werknemers tewerkgesteld door werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en door de werkgevers van de beschutte werkplaatsen die ressorteren onder het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen.
Categorie 3 : de werknemers onderworpen aan het geheel der regelingen bedoeld in artikel 21, § 1, die niet bedoeld worden in de twee vorige leden. 2° Voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties in categorie 1 en categorie 3 wordt de bijdragevermindering, zes jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, gelijk aan : i) voor de werknemers met een loon kleiner dan een eerste loongrens of met een loon groter dan een derde loongrens : een forfaitair bedrag van F* per kwartaal; ii) voor de werknemers met een loon groter dan of gelijk aan de eerste loongrens en kleiner dan of gelijk aan een tweede loongrens : een forfaitair bedrag van 29 706 Belgische frank per kwartaal; iii) voor de werknemers met een loon groter dan de tweede en kleiner dan of gelijk aan de derde loongrens : een bedrag dat lineair daalt in functie van het loon van de werknemer van 29 706 Belgische frank tot het bedrag F*.
Voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties in categorie 2 wordt de bijdragevermindering, 6 jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, gelijk aan de bijdragevermindering bedoeld in 3°, iii, 2e streepje en in 3°, V. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, wat men verstaat onder voltijdse werknemers met volledige prestaties en onder de eerste, tweede en derde loongrens. 3° Het onder 2° omschreven eindstelsel, van toepassing zes jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, wordt als volgt bereikt : i) voor de werknemers in categorie 1 met een loon kleiner dan een eerste loongrens of met een loon groter dan een derde loongrens, wordt een forfaitaire basisvermindering per kwartaal toegekend, die, vanaf een basisbedrag van 8 170 Belgische frank, jaarlijks evenredig verhoogd wordt om na zes jaar het bedrag F* te bereiken; ii) voor de werknemers in categorie 3 met een loon kleiner dan een eerste loongrens of met een loon groter dan een derde loongrens, wordt een forfaitaire basisvermindering per kwartaal toegekend, die jaarlijks evenredig verhoogd wordt om na zes jaar het bedrag F* te bereiken; iii) voor de werknemers met een loon gelijk aan of groter dan de eerste en kleiner dan of gelijk aan de tweede loongrens, wordt de lastenverlaging als volgt bepaald : voor werknemers in categorie 1 wordt de totale lastenverlaging gelijk aan 29 706 Belgische frank per kwartaal; voor werknemers in categorie 2 wordt de totale lastenverlaging gelijk aan 21 206 Belgische frank per kwartaal; voor werknemers in categorie 3 wordt de lastenverlaging bedoeld in 3°, ii verhoogd met 21 206 Belgische frank per kwartaal, zonder dat de totale lastenverlaging evenwel 29 706 Belgische frank per kwartaal kan overschrijden. iv) Voor de werknemers in categorie 1 en 3 met een loon groter dan de tweede en kleiner dan of gelijk aan de derde loongrens, wordt een in functie van het loon forfaitaire bijdragevermindering toegekend, waarbij over een periode van zes jaar geleidelijk zal worden overgegaan naar de in functie van het loon gelineariseerde vermindering zoals omschreven in 2°, iii. v) Voor de werknemers in categorie 2 met een loon groter dan de tweede en kleiner of gelijk aan de derde loongrens, wordt een in functie van het loon forfaitaire bijdragevermindering toegekend, waarbij over een periode van zes jaar geleidelijk zal worden overgegaan naar een in functie van het loon gelineariseerde vermindering, zoals omschreven in 2°, iii met dien verstande dat het bedrag van de vermindering bij de tweede loongrens gelijk is aan 21 206 Belgische frank en nul bij de derde loongrens. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit wat verstaan wordt onder loon en onder gelineariseerde en geleidelijke bijdragevermindering. 4° Voor voltijdse werknemers met onvolledige prestaties en deeltijdse werknemers wordt voornoemde lastenverlaging proportioneel toegekend, mits een ondergrens inzake arbeidsprestatie wordt overschreden.Via een voor de voltijdse werknemers met onvolledige prestaties en deeltijdse werknemers, eenvormige toeslag kan van een bijdragevermindering die strict proportioneel is met de geleverde arbeidsprestaties afgeweken worden, zonder dat daarbij de bijdragevermindering in geval van volledige prestaties kan overschreden worden.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit wat verstaan wordt onder voltijdse werknemers met onvolledige prestaties en deeltijdse werknemers, ondergrens inzake arbeidsprestatie, proportionele en eenvormige toeslag. 5° Het bedrag F* wordt tweejaarlijks vastgelegd bij een in Ministerraad overlegd besluit.Voor het eerste jaar na inwerkingtreding van dit artikel wordt het bedrag vastgesteld op 16 025 Belgische frank per kwartaal. Voor het tweede jaar na de inwerkingtreding van dit artikel wordt het bedrag vastgesteld op 19 000 Belgische frank per kwartaal. Vóór 30 september 1999 evalueren de sociale gesprekpartners in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad de globale evolutie van de lonen, de vormingsinspanningen, en de werkgelegenheid. Indien die globale evaluatie niet positief is, wordt het bedrag F* dat van toepassing is vanaf het tweede jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, op 12 500 Belgische frank per kwartaal gebracht tenzij de onderneming gebonden is door een vormings- en tewerkstellings- collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair comité of, bij onstentenis, in de onderneming. Voor de ondernemingen met minder dan 50 werknemers op 30 juni van het vorige jaar aangegeven aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en waar geen vakbondsafvaardiging bestaat, kan de vormings- en tewerkstellings- collectieve arbeidsovereenkomst de vorm aannemen van een vormings- en tewerkstellingsakkoord.