← België

Decreet betreffende de milieuvergunning

Kort samengevat

Dit decreet regelt de milieuvergunning in het Waalse Gewest om mens en milieu te beschermen tegen de gevaren, hinder of ongemakken die installaties en activiteiten kunnen veroorzaken. Het stelt regels vast voor de exploitatie, verplaatsing, verbouwing of uitbreiding van dergelijke inrichtingen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
11 MAART 1999. - Decreet betreffende de milieuvergunning (1) De Waalse Gewestraad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Begripsomschrijving Artikel 1.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° milieuvergunning : beslissing van de bevoegde overheid op grond waarvan een exploitant gedurende een bepaalde tijd en onder bepaalde voorwaarden een inrichting van eerste of tweede klasse mag exploiteren, verplaatsen, verbouwen of uitbreiden;2° aangifte : handeling waarbij de aangever de bevoegde overheid op de bij dit decreet bepaalde wijze in kennis stelt van zijn bedoeling een inrichting van klasse 3 te exploiteren;3° inrichting : technisch-geografische eenheid bestaande uit één of meer installaties of activiteiten ingedeeld op het gebied van milieubescherming, alsmede elke andere installatie en/of activiteit die daarmee rechtstreeks verband houdt en een weerslag op de emissies en de verontreiniging kan hebben;4° tijdelijke inrichting : inrichting die tijdelijk is van wege haar aard en waarvan de vaste exploitatie niet langer duurt dan : a.drie jaar als de inrichting noodzakelijk is voor een bouwwerf; b. de termijn voor de sanering van de plaats als de inrichting bestemd is voor de sanering van een verontreinigde site;c. drie maanden of een kortere termijn die de Regering bepaalt voor inrichtingen die zij aanwijst;5° proefinrichting : inrichting die niet langer dan zes maanden mag functioneren en uitsluitend of voornamelijk gebruikt wordt om nieuwe methodes of producten tot stand te brengen of te testen;6° mobiele inrichting : door de Regering aangewezen installatie die is ontworpen om op verschillende plaatsen te worden geëxploiteerd en niet langer dan één jaar op dezelfde site;7° exploitatie : bouw, indienststelling, behoud, instandhouding, onderhoud of gebruik van een inrichting;8° exploitant : persoon die een ingedeelde inrichting exploiteert of voor wiens rekening een ingedeelde inrichting wordt geëxploiteerd;bij de procedure voor de vergunningafgifte wordt de aanvrager gelijkgesteld met de exploitant; 9° aangever : persoon die een aangifte doet;10° project : inrichting waarvoor een milieuvergunning of een aangifte vereist is;11° gemengd project : project waarvan bij de indiening van de vergunningaanvraag blijkt dat een milieu- of een stedenbouwvergunning vereist is voor de uitvoering ervan; 12° eenmalige vergunning : beslissing van de bevoegde overheid m.b.t. een gemengd project, gegeven na afloop van de procedure bedoeld in hoofdstuk XI en gelijkstaand met de milieuvergunning in de zin van artikel 1, 1°, van dit decreet en met de stedenbouwvergunning in de zin van de artikelen 84 en 127 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium; 13° sanering : geheel van handelingen om de inrichting weer in het leefmilieu te integreren, rekening houdende met het feit dat de nieuwe bestemming ervan een functioneel gebruik betreft, en/of om gevaar voor verontreiniging vanaf de inrichting te voorkomen;14° dossier van de milieueffectrapportering : korte uiteenzetting van de rapportering of effectonderzoek vereist krachtens de wetgeving op de organisatie van de milieueffectrapportering in het Waalse Gewest;15° bevoegde overheid : overheid die bevoegd is om de aangifte in ontvangst te nemen of om de milieuvergunning af te geven;16° technisch ambtenaar : de door de Regering aangewezen ambtenaar/ambtenaren;17° CWATUP : Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;18° gemachtigd ambtenaar : de door de Regering gemachtigde ambtenaar, in de zin van het `CWATUP';19° beste beschikbare technieken : meest doeltreffende en gevorderde ontwikkelingsfase van de installaties en activiteiten, alsmede van de wijze waarop ze ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en onderhouden worden, waarbij aangetoond wordt dat de specifieke technieken in princiep geschikt zijn om als grondslag te dienen voor de emissiegrenswaarden ter voorkoming en, als dit onmogelijk blijkt te zijn, ter algemene beperking van de emissies en van de weerslag ervan op het milieu in het algemeen, voor zover deze technieken tot stand gebracht worden op een schaal waarop ze in de betrokken industriesector toegepast kunnen worden met inachtneming van haalbare technisch-economische normen en voor zover ze in normale omstandigheden toegankelijk zijn;20° verontreiniging : het rechtstreeks of onrechtstreeks introduceren, via menselijke activiteiten, van stoffen, trillingen, warmte, lawaai in water, lucht of bodem, hetgeen de menselijke gezondheid of de milieukwaliteit kan schaden, goederen kan beschadigen, de erkenning van het milieu of andere legitieme gebruiken ervan kan benadelen of verhinderen;21° emissie : rechtstreekse of onrechtstreekse uitworp, vanaf punctuele of diffuse bronnen in de inrichting, van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem. Afdeling II. - Toepassingsgebied Art. 2.Dit decreet heeft ten doel in het kader van een geïntegreerd beleid inzake de vervuilingspreventie en -beperking mens en milieu te beschermen tegen gevaren, hinder of ongemakken die een inrichting rechtstreeks of onrechtstreeks zou kunnen veroorzaken tijdens of na de exploitatie ervan. Het betreft zowel de bevolking buiten de omheining van de inrichting als personen die binnen de inrichting niet dezelfde bescherming als de werknemers genieten. Dit decreet moet ook doelstellingen helpen nastreven zoals het klimatologische evenwicht, het behoud van de kwaliteit van het water, de lucht, de bodem, de ondergrond, de biodiversiteit en het milieu i.v.m. hinder, en het rationele beheer van water, grond, ondergrond, energie en afval. Art. 3.De installaties en activiteiten zijn opgenomen in rubrieken en onderverdeeld in drie klassen (klasse 1, klasse 2 en klasse 3), al naar gelang het afnemende belang van hun weerslag op mens en milieu, alsmede hun geschiktheid om aan algemene, sectorale en integrale normen te voldoen. Klasse 3 omvat de installaties en activiteiten die weinig effect op mens en milieu hebben en waarvoor de Regering integrale normen heeft uitgevaardigd. Voor de bepaling van de klasse van de inrichting wordt uitgegaan van de installatie of activiteit die de meeste weerslag op mens of milieu heeft. De lijst en de indeling van de installaties en activiteiten worden door de Regering bepaald. Als de Regering wijzigingen aanbrengt in de lijst en de indeling van de installaties, moet ze haar beslissing met redenen omkleden. Afdeling III. - Algemene, sectorale, integrale en specifieke normen Art. 4.De Regering bepaalt de algemene, sectorale, integrale en specifieke normen waaraan voldaan moet worden om de in artikel 2 bedoelde doelstellingen te halen. Ze hebben reglementaire waarde. De algemene, sectorale, integrale en bijzondere normen worden bepaald op grond van richtlijnen op middellange en lange termijn die vastliggen in het Milieuplan voor een duurzame ontwikkeling en in sectorale programma's bedoeld in het decreet van 21 april 1994 betreffende de milieuplanning in het kader van de duurzame ontwikkeling. Deze normen kunnen o.a. betrekking