Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgeb
Kort samengevat
Dit besluit regelt de alternatieve investeringssubsidies, genaamd "gebruikstoelagen", die het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden verstrekt voor projecten in de zorg- en welzijnssector. Het bepaalt de voorwaarden waaronder aanvragers deze subsidies kunnen ontvangen.
Wat het reguleert
- De toekenning van alternatieve investeringssubsidies (gebruikstoelagen) door het Vlaams Infrastructuurfonds.
- De definities van verschillende zorg- en welzijnsvoorzieningen die in aanmerking komen.
- De sectoren waarop dit besluit van toepassing is.
- De algemene voorwaarden waaraan aanvragers moeten voldoen om een gebruikstoelage te ontvangen.
Wie het betreft
- Aanvragers die zorg- en dienstverlening organiseren in het kader van persoonsgebonden aangelegenheden.
- Verzorgingsinstellingen, voorzieningen voor ouderen en thuiszorg, en voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap.
Kernpunten
- Een "gebruikstoelage" is een alternatieve investeringssubsidie.
- Aanvragers moeten erkend zijn om zorg- en dienstverlening te organiseren.
- Aanvragers moeten beschikken over een genotsrecht op het project.
- Er mag geen ongeoorloofde verwantschap bestaan tussen de aanvrager en de eigenaar of houder van de zakelijke rechten op de grond, waarbij een ongeoorloofde verwantschapsband onweerlegbaar wordt vermoed als de ene partij de meerderheid van de stemrechten van de andere bezit.
Wettekst
Wettekst
18 MAART 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden De Vlaamse
§ 6
:
- a)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- b)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- c)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- d)een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4. Art. 24.De aanvraag, vermeld in artikel 20, kan alleen betrekking hebben op een aankoop, als die gevolgd wordt door een verbouwing. In dat geval moet de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde bij de aanvraag gevoegd worden. In afwijking van het eerste lid is bij een lokaal dienstencentrum een aankoop zonder verbouwing mogelijk. In dat geval moet de aanvraag, vermeld in artikel 20, bovendien de volgende stukken bevatten : 1° de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde;2° de bouwvergunning en het bijhorende brandpreventieverslag met betrekking tot het aan te kopen gebouw.Ingeval van functiewijziging van het betrokken gebouw wordt de aanvraag aangevuld, met betrekking tot de toekomstige bestemming, met een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager werd ondertekend en dat ter kennisgeving werd bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst; 3° de plannen op schaal 1/100 met vermelding van eventuele uitbreiding in toekomstige projecten;4° een conceptnota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen;5° een verslag over het gevolg dat is gegeven aan de voorafgaande werkvergaderingen en aan de aanbevelingen van de agentschappen;6° een raming van het project;7° de oppervlakteberekening van het project;8° een bodemattest overeenkomstig de regelgeving betreffende de bodemsanering;9° het programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen.Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen. 10° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en onverminderd de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, §
§ 6
:
- a)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- b)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- c)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- d)een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4. Onderafdeling 3. - Procedure voor de overige voorzieningen Art. 25.De aanvraag tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een principieel akkoord wordt door de verzorgingsinstellingen, behalve het algemeen ziekenhuis, en door de voorziening voor de sociale integratie van personen met een handicap ingediend in twee exemplaren. De aanvraag kan aangetekend verstuurd worden of aan de gemachtigde ambtenaar afgegeven worden tegen ontvangstbewijs. Art. 26.De aanvraag, vermeld in artikel 25, bevat de volgende documenten : 1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het masterplan en het betreffende project goed te keuren en in te dienen;2° de nodige bescheiden, statuten of documenten, waaruit blijkt dat de aanvrager voor zijn vorm van rechtspersoonlijkheid in aanmerking komt voor erkenning in zijn sector;3° het masterplan en het betreffende project;4° een verklaring op erewoord over het project waarvoor een principieel akkoord wordt gevraagd, voor de toepassing van artikel 85. Art. 27.De stukken, vermeld in artikel 26, 3°, bevatten minstens de volgende onderdelen : 1° een beschrijving van de bestaande infrastructuur, met bijzondere aandacht voor het historische en architectonische belang, de leeftijd, functionaliteit, gebruiksintensiteit, leefbaarheid en energie-efficiëntie;2° een beschrijving van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met een omschrijving van de doelgroep, de geplande capaciteit per onderdeel, de fasering en de geplande uitvoeringstermijnen met kostenraming;3° een schets van de investeringswerkzaamheden;4° een financieel plan voor de investeringen, gedetailleerd voor het project, en waarbij, voor de aanvragers die niet onderworpen zijn aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/08/1911 pub. 04/12/2009 numac 2009000786 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot het behoud van de schoonheid der landschappen sluiten1 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, de laatst goedgekeurde jaarrekening en, in voorkomend geval, het verslag van de bedrijfsrevisor over de jaarrekening gevoegd zijn;5° indien van toepassing, een opdeling van de investeringen in projectonderdelen en de respectieve uitvoeringstermijnen ervan. Art. 28.Als de aanvraag, vermeld in artikel 25, betrekking heeft op werkzaamheden, moet die aanvraag, naast de stukken, vermeld in artikel 26 en 27, de volgende stukken bevatten : 1° als dat door de aard van de werkzaamheden vereist is, een stedenbouwkundig attest of, voor aanvragen van publiekrechtelijke rechtspersonen of voor handelingen van algemeen belang als vermeld in artikel 4.1.1, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, een akkoord van de vergunningverlenende instantie over een principeaanvraag; 2° een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;3° een voorontwerp van de plannen op schaal 1/100, met vermelding van eventuele uitbreiding in toekomstige projecten;4° een gedetailleerde conceptnota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen;5° een verslag over het gevolg dat is gegeven aan de voorafgaande werkvergaderingen en aan de aanbevelingen van de agentschappen;6° een gedetailleerde raming van het project;7° de oppervlakteberekening van het project;8° in voorkomend geval, een bodemattest overeenkomstig de regelgeving betreffende de bodemsanering;9° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994;10° een initieel programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen.Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. Per type van lokaal worden de objectief evalueerbare comfortgrenswaarden en specifieke technische eisen vermeld. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen; 11° een akkoordbrief, ondertekend door de aanvrager, waarin hij het initiële programma van eisen onderschrijft en de coördinator aanwijst die verantwoordelijk is voor het behalen van de objectief evalueerbare prestatie-eisen op het vlak van comfort en het gebruik van energie, water en materialen;12° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en onverminderd de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, §
§ 6
:
