📄 Wettekst
22 MEI 2014. - Besluit van de Regering betreffende de kinderopvangdiensten en andere vormen van kinderopvang
DE REGERING VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP, Gelet op de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen, artikel 20;
Gelet op de
wet van 31 december 1983Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
31/12/1983
pub.
11/12/2007
numac
2007000934
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, artikel 7;
Gelet op het
decreet van 31 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
31/03/2014
pub.
02/07/2014
numac
2014202570
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet betreffende de kinderopvang
type
decreet
prom.
31/03/2014
pub.
23/07/2014
numac
2014203218
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet betreffende het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren
sluiten betreffende de kinderopvang, artikel 2, tweede lid, artikel 7, tweede, derde en vierde lid, artikel 8, § 1, tweede en vijfde lid, en § 3, artikel 9, tweede lid, artikel 10, § 1, eerste lid, en § 2, artikel 11, tweede lid, artikel 12, tweede lid, artikel 15, § 3, derde lid, artikel 16, derde lid, en artikel 22;
Gelet op het
decreet van 31 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
31/03/2014
pub.
02/07/2014
numac
2014202570
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet betreffende de kinderopvang
type
decreet
prom.
31/03/2014
pub.
23/07/2014
numac
2014203218
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet betreffende het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren
sluiten betreffende het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren, artikel 3.2, laatste lid;
Gelet op het besluit van de Regering van 18 januari 2007 betreffende de kinderopvang;
Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 3 april 2014;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister-President, bevoegd voor Begroting, d.d. 3 april 2014;
Gelet op advies 55.982/3 van de Raad van State, gegeven op 5 mei 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Overwegende het advies van de adviesraad voor gezins- en generatievraagstukken, gegeven op 5 mei 2014;
Op de voordracht van de Minister bevoegd voor Gezinsbeleid;
Na beraadslaging, Besluit : Titel 1. - Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. - Inleidende bepalingen Afdeling 1. - Definities
Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° kinderen : overeenkomstig artikel 2, eerste lid, 1°, en tweede lid van het decreet, personen die de volle leeftijd van twaalf jaar nog niet bereikt hebben resp., wat de buitenschoolse opvang betreft, personen die deze leeftijd wel bereikt hebben en lager onderwijs volgen; 2° baby's en peuters : kinderen tot de volle leeftijd van drie jaar;3° kinderopvang : overeenkomstig artikel 2, eerste lid, 2°, van het decreet, de regelmatige opvang van kinderen tegen betaling en in vastgelegde ruimten, buiten de woning van de personen belast met de opvoeding;4° dienstverrichter : overeenkomstig artikel 2, eerste lid, 3°, van het decreet, natuurlijke persoon of rechtspersoon resp.vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die in hoofdberoep, bijberoep of als vrijwilliger kinderopvang aanbiedt; 5° persoon die werkzaam is in de kinderopvang : overeenkomstig artikel 2, eerste lid, 4°, van het decreet, natuurlijke persoon die als dienstverrichter of in opdracht van een dienstverrichter werkzaam is en zelf kinderen opvangt of direct en regelmatig met opgevangen kinderen in contact komt;6° dienst voor onthaalouders : dienstverrichter die bij voorrang baby's en peuters opvangt en eventueel buitenschoolse opvang door aangesloten onthaalouders aanbiedt;7° aangesloten onthaalouder : persoon die werkzaam is in de kinderopvang en die in opdracht van een dienst voor onthaalouders - zonder door een arbeidsovereenkomst met die dienst verbonden te zijn - bij voorrang baby's en peuters van anderen opvangt en/of eventueel buitenschoolse opvang aanbiedt;8° zelfstandige onthaalouder : dienstverrichter en persoon die werkzaam is in de kinderopvang die zelfstandig, in het kader van een opvangcontract, bij voorrang baby's en peuters van anderen opvangt en/of eventueel buitenschoolse opvang aanbiedt;9° crèche : dienstverrichter die baby's en peuters in collectieve vorm opvangt en een opvangcapaciteit van ten minste 18 plaatsen heeft;10° mini-crèche : een door overheids- of privé-instellingen gefinancierde dienstverrichter die baby's en peuters in collectieve vorm opvangt en een opvangcapaciteit van ten minste zes en ten hoogste veertien plaatsen heeft;11° locatie voor buitenschoolse opvang : dienstverrichter die kinderopvang buiten de schooltijd aanbiedt;12° diensten voor kinderopvang : de dienstverrichters beschreven in de bepalingen onder 6°, 9°, 10° en 11°;13° centrum voor kinderopvang : dienstverrichter die tegelijk ten minste een erkende dienst voor onthaalouders, een erkende crèche en een erkende locatie voor buitenschoolse opvang aanbiedt;14° initiatief voor occasionele kinderopvang : dienstverrichter die kinderen van vier maanden tot zes jaar af en toe en voor korte duur in collectieve vorm opvangt;15° GAK : Gemeentelijke Adviescommissie inzake Kinderopvang;16° inspectie : de inspecteurs die de Regering overeenkomstig artikel 17, § 1, van het decreet heeft aangewezen;17° departement : het departement van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dat bevoegd is voor Gezin;18° Minister : de minister van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap bevoegd voor het gezinsbeleid;19° decreet : het
decreet van 31 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
31/03/2014
pub.
02/07/2014
numac
2014202570
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet betreffende de kinderopvang
type
decreet
prom.
31/03/2014
pub.
23/07/2014
numac
2014203218
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet betreffende het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren
sluiten betreffende de kinderopvang. Afdeling 2. - Algemene beginselen
Art. 2.Overeenkomstig artikel 6 van het decreet moet elke onder dit besluit vallende dienstverrichter die kinderopvang aanbiedt, ter uitvoering van dit besluit erkend zijn voordat hij van start gaat.
Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4 voldoen de onder dit besluit vallende dienstverrichters, om erkend te worden, aan de erkenningsvoorwaarden vermeld in het decreet of in dit besluit. Art. 3.Overeenkomstig artikel 12 van het decreet kunnen alleen erkende, onder dit besluit vallende dienstverrichters binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen subsidie voor kinderopvang ter uitvoering van dit besluit ontvangen. Art. 4.Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 6 tot 12 van het decreet worden de dienstverrichters met wie de Regering overeenkomstig titel 6 een overeenkomst tot uitvoering van een lokaal project sluit, voor de duur van die overeenkomst als erkende dienstverrichters beschouwd. De nadere regels worden in de overeenkomst gepreciseerd. Art. 5.Elke erkende dienstverrichter waarborgt de kwaliteit van de opvang overeenkomstig de bepalingen van het decreet en overeenkomstig de bepalingen van dit besluit die op die dienstverrichter van toepassing zijn.
Hoofdstuk 2. - Gemeentelijke Adviescommissie inzake Kinderopvang Afdeling 1. - Samenstelling en werkwijze
Art. 6.De gemeenteraad van elke gemeente van het Duitse taalgebied installeert een GAK en legt het huishoudelijk reglement van die commissie vast. Art. 7.§ 1 - De GAK bestaat uit : 1° een vertegenwoordiger van het gemeentecollege;2° een vertegenwoordiger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente;3° telkens één vertegenwoordiger per school die op het grondgebied van de gemeente gevestigd is;4° telkens één vertegenwoordiger per ouderraad van de scholen vermeld in de bepaling onder 3°. Voor elk in het eerste lid vermeld werkend lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen. § 2 - Tot de GAK behoren ook met raadgevende stem : 1° een vertegenwoordiger van de Minister;2° een vertegenwoordiger van het departement;3° telkens één vertegenwoordiger van de diensten voor kinderopvang of van de initiatieven voor occasionele kinderopvang die op het grondgebied van de gemeente werkzaam zijn;4° één vertegenwoordiger van het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren;5° andere plaatselijke partners die belangrijk zijn voor de kinderopvang en die door de GAK bij de beraadslagingen betrokken worden. Art. 8.De vertegenwoordiger van het gemeentecollege zit de vergaderingen van de GAK voor. De voorzitter organiseert die vergaderingen op eigen initiatief of op schriftelijk verzoek van een belangstellende en/of op schriftelijk verzoek van een potentiële dienstverrichter.
