← België

Decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs

In het kort

Dit decreet regelt het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. Het behandelt de organisatie, kwaliteitszorg en samenwerking van deze opleidingen en wijzigt de regelgeving voor het voltijds secundair onderwijs.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
30 APRIL 2009. - Decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs (1) Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. Art. 2.Dit decreet regelt de programmatie, de kwaliteitszorg en de samenwerking bij de organisatie van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en wijzigt de vigerende regelgeving met betrekking tot de structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs. HOOFDSTUK I. - Begrippenkader Art. 3.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° accreditatie : de formele erkenning van een opleiding op grond van een beslissing van een onafhankelijk orgaan waarin vastgesteld wordt dat de opleiding voldoet aan vooraf vastgestelde minimale kwaliteits- en niveauvereisten;2° beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan uitgeoefend worden als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;3° centrumbestuur : het orgaan van een centrum voor volwassenenonderwijs dat ten aanzien van het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;4° commissie : de Commissie Hoger Beroepsonderwijs als vermeld in artikel 6;5° competentie : de bekwaamheid om kennis, vaardigheden en attitudes in het handelen geïntegreerd aan te wenden voor maatschappelijke activiteiten;6° cursist : een deelnemer aan het hoger beroepsonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is.Voor instellingen voor het voltijds secundair onderwijs wordt daaronder de leerling verstaan, vermeld in artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II. Voor centra voor volwassenenonderwijs wordt daaronder de cursist verstaan, vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/01/2002 pub. 08/02/2002 numac 2001035155 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs sluiten2 betreffende het volwassenenonderwijs. Voor hogescholen wordt daaronder de student verstaan, vermeld in artikel II.1, 15°, van het decreet van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/03/2004 pub. 10/06/2004 numac 2004035882 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen sluiten betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen; 7° inrichtende macht : het orgaan van een instelling voor het secundair onderwijs dat ten aanzien van de school de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;8° hogeschoolbestuur : het bestuursorgaan van een hogeschool dat door of krachtens de wet, het decreet of de statuten is aangewezen om de door of krachtens dit decreet toegewezen bevoegdheden uit te oefenen;9° instellingsbestuur : een centrumbestuur of een hogeschoolbestuur; een inrichtende macht indien het de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs betreft; 10° kwalificatieniveau : een onderverdeling van de kwalificatiestructuur, gebaseerd op niveaudescriptoren als bepaald in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;11° kwalificatiestructuur : de systematische ordening van erkende kwalificaties op basis van het algemeen geldend kwalificatieraamwerk, vermeld in hoofdstuk III van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;12° kwaliteitszorgsysteem : geheel van processen en procedures die nodig zijn om aan kwaliteitszorg te doen;13° module : het kleinste te certificeren deel van een modulaire opleiding, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud, omvang en een bepaald niveau;14° onderdeel : een opleidingsonderdeel, een module of een vak;15° onderwijskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties dat noodzakelijk is om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs aangevat kunnen worden of waarmee beroepsactiviteiten uitgeoefend kunnen worden, als vermeld in artikel 9 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;16° opleiding : een geheel van onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten dat leidt tot een onderwijskwalificatie;17° studieomvang : het aantal studiepunten, toegekend aan een onderdeel of aan een opleiding;18° studiepunt : een binnen de Vlaamse Gemeenschap aanvaarde internationale eenheid die overeenstemt met ten minste 25 en ten hoogste 30 uren voorgeschreven onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten en waarmee de studieomvang van elke opleiding wordt uitgedrukt;19° stuurgroep : het orgaan belast met de inhoudelijke opvolging van de opdrachten toegekend aan het samenwerkingsverband gericht op kennis- en expertiseontwikkeling tussen het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs en de pedagogische begeleidingsdiensten, als vermeld in artikel 2, 42°, van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/01/2002 pub. 08/02/2002 numac 2001035155 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs sluiten2 betreffende het volwassenenonderwijs;20° werkplekleren : leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene en/of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is. Art. 4.§ 1. Het hoger beroepsonderwijs, afgekort HBO5, is hoger onderwijs dat beroepsgericht is, dat gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door instellingen voor voltijds secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs en hogescholen. § 2. Een opleiding van het hoger beroepsonderwijs leidt tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5, die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 5. § 3. Het hoger beroepsonderwijs wordt ingericht door centra voor volwassenenonderwijs en hogescholen. De opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vastgelegd in bijlage I bij het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/01/2002 pub. 08/02/2002 numac 2001035155 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs sluiten2 betreffende het volwassenenonderwijs, en de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs waarmee deze zijn geconcordeerd, zoals bepaald in § 4, tweede lid, worden ingericht door de centra voor volwassenenonderwijs. In afwijking van het eerste lid, wordt de HBO5-opleiding verpleegkunde ingericht door instellingen van het voltijds secundair onderwijs. § 4. De Vlaamse Regering legt een register aan van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die overeenkomstig dit decreet worden georganiseerd. In voorkomend geval beslist de Vlaamse Regering, na advies van de Commissie, over de concordantie tussen de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vastgelegd in bijlage I bij het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/01/2002 pub. 08/02/2002 numac 2001035155 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs sluiten2 betreffende het volwassenenonderwijs en de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs waartoe deze zijn omgevormd, overeenkomstig artikel 161. Art. 5.