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de vormvereisten waaraan een vormings- of tewerkstellingsakkoord en een vormings- en tewerkstellings- collectieve arbeidsovereenkomst moeten voldoen, alsook de procedure inzake raadpleging die moet worden gevolgd bij het tot stand komen van een vormings- en tewerkstellingsakkoord en, op gemeenschappelijk voorstel van de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de vormvereisten van de evaluatie door de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. § 2. De verhoging van de bijdragevermindering voorzien in 1°, 2°, 3° en 4° van § 1, waarop een werkgever recht heeft, kan geheel of gedeeltelijk worden ingehouden voor de werkgevers die, zonder rechtvaardiging, hun verplichtingen niet nakomen inzake de betaling van sociale zekerheidsbijdragen, inzake het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces of die worden schuldig bevonden aan het doen of laten verrichten van arbeid door een werknemer waarvoor geen bijdragen werden betaald aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Nationale Arbeidsraad, nadere regelen tot uitvoering van deze inhouding. § 3. Het bedrag van de door dit artikel toegekende bijdragevermindering is beperkt tot het bedrag van de eventueel verschuldigde werkgeversbijdrage voor de regelingen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7° en § 3bis van deze wet. Wanneer de werkgever in hoofde van dezelfde werknemer verschillende types van bijdragevermindering kan toepassen, kan het totaal van deze verminderingen in geen geval groter zijn dan het bedrag van de patronale bijdragen die eventueel verschuldigd zijn ingevolge de regelingen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7° en 9° en § 3bis van deze wet. Zo dit zich zou voordoen, wordt de toegestane bijdragevermindering krachtens dit artikel herleid tot hetgeen verschuldigd is. § 4. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en nadere regels vaststellen waarin de vermindering bedoeld in de §§ 1, 2 en 3 wordt toegepast op de werkgevers van de sector van de beschutte werkplaatsen die onder het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen vallen. ». Art. 23.Titel VII van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, zoals naderhand gewijzigd, wordt opgeheven. Art. 24.Artikel 128, § 1, i), van de programmawet van 30 december 1988, ingevoegd door het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, wordt vervangen door de volgende bepaling : « i) van de bepalingen van titel IV Bedrijfsplannen tot herverdeling van de arbeid van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. ». Art. 25.In artikel 64, § 1, 8°, van de
wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten5 houdende sociale en diverse bepalingen, worden de woorden « en VII » geschrapt. Art. 26.Artikel 36, tweede lid, 5°, van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt opgeheven. Art. 27.Artikel 12, § 1, f), van het
koninklijk besluit van 14 maart 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten2 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « f) van de bepalingen van titel IV Bedrijfsplannen tot herverdeling van de arbeid van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. ». Art. 28.Artikel 4, § 2, 2°, van het
koninklijk besluit van 24 november 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten0 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering met toepassing van artikel 7, § 2, van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt opgeheven. Afdeling V. - Betaald educatief verlof
Art. 29.In artikel 108 van de herstel
wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten7 houdende sociale bepalingen worden de §§ 1 en 2 respectievelijk vervangen door de volgende bepalingen : § 1. Deze afdeling is van toepassing : 1° op de werknemers die voltijds tewerkgesteld zijn in het kader van één of verscheidene arbeidsovereenkomsten; op de ten minste 4/5-tijds tewerkgestelde werknemers; op de werknemers tewerkgesteld op basis van artikel 9 van het
koninklijk besluit van 24 februari 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten3 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; op de werknemers tewerkgesteld op basis van het
koninklijk besluit van 24 november 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten0 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; op de op basis van een variabele werktijdregeling deeltijds tewerkgestelde werknemers in de zin van artikel 11bis van de
wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
03/07/2008
numac
2008000527
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
12/03/2009
numac
2009000158