Een personeelslid van de gemeentediensten woont de vergaderingen van de GAK bij en maakt onder de verantwoordelijkheid van de voorzitter de notulen op.
De vertegenwoordiger van het departement woont de vergaderingen bij als deskundige en zorgt voor de technische follow-up en de informatie-uitwisseling tussen de GAK's van de verschillende gemeenten van het Duitse taalgebied.
De vertegenwoordiger van de Minister zorgt voor de informatie-uitwisseling tussen de GAK en de Regering. Afdeling 2. - Opdrachten
Art. 9.§ 1 - Op verzoek van de Minister en binnen de door hem gestelde termijn of op eigen initiatief verstrekt de GAK de Minister advies over de volgende punten : 1° de berekening van de behoeften inzake kinderopvang in de gemeente op korte en middellange termijn;2° het doen van aanbevelingen om het aanbod inzake kinderopvang te verbeteren, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en het vaststellen van de kwantitatieve en kwalitatieve voorwaarden die daarvoor vervuld moeten zijn. § 2 - De GAK geeft advies over alle nieuwe lokale initiatieven voor kinderopvang, met uitzondering van initiatieven die betrekking hebben op de erkenning van zelfstandige onthaalouders resp. de toelating van aangesloten onthaalouders, en zendt haar advies toe aan de Minister.
Daartoe bezorgt de potentiële dienstverrichter alle daartoe nodige stukken vooraf aan de GAK. In het advies worden ten minste de volgende punten behandeld : 1° de behoefte aan het nieuwe initiatief voor kinderopvang, met inachtneming van de geografische, demografische en socio-economische omstandigheden;2° de geschiktheid en de ligging van de geplande ruimten;3° het opvangconcept;4° de geplande opvangcapaciteit;5° de kostenbijdrage van de personen belast met de opvoeding;6° indien het advies niet unaniem is : een uiteenzetting van de verschillende standpunten. De GAK bezorgt haar advies aan de Minister binnen 90 dagen na ontvangst van de stukken van de potentiële dienstverrichter. § 3 - Bij de oprichting van een nieuwe locatie voor buitenschoolse opvang die wordt aangeboden door een centrum voor kinderopvang en die tegelijk door de Duitstalige Gemeenschap en één of meer gemeenten gesubsidieerd wordt, verstrekt de GAK een advies overeenkomstig artikel 153.
Hoofdstuk 3. - Indexering van de subsidies Art. 10.De bedragen vastgelegd in de artikelen 72, § 2, tweede lid, artikel 74, eerste lid, artikel 76, § 1 en § 2, eerste lid, artikel 93, § 1, eerste lid, artikel 94, artikel 106, artikel 116, eerste lid, artikel 135, § 1, eerste en tweede lid, en artikel 137, alsook het bedrag van 3,52 euro vastgelegd in artikel 82, § 3, zijn gekoppeld aan de indexering van de wedden van de openbare dienst van de Duitstalige Gemeenschap op basis van de spilindex 138,01.
Titel 2. - Diensten voor kinderopvang Ondertitel 1. - Gemeenschappelijke inhoudelijke bepalingen Hoofdstuk 1. - Toepassingsgebied Art. 11.Deze ondertitel is van toepassing op de diensten voor kinderopvang vermeld in artikel 1, 12°.
Hoofdstuk 2. - Algemene erkenningsvoorwaarden Afdeling 1. - Bepalingen inzake persoonsgegevens
Art. 12.Overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van het decreet zorgen de diensten voor kinderopvang ervoor dat de personen die in de kinderopvang werkzaam zijn en die van hen een opdracht hebben gekregen, de volgende stukken hebben ingediend voordat ze van start gaan met hun activiteit : 1° een uittreksel uit het strafregister (model 2) van zichzelf en, indien de kinderopvang in hun woning plaatsvindt, van alle meerderjarigen die deel uitmaken van het gezin en/of regelmatig in contact zullen komen met de opgevangen kinderen.Indien die personen hun woonplaats in het buitenland hebben, beschikken ze over een gelijkwaardig document van een bevoegde overheid waaruit blijkt dat ze een activiteit kunnen uitoefenen op het gebied van opvoeding, psycho-medisch-sociale begeleiding, jeugdbijstand, kinderbescherming, animatie of begeleiding van minderjarigen; 2° een medisch attest dat niet ouder is dan twee maanden, dat bekrachtigt dat de gezondheidstoestand van betrokkene hem toelaat voor kinderen te zorgen en dat hij geen tekenen van fysiek of psychisch lijden of geen fysieke of psychische beperkingen vertoont die een gevaar voor de gezondheid van de opgevangen kinderen kunnen betekenen;3° voor zover dit niet blijkt uit het medisch attest vermeld in 2°, voor de vrouwelijke personen die werkzaam zijn in de kinderopvang en jonger zijn dan 55 jaar en, indien de kinderopvang in hun woning plaatsvindt, voor de andere vrouwelijke leden van hun gezin die jonger zijn dan 55 jaar, een medisch bewijs dat ze immuun zijn voor rodehond. De weigering van een eventueel nog noodzakelijke inenting wordt alleen aangenomen op grond van een gemotiveerd medisch attest. Art. 13.De diensten voor kinderopvang leggen in hun contracten en overeenkomsten met de personen die werkzaam zijn in de kinderopvang vast dat die personen : 1° elke wezenlijke verandering in hun gezondheidstoestand zo snel mogelijk aan de dienst meedelen;2° overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van het decreet geen professionele of niet-professionele activiteit uitoefenen die onverenigbaar is met kinderopvang of die hen tijdens de openingstijden van de kinderopvangvoorziening van de zorg voor de kinderen zou kunnen afhouden. Art. 14.De diensten voor kinderopvang bieden de personen die werkzaam zijn in de kinderopvang en die een opdracht van hen hebben gekregen, jaarlijks minstens tien uur gratis voortgezette opleiding aan. Afdeling 2. - Opvangconcept
Art. 15.De diensten voor kinderopvang werken een opvangconcept uit.
Het opvangconcept bevat minstens : 1° de doelstellingen van het aanbod;2° de pedagogische principes;3° de manier waarop de pedagogische principes in praktijk worden gebracht;4° de gestandaardiseerde werkprocessen van de kerntaken;5° de manier waarop samengewerkt wordt met de personen belast met de opvoeding;6° de manier waarop samengewerkt wordt met andere diensten;7° de manier waarop samengewerkt wordt met vrijwilligers;8° de maatregelen inzake gezondheidspromotie;9° de informatie over het klachtenbeheer;10° de openingstijden en de manier waarop contact kan worden opgenomen met de dienst;11° de procedurerichtlijnen bij vermoeden of vaststelling van kindermishandeling, kindermisbruik en/of kinderverwaarlozing, besmettelijke ziekten, aanhoudende gedragsstoornissen, vermoeden of vaststelling van ontwikkelingsachterstand, alsook de procedurerichtlijnen voor de omgang met kinderen met een lichamelijke of geestelijke beperking. Afdeling 3. - Huishoudelijk reglement
Art. 16.De diensten voor kinderopvang maken een huishoudelijk reglement op.
