Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen
In het kort
Dit decreet heeft als doel de bescherming van het leefmilieu door waterverontreiniging door nitraten en fosfaten uit agrarische bronnen te verminderen en te voorkomen. Het draagt bij aan een goede toestand van watersystemen en beperkt luchtverontreiniging door meststoffen.
Wat het reguleert
- De vermindering en preventie van waterverontreiniging door nitraten en fosfaten uit agrarische bronnen.
- De productie, verhandeling, gebruik, bewerking en verwerking van meststoffen.
- De realisatie van een goede toestand van watersystemen.
- De beperking van luchtverontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen.
Wie het betreft
- Landbouwers en producenten van andere meststoffen.
- Mestvoerders en uitbaters van mestverzamelpunten, bewerkings- of verwerkingseenheden.
Kernpunten
- Het decreet heeft tot doel de bescherming van het leefmilieu door de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten en fosfaten uit agrarische bronnen te verminderen en verdere verontreiniging te voorkomen.
- De Mestbank is belast met ondersteunende taken zoals het informeren van land- en tuinbouwers over mestproductie en -gebruik, en het geven van voorlichting over de omgang met meststoffen.
- De Mestbank begeleidt waterkwaliteitsgroepen en bemiddelt in de verhandeling, afname, vervoer, opslag, bewerking of verwerking van dierlijke mest.
- De Mestbank stimuleert een ecologisch verantwoord gebruik van meststoffen en kan hiervoor toelagen verlenen.
Wettekst
22 DECEMBER 2006. - Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (1) Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen het
het eerste lid kan de Vlaamse Regering, overeenkomstig de criteria van bijlage I van de nitraatrichtlijn, wateren aanduiden die geen wateren zijn die door verontreiniging worden beïnvloed of zouden kunnen worden beïnvloed indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 van de nitraatrichtlijn achterwege blijven. Afdeling II. - De aanwijzing van de kwetsbare zones water Art. 6.Het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest wordt als kwetsbare zone water aangeduid.
het eerste lid wordt door de Vlaamse Regering wanneer zulks dienstig is, doch ten minste om de vier jaar, de aanduiding van het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest als kwetsbare zone water opnieuw bezien en zo nodig herzien, teneinde rekening te houden met veranderingen en met bij de inwerkingtreding van dit decreet onvoorziene factoren. Art. 7.§
- Dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten bevatten voor de aangewezen kwetsbare zone water het actieprogramma met het oog op : 1° een vermindering van de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen;2° het voorkomen van verdere verontreiniging van die aard. §
- Om de doeltreffendheid van de actieprogramma's te beoordelen stelt de Vlaamse Regering passende controleprogramma's op en voert die uit. §
- De Vlaamse Regering kan overeenkomstig de nitraatrichtlijn, nadere regels vaststellen met betrekking tot : 1° de opstelling van de actieprogramma's;2° de opstelling en uitvoering van controleprogramma's;3° de opstelling van een code of codes van goede landbouwpraktijken;4° het opzetten van een programma, dat opleiding en voorlichting voor landbouwers omvat, om de toepassing van de code(s) van goede landbouwpraktijken te bevorderen;5° de informatie die aan de Europese Commissie dient meegedeeld te worden, alsook de wijze waarop dit dient te gebeuren. HOOFDSTUK III. - Maatregelen van bijlage II en bijlage III van de nitraatrichtlijn Afdeling I. - Periodes die niet geschikt zijn voor het op of in de bodem brengen van meststoffen Art. 8.§
- Het op of in de bodem brengen van dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest op landbouwgronden is verboden vanaf 1 september tot en met 15 februari. §
- Het op of in de bodem brengen van dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest is tevens verboden : 1° op alle zon- en feestdagen.Deze verbodsbepaling geldt niet voor kunstmest; 2° voor zonsopgang en na zonsondergang.§ 3.
§ 1
is het verboden : 1° stalmest of champost op of in de bodem te brengen vanaf 15 november tot en met 15 januari;2° dierlijke mest op of in de bodem te brengen op de zware kleigronden in de polders, zoals aangeduid door de Vlaamse Regering, vanaf 15 oktober tot en met 15 februari. § 4.