- a)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- b)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- c)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- d)een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4. Art. 29.De aanvraag, vermeld in artikel 25, kan alleen betrekking hebben op een aankoop, als die gevolgd wordt door een verbouwing. In dat geval moet de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde bij de aanvraag gevoegd worden. Onderafdeling 4. - Onderzoek en advies Art. 30.§ 1. Het Fonds onderzoekt of de aanvraag, vermeld in artikel 20 of artikel 25, voldoet aan de toepasselijke bepalingen van artikel 20 tot en met 24, of artikel 25 tot en met 29. Het Fonds stuurt binnen veertien kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. De ontvankelijkheid houdt in dat de aanvraag voldoet aan de formele vereisten, vermeld in het eerste lid. § 2. Het Fonds vraagt binnen veertien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag advies aan : 1° voor de sector van de verzorgingsinstellingen en de sector van de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg : het agentschap Zorg en Gezondheid over de inhoudelijke aspecten, onder meer over :
- a)de erkenningsnormen;
- b)de kwaliteitsvereisten;
- c)de programmatie;
- d)de aanvrager;
- e)de prioriteiten tussen de aanvragen van de verschillende aanvragers;
- f)wat het algemeen ziekenhuis, de voorziening voor ouderen en de voorziening in de thuiszorg betreft : over de conformiteit met het goedgekeurde zorgstrategische plan;2° voor de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap over de inhoudelijke aspecten, onder meer over :
- a)de erkenningsnormen;
- b)de kwaliteitsvereisten;
- c)de programmatie;
- d)de aanvrager;
- e)de prioriteiten tussen de aanvragen van de verschillende aanvragers.3° een of meer ambtenaren die ter beschikking staan van het Fonds :
- a)over de financiële aspecten, onder meer over de begrotingsweerslag op het activiteitenprogramma bij de exploitatie van het project, waarbij ook gevraagd wordt een raming op te maken van de eventuele financiële weerslag van het project op de opeenvolgende begrotingsjaren;
- b)over het beantwoorden aan de bouwtechnische en bouwfysische normen, over de technische aspecten en over de kostprijsraming en, bij een aanvraag voor de aankoop van gebouwen, over de venale waarde van de gebouwen;
- c)over de controle van de verwantschapsband, vermeld in de artikelen 3 en 4. § 3. De agentschappen en de ambtenaren, vermeld in paragraaf 2, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Ze bezorgen hun advies aan het Fonds binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van de adviesvraag. Art. 31.Het Fonds roept minstens tweemaandelijks een coördinatiecommissie samen. Die coördinatiecommissie is samengesteld uit de vertegenwoordigers van het Fonds en van het intern verzelfstandigd agentschap waaraan het advies, vermeld in artikel 30, § 2, is gevraagd. De Inspectie van Financiën wordt op elke vergadering van de coördinatiecommissie uitgenodigd. De adviezen die zijn uitgebracht volgens de bepalingen van artikel 30, § 2 en § 3, worden op de agenda van de eerstvolgende vergadering van de coördinatiecommissie geplaatst. De commissie heeft tot taak in overleg een advies op te maken over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van een principieel akkoord, en dat advies aan de minister te bezorgen. Bij gebrek aan een eensgezind standpunt wordt in het advies melding gemaakt van de verschillende standpunten. Onderafdeling 5. - Beslissing over het masterplan en over het principieel akkoord en wijziging van het principieel akkoord Art. 32.§ 1. Bij gunstig advies van de coördinatiecommissie, vermeld in artikel 31, legt het Fonds, binnen dertig kalenderdagen na het advies, een ontwerp van brief ter ondertekening voor aan de minister, waarbij het masterplan wordt goedgekeurd en het principieel akkoord voor het project in kwestie wordt verleend. De minister beslist over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van een principieel akkoord. § 2. Bij ongunstig advies van de coördinatiecommissie, vermeld in artikel 31, legt het Fonds, binnen dertig kalenderdagen na het advies, een ontwerp van brief voor aan de minister, waarin omstandig de redenen zijn opgenomen waarom het masterplan niet kan worden goedgekeurd of waarom geen principieel akkoord voor het project in kwestie kan worden gegeven. De minister beslist over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van een principieel akkoord. § 3. Als de coördinatiecommissie, vermeld in artikel 31, geen eensgezind standpunt heeft ingenomen, wordt het advies, vermeld in artikel 31, derde lid, binnen dertig kalenderdagen bezorgd aan de minister die beslist over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van een principieel akkoord voor het project in kwestie. § 4. De aanvrager wordt per aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing van de minister. § 5. De goedkeuring van het masterplan is geen verbintenis om een principieel akkoord te verlenen voor alle projecten die in het masterplan zijn opgenomen. § 6. Een principieel akkoord houdt in dat het project van de aanvrager in principe in aanmerking komt voor een gebruikstoelage. Een principieel akkoord vermeldt onder meer het masterplan en het project waarop het betrekking heeft, de eventuele opmerkingen en de datum vanaf wanneer het geldig is. § 7. Als de aanvrager voor een bepaald project al werkzaamheden aangevat heeft, een bestelling geplaatst heeft of een aankoop gedaan heeft zonder te beschikken over een principieel akkoord over het project, komt hij niet meer in aanmerking voor een gebruikstoelage voor het betreffende project. § 8. De aanvrager moet met betrekking tot het project het bevel geven tot aanvang van de werken, de bestelling plaatsen of de authentieke akte verlijden ingeval van aankoop zonder verbouwing bij een lokaal dienstencentrum binnen twee jaar na de datum van het principieel akkoord, zoniet vervalt het principieel akkoord. Nadat de aanvrager het bevel gegeven heeft tot aanvang van de werken, de bestelling geplaatst heeft of de voormelde authentieke akte verleden heeft, bezorgt de aanvrager onmiddellijk een kopie van het bevel, van de bestelling of van de authentieke akte aan het Fonds. § 9. Als de gebruikstoelage betrekking heeft op verschillende projectonderdelen, kan de minister op voorhand en per project het percentage van de gebruikstoelage bepalen dat per projectonderdeel wordt vrijgegeven. Art. 33.Uiterlijk negentig kalenderdagen voor de aanvang van de werkzaamheden die betrekking hebben op het project, kan de aanvrager een wijziging aanvragen van het principieel akkoord. Die aanvraag tot wijziging wordt omstandig gemotiveerd en bevat de stukken die gewijzigd zijn ten opzichte van de aanvraag voor het oorspronkelijke principieel akkoord. De aanvraag wordt aangetekend verstuurd naar het Fonds. Het Fonds stuurt, binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag, een ontvangstbewijs naar de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. De ontvankelijkheid houdt in dat de aanvraag voldoet aan de formele vereisten, vermeld in het eerste lid. Het Fonds vraagt advies aan : 1° voor de sector van de verzorgingsinstellingen en de sector van de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg : het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Zorg en Gezondheid;2° voor de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;3° een of meer ambtenaren die ter beschikking staan van het Fonds. Na advies van de coördinatiecommissie, vermeld in artikel 31, beslist de minister over de aanvraag tot wijziging van het principieel akkoord binnen zestig kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. De aanvrager wordt per aangetekende brief op de hoogte gebracht van het akkoord van de minister met de aanvraag, of van de negatieve beslissing. Als, in het kader van de procedure tot wijziging van het principieel akkoord, de aanvrager voor een bepaald project al werkzaamheden aangevat heeft, een bestelling geplaatst heeft of een aankoop gedaan heeft zonder te beschikken over het akkoord van de minister met de aanvraag tot wijziging van