← België

Kaderdecreet over de handhaving van Vlaamse regelgeving

Kort samengevat

Dit decreet regelt de handhaving van Vlaamse regelgeving door een kader te scheppen voor bestuurlijke vervolging, sanctionering en herstelmaatregelen bij overtredingen. Het introduceert ook regels voor de digitalisering van administratieve documenten en dossiers.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
14 JULI 2023. - Kaderdecreet over de handhaving van Vlaamse regelgeving (1) Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: KADERDECREET over de handhaving van Vlaamse regelgeving HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities Artikel 1.Dit decreet, aan te halen als Kaderdecreet Vlaamse Handhaving, regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid. Art. 2.In dit decreet wordt verstaan onder: 1° administratieve regularisatie: zich in regel stellen door te voldoen aan een administratieve verplichting;2° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);3° beboetingsinstantie: de personeelsleden of de entiteiten van de Vlaamse overheid die binnen hetzelfde beleidsdomein of voor dezelfde regelgeving door de Vlaamse Regering belast zijn met de bestuurlijke vervolging en sanctionering van bepaalde misdrijven of inbreuken;4° bestuurlijke beveiligingsbeslissing: het besluit van de toezichthouder of de herstelinstantie waarin wordt beslist over het opleggen van beveiligingsmaatregelen;5° bestuurlijke herstelbeslissing: het besluit van de herstelinstantie, waarin wordt beslist over het opleggen van publieke herstelmaatregelen;6° bestuurlijke sanctie: een sanctie, andere dan een tuchtsanctie, die gericht is op leedtoevoeging en die in eerste instantie opgelegd wordt door een bestuur;7° bestuurlijk sanctiedossier: het dossier dat door de beboetingsinstantie wordt samengesteld met het oog op de bestuurlijke vervolging van daartoe geïdentificeerde personen;8° bestuurlijk sepot: de voorlopige en herroepbare beslissing van de beboetingsinstantie om geen bestuurlijke vervolging in te stellen;9° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen: a) een elektronisch aangetekende zending;b) een aangetekende brief;c) een afgifte tegen ontvangstbewijs;d) een betekening door een gerechtsdeurwaarder;e) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;10° beveiligingsmaatregelen: de inperkende maatregelen of maatregelen die moeten voorkomen dat misdrijven, inbreuken of normschendingen worden gepleegd of voortgezet;11° elektronisch aangetekende zending: de verzending van gegevens via elektronische middelen.Die verzending verschaft bewijs ten aanzien van het hanteren van de verzonden gegevens, met inbegrip van bewijs van het verzenden en ontvangen van de gegevens. Ze beschermt verzonden gegevens tegen het risico van verlies, diefstal, beschadiging of onbevoegde wijzigingen; 12° gedraging: handelen of nalaten te handelen;13° Handhavingscollege: het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, a), van het decreet van 4 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 04/04/2014 pub. 01/10/2014 numac 2014035564 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges sluiten betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges;14° hersteldossier: het dossier dat door de herstelinstantie wordt samengesteld met het oog op de beoordeling of publieke herstelmaatregelen moeten worden opgelegd aan daartoe geïdentificeerde personen;15° herstelinstantie: de bestuurlijke instantie of personen die voor Vlaamse regelgeving zijn aangewezen om toe te zien op herstel en beveiliging conform dit decreet;16° herstelschikking: de overeenkomst tussen de herstelinstantie en overtreders of andere belanghebbenden die gericht is op het vrijwillig herstel van publieke schade en opgenomen is in een uitvoerbare authentieke akte;17° inbreuk: de gedragingen die op grond van de geschonden Vlaamse regelgeving uitsluitend met bestuurlijke sancties gesanctioneerd kunnen worden;18° inperkende maatregelen: de maatregelen die moeten voorkomen dat publieke verliezen optreden of nog verder toenemen;19° misdrijf: de gedragingen die op grond van Vlaamse regelgeving met straffen kunnen worden gesanctioneerd;20° normschending: de gedragingen die uitdrukkelijk door Vlaamse regelgeving als normschending zijn aangewezen.Die gedragingen zijn verboden, zonder dat ze een misdrijf of een inbreuk uitmaken; 21° onregelmatigheid: een toestand, gebeurtenis of gedraging die in strijd met Vlaamse regelgeving tot stand is gebracht;22° opsporing: de handelingen die ertoe strekken misdrijven of inbreuken, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen.Via die handelingen worden gegevens verzameld die dienstig zijn voor de strafrechtelijke of bestuurlijke vervolging en die beslissingen in het kader van herstel of beveiliging kunnen ondersteunen; 23° publieke herstelmaatregelen: de maatregelen die gericht zijn op het herstel van publieke schade;24° publieke schade: de onregelmatigheden die het misdrijf, de inbreuk of de normschending vormen of er het gevolg van zijn, en de publieke verliezen die met die onregelmatigheden gepaard gaan;25° publieke verliezen: een reële krenking van het algemeen belang dat beschermd wordt door de Vlaamse regelgeving die is geschonden;26° referentietoestand: de toestand zoals die bestond voordat de normschending, de inbreuk of het misdrijf is gepleegd;27° sanctiebeslissing: een beslissing waarin bestuurlijke sancties worden opgelegd;28° straf: een sanctie die gericht is op leedtoevoeging en die alleen door een rechtbank kan worden opgelegd;29° toezicht: een handeling die erop gericht is om de naleving van Vlaamse regelgeving te controleren;30° toezichthouder: een persoon die bevoegd is om toezicht en opsporing uit te oefenen;31° Vlaamse inspectiedienst: een entiteit van de Vlaamse overheid die binnen hetzelfde beleidsdomein of voor dezelfde regelgeving belast is met de handhaving van Vlaamse regelgeving; 32° Vlaamse overheid: de Vlaamse overheid, vermeld in artikel I.3, 1°, van het Bestuurs decreet van 7 december 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/12/2018 pub. 19/12/2018 numac 2018032457 bron vlaamse overheid Bestuursdecreet sluiten; 33° Vlaamse regelgeving: de normen die rechtstreeks op de rechtsonderhorige van toepassing zijn en die een aangelegenheid regelen waarvoor het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is;34° Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens: de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2008 pub. 29/10/2008 numac 2008036273 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer sluiten betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer. Art. 3.Dit decreet is volledig of gedeeltelijk van toepassing op Vlaamse regelgeving als dat bij decreet wordt bepaald en conform de voorwaarden die bepaald zijn in dat voormelde decreet. In afwijking van het eerste lid zijn artikel 25, 26 en 84 van toepassing op alle Vlaamse regelgeving. In afwijking van het eerste lid zijn artikel 4, 6 en 77 tot en met 83 van toepassing op Vlaamse regelgeving als de Vlaamse Regering dat bepaalt conform de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt. Dit decreet is niet van toepassing bij de uitoefening van het administratief toezicht, vermeld in artikel 7 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen. Art. 4.