§ 1. Het voldoende beantwoorden aan de criteria van het beoordelingskader garandeert dat de instellingen een onderwijs aanbieden dat de cursisten bij de voltooiing van de opleiding van het hoger beroepsonderwijs leidt naar een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5, die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 5. § 2. Het beoordelingskader omvat de volgende criteria : 1° de onderwijsinhoud, die omvat in ieder geval het kwalificatieniveau van de opleiding, de competenties die in de opleiding worden behaald, waarin ten minste alle competenties zijn vervat van de onderwijskwalificatie waartoe de opleiding leidt, voldoende samenhang in het opleidingsprogramma, de studieomvang van de opleiding en de onderdelen ervan uitgedrukt in studiepunten, een duidelijke relatie tussen de doelstellingen en de inhoud van het opleidingsprogramma en een relevant aandeel werkplekleren;2° het onderwijsproces, dat omvat in ieder geval de aangewezen trajecten om in te stromen in de opleiding, de mogelijke verkorte of aangepaste trajecten in de opleiding van het hoger beroepsonderwijs, de mogelijke verkorte of aangepaste trajecten in aansluitende opleidingen in het hoger onderwijs, voldoende studiebegeleiding en inzichtelijke beoordeling en toetsing van het onderwijs en een flexibele organisatie van de opleiding.Een opleiding is flexibel als ten minste de inhoud en de organisatie van het programma goed aansluiten bij de beoogde doelgroep; 3° de uitkomst van het onderwijs, dit omvat in ieder geval voldoende maatschappelijke relevantie van de bereikte kwalificaties van afgestudeerden van de opleiding en voldoende rendement van de opleiding;4° de materiële voorzieningen, de kwaliteit van het personeel, de organisatie en de interne kwaliteitszorg. § 3. De visitaties van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs worden gecoördineerd door de Vlaamse Hogescholenraad, afgekort VLHORA, en de stuurgroep en verlopen op grond van een protocol van kwaliteitszorg dat door de inspectie, de VLHORA, de stuurgroep en het accreditatieorgaan, als vermeld in artikel 12, wordt vastgelegd en openbaar gemaakt, en dat is afgestemd op de criteria van het beoordelingskader, vermeld in § 2. Het protocol bevat minstens : 1° de wijze van afstemming op elkaar van de beoordelingskaders van het hoger beroepsonderwijs, enerzijds, en de beoordelingskaders gebruikt door de inspectie bij de doorlichtingen van secundaire scholen en centra voor volwassenenonderwijs die hoger beroepsonderwijs inrichten, en de beoordelingskaders gebruikt door de VLHORA bij de visitaties van hogescholen die hoger beroepsonderwijs inrichten, anderzijds;2° de afspraken over de afstemming van de visitaties van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, enerzijds, op de doorlichtingen van secundaire scholen en centra voor volwassenenonderwijs en de visitaties van de professionele bacheloropleidingen, anderzijds.Deze afspraken omvatten minimaal afspraken over de beoordeling van de materiële voorzieningen, de kwaliteit van het personeel, de organisatie en de interne kwaliteitszorg, als vermeld in § 2, 4°; 3° de afspraken over de wijze van organisatorische samenwerking bij de visitatie van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs als vermeld in artikel 26;4° de criteria voor de samenstelling van de visitatiecommissies die ervoor zorgen dat de leden in onafhankelijkheid kunnen oordelen;5° de mogelijkheid voor het instellingsbestuur om technische opmerkingen en inhoudelijke bezwaren over te maken alvorens de visitatiecommissie de externe beoordeling definitief vaststelt en de plicht voor de visitatiecommissie om ten aanzien van het instellingsbestuur schriftelijk te antwoorden op de geformuleerde inhoudelijke bezwaren. De Vlaamse Regering bekrachtigt het protocol na advies van de Vlaamse Onderwijsraad. HOOFDSTUK II. - Institutionele bepalingen Afdeling I. - Commissie Hoger Beroepsonderwijs Onderafdeling I. - Oprichting en samenstelling Art. 6.De Vlaamse Regering richt voor de toepassing van dit decreet een Commissie Hoger Beroepsonderwijs op bij de Vlaamse overheid. Art. 7.§ 1. De Commissie is samengesteld uit de volgende leden : 1° één werkend en een plaatsvervangende voorzitter;2° één werkend en een plaatsvervangend lid dat deskundig is met betrekking tot beroepsgerichte opleidingen in het secundair onderwijs;3° één werkend en een plaatsvervangend lid dat deskundig is met betrekking tot het hoger beroepsonderwijs in het volwassenenonderwijs;4° één werkend en een plaatsvervangend lid dat deskundig is met betrekking tot de professionele bachelors;5° één werkend en een plaatsvervangend lid dat deskundig is met betrekking tot de opleidingen van de publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;6° één werkend en een plaatsvervangend lid dat deskundig is met betrekking tot arbeidsmarktregie;7° twee wisselende leden die de sector of sectoren vertegenwoordigen van het beroep waartoe de opleiding hoger beroepsonderwijs leidt. De Vlaamse Regering stelt de leden aan en regelt de werking ervan. § 2. De Vlaamse Regering wijst onder de ambtenaren van de Vlaamse overheid de secretaris van de Commissie aan. Onderafdeling II. - Opdracht Art. 8.Uiterlijk zestig dagen vanaf de erkenning van een beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 5, als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling I, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, formuleert de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering een voorstel van onderwijskwalificatie(s) gebaseerd op de combinatie bedoeld in artikel 14, 5°, a), van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur en verleent de Commissie een advies aan de Vlaamse Regering over de volgende aspecten : 1° de wenselijkheid, de frequentie en de regionale spreiding van een aanbod van nieuwe opleidingen hoger beroepsonderwijs die leiden tot die onderwijskwalificatie;2° de studieomvang van de opleidingen hoger beroepsonderwijs die leiden tot die onderwijskwalificatie, uitgedrukt in studiepunten;3° de omzetting van studiepunten in lesuren of lestijden voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, aangeboden door de instellingen voor het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, respectievelijk de centra voor volwassenenonderwijs;4° de benamingen van de opleidingen in het hoger beroepsonderwijs en het studiegebied waartoe een opleiding behoort. Het voorstel van onderwijskwalificatie geformuleerd door de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering en het advies van de Commissie over de punten 1° tot en met 4° vermeld in het eerste lid worden voor advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voorgelegd. Na advies van de Vlaamse Onderwijsraad neemt de Vlaamse Regering een met redenen omklede beslissing. Art. 9.De Commissie oordeelt over de macrodoelmatigheid van een nieuwe opleiding van het hoger beroepsonderwijs als vermeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling II, onderafdeling I. In voorkomend geval geeft de Commissie samen met haar advies over de macrodoelmatigheid, als vermeld in artikel 20, een advies over de concordantie