§ 1
is het op of in de bodem brengen van andere meststoffen en bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevatten, dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging of waarvan de stikstofinhoud laag is, steeds toegelaten. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen en kan inzonderheid de andere meststoffen en bewerkte dierlijke mest bepalen die voor deze afwijking in aanmerking komen. §
- De Vlaamse Regering kan gemotiveerd afwijkingen van voorgaande paragrafen voorzien in volgende gevallen : 1° voor het op of in de bodem brengen van stikstof uit kunstmest bij overkapte landbouwgronden;2° voor specifieke teelten die nog een belangrijke stikstofopname hebben in de periode bepaald in § 1 en waar de bodem onvoldoende stikstof kan leveren uit mineralisatie uit de bodemvoorraad.Als de specifieke teelt, een najaarsteelt is, kan de door de Vlaamse Regering toegestane afwijking er in geen geval toe leiden dat in een bepaald kalenderjaar, na 14 november, dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest mag worden opgebracht. Als de specifieke teelt, een voorjaarsteelt is, kan de door de Vlaamse Regering toegestane afwijking er in geen geval toe leiden dat in een bepaald kalenderjaar, vóór 16 januari, dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest mag worden opgebracht; 3° ingeval van uitzonderlijke weersomstandigheden, maatregelen genomen in toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, educatieve demonstraties en wetenschappelijke proefnemingen.Ingeval van uitzonderlijke weersomstandigheden kan enkel een afwijking gegeven worden in geval er geen andere bevredigende oplossing bestaat op het verbod om meststoffen op of in de bodem te brengen tot uiterlijk 15 september. De specifieke teelten, als vermeld in het eerste lid, 2°, zijn bloemkool, broccoli, sla, andijvie, spinazie, rode kool, witte kool, savooikool, Chinese kool, bleekselder, groene selder, knolselder, bladselder, spruiten, prei, koolrabi, venkel, hardfruit, vroege aardappelen, vroege uien, vroege bladgroenten, vroege wortelen, kruiden, raketsla en radijzen. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanpassen. De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden aan deze afwijkingen verbinden en kan deze afwijkingen onder meer beperken tot bepaalde gebieden. Afdeling II. - De capaciteit van de opslagtanks voor dierlijke mest en andere maatregelen ter voorkoming van waterverontreiniging Art. 9.§
- Een bedrijf dient ten laatste op 31 december 2011 te beschikken over een mestopslagcapaciteit voor de opslag van dierlijke mest : 1° van ten minste 9 maanden voor dieren die steeds op stal staan;2° van ten minste 6 maanden voor dieren met buitenloop;3° van ten minste 3 maanden voor stalmest. De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid mest boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd. Voor pluimvee waarvan de mest in de stal blijft en afgevoerd wordt na elke ronde geldt deze verplichting niet. De minimale opslagcapaciteit uitgedrukt in m3 wordt door de Vlaamse Regering bepaald in volume-eenheden naargelang de diersoort en het staltype. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn. §
- Landbouwers die voor de teelt onder permanente overkapping gebruik maken van een groeimedium, dienen ten laatste op 1 januari 2011 te beschikken over een opslagcapaciteit minstens overeenstemmend met de spuistroom geproduceerd gedurende 6 maanden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn. De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid spuistroom boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd. Art. 10.De mestopslag kan op de volgende wijze gerealiseerd worden : 1° door overeenkomsten met landbouwers, die over voldoende mestopslagcapaciteit beschikken;2° door het plaatsen van inrichtingen, waarin dierlijke mest of spuistroom, kan opgeslagen worden, individueel of op basis van een samenwerkingsovereenkomst;3° door overeenkomsten met mestverwerkingseenheden, waarbij gewaarborgd wordt dat de hoeveelheid dierlijke mest of spuistroom, die zou moeten opgeslagen worden verwerkt wordt;4° door zelf de mest of spuistroom te verwerken en daarvan het bewijs te leveren. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. Art. 11.De Vlaamse Regering stelt de bouwvoorschriften van de gebouwen, inrichtingen of installaties die bestemd zijn voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, of voor de opslag van dierlijke mest, spuistroom of plantaardig materiaal zoals kuilvoeder, vast met het oog op het voorkomen van luchtverontreiniging door vervluchtiging van stikstofverbindingen en van waterverontreiniging veroorzaakt door het wegstromen en weglekken in grond- en oppervlaktewater van vloeistoffen die dierlijke mest, spuistroom of afvalwater van opgeslagen plantaardig materiaal zoals kuilvoeder bevatten. Afdeling III. - De beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen overeenkomstig de goede landbouwpraktijken en rekening houdend met de kenmerken van de betrokken kwetsbare zone water Onderafdeling I. - Algemene bepalingen Art. 12.§
- Meststoffen mogen enkel opgebracht worden op landbouwgrond en mogen niet geloosd of gestort worden in openbare rioleringen, in oppervlaktewateren, in grondwater, op openbare wegen, op bermen en op alle andere plaatsen die geen landbouwgrond zijn.
het eerste lid mogen bij de bemesting van de plantput bij aanplantingen langs wegen of bij bosaanplantingen volgende meststoffen toch opgebracht worden : 1° stalmest;2° champost;3° bewerkte dierlijke mest en andere meststoffen waarin de stikstof in dusdanige vorm aanwezig is dat slechts een beperkt deel van de stikstof vrijkomt in het jaar van de opbrenging.
het eerste lid mogen bij het aanleggen en het onderhouden van tuinen en parken, volgende meststoffen toch opgebracht worden : 1° stalmest;2° champost;3° kunstmest;4° bewerkte dierlijke mest en andere meststoffen waarin de stikstof in dusdanige vorm aanwezig is dat slechts een beperkt deel van de stikstof vrijkomt in het jaar van de opbrenging of waarvan de stikstofinhoud laag is. In de gevallen, vermeld in het tweede en het derde lid, mogen, per jaar, maximaal 80 kg P2O5/ha en maximaa l 170 kg N/ha opgebracht worden. § 2.