§ 1. Met behoud van de mogelijkheid om afschriften op analoge informatiedragers af te leveren, en behoudens technische onmogelijkheid, worden de volgende bestuursdocumenten, die worden opgesteld door de Vlaamse overheid, uitsluitend opgemaakt in elektronische vorm, en voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening als vermeld in artikel 3, punt 12, van de verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG: 1° de schriftelijke raadgevingen en de waarschuwingen, vermeld in artikel 10;2° de processen-verbaal, de verslagen van vaststelling, de controleverslagen, vermeld in artikel 9, § 2, van dit decreet, en de administratieve verslagen, vermeld in artikel 9, § 3, van dit decreet;3° de beslissingen en de kennisgevingen van de beboetingsinstanties, vermeld in artikel 38, § 2, eerste lid, artikel 39 tot en met 41, en artikel 44, 89 en 90 van dit decreet;4° de geïntegreerde beslissingen, vermeld in artikel 57 van dit decreet, als de beboetingsinstantie en de herstelinstantie die de voormelde beslissingen hebben genomen, tot de Vlaamse overheid behoren;5° de bestuursdocumenten, vermeld in artikel 82, eerste lid, 4°, van dit decreet, met uitzondering van herstelschikkingen die in een authentieke akte zijn opgenomen. De Vlaamse Regering kan bijkomende voorwaarden opleggen voor de bestuursdocumenten, vermeld in het eerste lid, en categorieën van bestuursdocumenten uitsluiten voor bepaalde Vlaamse regelgeving. Zij bepaalt welke bestuursdocumenten, opgesteld op basis van Vlaamse regelgeving waarop dit decreet niet van toepassing is, overeenkomen met de in het eerste lid vermelde categorieën. De in het eerste lid vermelde bestuursdocumenten worden bewaard in een digitaal klassement dat door de Vlaamse Regering ter beschikking wordt gesteld. Het digitaal klassement wordt beheerd door de entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving. Het digitaal klassement garandeert gedurende de volledige levenscyclus van de bestuursdocumenten dat: 1° er geen informatieverlies optreedt;2° de leesbaarheid op lange termijn gegarandeerd blijft;3° er geen wijzigingen doorgevoerd kunnen worden;4° de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens gegarandeerd blijft;5° elke actie die impact kan hebben op de integriteit en de authenticiteit van het bestuursdocument, wordt geregistreerd, met inbegrip van de gegevens die het mogelijk maken de identiteit van de dader of daders vast te stellen. § 2. De volgende bestuursdocumenten worden ook opgenomen in het digitaal klassement, vermeld in paragraaf 1, derde lid: 1° andere bestuursdocumenten dan de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1, die door de beboetingsinstantie of de herstelinstantie worden toegevoegd aan respectievelijk het bestuurlijk sanctiedossier of het hersteldossier;2° de beslissingen die genomen zijn naar aanleiding van een administratief of jurisdictioneel beroep tegen de beslissingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. § 3. Behoudens technische onmogelijkheid worden de toegankelijkheid en kennisgeving van de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1 en 2, voor bestuurlijke overheden en het openbaar ministerie, verzekerd op elektronische wijze, via een beveiligd portaal. In de mate waarin deze registers toegang verlenen tot de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden ook het bestuurlijk sanctieregister, vermeld in artikel 77, en het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, beschouwd als een beveiligd portaal als vermeld in het eerste lid. De overheidsinstantie die bevoegd is voor de kennisgeving of om de digitale toegang te verlenen, verifieert het recht om de bestuursdocumenten via het beveiligd portaal, vermeld in het eerste lid, te raadplegen. De voormelde verificatie gebeurt met een techniek of procedure die het gebruiksrecht van de persoon waarborgt op een aantoonbare wijze, die aan de omstandigheden is aangepast. De overheidsinstantie stelt die techniek of procedure en de daarbij geraadpleegde informatiebronnen vast. In het beveiligde portaal, vermeld in het eerste lid, en bij elke kennisgeving, ongeacht de wijze waarop dit gebeurt, wordt alleen een afgeleide van het originele bestuursdocument ter beschikking gesteld, dat dezelfde bewijskracht heeft als het origineel maar er op volgende punten van afwijkt: 1° het bevat geen rijksregisternummer van de persoon die het originele bestuursdocument, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft opgesteld en ondertekend;2° het wordt voorzien van een elektronische zegel van de entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld Justitie en Handhaving. In afwijking van het vierde lid, 1°, kan de Vlaamse Regering beslissen dat om veiligheidsredenen alle persoonsgegevens van de persoon die het heeft opgesteld en ondertekend worden verwijderd op de afgeleide van het origineel bestuursdocument, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voor de Vlaamse regelgeving en de bestuursdocumenten die zij aanduidt. Een origineel bestuursdocument dat in het digitaal archief, vermeld in paragraaf 1, derde lid, is opgenomen, wordt alleen vrijgegeven aan de rechter die, na te zijn gevat met een betwisting rond de authenticiteit of integriteit van het afgeleide document, beslist dat die vrijgave noodzakelijk is. Het als uitvoerbaar waarmerken van bestuurlijke sanctiebeslissingen, schriftelijke bestuurlijke herstel- en beveiligingsbeslissingen, dwangbevelen, bekrachtigde herstelschikkingen en de schriftelijke neerslag van mondelinge beveiligingsbeslissingen als vermeld in artikel 71, § 1, gebeurt op basis van het afgeleide document dat is voorzien van de elektronische zegel, vermeld in het vierde lid, 2°, tenzij het originele bestuursdocument nog niet is opgenomen in het digitale archief, vermeld in paragraaf 1, derde lid. § 4. De entiteit, belast met de handhaving van Vlaamse regelgeving, van de functiehouder die conform dit artikel een bestuursdocument heeft opgenomen in het digitaal klassement of aan wie het werd ter kennis gegeven, heeft toegang tot dit bestuursdocument en de daaraan gerelateerde persoonsgegevens en informatie. De entiteit van de auteur van een proces-verbaal of verslag van vaststelling kan steeds in kennis worden gesteld van navolgende beslissingen van beboetingsinstanties of herstelinstanties. § 5. De Vlaamse Regering kan de lokale overheden, vermeld in artikel I.3, 5°, van het Bestuurs decreet van 7 december 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/12/2018 pub. 19/12/2018 numac 2018032457 bron vlaamse overheid Bestuursdecreet sluiten, verplichten om de bestuursdocumenten, vermeld in paragraaf 1 en 2, op te nemen in het digitaal klassement, vermeld in paragraaf 1, derde lid, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt. Art. 5.