hebben op : 1° het aanleggen van financiële garanties en de verplichting een verzekeringspolis aan te gaan;2° de bevoegdheid en de kwalificaties van het personeel en, met name, op de verplichting houder van een erkenning te zijn;3° de gegevens die regelmatig verstrekt moeten worden aan de overheden die de Regering aanwijst, en die betrekking hebben op : a.de emissies van de inrichting; b. de getroffen maatregelen om milieuhinder te beperken;c. de getroffen maatregelen voor de vorming van het personeel van de inrichting en de voorlichting van de omwonenden; 4° het toezicht op de lozingen, met opgave van de meetmethodes, en de frequentie ervan, de procedure voor de evaluatie van de maatregelen en de verplichting de bevoegde overheid de nodige gegevens te verstrekken i.v.m. de inachtneming van de exploitatienormen; 5° de vermindering, de minimalisering of de uitschakeling van de vervuiling, met inbegrip van de langeafstands- of grensoverschrijdende vervuiling;6° de voorschriften betreffende het opstarten, de lekkages, de slechte werking, de tijdelijke en de definitieve stopzetting van de exploitatie;7° de verplichting voor de exploitant de plaats te saneren na het verstrijken van de vergunning of van de aangifte, of in geval van opschorting of intrekking van de milieuvergunning of van de beslissing waarbij de opschorting of het verbod tot exploitatie van een inrichting waarvoor een aangifte verlangd wordt, onverminderd de bepalingen van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;8° het beheer van de afvalstoffen die de inrichting voortbrengt. Art. 5.§ 1. De algemene normen zijn van toepassing op het geheel van de installaties en activiteiten. § 2. De sectorale normen zijn van toepassing op de installaties en activiteiten van een territoriale economische sector of van een sector waar rekening moet worden gehouden met een specifiek risico. De sectoren worden door de Regering aangewezen. De Regering kan de vestiging van bepaalde installaties of activiteiten op bepaalde plaatsen ook beperken of verbieden om de mens of het milieu te beschermen. De sectorale normen vullen de algemene normen aan en kunnen ervan afwijken voor zover ze met redenen omkleed zijn. § 3. De integrale normen bestaan uit een geheel van voorschriften inzake de preventie of de beperking van elke vorm van hinder, gevaar of ongemak die de inrichting of de installatie voor de mens of het milieu kan inhouden. De integrale normen zijn van toepassing op de installaties van klasse 3. Ze kunnen afwijken van de algemene en sectorale normen. In geval van afwijking moet het verwachte resultaat voor de bescherming van de mens of het milieu ten minste gelijk zijn aan het resultaat dat behaald zou worden als er geen afwijking was. Art. 6.De bevoegde overheid kan specifieke normen opleggen die de algemene en sectorale normen van de milieuvergunning aanvullen. De specifieke normen mogen niet minder strikt zijn dan de algemene en sectorale normen, behalve in de gevallen en binnen de grenzen die in deze laatste vermeld worden. In geval van afwijking moet het verwachte resultaat voor de mens of het milieu ten minste gelijk zijn aan het resultaat dat behaald zou worden als er geen afwijking was. Art. 7.§ 1. Bij het vastleggen van algemene, sectorale of integrale normen neemt de Regering de imperatieve waarden in acht en houdt ze rekening met de richtwaarden inzake immissie. § 2. Bij het opleggen van specifieke normen neemt ook de bevoegde overheid de imperatieve waarden in acht en houdt ze eveneens rekening met de richtwaarden. Wat de inachtneming van de richtwaarden betreft, houdt de bevoegde overheid met name rekening met de specifieke kenmerken van de inrichting en het milieu waarin ze geëxploiteerd wordt, met de aanwezigheid of afwezigheid van andere inrichtingen of geplande inrichtingen, met de noodzaak voor een juiste verdeling te zorgen, en, in voorkomend geval, met de gevolgen van een vergunningweigering op de leefbaarheid van een bedrijf en, bijgevolg, op de economische welvaart en het tewerkstellingsniveau. Bij het vastleggen van specifieke normen moet de bevoegde overheid zich richten naar de door de Regering bepaalde technische voorschriften. Art. 8.De door de Regering vastgelegde algemene, sectorale en integrale normen zijn gegrond op de beste beschikbare technieken. Hierbij wordt niet geëist dat een specifieke techniek of technologie wordt toegepast en wordt geen rekening gehouden met de kenmerken van de bedoelde installatie, de ligging ervan en de plaatselijke milieuomstandigheden. Art. 9.Wanneer de Regering algemene, sectorale en integrale normen vastlegt, wijzigt of aanvult, bepaalt ze binnen welke termijn de nieuwe normen van toepassing zijn op de bestaande inrichtingen. Als ze geen termijn opgeeft, zijn de nieuwe normen niet van toepassing op goedgekeurde inrichtingen of op inrichtingen die aangegeven worden na de inwerkingtreding ervan. Afdeling IV. - Grondslag van de verplichting tot vergunning of aangifte Art. 10.§ 1. Inrichtingen van klasse 1 of 2 mogen niet zonder vergunning geëxploiteerd worden. De vergunning wordt eveneens vereist voor : 1° de verplaatsing van een inrichting van klasse 1 of 2;2° de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting van klasse 1 of 2 wanneer ze de toepassing van een andere indelingsrubriek dan klasse 3 tot gevolg heeft, of wanneer daardoor de risico's, hinder en ongemakken voor mens of milieu rechtstreeks of onrechtstreeks toenemen. § 2. Elke verbouwing of uitbreiding van een inrichting van klasse 1 of 2 die niet opgenomen is in paragraaf 1, tweede lid, en niet beantwoordt aan de bij de vergunning gevoegde beschrijving en plannen, moet door de exploitant in een register opgenomen worden. Overeenkomstig hoofdstuk IX kunnen de door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden dat register op gewoon verzoek inzien. De Regering bepaalt de periodiciteit en de termijn binnen welke de exploitant een afschrift van de lijst van de verbouwingen en uitbreidingen moet overleggen aan de technisch ambtenaar en aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de inrichting gelegen is. Als de technisch ambtenaar of het college acht dat een op de lijst vermelde verbouwing of uitbreiding overeenstemt met een verbouwing of uitbreiding bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, vraagt hij/het dat de exploitant binnen vijftien dagen na ontvangst van bedoelde lijst onmiddellijk een aanvraag om milieuvergunning indient. § 3. In geval van gedeeltelijke of gehele afbraak van de inrichting beslist de bevoegde overheid bij wie een aanvraag aanhangig is gemaakt, of een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd voor het geheel of voor een gedeelte van de inrichting, overeenkomstig de doelstellingen bedoeld in artikel 2. Art. 11.Inrichtingen van klasse 3 mogen niet zonder voorafgaande aangifte geëxploiteerd worden. Er wordt een nieuwe aangifte verlangd : 1° in geval van verplaatsing, verbouwing of uitbreiding, voor zover de verbouwing of uitbreiding betrekking heeft op een activiteit waarvoor een aangifte verlangd wordt;2° om de tien jaar. De verbouwing of de uitbreiding van een inrichting van klasse 3 die daardoor in een andere klasse wordt ingedeeld, is evenwel aan een milieuvergunning onderworpen. Art. 12.Als een bestaande inrichting of een inrichting van klasse 3 ondergebracht wordt in klasse 1 of 2 nadat de Regering de lijst van de ingedeelde installaties en activiteiten heeft gewijzigd, beschikt de exploitant over negen maanden vanaf de inwerkingtreding van het besluit van de Regering om een aangifte te doen of een vergunningaanvraag in te dienen. De exploitatie kan voortgezet worden gedurende die termijn en, in het geval van een inrichting waarvoor een vergunning wordt verlangd, tot de kennisgeving van de definitieve beslissing betreffende de vergunningaanvraag. Als een inrichting van klasse 1 of 2 na een wijziging in de lijst in klasse 3 wordt ondergebracht, voldoet de reeds afgegeven vergunning aan de verplichting tot aangifte. Als een inrichting van klasse 1 in klasse 2 wordt ondergebracht of een inrichting van klasse 2 in klasse 1 na een wijziging in de lijst van de ingedeelde installaties en activiteiten, blijft de reeds afgegeven vergunning geldig. Afdeling V - Bevoegde overheid Art. 13.Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de vestiging van de inrichting gepland is, is bevoegd om kennis te nemen van de aangiften en de aanvragen om milieuvergunning. In afwijking van het eerste lid is de technisch ambtenaar bevoegd om kennis te nemen van de aangiften en de aanvragen om milieuvergunning voor mobiele inrichtingen, alsmede van de aanvragen om milieuvergunning voor inrichtingen gelegen op het grondgebied van verschillende gemeenten. De Regering is bevoegd om kennis te nemen van de beroepen tegen de beslissingen betreffende milieuvergunningen die afgegeven worden door de overheid bedoeld in het eerste en het tweede lid. HOOFDSTUK II. - Stelsel van de aangifte Art. 14.§ 1. De aangifte wordt bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst verstuurd of tegen ontvangbewijs afgegeven aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de inrichting gelegen is. In afwijking van het eerste lid : 1° wordt de aangifte voor een mobiele inrichting aan de technisch ambtenaar gericht;2° wordt de aangifte voor een op het grondgebied van verschillende gemeenten gelegen inrichting gericht aan de gemeente waarvan de naam vermeld staat in het adres van de exploitatiezetel. § 2. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte, alsmede het aantal in te dienen exemplaren. § 3. De aangifte is niet-ontvankelijk : 1° als ze ingediend of afgegeven wordt in strijd met artikel 14, § 1;2° als krachtens artikel 14, § 2, vereiste gegevens of stukken ontbreken. Als de aangifte niet-ontvankelijk is, geeft de bevoegde overheid of haar gemachtigde de aangever binnen acht dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de aangifte, kennis van de beslissing en van de redenen van de niet-ontvankelijkheid. § 4. Als de aangifte ontvankelijk is, verwittigt de bevoegde overheid of haar gemachtigde de aangever en de technisch ambtenaar binnen vijftien dagen, te rekenen van de datum waarop de aangifte in ontvangst is genomen. De bevoegde overheid of haar gemachtigde verwittigt ook de aanvrager en de technisch ambtenaar binnen dezelfde termijn als de in paragraaf 5 bedoelde aanvullende normen vereist worden. § 5. Als de integrale normen niet volstaan voor de beperking van de gevaren, hinder en ongemakken die de inrichting voor de mens of het milieu tot gevolg kan hebben, kan de bevoegde overheid aanvullende exploitatienormen opleggen binnen dertig dagen, te rekenen van de datum waarop de aangifte in ontvangst is genomen. In het geval bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, pleegt de bevoegde overheid overleg met de andere gemeenten op het grondgebied waarvan de inrichting gelegen is. Deze aanvullende normen mogen niet minder strikt zijn dan de integrale normen bedoeld in artikel 5, § 3. Ze zijn van toepassing gedurende de geldigheidsperiode van de aangifte. Ze kunnen gewijzigd worden door de bevoegde overheid, na advies van de technisch ambtenaar. De bevoegde overheid stuurt haar beslissing aan de aangever en een afschrift ervan aan de technisch ambtenaar binnen de termijn bedoeld in het eerste lid. Als de bevoegde overheid de beslissing niet binnen die termijn verstuurt, wordt ze geacht de geplande inrichting vrij te stellen van aanvullende exploitatienormen. § 6. De gemeente en de technisch ambtenaar houden een register van de aangiften. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van het register. Art. 15.De aangever mag de inrichting beginnen te exploiteren : 1° vijftien dagen na de indiening van zijn aangifte als ze niet onontvankelijk is verklaard overeenkomstig artikel 14, § 3;2° dertig dagen na de indiening van zijn aangifte als de bevoegde overheid aanvullende exploitatienormen voorschrijft overeenkomstig artikel 14, § 5. HOOFDSTUK III. - Procedure voor de toekenning van de milieuvergunning Afdeling I. - Aanvraag Art. 16.De aanvraag om milieuvergunning wordt bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst verstuurd of tegen ontvangbewijs afgegeven aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de inrichting gelegen is. Als de inrichting op het grondgebied van verschillende gemeenten gelegen is, wordt de aanvraag, naar keuze van de aanvrager, tegen ontvangbewijs afgegeven aan één van de gemeenten op het grondgebied waarvan de vestiging van de inrichting gepland is. Art. 17.De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aanvraag, alsmede het aantal in te dienen exemplaren, de schaal en de inhoud van de verschillende bij te voegen plannen. De aanvraag bevat o.a. : 1° de identiteit van de exploitant en, in voorkomend geval, zijn technische capaciteiten en financiële middelen;2° de ligging en de beschrijving van de geplande installaties en/of activiteiten;3° de lijst van de grondstoffen en bijkomende stoffen, bestanddelen en energieën die in de installatie gebruikt of geproduceerd worden;4° de aard, hoeveelheden en noemenswaardige effecten van de voorzienbare emissies van de geplande installatie en/of activiteit op elk milieu;5° de naam van de technieken ter voorkoming van emissies of, als zulks niet mogelijk is, ter beperking ervan;6° de lijst van de maatregelen waarin voorzien wordt voor de preventie of de nuttige toepassing van de door de geplande installatie voortgebrachte afval;7° gegevens die als vertrouwelijk worden beschouwd of die betrekking hebben op het fabricage- en brevetgeheim;8° de lijst van de erfdienstbaarheden uit hoofde van de mens of van de bij overeenkomst aangegane verplichtingen betreffende het grondgebruik die zich tegen de uitvoering van het project kanten. De aanvraag bevat een dossier van de milieueffectrapportering en, in voorkomend geval, elk vereist stuk betreffende het bedwingen van de risico's inherent aan de voornaamste ongevallen waarmee gevaarlijke stoffen gemoeid zijn. Art. 18.Het gemeentebestuur stuurt de aanvraag aan de technisch ambtenaar binnen drie werkdagen, te rekenen van de dag van ontvangst ervan, en verwittigt gelijktijdig de aanvrager bij gewone brief. Als het gemeentebestuur de aanvraag niet verstuurt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, kan de aanvrager zich rechtstreeks tot de technisch ambtenaar wenden door hem bij ter post aangetekend schrijven een afschrift te sturen dat hij eensluidend verklaart met de aanvraag die hij aanvankelijk aan het college van burgemeester en schepenen heeft gericht. Art. 19.De aanvraag is onvolledig als krachtens artikel 17 vereiste gegevens of stukken ontbreken. De aanvraag is niet-ontvankelijk : 1° als ze in strijd met artikel 16 wordt ingediend;2° als ze tweemaal onvolledig wordt bevonden;3° als de aanvrager de ontbrekende gegevens niet binnen de in artikel 20, tweede lid, bedoelde