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten en die een bij artikel 109 bedoelde opleiding volgen; 2° op de werkgevers. § 2. Voor de toepassing van deze afdeling worden gelijkgesteld : 1° met werknemers : de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van één of meer personen op basis van : een volledige dagtaak; 4/5e arbeidsprestaties; artikel 9 van het
koninklijk besluit van 24 februari 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten3 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; het
koninklijk besluit van 24 november 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten0 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; een deeltijdse variabele werktijdregeling in de zin van artikel 11bis van de
wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
03/07/2008
numac
2008000527
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
12/03/2009
numac
2009000158
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten; 2°, met werkgevers : de personen die de bij 1° bedoelde personen tewerkstellen. Afdeling VI. - Nieuwe arbeidsorganisatie
Onderafdeling I. - Arbeidsherverdelende bijdrageverminderingen en compenserende aanwervingen Art. 30.Artikel 1 van het
koninklijk besluit van 24 november 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten0 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt gewijzigd als volgt : 1° § 1 wordt gewijzigd als volgt : a) in het eerste lid worden de woorden « 30 juni 1996 » vervangen door de woorden « 30 juni 1997 »;b) het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid kan overgaan tot de goedkeuring van maximaal 15 collectieve arbeidsovereenkomsten per trimester.De aanvragen tot goedkeuring zullen behandeld worden in functie van het percentage van de gecreëerde werkgelegenheid. De voorrang zal gegeven worden aan de collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in het hoogste percentage gecreëerde werkgelegenheid »; c) in het vierde lid worden de woorden « 30 april 1998 » vervangen door de woorden « 30 juni 1999 »;d) een vijfde lid wordt toegevoegd luidend als volgt : « de Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit het toepassingsgebied van dit besluit uitbreiden tot de ondernemingen die minder dan 50 werknemers tewerkstellen op 30 juni 1997 en die gebonden zijn door een goedgekeurd bedrijfsplan bedoeld in titel IV van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, gesloten na 1 januari 1996 en uiterlijk op 31 december 1997, dat voorziet in een collectieve arbeidsduurvermindering overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.Deze collectieve arbeidsduurvermindering moet op 1 januari 1999 nog van toepassing zijn. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere regelen en voorwaarden vastleggen met betrekking tot de gehele of gedeeltelijke toekenning van de voordelen van dit besluit aan deze onderneming. »; 2°, § 2 wordt vervangen door de volgende paragraaf : « § 2. De collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in § 1 moet voldoen aan de volgende voorwaarden om de goedkeuring te kunnen bekomen bedoeld in § 1 : een volledige identificatie vermelden van de onderneming; vermelden dat zij werd gesloten ter uitvoering van dit besluit; voorzien in een vermindering van de gemiddelde arbeidsduur met ten minste 10 % zonder dat de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur lager mag zijn dan 32 uur per week of in een vermindering van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur tot 32 uur, voor een aantal werknemers dat ten minste gelijk is aan 20 % van de werknemers tewerkgesteld op 30 juni 1997 in de onderneming of de technische bedrijfseenheid waar deze vermindering van de arbeidsduur wordt doorgevoerd; het bedrag bepalen van de looncompensatie die wordt toegekend aan de werknemers die overgaan naar een kortere arbeidsduur; een tewerkstellingsengagement bevatten waarbij overgegaan wordt tot nieuwe aanwervingen zodat voldaan wordt aan de bepaling van § 3; de wijze van rapportering aan de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid vastleggen met betrekking tot de resultaten van de invoering van het stelsel van de arbeidsherverdeling met arbeidsherverdelende bijdragevermindering. De minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid maakt de resultaten van deze rapportering over aan de Hoge Raad voor Werkgelegenheid. »; 3° § 3 wordt vervangen door de volgende paragraaf : « § 3.Teneinde de bijdragevermindering te genieten, bedoeld in artikel 2, moet de onderneming kunnen aantonen dat : a) het totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996 naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering voor minimaal 85 % wordt gecompenseerd door bijkomende aanwervingen gedurende 4 kwartalen met ingang van de eerste dag van het eerste volledige kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering wordt doorgevoerd en ten vroegste met ingang van de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in dit artikel werd goedgekeurd;b) vanaf het kwartaal volgend op de periode bedoeld in a), het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996 voor minimaal 90 % wordt gecompenseerd. In afwijking van de bepalingen bedoeld in b) mag het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996 voor minder dan 90 % worden gecompenseerd vanaf het vijfde kwartaal volgend op de periode bedoeld in a).
De minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid kan de vermindering van het aantal dagen economische werkloosheid van een kwartaal in vergelijking met de dagen economische werkloosheid van de vier kwartalen voorafgaand aan de neerlegging van de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in § 1, gelijkstellen met compenserende aanwervingen.
De Koning bepaalt de nadere regelen en modaliteiten met betrekking tot deze gelijkstelling.
Hij bepaalt de nadere regels met betrekking tot de vaststelling en de berekening van het « totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren. »; 4° § 4 wordt aangevuld met het volgende streepje : « De werknemer aangeworven in het kader van hoofdstuk II, afdeling VI, onderafdeling 2 van de wet van 26 maart 1999.» Art. 31.Artikel 2 van het hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° § 1, eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De ondernemingen die gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1 hebben per werknemer die overgaat van een voltijdse betrekking naar een betrekking waarbij de normale arbeidsduur ten minste 10 % lager ligt zonder dat de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur lager mag zijn dan 32 u/week of die overgaat naar een gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 32 uur, recht op een arbeidsherverdelende bijdragevermindering bedoeld in artikel 3 en dit voorzover deze onderneming de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1 volledig naleeft en voorzover deze onderneming minimaal eenzelfde aantal werknemers in dienst heeft in het betrokken kwartaal in vergelijking met het overeenkomstige kwartaal van 1996 »; 2°, § 1 wordt aangevuld met een derde lid luidend als volgt : « De Koning kan nadere regelen bepalen met betrekking tot de vaststelling van het aantal in dienst zijnde werknemers. ». Art. 32.Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 3.- De arbeidsherverdelende bijdragevermindering wordt vastgesteld op : 1° 4 000 frank per werknemer bedoeld in artikel 2, § 1, per kwartaal en dit per uur arbeidsduurvermindering en dit gedurende acht kwartalen en dit met ingang van de eerste dag van het eerste volledige kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering wordt doorgevoerd en ten vroegste met ingang van de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1 werd goedgekeurd.De maximale bijdragevermindering is vastgesteld op 24 000 frank per werknemer per kwartaal; 2° 85 % van de bedragen bedoeld in 1° en dit gedurende de vier kwartalen volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;3° 70 % van de bedragen bedoeld in 1° en dit gedurende het vijfde tot het achtste kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;4° 55 % van de bedragen bedoeld in 1° en dit gedurende het negende tot het twaalfde kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;5° 40 % van de bedragen bedoeld in 1° en dit gedurende het dertiende tot het zestiende kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;6° 25 % van de bedragen bedoeld in 1° en dit gedurende het 17e tot het 20e kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°. Indien de onderneming overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, § 3, tweede lid, het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996, voor minder dan 90 % compenseert met bijkomende aanwervingen, worden de bedragen bedoeld in 2° tot 6° verminderd met een percentage dat gelijk is aan het verschil tussen 90 % en het percentage van de gerealiseerde compensatie van de vrijgekomen arbeidsuren voor de respectieve kwartalen. Art. 33.Artikel 4, § 1 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende streepje : « Hoofdstuk II, Afdeling VI, Onderafdeling 2 van de wet van 26 maart 1999 ». Art. 34.In hetzelfde besluit wordt een artikel 4bis ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 4bis.- De ondernemingen die overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, § 3, overgaan tot compenserende aanwervingen ten belope van minder dan 100 % van het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren, mogen de vrijgekomen loonmassa niet aanwenden voor compensatie van het loonverlies van de werknemers bedoeld in artikel 2, § 1.