het principieel akkoord over het project, komt de aanvrager niet meer in aanmerking voor een gebruikstoelage voor het betreffende project. Ook in geval van een gewijzigd principieel akkoord moet de aanvrager het bevel geven tot aanvang van de werken of de bestelling plaatsen met betrekking tot het project binnen twee jaar na de datum van het oorspronkelijke principieel akkoord, zoniet vervalt het gewijzigde principieel akkoord. Nadat de aanvrager het bevel gegeven heeft tot aanvang van de werken of de bestelling geplaatst heeft, bezorgt de aanvrager onmiddellijk een kopie van het bevel of van de bestelling aan het Fonds. Afdeling 4. - Aanvraag van de gebruikstoelage, de beslissing en de betaling Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 34.Na de ontvangst van het principieel akkoord of, in voorkomend geval, van het akkoord van de minister met de wijziging van het principieel akkoord, kan de aanvrager met een aangetekende brief een eerste aanvraag tot verstrekking van een gebruikstoelage bij het Fonds indienen. Die eerste aanvraag kan op zijn vroegst ingediend worden in het jaar na het jaar waarin de aanvrager het bevel heeft gegeven tot aanvang van de werken, waarin hij de bestelling geplaatst heeft of waarin de authentieke akte werd verleden ingeval van aankoop zonder verbouwing bij een lokaal dienstencentrum. Als de aanvrager bij een aanvraag al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer gevoegd te worden bij zijn aanvraag in de daaropvolgende jaren. Voor de wijze waarop stukken ter kennis gebracht worden van het Fonds door de aanvrager, of van de aanvrager, vermeld in deze afdeling, door het Fonds, kan de minister afwijkende regels bepalen die rekening houden met de nieuwste communicatiemiddelen. Onderafdeling 2. - Aanvraagprocedure en onderzoek Art. 35.Een aanvraag voor een gebruikstoelage bevat de volgende stukken : 1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een gebruikstoelage voor het jaar in kwestie aan te vragen;2° een verslag van de aanvrager over de gedetailleerde conceptnota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen, met vermelding van eventuele wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke conceptnota;3° een definitief programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;4° een verslag over alle eventuele wijzigingen ten opzichte van de as-builtdossiers;5° een verslag over het blijven beantwoorden aan de doelstellingen, prestatie-eisen en technische outputspecificaties, vermeld in het definitieve programma van eisen;6° voor de aanvragen die onder de toepassing vallen van artikel 74 tot en met 83, een door de aanvrager ondertekend stuk waarin hij een verklaring opneemt over de mate waarin zijn aanvraag beantwoordt aan de normen, vermeld in artikel 74 tot en met 83;7° voor de aanvragen waarbij de aanvrager geen eigenaar is van de grond of niet de houder is van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, aanvullend een verklaring van de aanvrager dat hij zich niet bevindt in een geval van ongeoorloofde verwantschap als vermeld in de artikelen 3 en 4;8° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994. In afwijking van het eerste lid bevat een aanvraag voor een gebruikstoelage bij een aankoop zonder verbouwing van een lokaal dienstencentrum de volgende stukken : 1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een gebruikstoelage voor het jaar in kwestie aan te vragen;2° een verslag van de aanvrager over de eventuele wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke conceptnota;3° een geactualiseerd programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;4° een verslag over alle eventuele wijzigingen ten opzichte van de as-builtdossiers;5° een verslag over het blijven beantwoorden aan de doelstellingen, prestatie-eisen en technische outputspecificaties, vermeld in het programma van eisen;6° voor de aanvragen die onder de toepassing vallen van artikel 77, een door de aanvrager ondertekend stuk waarin hij een verklaring opneemt over de mate waarin zijn aanvraag beantwoordt aan de normen, vermeld in artikel 77;7° voor de aanvragen waarbij de aanvrager geen eigenaar is van de grond of niet de houder is van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, aanvullend een verklaring van de aanvrager dat hij zich niet bevindt in een geval van ongeoorloofde verwantschap als vermeld in de artikelen 3 en 4;8° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994. Het Fonds stuurt, binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag, een ontvangstbewijs naar de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. De ontvankelijkheid houdt in dat de aanvraag voldoet aan de formele vereisten, vermeld in het eerste lid of in het tweede lid. Art. 36.§ 1. Voor de sector van de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg vraagt het Fonds, bij de eerste aanvraag van een gebruikstoelage, binnen tien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag als vermeld in artikel 35, advies aan het agentschap Zorg en Gezondheid, over : 1° het al of niet erkend zijn om de betreffende zorg- en dienstverlening te organiseren;2° over de conformiteit met het principieel akkoord;3° over het beantwoorden aan de normen die gelden voor de aanvrager, vermeld in artikel 8 en 9. § 2. Voor de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap vraagt het Fonds, bij de eerste aanvraag van een gebruikstoelage, binnen tien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag als vermeld in artikel 35, advies aan het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, over : 1° het al of niet erkend zijn om de betreffende zorg- en dienstverlening te organiseren;2° over de conformiteit met het principieel akkoord;3° over het beantwoorden aan de normen die gelden voor de aanvrager, vermeld in artikel 10. § 3. Voor de sector van de verzorgingsinstellingen vraagt het Fonds, bij iedere aanvraag tot verstrekking van een gebruikstoelage voor de ingebruikname, binnen tien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag, vermeld in artikel 35, advies aan het agentschap Zorg en Gezondheid, over : 1° het al of niet erkend zijn om de betreffende zorg- en dienstverlening te organiseren;2° over de conformiteit met het principieel akkoord;3° over het beantwoorden aan de normen die gelden voor de aanvrager, vermeld in artikel 6 en 7;4° over het beantwoorden aan de specifieke normen inzake bezettingsgraad, vermeld in artikel 80, 81 en 82. Bij iedere aanvraag van een gebruikstoelage vanaf de ingebruikname wordt alleen advies gevraagd over de specifieke normen inzake bezettingsgraad, vermeld in artikel 80, 81 en 82. § 4. Het Fonds kan aanvullend altijd advies vragen aan een of meer ambtenaren die ter beschikking staan van het Fonds, of aan een of meer externe deskundigen over de volgende aangelegenheden, waarbij de vergoeding van die externe deskundigen ten laste is van de begroting van het Fonds : 1° de financiële aspecten;2° de conformiteit met het principieel akkoord, over het beantwoorden aan de normen die gelden voor de aanvrager, vermeld in artikel 5, 6, 7, 8, 9 en 10, en over de naleving van de principes van de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten;3° de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4. § 5. De agentschappen, de ambtenaren en de externe deskundigen, vermeld in dit artikel, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Hun advies wordt opgemaakt op basis van een onderzoek ter plaatse of op basis van stukken. Bij een plaatsbezoek legt de aanvrager de volgende beschikbare stukken van het project ter inzage voor : 1° het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;2° alle biedingen;3° de verslagen van de controle van de biedingen;4° de door de aanvrager gemotiveerde keuze van de aannemer of leverancier;5° de bestekken;6° een kopie van het proces-verbaal van voorlopige oplevering;7° een kopie van de eindafrekeningen en van de as-builtdossiers;8° een bewijs van betaling van het kunstwerk of de kunstwerken in