← België

Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen

In het kort

Dit decreet heeft als doel de bescherming van het leefmilieu door waterverontreiniging door nitraten en fosfaten uit agrarische bronnen te verminderen en te voorkomen. Het draagt bij aan een goede toestand van watersystemen en beperkt luchtverontreiniging door meststoffen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
22 DECEMBER 2006. - Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (1) Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid. Art. 2.Dit decreet heeft tot doel de bescherming van het leefmilieu door de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten en fosfaten uit agrarische bronnen te verminderen, verdere verontreiniging van die aard te voorkomen, bij te dragen tot de realisatie van een goede toestand van de watersystemen en de beperking van de luchtverontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen. Dit doel wordt ondermeer gerealiseerd door bepalingen inzake de productie, de verhandeling, het gebruik, de bewerking en de verwerking van meststoffen, en dit zowel in het kader van de goede landbouwpraktijken als in het kader van de zorg voor de goede kwaliteit van het water en de bodem. Art. 3.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° nitraatrichtlijn : de richtlijn van de Raad van 12 december 1991 (91/676/EEG) inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;2° grondwater : al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;3° zoet water : van nature voorkomend water met een laag gehalte aan zouten, dat in veel gevallen aanvaard wordt als zijnde geschikt voor onttrekking en behandeling voor de bereiding van drinkwater;4° stikstofverbinding : elke stikstof bevattende stof, uitgezonderd gasvormige moleculaire stikstof;5° vee : alle voor gebruiks- of winstdoeleinden gehouden dieren die voorkomen op de lijst in artikel 27;6° meststof : elke één of meer stikstof- of fosforverbindingen bevattende stof die op het land wordt gebruikt ter bevordering van de gewasgroei, met inbegrip van dierlijke mest, afval van visteeltbedrijven en zuiveringsslib;7° kunstmest : elke met een industrieel proces vervaardigde meststof, met inbegrip van het (NH4)2SO4 uit spuiwater;8° dierlijke mest : excrementen van vee of een mengsel van strooisel en excrementen van vee, alsook producten daarvan, met inbegrip van champost en van afval van visteeltbedrijven;9° op of in de bodem brengen : het toevoegen van meststoffen aan het land door verspreiding op het bodemoppervlak, injectie in de bodem, onderwerken of vermenging met de oppervlaktelagen;10° eutrofiëring : een verrijking van het water door stikstof- of fosforverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit;11° waterverontreiniging : het direct of indirect lozen van stikstof- of fosforverbindingen uit agrarische bronnen in het aquatisch milieu ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de aquati-sche ecosystemen kunnen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd;12° kwetsbare zone water : een overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de nitraatrichtlijn aangewezen stuk land;13° andere meststoffen : alle meststoffen die noch kunstmest, noch dierlijke mest zijn.Deze meststoffen omvatten onder meer spuistroom en zuiveringsslib; 14° NEC-richtlijn : de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 (2001/81/EG) inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen;15° drainwater : overtollig voedingswater afkomstig van de teelt van planten op groeimediums;16° champost : afgeoogste champignoncompost die overblijft na het telen van champignons;17° spuistroom : drainwater dat niet hergebruikt wordt als voedingswater;18° spuiwater : vloeistof die niet hergebruikt wordt als waswater in een luchtwassysteem dat lucht reinigt van de aanwezige ammoniak (NH3) die ontstaat in een stal, of bij verwerking of bewerking van dierlijke mest;19° landbouwgrond : landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;20° bedrijf : bedrijf als vermeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;21° exploitatie : exploitatie als vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;22° tot het bedrijf behorende landbouwgronden : de landbouwgronden die op 1 januari tot de exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf behoren;23° GVE : grootvee-eenheid : een landbouwkundige omrekeningsfactor voor dieren.De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, en stelt voor elke diercategorie de omrekeningsregels vast; 24° bewerken : het behandelen van dierlijke mest of andere meststoffen, waarna de nutriënten vervat in de dierlijke mest of andere meststoffen op Vlaamse landbouwgrond worden opgebracht;25° verwerken : a) het exporteren van pluimveemest of paardenmest;b) het behandelen van dierlijke mest of andere meststoffen, waarna de nutriënten vervat in de dierlijke mest of andere meststoffen : 1) ofwel worden gemineraliseerd en de residu's, die na de mineralisatie overblijven, niet op landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van parken, plantsoenen en particuliere tuinen, worden opgebracht, tenzij die residu's eerst zijn behandeld tot kunstmest;2) ofwel worden gerecycleerd en het gerecycleerde eindproduct niet op landbouw grond gelegen in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van parken, plantsoenen en particuliere tuinen, wordt opgebracht;26° landbouwer : landbouwer als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;27° producent van andere meststoffen : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die andere meststoffen produceert;28° Mestbank : de afdeling Mestbank van de bij decreet van 21 december 1988 opgerichte Vlaamse Landmaatschappij;29° mestverzamelpunt : opslagplaats voor dierlijke mest of andere meststoffen afkomstig van meerdere landbouwers of producenten van andere meststoffen en bestemd voor meerdere landbouwers, mestverzamelpunten, bewerkings- of verwerkingseenheden;30° verwerkingseenheid : een inrichting waar dierlijke mest of andere meststoffen verwerkt wordt;31° bewerkingseenheid : een inrichting waar dierlijke mest of andere meststoffen bewerkt wordt;32° mestvoerder : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die dierlijke mest of andere meststoffen vervoert;33° arm aan ammoniakale stikstof : een gehalte aan ammoniakale stikstof dat lager is dan twintig percent van het totale stikstofgehalte van de meststof;34° steile helling : landbouwgronden met een hellingsgraad van meer dan acht percent;35° drassig land : een plaats waar de grond op het ogenblik van de bemesting op minder dan twintig centimeter onder het maaiveld met water verzadigd is;36° groeimedium : materiaal in vaste of vloeibare vorm niet zijnde landbouwgrond dat wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt als voedingsbodem voor planten;37° inwerken van mest : de werkzaamheid waarbij mest na het uitspreiden ervan ofwel door grond wordt bedekt ofwel intensief met de grond wordt vermengd zodat de mest niet langer als zodanig op de grondoppervlakte ligt;38° stalmest : mengsel van stro en uitwerpselen van runderen, paarden, schapen of varkens, met een drogestofgehalte van het mengsel van minimum 20 procent, en waarbij het mengsel als vaste