Deze ondernemingen mogen het percentage van de in artikel 3 bedoelde lastenvermindering, dat bekomen wordt door het verschil tussen 100 % en het percentage van de compenserende aanwervingen gerealiseerd om de vrijgekomen arbeidsuren in te vullen, ook niet aanwenden ter compensatie van het loonverlies van de werknemers bedoeld in artikel 2, § 1. ».
Onderafdeling II. De vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen Art. 35.Deze onderafdeling is van toepassing op de werkgevers en de werknemers die ressorteren onder de toepassing van de
wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten0 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. Art. 36.§ 1. De werkgevers bedoeld in artikel 35 die een vakbondsafvaardiging hebben of die 50 of meer werknemers tellen op 30 juni 1997 moeten een collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot de invoering van de vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen sluiten, overeenkomstig de bepalingen van de voornoemde
wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten0 om te kunnen genieten van de voordelen van deze onderafdeling. Deze collectieve arbeidsovereenkomst moet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 37 en 38. § 2. De werkgevers met minder dan 50 werknemers in dienst op 30 juni 1997 en die geen vakbondsafvaardiging hebben, moeten een akkoord sluiten met betrekking tot de invoering van de vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen om te kunnen genieten van de voordelen van deze onderafdeling. Dit akkoord moet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 37 en 38.
De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit nadere regelen en modaliteiten vastleggen met betrekking tot de door de onderneming te volgen procedure bij het sluiten van een akkoord bedoeld in het vorige lid. Art. 37.§ 1. De collectieve arbeidsovereenkomst en het akkoord bedoeld in artikel 36 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden om de goedkeuring bedoeld in artikel 38 te kunnen bekomen : de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord moet een volledige identificatie vermelden van de onderneming; de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord moet vermelden dat hij/het werd gesloten in uitvoering van deze onderafdeling II; de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord moet een tewerkstellingsengagement bevatten waarbij wordt overgegaan tot nieuwe aanwervingen om te voldoen aan de bepalingen van § 2; de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord moet aanduiden op welke wijze de invoering van de vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen leidt tot een verlenging van de totale productietijd van de onderneming; de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord moet de wijze van rapportering aan de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid vastleggen met betrekking tot de resultaten van de invoering van de vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen. De minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid maakt de resultaten van deze rapportering over aan de Hoge Raad voor Werkgelegenheid. § 2. Teneinde te kunnen genieten van de bijdrageverminderingen bedoeld in artikel 38 moet de onderneming aantonen dat : a) het arbeidsvolume van het betrokken kwartaal met ten minste 10 % is toegenomen, dit in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1997. Het arbeidsvolume per kwartaal wordt berekend volgens de volgende bepalingen : 1° voor de voltijdse werknemers, met uitzondering van voltijdse werknemers die niet permanent vijf dagen per week tewerkgesteld zijn : (d + v + g)/w;2° voor een deeltijdse werknemer alsmede voor een voltijdse werknemer die niet permanent vijf dagen per week is tewerkgesteld : u x 5 x (d + v + g) d x m x w Wordt verstaan onder : d = de dagen bedoeld bij artikel 24, 1°, a), b), c) en e) van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de
wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten2 tot herziening van de
besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten8 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met uitzondering van de dagen gedekt door de vergoedingen bedoeld in artikel 19, § 2, 2°, a), b), d) en e) van het koninklijk besluit; u = de uren die overeenstemmen met de dagen bedoeld in d; v = de dagen bedoeld bij artikel 24, d), van het bovengenoemd koninklijk besluit van 28 november 1969; g = de bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid als gelijkgestelde dag aangegeven dagen, met uitzondering van de dagen tijdelijke werkloosheid te wijten aan economische oorzaken bedoeld bij artikel 51 van de
wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
03/07/2008
numac
2008000527
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
12/03/2009
numac
2009000158
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten; w = het aantal kalenderdagen van het burgerlijk kwartaal met uitzondering van de zaterdagen en zondagen; m = het gemiddeld aantal arbeidsuren per week van de voltijdse werknemer die in de onderneming, of bij gebrek daaraan in de sector, dezelfde soort arbeid verricht als de deeltijdse werknemer.