geval van toepassing van de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren. Als wordt afgezien van een plaatsbezoek, kunnen de agentschappen, de ambtenaren en de externe deskundigen, vermeld in dit artikel, de beschikbare stukken van het project, laten opsturen door de aanvrager. Art. 37.De adviezen, vermeld in artikel 36, worden aan het Fonds bezorgd binnen veertig kalenderdagen na de ontvangst van de adviesvraag. Bij de eerste aanvraag van een gebruikstoelage en bij de dossiers waarvoor er in het verleden nog geen gebruikstoelagen zijn verstrekt, beslist de minister over het al dan niet verstrekken van een gebruikstoelage. Met het oog daarop legt het Fonds een ontwerp van beslissing voor aan de minister binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de adviezen. Bij de andere aanvragen beslist het personeelslid dat belast is met de algemene leiding van het Fonds over de toekenning van een gebruikstoelage. Onderafdeling 3. - Beslissing over de gebruikstoelage en betaling Art. 38.De aanvrager wordt per aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing over de toekenning van een gebruikstoelage. Na de ondertekening van de beslissing tot het verstrekken van een gebruikstoelage legt het Fonds, op naam van de aanvrager, de gebruikstoelage vast en betaalt ze uit. HOOFDSTUK 6. - De projecten waarvoor de gebruikstoelage dient als onrechtstreekse bijdrage in de kostprijs Afdeling 1. - Toepassingsgebied Art. 39.Dit hoofdstuk is van toepassing op projecten waarvoor de gebruikstoelage, vermeld in artikel 1, 8°, dient als onrechtstreekse bijdrage in de kostprijs, waarbij de aanvrager niet optreedt als bouwheer en waarbij de gebruikstoelagen door de aanvrager worden aangewend als bijdrage in een beschikbaarheidsvergoeding als vermeld in artikel 1, 3°. Afdeling 2. - De gebruikstoelage Art. 40.Jaarlijks kan door het Fonds worden beslist, binnen de perken van de begrotingskredieten en volgens de procedure, vermeld in dit besluit, over de toekenning van een gebruikstoelage aan een aanvrager voor de uitvoering van zijn project. Die beslissing kan gedurende twintig opeenvolgende jaren worden genomen. Het bedrag van de gebruikstoelage die in een bepaald jaar door het Fonds kan worden verstrekt, wordt berekend door een coëfficiënt toe te passen op het totale bedrag dat wordt berekend en vastgesteld op de datum van het definitieve principieel akkoord, vermeld in artikel 48, § 2, naargelang van de aard van de investering, overeenkomstig de bepalingen van een van de volgende besluiten : 1° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/08/1911 pub. 04/12/2009 numac 2009000786 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot het behoud van de schoonheid der landschappen sluiten5 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen;2° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/08/1911 pub. 04/12/2009 numac 2009000786 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot het behoud van de schoonheid der landschappen sluiten0 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg;3° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/08/1911 pub. 04/12/2009 numac 2009000786 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot het behoud van de schoonheid der landschappen sluiten4 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor personen met een handicap; De coëfficiënt wordt jaarlijks door de minister in december bepaald en volgens de volgende formule berekend : coëfficiënt = [R/1 - (1/ (1 + R))20 x 95 %, waarbij R = referentierentevoet. De referentierentevoet wordt jaarlijks in december aangeleverd door het beleidsdomein Financiën en Begroting op basis van een tienjarige OLO en stemt overeen met het rekenkundig gemiddelde van de noteringen tijdens de periode van 1 september tot en met 30 november van het desbetreffende jaar, verhoogd met vijftien basispunten. De aldus bepaalde referentierentevoet wordt ieder jaar in december door het beleidsdomein Financiën en Begroting uiterlijk binnen de vijf eerste werkdagen van de maand december meegedeeld aan het Fonds. De coëfficiënt die geldt voor een dergelijk project, is de coëfficiënt die van toepassing is op de datum van het definitieve principieel akkoord. Afdeling 3. - De goedkeuring van een masterplan en het verkrijgen van een voorlopig en definitief principieel akkoord Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 41.Om in aanmerking te komen voor een gebruikstoelage voor een bepaald project, moet de aanvrager beschikken over een door de minister goedgekeurd masterplan en over een definitief principieel akkoord van de minister. Elke aanvraag tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een principieel akkoord voor een bepaald project wordt gericht aan het Fonds, met uitzondering van de aanvraag in de fase van het zorgstrategische plan, vermeld in artikel 42, die ingediend wordt bij het agentschap Zorg en Gezondheid. Voor de wijze waarop stukken ter kennis gebracht worden van het Fonds of van het agentschap Zorg en Gezondheid door de aanvrager, of van de aanvrager vermeld in deze afdeling, door het Fonds of door het agentschap Zorg en Gezondheid, kan de minister afwijkende regels bepalen die rekening houden met de nieuwste communicatiemiddelen. Voor een algemeen ziekenhuis, voor een voorziening voor ouderen en voor een voorziening in de thuiszorg verloopt de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een principieel akkoord volgens de bepalingen, vermeld in artikel 42 tot en met 53, en in artikel 60 tot en met 62. Voor de overige voorzieningen verloopt de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een principieel akkoord volgens de bepalingen, vermeld in artikel 54 tot en met 62. Onderafdeling 2. - Procedure voor de algemene ziekenhuizen en voor de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg Art. 42.In een eerste fase legt de aanvrager een plan met de zorgstrategische aspecten van het masterplan ter goedkeuring voor. Die aanvraag tot goedkeuring van het zorgstrategische plan bevat : 1° voor een algemeen ziekenhuis : de nodige bescheiden, statuten of documenten, waaruit blijkt dat de aanvrager :
- a)een lokaal of provinciaal bestuur is;
- b)een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting van openbaar nut is als vermeld in de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1921 pub. 19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
- c)een instelling is die beheerst wordt door de wet van 12 augustus 1911Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/08/1911 pub. 04/12/2009 numac 2009000786 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot het behoud van de schoonheid der landschappen sluiten waarbij de rechtspersoonlijkheid verleend wordt aan de universiteiten van Brussel en Leuven, of door het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, en door het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen;2° voor een woonzorgcentrum, een dagverzorgingscentrum en een centrum voor kortverblijf : de nodige bescheiden, statuten of documenten, waaruit blijkt dat de aanvrager over een rechtsvorm beschikt als vermeld in artikel 63, eerste lid, van het Woonzorg decreet van 13 maart 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/03/2009 pub. 14/05/2009 numac 2009202091 bron vlaamse overheid Woonzorgdecreet sluiten;3° voor de regionale dienstencentra en de lokale dienstencentra : de nodige bescheiden, statuten of documenten, waaruit blijkt dat de aanvrager over een rechtsvorm beschikt als vermeld in artikel 50 van het Woonzorg decreet van 13 maart 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/03/2009 pub. 14/05/2009 numac 2009202091 bron vlaamse overheid Woonzorgdecreet sluiten;4° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het zorgstrategische plan goed te keuren en in te dienen, vergezeld van, voor de algemene ziekenhuizen, het advies van de medische raad, vermeld in artikel 132 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, en eventueel van het advies van het coördinatiecomité, vermeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 30 januari 1989Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/01/1989 pub. 26/11/2018 numac 2018014674 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen;5° het zorgstrategische plan, dat ten minste de volgende gegevens bevat :