mest is ontstaan door het huisvesten van deze dieren in ingestrooide stallen of door het bewerken van dierlijke mest met stro.Mengsels met uitwerpselen van pluimvee worden niet beschouwd als stalmest, ongeacht het drogestofgehalte of de ontstaanswijze; 39° exporteren : dierlijke mest of andere meststoffen vervoeren naar een bestemming buiten het Vlaamse Gewest;40° verordening nr.259/93 : de verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap; 41° verhandelen : het afleveren van meststoffen aan een mestvoerder, aan een uitbater van een mestverzamelpunt, aan een uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid of aan een landbouwer, alsmede het met het oog daarop aanbieden of vervoeren ervan;42° diersoort : verzameling van dieren als vermeld in de tabel in artikel 27.Hierbij worden de volgende diersoorten onderscheiden : a) rundvee;b) varkens;c) pluimvee;c) paarden;d) andere;43° diercategorie : een onderverdeling van een diersoort als vermeld in de tabel in artikel 27;44° VHA-zone : sub-hydrografische eenheid, die de captatiezone van een waterloop of deel van een waterloop voorstelt.De ligging van de grenzen van de VHA-zones is o.a. gebaseerd op de afwatering via oppervlaktewater, reliëf en op vergelijkbare oppervlaktes van deze zones en is opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA); 45° gemiddelde veebezetting : het gemiddeld aantal dieren dat op jaarbasis aanwezig is;46° productiejaar : het kalenderjaar waarin de meststoffen werden geproduceerd, gebruikt of ingevoerd;47° bedrijfsgroep : een of meer bedrijven die worden geëxploiteerd door een van de volgende categorieën personen : a) echtgenoten of leden van eenzelfde gezin;b) een natuurlijke persoon en één of meer rechtspersonen waarin die natuurlijke persoon, zijn echtgenoot of een ander lid van zijn gezin belast is met de dagelijkse leiding;c) meerdere rechtspersonen waarin eenzelfde natuurlijke persoon, zijn echtgenoot of een ander lid van zijn gezin belast is met de dagelijkse leiding;d) met een vennootschap verbonden vennootschappen en personen verbonden met een persoon als vermeld in artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen;48° gezin : eenheid van een natuurlijke persoon, met de persoon met wie hij duurzaam samenleeft en de met hem samenwerkende bloed- en aanverwanten tot de tweede graad van hem of van de persoon met wie hij duurzaam samenleeft en de met hem samenwerkende geadopteerde kinderen van hemzelf of van de persoon waarmee hij duurzaam samenleeft;49° fosfaatbindend vermogen : de capaciteit van een bodem om oxalaat extraheerbaar fosfaat te fixeren, uitgedrukt in mmol P per kg luchtdroge grond;50° fosfaatverzadigingsgraad : de hoeveelheid oxalaat extraheerbaar fosfaat in een bodem, uitgedrukt als procentueel aandeel van het fosfaatbindend vermogen;51° profiel : de minerale bodem onder het maaiveld tot aan een diepte van 0,90 m, tenzij de gemiddeld hoogste grondwaterstand ondieper voorkomt.In dit laatste geval tot aan een diepte van de gemiddeld hoogste grondwaterstand; 52° zure zandgrond : een bodem met een textuurklasse P, S of Z en een pHKCl van maximum 6;53° textuurklasse P : textuurklasse Licht Zandleem, als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;54° textuurklasse S : textuurklasse Lemig Zand, als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;55° textuurklasse Z : textuurklasse Zand, als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;56° Sanitel : het geïnformatiseerd identificatie- en registratiesysteem voor nutsdieren, waaronder runderen, dat wordt beheerd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;57° onlinepositiebepaling : een systeem dat op een geautomatiseerde wijze een plaatsbepaling van voorwerpen of personen verricht en deze informatie onmiddellijk ter beschikking stelt;58° waterkwaliteitsgroep : een duurzaam samenwerkingsverband tussen landbouwers dat erop gericht is binnen de betrokken VHA-zone, VHA-zones of delen ervan de realisatie van de doelstellingen van dit decreet mogelijk te maken. Art. 4.§ 1. De Mestbank wordt belast met volgende taken : 1° ondersteunende taken : a) in het kader van een klantvriendelijke en oplossingsgerichte administratie, het informeren van land- en tuinbouwers over hun mestproductie en over het gebruik van meststoffen op hun bedrijf.Deze begeleiding wordt gedaan in een partnerschap met het oog op het bereiken van de milieudoelstellingen; b) het geven van voorlichting over de productie van dierlijke mest en over de opbrenging op of in de bodem, het vervoer, de opslag, de bewerking en de verwerking van meststoffen;c) het begeleiden van waterkwaliteitsgroepen als vermeld in artikel 12, § 3, met inbegrip van het geven van voorlichting betreffende het ver band tussen de waterkwaliteit en de bemesting;d) het bemiddelen in de verhandeling, het afnemen, het vervoer, de opslag, het bewerken of het verwerken van dierlijke mest;e) het stimuleren van de vraag naar een ecologisch verantwoord gebruik van meststoffen.De Mestbank kan hiertoe, evenals voor de ontwikkeling van bijkomende infrastructuur voor mestopslag en voor het stimuleren van het gebruik van on-line informaticatoepassingen in het kader van het mest-internet-loket, overeenkomstig de Europese regels inzake staatsteun, toelagen verlenen onder meer aan landbouwers en mestvoerders; f) het verrichten, laten verrichten en stimuleren van toegepast wetenschappelijk onderzoek met het oog op een ecologisch, technologisch en economisch verantwoorde vermindering van het mestoverschot, oordeelkundige bemesting, de relatie tussen bemesting, bodem, lucht en water en de mestbewerking en de mestverwerking en ook ter ondersteuning van het beleid inzake normering en controle.Hierbij wordt de Technische Werkgroep Nutriënten, vermeld in de artikelen 45 tot en met 46, voorafgaand geraadpleegd en betrokken; g) het verstrekken van adviezen aan de Vlaamse Regering over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de productie van dierlijke mest en op het gebruik, de bewerking, de verwerking en de opslag van meststoffen;h) het uitreiken van mestverwerkingscertificaten als vermeld in artikel 29 en het registreren van de overdracht van deze mestverwerkingscertificaten;i) de toewijzing van nutriëntenemissierechten aan landbouwers, de registratie van de melding van overdracht van nutriëntenemissierechten en de aktename van de annulatie van nutriëntenemissierechten;j) het informeren van landbouwers over de door de Mestbank geregistreerde mestverhandelingen;2° controletaken : a) het registreren van de aangegeven gegevens, onder meer ter bepaling van de mestoverschotten evenals het registreren van de gegevens aangaande het mestvervoer;b) de uitbouw en het beheer van een databank met betrekking tot de mestproblematiek en de uitbouw van een mest-internet-loket;c) het erkennen van mestvoerders;d) het toezicht op en de controle van de naleving van de bepalingen van dit decreet;e) het optreden als bevoegde autoriteit voor het Vlaamse Gewest in het kader van de verordening nr.259/93, wat de in- en uitvoer van dierlijke mest betreft; f) het uitoefenen van de taken en bevoegdheden, in het kader van de verordening (EG) nr.1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bij producten en als vermeld in hoofdstuk XIII van de Overeenkomst van 28 oktober 2005Relevante gevonden documenten type overeenkomst prom. 28/10/2005 pub. 12/12/2005 numac 2005022925 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Overeenkomst tussen de Federale Staat en de Gewesten inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten sluiten tussen de Federale Staat en de Gewesten inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, wat meststoffen betreft; g) het opleggen en het innen van de administratieve geldboetes, vermeld in dit decreet;h) het uitvoeren van audits als vermeld in artikel 14, § 5, eerste lid, 1°;i) het uitoefenen van toezicht op de krachtens artikel 62, § 6, erkende laboratoria. § 2. De Mestbank is belast met het verlenen van erkenningen, in het kader van de verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, aan installaties die meststoffen bewerken of verwerken. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden voor deze erkenningen, en aangaande de manier waarop deze erkenningen worden aangevraagd, verleend, geschorst en geheel of gedeeltelijk kunnen worden ingetrokken. Voor het verlenen van deze erkenningen doet de Mestbank onder meer een beroep op laboratoria die erkend zijn voor het uitvoeren van micro-biologische analyses. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden voor de erkenning van deze laboratoria, en aangaande de manier waarop deze erkenning wordt aangevraagd, verleend, geschorst en geheel of gedeeltelijk kan worden ingetrokken. HOOFDSTUK II. - De vaststelling van de verontreinigde en potentieel verontreinigde wateren en de aanwijzing van de kwetsbare zones water Afdeling I. - De vaststelling van de verontreinigde en potentieel verontreinigde wateren Art. 5.Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van de nitraatrichtlijn worden alle wateren in het Vlaamse Gewest aangeduid als wateren die door verontreiniging worden beïnvloed of zouden kunnen worden beïnvloed indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 van de nitraatrichtlijn achterwege blijven. In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering, overeenkomstig de criteria van bijlage I van de nitraatrichtlijn, wateren aanduiden die geen wateren zijn die door verontreiniging worden beïnvloed of zouden kunnen worden beïnvloed indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 van de nitraatrichtlijn achterwege blijven. Afdeling II. - De aanwijzing van de kwetsbare zones water Art. 6.Het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest wordt als kwetsbare zone water aangeduid. In afwijking van het eerste lid wordt door de Vlaamse Regering wanneer zulks dienstig is, doch ten minste om de vier jaar, de aanduiding van het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest als kwetsbare zone water opnieuw bezien en zo nodig herzien, teneinde rekening te houden met veranderingen en met bij de inwerkingtreding van dit decreet onvoorziene factoren. Art. 7.§ 1. Dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten bevatten voor de aangewezen kwetsbare zone water het actieprogramma met het oog op : 1° een vermindering van de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen;2° het voorkomen van verdere verontreiniging van die aard. § 2. Om de doeltreffendheid van de actieprogramma's te beoordelen stelt de Vlaamse Regering passende controleprogramma's op en voert die uit. § 3. De Vlaamse Regering kan overeenkomstig de nitraatrichtlijn, nadere regels vaststellen met betrekking tot : 1° de opstelling van de actieprogramma's;2° de opstelling en uitvoering van controleprogramma's;3° de opstelling van een code of codes van goede landbouwpraktijken;4° het opzetten van een programma, dat opleiding en voorlichting voor landbouwers omvat, om de toepassing van de code(s) van goede landbouwpraktijken te bevorderen;5° de informatie die aan de Europese Commissie dient meegedeeld te worden, alsook de wijze waarop dit dient te gebeuren. HOOFDSTUK III. - Maatregelen van bijlage II en bijlage III van de nitraatrichtlijn Afdeling I. - Periodes die niet geschikt zijn voor het op of in de bodem brengen van meststoffen Art. 8.§ 1. Het op of in de bodem brengen van dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest op landbouwgronden is verboden vanaf 1 september tot en met 15 februari. § 2. Het op of in de bodem brengen van dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest is tevens verboden : 1° op alle zon- en feestdagen.Deze verbodsbepaling geldt niet voor kunstmest; 2° voor zonsopgang en na zonsondergang.§ 3. In afwijking van § 1 is het verboden : 1° stalmest of champost op of in de bodem te brengen vanaf 15 november tot en met 15 januari;2° dierlijke mest op of in de bodem te brengen op de zware kleigronden in de polders, zoals aangeduid door de Vlaamse Regering, vanaf 15 oktober tot en met 15 februari. § 4. In afwijking van § 1 is het op of in de bodem brengen van andere meststoffen en bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevatten, dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging of waarvan de stikstofinhoud laag is, steeds toegelaten. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen en kan inzonderheid de andere meststoffen en bewerkte dierlijke mest bepalen die voor deze afwijking in aanmerking komen. § 5. De Vlaamse Regering kan gemotiveerd afwijkingen van voorgaande paragrafen voorzien in volgende gevallen : 1° voor het op of in de bodem brengen van stikstof uit kunstmest bij overkapte landbouwgronden;2° voor specifieke teelten die nog een belangrijke stikstofopname hebben in de periode bepaald in § 1 en waar de bodem onvoldoende stikstof kan leveren uit mineralisatie uit de bodemvoorraad.Als de specifieke teelt, een najaarsteelt is, kan de door de Vlaamse Regering toegestane afwijking er in geen geval toe leiden dat in een bepaald kalenderjaar, na 14 november, dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest mag worden opgebracht. Als de specifieke teelt, een voorjaarsteelt is, kan de door de Vlaamse Regering toegestane afwijking er in geen geval toe leiden dat in een bepaald kalenderjaar, vóór 16 januari, dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest mag worden opgebracht; 3° ingeval van uitzonderlijke weersomstandigheden, maatregelen genomen in toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, educatieve demonstraties en wetenschappelijke proefnemingen.Ingeval van uitzonderlijke weersomstandigheden kan enkel een afwijking gegeven worden in geval er geen andere bevredigende oplossing bestaat op het verbod om meststoffen op of in de bodem te brengen tot uiterlijk 15 september. De specifieke teelten, als vermeld in het eerste lid, 2°, zijn bloemkool, broccoli, sla, andijvie, spinazie, rode kool, witte kool, savooikool, Chinese kool, bleekselder, groene selder, knolselder, bladselder, spruiten, prei, koolrabi, venkel, hardfruit, vroege aardappelen, vroege uien, vroege bladgroenten, vroege wortelen, kruiden, raketsla en radijzen. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanpassen. De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden aan deze afwijkingen verbinden en kan deze afwijkingen onder meer beperken tot bepaalde gebieden. Afdeling II. - De capaciteit van de opslagtanks voor dierlijke mest en andere maatregelen ter voorkoming van waterverontreiniging Art. 9.