tussen de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vastgelegd in bijlage I bij het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/01/2002 pub. 08/02/2002 numac 2001035155 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs sluiten2 betreffende het volwassenenonderwijs en de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs waartoe deze zijn omgevormd, overeenkomstig artikel 161. Art. 10.De Commissie verleent haar akkoord of niet-akkoord over de samenstelling van de visitatiecommissies voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs als vermeld in artikel 27. De Commissie legt in een reglement de criteria vast op basis waarvan zij haar akkoord of niet-akkoord verleent over de samenstelling van de visitatiecommissies. Deze criteria omvatten minstens de criteria uit het protocol, als vermeld in artikel 5, § 3, 4°. Onderafdeling III. - Rapportering Art. 11.De Commissie rapporteert jaarlijks over haar werkzaamheden van het voorgaande kalenderjaar aan het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering. Afdeling II. - Accreditatieorgaan Onderafdeling I. - Aanwijzing en opdracht Art. 12.De Vlaamse Regering wordt gemachtigd de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie{edepart}, verder het accreditatieorgaan genoemd, aan te wijzen om overeenkomstig de bepalingen van dit decreet de « toets nieuwe HBO5-opleiding » uit te voeren en de accreditatie te verlenen voor het hoger beroepsonderwijs. Onderafdeling II. - Werking Art. 13.Het accreditatieorgaan legt in een reglement de volgende bestuursbeginselen op exhaustieve wijze vast : 1° de bestuursbeginselen die van toepassing zijn op de totstandkoming en de uitvoering van de beslissingen en reglementen die betrekking hebben op instellingen voor het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, centra voor volwassenenonderwijs en hogescholen die opleidingen van het hoger beroepsonderwijs aanbieden.Ten minste worden beginselen opgenomen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zorgvuldigheid en redelijkheid, formele motivering, openbaarheid, en rechtszekerheid, inzonderheid de wijze waarop onregelmatige beslissingen en reglementen kunnen worden ingetrokken; 2° de bestuursbeginselen inzake de behandeling van vragen of bezwaren en opmerkingen van instellingen voor het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, centra voor volwassenenonderwijs en hogescholen die opleidingen van het hoger beroepsonderwijs aanbieden of, in voorkomend geval, van elke andere Belgische rechtspersoon of natuurlijke persoon.Inzonderheid wordt het recht geregeld om zich bij de behartiging van zijn belangen in het verkeer met het accreditatieorgaan te laten bijstaan door een raadsman. Art. 14.§ 1. Elk uitvoerbaar reglement van het accreditatieorgaan betreffende de procedure volgens dewelke in het hoger beroepsonderwijs in de Vlaamse Gemeenschap de accreditatie wordt verleend en/of de « toets nieuwe HBO5-opleiding » wordt uitgevoerd en de accreditatiebesluiten, worden openbaar gemaakt. De accreditatiebesluiten worden bij uittreksel bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het uittreksel betreft de essentiële elementen van het dispositief. De accreditatiebesluiten en accreditatierapporten van het accreditatieorgaan worden integraal gepubliceerd op de website van het accreditatieorgaan. § 2. De beroepsprocedure, vermeld in artikel 47, die ingesteld kan worden tegen negatieve accreditatiebesluiten, is van overeenkomstige toepassing op de reglementen, vermeld in § 1, eerste lid. Voor de toepassing van artikel 47, § 2, 2°, wordt als ingangsdatum voor de beroepstermijn bij ontstentenis van betekening evenwel de datum van kennisname door de belanghebbende genomen. Art. 15.Het accreditatieorgaan is belast met de bewaring van de volgende documenten : 1° de toetsingsbesluiten en toetsingsrapporten inzake de « toets nieuwe HBO5-opleiding », en de stukken op grond waarvan die zijn uitgebracht;2° de accreditatiebesluiten en de accreditatierapporten, en de stukken op grond waarvan die zijn uitgebracht. De documenten, vermeld in het eerste lid, worden in goede, geordende en toegankelijke staat bewaard voor een periode van ten minste acht jaar. Onderafdeling III. - Rapportering Art. 16.Het accreditatieorgaan rapporteert jaarlijks over zijn werkzaamheden van het voorgaande kalenderjaar aan het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering. TITEL II. - Organisatie van het hoger beroepsonderwijs HOOFDSTUK I. - Programmatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs Afdeling I. - Algemeen Art. 17.§ 1. Een instellingsbestuur kan een opleiding van het hoger beroepsonderwijs programmeren als voldaan is aan volgende voorwaarden : 1° de opleiding heeft de « macrodoelmatigheidstoets », vermeld in afdeling II, onderafdeling I van dit hoofdstuk met positief gevolg ondergaan;2° de opleiding heeft de « toets nieuwe HBO5-opleiding », vermeld in afdeling II, onderafdeling II, van dit hoofdstuk met positief gevolg ondergaan. § 2. Als de programmatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs wordt aangevraagd, moet vanuit die opleiding een verkort of aangepast traject nagestreefd worden in een aansluitende professioneel gerichte bachelor in het hoger onderwijs, indien deze bestaat. Afdeling II. - Procedure Art. 18.§ 1. Indien een instellingsbestuur een nieuwe opleiding van het hoger beroepsonderwijs wil inrichten vanaf 1 september, moet zij een aanvraag indienen uiterlijk op 30 november van het voorafgaande kalenderjaar. Indien een instellingsbestuur een nieuwe opleiding van het hoger beroepsonderwijs wil inrichten vanaf 1 februari, moet zij een aanvraag indienen uiterlijk op 31 mei van het voorafgaande kalenderjaar. Het instellingsbestuur dient daartoe één dossier in bij de Commissie en het accreditatieorgaan. § 2. Het dossier vermeld in § 1 bevat minstens de volgende onderdelen : 1° een onderdeel dat de Commissie in staat stelt de « macrodoelmatigheidstoets », als vermeld in onderafdeling I van deze afdeling, door te voeren.Voor de inrichtende macht die deel uitmaakt van een scholengemeenschap moet dit onderdeel van de aanvraag in overeenstemming zijn met de gemaakte afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, als vermeld in artikel 71, 1°, van het decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs sluiten houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Het centrumbestuur heeft voor dit onderdeel van de aanvraag een advies nodig van het consortium volwassenenonderwijs, als vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/01/2002 pub. 08/02/2002 numac 2001035155 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs sluiten2 betreffende het volwassenenonderwijs. Het hogeschoolbestuur heeft voor dit onderdeel van de aanvraag een advies nodig van de associatie; 2° een onderdeel dat het accreditatieorgaan in staat stelt de « toets nieuwe HBO5-opleiding », als vermeld in onderafdeling II van deze afdeling, door te voeren. § 3. De Commissie en het accreditatieorgaan bepalen in overleg de vorm en de inhoud van het