- a)de huidige situatie op het gebied van zorgaanbod, infrastructuur, ligging en samenwerkingsverbanden;
- b)de toekomstvisie met betrekking tot diezelfde elementen en de geplande rol in de regio;
- c)argumenten die de wenselijkheid en haalbaarheid van die toekomstvisie aantonen, op basis van een grondige omgevingsanalyse, met een projectie van zorgbehoeften en zorgaanbod, een afstemming op de andere zorgverstrekkers in de relevante invloedssfeer, en een diepgaande zelfevaluatie van de positie van de aanvrager;
- d)de voorwaarden die vervuld moeten worden om de nagestreefde visie te realiseren;
- e)een beschrijving van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met een omschrijving van de doelgroep en de geplande capaciteit per onderdeel. Art. 43.De aanvraag, vermeld in artikel 42, kan aangetekend worden verstuurd of aan de gemachtigde ambtenaar worden afgegeven tegen ontvangstbewijs. De aanvraag wordt ingediend in acht exemplaren. Om het zorgstrategische plan op te maken, moet de aanvrager modellen gebruiken die door het agentschap Zorg en Gezondheid ter beschikking worden gesteld. De aanvrager kan gegevens gebruiken die het agentschap Zorg en Gezondheid ter beschikking stelt. Het agentschap Zorg en Gezondheid kan aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Het agentschap Zorg en Gezondheid stuurt binnen veertien kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag tot goedkeuring van het zorgstrategische plan een bewijs van ontvangst naar de aanvrager met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. Een aanvraag is ontvankelijk als de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° de aanvraag wordt ingediend op de wijze, vermeld in het eerste en het tweede lid;2° de aanvraag bevat de nodige stukken, vermeld in artikel 42. Art. 44.Het agentschap Zorg en Gezondheid maakt een evaluatienota op. Binnen veertig kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag stuurt het agentschap Zorg en Gezondheid de evaluatienota aangetekend naar de aanvrager. De aanvrager beschikt over een termijn van veertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de evaluatienota, om een reactienota in te dienen bij het agentschap Zorg en Gezondheid, of om het agentschap Zorg en Gezondheid te laten weten dat hij een grondige aanpassing van zijn zorgstrategische plan zal doorvoeren. Als de aanvrager beslist het zorgstrategische plan grondig aan te passen, start de procedure van voren af aan. Art. 45.Binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de reactienota of, als binnen de gestelde termijn geen reactienota werd ingediend, binnen vijftien kalenderdagen na het verstrijken van die termijn bezorgt het agentschap Zorg en Gezondheid het dossier in kwestie aan de Commissie Zorgstrategie voor de algemene ziekenhuizen, of aan de Commissie Zorgstrategie voor de voorzieningen voor ouderen en de voorzieningen in de thuiszorg. De bevoegde commissie agendeert het dossier. Het dossier bestaat uit het zorgstrategische plan, de evaluatienota en de eventuele reactienota. Art. 46.§ 1. In de Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 45, zitten drie interne en drie externe leden. De drie interne leden behoren tot een agentschap van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Ze worden aangesteld door de minister. Bij de Commissie Zorgstrategie voor de algemene ziekenhuizen is één extern lid afkomstig uit de adviesraad die bevoegd is voor de behandeling van bezwaar- of verweermiddelen inzake de erkenning van verzorgingsvoorzieningen. Twee externe leden worden aangesteld wegens hun deskundigheid in gezondheidszorg. Bij de Commissie Zorgstrategie voor de voorzieningen voor ouderen en de voorzieningen in de thuiszorg is één extern lid afkomstig uit de adviesraad die bevoegd is voor de behandeling van bezwaar- of verweermiddelen inzake de erkenning van voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg. Twee externe leden worden aangesteld wegens hun deskundigheid in ouderenzorg of thuiszorg. Naargelang de te behandelen dossiers op de vergaderingen van de Commissies Zorgstrategie worden de externe leden gekozen uit een lijst die de minister heeft goedgekeurd. § 2. De vergoeding van de externe leden wordt bepaald door de minister en is ten laste van het agentschap Zorg en Gezondheid. § 3. De Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 45, stellen een huishoudelijk reglement op waarin de werking, de aanstelling van de externe leden en de onverenigbaarheden worden geregeld. De minister keurt het huishoudelijk reglement goed. § 4. Het agentschap Zorg en Gezondheid neemt het secretariaat van de Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 45, waar. Het agentschap Zorg en Gezondheid verstrekt aan de Commissies Zorgstrategie de inlichtingen die voor de werking ervan noodzakelijk zijn. Art. 47.De Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 45, hebben als opdracht de minister te adviseren over de ingediende zorgstrategische plannen. Het advies van de Commissie Zorgstrategie wordt, samen met het ingediende zorgstrategische plan, de evaluatienota en de eventuele reactienota, binnen vijftien kalenderdagen na de adviesverlening naar de minister gestuurd. De minister neemt een beslissing tot gehele of gedeeltelijke goedkeuring of afkeuring van het zorgstrategische plan binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het advies van de Commissie Zorgstrategie. De beslissing van de minister wordt ter kennis gebracht van het Fonds en aangetekend verstuurd naar de aanvrager. Art. 48.§ 1. Na de goedkeuring van het zorgstrategische plan kan de aanvrager in een volgende fase van de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een voorlopig principieel akkoord het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project ter goedkeuring voorleggen. Die aanvraag kan aangetekend worden verstuurd of aan de gemachtigde ambtenaar worden afgegeven tegen ontvangstbewijs. De aanvraag wordt ingediend in twee exemplaren. § 2. Na het verkrijgen van de goedkeuring van het technische en financiële aspect van het masterplan en na het verkrijgen van het voorlopige principieel akkoord voor het betreffende project, kan de aanvrager het definitieve principieel akkoord vragen voor het betreffende project. Die aanvraag kan aangetekend worden verstuurd of aan de gemachtigde ambtenaar worden afgegeven tegen ontvangstbewijs. De aanvraag wordt ingediend in twee exemplaren. Art. 49.De aanvraag, vermeld in artikel 48, § 1, bevat de volgende gegevens en documenten : 1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project goed te keuren en in te dienen;2° de verwijzing naar stukken, waaruit blijkt dat nog altijd voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 42, eerste lid, 1°, 2° of 3°;3° het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project;4° als het een project met prefinanciering zonder voorafgaand principieel akkoord betreft als vermeld in artikel 8 van het decreet van 23 februari 1994, de gegevens waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over de nodige financiële middelen die vereist zijn voor de volledige prefinanciering van het project;5° een verklaring op erewoord over het project waarvoor een principieel akkoord wordt gevraagd, voor de toepassing van artikel 85. Art. 50.De stukken, vermeld in artikel 49, 3°, bevatten minstens de volgende onderdelen : 1° een beschrijving van de bestaande infrastructuur, met bijzondere aandacht voor het historische en architectonische belang, de leeftijd, functionaliteit, gebruiksintensiteit, leefbaarheid en energie-efficiëntie;2° een beschrijving, aan de hand van het door de minister goedgekeurde zorgstrategische