§ 1. Een bedrijf dient ten laatste op 31 december 2011 te beschikken over een mestopslagcapaciteit voor de opslag van dierlijke mest : 1° van ten minste 9 maanden voor dieren die steeds op stal staan;2° van ten minste 6 maanden voor dieren met buitenloop;3° van ten minste 3 maanden voor stalmest. De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid mest boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd. Voor pluimvee waarvan de mest in de stal blijft en afgevoerd wordt na elke ronde geldt deze verplichting niet. De minimale opslagcapaciteit uitgedrukt in m3 wordt door de Vlaamse Regering bepaald in volume-eenheden naargelang de diersoort en het staltype. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn. § 2. Landbouwers die voor de teelt onder permanente overkapping gebruik maken van een groeimedium, dienen ten laatste op 1 januari 2011 te beschikken over een opslagcapaciteit minstens overeenstemmend met de spuistroom geproduceerd gedurende 6 maanden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn. De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid spuistroom boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd. Art. 10.De mestopslag kan op de volgende wijze gerealiseerd worden : 1° door overeenkomsten met landbouwers, die over voldoende mestopslagcapaciteit beschikken;2° door het plaatsen van inrichtingen, waarin dierlijke mest of spuistroom, kan opgeslagen worden, individueel of op basis van een samenwerkingsovereenkomst;3° door overeenkomsten met mestverwerkingseenheden, waarbij gewaarborgd wordt dat de hoeveelheid dierlijke mest of spuistroom, die zou moeten opgeslagen worden verwerkt wordt;4° door zelf de mest of spuistroom te verwerken en daarvan het bewijs te leveren. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. Art. 11.De Vlaamse Regering stelt de bouwvoorschriften van de gebouwen, inrichtingen of installaties die bestemd zijn voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, of voor de opslag van dierlijke mest, spuistroom of plantaardig materiaal zoals kuilvoeder, vast met het oog op het voorkomen van luchtverontreiniging door vervluchtiging van stikstofverbindingen en van waterverontreiniging veroorzaakt door het wegstromen en weglekken in grond- en oppervlaktewater van vloeistoffen die dierlijke mest, spuistroom of afvalwater van opgeslagen plantaardig materiaal zoals kuilvoeder bevatten. Afdeling III. - De beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen overeenkomstig de goede landbouwpraktijken en rekening houdend met de kenmerken van de betrokken kwetsbare zone water Onderafdeling I. - Algemene bepalingen Art. 12.§ 1. Meststoffen mogen enkel opgebracht worden op landbouwgrond en mogen niet geloosd of gestort worden in openbare rioleringen, in oppervlaktewateren, in grondwater, op openbare wegen, op bermen en op alle andere plaatsen die geen landbouwgrond zijn. In afwijking van het eerste lid mogen bij de bemesting van de plantput bij aanplantingen langs wegen of bij bosaanplantingen volgende meststoffen toch opgebracht worden : 1° stalmest;2° champost;3° bewerkte dierlijke mest en andere meststoffen waarin de stikstof in dusdanige vorm aanwezig is dat slechts een beperkt deel van de stikstof vrijkomt in het jaar van de opbrenging. In afwijking van het eerste lid mogen bij het aanleggen en het onderhouden van tuinen en parken, volgende meststoffen toch opgebracht worden : 1° stalmest;2° champost;3° kunstmest;4° bewerkte dierlijke mest en andere meststoffen waarin de stikstof in dusdanige vorm aanwezig is dat slechts een beperkt deel van de stikstof vrijkomt in het jaar van de opbrenging of waarvan de stikstofinhoud laag is. In de gevallen, vermeld in het tweede en het derde lid, mogen, per jaar, maximaal 80 kg P2O5/ha en maximaa l 170 kg N/ha opgebracht worden. § 2. In afwijking van § 1 kan de Mestbank, bij gemotiveerd verzoek, de opbrenging van dierlijke mest toestaan bij de heraanleg van de bouwvoor in het kader van infrastructuurwerken of andere cultuurtechnische werken. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. § 3. Per VHA-zone of deel ervan wordt een waterkwaliteitsgroep opgericht. De Vlaamse Regering stelt de samenstelling en de werking van de waterkwaliteitsgroepen vast en kan landbouwers van verscheidene VHA-zones of delen ervan in één waterkwaliteitsgroep samenbrengen. Onderafdeling II. - Beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen Art. 13.§ 1. De hoeveelheid nutriënten die met meststoffen per jaar op landbouwgrond mag opgebracht worden, met inbegrip van de uitscheiding door dieren bij beweiding, moet zodanig beperkt worden dat de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen zowel in grond- als in oppervlaktewater kleiner blijft dan 50 mg nitraat per liter en de eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria, kustwater en zeewater vermeden wordt en verdere verontreiniging van die aard voorkomen wordt. De volgende hoeveelheden nutriënten, uitgedrukt respectievelijk in kg P2O5, kg totale N, kg N uit dierlijke mest, kg N uit andere meststoffen en kg N uit kunstmest mogen maximaal, rekening houdend met de gewasbehoefte, de bodemvoorraad en de mineralisatie, per jaar en per hectare landbouwgrond, met uitzondering van het opbrengen van kunstmest op landbouwgrond die permanent overkapt is, opgebracht worden, met inbegrip van de uitscheiding door dieren bij beweiding : 1° vanaf 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2° vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3° vanaf 1 januari 2009 : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor de toepassing van de tabellen bedoeld in het tweede lid, worden volgende gewassen als gewassen met lage stikstofbehoefte beschouwd : 1° witloof en cichorei;2° fruit;3° sjalotten;4° uien;5° vlas;6° erwten en bonen. § 2. In afwijking van § 1, is op zandgronden de toegelaten hoeveelheid totale stikstof voor graangewassen en maïs beperkt tot de volgende hoeveelheden, uitgedrukt in kg Totale N : 1° vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 : 270;2° vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 : 265;3° vanaf 1 januari 2010 : 260. De Vlaamse Regering stelt de procedure voor het vaststellen van deze gronden vast. § 3. In afwijking van § 1 en § 2, kan de Vlaamse Regering op basis van een wetenschappelijk onderzoek naar de stikstofopname en de stikstofbehoefte van maïs, de toegelaten hoeveelheid totale stikstof per hectare landbouwgrond en per jaar, voor de gewasgroep maïs verlagen. De resultaten van het wetenschappelijk onderzoek, als vermeld in het eerste lid, worden door de Vlaamse Regering ter beschikking gesteld van de Europese Commissie en van het Vlaamse Parlement, ten laatste op 1 december 2009, tezamen met de conclusies die de Vlaamse Regering uit dit onderzoek trekt. § 4. In afwijking van § 1, kan voor tuinbouwteelten de toegelaten hoeveelheid Totale N volledig ingevuld worden met N uit kunstmest. Voor een opeenvolging van minstens twee tuinbouwteelten in eenzelfde kalenderjaar, kan de toegelaten hoeveelheid Totale N en N uit kunstmest verhoogd worden tot 345 kg N. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast en stelt een lijst vast van de tuinbouwteelten en de opeenvolgingen van tuinbouwteelten die hiervoor in aanmerking komen, rekening houdend met de te verwachten stikstofbehoeften van de gewassen. § 5. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van § 1 en ter uitvoering van een beschikking van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat België op grond van de nitraatrichtlijn gevraagde derogatie, de hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest die per hectare landbouwgrond en per jaar opgebracht mag worden, wijzigen onder de voorwaarden bepaald in de beschikking van de Commissie. Deze voorwaarden kunnen afwijken van de bepalingen van dit decreet. § 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de methodes voor bemonstering en analyse van landbouwgronden en kan nadere regels vaststellen in verband met de erkenning van de laboratoria die gemachtigd zijn deze staalnames en analyses uit te voeren. § 7. Het is verboden op landbouwgronden P2O5 uit kunstmest op of in de bodem te brengen met uitzondering van het op of in de bodem brengen van : 1° P2O5 uit kunstmest op percelen waarvan aan de hand van een bemonstering en analyse door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium kan aangetoond worden dat een bijkomende toediening van P2O5, gelet op de landbouwkundige behoeften, verantwoord is.De Mestbank geeft hiertoe de toelating; 2° 20 kg P2O5 uit kunstmest toegediend als startfosfor om teelttechnische redenen;3° 50 kg P2O5 uit kunstmest, toegediend om teelttechnische redenen, op percelen landbouwgrond waarop tuinbouwteelten, als vermeld in § 4, worden geteeld;4° P2O5 uit kunstmest op percelen landbouwgrond waarop andere leguminosen dan erwten en bonen, worden geteeld. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. § 8. Het gebruik van slib van rioolwaterzuiveringsinstallaties op landbouwgrond is verboden. § 9. Ter verbetering van de nutriëntenaanwending op landbouwgrond kan de Vlaamse Regering afwijkingen toestaan op de hoeveelheden nutriënten die per hectare landbouwgrond en per jaar opgebracht mogen worden, als vermeld in § 1, wanneer de bemesting gebeurt door andere meststoffen die stikstof in dusdanige vorm bevatten dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van de opbrenging. De afwijkingen mogen niet tot gevolg hebben dat hierdoor binnen een meerjarig perspectief van maximum drie jaar meer stikstof en fosfor wordt toegediend dan toegelaten volgens de bemestingsnormen, vermeld in dit decreet. Ter verbetering van de nutriëntenaanwending op landbouwgrond kan de Vlaamse Regering, na aanmelding bij en goedkeuring door de Europese Commissie, afwijkingen toestaan op de hoeveelheden nutriënten die per hectare landbouwgrond en per jaar opgebracht mogen worden, als vermeld in § 1, wanneer de bemesting gebeurt door dierlijke mest of bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevatten dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van de opbrenging. De afwijkingen mogen niet tot gevolg hebben dat hierdoor binnen een meerjarig perspectief van maximum drie jaar meer stikstof en fosfor wordt toegediend dan toegelaten volgens de bemestingsnormen, vermeld in dit decreet. § 10. In afwijking van de §§ 1 tot en met 9 mag, ter verbetering van de humustoestand van landbouwgrond, op bepaalde percelen met een te laag koolstofgehalte, tot 10 ton GFT-compost per hectare of 15 ton groencompost per hectare, opgebracht worden, op voorwaarde dat, in het vorige kalenderjaar, bij de bemonstering van het betrokken perceel landbouwgrond, in de periode van 1 oktober tot 15 november, een nitraatresidu is vastgesteld dat niet hoger is dan de nitraatresiduwaarde, vermeld in artikel 14. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, en bepaalt onder meer welke percelen aanzien worden als percelen met een te laag koolstofgehalte. Art. 14.§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 13 en van de artikelen 61 tot en met 72, stelt de Vlaamse Regering, met het oog op de handhaving van onderhavig decreet, een nitraatresiduwaarde vast. Naast een nitraatresiduwaarde wordt er ook een nitraatresidu-richtwaarde vastgesteld, die geldt als criterium voor het toekennen van bepaalde bijkomende financiële stimuli aan landbouwers. De nitraatresiduwaarde en de nitraatresidu-richtwaarde worden uitgedrukt in kg N/ha in de landbouwgrond tot op een diepte van 0,90 m in de periode van 1 oktober tot 15 november. § 2. Tot uiterlijk 31 december 2008 wordt de nitraatresiduwaarde vastgesteld op 90 kg N/ha en de nitraatresidu-richtwaarde op 45 kg N/ha. Ten laatste vanaf 1 januari 2009 gelden de door de Vlaamse Regering vastgestelde nitraatresiduwaarde en de nitraatresidu-richtwaarde. De Vlaamse Regering stelt de nitraatresiduwaarde en de nitraatresidu-richtwaarde vast op grond van de evaluatie van de resultaten van de nitraatresidumetingen en de aanvulling van bestaand en verder wetenschappelijk onderzoek ondermeer met betrekking tot de procesfactor voor grondwater. De Vlaamse Regering voert bij het vastleggen van de nitraatresiduwaarde een differentiatie in naargelang relevante teeltgroepen conform artikel 5.5 van de nitraatrichtlijn en naargelang het al dan niet over een zandgrond als vermeld in artikel 13, § 2, gaat. § 3. De Vlaamse Regering duidt jaarlijks VHA-zones of delen ervan als risicogebieden aan. Dit zijn gebieden waar de gemiddelde nitraatconcentratie per jaar en per liter van het oppervlaktewater of van het grondwater een door de Vlaamse Regering vastgestelde waarde overschrijdt of gebieden die aanleiding kunnen geven tot eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria, kustwateren en zeewater. De Mestbank laat bij elke landbouwer die landbouwgronden gebruikt die in deze risicogebieden gelegen zijn, minstens één nitraatresidustaalname doen op een perceel landbouwgrond dat hij gebruikt, door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, in de periode van 1 oktober tot 15 november. De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer ten laatste 1 week voor de staalname in kennis wordt gesteld van de dag en het perceel of de percelen waarop het staal zal worden genomen. Bij betwistingen aangaande deze in kennis stellingen kan de landbouwer de nietigheid van het resultaat van de uitgevoerde staalname niet inroepen. De landbouwer kan in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidustaalname laten uitvoeren op hetzelfde perceel en op dezelfde dag of binnen de 48 uur na de nitraatresidustaalname uitgevoerd in opdracht van de Mestbank als vermeld in het tweede lid door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, naar zijn keuze. In voorkomend geval wordt het laagste resultaat van beide staalnames in aanmerking genomen. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. § 4. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van dit artikel, van artikel 13 en van de artikelen 61 tot en met 72, kan er een administratieve geldboete opgelegd worden lastens elke landbouwer telkens er bij de bemonstering van een tot zijn bedrijf behorend perceel landbouwgrond, gelegen in de risicogebieden zoals bepaald in § 3, in de periode van 1 oktober tot 15 november, een nitraatresidu is vastgesteld dat meer dan F keer de nitraatresiduwaarde, vermeld in dit artikel, is. Het bedrag van de administratieve geldboete wordt door middel van de volgende formule berekend : [(GN - F x TN) x 4 euro + 100 euro] Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder : 1° GN : het gemeten nitraatresidu;2° TN : de nitraatresiduwaarde, vermeld in dit artikel;3° F : een door de Vlaamse Regering in functie van de resultaten van de nitraatresidumetingen vast te stellen getal. Wanneer op één perceel, gedurende hetzelfde kalenderjaar, in de periode van 1 oktober tot 15 november, meerdere bemonsteringen naar het nitraatresidu werden uitgevoerd, kan er slechts één administratieve geldboete worden opgelegd. § 5. Wanneer uit de resultaten van de bemonstering van een perceel landbouwgrond gelegen in de risicogebieden uitgevoerd in een bepaald kalenderjaar, blijkt dat het nitraatresidu van dat perceel de nitraatresiduwaarde, vermeld in dit artikel, overschrijdt, zal lastens de landbouwer die het betrokken perceel landbouwgrond in het desbetreffende kalenderjaar in gebruik had, in het daaropvolgende kalenderjaar, de volgende regeling gelden : 1° er zal, door de Mestbank, een volledige audit gebeuren van diens bedrijf meer bepaald met betrekking tot het gehouden vee, de aanwezige mestopslag, de mestafzet en de bemesting.De landbouwer zal een advies ontvangen met betrekking tot de milieukundig verantwoorde uitbating van zijn bedrijf; 2° de landbouwer dient ten laatste op 31 januari een teelt- en bemestingsplan op te maken met betrekking tot dat kalenderjaar en dient dit ter inzage te houden van de met het toezicht op dit decreet belaste ambtenaren;3° de landbouwer dient voor elke tot zijn bedrijf behorende exploitatie een bemestingsregister bij te houden op perceelsniveau;4° de landbouwer dient in de periode van 1 oktober tot 15 november in zijn opdracht en op zijn kosten door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, een nitraatresidustaalname te laten uitvoeren op minstens drie percelen door de Mestbank aangeduid vóór 1 oktober.Als de landbouwer de door de Mestbank aangeduide percelen niet laat bemonsteren, wordt, voor de toepassing van deze paragraaf, elk niet bemonsterd perceel beschouwd als een perceel waar de nitraatresiduwaarde, vermeld in dit artikel, werd overschreden. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. § 6. Lastens elke landbouwer die zich verzet tegen de nitraatresidustaalnames, vermeld in dit artikel, wordt een administratieve geldboete opgelegd van 250 euro per staalname. § 7. Lastens elke landbouwer die de verplichtingen, vermeld in dit artikel, aangaande het teeltplan, het bemestingsplan of het bemestingsregister, niet heeft nageleefd, wordt een administratieve geldboete van 250 euro opgelegd. Art. 15.§ 1. De Mestbank kan ook buiten de risicogebieden, vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, nitraatresidustaalnames laten nemen door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, in de periode van 1 oktober tot 15 november. De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer ten laatste 1 week voor de staalname in kennis wordt gesteld van de dag en het perceel of de percelen waarop het staal zal worden genomen. Bij betwistingen aangaande deze in kennis stellingen kan de landbouwer de nietigheid van het resultaat van de uitgevoerde staalname niet inroepen. De landbouwer kan in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidustaalname laten uitvoeren op hetzelfde perceel en op dezelfde dag of binnen de 48 uur na de nitraatresidustaalname uitgevoerd in opdracht van de Mestbank als vermeld in het eerste lid door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, naar zijn keuze. In voorkomend geval wordt het laagste resultaat van beide staalnames in aanmerking genomen. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. § 2. Wanneer uit de resultaten van de bemonstering van een perceel landbouwgrond gelegen buiten de risicogebieden, aangeduid krachtens artikel 14, § 3, eerste lid, uitgevoerd in een bepaald kalenderjaar, blijkt dat het nitraatresidu van dat perceel de nitraatresiduwaarde, vermeld in artikel 14, minstens Y keer overschrijdt, laat de landbouwer die het betrokken perceel landbouwgrond in het desbetreffende kalenderjaar in gebruik had, in het daaropvolgende kalenderjaar, in de periode van 1 oktober tot 15 november, in zijn opdracht en op zijn kosten door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, een nitraatresidustaalname op hetzelfde perceel uitvoeren. Wanneer de landbouwer het betrokken perceel landbouwgrond niet meer in gebruik heeft, duidt de Mestbank een ander tot zijn bedrijf behorend perceel landbouwgrond aan, waarop de nitraatresidustaalname dient te gebeuren. Wanneer de landbouwer de nitraatresidustaalname als vermeld in het eerste lid niet uitvoert, of wanneer uit de resultaten van de bemonstering, als vermeld in het eerste lid, blijkt dat het nitraatresidu van dat perceel de nitraatresiduwaarde, vermeld in artikel 14, minstens Z keer overschrijdt, dient de landbouwer, in het daaropvolgende kalenderjaar : 1° ten laatste op 31 januari een teelt- en bemestingsplan op te maken met betrekking tot dat kalenderjaar en dit ter inzage te houden van de met het toezicht op dit decreet belaste ambtenaren;2° voor elke tot zijn bedrijf behorende exploitatie een bemestingsregister bij te houden op perceelsniveau. De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen en stelt de waarde vast van Y en Z, met dien verstande dat de waarde van Y en Z niet hoger mag zijn dan de waarde van F, als vermeld in artikel 14, § 4. § 3. Lastens elke landbouwer die de verplichtingen, vermeld in § 2, tweede lid, aangaande het teeltplan, het bemestingsplan of het bemestingsregister, niet heeft nageleefd, wordt een administratieve geldboete van 250 euro opgelegd. Onderafdeling III. - Gebiedsgerichte maatregelen aangaande het op of in de bodem brengen van meststoffen Art. 16.In de beschermingszone type I van de waterwingebieden afgebakend in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer is het op of in de bodem brengen van meststoffen verboden. Art. 17.§ 1. Op landbouwgronden gelegen in fosfaatverzadigde gebieden wordt de bemesting beperkt tot 40 kg P2O5 per hectare en per jaar. § 2. De Vlaamse Regering bakent de fosfaatverzadigde gebieden af op basis van de volgende criteria : 1° de kritische grenswaarde voor fosfaatdoorslag is voor zure zandgrond : a) tot 31 december 2008 : 40 percent profielgemiddelde fosfaatverzadigingsgraad;b) vanaf 1 januari 2009 : 35 percent profielgemiddelde fosfaatverzadigingsgraad;2° als uit een inventarisatie op basis van een bemonstering blijkt dat met een probabiliteit van 95 percent de fosfaatverzadigingsgraad er boven de kritische grenswaarde voor fosfaatdoorslag, vermeld in 1°, ligt. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de bemonstering en analyses ter bepaling van het fosfaatbindend vermogen en de fosfaatverzadigingsgraad en kan de nadere regels vaststellen in verband met de erkenning van de laboratoria die gemachtigd zijn om deze bemonsteringen en analyses uit te voeren. § 3. De Vlaamse Regering zal betreffende de kritische grenswaarde voor fosfaatdoorslag een studie laten uitvoeren en op basis van de resultaten van deze studie de kritische grenswaarde desgevallend verlagen. De resultaten van het wetenschappelijk onderzoek, als vermeld in het eerste lid, worden door de Vlaamse Regering ter beschikking gesteld van de Europese Commissie en van het Vlaamse Parlement, ten laatste op 1 december 2009, tezamen met de conclusies die de Vlaamse Regering uit dit onderzoek trekt. § 4. De beperkingen opgelegd ingevolge § 1 geven geen aanleiding tot vergoedingen. § 5. Voor een perceel gelegen in een fosfaatverzadigd gebied waarvan, op grond van een analyse, zou blijken dat het niet fosfaatverzadigd is, gelden de bepalingen van § 1 niet. Daartoe wordt door de Mestbank een attest afgegeven. In dit geval vallen de kosten van de analyse ten laste van de Mestbank. De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder de Mestbank dit attest kan afgeven, stelt de wijze vast waarop de analyse dient uitgevoerd te worden en kan de nadere regels vaststellen in verband met de erkenning van de laboratoria die gemachtigd zijn deze uit te voeren. § 6. Voor een perceel, gelegen in een fosfaatverzadigd gebied waarvan, op grond van een analyse, wordt bewezen dat het fosfaatbindend vermogen van 0 tot 90 cm diepte, kleiner of gelijk is aan 25 mmol P per kg luchtdroge grond, en het gehalte aan Poxalaat van 0 tot 30 cm diepte kleiner of gelijk is aan 20 mmol P per kg luchtdroge grond, gelden de bepalingen van § 1 niet en wordt de bemesting beperkt tot de volgende hoeveelheden P2O5 in kg per hectare en per jaar : 90 voor grasland, 80 voor maïs, 70 voor gewassen met lage stikstofbehoefte en 70 voor andere gewassen. Daartoe wordt door de Mestbank een attest afgegeven. In dit geval zijn de kosten van de analyse, vermeld in het eerste lid, ten laste van de Mestbank. De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder de Mestbank dit attest kan afgeven, stelt de wijze vast waarop de analyse uitgevoerd moet worden en kan de nadere regels vaststellen in verband met de erkenning van de laboratoria die gemachtigd zijn om de analyse uit te voeren. Art. 18.§ 1. Op landbouwgronden die volledig gelegen zijn in meerdere gebieden, met verschillende bemestingsregels of bemestingsnormen, gelden voor de beperkingen voor difosforpentoxide, stikstof, stikstof uit dierlijke mest, stikstof uit andere meststoffen en stikstof uit kunstmest, afzonderlijk, de strengste bepalingen van de overeenkomstige gebieden. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. § 2. Bij nieuwe afbakeningen van kwetsbare zones water of van fosfaatverzadigde gebieden, vermeld in artikel 17, gelden de overeenkomstige bemestingsnormen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe afbakening. Onderafdeling IV. - Het op of in de bodem brengen van meststoffen op steile hellingen Art. 19.Op steile hellingen moeten meststoffen op de volgende wijze op of in de bodem gebracht worden : 1° op beteelde steile hellingen is voor het op of in de bodem brengen van dierlijke mest of vloeibare andere meststoffen, zode-injectie of mestinjectie verplicht;2° op niet-beteelde steile hellingen is : a) voor het op of in de bodem brengen van dierlijke mest mestinjectie of directe onderwerking in één werkgang verplicht;b) voor het op of in de bodem brengen van kunstmest en andere meststoffen de directe onderwerking in één werkgang verplicht.In afwijking hiervan moeten kunstmest in vaste vorm of andere meststoffen in vaste vorm binnen het uur na de aanwending ondergewerkt worden. Het op of in de bodem brengen van kunstmest of van dierlijke mest, met uitzondering van rechtstreekse uitscheiding door beweiding, is verboden op percelen landbouwgrond met een gemiddeld stijgingspercentage hoger of gelijk aan 18 %. Onderafdeling V. - Het op of in de bodem brengen van meststoffen op drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt land Art. 20.Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen op drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt land. Onderafdeling VI. - Het op of in de bodem brengen van meststoffen in de nabijheid van waterlopen Art. 21.Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij beweiding : 1° tot 5 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van een waterloop;2° tot 10 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop die gelegen is in het Vlaams Ecologisch Netwerk;3° tot 10 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop, als een helling grenst aan een waterloop. De waterlopen, vermeld in het eerste lid, zijn de bevaarbare waterlopen en de onbevaarbare waterlopen van eerste, tweede en derde categorie, ingedeeld op grond van de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen. Onderafdeling VII. - Methoden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen Art. 22.§ 1. De dierlijke mest en andere meststoffen moeten emissiearm als volgt op of in de bodem worden gebracht : 1° bij bemesting mogen de toegediende meststoffen niet afspoelen;2° andere meststoffen en dierlijke mest dienen : a) op grasland opgebracht te worden door middel van zode-injectie of sleepslangtechniek;b) op niet-beteelde landbouwgrond opgebracht te worden door middel van mestinjectie of door middel van het in twee opeenvolgende werkgangen uitspreiden en inwerken van de mest, waarbij de mest binnen twee uur na het uitspreiden moet zijn ingewerkt op het perceel in kwestie.Op zaterdagen is het verplicht om de dierlijke mest onmiddellijk in te werken; c) op beteelde landbouwgronden andere dan grasland opgebracht te worden door middel van mestinjectie of door middel van sleepslangtechniek;3° in afwijking van 2° moeten andere meststoffen die arm zijn aan ammoniakale stikstof, champost die arm is aan ammoniakale stikstof en stalmest die arm is aan ammoniakale stikstof binnen 24 uur na de opbrenging worden ingewerkt;4° in afwijking van 2° en 3° moeten volgende meststoffen niet emissiearm aangewend worden : a) stalmest of champost die op grasland wordt opgebracht;b) stalmest, champost of compost die gebruikt wordt voor bepaalde houtige teelten;c) spuistroom; De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de opbrenging van meststoffen, vermeld in eerste lid, 4°, en bepaalt ondermeer welke teelten als houtige teelten worden aanzien. De Vlaamse Regering kan bijkomende maatregelen inzake emissiearme aanwending van dierlijke mest en andere meststoffen vaststellen. § 2. Effluenten afkomstig van de bewerking of verwerking van dierlijke mest die volgens een analyse, uitgevoerd door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, een lager gehalte hebben aan ammoniakale stikstof dan 1 kg NH4-N per 1000 L of 1 kg NH4-N per 1000 kg, moeten niet worden ingewerkt. Daartoe wordt door de Mestbank een attest afgegeven dat bij de toediening van het effluent aanwezig moet zijn. De kosten van de analyse vallen ten laste van de aanvrager. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast en stelt ondermeer de voorwaarden vast waaronder de Mestbank dit attest kan afgeven. HOOFDSTUK IV. - De aangifte en de berekening van de productie van dierlijke mest Afdeling I. - De aangifte Art. 23.