dossier dat bij de aanvraag wordt gevoegd. Als een aanvraag hieraan niet voldoet, bieden de Commissie en het accreditatieorgaan de gelegenheid binnen een daartoe gestelde termijn de onregelmatigheid te herstellen. Als van die gelegenheid niet dan wel op niet-afdoende wijze wordt gebruik gemaakt, wordt de aanvraag niet ontvankelijk verklaard. De Commissie en het accreditatieorgaan kunnen nadere regelen omtrent die procedure vaststellen. Art. 19.Na advies van de Vlaamse Onderwijsraad beslist de Vlaamse Regering over de aanvraag op basis van : 1° het advies van de Commissie over de « macrodoelmatigheidstoets », als vermeld in artikel 20;2° het advies van het accreditatieorgaan over de « toets nieuwe HBO5-opleiding » als vermeld in artikel 22;3° de eventuele opmerkingen van het instellingsbestuur naar aanleiding van de toetsingsrapporten als vermeld in de artikelen 21, § 2, en 23, § 2. Indien de Vlaamse Onderwijsraad nalaat een advies uit te brengen binnen de termijn van 30 kalenderdagen, als vermeld in artikel 72 van het decreet van 2 april 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/04/2004 pub. 06/08/2004 numac 2004036255 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad sluiten betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, wordt het advies geacht gunstig te zijn. In het geval de aanvraag betrekking heeft op een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een onderdeel ervan ingericht door een hogeschool, bevat het besluit van de Vlaamse Regering een raming van de verwachte kosten voor de inrichting van de opleiding of het onderdeel ervan voor de eerste drie jaren vanaf de opstart. De Vlaamse Regering maakt het besluit over aan het instellingsbestuur binnen een termijn van dertig kalenderdagen. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. Een positief besluit over een aanvraag van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs vervalt op het einde van het vierde schooljaar of academiejaar dat volgt op de dag van de start van de opleiding in kwestie. Een positief besluit over de aanvraag vervalt automatisch indien het instellingsbestuur de opleiding niet start in het tweede schooljaar of academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. Onderafdeling I. - De macrodoelmatigheidstoets Art. 20.De Commissie voert, rekening houdend met de bepalingen in artikel 4, de « macrodoelmatigheidstoets » uit en geeft een positief of negatief advies over de macrodoelmatigheid van de opleiding in de instelling in kwestie op basis van volgende criteria : 1° een regionale nood aan de opleiding in de betrokken instelling en een door de beroepswereld expliciet geformuleerde behoefte aan afgestudeerden in de betreffende opleiding;2° het bestaande aanbod van verwante opleidingen en, in voorkomend geval, de andere aanvragen van verwante nieuwe opleidingen;3° de verwachte instroom;4° de verwachte uitstroom van de opleiding;5° de mate waarin de opleiding gericht is op de beoogde doelgroep(en);6° de beschikbare infrastructuur;7° de beschikbaarheid van plaatsen voor werkplek-leren;8° de beschikbaarheid van middelen om het volledige opleidingstraject te kunnen aanbieden;9° de beschikbare expertise in de instelling;10° de samenwerking met andere onderwijsinstellingen of publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen, minstens in functie van het uittekenen van de aangewezen trajecten om in te stromen in de opleiding, en de mogelijke verkorte of aangepaste trajecten in de opleiding van het hoger beroepsonderwijs;11° de samenwerking met andere onderwijsinstellingen, minstens in functie van het uittekenen van de mogelijke verkorte of aangepaste trajecten in aansluitende opleidingen in het hoger onderwijs indien deze bestaan;12° de samenwerking met de arbeidsmarkt;13° de samenwerking met publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;14° het geheel van de aangevraagde opleidingen.Dit betekent dat een positieve of negatieve beslissing mede bepaald wordt op basis van de nood op de arbeidsmarkt aan de verschillende beroepskwalificaties waarvoor een aanvraag tot opleiding werd ingediend. Art. 21.§ 1. De Commissie adviseert over de « macrodoelmatigheidstoets » uiterlijk op 15 maart voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november van het voorafgaande kalenderjaar zijn ingediend, en uiterlijk op 30 september voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei van hetzelfde kalenderjaar zijn ingediend. § 2. De Commissie bezorgt uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de termijn als vermeld in § 1 een ontwerp van toetsingsrapport aan de instelling, die de mogelijkheid krijgt om opmerkingen te formuleren. § 3. Het instellingsbestuur kan het onderdeel van de aanvraag voor de « macrodoelmatigheidstoets » intrekken uiterlijk binnen de termijn van twintig kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het ontwerp. Het instellingsbestuur beschikt over een termijn van zestig kalenderdagen om het onderdeel van de aanvraag voor de « macrodoelmatigheidstoets » opnieuw in te dienen bij de Commissie. De termijn van zestig kalenderdagen gaat in op de dag na de intrekking van de initiële aanvraag. De termijnen, lopende vanaf de datum waarop de aanvraag uiterlijk ingediend moet zijn tot en met de datum waarop de Commissie en het accreditatieorgaan uiterlijk hun advies uitbrengen, als vermeld in § 1, en artikel 23, § 1, worden in geval van intrekking van het onderdeel van de aanvraag voor de « macrodoelmatigheidstoets » geschorst vanaf de intrekking van het onderdeel van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan. Onderafdeling II. - Toets nieuwe HBO5-opleiding Art. 22.Het accreditatieorgaan geeft een positief of negatief advies over de « toets nieuwe HBO5-opleiding » van de opleiding in de instelling in kwestie op basis van het voldoende beantwoorden aan de criteria van het beoordelingskader als vermeld in artikel 5, § 2, 1° en 2°. De bevindingen van het accreditatieorgaan worden neergelegd in een toetsingsrapport. Art. 23.§ 1. Het accreditatieorgaan adviseert over de « toets nieuwe HBO5-opleiding » uiterlijk op 15 maart voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november van het voorafgaande kalenderjaar zijn ingediend, en uiterlijk op 30 september voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei van hetzelfde kalenderjaar zijn ingediend. § 2. Het accreditatieorgaan bezorgt uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de termijn als vermeld in § 1 een ontwerp van toetsingsrapport aan de instelling, die de mogelijkheid krijgt om opmerkingen te formuleren. § 3. Het instellingsbestuur kan het onderdeel van de aanvraag voor de « toets nieuwe HBO5-opleiding » intrekken uiterlijk binnen de termijn van twintig kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het ontwerp. Het instellingsbestuur beschikt over een termijn van zestig kalenderdagen om de het onderdeel van de aanvraag voor de « toets nieuwe HBO5-opleiding » opnieuw in te dienen bij het accreditatieorgaan. De termijn van zestig kalenderdagen gaat in op de dag na de intrekking