← België

Koninklijk besluit houdende uitvoeringsmaatregelen inzake de sociale identiteitskaart

Kort samengevat

Dit besluit regelt de concrete invoering van de sociale identiteitskaart door diverse uitvoeringsmaatregelen vast te leggen die niet eerder waren behandeld. Het beschrijft de inhoud, uitreiking, gebruik en beheer van deze kaart.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
22 FEBRUARI 1998. Koninklijk besluit houdende uitvoeringsmaatregelen inzake de sociale identiteitskaart VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit waarvan wij de eer hebben aan uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, heeft als hoofddoel een aantal bepalingen uit te voeren van het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1996 pub. 05/10/2012 numac 2012205395 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen. - Officieuzecoördinatie in het Duits sluiten houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de wettelijke pensioenstelsels. Deze reeks uitvoeringsmaatregelen die in dit besluit zijn opgenomen, volgt aldus op de eerste uitvoeringsmaatregelen die enerzijds betrekking hadden op de financiering van de sociale identiteitskaart (koninklijk besluit van 31 januari 1997 tot uitvoering van de artikelen 4, vijfde lid, en 16 van het koninklijk besluit van 18 december 1996) en anderzijds op de vorm van de sociale identiteitskaart ( koninklijk besluit van 19 juni 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 11/07/1997 numac 1997022386 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid, ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu en ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de wettelijke pensioenstelsels type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 30/08/1997 numac 1997022477 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende vaststelling van de personeelsformatie van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 28/06/1997 numac 1997022452 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 augustus 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder een tussenkomst van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen mag worden verleend in de experimenten inzake palliatieve hulp type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 28/06/1997 numac 1997022450 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen waaraan een samenwerkingsverband inzake palliatieve zorg moet voldoen om te worden erkend type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 28/06/1997 numac 1997022449 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit waarbij sommige bepalingen van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, toepasselijk worden verklaard op de samenwerkingsverbanden inzake palliatieve verzorging tussen verzorgingsinstellingen en diensten sluiten tot uitvoering van artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996). De problematiek betreffende de specificaties van de leesapparatuur voor de sociale identiteitskaart zal het voorwerp uitmaken van een specifieke reglementering. De Raad van State merkt op dat dit ontwerp van koninklijk besluit niet werd voorgelegd aan de beheerscomités van alle instellingen van sociale zekerheid. Zoals voorzien in het verslag aan de Koning m.b.t. het kaderwetbesluit tot invoering van de sociale identiteitskaart werd de Nationale Arbeidsraad systematisch via tweemaandelijkse vergaderingen op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen i.v.m. de invoering van de sociale identiteitskaart. Ook onderhavig koninklijk besluit werd in ontwerpvorm aan de Nationale Arbeidsraad overgemaakt. Over de principes m.b.t. de invoering van de sociale identiteitskaart, waarvan sommige gepreciseerd worden in onderhavig besluit, heeft de Nationale Arbeidsraad overigens advies uitgebracht in haar adviezen nrs. 1163 van 29 oktober 1996 en 1190 van 22 juli 1997. Formele aanvragen om advies m.b.t. onderhavig besluit werden bovendien gericht aan de beheerscomités van de openbare instellingen van sociale zekerheid die in hoofdzaak belast zijn met de uitvoering van de bepalingen ervan of betrokken bij de technische uitwerking ervan. Meer bepaald betreft het enerzijds het Verzekeringscomité en het Comité van de Dienst voor Administratieve Controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en anderzijds het beheerscomité van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, waarin overigens zowel de sociale gesprekspartners als de openbare instellingen van sociale zekerheid vertegenwoordigd zijn. Alle openbare instellingen van sociale zekerheid werden overigens regelmatig op de hoogte gehouden van de evolutie van de werkzaamheden m.b.t. de sociale identiteitskaart in het Algemeen Coördinatiecomité dat is ingesteld krachtens artikel 32 van de Kruispuntbankwet. Gelet op de besprekingen in de Nationale Arbeidsraad, op de vertegenwoordiging van de openbare instellingen van sociale zekerheid in het beheerscomité van de Kruispuntbank en op de hoogdringendheid om de concrete modaliteiten van de invoering van de sociale identiteitskaart vast te leggen, dienden de andere instellingen van sociale zekerheid niet om advies te worden verzocht. 1. Doel van dit besluit In dit besluit worden alle andere aspecten behandeld die niet in voormelde teksten aan bod zijn gekomen en die dienen te worden gereglementeerd met het oog op de concrete invoering van het systeem dat op de sociale identiteitskaart is gebaseerd;deze verschillende aspecten werden in dit besluit in hoofdstukken onderverdeeld, nl. : - de inhoud van de sociale identiteitskaart, - de microchip van de sociale identiteitskaart, - de uitreiking, de vernieuwing en de vervanging van de sociale identiteitskaart, - de samenstelling van de bestanden die noodzakelijk zijn voor de aanmaak van de sociale identiteitskaarten en de verwerking van die bestanden, - de bijwerking van de gegevens die op de sociale identiteitskaart voorkomen, - het gebruik dat van de sociale identiteitskaart mag en moet worden gemaakt, - het centraal register van de sociale identiteitskaarten, - de controle en het toezicht, - de beroepskaart, - de wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/07/1996 pub. 19/12/2008 numac 2008001031 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type koninklijk besluit prom. 03/07/1996 pub. 10/12/2007 numac 2007000977 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen van het eerste semester van het jaar 2007 sluiten tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering inzake geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, - de opheffingsbepalingen van de maatregelen tot uitvoering van het systeem van sociale identiteitskaart dat bij de wet van 25 januari 1985 werd ingevoerd, - de overgangsbepalingen tot vaststelling van de data van vankrachtwording die noodzakelijk zijn voor de eerste aanmaak in massa van de sociale identiteitskaarten, - de slotbepalingen waarin in het bijzonder wordt voorzien dat verplicht gebruik zal moeten worden gemaakt van de kaart vanaf 1 oktober 1998. 