§ 1. Het bestuurlijk opsporingsonderzoek is geheim zolang het niet is afgesloten door een beslissing als vermeld in artikel 38, § 2, eerste lid, 2° en 3°, of tot aan het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie als de voormelde beslissing niet wordt genomen. § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de beboetingsinstantie de personen die er het voorwerp van vormen, op hun met redenen omkleed verzoek inzage verlenen in de stukken van het bestuurlijk opsporingsonderzoek, of een afschrift ervan ter beschikking stellen. Uiterlijk zestig dagen na de dag waarop de beboetingsinstantie het voormelde verzoek heeft ontvangen, bezorgt ze haar beslissing met een beveiligde zending aan de verzoeker. Als de termijn, vermeld in het eerste lid, is overschreden of de inzage die wordt gevraagd volledig of gedeeltelijk wordt geweigerd, kan de verzoeker binnen vijftien dagen na de dag waarop de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken of na de dag waarop de verzoeker de weigering van de inzage heeft ontvangen, met een gemotiveerd verzoekschrift beroep instellen bij de politierechter. De griffie stuurt onmiddellijk een kopie van het verzoekschrift naar de beboetingsinstantie. De beboetingsinstantie kan een rapport richten aan de politierechter binnen dertig dagen na de dag waarop zij het verzoekschrift, vermeld in het tweede lid, heeft ontvangen. De politierechter kan beslissen om de verzoeker, de beboetingsinstantie of hun advocaten afzonderlijk te horen. De politierechter doet uitspraak zonder debat binnen zestig dagen na de dag waarop het verzoekschrift, vermeld in het tweede lid, is neergelegd. Tegen de beslissing van de politierechter is geen beroep mogelijk. § 3. Met toepassing van artikel 23, lid 1, d), e), h) en i), van de algemene verordening gegevensbescherming kan de op grond van dit decreet daartoe bevoegde overheid beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het negende lid. De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheid, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen. De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt. Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan. De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheid zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel. De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2008 pub. 29/10/2008 numac 2008036273 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer sluiten betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen. De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie. Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast. Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het openbaar ministerie of de beboetingsinstantie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het openbaar ministerie, een onderzoeksrechter of een beboetingsinstantie, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het openbaar ministerie, een onderzoeksrechter of een beboetingsinstantie, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene conform artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat respectievelijk het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter of de beboetingsinstantie heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen. Art. 6.§ 1. Onverminderd artikel 79, § 2, van dit decreet, worden de maximale bewaringstermijnen voor persoonsgegevens die op basis van dit decreet worden verwerkt, vastgelegd in beheersregels, conform artikel III.81, § 2, van het Bestuurs decreet van 7 december 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/12/2018 pub. 19/12/2018 numac 2018032457 bron vlaamse overheid Bestuursdecreet sluiten. Bij het bepalen van deze bewaartermijnen wordt rekening gehouden met: 1° het gegeven dat de feiten naar aanleiding waarvan de persoonsgegevens zijn verwerkt, nog straffen, bestuurlijke sancties, publieke herstelmaatregelen, beveiligingsmaatregelen of beslissingen van burgerlijke of administratieve aard kunnen gronden;2° het gegeven dat beslissingen, gegrond op de feiten naar aanleiding waarvan de persoonsgegevens zijn verwerkt, nog het voorwerp uitmaken of kunnen uitmaken van een administratief of jurisdictioneel beroep;3° de relevantie van de persoonsgegevens voor toekomstige handelingen in het kader van toezicht, opsporing, vervolging, sanctionering, beveiliging of herstel;4° de relevantie van de persoonsgegevens voor het determineren van de legaliteit van de toestand, veroorzaakt door de feiten die aanleiding gaven tot de verwerking van deze persoonsgegevens. § 2. In afwijking van paragraaf 1 geldt voor persoonsgegevens, opgenomen in de arrestendatabank, vermeld in artikel 84, een bewaartermijn van onbepaalde duur. Art. 7.Behoudens afwijkende bepalingen beginnen de door dit decreet bepaalde termijnen te lopen op de dag na de dag waarop het feit dat de aanvang vormt van de termijn is gebeurd. De door dit decreet bepaalde termijnen worden berekend in kalenderdagen. Behoudens afwijkende bepalingen gebeuren de kennisgevingen die door dit decreet worden opgelegd en het aanvangspunt vormen van een vervaltermijn, altijd met een beveiligde zending. De beveiligde zending met een aangetekende brief wordt geacht te zijn ontvangen op de derde werkdag na de afgifte bij de post, behalve als het tegendeel wordt bewezen. Als een schriftelijke mededeling moet worden gedaan binnen een bepaalde termijn, moet de verzending of afgifte binnen die termijn gebeuren. Bij verzendingen per brief geldt de datum van de poststempel als datum van de verzending. HOOFDSTUK 2. - Toezicht en opsporing Afdeling 1. - De toezichthouder Art. 8.§ 1. De toezichthouder is bevoegd voor het toezicht op Vlaamse regelgeving en voor de opsporing van misdrijven en inbreuken. De Vlaamse Regering wijst onder de toezichthouders diegenen aan die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, of officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des Konings, verkrijgen. Bij de opsporing van misdrijven handelt de toezichthouder in de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie, of in de hoedanigheden, vermeld in het tweede lid. § 2. De volgende personen kunnen worden aangesteld als toezichthouder conform de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt: 1° de personeelsleden van de Vlaamse administraties, vermeld in artikel I.3, 1°, d, van het Bestuurs decreet van 7 december 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/12/2018 pub. 19/12/2018 numac 2018032457 bron vlaamse overheid Bestuursdecreet sluiten die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst, met uitsluiting van de personeelsleden, vermeld in artikel I.3, 2°, f, van hetzelfde decreet; 2° de personeelsleden van de instanties, vermeld in artikel I.3, 1°, f), van het Bestuurs decreet van 7 december 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/12/2018 pub. 19/12/2018 numac 