§ 1. De volgende personen dienen elk jaar, in toepassing van dit decreet, een aangifte te doen : 1° de landbouwer van wie het bedrijf : a) ofwel, een productie aan dierlijke mest heeft groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5 en waar bij de productie aan dierlijke mest van het bedrijf wordt berekend als de som van de productie aan dierlijke mest MPp van elke exploitatie van het bedrijf. Met MPp wordt bedoeld : het product uitgedrukt in kg P2O5, van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende het voorbije kalenderjaar, met de overeenkomstige productie per dier, vermeld in artikel 27, § 1; b) ofwel, waarvan de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond groter is dan of gelijk is aan 2 ha. Vanaf het aanslagjaar 2008 vormt SANITEL de basis voor de aangifte met betrekking tot de diersoort 1° RUNDVEE. De landbouwers die beschikken over dieren van de diersoort 1° RUNDVEE zijn verplicht om aan de Mestbank de toestemming te verlenen om de cijfergegevens met betrekking tot de dierenaantallen gehouden vanaf 1 januari 2007 in SANITEL te raadplegen en te gebruiken; 2° de uitbater van een mestverzamelpunt met een opslagcapaciteit van meer dan 300 kg P2O5;3° de uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, met een bewerkings- of verwerkingscapaciteit voor dierlijke mest of andere meststoffen, van meer dan 300 kg P2O5 per jaar;4° eenieder die andere meststoffen produceert, verdeelt, importeert of exporteert, en die meer dan 300 kg P2O5 laat afzetten op landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest;5° elke landbouwer van wie het bedrijf een oppervlaktegroeimedium heeft van minstens 50 are.Voor de bepaling van de oppervlakte groeimedium bij het telen van planten in meerdere lagen boven elkaar, wordt de oppervlakte van elke laag opgeteld; 6° eenieder die minstens 10 000 kg N per jaar, uit kunstmest produceert, verdeelt, importeert of exporteert en deze levert aan verdelers of aan landbouwers als vermeld in 1°, 5° of 7°;7° elke landbouwer, gevestigd buiten het Vlaamse Gewest, waarvan een gedeelte van de tot het bedrijf behorende landbouwgrond binnen het Vlaamse Gewest is gelegen;8° eenieder die diervoeders produceert, invoert of verkoopt;9° de erkende mestvoerder, als vermeld in artikel 48, die op één of meerdere documenten, opgesteld in uitvoering van de artikelen 47 tot en met 60, als aanbieder of afnemer van meststoffen, vermeld is. § 2. Eenieder die dierlijke mest of andere meststoffen invoert in het Vlaamse Gewest of exporteert uit het Vlaamse Gewest is verplicht hiervan telkens aangifte te doen aan de Mestbank, door middel van de documenten die het vervoer van mest dienen te vergezellen, vermeld in de artikelen 48 tot en met 60. Deze documenten gelden als aangifte. § 3. De Vlaamse Regering kan aan de landbouwers van wie het bedrijf een dierlijke mestproductie MPp als vermeld in § 1, 1°, heeft van minder dan 300 kg P2O5, en een tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond van minder dan 2 ha, voorwaarden opleggen die betrekking hebben op het afleggen van een verklaring omtrent de omvang van de bij het bedrijf horende landbouwgrond en de productie van dierlijke mest uitgedrukt in P2O5. § 4. Wanneer de aangifteplichtige overleden is of failliet verklaard rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op zijn erfgenamen of legatarissen en in het tweede geval op zijn curator. § 5. Elke aangifteplichtige, als vermeld in § 1, eerste lid, 1°, 5° en 7°, doet elk jaar, per exploitatie, aangifte van de volgende gegevens : 1° het aantal standplaatsen van de dieren vermeld in artikel 27, die konden gehouden worden op 1 januari van het lopende kalenderjaar;2° per diercategorie, het gemiddeld aantal dieren vermeld in artikel 27, die gehouden zijn in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte.De dieren die behoren tot de diersoort runderen dienen echter niet vermeld te worden; 3° de opslagcapaciteit van mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3;4° de opgeslagen hoeveelheid mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar uitgedrukt in m3 en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;5° het gebruik van kunstmest op eigen landbouwgronden gelegen in het Vlaamse Gewest, in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;6° de aanduiding op cartografisch materiaal van al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden, woningen, inrichtingsgebouwen en daarbij horende voorzieningen;7° een teeltplan met betrekking tot al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden en met betrekking tot de volledige tot de exploitatie behorende oppervlakte groeimedium, voor wat betreft het lopende kalenderjaar.Het teeltplan omvat minstens de teelten die vermeld zijn in artikel 13 inclusief gebouwen en andere verharde oppervlakten; 8° alle elementen die nodig zijn voor de onderbouwing van de nutriëntenbalans met betrekking tot het kalenderjaar voorafgaand aan de aangifte, wanneer de landbouwer, in dat kalenderjaar, gebruik gemaakt heeft van een nutriëntenbalansstelsel, als vermeld in artikel 25;9° de hoeveelheid dierlijke mest, inclusief rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, andere meststoffen en kunstmest, uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide, die in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte, is afgezet op eigen landbouwgrond buiten het Vlaamse Gewest;10° een kopie van al de inscharingscontracten, als vermeld in artikel 47, die de aangifteplichtige heeft afgesloten en die betrekking hebben op het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte;11° de productie aan voedingswater uitgedrukt in m3 en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte;12° de productie aan spuistroom uitgedrukt in m3 en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte. De Vlaamse regering kan deze lijst aanvullen of wijzigen. § 6. De personeelsleden van de Mestbank, de door haar erkende mestvoerders, de derden waarop de Mestbank voor de uitoefening van haar taken een beroep doet, alsmede eenieder die in welke hoedanigheid ook kennis krijgen van de overeenkomstig dit artikel aangegeven gegevens en inlichtingen, zijn gehouden tot geheimhouding ervan. Deze geheimhoudingsverplichting doet geen afbreuk aan de regeling inzake openbaarmaking van milieu-informatie, vermeld in hoofdstuk II Passieve Openbaarheid, van het decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/03/2004 pub. 01/07/2004 numac 2004036026 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur sluiten betreffende de openbaarheid van bestuur. § 7. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast betreffende de aangifte, vermeld in dit artikel, en stelt ondermeer vast welke gegevens aangegeven dienen te worden, de wijze waarop deze gegevens aangegeven dienen te worden en de wijze waarop de gemiddelde veebezetting berekend wordt. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot aangifte, als vermeld in § 1, 8°, beperken tot bepaalde producenten, invoerders of verkopers van diervoeders. Art. 24.§ 1. Elke landbouwer die dieren houdt is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de veestapel. In afwijking van het voorgaande moet voor dieren van de diersoort 1° RUNDVEE geen register bijgehouden worden. § 2. Eenieder die minstens 10 000 kg N per jaar, uit kunstmest produc …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.