2. Toepassingsgebied van de sociale identiteitskaart Hierna volgt een algemene synthese van de inhoudelijke bepalingen die in dit besluit zijn vervat;deze synthese heeft hoofdzakelijk betrekking op de vaststelling van de verschillende toepassingsgebieden van de sociale identiteitskaart. 2.1. Toepassingsgebied ratione materiae De vermeldingen op het zichtbare deel van de sociale identiteitskaart werden niet gewijzigd ten opzichte van de lijst die reeds is opgenomen in artikel 2, 3de lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996. De artikelen 2 en 4 van het koninklijk besluit van 19 juni 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 11/07/1997 numac 1997022386 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid, ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu en ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de wettelijke pensioenstelsels type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 30/08/1997 numac 1997022477 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende vaststelling van de personeelsformatie van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 28/06/1997 numac 1997022452 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 augustus 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder een tussenkomst van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen mag worden verleend in de experimenten inzake palliatieve hulp type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 28/06/1997 numac 1997022450 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen waaraan een samenwerkingsverband inzake palliatieve zorg moet voldoen om te worden erkend type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 28/06/1997 numac 1997022449 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit waarbij sommige bepalingen van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, toepasselijk worden verklaard op de samenwerkingsverbanden inzake palliatieve verzorging tussen verzorgingsinstellingen en diensten sluiten m.b.t. de vorm van de kaart preciseren enkel de voorstelling ervan. Dit besluit bevat geen bijkomende bepalingen, noch wijzigingen. De vermeldingen die in de geheugenchip van de sociale identiteitskaart worden opgeslagen, zijn reeds opgesomd in artikel 2, 4de lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waaraan de volgende gegevens worden toegevoegd door artikel 2 van dit besluit : - de aanduiding of de zelfstandige sociaal verzekerde al dan niet bijkomend is verzekerd voor kleine risico's; deze aanduiding bleek noodzakelijk, opdat het gebruik van de verzekerbaarheidsgegevens afkomstig van de kaart als betalingsverplichting zou kunnen gelden, o.a. voor de apothekers; - de aanduiding of de sociaal verzekerde die onder bepaalde categorieën (WIGW's) valt, al dan niet kan genieten van de derde-betalersregeling bij bepaalde zorgverleners; men had kunnen aantonen dat deze aanduiding reeds gedekt was door het begrip "statuut" van de verzekerde inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging zoals reeds voorzien in artikel 2, 4de lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996, maar men heeft er om redenen van rechtszekerheid de voorkeur aan gegeven deze aanduiding uitdrukkelijk te vermelden. In de artikelen 3 en 4 van dit besluit wordt bovendien gepreciseerd dat andere technische gegevens in de microchip zullen worden opgenomen; deze gegevens zullen voornamelijk dienen voor het beveiligen, het authentificeren en het vercijferen van de verzekerbaarheidsgegevens. 2.2. Toepassingsgebied ratione personae Er dient vooreerst te worden herinnerd dat met uitzondering van de toepassing van de derdebetalersregeling bij sommige zorgverleners, het gebruik van de kaart op zich geen voorwaarde kan zijn voor de opening of de uitoefening van een recht van sociale zekerheid in hoofde van een sociaal verzekerde. Er wordt bovendien uitdrukkelijk bevestigd dat de sociale identiteitskaart geen sociaal document is in de zin van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het houden van sociale documenten. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 december 1996 voorziet dat alle sociaal verzekerden die op een of andere wijze onder de sociale zekerheid vallen een kaart zullen krijgen, met uitzondering van de gepensioneerden die hun hoofdverblijfplaats in het buitenland hebben enerzijds, en van de beheerders van vennootschappen die onderworpen zijn aan het sociaal statuut van de zelfstandigen en die hun hoofdverblijfplaats in het buitenland hebben anderzijds. Artikel 6 van dit koninklijk besluit preciseert dat al de sociaal verzekerden die vallen onder het toepassingsgebied van de sociale zekerheid natuurlijke personen zijn die sociale verstrekkingen genieten of vragen door bemiddeling van een sociale zekerheidsinstelling. Dit houdt in dat de sociaal verzekerden, houders van een kaart, niet alleen de natuurlijke personen zijn die onder één of verschillende takken van de sociale zekerheid vallen zoals bepaald in artikel 2, 1°, van de wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/01/1990 pub. 08/07/2010 numac 2010000396 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten m.b.t. het oprichten en het organiseren van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, maar ook de natuurlijke personen die, zelfs tijdelijk, van sociale verstrekkingen kunnen genieten die door een sociale zekerheidsinstelling worden verleend zoals bepaald in artikel 1, 2°, van de voormelde wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/01/1990 pub. 08/07/2010 numac 2010000396 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Het gaat namelijk om personen die in België van sociale verstrekkingen genieten krachtens coördinatiesystemen van de sociale zekerheid ten behoeve van de werknemers en de migrerende leden van hun familie, zoals ingesteld door de reglementering van de Europese Unie of door internationale overeenkomsten; dit betreft, o. a., de bevolking van de grensstreek die in België van de verzekering geneeskundige verzorging genieten of de gedetacheerde personen. Het genieten van sociale verstrekkingen moet echter duurzaam zijn om het krijgen van een kaart te rechtvaardigen; het tijdelijk genieten van een sociale verstrekking, o.a. de terugbetaling van medische behandelingen door bemiddeling van een Belgische verzekeringsinstelling in het geval van een persoon die in België reist op basis van een E111-formulier, is niet voldoende om de verlening van een kaart te rechtvaardigen. De artikelen 7 tot 10 van dit besluit wijzigen niets aan deze principes maar definiëren wel de categorieën van sociaal verzekerden waarvoor de uitreiking van de kaarten anders zal verlopen : - de personen aangesloten of