Het arbeidsvolume van een onderneming per trimester is gelijk aan de som van alle individuele arbeidsvolumes van de voltijdse en de deeltijdse werknemers. b) het aantal tewerkgestelde werknemers van het betrokken kwartaal dat is tewerkgesteld in de vierdagenweek met ten minste eenzelfde percentage is toegenomen als het arbeidsvolume van hetzelfde kwartaal en dit in vergelijking met het aantal werknemers dat vóór de invoering van de vierdagenweek reeds in dienst was en dat rechtstreeks bij de invoering van de vierdagenweek betrokken is. De Koning kan nadere regelen en modaliteiten bepalen met betrekking tot de berekening van de toename van het aantal in de vierdagenweek tewerkgestelde werknemers. § 3. Worden niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers in het kader van het tewerkstellingsengagement opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord vermeld in § 1 : de werknemer aangeworven in het kader van het banenplan, bedoeld in titel IV, hoofdstuk II van de
wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten5 houdende sociale en diverse bepalingen, gedurende de periode van de bijdragevermindering; de werknemer, aangeworven ten gevolge van een fusie of een overname van een andere instelling of onderneming of ten gevolge van een transfer binnen instellingen of ondernemingen die behoren tot diezelfde groep; de werknemer aangeworven in het kader van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot invoering van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen; de werknemer, tewerkgesteld in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke
wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten8, betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in uitvoering van artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid; de jongere, tewerkgesteld in het kader van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren; de werknemer aangeworven in het kader van titel III, hoofdstuk IV van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; de werknemer aangeworven in het kader van titel IV, hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen; de werknemer aangeworven in het kader van het
koninklijk besluit van 5 februari 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten1 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector; de werknemer aangeworven in het kader van het
koninklijk besluit van 24 november 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/05/1998
pub.
29/05/1998
numac
1998012284
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst
sluiten0 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen. Art. 38.Teneinde te kunnen genieten van de bijdragevermindering bedoeld in artikel 39 moeten de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord bedoeld in artikel 36 door de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid worden goedgekeurd. Daartoe moet de onderneming de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord ter goedkeuring voorleggen aan de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid.
Deze collectieve arbeidsovereenkomst en dit akkoord moeten worden neergelegd op de griffie van de dienst der Collectieve Arbeidsbetrekkingen van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid. Art. 39.De bijdragevermindering wordt per werknemer die bijkomend wordt aangeworven naar aanleiding van de invoering van de vierdagenweek om organisatorische redenen vastgesteld op : 1° een volledige vrijstelling van werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7° en 9° en § 3bis van de
wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten3 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers gedurende acht kwartalen met ingang van de eerste dag van het eerste volledige kwartaal waarin de vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen wordt ingevoerd en ten vroegste met ingang van de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de collectieve arbeidsovereenkomst of het akkoord bedoeld in artikel 35 werden goedgekeurd;2° 85 % van de vrijstelling bedoeld in 1°, gedurende de vier kwartalen volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;3° 70 % van de vrijstelling bedoeld in 1°, gedurende het vijfde tot het achtste kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;4° 55 % van de vrijstelling bedoeld in 1°, gedurende het negende tot het twaalfde kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;5° 40 % van de vrijstelling bedoeld in 1°, gedurende het dertiende tot het zestiende kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;6° 25 % van de vrijstelling bedoeld in 1°, gedurende het zeventiende tot het twintigste kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°. De bijdragevermindering bedoeld in 1° tot 6° kan maximaal 50 000 frank per kwartaal per bijkomende voltijdse werknemer bedragen en kan maximaal worden toegekend voor een aantal bijkomende aanwervingen dat overeenstemt met 25 % van het aantal werknemers dat toetreedt tot de vierdagenweek in het betrokken kwartaal.
De Koning bepaalt de nadere regelen met betrekking tot de vaststelling van het maximale bedrag van de bijdragevermindering dat wordt toegekend aan de bijkomende werknemers die deeltijds worden aangeworven. Art. 40.§ 1. Een werkgever bedoeld in artikel 35 kan voor een werknemer bedoeld in artikel 39 niet gelijktijdig genieten van de bijdragevermindering bedoeld in artikel 39 en van de vermindering van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in : titel IV, hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen; titel III, hoofdstuk IV van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/02/1998
pub.
19/02/1998
numac
1998012088
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling
sluiten6 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen; artikel 8 van het
koninklijk besluit van 24 februari 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
0 …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.