termijn verstrekt. Art. 20.De technisch ambtenaar stuurt zijn beslissing waarbij hij de aanvraag volledig en ontvankelijk bevindt binnen vijftien dagen aan de aanvrager, te rekenen van de dag waarop hij de aanvraag in ontvangst neemt overeenkomstig artikel 18. Als de aanvraag onvolledig is, wijst de technisch ambtenaar de aanvrager op de ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt dan over dertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de aangetekende brief, om de technisch ambtenaar de vereiste gegevens per post toe te sturen of tegen ontvangbewijs af te geven. De technisch ambtenaar stuurt zijn beslissing waarbij hij de aanvraag volledig en ontvankelijk bevindt binnen vijftien dagen na ontvangst van de ontbrekende gegevens aan de aanvrager. Als de technisch ambtenaar de aanvraag een tweede keer onvolledig bevindt, verklaart hij ze niet-ontvankelijk. Als de aanvraag niet-ontvankelijk is, wijst de technisch ambtenaar de aanvrager, op de wijze en binnen de termijn bedoeld in het eerste lid of, in voorkomend geval, binnen de termijn bedoeld in het tweede lid, op de redenen van de niet-ontvankelijkheid. Art. 21.In de beslissing waarbij de technisch ambtenaar de aanvraag volledig en ontvankelijk verklaard overeenkomstig artikel 20, vermeldt hij de bevoegde overheid, alsmede de gemeenten waar een onderzoek moet worden georganiseerd en de te raadplegen organen. Dezelfde dag stuurt hij de bevoegde overheid en het college van burgemeester en schepenen een afschrift van de beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt verklaard en, in voorkomend geval, de krachtens artikel 20 ontvangen ontbrekende gegevens. De Regering kan bepalen welke organen geraadpleegd moeten worden of criteria vastleggen op grond waarvan de technisch ambtenaar die organen aanwijst. Art. 22.Als de technisch ambtenaar de aanvrager geen beslissing heeft meegedeeld op de wijze en binnen de termijn bedoeld in artikel 20, wordt de aanvraag ontvankelijk bevonden. In dat geval stuurt de technisch ambtenaar het aanvraagdossier aan de bevoegde overheid en wordt de procedure voortgezet. Art. 23.De termijn voor de procedure tot de besluitvorming bedoeld in artikel 35 gaat in : 1° de dag waarop de technisch ambtenaar zijn beslissing verstuurt waarbij de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard;2° zo niet, de dag na de termijn die hem wordt toegestaan om zijn beslissing te versturen waarbij de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard. Afdeling II. - Openbaar onderzoek Art. 24.Behalve afwijkingen bepaald bij dit decreet of door de Regering, moet elk project waarvoor een milieuvergunning wordt verlangd, onderworpen worden aan een openbaar onderzoek betreffende de eventuele effecten op de belangen en aspecten bedoeld in artikel 2. De afwijkingen bedoeld in het eerste lid worden slechts toegestaan met inachtneming van de vigerende Europese wetgeving en voor projecten die niet geen noemenswaardig risico, hinder of ongemak voor de mens of het milieu inhouden. Art. 25.Het openbaar onderzoek dient voornamelijk om de aanvraag en de desbetreffende gegevens ter inzage te leggen van de bevolking en haar de mogelijkheid te geven opmerkingen en bezwaren i.v.m. het project te formuleren en, tot slot, de aanvrager in staat te stellen de bevolking te wijzen op het belang van het project voor een duurzame ontwikkeling. Het openbaar onderzoek wordt georganiseerd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten(n) op het grondgebied waarvan het project uitgevoerd moet worden. De Regering kan bovendien criteria vastleggen om te bepalen in welke andere gemeenten een onderzoek moet worden georganiseerd als het project ook daar gevaar, hinder of ongemakken voor de mens of het milieu kan veroorzaken. Art. 26.§ 1. Voor de uitvoering van het openbaar onderzoek heeft de Regering de volgende regels bepaald : 1° het moet ten minste vijftien dagen duren;2° de dossiers liggen ter inzage in het gemeentehuis op werkdagen en ten minste één dag tot twintig uur, of op zaterdagochtend;3° opmerkingen en bezwaren mogen schriftelijk of mondeling ingediend worden tot de slotdag van het onderzoek;4° technische uitleg kan verkregen worden op de door de Regering bepaalde wijze. De Regering bepaalt met name de duur van het openbaar onderzoek en de aan een onderzoek te onderwerpen stukken. De Regering of de gemeente kan een bijkomende wijze van openbaarmaking en raadpleging opleggen. De Regering kan in het kader van het openbaar onderzoek voorzien in bijzondere voorschriften voor mobiele, tijdelijke of proefinrichtingen. § 2. Het openbaar onderzoek wordt opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus. De opschorting houdt de verlenging in van : 1° de in artikel 30 bedoelde termijn waarover de geraadpleegde organen beschikken om advies uit te brengen;2° de in artikel 32 bedoelde termijn waarover de technisch ambtenaar beschikt om het syntheserapport over te maken;3° de in artikel 35 bedoelde termijn waarover de bevoegde overheid beschikt om haar beslissing aan de aanvrager te sturen. Art. 27.Na de sluiting van het openbaar onderzoek maakt het college van burgemeester en schepenen notulen op, alsmede een synthese van de geschreven en mondelinge bezwaren die tijdens het onderzoek zijn geformuleerd. Art. 28.Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar een openbaar onderzoek wordt georganiseerd, stuurt de technisch ambtenaar binnen tien dagen na de sluiting van het onderzoek de geschreven en mondelinge bezwaren die tijdens het onderzoek zijn geformuleerd, met inbegrip van de notulen en de synthese bedoeld in artikel 27. Hij voegt er eventueel zijn advies bij. Art. 29.Als het college van burgemeester en schepenen bij de organisatie van het openbaar onderzoek zijn verplichtingen niet nakomt, kan de technisch ambtenaar hem bij aangetekend schrijven een met redenen omklede waarschuwing sturen waarbij hij wijst op de maatregelen die het verzuimt te nemen en waarbij hem een redelijke termijn wordt toegestaan om orde op zaken te stellen en zijn houding te rechtvaardigen. Indien geen gevolg wordt gegeven aan deze waarschuwing, kan de technisch ambtenaar zich op de door de Regering bepaalde wijze in de plaats stellen van het college en elke nuttige maatregel treffen in de plaats van de gemeentelijke overheid. Afdeling III. - Advies Art. 30.De technisch ambtenaar maakt het aanvraagdossier voor advies over aan de verschillende organen die hij aanwijst, de dag waarop hij de bevoegde overheid zijn beslissing toestuurt waarbij de aanvraag overeenkomstig artikel 21 volledig en ontvankelijk wordt bevonden, of na afloop van de termijn bedoeld in artikel 20, eerste en derde lid. Deze organen verzenden of geven hun advies af tegen ontvangbewijs binnen een termijn van zestig dagen als de aanvraag een inrichting van klasse 1 betreft, of binnen dertig dagen als ze een inrichting van klasse 2 betreft, te rekenen van de datum waarop de aanvraag aanhangig wordt gemaakt bij de technisch ambtenaar. Als het advies niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn tegen ontvangbewijs wordt verzonden of afgegeven, wordt het geacht gunstig te zijn. Art. 31.Op verzoek van de technisch ambtenaar of van één van de geraadpleegde besturen en overheden, plegen deze laatste ten minste één keer overleg om hun standpunt over het project te harmoniseren. De overlegregels worden door de Regering vastgelegd. Art. 32.