ingeschreven bij een verzekeringsinstelling krijgen van ambtswege een kaart van de verzekeringsinstelling waarbij ze zijn aangesloten of ingeschreven; - de personen die vallen onder het stelsel van de sociale zekerheid van de zeevarenden en de personen die zogenaamde wettelijke geneeskundige zorgen genieten door hun deelname gedurende meer dan 16 jaar aan het stelsel van de D.O.S.Z., krijgen van ambtswege hun kaart uitgereikt door de H.Z.I.V. (hiervoor moeten op voorhand bestanden worden uitgewisseld tussen die twee sectoren en de H.Z.I.V.); - de personen die vallen onder het stelsel van de D.O.S.Z. ander dan de voormelde personen en die hun hoofdverblijfplaats in België hebben, moeten hun sociale identiteitskaart (in de praktijk wanneer ze zich opnieuw in België vestigen) aanvragen bij de D.O.S.Z. die de H.Z.I.V. ermee belast die toe te sturen; - iedere andere sociaal verzekerde die onder de Belgische sociale zekerheid valt zoals bepaald in de Kruispuntbank van de sociale zekerheidwet wat betreft de natuurlijke persoon die sociale verstrekkingen geniet of vraagt, met name in zijn hoedanigheid van gastarbeider, is ertoe gehouden zich te wenden tot een ziekenfonds van zijn keuze of tot de H.Z.I.V. om zijn kaart te bekomen; die sociaal verzekerde moet die hoedanigheid bewijzen door de naam van de sociale zekerheidsinstelling te vermelden die zijn dossier behandelt, door zijn identiteit aan te tonen en, als het geval zich voordoet, door zijn hoedanigheid van gastarbeider aan te tonen; acties tot sensibilisering van de natuurlijke personen bedoeld in artikel 10 moeten eventueel kunnen worden ondernomen teneinde hen te verwittigen dat ze hun sociale identiteitskaart moeten aanvragen bij een verzekeringsinstelling naar keuze. Opgemerkt wordt dat de eerste uitreiking van de kaarten aan die sociaal verzekerden voor hen kosteloos zal zijn. De Regering heeft echter uitdrukkelijk gewenst dat de vervanging van de kaart niet gratis zou zijn; artikel 23 voorziet in een vergoeding van 100 BF voor de vervanging van een kaart. Opdat iedere sociaal verzekerde permanent over zijn sociale identiteitskaart zou kunnen beschikken, werden termijnen voorzien voor de vervanging en de vernieuwing van de kaart. In artikel 12 van het koninklijk besluit wordt bepaald dat de verzekeringsinstelling geen andere redenen mag aanhalen dan deze die uit dit besluit voortvloeien op basis waarvan ze kan weigeren een kaart uit te reiken aan een sociaal verzekerde; de redenen die uit dit koninklijk besluit voortvloeien zijn bijvoorbeeld : de sociaal verzekerde bezit reeds een geldige kaart of een identificatieattest, de sociaal verzekerde heeft de diefstal of het verlies van zijn kaart nog niet aangegeven, de aanvragende persoon valt niet onder het toepassingsgebied van deze reglementering. 2.3. Instellingen en categorieën van natuurlijke of rechtspersonen die de kaart mogen of moeten gebruiken De artikelen 33 tot 39 van dit besluit vervolledigen en preciseren de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 18 december 1996. De hierna beschreven bepalingen vloeien voort uit de gezamenlijke analyse van beide teksten. 2.3.1. Toegang tot de openbare gegevens van de kaart Er wordt aan herinnerd dat de openbare gegevens die zowel op het zichtbare deel van de kaart als in de geheugenchip worden opgeslagen, zowel uit identificatiegegevens van de sociaal verzekerde die afkomstig zijn van het Rijksregister of de Kruispuntbankregisters (INSZ, naam, voornamen, geboortedatum, geslacht), als uit gegevens m.b.t. de status van de kaart zelf (kaartnummer en geldigheidsperiode van de kaart) bestaan. De hierna opgenoemde categorieën van instellingen of personen, met uitzondering van de bedrijfs- of interbedrijfsgeneeskundige diensten, zijn verplicht om gebruik te maken van de kaart van de sociaal verzekerden. Er wordt herinnerd dat die verplichting betrekking heeft op het feit dat met de sociale gegevens zelf die op of in de kaart zijn opgeslagen, moet worden rekening gehouden, en niet met de manier waarop ze worden uitgelezen, nl. op visuele of elektronische wijze; het voordeel van het elektronisch uitlezen is wel dat de gevatte gegevens voor echt worden verklaard. In dit besluit is ook voorzien dat de openbare gegevens afkomstig van de sociale identiteitskaart van de sociaal verzekerden, waarvan de gemachtigde instellingen of personen het dossier verder behandelen, door die instellingen of personen o.a. op elektronische wijze mogen worden bewaard, zodat de kaart niet meer systematisch moet worden getoond in de gevallen waar de kaart veel en regelmatig wordt gebruikt. Deze categorieën van instellingen of personen die toegang moeten of mogen hebben tot de openbare gegevens zijn de volgende. a. Instellingen van sociale zekerheid, in de zin van de Kruispuntbankwet en de fiscale administraties in het kader van hun rechtstreekse betrekkingen met de sociaal verzekerden. Onder fiscale administraties wordt thans verstaan, de Administratie der directe belastingen, de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit. Het betreft voornamelijk de contacten aan de loketten, de noodzaak om de op de kaart opgeslagen gegevens te vermelden op alle schriftelijke documenten tussen de sociaal verzekerden en elke instelling, en de controle-activiteiten door die administraties. Omgekeerd voorziet de reglementering dat de sociaal verzekerde ertoe gehouden is zijn kaart voor te leggen telkens hij in betrekking komt met een instelling van sociale zekerheid of met een fiscale administratie. b. Personen die ertoe gehouden zijn sociale persoonsgegevens aan te geven aan een instelling van sociale zekerheid of aan een fiscale administratie. Het betreft hoofdzakelijk alle aangiften door de werkgevers waarop verplichtend persoonsgegevens m.b.t. de sociaal verzekerden moeten voorkomen. Bijvoorbeeld, aangiften aan de R.S.Z., aan de R.S.Z.P.P.O., aan een Fonds voor bestaanszekerheid, aan een kinderbijslagfonds, aan een arbeidsongevallenverzekeraar, aan de fiscale administratie inzake bedrijfsvoorheffing; het gaat ook om de pensioenfondsen die sociale gegevens moeten aangeven aan bijvoorbeeld het Pensioenkadaster. Omgekeerd zijn de sociaal verzekerden ertoe gehouden hun kaart voor te leggen op het voorafgaandelijk verzoek van de personen die deze aangiften moeten verrichten krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen. Er wordt uitdrukkelijk aan herinnerd dat de verplichting om de kaart als identificatiemiddel van de sociaal verzekerden te gebruiken, in deze fase enkel betrekking heeft op de bestaande gegevensstromen; de sociale identiteitskaart zal immers vooreerst worden aangewend als identificatiemiddel van de sociaal verzekerde in het kader van de huidige administratieve verplichtingen, hetgeen reeds een eerste vorm van vereenvoudiging en harmonisering inhoudt. Een tweede fase is weliswaar voorzien maar wordt niet beoogd