Het huishoudelijk reglement bevat minstens : 1° de openingstijden en de manier waarop contact kan worden opgenomen met de dienst;2° de hoofdlijnen van het opvangconcept;3° de ouderbijdragen;4° de rechten en plichten van de personen belast met de opvoeding;5° de informatie over het klachtenbeheer dat in artikel 15, tweede lid, 9°, wordt vermeld.6° in voorkomend geval de gegevens over de mogelijkheid om stagiairs op te nemen. Afdeling 4. - Verzekeringen
Art. 17.De diensten voor kinderopvang sluiten een aansprakelijkheidsverzekering en een brandverzekering voor de uitoefening van hun activiteit.
Hoofdstuk 3. - Inrichting van de ruimten Art. 18.Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 174 is dit hoofdstuk alleen van toepassing op de crèches, mini-crèches en locaties voor buitenschoolse opvang. Art. 19.Overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet vindt de kinderopvang plaats in een daarvoor geschikte omgeving en in ruimten die voldoende groot, veilig en proper zijn. Er is een ruimte voor buitenactiviteiten die bij voorkeur aan de opvangruimten grenst. Art. 20.De opvangruimten en alle ruimten die voor de kinderen toegankelijk zijn, voldoen aan de volgende criteria : 1° gemakkelijk bereikbaar en toegankelijk, bijvoorbeeld door goede bereikbaarheid voor het verkeer of door de opvang bij voorkeur op de benedenverdieping te laten plaatsvinden;2° voor zover niet nader gedefinieerd, stemt de grootte van de ruimten overeen met het aantal opgevangen kinderen, zodat deze zich vrij kunnen bewegen;3° er zijn verscheidene speelruimten;4° er is een rustruimte;5° in de opvangvoorzieningen waar maaltijden voor kinderen worden voorbereid, is een keukenblok met een aanrecht, kookgelegenheid en koelkast;6° de ruimten zijn ingericht met het voor de opvang noodzakelijke meubilair en met voldoende speelgoed;7° de ruimten zijn in goede toestand en er wordt voor gezorgd dat dit zo blijft;8° de begeleiders zijn telefonisch bereikbaar in de ruimten. Art. 21.De diensten voor kinderopvang richten de ruimten waartoe de kinderen toegang hebben zo veilig mogelijk in. De diensten voor kinderopvang dragen er zorg voor dat alle mogelijke gevaren en risico's worden opgespoord. Ze nemen alle nodige maatregelen om een veilige omgeving te scheppen met verminderd gevaar voor ongevallen.
Voor de veilige inrichting van de ruimten gelden de volgende criteria : 1° er wordt op de verkeersveiligheid gelet;2° de buitenruimte en de toegang daartoe zijn beveiligd;3° de ruimten zijn zo ingedeeld en ingericht dat de begeleiders visueel toezicht op de kinderen kunnen houden;4° er wordt verwarmd met centrale verwarming.Er mogen geen verwarmingselementen worden gebruikt waaraan de kinderen zich kunnen verbranden. De radiatoren zijn doeltreffend beveiligd; 5° de diensten voor kinderopvang nemen alle nodige maatregelen om een CO-vergiftiging te voorkomen.Daarom zorgen ze ervoor dat de installaties voor verwarming, warm water en luchtafvoer regelmatig onderhouden worden; 6° producten die de gezondheid kunnen schaden, zoals pesticiden, herbiciden en insecticiden, worden alleen gebruikt in afwezigheid van de kinderen en met inachtneming van voorzorgsmaatregelen;7° wenteltrappen mogen door kinderen tot zes jaar alleen in begeleiding van volwassenen worden gebruikt en de toegang is beveiligd met traphekjes;8° indien de kinderen toegang hebben tot verhoogde terrassen, moeten die terrassen beveiligd zijn door een balustrade of een omheining;9° de balustrades en/of omheiningen beantwoorden aan de richtlijnen van de Minister;10° de vensters en deuren gaan op een veilige manier open en dicht;11° gevaarlijk scherpe kanten, hoeken of uiteinden zijn niet voorhanden of worden adequaat beveiligd;12° de stopcontacten, de schakelaars en alle elektrische toestellen of installaties die gevaar kunnen opleveren, worden buiten het bereik van de kinderen gehouden of worden adequaat beveiligd;13° poetsmiddelen, chemische producten, licht ontvlambare stoffen, medicamenten en andere voorwerpen die gevaarlijk kunnen zijn, worden veilig en buiten het bereik van de kinderen opgeborgen;14° zwembaden, plonsbadjes, tuinvijvers, waterpoelen of andere waterpartijen zijn zo afgedekt en beveiligd dat kinderen er niet bij kunnen;15° zowel binnen als buiten worden giftige planten buiten het bereik van de kinderen gehouden;16° in elke opvangvoorziening staat een EHBO-doos met materiaal dat beantwoordt aan de richtlijnen van de Minister;17° in de slaap- en opvangruimten zijn rookmelders aangebracht overeenkomstig het
besluit van de Waalse Regering van 21 oktober 2004Relevante gevonden documenten
type
besluit van de waalse regering
prom.
21/10/2004
pub.
10/11/2004
numac
2004203357
bron
ministerie van het waalse gewest
Besluit van de Waalse Regering betreffende de aanwezigheid van brandmelders in de woningen
sluiten betreffende de aanwezigheid van brandmelders in de woningen. Art. 22.De diensten voor kinderopvang letten op de hygiëne en nemen bij alle activiteiten de nodige hygiënemaatregelen, in het bijzonder bij het verzorgen van de kinderen, het poetsen van de ruimten, het bereiden van de maaltijden en het wegdoen van afval.
Voor de hygiëne van de ruimten gelden de volgende criteria : 1° er zijn voldoende aan de verschillende leeftijdsgroepen aangepaste sanitaire inrichtingen en lavabo's;2° er is voldoende natuurlijke verlichting en verluchting.De verlichting en verluchting worden aangepast aan de activiteiten die in de ruimten plaatsvinden; 3° bij de verwarming van de ruimten kan rekening worden gehouden met de buitentemperatuur;4° er is een doeltreffende zonnewering;5° bij normale weersomstandigheden bedraagt de temperatuur in de regel 18°C in de slaapruimten en 20°C tot 22°C in de opvangruimten;6° alle ruimten kunnen eenvoudig proper gehouden worden;7° de ruimten en het materiaal worden regelmatig gereinigd.De manier waarop de vloeren, de oppervlakten en het materiaal worden gereinigd, is verenigbaar met de kinderopvang; 8° het afval wordt dagelijks naar een van de kinderopvang afgezonderde ruimte gebracht die zich bij voorkeur buiten bevindt;9° het bouwmateriaal en de toestand ervan mogen niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de kinderen. Hoofdstuk 4. - Algemene verplichtingen Afdeling 1. - Erkenningsvoorwaarden en inrichting van de ruimten
Art. 23.Na hun erkenning blijven de diensten voor kinderopvang voldoen aan de algemene en bijzondere erkenningsvoorwaarden die in het decreet of in deze titel worden vermeld en blijven ze voldoen aan de voorgeschreven inrichting van de ruimten. Afdeling 2. - Opvangconcept
Art. 24.Bij het begin van de opvang en bij latere wijzigingen lichten de diensten voor kinderopvang de personen belast met de opvoeding in over het opvangconcept vermeld in artikel 15, over de klantenservice en over de verplichtingen van de diensten voor kinderopvang en van de personen belast met de opvoeding.
De hoofdlijnen van het opvangconcept worden opgenomen in een informatiebrochure voor de personen belast met de opvoeding en worden hen samen met het opvangcontract tegen ontvangstbewijs overhandigd.