§ 1. Op basis van de ingewonnen adviezen maakt de technisch ambtenaar een syntheserapport op. Dat rapport bevat de tijdens de procedure ingewonnen adviezen, alsmede het advies van de technisch ambtenaar waarbij een voorstel van beslissing gaat, met, in voorkomend geval, specifieke exploitatienormen. Het syntheserapport wordt aan de bevoegde overheid overgemaakt binnen een termijn van : 1° vijftig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 2;2° honderd dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die gelegen is in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;3° honderd en tien dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet in 2° vermeld wordt. De technisch ambtenaar verwittigt de aanvrager de dag waarop hij het syntheserapport overmaakt. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde termijn kan verlengd worden bij beslissing van de technisch ambtenaar. De verlengde termijn mag niet langer lopen dan dertig dagen. Deze beslissing wordt binnen de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde termijn aan de bevoegde overheid en de aanvrager gestuurd. Art. 33.De Regering bepaalt de minimale inhoud van de adviezen. Elk advies wordt met redenen omkleed. Art. 34.Als het syntheserapport niet binnen de voorgeschreven termijn aan de bevoegde overheid wordt gestuurd, zet deze laatste de procedure voort rekening houdende met het dossier van de effectrapportering, de resultaten van het onderzoek, het overeenkomstig artikel 28 uitgebrachte advies van het of de college(s) van burgemeester en schepenen, en met elk nader gegeven waarover ze beschikt. Afdeling V. - {dt}Beslissing{edt} Art. 35.De bevoegde overheid stuurt haar beslissing bij ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager en aan de technisch ambtenaar als deze laatste niet de bevoegde overheid is, en bij gewone post aan elke geraadpleegde overheid en elk geraadpleegd bestuur binnen een termijn van : 1° zeventig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 2;2° honderddertig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die gelegen is in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;3° honderdveertig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet in 2° vermeld wordt. Als het syntheserapport overgemaakt wordt voor het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 32, § 1, tweede lid, stuurt de bevoegde overheid, in afwijking van het eerste lid, haar beslissing bij ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager en aan de technisch ambtenaar als deze laatste niet de bevoegde overheid is, en bij gewone post aan elke geraadpleegde overheid en elk geraadpleegd bestuur binnen een termijn van : 1° twintig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het syntheserapport ontvangt overeenkomstig artikel 32, voor inrichtingen van klasse 2;2° dertig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het syntheserapport ontvangt overeenkomstig artikel 32, voor inrichtingen van klasse 1. In de hypothese van artikel 32, § 2, wordt de termijn waarover de bevoegde overheid beschikt om haar beslissing te verzenden verlengd met dezelfde termijn als die door de technisch ambtenaar bepaald wordt. Art. 36.De technisch ambtenaar en de gemeente houden elk een vergunningenregister. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van het register. Art. 37.Als het syntheserapport overeenkomstig artikel 32 wordt verzonden en een gunstig advies van de technisch ambtenaar alsmede, in voorkomend geval, specifieke normen bevat, wordt de beslissing, indien ze niet binnen de in artikel 35 bedoelde termijn is verstuurd, geacht genomen te zijn overeenkomstig de algemene en sectorale normen bedoeld in artikel 5 en de specifieke normen die eventueel opgenomen zijn in het in artikel 32 bedoelde syntheserapport dat de technisch ambtenaar aan de aanvrager stuurt. Als de beslissing niet binnen de in artikel 35 bedoelde termijn wordt verzonden en als het syntheserapport niet overeenkomstig artikel 32 wordt verzonden of een ongunstig advies van de technisch ambtenaar bevat, wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn. Art. 38.§ 1. In de gemeente(n) op het grondgebied waarvan een openbaar onderzoek wordt georganiseerd, laat de burgemeester gedurende minimum tien dagen een bericht aanplakken met de volgende gegevens : 1° het voorwerp van de beslissing;2° de plaats(en) waar de beslissing ter inzage ligt;3° de dagen waarop de beslissing ter inzage ligt, waarvan ten minste één werkdag per week tot twintig uur of zaterdagochtend;4° het adres van het door de Regering aangewezen bestuur waar de bezwaren kunnen worden ingediend, alsmede de desbetreffende voorschriften en termijnen;5° het recht om inzage te nemen van het dossier bij de diensten van de bevoegde overheid, binnen de perken bepaald bij het decreet van 13 juni 1991 betreffende de vrije toegang van de burger tot informatie over het leefmilieu. § 2. Het bericht wordt aangeplakt binnen tien dagen hetzij nadat het college van burgemeester en schepenen de beslissing heeft genomen, hetzij na ontvangst van de beslissing door het gemeentebestuur, hetzij na afloop van de in artikel 35 bedoelde termijn : 1° nabij de plaats waar het project uitgevoerd moet worden, op een plek die zichtbaar is vanaf de openbare weg;2° in het gemeentehuis;3° op de gebruikelijke aanplakplaatsen. Aan het einde van de aanplaktermijn bevestigt de burgemeester de aanplakking aan de hand van een attest. De aanplaktermijn loopt vanaf de dag volgend op de eerste dag van aanplakking. § 3. Gedurende de hele aanplakperiode worden de aanvraag en de beslissing, of het daarmee gelijkgestelde document, ter inzage afgegeven bij de diensten van het gemeentebestuur van de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het project uitgevoerd moet worden. § 4. Als het college van burgemeester en schepenen verzuimt het bericht binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn aan te plakken, kan elke belanghebbende persoon, vooraleer de vergunning in werking treedt, de technisch ambtenaar bij aangetekend schrijven aanmanen binnen vijftien dagen orde op zaken te stellen en de aanplakking aan de hand van een attest te bevestigen. Afdeling V. - Vereenvoudigde procedure Art. 39.De aanvragen voor tijdelijke inrichtingen en proefinrichtingen worden onderworpen aan een vereenvoudigde procedure waarvan de regels in de leden 2 tot 6 vastliggen. In afwijking van artikel 24, eerste lid, en binnen de perken bedoeld in het tweede lid van die bepaling, zijn de aanvragen voor tijdelijke inrichtingen en proefinrichtingen niet onderworpen aan een openbaar onderzoek. Als desalniettemin een openbaar onderzoek wordt geëist, mag het niet langer duren dan vijftien dagen. In afwijking van artikel 30, tweede lid, verzenden de organen hun advies binnen een termijn van twintig dagen. In afwijking van artikel 32, § 1, tweede lid, wordt het syntheserapport van de technisch ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen aan de bevoegde overheid gestuurd. In afwijking van artikel 32 verstuurt de bevoegde overheid haar beslissing binnen een termijn van veertig dagen. Als de beslissing niet binnen die termijn wordt verzonden : 1° wordt de beslissing geacht genomen te zijn overeenkomstig de algemene en sectorale normen bedoeld in artikel 5 en, in voorkomend geval, de specifieke normen bedoeld in het syntheserapport, als het rapport overeenkomstig het vierde lid is verstuurd en een gunstig advies van de technisch ambtenaar bevat;2° of wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn, als het syntheserapport niet overeenkomstig het vierde lid is verzonden of een ongunstig advies van de technisch ambtenaar bevat. In de gemeente(n) op het grondgebied waarvan de vestiging van de inrichting gepland is, laat de burgemeester een bericht aanplakken volgens dezelfde voorschriften als die bedoeld in artikel 38. HOOFDSTUK IV. - Beroep Art. 40.