van de initiële aanvraag. De termijnen, lopende vanaf de datum waarop de aanvraag uiterlijk ingediend moet zijn tot en met de datum waarop de Commissie en het accreditatieorgaan uiterlijk hun advies uitbrengen, als vermeld in § 1, en artikel 21, § 1, worden in geval van intrekking van het onderdeel van de aanvraag voor de « toets nieuwe HBO5-opleiding » geschorst vanaf de intrekking van het onderdeel van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan. HOOFDSTUK II. - Kwaliteitszorg Afdeling I. - Interne kwaliteitszorg Art. 24.De instellingen die opleidingen van het hoger beroepsonderwijs aanbieden zorgen voor de interne kwaliteitszorg van de onderwijsactiviteiten in het kader van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs. Ze zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun opleidingen van het hoger beroepsonderwijs. Afdeling II. - Externe kwaliteitszorg Onderafdeling I. - De visitatie Art. 25.De visitatie vindt ten minste om de acht jaar plaats voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs. Art. 26.De visitatie wordt uitgevoerd, naar gelang het geval, per opleiding hoger beroepsonderwijs of per cluster van opleidingen voor alle instellingen die de opleiding of de cluster van opleidingen organiseren. De VLHORA en de stuurgroep bepalen de clusters van opleidingen in overleg met de inspectie. In elk geval worden opleidingen geclusterd binnen eenzelfde studiegebied. Art. 27.§ 1. De visitatie wordt uitgevoerd door een visitatiecommissie die de beoordeling van een opleiding hoger beroepsonderwijs of een cluster van opleidingen voor alle instellingen die de opleiding of de cluster van opleidingen organiseren, afrondt binnen een bestek van vierentwintig maanden. § 2. De VLHORA en de stuurgroep stellen de visitatiecommissies samen. Ze dragen er zorg voor dat de leden van de visitatiecommissie in onafhankelijkheid kunnen oordelen overeenkomstig het protocol als vermeld in artikel 5, § 3. Van de visitatiecommissie maakt ten minste één deskundige deel uit die het beroepenveld van de opleiding of cluster van opleidingen vertegenwoordigt. Van de visitatiecommissie maakt ten minste één cursist deel uit die op het moment van de samenstelling van de commissie ingeschreven is aan een opleiding hoger beroepsonderwijs. Als blijkt dat geen cursist bereid gevonden wordt om zitting te nemen in een visitatiecommissie, kan de visitatiecommissie toch haar taak uitvoeren. § 3. De Commissie verleent haar akkoord of niet-akkoord over de samenstelling van de visitatiecommissie. Indien zij niet akkoord gaat met de samenstelling legt de VLHORA en de stuurgroep een nieuw voorstel voor, rekening houdend met de motivering van de Commissie. Art. 28.De VLHORA en de stuurgroep bezorgen aan het instellingsbestuur een ontwerp van een visitatierapport. Art. 29.De visitatiecommissie(s) brengt of brengen de uitkomst van hun beoordeling van de opleiding of cluster van opleidingen samen in een openbaar visitatierapport. De datum van vaststelling van het visitatierapport wordt in het rapport vermeld. De visitatierapporten worden door de VLHORA en de stuurgroep integraal openbaar gemaakt. Onderafdeling II. - Accreditatie Sectie I. - Aanvraag accreditatie bij het accreditieorgaan, als vermeld in artikel 12 Art. 30.Het instellingsbestuur vraagt een accreditatie aan binnen 60 dagen na de vaststelling van het visitatierapport, vermeld in artikel 29, of, in voorkomend geval, binnen een maand na de accreditatie, verleend door een ander accreditatieorgaan, als vermeld in artikel 33. De datum van het eerste accreditatiebesluit is richtinggevend voor de overige besluiten in de cohorte in kwestie. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In de termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt, inbegrepen. Art. 31.De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel 52 wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de instellingen in kwestie. In de overeenkomst tussen de instellingen in kwestie worden hiertoe de nodige modaliteiten en afspraken vastgelegd. Als het gaat om een gezamenlijke diplomering met een buitenlandse instelling wordt de aanvraag ingediend door de Vlaamse onderwijsinstelling. Art. 32.§ 1. Het accreditatieorgaan bepaalt bij reglement de vorm en de inhoud van het dossier dat bij de aanvraag moet worden gevoegd. Een instellingsbestuur dat een inhoudelijk bezwaar, vermeld in artikel 5, § 3, tweede lid, 5°, heeft gemaakt ten aanzien van het ontwerp van de externe beoordeling, kan aan de accreditatieaanvraag een aanvullende nota toevoegen, indien de definitief vastgestelde gepubliceerde externe beoordeling dat bezwaar kennelijk veronachtzaamt. Als een aanvraag niet voldoet aan de vermelde regelen, biedt het accreditatieorgaan de gelegenheid binnen een daartoe gestelde termijn de onregelmatigheid te herstellen. Als van die gelegenheid niet dan wel op niet afdoende wijze wordt gebruikgemaakt, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. Het accreditatieorgaan kan nadere regelen omtrent die procedure vaststellen in het reglement, vermeld in het eerste lid. § 2. Het dossier omvat in ieder geval een openbare visitatie van de opleiding en indien van toepassing overeenkomstig het protocol, als vermeld in artikel 5, § 3, het doorlichtingsverslag van de instelling of het visitatierapport van de professionele bacheloropleiding. Sectie II. - Accreditaties, verleend door andere accreditatieorganen Art. 33.Het accreditatieorgaan, als vermeld in artikel 12, kan de accreditatie verlenen op grond van een als equivalent erkende accreditatie, verleend door een ander accreditatieorgaan. Het accreditatieorgaan gaat daarbij na of de accreditaties worden verleend volgens een vergelijkbare methodologische aanpak als de accreditaties die ter uitvoering van dit decreet worden verleend. Indien het accreditatieorgaan meent dat een oordeel van een ander accreditatieorgaan niet beschouwd kan worden als een accreditatiebesluit, kan de accreditatieprocedure desalniettemin worden voortgezet. Het oordeel wordt in dat geval beschouwd als een visitatie. Sectie III. - Accreditatiekader Art. 34.§ 1. De accreditatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs is afhankelijk van het voldoende beantwoorden aan de criteria van het beoordelingskader, als vermeld in artikel 5. § 2. Het accreditatiekader is afgestemd op het protocol van kwaliteitszorg als vermeld in artikel 5, § 3. Sectie IV. - Onderzoek Art. 35.De accreditatie wordt verleend als het accreditatieorgaan op basis van het dossier, als vermeld in artikel 32, in redelijkheid meent te kunnen besluiten dat voldoende beantwoord is aan de criteria van het beoordelingskader. Art. 36.Het accreditatieorgaan legt de bevindingen van de toetsing, vermeld in artikel 35, vast in een accreditatierapport dat als motivering geldt van het accreditatiebesluit. Art. 37.Het accreditatieorgaan bezorgt uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de beslissingtermijn, vermeld in artikel 41, een ontwerp van accreditatierapport en accreditatiebesluit aan de instelling. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om opmerkingen te formuleren. Het accreditatieorgaan bepaalt in het reglement, vermeld in artikel 13, de wijze waarop de opmerkingen worden behandeld. Art. 38.Het accreditatieorgaan kan in de loop van de accreditatieprocedure aanvullende informatie inwinnen. Het kan daartoe een hoorzitting organiseren. Art. 39.Het instellingsbestuur kan een opleiding terugtrekken uit de accreditatieprocedure. Sectie V. - Accreditatiebesluit Art. 40.Het accreditatieorgaan neemt een positief of een negatief accreditatiebesluit. Art. 41.§ 1. Het accreditatieorgaan neemt een besluit binnen een termijn van vier maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag tot accreditatie. De termijn wordt berekend van maand tot maand en van dag tot dag. De dag van de ontvangst van de aanvraag tot accreditatie is in de termijn begrepen. Als het accreditatieorgaan binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen besluit heeft getroffen, wordt de geldigheidsduur van de lopende accreditatie of het positief besluit van de Vlaamse Regering, als vermeld in artikel 19, verlengd tot het einde van het schooljaar of academiejaar waarin het accreditatiebesluit uiteindelijk wordt genomen. § 2. Het accreditatiebesluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan het instellingsbestuur. § 3. De accreditatie vervalt op het einde van het achtste schooljaar of academiejaar dat volgt op de dag van de inwerkingtreding van het accreditatiebesluit. Sectie VI. - Traject dat leidt tot een tijdelijke erkenning op aanvraag Art. 42.Indien het accreditatiebesluit over een opleiding negatief is, kan het instellingsbestuur een aanvraag om een tijdelijke erkenning indienen bij de Vlaamse Regering. De aanvraag wordt ingediend binnen een termijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van bekendmaking van het accreditatiebesluit aan het instellingsbestuur. Bij de aanvraag is een gedetailleerd verbeteringsplan gevoegd waarin het instellingsbestuur op een toetsbare wijze aangeeft hoe het voornemens is de kwaliteit en het niveau te verbeteren. Art. 43.De Vlaamse Regering neemt een besluit binnen een termijn van drie maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag. De termijn wordt berekend van maand tot maand en van dag tot dag. De dag van de ontvangst van de aanvraag is in de termijn begrepen. Indien het besluit niet binnen de termijn van drie maanden aan het instellingsbestuur bekend is gemaakt, wordt het geacht positief te zijn. De Vlaamse Regering neemt het besluit op grond van een vergelijking van de voorgestelde verbeteringen met de vastgestelde tekorten. Zij oordeelt of de voorgestelde verbeteringen realistisch en haalbaar zijn en of ze van die aard zijn dat de opleiding bij realisatie de toets inzake voldoende beantwoorden aan de criteria van het beoordelingskader met goed gevolg zal kunnen doorstaan. De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan het besluit het advies in van de Commissie. De Vlaamse Regering stelt de nadere procedure voor de tijdelijke erkenning op aanvraag vast. Art. 44.Het besluit, als vermeld in artikel 43, treedt in werking met ingang van de dag waarop de vorige accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding vervalt. De duur van de tijdelijke erkenning varieert van één jaar tot maximum drie jaar. In het geval van een impliciet positieve beslissing, wordt de tijdelijke erkenning geacht te zijn toegekend voor de door het instellingsbestuur gevraagde duur, die rekening dient te houden met de minimumduur van één jaar en de maximumduur van drie jaar. Art. 45.§ 1. Het instellingsbestuur dient uiterlijk een maand voor het verstrijken van de termijn, als vermeld in artikel 44, tweede lid, een nieuwe accreditatieaanvraag in. De accreditatie van de opleiding gebeurt aan de hand van een verkorte procedure. Bij de accreditatieaanvraag moet een nieuwe beperkte visitatie worden gevoegd. Het accreditatierapport heeft enkel betrekking op de elementen van de nieuwe beperkte visitatie. § 2. Het accreditatieorgaan delibereert opnieuw over de ingediende accreditatieaanvraag en deelt het nieuwe accreditatiebesluit mee aan het instellingsbestuur binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van de accreditatieaanvraag. Als het accreditatieorgaan binnen de termijn, als vermeld in het eerste lid, geen besluit heeft getroffen, wordt de geldigheidsduur van de tijdelijke erkenning op aanvraag verlengd tot het einde van het schooljaar of academiejaar waarbinnen het accreditatiebesluit uiteindelijk wordt genomen. Art. 46.Het accreditatiebesluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. De accreditatie vervalt op het einde van het achtste schooljaar of academiejaar volgend op de dag van de inwerkingtreding van het accreditatiebesluit. Sectie VII. - Traject bij niet-instemming met een negatief accreditatiebesluit Art. 47.§ 1. Iedere belanghebbende kan bij de Vlaamse Regering een georganiseerd beroep instellen tegen een beslissing van het accreditatieorgaan waarbij aan een opleiding de accreditatie wordt onthouden. § 2. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van dertig kalenderdagen. Die termijn gaat in als volgt : 1° de dag na deze van de betekening aan de belanghebbende;2° bij ontstentenis van betekening : de dag na deze van de bekendmaking bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad. § 3. De Vlaamse Regering toetst een betwiste beslissing aan de bepalingen van dit decreet en van het reglement, vermeld in artikel 13. Ze vernietigt de beslissing als die kennelijk niet in overeenstemming met die bepalingen is. § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het verloop van de beroepsprocedure. Ze houdt daarbij rekening met de regelen inzake de hoorplicht. Art. 48.Als het accreditatiebesluit over een opleiding negatief is, geniet de opleiding van rechtswege een tijdelijke erkenning in de volgende gevallen : 1° hangende het beroep bij de Vlaamse Regering, ingesteld door het instellingsbestuur overeenkomstig de bepalingen van artikel 47.Het beroep wordt geacht aanhangig te zijn tot aan de nieuwe beslissing van het accreditatieorgaan, vermeld in het derde lid. De tijdelijke erkenning van rechtswege wordt niet toegekend indien het beroep wordt ingesteld door een andere belanghebbende dan het instellingsbestuur; 2° hangende enig jurisdictioneel beroep, ingesteld door het instellingsbestuur tegen het accreditatiebesluit en/of de beslissing van de Vlaamse Regering om het aangevochten accreditatiebesluit niet te vernietigen.De tijdelijke erkenning van rechtswege wordt niet toegekend als het beroep wordt ingesteld door enige andere belanghebbende, onverminderd de eventueel door het bevoegde gerecht toegekende voorlopige maatregelen. De tijdelijke erkenning van rechtswege wordt beëindigd op het einde van het schooljaar of academiejaar waarbinnen de beroepen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, opgehouden hebben aanhangig te zijn. Als de Vlaamse Regering een negatief accreditatiebesluit heeft vernietigd, moet het accreditatieorgaan opnieuw delibereren over de ingediende accreditatieaanvraag met inachtname van de dragende motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen. Het nieuwe accreditatiebesluit wordt aan het instellingsbestuur meegedeeld binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat de dag na deze waarop de vernietigingsbeslissing werd genomen. Sectie VIII. - Afbouw van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs Art. 49.