in deze uitvoeringsmaatregelen. De doelstelling ervan is het gebruik van de kaart te reglementeren in het kader van de nieuwe betrekkingen tussen de instellingen van sociale zekerheid, de werkgevers en de sociaal verzekerden, in functie van de maatregelen die nog moeten worden genomen op het gebied van de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en van de vereenvoudiging van de administratieve verplichtingen in hoofde van de werkgevers. c. Personen en diensten belast met de controle Naast de personen en de diensten die in het bijzonder werden belast met het toezicht op deze uitvoeringsmaatregelen en die worden opgenoemd in artikel 55 van dit besluit, zullen de inspecteurs en controleurs en de ambtenaren van de fiscale administraties bedoeld in artikel 54 van dit besluit, de sociale identiteitskaart moeten gebruiken bij de controles waarvoor de identificatie van de sociaal verzekerden noodzakelijk is.Dit gebruik van de sociale identiteitskaart moet gepaard kunnen gaan met dat van de burgerlijke identiteitskaart; hierdoor wordt gewaarborgd dat de houder van de sociale identiteitskaart werkelijk diegene is waarvan de identificatiegegevens op de sociale identiteitskaart staan. De hier bedoelde ambtenaren van de fiscale administraties zijn momenteel de ambtenaren van de Administratie der directe belastingen, van de Administratie van de bijzondere belastingsinspectie en van de Administratie van de ondernemings- en inkomensifscaliteit die regelmatig belast zijn met een controle of onderzoek inzake de toepassing van de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), of van de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, of met de invordering van de inkomstenbelastingen. Zij kunnen dus zowel werkzaam zijn in de taxatiesector, als in de invorderingssector, de geschillensector of de opsporingsdiensten. Op dat vlak kan inzonderheid worden verwezen naar de bepalingen van de artikelen 315 en volgende van het WIB 92 die de algemene onderzoeks- en controlebevoegdheden bepalen waarop belastingambtenaren kunnen steunen met het oog op de juiste belastingheffing. Zo zal het nazicht van de SIK-kaart nuttig kunnen zijn bijvoorbeeld bij de controle op zwartwerk of op de naleving van de regels inzake bedrijfsvoorheffing, enz... Omgekeerd zijn de sociaal verzekerden ertoe gehouden hun kaart te tonen op verzoek van die personen, diensten of ambtenaren. Met het oog op de toepasbaarheid van die bepaling, en hoewel de sociale identiteitskaart niet als een sociaal document moet worden beschouwd, worden in artikel 53 van dit besluit de gevallen vastgelegd waarin de sociaal verzekerde zijn kaart op zak moet hebben. d. Apotheken, verplegingsinrichtingen en andere zorgverleners Krachtens hun verplichting of bevoegdheid om de verzekerbaarheidsgegevens te gebruiken die op de kaart voorkomen, zijn de zorgverleners impliciet ertoe gehouden de identificatiegegevens te gebruiken zoals ze voorkomen op de kaart van de sociaal verzekerde die ze moeten identificeren.e. Bedrijfs- of interbedrijfsgeneeskundige diensten In artikel 36 van dit besluit is voorzien dat de bedrijfs- of interbedrijfsgeneeskundige diensten gebruik mogen maken van de kaart om toegang te hebben tot de openbare gegevens van de sociaal verzekerden, met als enig doel ze met zekerheid te identificeren. Iedere sociaal verzekerde is ertoe gehouden zijn kaart voor te leggen op voorafgaandelijk verzoek van die diensten. 2.3.2. Toegang tot de privégegevens van de kaart Er wordt aan herinnerd dat de sociale identiteitskaart in zijn geheugenchip, naast de bovenvermelde openbare gegevens, verschillende afzonderlijke bestanden kan bevatten die kunnen worden beveiligd aan de hand van een specifiek vercijferingsproces. Deze verschillende bestanden kunnen overeenstemmen met verschillende sectoren of takken van de sociale zekerheid. Op dit ogenblik dat er nog geen ander project is aangekondigd, bevat het privégedeelte van de kaart enkel de informatie m.b.t. de verzekerbaarheid van de sociaal verzekerde inzake verzekering voor geneeskundige verzorging. De verzekerbaarheidsgegevens worden beschreven in artikel 2, 4de lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waaraan de gegevens voorzien in artikel 2 van dit besluit, die in punt 2.1. hierboven werden toegelicht, moeten worden toegevoegd. De personen die gemachtigd zijn om toegang te hebben tot deze gegevens met het oog op het uitschrijven en/of uitlezen ervan, moeten over een middel beschikken dat hun toelaat de gegevens te ontcijferen en het gebruik van de sociale identiteitskaart te bewijzen; dit bewijs is o.a. vereist voor de functionaliteit inzake de betalings-verplichting van de zorgverleners. Dit middel is een microprocessorkaart waarvan iedere persoon die, al naargelang het geval, gemachtigd is om verzekerbaarheidsgegevens bij te werken en/of uit te lezen, in het bezit moet zijn. Deze kaart, de zogenaamde beroepskaart voor geneeskundige verzorging, wordt geregeld door de artikelen 42 tot 50 van dit besluit. Ze zal onder de verantwoordelijkheid van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering worden uitgereikt aan de veiligheidsconsulenten van de hiertoe gemachtigde instellingen en aan de apothekers, die ermee belast zijn nominatief de beveiligde verdeling van deze beroepskaarten te organiseren. De gemachtigde personen die aldus in het bezit zijn van een beroepskaart en die gebruik moeten maken van de sociale identiteitskaart van de sociaal verzekerden, waarvan zij het dossier behandelen, zijn de volgende : a. Het personeel van de verzekeringsinstellingen dat in betrekking komt met de sociale verzekerden en dat is belast met de bijwerking van de verzekerbaarheidsgegevens die op de sociale identiteitskaart voorkomen. Zolang de sociaal verzekerden, ingeval van wijziging van hun verzekerbaarheid, hun kaart niet zelf kunnen bijwerken bij de zorgverleners, moeten de verzekerden hun kaart voorleggen aan hun ziekenfonds die de bijwerking verricht; de gemachtigde personeelsleden van de verzekeringsinstellingen moeten bijgevolg toegang hebben tot de verzekerbaarheidsgegevens, teneinde die te wijzigen op basis van de laatst bijgewerkte informatie in hun bestanden. Bovendien is voorzien in artikel 31 van dit besluit dat de verzekeringsinstellingen ertoe gehouden zijn de apparatuur, die nodig is voor de loutere raadpleging van de op hun kaart voorkomende vercijferde gegevens, ter beschikking te stellen van de sociaal verzekerden. Opgemerkt wordt dat de verzekeringsinstellingen, de D.O.S.Z. en de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden eveneens toegang moeten hebben tot de verzekerbaarheidsgegevens aangezien ze, hoewel de aanmaak van de kaarten voor hun sociaal verzekerden in hoofdzaak aan de H.Z.I.V. werd toevertrouwd, de verzekerbaarheidsgegevens die ze zelf hebben aangemaakt, moeten kunnen controleren en bijwerken. b. De apothekers