§ 1. Elke belangstellende natuurlijke of rechtspersoon of de technisch ambtenaar kan bij de Regering een beroep instellen tegen de beslissingen van de in artikel 13, eerste en tweede lid, bedoelde overheden m.b.t. de afgifte van milieuvergunningen voor niet-tijdeljke inrichtingen en tegen het feit dat die overheden na afloop van de in artikel 35 bedoelde termijn geen beslissing hebben genomen. Het feit dat de in artikel 13, eerste lid, bedoelde overheden geen beslissing hebben genomen i.v.m. de afgifte van milieuvergunningen voor niet-tijdelijke inrichtingen houdt in dat die overheden geen beroep kunnen indienen. Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, bij ter post aangetekende brief tegen bericht van ontvangst verstuurd of tegen ontvangbewijs afgegeven aan de inzake beroepen bevoegde technisch ambtenaar, binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van : 1° de dag van ontvangst van de in artikel 35 bedoelde beslissing voor de aanvrager en de technisch ambtenaar;2° de eerste dag van aanplakking van de beslissing overeenkomstig artikel 38 voor de personen die niet onder 1° opgenomen zijn.Als de beslissing in verschillende gemeenten wordt aangeplakt, wordt de termijn verlengd tot de twintigste dag volgend op de eerste dag van aanplakking in de gemeente die de beslissing in laatste instantie laten aanplakken. § 2. Het beroep schorst de aangevochten beslissing niet, behalve als het door de technisch ambtenaar wordt ingesteld. § 3. De technisch ambtenaar maakt een syntheserapport op, met name op grond van de krachtens § 6 ingewonnen adviezen. Dat rapport bevat de in artikel 32 bedoelde gegevens. Het syntheserapport wordt aan de Regering gestuurd binnen een termijn van : 1° vijftig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 2;2° zeventig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bedoeld in het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;3° negentig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet onder 2° opgenomen is. De termijn begint te lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het beroep. Als meer beroepen worden ingesteld, begint de termijn te lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het laatste beroep. De technisch ambtenaar verwittigt de aanvrager de dag waarop hij het syntheserapport overmaakt. § 4. De Regering stuurt de aanvrager haar beslissing binnen een termijn van : 1° zeventig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 2;2° negentig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bedoeld in het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;3° honderd en tien dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet onder 2° opgenomen is. De termijn begint te lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het beroep. Als meer beroepen worden ingesteld, begint de termijn te lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het laatste beroep. Als het syntheserapport vóór het verstrijken van de in § 3 bedoelde termijn wordt overgemaakt, stuurt de Regering, in afwijking van het eerste lid, haar beslissing binnen een termijn van : 1° twintig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het syntheserapport overeenkomstig § 3 ontvangt, voor inrichtingen van klasse 2;2° dertig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het syntheserapport overeenkomstig § 3 ontvangt, voor inrichtingen van klasse 1. Als de beslissing niet wordt verzonden binnen de termijn bedoeld in de leden 1 à 3 : 1° wordt ze geacht genomen te zijn met inachtneming van de algemene en sectorale normen en, in voorkomend geval, van de specifieke normen die in het syntheserapport vastliggen, als het syntheserapport overeenkomstig § 3 is overgemaakt of als het een gunstig advies van de technisch ambtenaar bevat;2° wordt de in eerste instantie genomen beslissing bevestigd, als het syntheserapport niet overeenkomstig § 3 is overgemaakt en als het een ongunstig advies van de technisch ambtenaar bevat. § 5. De Regering zendt haar beslissing gelijktijdig : 1° aan de overheid die in eerste instantie bevoegd is;2° aan de overheden en besturen die in de loop van de procedure advies hebben uitgebracht binnen de voorgeschreven termijn;3° aan de exploitant als hij niet de aanvrager is. Deze beslissing wordt ter kennis gebracht van de bevolking in elke gemeente waar een openbaar onderzoek wordt ingesteld volgens de voorschriften en binnen de termijn bedoeld in artikel 38. § 6. De Regering bepaalt : 1° de gegevens die het beroep moet bevatten, de vorm ervan en het aantal in te dienen exemplaren;2° de voorschriften volgens welke het beroep ter kennis van de bevolking wordt gebracht;3° de wijze waarop het beroep wordt onderzocht, de te raadplegen instellingen en de termijnen binnen welke de adviezen worden uitgebracht.Als een advies niet binnen de voorgeschreven termijn wordt verzonden of tegen ontvangbewijs afgegeven, wordt het geacht gunstig te zijn. § 7. Als de vergunningweigering voortvloeit uit het gebrek aan beslissing in eerste instantie en in beroep en als geen enkel syntheserapport is overgemaakt binnen de voorgeschreven termijnen, moet het Gewest een vergoeding betalen die gelijk is aan twintig maal het bedrag van het in artikel 177, tweede lid, 1° en 2°, bedoelde dossiersrecht. De vergoedingsaanvragen vallen onder de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Art. 41.De aangever kan een niet-opschortend beroep bij de Regering instellen tegen de beslissingen bedoeld in artikel 14, § 5. Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verstuurd of afgegeven tegen ontvangbewijs binnen een termijn van twintig dagen, te rekenen van de dag waarop de aangever de in artikel 14, § 5, bedoelde beslissing in ontvangst neemt. De Regering beslist na het advies van de technisch ambtenaar te hebben ingewonnen. De Regering stuurt haar beslissing binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de eerste dag na de ontvangst van het beroep. Als de beslissing niet binnen deze termijn wordt verzonden, wordt het beroep geacht verworpen te zijn. HOOFDSTUK V. - Verbouwing en uitbreiding van een ingedeelde inrichting Art. 42.Onverminderd het tweede lid valt elke in de artikelen 10, § 1, tweede lid, 2°, of 11, derde lid, bedoelde verbouwing of uitbreiding van een ingedeelde inrichting onder de bepalingen van de hoofdstukken III en IV. Als de geplande verbouwing of uitbreiding niet van dien aard is dat ze de in artikel 2 bedoelde risico's, hinder of ongemakken kan vergroten, kan de bevoegde overheid op voorstel van de technisch ambtenaar beslissen de aanvraag niet aan een openbaar onderzoek te onderwerpen. HOOFDSTUK VI. - Mobiele inrichtingen Art. 43.De verleende milieuvergunning of de aangifte geldt voor het geheel van de sites waar de inrichting geëxploiteerd wordt of zal worden. Wanneer de technisch ambtenaar een vergunning voor een mobiele inrichting afgeeft, schrijft hij exploitatienormen voor op grond waarvan de inrichting overeenkomstig artikel 2 wordt geëxploiteerd, ongeacht de plaats van de exploitatie. Hij kan met name een beperkte lijst van plaatsen opgeven waar exploitatie toegelaten is, of exploitatie op bepaalde plaatsen uitsluiten. Art. 44.De exploitant stuurt ten minste vijftien dagen vóór elke inwerkingtreding, op een verschillende plaats, van een vergunning voor mobiele inrichtingen een afschrift van de vergunning of van de aangifte, met opgave van de duur en de exploitatieplaats, aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de exploitatie zal plaatsvinden, alsmede aan de technisch ambtenaar. HOOFDSTUK VII. - Inhoud en gevolgen van de milieuvergunning Afdeling I. - Inhoud van de beslissing Art. 45.