Indien de dienst een website heeft, kan het concept op die site worden ingezien. Afdeling 3. - Huishoudelijk reglement
Art. 25.De diensten voor kinderopvang overhandigen het huishoudelijk reglement vermeld in artikel 16 bij het begin van de opvang tegen ontvangstbewijs aan de personen belast met de opvoeding. Indien de dienst een website heeft, kan het huishoudelijk reglement op die site worden ingezien. Afdeling 4. - Samenwerking met de personen belast met de opvoeding
Art. 26.De diensten voor kinderopvang nemen de opvangaanvragen in ontvangst en verwerken ze overeenkomstig de bepalingen van het decreet en dit besluit.
De regelmatige uitwisseling van gedachten en de samenwerking met de personen belast met de opvoeding verloopt zoals bepaald in het opvangconcept vermeld in artikel 15. Art. 27.De diensten voor kinderopvang zorgen ervoor dat de personen belast met de opvoeding telefonisch of persoonlijk contact kunnen opnemen met de contactpersonen om inlichtingen te krijgen of problemen te bespreken, zo nodig ook buiten de gewone kantooruren.
De spreektijden en de uitzonderingen daarop worden bij het begin van de opvang meegedeeld aan de personen belast met de opvoeding. Art. 28.De diensten voor kinderopvang sluiten voor het begin van de opvang een schriftelijk opvangcontract met de personen belast met de opvoeding.
De opvang begint pas nadat het opvangcontract door alle partijen is ondertekend.
In het opvangcontract wordt bepaald dat de personen belast met de opvoeding of de dienst voor kinderopvang het contract voor de opvang van een baby of peuter kan opzeggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden. De dienst kan die termijn inkorten, indien de personen belast met de opvoeding hun rekeningen niet betalen of de opvangsituatie dat in het belang van het kind vereist. Art. 29.De diensten voor kinderopvang, met uitzondering van de diensten voor onthaalouders, zenden de personen belast met de opvoeding elk jaar in januari een plan met de bindende gegevens omtrent de sluitingsdagen.
Sluitingsdagen naar aanleiding van voortgezette opleidingen worden minstens vier maanden op voorhand aan de personen belast met de opvoeding meegedeeld. Art. 30.De diensten voor kinderopvang ontvangen van het departement de fiscale attesten voor de personen belast met de opvoeding, vullen die attesten in en zenden ze door aan de personen belast met de opvoeding. Art. 31.Bij het begin van de opvang maken de diensten voor kinderopvang de personen belast met de opvoeding er schriftelijk attent op dat ze zich rechtstreeks tot het departement kunnen wenden bij meningsverschillen tussen de dienst en de personen belast met de opvoeding die niet via het klachtenbeheer vermeld in artikel 15, tweede lid, 9°, opgelost kunnen worden. Afdeling 5. - Brandveiligheid
Art. 32.Na de inwerkingtreding van de erkenning bezorgen de diensten voor kinderopvang het departement alle zes jaar een gunstig advies van de bevoegde commandant van de brandweerdienst over de brandveiligheid van de ruimten waar de opvang plaatsvindt; dat advies mag niet ouder zijn dan zes maanden.
Een dergelijk advies moet bovendien bij elke belangrijke wijziging van de structuur van het gebouw van de opvangvoorziening of te allen tijde op verzoek van het departement worden ingediend. Afdeling 6. - Rapportering
Art. 33.De diensten voor kinderopvang dienen jaarlijks, behalve in het eerste jaar van de opvang, uiterlijk op 1 februari een overzichtslijst in met het personeel dat in het vorige kalenderjaar werkelijk beschikbaar was.
Deze overzichtslijst bevat de volgende gegevens over alle personeelsleden afzonderlijk : naam, geboortedatum, diploma resp. kwalificatie, functie, indiensttreding, effectieve dienstanciënniteit, arbeidsregeling, eventuele subsidies in het kader van tewerkstellingsmaatregelen, de toepasselijke barema's en de brutojaarwedde. Art. 34.§ 1 -De diensten voor kinderopvang dienen jaarlijks, behalve in het eerste jaar van de opvang, uiterlijk op 1 juni een activiteitenverslag over het vorige kalenderjaar in bij het departement.
Het activiteitenverslag bevat : 1° het aantal openingsdagen en de openingstijden;2° het totaal aantal aanwezigheden;3° het totaal aantal van de gemiddelde aanwezigheden;4° de beantwoorde en onbeantwoorde aanvragen voor opvang van baby's en peuters;5° de analyse en de evaluatie van de activiteiten;6° de perspectieven wat de toekomst van de opvangstructuur betreft;7° het aantal werkelijk beschikbare personeelsleden en hun functie, in voorkomend geval aangesloten onthaalouders inbegrepen;8° een overzicht van de bezochte voortgezette opleidingen. § 2 - De diensten voor kinderopvang die door de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerd worden, dienen, samen met het in § 1 vermelde activiteitenverslag, een resultatenrekening en een balans van het vorige opvangjaar, alsook een budgettair voorstel voor het volgende opvangjaar in bij het departement. § 3 - Indien het activiteitenverslag, de balans, de resultatenrekening of het budgettair voorstel te laat worden ingediend, kan bij één maand vertraging 5 % van de subsidie en bij twee of meer maanden vertraging 10 % van de subsidie ingehouden worden. Art. 35.De diensten voor kinderopvang houden een aanwezigheidsregister bij.
De diensten voor kinderopvang maken per opgevangen kind een dossier op dat minstens de volgende gegevens bevat : 1° naam, voornaam en adres van het kind;2° naam, adres en telefoonnummer van de contactpersoon/contactpersonen;3° naam, adres en telefoonnummer van de huisarts;4° bijzondere gegevens over de gezondheidstoestand van het kind, indien deze voor de dagelijkse omgang met het kind relevant zijn. Ondertitel 2. - Gemeenschappelijke procedurebepalingen Hoofdstuk 1. - Toepassingsgebied Art. 36.Deze ondertitel is van toepassing op de diensten voor kinderopvang vermeld in artikel 1, 12°.
Hoofdstuk 2. - Erkenning Afdeling 1. - Voorlopige erkenning
Art. 37.§ 1 - Om een voorlopige erkenning te krijgen, dienen de dienstverrichters een aanvraag in bij het departement.
Bij de aanvraag worden de volgende stukken en gegevens gevoegd : 1° de identiteit van de aanvrager;2° de statuten van de rechtspersoon;3° het bewijs van de behoefte aan opvang;4° de aangevraagde opvangcapaciteit;5° het financieringsconcept;6° de vastlegging van de ouderbijdragen;7° de beschrijving van de infrastructuur;8° de functiebeschrijving van het personeel;9° de identiteit en kwalificatie van de personen die in de kinderopvang werkzaam zijn, alsook de identiteit en kwalificatie van het administratief personeel;10° het model van de overeenkomst tussen de dienstverrichter en de personen die in de kinderopvang werkzaam zijn, met vermelding van de verplichtingen vervat in de artikelen 12, 13 en 14;11° het opvangconcept beschreven in artikel 15;12° het huishoudelijk reglement beschreven in artikel 16;13° het bewijs dat de verzekeringen vermeld in artikel 17 afgesloten zijn;14° het huishoudelijk reglement waarin uitsluitsel wordt gegeven over de werkwijze van de dienstverrichter;15° het model van het opvangcontract tussen de dienstverrichter en de personen belast met de opvoeding;16° een gunstig advies van de bevoegde commandant van de brandweerdienst dat niet ouder is dan zes maanden en dat betrekking heeft op de brandveiligheid van de opvangruimten;17° het gunstige advies van de GAK van de gemeente waar de opvang zal plaatsvinden, gegeven overeenkomstig artikel 9, § 2.Indien het aanbod zich tot de bevolking van meerdere gemeenten richt, dienen alle territoriaal en materieel bevoegde GAK's een advies in. § 2 - Gaat het om een voorlopige erkenning van een dienst voor onthaalouders, dan worden bovendien de volgende stukken en gegevens bijgevoegd : 1° de in artikel 58 vermelde manier waarop kandidaten die een toelating als aangesloten onthaalouder aanvragen, geschikt worden bevonden;2° het in artikel 59 vermelde model voor het opvangconcept van de aangesloten onthaalouders;3° het aangevraagde aantal aangesloten onthaalouders dat tot de dienst voor onthaalouders toegelaten kan worden;4° de beschrijving van de samenwerking met de aangesloten onthaalouders. Gaat het om de voorlopige erkenning van een dienst voor onthaalouders, dan hoeft - in afwijking van § 1, 16° - geen advies inzake brandveiligheid te worden bijgevoegd. § 3 - Gaat het om de voorlopige erkenning van een locatie voor buitenschoolse opvang, dan wordt bovendien een stuk bijgevoegd waarin staat hoe men denkt nagegaan of aan de voorwaarden gesteld in artikel 110, § 2, 1° en 2°, is voldaan.