en de verpleegingsinrichtingen. Artikel 1, 6°, van dit besluit bepaalt het begrip apotheker : het gaat om de houder van een apotheek, de apotheker in een ziekenhuis en de geneesheer houder van een apotheek-depot. De verplegingsinrichtingen zijn de inrichtingen die worden bedoeld in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. In artikel 37 van dit besluit is uitdrukkelijk voorzien dat deze twee categorieën van zorgverleners, de apothekers en de verplegingsinrichtingen, verplicht zijn om gebruik te maken van de kaart van de sociaal verzekerden, aan wie ze verstrekkingen toedienen, voor het vervullen van hun verplichtingen inzake derdebetaler bij elke geneeskundige verstrekking. In de ontwerpen tot wijziging van de reglementering inzake geneeskundige verzorging en uitkeringen is voorzien dat de huidige magneetkaarten en het gebruik van kleefbriefjes op naam bij deze twee categorieën van zorgverleners zullen worden vervangen. Het gebruik van de sociale identiteitskaart in combinatie met de beroepskaart en de terminal, waarmee de zorgverlener zich moet uitrusten, is tevens wegens praktische redenen verplicht, aangezien bepaalde informatie die op de kaart voorkomt, zal worden afgedrukt op het medisch attest ter vervanging van het kleefbriefje. Omgekeerd moeten de sociaal verzekerden, die enkel het persoonlijk aandeel wensen te betalen, hun sociale identiteitskaart gebruiken. Dit geldt ook voor de toepassing van de sociale franchise en voor de kleine risico's van de zelfstandigen. Als gemeenschappelijke regel geldt wel dat de sociaal verzekerde aan wie een prestatie wordt verstrekt, zijn kaart moet voorleggen; niets staat echter in de weg dat, hoofdzakelijk in de apotheek, een gemachtigde van de begunstigde van de verstrekking het recht van de begunstigde doet gelden aan de hand van de voorlegging van de kaart van deze laatste, uiteraard zonder dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan de verplichting van de titularis om de kaart voor te leggen en dus bij zich te hebben in de gevallen bepaald in het koninklijk besluit. In het bijzonder in artikel 39 van dit besluit is voorzien dat de zorgverleners de verzekerbaarheidsgegevens van de sociaal verzekerden, aan wie zij prestaties verstrekken, elektronisch mogen bewaren. Deze bepaling moet worden verstaan in het licht van de in voorbereiding zijnde wijziging van de ZIV-reglementering waarin is voorzien dat, wanneer de verzekerbaarheid van een sociaal verzekerde wordt gewijzigd, zijn kaart door de verzekeringsinstelling moet worden bijgewerkt, ten laatste de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op het kwartaal gedurende dewelke de verzekerbaarheid werd gewijzigd. Artikel 30 van dit besluit bepaalt uitdrukkelijk dat de verzekeringsinstellingen in dit geval gehouden worden de sociale verzekerden te waarschuwen dat ze de op de kaart vermelde gegevens bij hen moeten laten actualiseren; de modaliteiten m.b.t. de noodzakelijke actualisering zullen de verzekeringsinstellingen door ministerieel besluit opgelegd worden. In artikel 52 is voorzien dat indien de zorgverlener het elektronische bewijs levert dat hij de kaart van de sociaal verzekerde heeft gebruikt, waaraan hij prestaties heeft verstrekt die volgens de derdebetalersregeling worden betaald, hij door de verzekeringsinstelling zal worden terugbetaald voor het gedeelte dat niet ten laste valt van de sociaal verzekerde. De Raad van State merkt op dat deze bepaling geen voldoende rechtsgrond zou hebben. Deze opmerking blijkt ons echter niet gegrond. Artikel 52 van het ontwerp, dat een artikel 159bis invoert in het koninklijk besluit van 3 juli 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/07/1996 pub. 19/12/2008 numac 2008001031 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type koninklijk besluit prom. 03/07/1996 pub. 10/12/2007 numac 2007000977 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen van het eerste semester van het jaar 2007 sluiten tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en daarmee een betalingsverplichting voorziet bij reglementair gebruik van de sociale identiteitskaart van de verzekerde door de apotheker, ten voordele van die apotheker, moet tevens gelezen worden in het kader van de toepassing van de wetsbepaling van artikel 164 van de voornoemde gecoördineerde wet. Deze wetsbepaling verplicht in principe diegene die ten onrechte een verzekeringstegemoetkoming ontvangen heeft tot terugbetaling ervan; dezelfde wetsbepaling specifieert dat de ten onrechte verleende verzekeringstegemoetkoming die langs de derdebetalersregeling is betaald, moet worden terugbetaald door de zorgverlener, indien deze de wets- en verordeningsbepalingen niet heeft nageleefd. Daaruit vloeit voort, dat de zorgverlener, die de verzekeringstegemoetkoming heeft ontvangen langs de derdebetalersregeling, en die de wets- en verordeningsbepalingen wel heeft nageleefd, niet gehouden kan zijn tot terugbetaling van een eventueel ten onrechte verleende verzekeringstegemoetkoming.De verzekeringstegemoetkoming wordt dan teruggevorderd bij de verzekerde, die deze immers onrechtstreeks genoten heeft. De betalingsverplichting ten voordele van de apotheker, die wordt ingevoerd door artikel 52 van het ontwerp, is zowel een uitdrukking van de principes van het aangehaalde artikel 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/07/1994 pub. 10/07/2014 numac 2014000464 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 14/07/1994 pub. 20/03/2015 numac 2015000138 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 14/07/1994 pub. 02/02/2018 numac 2018010356 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 14/07/1994 pub. 08/10/2010 numac 2010000576 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 14/07/1994 pub. 25/01/2012 numac 2012000022 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten (waarbij de correct handelende apotheker-zorgverlener niet tot terugbetaling van ten onrechte verleende tegemoetkomingen gehouden kan worden), als - uiteraard - een toepassing van het verzekerbaarheidsmechanisme in de verzekering voor geneeskundige verzorging, waarbij de reglementaire lezing van de verzekerbaarheidsgegevens in de sociale identiteitskaart door de apotheker, de factoren verenigt die in dit verzekerbaarheidsmechanisme een rol spelen. De voorziene lezing van de kaart en het rekening houden met de verzekerbaarheidsgegevens in de kaart door de apotheker-zorgverlener leidt tot een vergewissing omtrent de verzekerbaarheid van de verzekerde op het ogenblik van de zorgverlening, en tot de zekerheid dat de aanrekening van de zorgverlening in overeenstemming met deze verzekerbaarheid gebeurt, zodat de verzekeringsinstelling dienovereenkomstig de apotheker zal uitbetalen. Deze regel geldt voor alle zorgverleners die de kaart mogen of moeten gebruiken, met uitzondering van de verplegingsinrichtingen voor wat de