plan, van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met omschrijving van de doelgroep, de geplande capaciteit per onderdeel, de fasering en de geplande uitvoeringstermijnen met kostenraming;3° een omschrijving van de bedoelde investeringswerkzaamheden;4° een financieel plan voor de bedoelde investeringen, gedetailleerd voor het project, en, voor de aanvragers die niet onderworpen zijn aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/08/1911 pub. 04/12/2009 numac 2009000786 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot het behoud van de schoonheid der landschappen sluiten1 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vergezeld van de laatst goedgekeurde jaarrekening en, in voorkomend geval, van het verslag van de bedrijfsrevisor over de jaarrekening. Art. 51.Als het een aanvraag betreft tot het verkrijgen van een voorlopig principieel akkoord als vermeld in artikel 48, § 1, die betrekking heeft op werkzaamheden, moet die aanvraag, naast de stukken, vermeld in artikel 49 en 50, de volgende stukken bevatten : 1° een conceptnota over de functionele opvattingen, met inbegrip van de outputspecificaties;2° een raming van de bouwkosten van het project;3° een inschatting van de oppervlakte van het project;4° een raming van de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding en de termijn waarin deze verschuldigd is door de aanvrager;5° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland en onverminderd de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, §
§ 6
:
- a)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- b)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- c)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- d)een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4. Art. 52.Als het een aanvraag betreft tot het verkrijgen van een definitief principieel akkoord als vermeld in artikel 48, § 2, die betrekking heeft op werkzaamheden, moet die aanvraag de volgende stukken bevatten : 1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het definitieve principieel akkoord voor het betreffende project aan te vragen;2° de verwijzing naar stukken, waaruit blijkt dat nog altijd voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 42, eerste lid, 1°, 2°, of 3°;3° de eventuele wijzigingen van het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project, vermeld in artikel 49, 3°;4° de eventuele wijzigingen van het financieel plan, vermeld in artikel 50, 4°; 5° als dat door de aard van de werkzaamheden vereist is, een stedenbouwkundig attest of, voor de aanvragen van publiekrechtelijke rechtspersonen of voor handelingen van algemeen belang als vermeld in artikel 4.1.1, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, een akkoord van de vergunningverlenende instantie over een principeaanvraag; 6° een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;7° de plannen op schaal 1/100, met vermelding van een eventuele uitbreiding in toekomstige projecten;8° een gedetailleerde nota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen;9° een verslag over het gevolg dat is gegeven aan de voorafgaande werkvergaderingen en aan de aanbevelingen van de agentschappen;10° de bouwkosten van het project;11° de oppervlakteberekening van het project, eventueel opgedeeld in projectonderdelen;12° in voorkomend geval, een bodemattest overeenkomstig de regelgeving betreffende de bodemsanering;13° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994;14° het programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen.Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. Per type van lokaal worden de objectief evalueerbare comfortgrenswaarden en de specifieke technische eisen vermeld. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen; 15° een akkoordbrief, ondertekend door de aanvrager, waarin hij het programma van eisen onderschrijft en de coördinator aanwijst die verantwoordelijk is voor het behalen van de objectief evalueerbare prestatie-eisen op het vlak van comfort en het gebruik van energie, water en materialen;16° het gunningsverslag tot aanwijzing van de opdrachtnemer, alsook een ondertekende overeenkomst tussen de aanvrager en de opdrachtnemer tot realisatie van het project, met inbegrip van de opgave van de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding en de termijn waarin die verschuldigd is, met inbegrip van een bepaling dat de aanvrager verplicht is de gebruikstoelage, vermeld in artikel 73, te gebruiken voor de betaling van de beschikbaarheidsvergoeding;17° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 :
- a)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- b)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- c)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- d)een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4. Art. 53.De aanvraag, vermeld in artikel 48, § 2, kan alleen betrekking hebben op een aankoop, als die gevolgd wordt door een verbouwing. In dat geval moet de aanvraag de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde bevatten. Onderafdeling 3. - Procedure voor de overige voorzieningen Art. 54.§ 1. De verzorgingsinstellingen, behalve de algemene ziekenhuizen, en de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap leggen in een eerste fase van de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een voorlopig principieel akkoord het masterplan en het betreffende project ter goedkeuring voor. Die aanvraag kan aangetekend worden verstuurd of aan de gemachtigde ambtenaar worden afgegeven tegen ontvangstbewijs. De aanvraag wordt ingediend in twee exemplaren. § 2. Na het verkrijgen van de goedkeuring van het masterplan en na het verkrijgen van het voorlopige principieel akkoord voor het betreffende project, vermeld in paragraaf 1, kunnen de verzorgingsinstellingen, behalve de algemene ziekenhuizen, en de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap in een tweede fase het definitieve principieel akkoord vragen voor het betreffende project. Die aanvraag kan aangetekend worden verstuurd of aan de gemachtigde ambtenaar worden afgegeven tegen ontvangstbewijs. De aanvraag wordt ingediend in twee exemplaren. Art. 55.De aanvraag, vermeld in artikel 54, § 1, bevat de volgende documenten : 1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het masterplan en het betreffende project goed te keuren en in te dienen;2° de nodige bescheiden, statuten of documenten, waaruit blijkt dat de aanvrager voor zijn vorm van rechtspersoonlijkheid in aanmerking komt voor erkenning in zijn sector;3° het masterplan en het betreffende project;4° een verklaring op erewoord over het project waarvoor een principieel akkoord wordt gevraagd, voor de toepassing van artikel 85. Art. 56.De stukken, vermeld in artikel 55, 3°, bevatten minstens de volgende onderdelen : 1° een beschrijving van de bestaande infrastructuur, met bijzondere aandacht voor het historische en architectonische belang, de leeftijd, functionaliteit, gebruiksintensiteit, leefbaarheid en energie-efficiëntie;2° een beschrijving van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met een omschrijving van de doelgroep, de geplande capaciteit per onderdeel, de fasering en de geplande uitvoeringstermijnen met kostenraming;3° een omschrijving van de investeringswerkzaamheden;4° een financieel plan voor de investeringen, gedetailleerd voor het project, en, voor de aanvragers die niet onderworpen zijn aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/08/1911 pub. 04/12/2009 numac 2009000786 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot het behoud van de schoonheid der landschappen sluiten1 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vergezeld van de laatst goedgekeurde jaarrekening en, in voorkomend geval, van het verslag van de bedrijfsrevisor over de jaarrekening. Art. 57.Als het een aanvraag betreft tot het verkrijgen van een voorlopig principieel akkoord als vermeld in artikel 54, § 1, die betrekking heeft op werkzaamheden, moet die aanvraag, naast de stukken, vermeld in artikel 55 en 56, de volgende stukken bevatten : 1° een conceptnota over de functionele opvattingen, met inbegrip van de outputspecificaties;2° een raming van de bouwkosten van het project;3° een inschatting van de oppervlakte van het project;4° een raming van de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding en de termijn waarin die verschuldigd is door de aanvrager;5° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en onverminderd de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, §