Gaat het om de voorlopige erkenning van een locatie voor buitenschoolse opvang die door een centrum voor kinderopvang wordt aangeboden en die tegelijk door de Duitstalige Gemeenschap en één of meer gemeenten gesubsidieerd wordt, dan worden bovendien de adviezen en besluiten vermeld in artikel 153 bijgevoegd. Art. 38.Het departement onderzoekt of de ingediende aanvraag om erkenning volledig is en onderzoekt de bijgevoegde stukken. Indien de aanvraag volledig is, controleert het departement de ruimten waar de opvang zal plaatsvinden.
Binnen 90 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de volledige aanvraag, stelt het departement op basis van zijn bevindingen een advies op en zendt het over aan de Minister. Indien binnen die termijn geen advies wordt verstrekt, wordt dit beschouwd als een negatief advies.
Binnen 60 dagen na ontvangst van het advies van het departement, respectievelijk na het verstrijken van de in het tweede lid vermelde termijn, beslist de Minister of een voorlopige erkenning wordt toegekend. In de voorlopige erkenning wordt het volgende vastgelegd : het maximale aantal kinderen dat tegelijk mag worden opgevangen en in voorkomend geval de opvangcapaciteit. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, geldt de voorlopige erkenning als geweigerd. Art. 39.De voorlopige erkenning wordt verleend voor zes maanden.
De aanvrager mag de dienst voor kinderopvang pas openen als hij de voorlopige erkenning heeft ontvangen. Art. 40.Tijdens de duur van de voorlopige erkenning voert de inspectie één of meer controles uit om na te gaan of aan de algemene en bijzondere erkenningsvoorwaarden wordt voldaan.
Na die controle stelt de inspectie op grond van haar bevindingen een inspectieverslag op. Uiterlijk 60 dagen voor het verstrijken van de voorlopige erkenning wordt dat inspectieverslag aan de Minister en aan de betrokken dienst voor kinderopvang bezorgd. Art. 41.§ 1 - Op gemotiveerd verzoek kan de dienst voor kinderopvang uiterlijk 60 dagen voor het verstrijken van de voorlopige erkenning de Minister vragen om de voorlopige erkenning eenmaal voor een duur van hoogstens zes maanden te verlengen.
De Minister beslist binnen 30 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de volledige aanvraag, of de voorlopige erkenning wordt verlengd.
Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, geldt de verlenging als geweigerd. § 2 - De Minister kan de voorlopige erkenning op eigen initiatief eenmaal voor hoogstens zes maanden verlengen. Art. 42.§ 1 - Tijdens de duur van de voorlopige erkenning delen de diensten voor kinderopvang elke wijziging van de gegevens vermeld in artikel 37, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3°, 5°, 8°, 12°, 13°, 14° en 16°, binnen 15 dagen schriftelijk mee aan het departement. § 2 - Tijdens de duur van de voorlopige erkenning kan het departement de diensten voor kinderopvang te allen tijde om een actuele stand van de gegevens vermeld in § 1 verzoeken. Art. 43.Wijzigingen van de gegevens vermeld in artikel 37, § 1, tweede lid, 4°, 6°, 7°, 10°, 11° en 15°, alsook § 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°, moeten vooraf worden goedgekeurd. Daartoe dienen de diensten voor kinderopvang een individuele schriftelijke aanvraag bij het departement in. Binnen 30 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de volledige aanvraag, stelt het departement een advies op en zendt het over aan de Minister. Indien binnen die termijn geen advies wordt verstrekt, wordt dit beschouwd als een negatief advies.
Binnen 15 dagen na ontvangst van het advies van het departement, respectievelijk na het verstrijken van de in het tweede lid vermelde termijn, beslist de Minister of de wijziging wordt goedgekeurd. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, geldt de goedkeuring als geweigerd.
De dienst voor kinderopvang kan de wijzigingen pas na ontvangst van een toezegging uitvoeren. Afdeling 2. - Erkenning
Art. 44.§ 1 - Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 41 beslist de Minister, binnen 30 dagen voor het verstrijken van de voorlopige erkenning, of op basis van het inspectieverslag vermeld in artikel 40 een erkenning wordt toegekend. In de erkenning wordt het volgende vastgelegd : het maximale aantal kinderen dat tegelijk mag worden opgevangen en in voorkomend geval de opvangcapaciteit. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, geldt de erkenning als geweigerd. § 2 - Indien de erkenning geweigerd wordt, kan de aanvrager beroep instellen bij de Regering.
De aanvrager zendt het met redenen omklede beroep, samen met alle relevante stukken, per aangetekende brief of per brief met ontvangstbevestiging aan de Regering en dit binnen 15 dagen na ontvangst van de weigering van de aanvraag, respectievelijk na het verstrijken van de termijn vermeld in § 1.
De Regering licht het departement en de inspectie over het beroep in.
Deze bezorgen de Regering binnen een door haar gestelde termijn het administratief dossier en delen haar elk een standpunt mee.
De Regering beslist binnen 90 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het beroep, of de erkenning wordt toegekend. De erkenning legt het maximale aantal kinderen dat tegelijk mag worden opgevangen vast.
Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, geldt de erkenning als geweigerd. Art. 45.De erkenning wordt voor onbepaalde duur verleend. Art. 46.Indien de dienst voor kinderopvang op het in artikel 44 vermelde tijdstip niet voldoet aan één of meer erkenningsvoorwaarden, kan de Minister zijn beslissing hoogstens zes maanden uitstellen om de dienst voor kinderopvang de mogelijkheid te geven aan alle erkenningsvoorwaarden te voldoen.
Met inachtneming van de termijnen bepaald in artikel 44 blijft de voorlopige erkenning geldig tot de Minister een beslissing heeft genomen. Art. 47.§ 1 - Tijdens de duur van de erkenning delen de diensten voor kinderopvang elke wijziging van de gegevens vermeld in artikel 37, § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3°, 5°, 8°, 12°, 13°, 14° en 16°, binnen 30 dagen schriftelijk mee aan het departement. § 2 - Tijdens de duur van de erkenning kan het departement de diensten voor kinderopvang te allen tijde om een actuele stand van de gegevens vermeld in § 1 verzoeken. Art. 48.Wijzigingen van de gegevens vermeld in artikel 37, § 1, tweede lid, 4°, 6°, 7°, 10°, 11° en 15°, alsook § 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°, moeten vooraf worden goedgekeurd. Daartoe dienen de diensten voor kinderopvang een individuele schriftelijke aanvraag bij het departement in. Binnen 60 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de volledige aanvraag, stelt het departement een advies op en zendt het over aan de Minister. Indien binnen die termijn geen advies wordt verstrekt, wordt dit beschouwd als een negatief advies.