opname in het ziekenhuis betreft; de kaart op zich is immers niet voldoende om de betaling van de prestaties inzake hospitalisatie te waarborgen, andere bijkomende inlichtingen moeten door de verzekeringsinstelling worden verstrekt. Het gebruik van de kaart blijft aldus verplicht in de verplegingsinrichtingen maar ze geldt enkel als betalingsverplichting voor de ambulante verzorging die er wordt verstrekt. Om steeds terugkomende administratieve formaliteiten te vermijden, in het bijzonder in hoofde van de apothekers, wordt in artikel 52 bepaald dat de zorgverlener, om er zeker van te zijn dat hij zal worden betaald, ieder kalenderkwartaal een eerste maal toegang moet hebben tot de sociale identiteitskaart, waarbij hij de verzekerbaarheidsgegevens elektronisch opslaat; voor de andere verstrekkingen gedurende dat kalenderkwartaal mag hij zich baseren op de opgeslagen informatie. Door het feit dat de apotheker gegevens die op de kaart voorkomen in zijn computer opslaat, wordt ook vermeden dat de informatie opnieuw moet worden ingetikt in de tariferingsdiensten die zijn belast met de centralisatie van deze gegevens voor de facturering bij de ziekenfondsen en worden de controles door de diensten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering gemakkelijker; voor de verplegingsinrichting ligt het grote voordeel van de automatische registratie in de herbruikbaarheid van de gegevens voor het opmaken van de verschillende elektronische formulieren bestemd voor de verzekeringsinstellingen. c. De overige zorgverleners Hoewel het gebruik van het kleefbriefje in een eerste fase nog niet zal worden afgeschaft voor de overige zorgverleners (laboratoria voor klinische biologie, rusthuizen, geneesheren, tandartsen, kinesitherapeuten, bandagisten, orthopedisten, thuisverpleegsters,...) wordt in artikel 37, laatste lid, van dit besluit bepaald dat deze zorgverleners gebruik mogen maken van de kaart van de sociaal verzekerden met wie zij in betrekking komen. Hierdoor zal het gebruik van de sociale identiteitskaart in de praktijk geleidelijk aan worden veralgemeend, alvorens het gebruik ervan zal worden verplicht. Deze mogelijkheid is eveneens zeer nuttig voor de geneesheren die de derdebetalersregeling toepassen en die over een kliënteel beschikken waarvan het merendeel onder het toepassingsgebied van de categorieën van personen valt die de toepassing van de derdebetaler mogen vragen bij sommige zorgverleners (zie punt 2.1. hierboven). d. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn De O.C.M.W.'s moeten regelmatig tussenkomen ten behoeve van bestaansminimumtrekkers of van mensen die een maatschappelijke steun krijgen, door de facturen van sommige zorgverleners aan het ziekenfonds van de sociaal verzekerde over te maken. Het is dus van erg groot belang dat de O.C.M.W.'s over het verzekerbaarheidsstatuut van de sociaal verzekerde, die om zijn tussenkomst verzoekt, mogen beschikken en ook het ziekenfonds mogen kennen waarbij zij rechten op terugbetaling kunnen doen gelden. In die zin wordt in artikel 39 van dit besluit voorzien dat de O.C.M.W.'s de verzekerbaarheidsgegevens van de bij hen ingeschreven sociaal verzekerden ook elektronisch mogen raadplegen en bewaren. e. Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en de controlediensten In artikel 39 van dit besluit wordt voorzien dat, wat de controledoelstelling betreft, uitsluitend de inspecteurs en controleurs van de Dienst voor medische controle en van de Dienst voor administratieve controle van het R.I.Z.IV. toegang mogen hebben tot de verzekerbaarheidsgegevens. 3. Aanwending van de bevoegdheden die aan de Koning werden toevertrouwd in het koninklijk besluit van 18 december 1996 Naast de maatregelen die normaal krachtens de uitvoerende macht worden genomen, voeren verschillende in dit besluit opgenomen maatregelen, uitdrukkelijk bepalingen uit van het koninklijk besluit van 18 december 1996 dat aan de Koning een bevoegdheid verleent mits, in voorkomend geval, de naleving van wezenlijke formaliteiten.Het betreft de volgende bepalingen van het koninlijk besluit van 18 december 1996. 3.1. Bepalingen overlegd in Ministerraad na advies van het Toezichtscomité - Artikel 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waarbij de Koning kan bepalen dat andere vermeldingen op de sociale identiteitskaart mogen worden aangebracht en kan verduidelijken op basis van welke gegevensbestanden deze vermeldingen op de kaart mogen worden aangebracht. Artikel 2 alsook de artikelen 26, 3de lid, en 28 van dit besluit maken gebruik van deze mogelijkheid. - Artikel 5, 3de lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waarbij de Koning andere instellingen of categorieën van personen kan toelaten of verplichten gebruik te maken van de sociale identiteitskaart van de sociaal verzekerden waarmee zij in betrekking komen. De artikelen 33 tot 39 van dit besluit maken gebruik van deze mogelijkheid door wat reeds voorzien is in artikel 5, enerzijds te preciseren en anderzijds vervolledigen. 3.2. Bepalingen overlegd in Ministerraad - Artikel 3, § 2, 2de lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waarbij de Koning kan bepalen dat geen sociale identiteitskaart wordt uitgereikt aan sommige categorieën van sociale verzekerden. In dit besluit wordt geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Het legt echter bepaalde categorieën van sociaal verzekerden vast waarvoor niet alle vermeldingen voorzien in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 december 1996 zullen worden opgenomen, in het bijzonder de vermeldingen betreffende de verzekerbaarheid inzake geneeskundige verzorging, en dit tijdens een overgangsperiode; deze overgangsmaatregel is voorzien in artikel 57 en verwijst naar de categorie van sociaal verzekerde die wordt beschreven in artikel 9. - Artikel 4, 4de lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waarbij de Koning de voorwaarden en de termijnen voor de uitreiking, de vervanging en de vernieuwing van de kaart bepaalt evenals de vergoedingen die geheven worden. Deze verschillende aspecten worden in extenso in de artikelen 7 tot 25 van dit besluit behandeld. De Raad van State merkt op dat in artikel 16 de opdracht van de verzekeringsinstellingen die ermee worden belast te waken over de inlevering van de sociale identiteitskaart van de overleden sociaal verzekerde, door zijn erfgenamen, niet nauwkeurig genoeg wordt beschreven. Er dient aldus te worden verduidelijkt dat de uitdrukking "waken over" die in dat artikel wordt gebruikt, uitsluitend tot doel heeft aan de verzekeringsinstellingen een praktische taak van administratieve aard toe te vertrouwen die geen juridische gevolgen heeft voor de erfgenamen die de sociale identiteitskaart moeten inleveren. De artikelen 40 en 41 van het ontwerp van koninklijk besluit worden als praktische en technische bepalingen beschouwd waarbij