§ 6
:
- a)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- b)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- c)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- d)een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager in de zin van artikel 3 en 4. Art. 58.Als het een aanvraag betreft tot het verkijgen van een definitief principieel akkoord als vermeld in artikel 54, § 2, die betrekking heeft op werkzaamheden, moet die aanvraag de volgende stukken bevatten : 1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het definitieve principieel akkoord voor het betreffende project aan te vragen;2° de eventuele wijzigingen van het masterplan en het betreffende project, vermeld in artikel 55, 3°;3° de eventuele wijzigingen van het financieel plan, vermeld in artikel 56, 4°; 4° als dat door de aard van de werkzaamheden vereist is, een stedenbouwkundig attest of, voor de aanvragen van publiekrechtelijke rechtspersonen of voor handelingen van algemeen belang als vermeld in artikel 4.1.1, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, een akkoord van de vergunningverlenende instantie over een principeaanvraag; 5° een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;6° de plannen op schaal 1/100, met vermelding van een eventuele uitbreiding in toekomstige projecten;7° een gedetailleerde nota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen;8° een verslag over het gevolg dat is gegeven aan de voorafgaande werkvergaderingen en aan de aanbevelingen van de agentschappen;9° de bouwkosten van het project;10° de oppervlakteberekening van het project, eventueel opgedeeld in projectonderdelen;11° in voorkomend geval, een bodemattest overeenkomstig de regelgeving betreffende de bodemsanering;12° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994;13° het programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen.Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. Per type van lokaal worden de objectief evalueerbare comfortgrenswaarden en specifieke technische eisen vermeld. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen; 14° een akkoordbrief, ondertekend door de aanvrager, waarin hij het programma van eisen onderschrijft en de coördinator aanwijst die verantwoordelijk is voor het behalen van de objectief evalueerbare prestatie-eisen op het vlak van comfort en het gebruik van energie, water en materialen;15° de verwijzing naar stukken, waaruit blijkt dat nog altijd voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 55, 2°;16° het gunningsverslag tot aanwijzing van de opdrachtnemer, alsook een ondertekende overeenkomst tussen de aanvrager en de opdrachtnemer tot realisatie van het project, met inbegrip van de opgave van de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding en de termijn waarin die verschuldigd is, met inbegrip van een bepaling dat de aanvrager verplicht is de gebruikstoelage, vermeld in artikel 73, te gebruiken voor de betaling van de beschikbaarheidsvergoeding;17° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en onverminderd de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, §
§ 6
:
- a)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- b)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- c)de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
- d)een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4. Art. 59.De aanvraag, vermeld in artikel 54, § 2, kan alleen betrekking hebben op een aankoop, als die gevolgd wordt door een verbouwing. In dat geval moet de aanvraag de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde bevatten. Onderafdeling 4. - Onderzoek en advies Art. 60.§ 1. Het Fonds onderzoekt of de aanvragen, vermeld in artikel 48 of in artikel 54, voldoen aan de toepasselijke bepalingen van artikel 48 tot en met 53, of artikel 54 tot en met 59. Het Fonds stuurt binnen veertien kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag, een ontvangstbewijs naar de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. De ontvankelijkheid houdt in dat de aanvraag voldoet aan de formele vereisten, vermeld in het eerste lid. § 2. Het Fonds vraagt binnen veertien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag advies aan : 1° voor de sector van de verzorgingsinstellingen en de sector van de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg : het agentschap Zorg en Gezondheid over de inhoudelijke aspecten, onder meer over :
- a)de erkenningsnormen;
- b)de kwaliteitsvereisten;
- c)de programmatie;
- d)de aanvrager;
- e)de prioriteiten tussen de aanvragen van de verschillende aanvragers;
- f)wat de algemene ziekenhuizen en de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg betreft : over de conformiteit met het goedgekeurde zorgstrategische plan;2° voor de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap over de inhoudelijke aspecten, onder meer over :
- a)de erkenningsnormen;
- b)de kwaliteitsvereisten;
- c)de programmatie;
- d)de aanvrager;
- e)de prioriteiten tussen de aanvragen van de verschillende aanvragers;3° een of meer ambtenaren die ter beschikking staan van het Fonds :
- a)over de financiële aspecten, onder meer over de begrotingsweerslag op het activiteitenprogramma bij de exploitatie van het project, waarbij ook gevraagd wordt een raming op te maken van de eventuele financiële weerslag van het project op de opeenvolgende begrotingsjaren;
- b)over het beantwoorden aan de bouwtechnische en bouwfysische normen, over de technische aspecten en over de kostprijsraming en, bij een aanvraag voor de aankoop van gebouwen, over de venale waarde van de gebouwen;
- c)over de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4;
- d)over de naleving van de principes van de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten door de aanvrager bij het aanwijzen van de opdrachtnemer, vermeld in artikel 1, 14°. § 3. De agentschappen en de ambtenaren, vermeld in paragraaf 2, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Ze bezorgen hun advies aan het Fonds binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van de adviesvraag. Art. 61.Het Fonds roept minstens tweemaandelijks een coördinatiecommissie samen. Die coördinatiecommissie is samengesteld uit de vertegenwoordigers van het Fonds en van het intern verzelfstandigd agentschap waaraan het advies, vermeld in artikel 60, § 2, is gevraagd. De Inspectie van Financiën wordt op elke vergadering van de coördinatiecommissie uitgenodigd. De adviezen, die zijn uitgebracht volgens de bepalingen van artikel 60, § 2 en § 3, worden op de agenda van de eerstvolgende vergadering van de coördinatiecommissie geplaatst. De commissie heeft tot taak in overleg een advies op te maken over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van een principieel akkoord, en dat advies aan de minister te bezorgen. Bij gebrek aan een eensgezind standpunt wordt in het advies melding gemaakt van de verschillende standpunten. Onderafdeling 5. - Beslissing over het masterplan en over het voorlopige en definitieve principieel akkoord Art. 62.