Binnen 30 dagen na ontvangst van het advies van het departement, respectievelijk na het verstrijken van de in het tweede lid vermelde termijn, beslist de Minister of de wijziging wordt goedgekeurd. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, geldt de goedkeuring als geweigerd.
De dienst voor kinderopvang kan de wijzigingen pas na ontvangst van een toezegging uitvoeren.
Hoofdstuk 3. - Schorsing en intrekking van de erkenning Afdeling 1. - Schorsing van de erkenning
Art. 49.§ 1 - Het departement maakt de inspectie attent op alle gevallen waarin een dienst voor kinderopvang, volgens de informatie waarover het beschikt, zich vermoedelijk niet houdt aan één of meer verplichtingen vermeld in het decreet of in dit besluit. § 2 - Indien de inspectie, na een aanwijzing in de zin van § 1 of op grond van welke andere aanwijzingen of inlichtingen dan ook, tot de slotsom komt dat de dienst voor kinderopvang één of meer verplichtingen vermeld in het decreet of in dit besluit niet naleeft, maant ze de betrokken dienst voor kinderopvang aan om die verplichtingen binnen 30 dagen na te komen.
Op gemotiveerd verzoek kan de dienst voor kinderopvang, uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de in het eerste lid gestelde termijn, de inspectie vragen om de termijn eenmaal met hoogstens 30 dagen te verlengen. § 3 - In dringende gevallen kan de inspectie, op basis van een met bijzondere redenen omklede beslissing, een dadelijke aanpassing opleggen. Art. 50.§ 1 - Indien de dienst voor kinderopvang na de aanmaning vermeld in artikel 49 de verplichtingen nog altijd niet nakomt, wordt de voorlopige resp. definitieve erkenning, na een advies van de inspectie, door de Minister geschorst.
Voor de schorsing deelt de Minister de betrokken dienst voor kinderopvang per aangetekende brief zijn voornemen mee. De dienst kan binnen zeven dagen, te rekenen vanaf de derde dag na toezending van dat voornemen, bij de Minister een verzoek indienen om te worden gehoord. Betrokkene wordt gehoord binnen 30 dagen na toezending van de aangetekende brief.
Binnen 15 dagen nadat betrokkene is gehoord, respectievelijk na het verstrijken van de in het tweede lid vermelde termijn, beslist de Minister of de erkenning wordt geschorst en voor hoelang.
Die beslissing wordt zo snel mogelijk ter kennis gebracht van de betrokken dienst voor kinderopvang. § 2 - Tijdens de schorsing van de voorlopige resp. definitieve erkenning vangt de betrokken dienst voor kinderopvang geen nieuwe kinderen op.
Indien tijdens de duur van de schorsing minder kinderen worden opgevangen, kan de Minister de eventuele subsidiëring van de betrokken dienst voor kinderopvang voor de duur van de schorsing evenredig verminderen. Art. 51.§ 1 - Om redenen van volksgezondheid, om veiligheidsredenen en wegens kennelijke schending van de toepasselijke bepalingen kan de Minister, om een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor de opgevangen kinderen te voorkomen, beslissen om de voorlopige resp. definitieve erkenning wegens dringende noodzakelijkheid voor onbepaalde duur te schorsen. Indien de dienst voor kinderopvang, na de aanmaning vermeld in artikel 49, § 3, de verplichtingen nog altijd niet nakomt, handelt en beslist de Minister op grond van een advies van de inspectie en door middel van een met bijzondere redenen omklede beslissing.
De schorsing wegens dringende noodzakelijkheid heeft de onmiddellijke voorlopige sluiting van de dienst voor kinderopvang tot gevolg en dit voor onbepaalde duur.
Voor de schorsing deelt de Minister de betrokken dienst voor kinderopvang zijn voornemen zo snel mogelijk mee per fax, per e-mail of via een andere elektronische weg en op dezelfde dag per aangetekende brief. De dienst kan binnen drie dagen, te rekenen vanaf de derde dag na toezending van het voornemen, bij de Minister een verzoek indienen om te worden gehoord. Hij wordt gehoord binnen tien dagen na toezending van de aangetekende brief.
Binnen vijf dagen nadat betrokkene is gehoord, respectievelijk na het verstrijken van de in het derde lid vermelde termijn, neemt de Minister een beslissing over de schorsing wegens dringende noodzakelijkheid.
Die beslissing wordt zo snel mogelijk ter kennis gebracht van de betrokken dienst. Het departement licht de personen belast met de opvoeding van de opgevangen kinderen persoonlijk in over de onmiddellijke voorlopige sluiting van de dienst. § 2 - Indien de problemen die tot de schorsing wegens dringende noodzakelijkheid hebben geleid, verholpen zijn, maakt de Minister zo snel mogelijk een einde aan de schorsing van de voorlopige resp. definitieve erkenning en aan de voorlopige sluiting van de dienst voor kinderopvang. Het departement licht de personen belast met de opvoeding van de opgevangen kinderen persoonlijk in over de heropening van de dienst. Art. 52.Indien de erkenning wordt geschorst, kan de dienst voor kinderopvang beroep instellen bij de Regering. Het beroep is niet opschortend.
De dienst voor kinderopvang zendt het met redenen omklede beroep, samen met alle relevante stukken, per aangetekende brief of per brief met ontvangstbevestiging aan de Regering en dit binnen 15 dagen, te rekenen vanaf de derde dag na het verzenden van de beslissing waarbij de erkenning wordt geschorst.
De Regering licht het departement en de inspectie over het beroep in.
Deze bezorgen de Regering binnen een door haar gestelde termijn het administratief dossier en delen haar elk een standpunt mee.
De Regering beslist binnen 60 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het beroep, of het beroep ontvankelijk is. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, geldt de beslissing waartegen beroep werd ingesteld als bevestigd. Afdeling 2. - Intrekking van de erkenning
Art. 53.Indien de dienst voor kinderopvang na het verstrijken van de duur van de schorsing vermeld in artikel 50 de verplichtingen nog altijd niet nakomt, kan de Minister de voorlopige resp. definitieve erkenning, na een advies van de inspectie, intrekken.
Voor de intrekking deelt de Minister de betrokken dienst voor kinderopvang per aangetekende brief zijn voornemen mee. De dienst kan binnen zeven dagen, te rekenen vanaf de derde dag na toezending van dat voornemen, bij de Minister een verzoek indienen om te worden gehoord. Betrokkene wordt gehoord binnen 30 dagen na toezending van de aangetekende brief.
Binnen 30 dagen nadat betrokkene is gehoord, respectievelijk na het verstrijken van de in het tweede lid vermelde termijn, beslist de Minister of de erkenning wordt ingetrokken.
Die beslissing wordt zo snel mogelijk aan de betrokken dienst voor kinderopvang toegezonden en wordt, met vermelding van de inwerkingtreding, in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het departement licht de personen belast met de opvoeding van de opgevangen kinderen persoonlijk in over de intrekking van de voorlopige resp. definitieve erkenning. Art. 54.Indien de erkenning wordt ingetrokken, kan de dienst voor kinderopvang beroep instellen bij de Regering. Het beroep is niet opschortend.
De dienst voor kinderopvang zendt het met redenen omklede beroep, samen met alle relevante stukken, per aangetekende brief of per brief met ontvangstbevestiging aan de Regering en dit binnen 15 dagen, te rekenen vanaf de derde dag na het verzenden van de beslissing waarbij de erkenning wordt ingetrokken.
De Regering licht het departement en de inspectie over het beroep in.