een optimaal beheer van de uitreikingen, vervangingen, vernieuwingen en van het gebruik van de sociale identiteitskaarten mogelijk wordt. De Raad van State stelt in artikel 40, 2de lid, de niet-limitatieve opsomming vast van de gegevens van het centrale register van de sociale identiteitskaarten die door de Kruispuntbank wordt bijgehouden. De niet-limitatieve opsomming wordt daadwerkelijk bevestigd omdat het centrale kaartenregister slechts een instrument is dat voortdurend moeten kunnen worden bijgestuurd naargelang de eisen op organisatorisch en technisch vlak evolueren; het soort gegevens dat erin voorkomt, is echter beperkt wegens de rechtmatigheid en evenredigheid ervan ten opzichte van de finaliteit van dit centrale kaartenregister dat in het 1ste lid van dit artikel wordt beschreven. - Artikel 4, 6de lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waarbij de Koning bepaalt welke sociaal verzekerden hun sociale identiteitskaart bij zich moeten hebben en in welke omstandigheden. In de artikelen 34 tot 37 van dit besluit wordt bepaald aan wie de sociaal verzekerde zijn sociale identiteitskaart moet voorleggen; de omstandigheden waarin de sociaal verzekerden hun kaart bij zich moeten hebben, kunnen er impliciet worden uit afgeleid. Bovendien worden in de artikelen 53 en 54 de omstandigheden waarin controle en toezicht worden uitgeoefend en waarin de sociaal verzekerde in het bezit moet zijn van zijn kaart, uitdrukkelijk vermeld. - Artikel 5, 2de lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waarbij de Koning bepaalde categorieën van personen die de derdebetalersregeling toepassen, kan verplichten gebruik te maken van de kaart. Artikel 37, 2de lid, van dit besluit noemt uitdrukkelijk de zorgverleners op die ertoe gehouden zijn gebruik te maken van de kaart bij elke geneeskundige verstrekking die onder de derdebetalersregeling valt, nl. de apothekers en de verplegingsinrichtingen. In artikel 52 van dit besluit wordt bovendien bepaald dat de zorgverlener die gebruik heeft gemaakt van de kaart, de terugbetaling door de verzekeringsinstellingen wordt gewaarborgd. 3.3. Bepalingen die het voorwerp uitmaken van een bevoegdheid aan de Koning, zonder wezenlijke formaliteiten - Artikel 3, § 1, 3de lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waarbij de Koning bepaalt binnen welke termijn een sociaal verzekerde, die zijn sociale identiteitskaart niet heeft gekregen, die dient aan te vragen bij zijn verzekeringsinstelling. In artikel 20 van dit besluit worden de modaliteiten van de aangifte bepaald die hij bij de betrokken verzekeringsinstelling moet doen. - Artikel 3, § 1, 4de lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waarbij de Koning de categorieën van sociaal verzekerden die niet zijn verzekerd of ingeschreven bij een verzekeringsinstelling, aanduidt die van ambtswege een sociale identiteitskaart uitgereikt krijgen door de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In artikel 8 van dit besluit worden de categorieën van sociaal verzekerden bepaald die onder het stelsel van de overzeese sociale zekerheid of onder het stelsel van de sociale zekerheid van de zeelieden der koopvaardij vallen; deze sociaal verzekerden krijgen van ambtswege hun kaart uitgereikt door de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In artikel 9 wordt er niettemin aan toegevoegd dat andere categorieën van sociaal verzekerden die onder het stelsel van de overzeese sociale zekerheid vallen, hun sociale identiteitskaart door de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering zullen uitgereikt krijgen enkel indien zij de aanvraag ervan doen bij de Dienst voor overzeese sociale zekerheid. - Artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waarbij de Koning verschillende modaliteiten bepaalt volgens dewelke een sociaal verzekerde die niet is ingeschreven of aangesloten bij een verzekeringsinstelling, een kaart moet krijgen. In de artikelen 8 tot 10 worden de bedoelde categorieën van sociaal verzekerden gedefinieerd en worden de uitvoeringsmodaliteiten bepaald die deze sociaal verzekerden toelaten een kaart uitgereikt te krijgen. - Artikel 6, 1ste lid, en artikel 7, 1ste lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waarbij de Koning de ambtenaren aanwijst die zijn belast met het toezicht op de naleving van het sociaal zekerheids- en arbeidsrecht, die de voorlegging van de kaart door de sociaal verzekerde mogen vragen, evenals de ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de toepassing van het besluit. In artikel 54 van dit besluit worden de inspecteurs en controleurs aangeduid die mogen overgaan tot deze vorderingen. In artikel 55 wordt bepaald dat diezelfde ambtenaren zijn belast met het toezicht op de toepassing en de naleving van het koninklijk besluit van 18 december 1996 en van de uitvoeringsmaatregelen ervan, o.a. van dit besluit. 4. Inwerkingtreding van de voornaamste bepalingen van het besluit De voornaamste data m.b.t. de inwerkingtreding van het gebruik van de kaart zijn vastgelegd in de artikelen 58 tot 63 van dit besluit; het betreft de volgende data : - vóór 1 maart 1998 : uitreiking door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van de beroepskaarten geneeskundige verzorging aan de verzekeringsinstellingen; - vanaf 1 maart 1998 : verplichting in hoofde van de verzekeringsinstellingen om de infrastructuur, die nodig is voor de raadpleging en de bijwerking van de gegevens die op de sociale identiteitskaart voorkomen, ter beschikking te stellen van de sociaal verzekerden; - tussen 1 maart 1998 en 30 september 1998 : uitreiking van de sociale identiteitskaart door de verzekeringinstellingen aan de sociaal verzekerden die deze kaart ambtshalve moeten krijgen; - tussen 1 april 1998 en 31 juli 1998 : uitreiking door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van de beroepskaarten inzake geneeskundige verzorging aan de apothekers en aan de verplegingsinrichtingen; - vanaf 1 oktober 1998 : verplicht gebruik van de sociale identiteitskaart door de instellingen en de natuurlijke en rechtspersonen vermeld in 2.3. en door de sociaal verzekerden; met het oog op een maximaal zicht op en duidelijkheid in het proces van inwerkingtreding van de sociale identiteitskaart, wordt de begindatum van geldigheid van alle kaarten vastgelegd op 1 oktober 1998; deze datum van inwerkingtreding geldt tevens voor de bepalingen met betrekking tot de controle en het toezicht zoals voorzien in de artikelen 53 en 54. Opgemerkt wordt dat de voormelde data van inwerkingtreding gepaard gaan met overgangsbepalingen die zullen worden opgenomen in de reglementering inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging. Er wordt tenslotte opgemerkt dat in dit ontwerp van koninklijk besluit rekening werd gehouden met de opmerkingen van de Raad van State, onder voorbehoud van de opmerkingen die uitdrukkelijk worden