§ 1. Bij gunstig advies van de coördinatiecommissie, vermeld in artikel 61, legt het Fonds, binnen dertig kalenderdagen na het advies, een ontwerp van brief ter ondertekening voor aan de minister, waarbij het masterplan wordt goedgekeurd en het voorlopige, respectievelijk definitieve principieel akkoord voor het project in kwestie wordt verleend. De minister beslist over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van het voorlopige, respectievelijk definitieve principieel akkoord. § 2. Bij ongunstig advies van de coördinatiecommissie, vermeld in artikel 61, legt het Fonds, binnen dertig kalenderdagen na het advies, een ontwerp van brief voor aan de minister, waarin omstandig de redenen zijn opgenomen waarom het masterplan niet kan worden goedgekeurd of waarom geen voorlopig, respectievelijk definitief principieel akkoord voor het project in kwestie kan worden gegeven. De minister beslist over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van het voorlopige, respectievelijk definitieve principieel akkoord. § 3. Als de coördinatiecommissie, vermeld in artikel 61, geen eensgezind standpunt heeft ingenomen, wordt het advies, vermeld in artikel 61, derde lid, binnen dertig kalenderdagen bezorgd aan de minister voor beslissing over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van het voorlopige, respectievelijk definitieve principieel akkoord voor het project in kwestie. § 4. De aanvrager wordt per aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing van de minister. § 5. De goedkeuring van het masterplan is geen verbintenis om een principieel akkoord te geven voor alle projecten die in het masterplan zijn opgenomen. § 6. Een voorlopig principieel akkoord als vermeld in artikel 48, § 1, en artikel 54, § 1, houdt de goedkeuring in van het masterplan en van het betreffende project. Het is een noodzakelijke stap voorafgaand aan de aanvraag van een definitief principieel akkoord. § 7. Een definitief principieel akkoord, vermeld in artikel 48, § 2, en artikel 54, § 2, houdt in dat het project van de aanvrager in principe in aanmerking komt voor een gebruikstoelage. Het vermeldt onder meer het masterplan en het project waarop het betrekking heeft, de eventuele opmerkingen en de datum vanaf wanneer het geldig is. § 8. Als voor het project waarvoor de aanvraag wordt ingediend, al werkzaamheden zijn aangevat, een bestelling is geplaatst of een aankoop werd gedaan, zonder dat de aanvrager beschikt over een definitief principieel akkoord voor het project, komt hij niet meer in aanmerking voor een gebruikstoelage voor het betreffende project. § 9. Het definitieve principieel akkoord moet gevraagd worden uiterlijk op 31 december van het tweede jaar dat volgt op het jaar waarin het voorlopige principieel akkoord werd verkregen, zo niet vervalt het voorlopige principieel akkoord. § 10. De werken met betrekking tot het project moeten aangevangen zijn of de bestelling moet geplaatst zijn binnen twee jaar na de datum van het definitieve principieel akkoord, zoniet vervalt het definitieve principieel akkoord. § 11. Als de gebruikstoelage betrekking heeft op verschillende projectonderdelen, kan de minister op voorhand en per project het percentage van de gebruikstoelage bepalen dat per projectonderdeel wordt vrijgegeven. Afdeling 4. - Aanvraag van de gebruikstoelage, de beslissing en de betaling Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 63.Na de ontvangst van het definitieve principieel akkoord kan de aanvrager met een aangetekende brief een eerste aanvraag van een gebruikstoelage bij het Fonds indienen. Die eerste aanvraag kan op zijn vroegst ingediend worden in het jaar waarin de aanvrager de betreffende infrastructuur, of een onderdeel ervan bij gefaseerde ingebruikname, in gebruik heeft genomen. Als de aanvrager bij een aanvraag al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer gevoegd te worden bij zijn aanvraag in de daaropvolgende jaren. Voor de wijze waarop stukken ter kennis gebracht worden van het Fonds door de aanvrager, of van de aanvrager, vermeld in deze afdeling, door het Fonds, kan de minister afwijkende regels bepalen die rekening houden met de nieuwste communicatiemiddelen. Onderafdeling 2. - Aanvraagprocedure en onderzoek Art. 64.Een aanvraag van een gebruikstoelage bevat de volgende stukken : 1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een gebruikstoelage voor het jaar in kwestie aan te vragen;2° een verslag over alle eventuele wijzigingen ten opzichte van de as-builtdossiers;3° een verslag over het blijven beantwoorden aan de doelstellingen, prestatie-eisen en technische outputspecificaties, vermeld in het definitieve programma van eisen, onder meer op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;4° voor de aanvragen die onder de toepassing vallen van artikel 74 tot en met 83, een door de aanvrager ondertekend stuk waarin hij een verklaring opneemt over de mate waarin zijn aanvraag beantwoordt aan de normen, vermeld in artikel 74 tot en met 83;5° voor de aanvragen waarbij de aanvrager geen eigenaar is van de grond of houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gerealiseerd, aanvullend een verklaring van de aanvrager dat hij zich niet bevindt in een geval van ongeoorloofde verwantschap als vermeld in artikel 3 en 4;6° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994. Het Fonds stuurt binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. De ontvankelijkheid houdt in dat de aanvraag voldoet aan de formele vereisten, vermeld in het eerste lid. Art. 65.§ 1. Voor de sector van de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg vraagt het Fonds, bij de eerste aanvraag van een gebruikstoelage, binnen tien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag, vermeld in artikel 64, advies aan het agentschap Zorg en Gezondheid over : 1° het al of niet erkend zijn om de betreffende zorg- en dienstverlening te organiseren;2° de conformiteit met het definitieve principieel akkoord;3° het beantwoorden aan de normen, vermeld in artikel 8 en 9, die van toepassing zijn voor de aanvrager. § 2. Voor de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap vraagt het Fonds, bij de eerste aanvraag van een gebruikstoelage, binnen tien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag, vermeld in artikel 64, advies aan het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, over : 1° het al of niet erkend zijn om de betreffende zorg- en dienstverlening te organiseren;2° de conformiteit met het definitieve principieel akkoord;3° het beantwoorden aan de normen, vermeld in artikel 10, die van toepassing zijn voor de aanvrager. § 3. Voor de sector van de verzorgingsinstellingen vraagt het Fonds, bij de eerste aanvraag van een gebruikstoelage, binnen tien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag, vermeld in artikel 64, advies aan het agentschap Zorg en Gezondheid over : 1° het al of niet erkend zijn om de betreffende zorg- en dienstverlening te organiseren;2° de conformiteit met het definitieve principieel akkoord;3° het beantwoorden aan de normen, vermeld in artikel 6 en 7, die van toepassing zijn voor de aanvrager;4° over het beantwoorden aan de specifieke normen inzake bezettingsgraad, vermeld in artikel 80, 81 en 82. Voor de sector van de verzorgingsinstellingen vraagt het Fonds, vanaf de tweede aanvraag van een gebruikstoelage, binnen tien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag, vermeld in artikel 64, advies aan het agentschap Zorg en Gezondheid over het beantwoorden aan de specifieke normen inzake bezettingsgraad, vermeld in artikel 80, 81 en 82. § 4. Het Fonds kan aanvullend altijd advies vragen aan een of meer ambtenaren die ter beschikking staan van het Fonds of aan een of meer externe deskundigen, waarbij de vergoeding van die externe deskundigen ten laste is van de begroting van het Fonds : 1° over de financiële aspecten;2° over de conformiteit met het definitieve principieel akkoord, over het beantwoorden aan de normen die van toepassing zijn voor de aanvrager;3° over de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4. § 5. De agentschappen, de ambtenaren en de externe deskundigen, vermeld in dit artikel, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Hun advies wordt opgemaakt op basis van een onderzoek ter plaatse of op basis van stukken. Art. 66.De adviezen, vermeld in artikel 65, worden aan het Fonds bezorgd binnen veertig kalenderdagen na de ontvangst van de adviesvraag. Bij de eerste aanvraag