Deze bezorgen de Regering binnen een door haar gestelde termijn het administratief dossier en delen haar elk een standpunt mee.
De Regering beslist binnen 60 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het beroep, of het beroep ontvankelijk is. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, geldt de beslissing waartegen beroep werd ingesteld als bevestigd.
Hoofdstuk 4. - Beëindiging van de kinderopvang Art. 55.Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 51 heeft de in artikel 53 bedoelde intrekking van de voorlopige resp. definitieve erkenning of de weigering van een definitieve erkenning tot gevolg dat de betrokken dienst binnen 30 dagen wordt gesloten.
Met de sluiting van de dienst worden de opvang van alle kinderen en de eventuele subsidiëring door de Duitstalige Gemeenschap beëindigd. Art. 56.§ 1 - De diensten voor kinderopvang delen elke vrijwillige tijdelijke of definitieve stopzetting van hun activiteit die niet aan een intrekking van de erkenning overeenkomstig artikel 53 te wijten is, schriftelijk mee aan het departement. Een uitzondering daarop vormen vakantieperioden en feestdagen.
De dienst voor kinderopvang deelt zijn voornemen minstens drie maanden voor de geplande tijdelijke stopzetting en zes maanden voor de geplande definitieve stopzetting schriftelijk mee aan de Minister. § 2 - De definitieve stopzetting van de activiteit van de dienst voor kinderopvang heeft van rechtswege de intrekking van de erkenning tot gevolg.
Met de definitieve stopzetting van de activiteit van de dienst worden de opvang van alle kinderen en de eventuele subsidiëring door de Duitstalige Gemeenschap beëindigd. Art. 57.Indien een dienst voor kinderopvang aan een andere organiserende instantie wordt overgedragen, blijft de erkenning gedurende zes maanden na de overdracht geldig op voorwaarde dat de nieuwe organiserende instantie een erkenning aanvraagt overeenkomstig de bepalingen van deze titel.
Indien het departement binnen de termijn gesteld in het eerste lid geen aanvraag heeft ontvangen, komt dit neer op een definitieve stopzetting van de activiteit overeenkomstig artikel 56, § 2.
Ondertitel 3. - Bijzondere bepalingen Hoofdstuk 1. - Diensten voor onthaalouders Afdeling 1. - Bijzondere erkenningsvoorwaarden
Art. 58.De dienst voor onthaalouders werkt een procedure uit om te bepalen hoe kandidaten die een toelating als aangesloten onthaalouder aanvragen, geschikt worden bevonden.
Bij deze procedure wordt rekening gehouden met de opvoedkundige competenties, de beschikbare tijd, de hygiënische omstandigheden, de ruimtelijke opvangmogelijkheden, de behoefte in de gemeente of in het dorp en de bereidheid om samen te werken met de dienst voor onthaalouders en de personen belast met de opvoeding. Art. 59.De dienst voor onthaalouders maakt een model op voor het opvangconcept van de aangesloten onthaalouders. Afdeling 2. - Bijzondere verplichtingen
Art. 60.§ 1 - De dienst voor onthaalouders zorgt ervoor dat de bepalingen van titel 3 worden nageleefd.
De dienst voor onthaalouders vertrouwt de opvang van kinderen uitsluitend toe aan aangesloten onthaalouders die overeenkomstig titel 3 toegelaten werden. Hij sluit hiervoor een schriftelijke overeenkomst met hen. § 2 - Onder de volgende voorwaarden kan de dienst voor onthaalouders buitenschoolse opvang organiseren : 1° de opvang van baby's en peuters heeft voorrang;2° het maximale aantal opvangdagen van de dienst voor onthaalouders en het maximale aantal kinderen dat tegelijk mag worden opgevangen per aangesloten onthaalmoeder worden niet overschreden;3° de aangesloten onthaalouder kan vrij beslissen of hij al dan niet buitenschoolse opvang aanbiedt. Art. 61.Door de aangesloten onthaalouders een opdracht te geven, verplicht de dienst voor onthaalouders zich ertoe : 1° de aangesloten onthaalouders bij hun taken te begeleiden en de contacten met de personen belast met de opvoeding aan te moedigen resp.te vergemakkelijken; 2° de voor de opvang van kinderen noodzakelijke basisuitrusting ter beschikking te stellen;3° voor de sociale zekerheid van de aangesloten onthaalouders te zorgen overeenkomstig het toepasselijke sociaal statuut;4° een aansprakelijkheidsverzekering en een arbeidsongevallenverzekering voor de aangesloten onthaalouders te sluiten;5° ervoor te zorgen dat de aangesloten onthaalouders het maximale aantal kinderen dat tegelijk mag worden opgevangen, vermeld in artikel 132, en het opvangkapitaal vermeld in artikel 133 niet overschrijden;6° voor de voortgezette opleiding van de aangesloten onthaalouders te zorgen.Bij het begin van elk kalenderjaar bezorgt de dienst voor onthaalouders de onderwerpen van de voortgezette opleidingen ter informatie aan het departement. Art. 62.§ 1 - De dienst voor onthaalouders beschikt minstens over het sociaal-psychologisch geschoold personeel bepaald in de volgende cumulatieve tabel :
Aantal opvangdagen
Aantal sociaal-psychologisch geschoolde personeelsleden
7.420 - 14.840
0,5
14.841 - 18.500
1
18.501 - 22.600
1,5
22.601 - 26.700
1,75
26.701 - 30.800
2
30.801 - 35.300
2,25
35.301 - 39.800
2,5
39.801 - 44.300
2,75
44.301 - 50.000
3
50.001 - 55.700
3,25
55.701 - 61.400
3,5
61.401 - 67.100
4
67.101 - 72.800
4,5
Voor de berekening van de personeelssleutel worden halve opvangdagen gelijkgesteld met hele dagen. Een 1/3-opvangdag wordt voor één derde berekend. § 2 - Elk personeelslid vermeld in § 1 werkt minstens halftijds. § 3 - Het sociaal-pedagogisch geschoold personeel beschikt minstens over een bewijs van een hogeschoolopleiding van korte duur op het gebied van sociaal werk, sanitaire en verpleegkundige wetenschappen, pedagogie, psychologie, opvoedingswetenschappen, vormingswetenschappen of over een met één van die opleidingen gelijkgesteld diploma.
De Minister kan houders van andere kwalificaties toelaten als zij een voor de beoogde functie buitengewoon nuttige beroepservaring of bijzondere opleiding kunnen bewijzen. De Minister beslist na een advies van het departement binnen 60 dagen na ontvangst van de volledige schriftelijke aanvraag. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, geldt de aanvraag als geweigerd. § 4 - In gemotiveerde uitzonderingsgevallen kan de Minister de dienst voor onthaalouders een termijn toekennen waarbinnen deze dienst aan de normen vervat in dit artikel moet voldoen. De Minister beslist na een advies van het departement binnen 60 dagen na ontvangst van de volledige schriftelijke aanvraag. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, geldt de aanvraag als geweigerd. § 5 - In afwijking van artikel 72, § 1, tweede lid, wordt voor de subsidiëring van de personen vermeld in § 3, tweede lid, de door de Regering voor de personeelssubsidiëring in de sectoren "Sociale Aangelegenheden" en "Gezondheid" bepaalde weddeschalen voor maatschappelijk assistent als hoogste subsidie in aanmerking genomen. Art. 63.De dienst voor onthaalouders beschikt over een secretariaat.
De voor het secretaraat bevoegde medewerker is minstens halftijds aangesteld. Hij beschikt minstens over een bewijs van hoger secundair onderwijs. Art. 64.De dienst voor onthaalouders zorgt minstens van maandag tot vrijdag gedurende tien uur per dag voor de opvang van baby's en peuters en dit gedurende 220 werkdagen per kalenderjaar. Art. 65.De coördinatie van de opvangaanvragen en de toewijzing van een plaats bij de aangesloten onthaalouders geschiedt via de dienst voor onthaalouders.