2018032457 bron vlaamse overheid Bestuursdecreet sluiten, die deze instanties daarvoor aanwijzen; 3° de gemeentelijke personeelsleden die het college van burgemeester en schepenen daarvoor aanwijst, zelfs al zijn ze personeelslid van een andere gemeente;4° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, die het intergemeentelijk samenwerkingsverband daarvoor aanwijst;5° de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt, die deze politiediensten daarvoor aanwijzen;6° de personeelsleden van een havenbedrijf, die het havenbedrijf daarvoor aanwijst;7° de bijzondere veldwachters, vermeld in artikel 61 van het Veldwetboek, die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst;8° de personeelsleden van de provincie, die de deputatie daarvoor aanwijst. De Vlaamse Regering kan de aanwijzingsbevoegdheid vermeld in het eerste lid, 1° en 7°, delegeren. § 3. De Vlaamse Regering kan opleidings- en ervaringsvereisten en andere voorwaarden bepalen waaraan categorieën van toezichthouders moeten voldoen. De Vlaamse Regering kan de toezicht- en opsporingsopdracht van categorieën van toezichthouders inhoudelijk, geografisch of temporeel beperken, of hen de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie ontzeggen. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering de aanstelling als toezichthouders subsidiëren, of ondersteuning geven voor de opleiding en permanente vorming van die toezichthouders. § 4. Het besluit waarin de toezichthouder wordt aangesteld, omschrijft de toezicht- en opsporingsopdracht van de toezichthouder. Binnen de perken van zijn toezicht- en opsporingsopdracht beschikt de toezichthouder over de bevoegdheden, vermeld in dit hoofdstuk, onverminderd de mogelijkheid voor de Vlaamse Regering om het gebruik van de voormelde bevoegdheden voor categorieën van toezichthouders uit te sluiten of aan bijkomende voorwaarden te verbinden. Een toezichthouder gebruikt zijn bevoegdheden alleen als dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van zijn taak. Het toezicht wordt onafhankelijk en neutraal uitgeoefend, en de toezichthouder waakt erover dat de inzet van zijn bevoegdheden geen onevenredige schade veroorzaakt bij de overtreder of derden. Toezichthouders kunnen de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, alleen gebruiken als ze beëdigd zijn. De toezichthouder legt de eed af conform de wettelijke of decretale bepalingen die op hem van toepassing zijn, of, bij ontstentenis daarvan, in handen van zijn lijnmanager of diens gemachtigde conform artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/1831 pub. 07/02/2013 numac 2013000079 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet op de drukpers type decreet prom. 20/07/1831 pub. 26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Onverminderd artikel 9, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming, voldoet het gebruik van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, aan al de volgende voorwaarden: 1° het schendt de intimiteit van een persoon niet;2° het is niet gericht op het inwinnen van informatie over de filosofische, religieuze, politieke, syndicale gezindheid, etnische of sociale origine, het seksuele leven of de gezondheidstoestand;3° het is niet gericht op de verwerking van genetische gegevens of de verwerking van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon. § 5. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, dragen toezichthouders bij de uitoefening van hun taak een legitimatiebewijs bij zich, dat de overheid of de entiteit waar ze werken uitgeeft. Toezichthouders tonen onmiddellijk hun legitimatiebewijs als ze daarom verzocht worden. Art. 9.§ 1. Als toezichthouders naar aanleiding van de vaststelling van een onregelmatigheid redelijkerwijze kunnen vermoeden dat een misdrijf, inbreuk of normschending in de zin van de Vlaamse regelgeving waarop hij toezicht houdt, is gepleegd, kunnen ze, als dat nodig is, na het bewijs ervan te hebben verzekerd als vermeld in artikel 17 van dit decreet, een van de volgende handelingen stellen: 1° het opsporingsonderzoek van de vermoede misdrijven of inbreuken beginnen als ze daarvoor bevoegd zijn;2° het toezicht van de vermoede misdrijven, inbreuken of normschendingen voortzetten om maatregelen op te leggen, te doen opleggen of op te volgen of om andere beslissingen van burgerlijke of administratieve aard te nemen op grond van Vlaamse regelgeving.Die maatregelen of beslissingen zijn geen straf als vermeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. De opstart van een opsporingsonderzoek verhindert niet dat de toezichthouder toezicht kan blijven uitoefenen, voor de doeleinden vermeld in punt 2° van het eerste lid. § 2. Vaststellingen en inlichtingen met betrekking tot misdrijven kunnen worden opgenomen in een proces-verbaal, dat aan het openbaar ministerie wordt gericht. Een afschrift van het voormelde proces-verbaal wordt steeds aan de beboetingsinstantie verstuurd. Vaststellingen en inlichtingen met betrekking tot inbreuken of normschendingen kunnen worden opgenomen in een verslag van vaststelling, dat aan de beboetingsinstantie wordt gericht. Vaststellingen en inlichtingen met betrekking tot zowel misdrijven als inbreuken of normschendingen, kunnen worden opgenomen in een proces-verbaal, dat ook als verslag van vaststelling geldt. Vaststellingen en inlichtingen, bekomen door de inzet van toezichtrechten, die niet geleid hebben tot de vaststelling van een misdrijf, inbreuk of normschending, kunnen worden opgenomen in een controleverslag. § 3. Toezichthouders zonder hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie die tijdens hun toezicht- en opsporingsopdracht misdrijven vaststellen, kunnen daarvan een administratief verslag opstellen. Dat verslag wordt met in achtneming van de richtlijnen van het openbaar ministerie aan een bevoegde toezichthouder gericht. De voormelde toezichthouders kunnen het voormelde verslag in een proces-verbaal opnemen, in voorkomend geval samen met hun eigen vaststellingen. Het eerste lid is ook van toepassing op misdrijven, inbreuken of normschendingen die toezichthouders tijdens hun toezicht- en opsporingsopdracht vaststellen, maar die buiten die opdracht vallen. De administratieve verslagen over inbreuken en normschendingen worden gericht aan de bevoegde toezichthouder, die ze kan opnemen in een verslag van vaststelling, in voorkomend geval samen met zijn eigen vaststellingen. § 4. Het proces-verbaal of verslag van vaststelling geldt tot het bewijs van het tegendeel voor de feitelijke vaststellingen die erin zijn opgenomen. Een afschrift ervan kan altijd worden bezorgd aan de persoon of de personen ten laste van wie het is opgesteld. § 5. Als door het misdrijf, de inbreuk of de normschending mogelijk maatregelen of andere beslissingen van burgerlijke of administratieve aard nodig zijn, stuurt de toezichthouder een afschrift van het proces-verbaal of het verslag van vaststelling naar de overheid die daarover oordeelt. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen. § 6. De politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, bezorgen de bevoegde beboetingsinstantie een afschrift van hun processen-verbaal waarin vaststellingen of inlichtingen met betrekking tot misdrijven zijn opgenomen. Onverminderd de mogelijkheden van de in het eerste lid bedoelde politiediensten om rechtstreeks een afschrift van het proces-verbaal te richten aan de in paragraaf vijf bedoelde overheden, kunnen de bevoegde beboetingsinstanties deze overheden in kennis stellen van het ontvangen afschrift. Art. 10.§ 1. Toezichthouders kunnen alle raadgevingen geven die ze nuttig achten om dreigende normschendingen, inbreuken of misdrijven te voorkomen. § 2. In overeenstemming met de algemene beleidslijnen, vermeld in hoofdstuk 8, kunnen toezichthouders een waarschuwing richten tot de overtreder, met het verzoek zich binnen een bepaalde termijn in regel te stellen, de schadelijke gevolgen van het misdrijf, de inbreuk of de normschending te herstellen, en het bewijs daarvan te verschaffen. In dat geval wordt alleen een proces-verbaal of verslag van vaststelling opgesteld of aangifte gedaan als de termijn tot regularisatie of de bewijsvoering over de regularisatie wordt genegeerd. Als dat nodig is, kan de termijn, vermeld in het eerste lid, worden opgedeeld in fases. Als verschillende misdrijven, inbreuken of normschendingen worden vastgesteld, kunnen verschillende termijnen voor elk misdrijf, elke inbreuk of elke normschending worden opgelegd als dat nodig is. De Vlaamse Regering kan bepalen dat een afschrift van de waarschuwing, vermeld in het eerste lid, wordt bezorgd aan de overheden die ze aanwijst. Afdeling 2. - Bevoegdheden van de toezichthouder in het kader van toezicht Art. 11.Binnen de termijn die toezichthouders bepalen, verleent iedereen aan toezichthouders alle medewerking die redelijkerwijze kan worden gevraagd bij de uitoefening van hun toezichtrechten. Toezichthouders hebben het recht om inlichtingen te vorderen van iedere persoon of instantie die betrokken is bij of kennis heeft of kan hebben van de feiten die worden gecontroleerd. Toezichtrechten kunnen in het kader van toezicht nooit worden afgedwongen met geweld of enige andere dwang op de persoon. Bij de uitoefening van hun opdrachten kunnen toezichthouders de bijstand vorderen van al de volgende actoren: 1° de lokale en federale politie;2° deskundigen;3° andere personen die daarvoor door de toezichthouder zijn aangewezen. Art. 12.§ 1. Toezichthouders kunnen met betrekking tot vervoermiddelen: 1° de technische karakteristieken onderzoeken;2° de lading onderzoeken, en ze zo nodig doen lossen met het oog op dat onderzoek;3° de wettelijk voorgeschreven vervoersdocumenten laten voorleggen, inzien en kopiëren;4° de bestuurders en begeleiders bevelen het vervoermiddel tot stilstand te brengen, stil te houden of over te brengen naar een door hem aangewezen plaats. § 2. Toezichthouders kunnen de identificatiegegevens van de kentekenhouder van een voertuig vragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van dat voertuig. Als de kentekenhouder een rechtspersoon is, is hij verplicht de gebruikelijke bestuurder van het voertuig aan te wijzen. De houder van de kentekenplaat of de gebruikelijke bestuurder die het tegenbewijs, vermeld in artikel 27, § 4, levert, is verplicht de persoon aan te wijzen die bestuurder was op het ogenblik van de vastgestelde feiten, tenzij de houder van de kentekenplaat of de gebruikelijke bestuurder aannemelijk kan maken dat hij de identiteit van de echte bestuurder niet kent. Art. 13.Toezichthouders hebben het recht: 1° de identiteit op te nemen en de te identificeren personen daarvoor staande te houden;2° de voorlegging van officiële identiteitsdocumenten te vorderen;3° als de identiteit niet kan worden vastgesteld conform punt 1° of 2°, de identiteit te achterhalen met de hulp van niet-officiële documenten die hen vrijwillig worden voorgelegd als de te identificeren personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of als aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van die personen wordt getwijfeld.Ze kunnen ook met toepassing van artikel 16 de identiteit van die personen trachten te achterhalen via beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan. De identiteitsdocumenten, vermeld in het eerste lid, 2°, worden onmiddellijk na de verificatie van de identiteit teruggegeven aan de betrokkene. Art. 14.§ 1. Toezichthouders hebben het recht om zonder voorafgaande waarschuwing de onmiddellijke voorlegging te vorderen van alle informatie, documenten en informatiedragers in geschreven, digitale of analoge vorm, met betrekking tot gereglementeerde, gesubsidieerde of van overheidswege gefinancierde activiteiten of verplichtingen. De voorlegging, vermeld in het eerste lid, gebeurt in een verstaanbare, leesbare en kopieerbare vorm. De voorlegging, vermeld in het eerste lid, kan op al de volgende locaties gebeuren: 1° op het kantoor van de toezichthouder;2° op de plaats die de toezichthouder aanwijst;3° ter plaatse. De voorlegging, vermeld in het eerste lid, gebeurt ter plaatse als vermeld in het derde lid, 3°, als de bij het toezicht betrokken persoon redelijkerwijze aanvaardbaar maakt dat een voorlegging op het kantoor of op de aangewezen plaats als vermeld in het derde lid, 1° en 2°, niet mogelijk is. § 2. Toezichthouders hebben het recht om inzage te nemen in de informatie, gegevens, documenten en informatiedragers, vermeld in paragraaf 1. § 3. Toezichthouders kunnen zich kosteloos een kopie laten bezorgen in de vorm die ze vragen of er zelf een kopie van maken. Als kopiëren ter plaatse niet mogelijk is, mogen toezichthouders tegen een schriftelijk bewijs dat ze afgeven, de informatiedrager en documenten bij zich houden of meenemen tijdens een periode die vereist is om ze te kopiëren of te onderzoeken. De voormelde periode mag niet langer duren dan veertien dagen, tenzij de toezichthouder voordat die periode is verstreken aan de betrokkenen de bijzondere redenen meedeelt die een langere duur verantwoorden. Art. 15.