§ 1. De beslissing waarbij de vergunning wordt verleend, vermeldt op zijn minst : 1° de identiteit van de exploitant;2° de ligging, de identificatie en de beschrijving van de goedgekeurde inrichting(en);3° de duur van de vergunning en de datum waarop ze wordt afgegeven;4° de termijn binnen welke de vergunning ten uitvoer moet worden gebracht;5° de melding dat de vergunning begint te lopen vanaf de dag waarop ze uitvoerbaar wordt overeenkomstig artikel 46;6° de voorschriften inzake de lucht-, water- en grondbescherming en de maatregelen betreffende het beheer van de door de inrichting voortgebrachte afval;7° de maatregelen en de termijn voor de sanering van de inrichting aan het einde van de exploitatie ervan. In voorkomend geval bevat ze ook : 1° de specifieke exploitatienormen en de technische en financiële garanties die de bevoegde overheid nodig acht;2° de dag waarop de vergunning uitvoerbaar wordt, ingeval ze na beroep wordt verleend;3° de gewijzigde of aangevulde gegevens van de oorspronkelijke vergunning als de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend, betrekking heeft op de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting. § 2. De Regering bepaalt welke andere gegevens in de vergunning vermeld moeten worden. Afdeling II. - Gevolgen van de vergunning Art. 46.Onverminderd de artikelen 40, § 2, 54, 55, § 3, en 57, tweede lid, is de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend, uitvoerbaar vanaf : 1° de dag na afloop van de in artikel 40, § 1, bedoelde termijn binnen welke het beroep moet worden ingesteld;2° de dag na de kennisgeving daarvan aan de aanvrager of, zoniet, de dag na afloop van de termijn waarover de voor beroepen bevoegde overheid beschikt om een beslissing te nemen, als de vergunning na beroep wordt verleend;3° de dag na de kennisgeving daarvan aan de aanvrager of, zoniet, de dag na afloop van de termijn waarover de voor bevoegde overheid beschikt om zich uit te spreken als de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend niet vatbaar is voor beroep. Art. 47.Voor zover de door de Regering bepaalde regels van openbaarmaking in acht worden genomen, heeft de vergunning tot gevolg dat de in de aanvraag vermelde erfdienstbaarheden die het gevolg zijn van de daad van de mens en verbintenissen bij overeenkomst vervallen of gewijzigd worden, onverminderd de door de aanvrager te betalen vergoeding van de houders van deze rechten. Art. 48.De verleende vergunning vervalt : 1° als ze niet ten uitvoer wordt gebracht vóór het verstrijken van de door de overheid overeenkomstig artikel 53, § 1, vastgelegde termijn;2° als de goedgekeurde inrichting niet geëxploiteerd wordt gedurende twee opeenvolgende jaren. Art. 49.De krachtens dit decreet verleende vergunningen benadelen de rechten van derden niet. Afdeling III. - Geldigheidsduur van de vergunning Art. 50.§ 1. Onverminderd de artikelen 1, 4°, en 52, wordt de vergunning verleend voor maximum twintig jaar. De bevoegde overheid kan de specifieke exploitatienormen opgeven die vóór het verstrijken van de vergunning moeten worden herzien, alsmede de datum waarop de aanvraag om hernieuwing moet worden ingediend. § 2. De Regering kan een kortere maximale geldigheidsduur bepalen voor de ingedeelde installaties en activiteiten die zij aanwijst. § 3. De geldigheidsduur van de vergunning wordt berekend vanaf de dag waarop de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend, overeenkomstig artikel 46 uitvoerbaar wordt. Art. 51.Als de vergunning betrekking heeft op de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting, wordt ze verleend voor een termijn die verstrijkt uiterlijk de dag waarop de vergunning voor de oorspronkelijke inrichting verstrijkt. Art. 52.§ 1. De geldigheidsduur van de vergunning kan niet verlengd worden, behalve voor een tijdelijke inrichting. De voor een tijdelijke inrichting verleende vergunning mag één keer verlengd worden met een duur die maximum gelijk is aan die van de oorspronkelijke vergunning, zonder evenwel één jaar te mogen overschrijden. § 2. De Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag om verlenging van de voor een tijdelijke inrichting verleende vergunning. Afdeling IV. - Tenuitvoerlegging van de vergunning Art. 53.§ 1. De overheid die een milieuvergunning verleent, bepaalt de termijn binnen welke deze ten uitvoer moet worden gelegd. Die termijn mag niet langer lopen dan twee jaar. De overheid kan op bijzonder met redenen omkleed verzoek evenwel een nieuwe vergunning voor maximum twee jaar verlenen. Voor een tijdelijke inrichting mag de termijn voor de tenuitvoerlegging van de vergunning niet langer lopen dan één jaar. § 2. De termijn voor de tenuitvoerlegging van de vergunning begint te lopen vanaf de dag waarop de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend, uitvoerbaar wordt. Art. 54.De Regering bepaalt de gevallen waarin de tenuitvoerlegging van de vergunning afhangt van de verwerving door de vergunninghouder van zakelijke rechten op de goederen waarop de exploitatie betrekking heeft. HOOFDSTUK VIII. - Exploitatienormen en verplichtingen van de exploitant Afdeling I. - Exploitatienormen Art. 55.§ 1. Op voorstel van de technisch ambtenaar, dat in in het syntheserapport opgenomen is, kan de bevoegde overheid verlangen dat de exploitant vóór de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning ten gunste van de Regering een zekerheid stelt om aan te geven dat hij zijn verplichtingen inzake de sanering van de site zal nakomen. Het bedrag van de zekerheid stemt overeen met de prijs die de openbare overheid zou moeten betalen voor de sanering. De Regering bepaalt de gevallen waarin hoe dan ook een zekerheid verlangd wordt. Voor de installaties die ze aanwijst kan ze bepalen dat het bedrag van de zekerheid de kosten dekt voor de periode binnen welke de inrichting onderhouden wordt en onder controle en toezicht staat. § 2. De zekerheid wordt ten belope van het in de vergunning bepaalde bedrag gesteld d.m.v. een deposito bij de deposito- en consignatiekas, een onafhankelijke bankgarantie of elke andere vorm van zekerheid die de Regering bepaalt, naar keuze van de aanvrager. Als de zekerheid gesteld wordt d.m.v. een storting in contanten, moet de exploitant van de inrichting de zekerheid jaarlijks verhogen ten belope van de gedurende het afgelopen jaar opgebrachte interesten. Als de zekerheid gesteld wordt d.m.v. een onafhankelijke bankgarantie, moet deze uitgegeven worden door een kredietinstelling die erkend is door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen of door een overheid van een Lidstaat van de Europese Unie die gemachtigd is om kredietinstellingen te controleren. De milieuvergunning kan bepalen dat de zekerheid in tranches wordt gesteld, voor zover deze overeenstemmen met exploitatiefases bedoeld in de vergunning. § 3. Als een zekerheid wordt verlangd, is de milieuvergunning pas uitvoerbaar als de technisch ambtenaar