toegelicht in dit Verslag aan de Koning. We hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE De Minister van Financiën, Ph. MAYSTADT De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Sociale Zaken, Mevr. M. DE GALAN De Minister van Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 3 december 1997 door de Minister van Sociale Zaken verzocht haar van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende uitvoeringsmaatregelen inzake de sociale identiteitskaart", heeft, na de zaak te hebben onderzocht op de zittingen van 18 december 1997 en 8 januari 1998, op laatstvermelde datum het volgend advies gegeven : Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 1. Het voor advies voorgelegde ontwerp van besluit bevat een aantal maatregelen die verband houden met de invoering van de sociale identiteitskaart.Deze kaart werd ingevoerd bij het koninklijk besluit van 18 december 1996, zoals dit werd bekrachtigd bij de wet van 26 juni 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/06/1997 pub. 28/06/1997 numac 1997021198 bron diensten van de eerste minister Wet tot bekrachtiging van koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen sluiten. Het merendeel van de bepalingen van het ontwerp beoogt dan ook uitvoering te geven aan de diverse opdrachten waarmee het laatstgenoemde besluit de Koning heeft belast op het vlak van de invoering van de sociale identiteitskaart. Wat dat betreft wordt in het verslag aan de Koning gerefereerd aan de specifieke bepalingen van het koninklijk besluit van 18 december 1996 waaraan het voorliggende ontwerp uitvoering wil geven. De ontworpen regeling zal moeten worden gelezen in samenhang met nog andere uitvoeringsbesluiten van het laatstgenoemde besluit, zoals onder meer het koninklijk besluit van 31 januari 1997 dat uitvoering geeft aan de artikelen 4, vijfde lid, en 16 van het koninklijk besluit van 18 december 1996 (betreffende de financiering van de sociale identiteitskaart) en het koninklijk besluit van 19 juni 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 11/07/1997 numac 1997022386 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid, ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu en ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de wettelijke pensioenstelsels type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 30/08/1997 numac 1997022477 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende vaststelling van de personeelsformatie van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 28/06/1997 numac 1997022452 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 augustus 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder een tussenkomst van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen mag worden verleend in de experimenten inzake palliatieve hulp type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 28/06/1997 numac 1997022450 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen waaraan een samenwerkingsverband inzake palliatieve zorg moet voldoen om te worden erkend type koninklijk besluit prom. 19/06/1997 pub. 28/06/1997 numac 1997022449 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit waarbij sommige bepalingen van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, toepasselijk worden verklaard op de samenwerkingsverbanden inzake palliatieve verzorging tussen verzorgingsinstellingen en diensten sluiten, genomen ter uitvoering van artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 (betreffende de vorm van de sociale identiteitskaart). Daarnaast zullen sommige andere aspecten van de regeling, namelijk die betreffende de specificaties van de leesapparatuur voor de sociale identiteitskaart, blijkens het verslag aan de Koning het voorwerp zijn van een aparte regeling. Gelet op het aldus reeds tot stand gebracht geheel van uitvoeringsmaatregelen van het koninklijk besluit van 18 december 1996, wordt in het voorliggende ontwerp tevens overgegaan tot de opheffing van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 25 januari 1985 tot invoering van een kaart voor sociale zekerheid (artikel 56 van het ontwerp). Deze wet werd opgeheven bij artikel 15 van het voornoemd koninklijk besluit. 2.1. Niet alle bepalingen van het ontwerp vinden een duidelijke rechtsgrond in het koninklijk besluit van 18 december 1996. De stellers van het ontwerp zijn zich hiervan bewust, zoals blijkt uit het verslag aan de Koning waarin wordt gesteld dat het ontwerp ook maatregelen bevat "die normaal krachtens de uitvoerende macht worden genomen". Met name kan worden betwijfeld of de volgende artikelen van het ontwerp wel zijn gesteund op een specifieke delegatiebepaling van het koninklijk besluit van 18 december 1996 : - de artikelen 3 en 4, betreffende de "microchip" van de sociale identiteitskaart; - de artikelen 15 tot 20 en 24, wat het inleveren van de voornoemde kaart betreft; - artikel 21, in de mate dit betrekking heeft op het identificatieattest; - de artikelen 30 tot 32, wat het bijwerken van de gegevens betreft; - de artikelen 40 en 41, betreffende het centraal kaartenregister; - de artikelen 45 tot 53, wat de beroepskaart betreft. 2.2. Dient er inderdaad van te worden uitgegaan dat niet voor alle bepalingen van het voorliggende ontwerp een precieze of expliciete rechtsgrond in het koninklijk besluit van 18 december 1996 kan worden gevonden, dan mag nochtans niet uit het oog worden verloren dat de Koning op grond van artikel 108 van de Grondwet bevoegd wordt geacht om uit het beginsel van de wet en haar algemene economie de gevolgtrekkingen af te leiden die daaruit op natuurlijke wijze voortvloeien volgens de geest die aan de opvatting van de wet ten grondslag heeft gelegen en volgens de doelstellingen die zij nastreeft, mits de Koning daarbij de draagwijdte van de wet niet verruimt, noch beperkt (1). Hieruit volgt dat de Koning binnen de perken van zijn bevoegdheid blijft wanneer hij uit eigen beweging optreedt ter uitvoering van de wet door normatieve maatregelen te treffen, teneinde het doel dat de wetgever voor ogen heeft gestaan te verwezenlijken. Voor zover hij er zich daarbij van onthoudt de draagwijdte van de wet te verruimen of te beperken, heeft hij dus, bij het stilzwijgen van de wet, de vrije keuze van de middelen die tot dergelijk resultaat kunnen leiden. Onverminderd de opmerkingen welke hierna onder punt 3 zullen worden geformuleerd, kan worden vastgesteld dat de bepalingen van het voorliggende ontwerp die blijkbaar niet onder een uitdrukkelijke delegatiebepaling vallen, niet van die aard zijn dat zij de draagwijdte van de wet - in casu het door het koninklijk besluit van 18 december 1996 opgezette systeem van de sociale identiteitskaart - zouden verruimen of inperken. Het betreft integendeel bepalingen van vooral technische aard, die als noodzakelijk kunnen worden …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.