§ 1. Toezichthouders hebben het recht om: 1° de aard en de omvang van de goederen of van de verrichte activiteiten, met inbegrip van de productie-, verpakkings- en verzendingssystemen en methoden te controleren en te verifiëren;2° monsters te nemen of te laten nemen en metingen, proeven en analyses uit te voeren of te laten uitvoeren;3° de stand van uitvoering van de gefinancierde werkzaamheden en investeringen, en het gebruik en de bestemming van de uitgevoerde investeringen te controleren en te verifiëren;4° de financiële en technische uitvoering van gesubsidieerde projecten te controleren en te verifiëren;5° dieren te identificeren en hun fysieke toestand te onderzoeken, en ook de omstandigheden waarin ze worden gehouden, gekweekt, verzorgd, gehuisvest, verhandeld, in- en uitgevoerd, vervoerd, gedood of aan proeven onderworpen. Als de controles, verificaties of monsternemingen niet ter plaatse kunnen worden uitgevoerd, mogen toezichthouders de zaken en dieren, vermeld in het eerste lid, tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs meenemen tijdens de periode die vereist is om het onderzoek uit te voeren. Toezichthouders mogen de technische middelen en het personeel om de controle, bemonstering of verificatie uit te voeren kosteloos opvorderen van de houder van de te onderzoeken zaken en dieren. Toezichthouders hebben het recht gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het onderzoek het vervoer, het gebruik, de verhandeling en de verwerking van zaken en dieren te verbieden zonder dat daarvoor kosten kunnen worden aangerekend. De onderzoeksmaatregelen, vermeld in het tweede tot en met vierde lid, mogen niet langer duren dan drie weken, tenzij de toezichthouder de betrokkenen voor het verstrijken van die termijn de bijzondere redenen meedeelt die een langere duur verantwoorden. § 2. Toezichthouders zijn bevoegd om verpakkingen te openen bij de uitoefening van de rechten, vermeld in paragraaf 1. § 3. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de monsternemingen, metingen, proeven, analyses en verificaties, vermeld in paragraaf 1, met inbegrip van het recht van de gecontroleerde om de afname van een tegenstaal te eisen. De Vlaamse Regering kan regels bepalen voor de erkenning van laboratoria en deskundigen. Art. 16.Toezichthouders kunnen vaststellingen doen met audiovisuele middelen. De audiovisuele opname mag niet worden vervormd of gemanipuleerd. De identificatie van het gebruikte audiovisuele middel, de start en het einde van een opname worden vermeld in het verslag van vaststelling of het proces-verbaal waarbij de opname gevoegd wordt. Tenzij het toezicht daardoor in het gedrang zou komen, wordt iedereen die aanwezig is bij een onderzoek, op de hoogte gebracht van de inzet van audiovisuele middelen. Die kennisgeving gebeurt voorafgaand aan of op het ogenblik van het gebruik van de audiovisuele middelen. Naast de doeleinden waarvoor zij verzameld zijn, mogen de audiovisuele vaststellingen gebruikt worden voor strafrechtelijke of bestuurlijke vervolging en het opleggen van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen. De toepassing van dit artikel mag nooit leiden tot de observatie of het direct afluisteren, vermeld in artikel 47sexies en 90ter van het Wetboek van Strafvordering. Art. 17.§ 1. Toezichthouders hebben het recht om dieren, voorwerpen, dragers van informatie en documenten in welke vorm ook in bewaring te nemen of op een andere wijze in zekerheid te brengen als ze voor het bewijs van een misdrijf of inbreuk van belang kunnen zijn of het voorwerp kunnen uitmaken van een strafrechtelijk beslag of van een bestuurlijk beslag als vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 3. Toezichthouders kunnen daarvoor tot verzegeling overgaan. De houder van de voorwerpen, dragers of documenten legt die op het eerste verzoek van de toezichthouder voor en overhandigt ze aan de toezichthouder. § 2. Toezichthouders maken zo spoedig mogelijk en als dat mogelijk is ter plaatse, een akte van bewaring op met vermelding van de dieren, voorwerpen, dragers en documenten die in bewaring worden genomen of op een andere wijze in zekerheid worden gebracht. Toezichthouders bezorgen de houder onmiddellijk een afschrift van de akte en delen de houder mee waar de dieren, voorwerpen, dragers en documenten worden bewaard of in zekerheid gebracht. De akte vermeldt of de houder kennis heeft genomen van de akte en of de houder al dan niet akkoord gaat met de bewaring of verzekering. § 3. De dieren, voorwerpen, dragers en documenten worden teruggegeven aan de rechthebbende of de houder als de maatregel van bewaring niet binnen twee weken is omgezet naar een strafrechtelijk of bestuurlijk beslag. Art. 18.§ 1. Behalve in de gevallen, vermeld in paragraaf 2, hebben toezichthouders het recht om bij dag en bij nacht, zonder voorafgaande aankondiging, elke plaats, met inbegrip van vervoermiddelen, vrij te betreden. Bij het betreden van bedrijfsruimten nemen de toezichthouders de interne en externe veiligheidsprocedures in acht. § 2. Toezichthouders hebben toegang tot de bewoonde ruimtes in een van de volgende gevallen: 1° de persoon die het werkelijk genot heeft van de ruimte, heeft er voorafgaandelijk en schriftelijk toestemming voor gegeven;2° de politierechter heeft daarvoor vooraf een machtiging tot betreding verleend.Betreding is alleen mogelijk tussen 5 uur en 21 uur, tenzij de rechter op gemotiveerd verzoek de betreding ook buiten die uren heeft toegestaan, met opgave van de toezichtrechten die daarbij mogen worden ingezet en de bijzondere redenen waarom dat alleen doelmatig kan buiten die uren. De bedrijfsruimten worden gelijkgesteld met bewoonde ruimtes als vermeld in het eerste lid, als de daar ontwikkelde activiteiten een privékarakter vertonen. De politierechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging, vermeld in het eerste lid, 2°, die niet langer mag zijn dan één maand. De toezichthouder toont onmiddellijk de machtiging die voor de betreding verleend is. § 3. De toezichthouder heeft altijd toegang tot bewoonde ruimtes als dat noodzakelijk is om dringende redenen bij nakend onheil of bij ramp. § 4. Naar aanleiding van een betreding op grond van paragraaf 2 en 3 wordt een volledige lijst van alle tijdens de betreding uitgeoefende toezichtrechten opgenomen in het proces-verbaal of verslag van vaststelling dat naar aanleiding daarvan wordt opgesteld, of in een betredingsrapport als er geen proces-verbaal of verslag is opgemaakt. Art. 19.Het nemen van toegang tot een informaticasysteem in het kader van de uitoefening van toezichtrechten is, bij gebreke aan de voorafgaande toestemming van de verantwoordelijke voor het informaticasysteem, onderworpen aan de machtiging van de politierechter, bedoeld in artikel 18, § 2. Voordat het onderzoek wordt aangevat, wordt elke externe verbinding van dat informaticasysteem verhinderd. Als in de betrokken informaticasystemen opgeslagen gegevens aangetroffen worden die in aanmerking komen om in bewaring te nemen met toepassing van artikel 17, maar de bewaarneming van de drager daarvan niet wenselijk is, worden die gegevens en de gegevens die noodzakelijk zijn om die te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers die toebehoren aan de overheid. In geval van dringendheid of om technische redenen, kunnen dragers gebruikt worden die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken. Als de gegevens, vermeld in het tweede lid, het voorwerp van de inbreuk of het misdrijf vormen of voortgekomen zijn uit de inbreuk of het misdrijf of als ze een gevaar opleveren voor de integriteit van informaticasystemen of gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, worden alle passende technische middelen aangewend om die gegevens ontoegankelijk te maken of, nadat daarvan een kopie is genomen, te verwijderen. In andere gevallen kan het verdere gebruik van alle of een deel van die gegevens worden toegestaan als dat geen gevaar voor de vervolging oplevert. Tenzij de identiteit of woonplaats van de verantwoordelijke van het informaticasysteem redelijkerwijze niet achterhaald kan worden, wordt die verantwoordelijke zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht van het onderzoek van het informaticasysteem. De verantwoordelijke ontvangt in voorkomend geval een samenvatting van de gegevens die zijn gekopieerd, ontoegankelijk gemaakt of verwijderd conform het derde lid. De passende technische middelen worden aangewend om de integriteit en de vertrouwelijkheid van de gegevens, vermeld in het tweede lid, te waarborgen en om ze te bewaren. De voormelde verplichting geldt ook als gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen in een informaticasysteem, samen met hun drager in bewaring worden genomen. Afdeling 3. - Bevoegdheden van de toezichthouder in het kader van opsporing Art. 20.