§ 1. Een opleiding van het hoger beroepsonderwijs wordt afgebouwd in de volgende gevallen : 1° als het instellingsbestuur nalaat een accreditatieaanvraag in te dienen bij het accreditatieorgaan voor de opleiding overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.De periode van drie schooljaren, vermeld in § 2, begint te lopen vanaf het schooljaar of academiejaar dat volgt op het schooljaar of academiejaar waarbinnen de termijnen, vermeld in artikel 30 of artikel 45, § 1, verstrijken; 2° in geval van een negatief accreditatiebesluit of een negatief besluit over de tijdelijke erkenning op aanvraag voor de opleiding.De periode van drie schooljaren, vermeld in § 2, begint te lopen vanaf het schooljaar of academiejaar dat volgt op het schooljaar of academiejaar waarbinnen het negatieve accreditatiebesluit of het negatieve besluit over de tijdelijke erkenning op aanvraag is genomen. In de gevallen, vermeld in artikel 48, wordt die termijn verlengd met de termijn waarin de opleiding tijdelijk is erkend van rechtswege. § 2. De cursisten, ingeschreven in een opleiding van het hoger beroepsonderwijs op het ogenblik dat beslist wordt tot afbouw, moeten de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een onderdeel. De afbouw moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren of academiejaren. TITEL III. - Samenwerking bij de organisatie van het hoger beroepsonderwijs Art. 50.Voor de organisatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs kan een instelling van het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, een centrum voor volwassenenonderwijs of een hogeschool samenwerken met : 1° één of meerdere onderwijsinstellingen;2° één of meerdere publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;3° één of meerdere sectoren van het beroep waartoe de opleiding leidt;4° bedrijven of organisaties. Binnen dat samenwerkingsverband wordt steeds één onderwijsinstelling aangewezen als coördinerende instelling. Uitsluitend de coördinerende instelling is bevoegd en verantwoordelijk voor programmatie, evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg. Onderwijsinstellingen of publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen binnen een samenwerkingsverband, buiten de coördinerende instelling, kunnen slechts onderdelen van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs inrichten. In het geval het samenwerkingsverband betrekking heeft op de organisatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs, vastgelegd in bijlage I bij het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/01/2002 pub. 08/02/2002 numac 2001035155 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs sluiten2 betreffende het volwassenenonderwijs of een opleiding van het hoger beroepsonderwijs waarmee deze zijn geconcordeerd, overeenkomstig artikel 4, § 4, tweede lid, dan is de coördinerende instelling een centrum voor volwassenenonderwijs. In het geval het samenwerkingsverband betrekking heeft op de organisatie van de HBO5-opleiding verpleegkunde dan is de coördinerende instelling een instelling van het voltijds secundair onderwijs. Art. 51.De samenwerking tussen de instellingen of organisaties, vermeld in artikel 50, wordt vastgelegd in een overeenkomst. In die samenwerkingsovereenkomst worden ten minste de volgende elementen opgenomen : 1° de samenwerkende instellingen of organisaties;2° de coördinerende onderwijsinstelling;3° de invulling van de samenwerking;4° de looptijd van de samenwerking;5° in voorkomend geval, de afspraken over het inzetten van personeel. Het protocol van de onderhandelingen hierover in de lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd; 6° de afspraken over de evaluatie en de kwaliteitszorg in geval van de gezamenlijke organisatie (van een onderdeel) van een opleiding of andere onderwijs, leer- en evaluatieactiviteiten. De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de onderwijsinstelling of de onderwijsinstellingen in kwestie ter inzage met het oog op administratieve en externe kwaliteitscontrole. Art. 52.§ 1. Indien instellingen een gezamenlijke opleiding van het hoger beroepsonderwijs inrichten kunnen zij in afwijking van artikel 50 in dat geval overgaan tot gezamenlijke diplomering. In geval van gezamenlijke diplomering reiken de twee instellingen samen één diploma uit nadat de student de gezamenlijke opleiding met succes heeft afgerond. § 2. Instellingen voor het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, centra voor volwassenenonderwijs en hogescholen anderzijds kunnen in het kader van het hoger beroepsonderwijs een gezamenlijk diploma van gegradueerde uitreiken. Art. 53.§ 1. In geval van samenwerking bij de organisatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs door een instelling van het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, enerzijds, met één of meer andere instellingen van het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, of één of meer centra voor volwassenenonderwijs of één of meer hogescholen anderzijds schrijft de cursist zich voor de totaliteit van de opleiding in bij de coördinerende instelling. Op het vlak van de financiering of subsidiëring gelden de vigerende decretale en regelgevende bepalingen van de coördinerende instelling. Een instelling van het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, kan als coördinerende onderwijsinstelling, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een centrum voor volwassenenonderwijs of een hogeschool waarmee wordt samengewerkt om een opleiding van het hoger beroepsonderwijs te organiseren. In het geval van overdracht van uren-leraar naar een hogeschool worden de betrokken uren-leraar omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van die overdracht aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten en aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen, de grootte van dat krediet per uur-leraar dat wordt omgezet, en de wijze van toekenning ervan. § 2. In geval van samenwerking bij de organisatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs door één of meer centra voor volwassenenonderwijs of één of meer hogescholen, wordt de cursist per onderdeel bij de organiserende onderwijsinstellingen ingeschreven. Op het vlak van de financiering of subsidiëring gelden de vigerende decretale en regelgevende bepalingen van de organiserende instellingen. De coördinerende instelling voorziet één inschrijvingsloket voor de cursist. TITEL IV. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen Afdeling I. - Wijzigingen betreffende het voltijds secundair onderwijs Onderafdeling I. - Wijzigingen aan de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving Art. 54.In artikel 3, § 8, 1°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, toegevoegd bij het decreet van 31 juli 1990 en gewijzigd bij de decreten van 9 april 1992, 25 juni 1992 en 4 juli 2008, wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « In afwijking daarvan worden voor de telling per instelling voor voltijds secundair onderwijs van het aantal regelmatige leerlingen van de opties van de derde graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs aangeduid als secundair na secundair en van het aantal cursisten van het hoger beroepsonderwijs, twee data vastgesteld in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar, namelijk 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt, en 1 juni of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt. Op elke datum wordt een regelmatige leerling of cursist voor een halve eenheid in aanmerking genomen. » Onderafdeling II. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs Art. 55.In artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs, gewijzigd bij het decreet van 19 april 1995, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt : « Het secundair onderwijs wordt verstrekt gedurende een maximum aantal wekelijkse lestijden dat op 32 is vastgesteld, met uitzondering van het onderwijs in : 1° het tweede leerjaar van de eerste graad met tenminste 4 wekelijkse lestijden praktische vakken en het beroepsvoorbereidend leerjaar, waarvoor dit maximum 34 bedraagt;2° de derde graad van het algemeen secundair onderwijs met tenminste 2 wekelijkse lestijden lichamelijke opvoeding en tenminste 1 wekelijkse lestijd artistieke opvoeding of esthetica, waarvoor dit maximum 33 bedraagt;3° het technisch, het kunst- en het beroepssecundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, waarvoor dit maximum 36 bedraagt.» Onderafdeling III. - Wijzigingen aan het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II Art. 56.In artikel 46, § 2, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, gewijzigd bij de decreten van 19 april 1995 en 8 juli 1996, wordt in het eerste lid de tweede zin vervangen door wat volgt : « In afwijking van deze bepaling : 1° kan het onderwijs worden verstrekt gedurende twintig weken per jaar in die structuuronderdelen waarvoor dit decreet de duurtijd in semesters uitdrukt;voor de HBO5-opleiding verpleegkunde geldt deze bepaling enkel bij modulaire organisatie; 2° wordt het minimum aantal wekelijkse lesuren voor de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs vastgesteld op 36.» Art. 57.In artikel 47 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/02/2003 pub. 01/07/2003 numac 2003035650 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs XIV type decreet prom. 14/02/2003 pub. 16/07/2003 numac 2003035690 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en van instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1999 sluiten en gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/01/2002 pub. 08/02/2002 numac 2001035155 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs sluiten1, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het punt 1° worden de woorden « onderafdeling 3bis » vervangen door de woorden « onderafdeling 3 »;2° in het punt 4° worden de woorden « onderafdelingen 1, 2, 3 en 6 » vervangen door de woorden « onderafdelingen 1, 2 en 6 ». Art. 58.In artikel 48 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994, 19 april 1995, 14 februari 2003 en 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het punt 7° wordt vervangen door wat volgt : « 7° optie : een leervak of een groep leervakken die, met uitzondering van de eerste graad, het karakteristieke van de opleiding bepalen en die bestaat uit het fundamenteel gedeelte dat de studierichting bepaalt en eventueel het complementair gedeelte;voor het hoger beroepsonderwijs wordt onder optie de opleiding verpleegkunde verstaan; »; 2° een punt 11° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt : « 11° cursist : een regelmatige leerling in het hoger beroepsonderwijs.» Art. 59.De onderafdelingen 2 en 3 van hetzelfde decreet worden vervangen door wat volgt : « Onderafdeling 2. - Structuur en organisatie. Art. 49.Vanaf het schooljaar 2009-2010 bestaat het voltijds secundair onderwijs uit : 1° de eerste graad, opgebouwd uit : a) een eerste leerjaar A;b) een eerste leerjaar B, bestemd voor leerlingen die behoefte hebben aan een aangepast onderwijs;c) een tweede leerjaar van de eerste graad, waarin basisopties worden onderscheiden;d) een beroepsvoorbereidend leerjaar, waarin beroepenvelden worden onderscheiden;2° de tweede graad, opgebouwd uit : a) een eerste leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;b) een tweede leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;c) uitsluitend in het beroepssecundair onderwijs : een derde leerjaar aangeduid als vervolmakingsjaar, waarin opties worden onderscheiden;3° de derde graad, opgebouwd uit : a) een eerste leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;b) een tweede leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;c) uitsluitend in het algemeen en het kunstsecundair onderwijs : een derde leerjaar aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, waarin opties worden onderscheiden;d) uitsluitend in het technisch en het kunstsecundair onderwijs : niet-leerjaar-gebonden opties aangeduid als secundair na secundair, afgekort Se-n-Se;e) uitsluitend in het beroepssecundair onderwijs : een derde leerjaar aangeduid als specialisatiejaar, waarin opties worden onderscheiden, en een derde leerjaar aangeduid als naamloos leerjaar;4° uitsluitend in het beroepssecundair onderwijs : de vierde graad, waarin de opties modevormgeving en plastische kunsten worden onderscheiden, opgebouwd uit : a) een eerste leerjaar;b) een tweede leerjaar. Met ingang van het schooljaar 2012-2013 wordt de vierde graad evenwel progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste, afgebouwd. Vanaf het schooljaar 2009-2010 wordt de opleiding verpleegkunde aangeduid als hoger beroepsonderwijs, behorend tot het niveau hoger onderwijs. Ze kan evenwel uitsluitend worden ingericht door instellingen voor voltijds secundair onderwijs. Alle wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op het voltijds secundair onderwijs of op instellingen voor voltijds secundair onderwijs, zijn, in voorkomend geval en tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, ook onverminderd van toepassing op de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. Art. 50.Teneinde overeenstemming te bereiken met de structuur als vermeld in artikel 49, wordt per 1 september 2009 : 1° de optie verpleegkunde van de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs van rechtswege omgezet naar een gelijknamige opleiding van het hoger beroepsonderwijs met een duurtijd van zes semesters;2° elke tot en met het schooljaar 2008-2009 bestaande optie van het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs aangeduid als specialisatiejaar, van rechtswege omgezet naar een ge …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.