De opvang kan ook 's nachts of op zater-, zon- en feestdagen plaatsvinden. Art. 66.Indien mogelijk zorgt de dienst voor onthaalouders voor de continuïteit van de opvang van het kind bij tijdelijke onbeschikbaarheid van een aangesloten onthaalouder. Art. 67.Om aanspraak te kunnen maken op opvang, dienen de personen belast met de opvoeding een opvangaanvraag in bij de dienst voor onthaalouders.
Elke opvangaanvraag wordt opgenomen in een register van de dienst voor onthaalouders dat minstens de volgende gegevens bevat : de identiteit en de leeftijd van het kind, de datum van de opvangaanvraag, de opvangtijden, het aantal opvangdagen per maand, de aangevraagde begindatum voor de opvang en eventueel het vastgelegde einde van de opvang.
Ten laatste acht weken vóór de aangevraagde opvang deelt de dienst voor onthaalouders de persoon belast met de opvoeding mee of de opvang vanaf de aangevraagde datum al dan niet mogelijk is.
Indien geen opvang kan worden aangeboden, wordt dit in het register vermeld, met vermelding van de reden waarom. Art. 68.§ 1 - Zieke kinderen kunnen opgevangen worden voor zover er geen gevaar bestaat voor de andere opgevangen kinderen.
In twijfelgevallen kan de dienst voor onthaalouders een medisch attest verlangen.
Als een kind om gezondheidsredenen langer dan twee dagen afwezig is, kan de dienst voor onthaalouders, voordat hij het kind weer opvangt, een medisch attest verlangen dat bewijst dat het betrokken kind geen besmettingsgevaar inhoudt voor de andere opgevangen kinderen. § 2 - De dienst voor onthaalouders beveelt de personen belast met de opvoeding van de opgevangen kinderen aan om die overeenkomstig de richtlijnen van het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren te laten inenten. Art. 69.De dienst voor onthaalouders nodigt alle personen belast met de opvoeding minstens alle twee jaar samen uit om hun standpunten in het opvangconcept te kunnen inbouwen. Afdeling 3. - Subsidiëring
Art. 70.Onder voorbehoud van de toepassing van een beheerscontract als bedoeld in artikel 13 van het decreet kunnen erkende diensten voor onthaalouders, binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling subsidie krijgen. Art. 71.§ 1 - Om subsidie te kunnen krijgen, moet de dienst voor onthaalouders aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° hij telt minstens 7.420 opvangdagen voor baby's en peuters; 2° zijn minimale bezettingsgraad ligt tijdens de 212 vastgelegde openingsdagen gemiddeld bij 70 %. § 2 - De bezettingsgraad vermeld in § 1, 2°, wordt één keer per jaar berekend op basis van de werkelijke aanwezigheden, waarbij halve opvangdagen gelijkgesteld worden met volledige dagen. Een 1/3-opvangdag wordt voor één derde berekend. Voor de berekening van de bezettingsgraad wordt de volgende formule toegepast : Theoretische maximale opvangcapaciteit : 212 T x opvangcapaciteit = X; berekening van de bezettingsgraad : werkelijk aantal opvangdagen = Y = % van X. Voor aangesloten onthaalouders die slechts een deel van het jaar werkzaam zijn, wordt de bezettingsgraad naar rato van het aantal gewerkte dagen berekend. § 3 - Na de opening van een nieuwe dienst voor onthaalouders begint een driejarige startfase voor de berekening van de gemiddelde minimale bezettingsgraad.
In afwijking van § 1, 2°, kan de gemiddelde bezettingsgraad in het eerste kalenderjaar na de opening tussen 30 % en 50 % liggen. In het tweede kalenderjaar kan ze tussen 50 % en 70 % liggen.
In het derde kalenderjaar van die startfase moet een bezettingsgraad van 70 % gehaald worden. Indien die bezettingsgraad niet bereikt wordt, is de in artikel 72, § 4, vermelde aanpassing van de subsidiëring van de personeelskosten van toepassing. Indien het om een dienst voor onthaalouders met hoogstens 14.480 opvangdagen gaat, wordt de subsidiëring vanaf het volgende jaar stopgezet.
Voor zover een dienst voor onthaalouders na de driejarige startfase in een van de volgende kalenderjaren de in § 1 vermelde bezettingsgraad niet bereikt, is de in artikel 72, § 4, vermelde aanpassing van de subsidiëring van de personeelskosten van toepassing. Indien het om een dienst voor onthaalouders met hoogstens 14.480 opvangdagen gaat, kan die dienst het volgende jaar nog subsidie krijgen. Indien hij na dat kalenderjaar nog altijd niet aan de gemiddelde minimale bezettingsgraad voldoet, wordt de subsidiëring vanaf het volgende jaar stopgezet. Art. 72.§ 1 - Voor de subsidiëring van de personeelskosten worden de berekeningsbasissen toegepast die de Regering voor de sectoren "Sociale aangelegenheden" en "Gezondheid" heeft vastgelegd.
Alleen de kosten van personeelsleden die houder zijn van de in dit hoofdstuk toegestane diploma's worden in aanmerking genomen. § 2 - Voor de subsidiëring van de personeelskosten voor het sociaal-pedagogisch geschoold personeel van de dienst voor onthaalouders wordt de tabel bepaald in artikel 62, § 1, in aanmerking genomen. Indien in het kader van tewerkstellingsmaatregelen subsidies worden verkregen, worden die subsidies afgetrokken.
Voor het sociaal-pedagogisch geschoold personeel met een voltijdse betrekking wordt een forfaitair bedrag van 116,82 euro per maand toegekend voor de reiskosten. Bij een deeltijdse betrekking wordt het bedrag naar rato verminderd. § 3 - Voor de subsidiëring van de personeelskosten van de medewerker die in het secretariaat van de dienst voor onthaalouders aangesteld is, wordt de volgende cumulatieve tabel in aanmerking genomen :
Aantal opvangdagen
Aantal Medewerkers
35.301 - 50.000
0,5
50.001 - 64.700
0,75
64.701 - 79.400
1
79.401 - 94.100
1,25
Voor de berekening van de personeelssleutel worden halve opvangdagen gelijkgesteld met hele dagen. Een 1/3-opvangdag wordt voor één derde berekend.
Indien in het kader van tewerkstellingsmaatregelen subsidies worden verkregen, worden die subsidies afgetrokken. § 4 - Om de twee jaar wordt de subsidiëring van de personeelskosten aangepast op basis van het totale aantal opvangdagen van de twee voorafgaande kalenderjaren. In februari van het jaar van de aanpassing wordt de dienst voor onthaalouders ingelicht over de personeelsformatie die vanaf september van hetzelfde jaar gesubsidieerd kan worden. § 5 - Indien aan de dienst voor onthaalouders een termijn wordt toegekend waarbinnen die dienst aan de normen vervat in artikel 62 moet voldoen, blijft de subsidiëring overeenkomstig deze afdeling onaangetast. Art. 73.§ 1 - Voor de aanneembare opvangkosten ontvangt de dienst voor onthaalouders een subsidie die overeenstemt met het verschil tussen de dagelijkse vergoeding van de aangesloten onthaalouders bepaald in artikel 135, § 1, en de kostenbijdrage van de personen belast met de opvoeding, met inbegrip van de retributie vermeld in artikel 85, § 2. § 2 - De dienst voor onthaalouders kan een aanvullende subsidie van 50 % van de dagelijkse vergoeding verme …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.