§ 1. Naast de bevoegdheden die de toezichthouders rechtstreeks ontlenen aan de hoedanigheden, vermeld in artikel 8, § 1, derde lid, beschikken de toezichthouders voor het opsporingsonderzoek over de toezichtrechten, vermeld in afdeling 2, en de bevoegdheden, vermeld in deze afdeling. § 2. Verdachten zijn in het kader van een opsporingsonderzoek nooit verplicht om belastende verklaringen over hun deelname aan het misdrijf of de inbreuk af te leggen. Verdachten zijn in het kader van een opsporingsonderzoek alleen verplicht om documenten, informatiedragers en ander materiaal te verschaffen die een bestaan kennen onafhankelijk van hun wil en waar specifiek om wordt verzocht. De toezichthouder brengt de verdachte van de in deze paragraaf vermelde rechten op de hoogte telkens hij hem in het kader van een opsporingsonderzoek om inlichtingen vraagt of hem verzoekt documenten, informatiedragers en ander materiaal te verschaffen. Art. 21.Toezichthouders kunnen verdachten en getuigen van misdrijven en inbreuken verhoren. Onverminderd het tweede lid, wordt het verhoor afgenomen volgens de regels die gelden in strafzaken. Het verhoor, vermeld in het eerste lid, kan worden afgenomen door middel van een videoconferentie in plaats van door verschijning in de persoon, wanneer voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° zowel de toezichthouder die het verhoor afneemt, de persoon die wordt verhoord als de advocaat die hem desgevallend tijdens het verhoor bijstaat bevestigen hun akkoord met het verhoor via een videoconferentie en de opname ervan;2° de videoconferentie en de opname ervan gebeurt via een platform dat voorziet in de vereiste technische en organisatorische beveiliging;3° de toezichthouder stelt van het verhoor een proces-verbaal op waarin hij de belangrijkste elementen van het onderhoud vermeldt;4° de opname wordt bewaard in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4 van dit decreet, en is in het digitaal klassement raadpleegbaar onder dezelfde voorwaarden als het proces-verbaal, vermeld in punt 3°, waarvan het geacht wordt deel van uit te maken. Art. 22.§ 1. Op uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek van de toezichthouder die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst, kan de politierechter een visitatie toestaan, die het mogelijk maakt om zich met behulp van de politiediensten en zo nodig met braak toegang te verschaffen tot de plaatsen, vermeld in artikel 18 van dit decreet, en bewijzen in zekerheid te stellen als vermeld in artikel 17 van dit decreet. Artikel 44 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992 is van toepassing. De politierechter motiveert de machtiging, vermeld in het eerste lid, en vermeldt minstens al de volgende elementen: 1° de te bezoeken plaats;2° het onderzoek waarin de visitatie kadert;3° de toezichthouders die de machtiging kunnen gebruiken;4° de geldigheidsduur van de machtiging, die niet langer mag zijn dan één maand. De politierechter verleent alleen een machtiging als vermeld in het eerste lid, als al de volgende voorwaarden zijn vervuld: 1° er zijn voldoende aanwijzingen dat op de te doorzoeken plaats bewijselementen kunnen worden aangetroffen van een misdrijf of een inbreuk die binnen de opsporingsbevoegdheid valt van de toezichthouder die om de machtiging verzoekt;2° de visitatie is noodzakelijk om het bewijs te leveren van het misdrijf of de inbreuk;3° de visitatie is proportioneel in het licht van de ernst van het misdrijf of de inbreuk;4° de maximale bestuurlijke geldboete waarmee de inbreuk of het misdrijf kan worden gesanctioneerd, is hoger dan 5000 euro. § 2. De toezichthouder toont onmiddellijk de machtiging die voor de visitatie verleend is. De visitatie mag alleen plaatsvinden tussen 5 en 21 uur, tenzij de rechter op gemotiveerd verzoek van de toezichthouder, vermeld in paragraaf 1, de visitatie ook buiten die uren heeft toegestaan. Het doorzoeken van de plaats, met inbegrip van de daar aanwezige informaticasystemen, is alleen toegelaten als de machtiging daarin uitdrukkelijk voorziet, met specifieke aanduiding van de bewijselementen waarnaar gezocht mag worden. Op het doorzoeken van informaticasystemen zijn de in artikel 19 gestelde voorwaarden van toepassing. Naar aanleiding van de visitatie wordt een volledige lijst van alle opsporingshandelingen die tijdens de visitatie zijn gesteld, in het proces-verbaal of verslag van vaststelling opgenomen dat naar aanleiding daarvan wordt opgesteld. § 3. Als de visitatie betrekking heeft op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden van een advocaat of een geneesheer, op de woonplaats van of op informaticasystemen gebruikt door een advocaat of een geneesheer, kan zij enkel worden uitgeoefend in de aanwezigheid van: 1° de stafhouder of zijn afgevaardigde wanneer het onderzoek betrekking heeft op een advocaat;2° een vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren wanneer het onderzoek betrekking heeft op een geneesheer. Als de stafhouder of zijn afgevaardigde of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren van oordeel is dat tijdens de visitatie verzamelde gegevens onder het beroepsgeheim vallen, worden deze gegevens eerst voorgelegd aan de politierechter. De politierechter oordeelt, na de advocaat of geneesheer te hebben gehoord, of de gegevens verzameld werden binnen de voorwaarden van de machtiging en of zij noodzakelijk zijn om het bewijs te leveren van een misdrijf of een inbreuk. In bevestigend geval worden de gegevens opgenomen in of gevoegd bij het proces-verbaal of het verslag van vaststelling dat naar aanleiding van de visitatie wordt opgesteld. In het andere geval worden ze terugbezorgd aan de advocaat of de geneesheer. Art. 23.Als de toezichthouders, vermeld in artikel 22, een persoon op heterdaad betrappen bij het plegen van misdrijven of inbreuken die tot hun opsporingsopdracht behoren en die gesanctioneerd kunnen worden met een maximale bestuurlijke geldboete die hoger is dan 5000 euro, kunnen ze onmiddellijk overgaan tot de betreding, vermeld in artikel 18, zonder dat daarvoor toestemming of machtiging is vereist en zonder beperking voor het uur van de betreding. De toezichthouders, vermeld in artikel 22, geven de persoon, vermeld in artikel 18, § 2, eerste lid, 1°, de verwittiging, vermeld in artikel 20, § 2, derde lid, zodra ze die persoon ontmoeten, en staken de betreding onmiddellijk nadat die persoon hen daarom verzocht heeft. Art. 24.De uitbreiding van de toegang, vermeld in artikel 19, naar een informaticasysteem of een deel ervan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar het onderzoek plaatsvindt, is alleen mogelijk met het visitatiebevel, vermeld in artikel 22, waarin de uitbreiding uitdrukkelijk wordt toegestaan als noodzakelijk en proportioneel. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de politierechter de uitbreiding van het onderzoek mondeling bevelen. Dat bevel wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd, met vermelding van de redenen van de uiterst dringende noodzakelijkheid. De uitbreiding van het onderzoek in een informaticasysteem, vermeld in het eerste lid, mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informaticasystemen of de delen ervan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben. Om de uitbreiding van het onderzoek in een informaticasysteem, vermeld in het eerste lid, mogelijk te maken, kan, op elk moment, ook zonder de toestemming van hetzij de eigenaar of zijn rechthebbende, hetzij de gebruiker: 1° elke beveiliging van de betrokken informaticasystemen tijdelijk worden opgeheven, eventueel met behulp van technische hulpmiddelen, valse signalen, valse sleutels of valse hoedanigheden;2° technische middelen in de betrokken informaticasystemen worden aangebracht om de gegevens te ontcijferen en te decoderen die door dat systeem zijn opgeslagen, verwerkt of doorgestuurd. Afdeling 4. - Bijstand aan OLAF Art. 25.In deze afdeling wordt verstaan onder: 1° OLAF: het Europees Bureau voor Fraudebestrijding, opgericht bij besluit van de Commissie 1999/352/EG, EGKS, EURATOM van 28 april 1999 houdende oprichting van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF);2° verordening 2185/96: verordening (Euratom, EG) nr.2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiele belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden. Als ze daarom verzocht worden, kunnen de toezichthouders van Vlaamse inspectiediensten de bevoegdheden gebruiken die aan hen zijn toegekend in dit decreet, om bijstand te verlenen aan OLAF als vermeld in verordening 2185/96. Art. 26.De personeelsleden van Vlaamse inspectiediensten die belast zijn met taken van toezicht of opsporing op grond van Vlaamse regelgeving waarop dit decreet niet van toepassing is, kunnen een beroep doen op de bevoegdheden, vermeld in dit hoofdstuk, om bijstand te verlenen aan OLAF als vermeld in verordening 2185/96. De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, kunnen de bevoegdheden die aan hen op grond van andere Vlaamse regelgeving zijn toegekend om taken van toezicht en opsporing uit te voeren, ook inzetten om bijstand te verlenen aan OLAF als vermeld in verordening 2185/96. Als personeelsleden conform het eerste en tweede lid bijstand verlenen aan OLAF, zijn de beperkingen aan de reikwijdte van de verplichtingen en rechten, vermeld in artikel 5, artikel 12 tot en met 22, en artikel 34 van de algemene verordening gegevensbescherming, waarin de Vlaamse regelgeving, vermeld in het eerste lid, voorziet, ook van toepassing. HOOFDSTUK 3. - Bestuurlijke sanctionering Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 27.§ 1. De bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd aan personen die het misdrijf of de inbreuk hebben uitgevoerd, er opdracht toe hebben gegeven of er hun medewerking aan hebben verleend. § 2. Een bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd aan rechtspersonen voor misdrijven en inbreuken die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van hun doel of de waarneming van hun belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor hun rekening zijn gepleegd. Als een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd aan rechtspersonen, sluit dat niet uit dat een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd aan natuurlijke personen voor dezelfde feiten. Met rechtspersonen als vermeld in het eerste lid worden gelijkgesteld: 1° maatschappen;2° vennootschappen in oprichting. § 3. Ondernemingen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de bestuurlijke sancties die opgelegd worden aan hun organen en aan de personen voor wie ze aansprakelijk zijn conform artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek. § 4. Behalve na tegenbewijs worden natuurlijke personen die houder zijn van de kentekenplaat van een voertuig dat dienstig was voor het plegen van een misdrijf of een inbreuk, geacht de bestuurder te zijn van dat voertuig. Hetzelfde geldt voor gebruikelijke bestuurders van voertuigen die geregistreerd staan op naam van een rechtspersoon. § 5. Aan personen die op het ogenblik van de feiten de volle leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, kan alleen een bestuurlijke sanctie worden opgelegd als de Vlaamse regelgeving, waarin het misdrijf of de inbreuk wordt bepaald, daarin uitdrukkelijk voorziet. § 6. Voor de doeleinden van bestuurlijke sanctionering kan de beboetingsinstantie toegang vragen tot het Centraal Strafregister, vermeld in artikel 589 van het Wetboek van Strafvordering. Hetzelfde geldt voor de toezichthouder voor het bepalen van het bedrag van de bestuurlijke geldboete conform artikel 87, § 2, van dit decreet. Art. 28.Behalve in de gevallen waar de Vlaamse regelgeving zelf de minima en maxima voor alternatieve bestuurlijke geldboetes vaststelt, worden bestuurlijk vervolgde misdrijven gesanctioneerd met een alternatieve bestuurlijke geldboete: 1° van maximaal 1000 euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheidsstraf, maar niet lager dan de strafrechtelijke maximumgeldboete die geldt voor het feit, vermeerderd met de opdeciemen.Als de Vlaamse regelgeving op het feit alleen een strafrechtelijke geldboete stelt, wordt de helft van het maximum van de strafrechtelijke geldboete genomen, vermeerderd met de opdeciemen; 2° van minimaal 250 euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, maar niet lager dan de helft van de strafrechtelijke minimumgeldboete die geldt voor het feit, vermeerderd met de opdeciemen.Als de Vlaamse regelgeving op het feit alleen een strafrechtelijke geldboete stelt, of toelaat dat alleen die straf wordt opgelegd, wordt de helft van het minimum van de strafrechtelijke geldboete genomen, vermeerderd met de opdeciemen. Bij het bepalen van de maximumgeldboete conform het eerste lid gelden de bepalingen van artikel 69 van het Strafwetboek, behalve voor de Vlaamse regelgeving waar de toepassing van dat artikel wordt uitgesloten. Als de vrijheidsstraf, vermeld in het eerste lid, lager is dan één maand, wordt h …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.