bevestigt dat de zekerheid gesteld is. Als de zekerheid in tranches wordt gesteld, is de milieuvergunning voor een deel van de exploitatie pas uitvoerbaar wanneer de technisch ambtenaar bevestigt dat de overeenstemmende tranche van de vereiste zekerheid gesteld is. § 4. Op voorstel van de technisch ambtenaar waarbij een evolutie van de geraamde saneringskosten wordt gerechtvaardigd, kan de overheid die bevoegd is om de milieuvergunning in eerste instantie te verlenen het bedrag van de zekerheid in de loop van de exploitatie wijzigen. § 5. De technisch ambtenaar moet de sanering vaststellen binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen van de dag waarop de exploitant de aanvraag om vaststelling heeft ingediend. Als geen beslissing wordt genomen binnen de voorgeschreven termijn, wordt de sanering geacht conform te zijn. Na afloop van een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag waarop de sanering is vastgesteld, en als de technisch ambtenaar geen voorbehoud maakt, wordt de zekerheid vrijgegeven en worden de eventuele interesten terugbetaald overeenkomstig de voorschriften van § 7. § 6. De technisch ambtenaar kan één enkele bijkomende termijn toestaan voor de sanering. Als de plaats niet gesaneerd is binnen de voorgeschreven termijn, laat de Regering van ambtswege tot de sanering overgaan door de zekerheidstelling te eisen. Als het bedrag onvoldoende is, verhaalt de Regering de aanvullende kosten op de houder van de vergunning. § 7. De Regering kan bijkomende bepalingen opleggen waaraan de zekerheden moeten voldoen, en, in voorkomend geval, standaard-zekerheidsvoorwaarden. Ze bepaalt de wijze waarop de zekerheid wordt vrijgegeven wanneer de exploitant al zijn verplichtingen inzake de sanering nakomt, alsmede de procedure in geval van niet-nakoming van deze verplichtingen. Art. 56.Onverminderd artikel 8 houdt de bevoegde overheid, wanneer ze specifieke exploitatienormen oplegt, rekening met de resultaten die geboekt kunnen worden door een beroep te doen op de beste beschikbare technieken, zonder het gebruik van een specifieke techniek of technologie op te leggen en met inachtneming van de eigenschappen van de bedoelde installatie, de ligging ervan en de plaatselijke milieuomstandigheden. Als de milieukwaliteit strengere normen vereist dan die welke verkregen kunnen worden door een beroep te doen op de in het eerste lid bedoelde technieken, legt de bevoegde overheid bijkomende specifieke normen op. Afdeling II. - Verplichtingen van de exploitant Art. 57.De exploitant die een milieuvergunning heeft verkregen, stelt de bevoegde overheid, het college van burgemeester en schepenen en de technisch ambtenaar ten minste vijftien dagen vóór de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning in kennis van de datum ervan. De bevoegde overheid of de Regering kan bepalen in welke gevallen de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning onderworpen is aan de voorafgaande goedkeuring van de technisch ambtenaar en de termijn binnen welke ze goedgekeurd moet worden. Art. 58.§ 1. De exploitant van een inrichting van klasse 1 of 2 moet voldoen aan de algemene, sectorale en specifieke normen of, in het geval van een inrichting van klasse 3, aan de algemene, sectorale en specifieke normen die van toepassing zijn op zijn inrichting en aan de aanvullende normen die de bevoegde overheid eventueel heeft voorgeschreven op grond van artikel 14, § 5. Wanneer de bevoegde overheid specifieke normen oplegt en, in voorkomend geval, de in artikel 14, § 5, bedoelde specifieke normen, kan zij evenwel bepalen binnen welke termijn de normen moeten worden toegepast. § 2. Ongeacht de verleende vergunning of de aangifte en onverminderd de bij andere bepalingen opgelegde verplichtingen, moet de exploitant van een inrichting : 1° de nodige voorzorgen nemen om de aan de inrichting inherente risico's, hinder of ongemakken te voorkomen of te verhelpen;2° de bevoegde overheid onmiddellijk in kennis stellen van elk ongeval of incident dat de in artikel 2 bedoelde belangen zou kunnen schaden;3° de ambtenaren en bevoegde personeelsleden de nodige bijstand verlenen zodat ze de in artikel 61, § 1, 3°, 4° en 5° bedoelde acties tot een goed eind kunnen brengen;4° de bevoegde overheid en de technisch ambtenaar ten minste 10 dagen vóór de stopzetting van een activiteit in kennis stellen daarvan, behalve overmacht. Art. 59.De exploitant bewaart op de plaats van de inrichting of op elke andere met de bevoegde overheid overeengekomen plaats het geheel van de geldende vergunningen of aangiften, alsmede elke beslissing van de bevoegde overheid waarbij de in artikel 14, § 5, bedoelde aanvullende exploitatienormen worden opgelegd en, in voorkomend geval, de lijst van de incidenten en ongevallen bedoeld in artikel 58, § 2, 2°. Afdeling III. - Verandering van exploitant Art. 60.§ 1. Als een inrichting geheel of gedeeltelijk wordt geëxploiteerd door een andere persoon dan de houder van een milieuvergunning of, in het geval van een inrichting van klasse 3, door een andere persoon dan de aangever, wordt de overheid die bevoegd is om de vergunning in eerste instantie af te geven, daarvan gelijktijdig in kennis gesteld door de overdrager of zijn rechthebbenden en de overnemer. In dat geval bevestigt de overnemer schriftelijk dat hij kennis heeft genomen van de vergunning of de aangifte en van de eventuele aanvullende normen die de bevoegde overheid heeft voorgeschreven op grond van artikel 14, § 5, dat hij dezelfde activiteit voortzet en de in de milieuvergunning vastliggende normen of de eventueel voorgeschreven aanvullende normen aanvaardt. De bevoegde overheid verleent onmiddellijk akte van haar aangifte aan de overnemer en stelt de technisch ambtenaar in kennis daarvan. § 2. Zolang de overdracht niet gezamenlijk is aangegeven en, in voorkomend geval, geen nieuwe zekerheid is gesteld, blijft de overdragende exploitant of zijn rechthebbenden samen met de overnemer hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die zou kunnen ontstaan als de nieuwe exploitant niet voldoet aan de exploitatienormen die van toepassing zijn op zijn inrichting. § 3. De Regering kan de overdracht van de vergunningen verbieden voor de inrichtingen die ze aanwijst, of aan andere normen onderwerpen. § 4. Bij elke akte tot overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten op de inrichting, zoals bedoeld in artikel 1 van de hypotheekwet van 16 december 1851, leest de notaris dit artikel voor aan de aanwezige partijen en vermeldt hij het in de akte. HOOFDSTUK IX. - Toezicht en administratieve maatregelen Afdeling I. - Toezicht en inspectie Art. 61.§ 1. Onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie zijn de burgemeester en de door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden bevoegd om toe te zien op de uitvoering van het decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Daartoe kunnen ze in het kader van hun opdracht : 1° elk ogenblik van de dag of de nacht alle plaatsen - zelfs gesloten en overdekte - betreden wanneer ernstige redenen laten vermoeden dat een overtreding van het decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan wordt begaan;als het gaat om een als hoofdverblijfplaats bewoonde inrichting, wordt de voorafgaande toestemming van de onderzoeksrechter vereist; 2° de gemeentepolitie en de rijkswacht om bijstand vragen;3° op grond van ernstige aanwijzingen van ov …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.