§ 1
kan de Mestbank, bij gemotiveerd verzoek, de opbrenging van dierlijke mest toestaan bij de heraanleg van de bouwvoor in het kader van infrastructuurwerken of andere cultuurtechnische werken. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. §
- Per VHA-zone of deel ervan wordt een waterkwaliteitsgroep opgericht. De Vlaamse Regering stelt de samenstelling en de werking van de waterkwaliteitsgroepen vast en kan landbouwers van verscheidene VHA-zones of delen ervan in één waterkwaliteitsgroep samenbrengen. Onderafdeling II. - Beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen Art. 13.§
- De hoeveelheid nutriënten die met meststoffen per jaar op landbouwgrond mag opgebracht worden, met inbegrip van de uitscheiding door dieren bij beweiding, moet zodanig beperkt worden dat de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen zowel in grond- als in oppervlaktewater kleiner blijft dan 50 mg nitraat per liter en de eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria, kustwater en zeewater vermeden wordt en verdere verontreiniging van die aard voorkomen wordt. De volgende hoeveelheden nutriënten, uitgedrukt respectievelijk in kg P2O5, kg totale N, kg N uit dierlijke mest, kg N uit andere meststoffen en kg N uit kunstmest mogen maximaal, rekening houdend met de gewasbehoefte, de bodemvoorraad en de mineralisatie, per jaar en per hectare landbouwgrond, met uitzondering van het opbrengen van kunstmest op landbouwgrond die permanent overkapt is, opgebracht worden, met inbegrip van de uitscheiding door dieren bij beweiding : 1° vanaf 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2° vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3° vanaf 1 januari 2009 : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor de toepassing van de tabellen bedoeld in het tweede lid, worden volgende gewassen als gewassen met lage stikstofbehoefte beschouwd : 1° witloof en cichorei;2° fruit;3° sjalotten;4° uien;5° vlas;6° erwten en bonen. § 2.
§ 1
, is op zandgronden de toegelaten hoeveelheid totale stikstof voor graangewassen en maïs beperkt tot de volgende hoeveelheden, uitgedrukt in kg Totale N : 1° vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 : 270;2° vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 : 265;3° vanaf 1 januari 2010 : 260. De Vlaamse Regering stelt de procedure voor het vaststellen van deze gronden vast. § 3.
§ 1
en § 2, kan de Vlaamse Regering op basis van een wetenschappelijk onderzoek naar de stikstofopname en de stikstofbehoefte van maïs, de toegelaten hoeveelheid totale stikstof per hectare landbouwgrond en per jaar, voor de gewasgroep maïs verlagen. De resultaten van het wetenschappelijk onderzoek, als vermeld in het eerste lid, worden door de Vlaamse Regering ter beschikking gesteld van de Europese Commissie en van het Vlaamse Parlement, ten laatste op 1 december 2009, tezamen met de conclusies die de Vlaamse Regering uit dit onderzoek trekt. § 4.
§ 1
, kan voor tuinbouwteelten de toegelaten hoeveelheid Totale N volledig ingevuld worden met N uit kunstmest. Voor een opeenvolging van minstens twee tuinbouwteelten in eenzelfde kalenderjaar, kan de toegelaten hoeveelheid Totale N en N uit kunstmest verhoogd worden tot 345 kg N. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast en stelt een lijst vast van de tuinbouwteelten en de opeenvolgingen van tuinbouwteelten die hiervoor in aanmerking komen, rekening houdend met de te verwachten stikstofbehoeften van de gewassen. § 5. De Vlaamse Regering kan,
§ 1
en ter uitvoering van een beschikking van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat België op grond van de nitraatrichtlijn gevraagde derogatie, de hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest die per hectare landbouwgrond en per jaar opgebracht mag worden, wijzigen onder de voorwaarden bepaald in de beschikking van de Commissie. Deze voorwaarden kunnen afwijken van de bepalingen van dit decreet. §
- De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de methodes voor bemonstering en analyse van landbouwgronden en kan nadere regels vaststellen in verband met de erkenning van de laboratoria die gemachtigd zijn deze staalnames en analyses uit te voeren. §
- Het is verboden op landbouwgronden P2O5 uit kunstmest op of in de bodem te brengen met uitzondering van het op of in de bodem brengen van : 1° P2O5 uit kunstmest op percelen waarvan aan de hand van een bemonstering en analyse door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium kan aangetoond worden dat een bijkomende toediening van P2O5, gelet op de landbouwkundige behoeften, verantwoord is.De Mestbank geeft hiertoe de toelating; 2° 20 kg P2O5 uit kunstmest toegediend als startfosfor om teelttechnische redenen;3° 50 kg P2O5 uit kunstmest, toegediend om teelttechnische redenen, op percelen landbouwgrond waarop tuinbouwteelten, als vermeld in § 4, worden geteeld;4° P2O5 uit kunstmest op percelen landbouwgrond waarop andere leguminosen dan erwten en bonen, worden geteeld. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. §
- Het gebruik van slib van rioolwaterzuiveringsinstallaties op landbouwgrond is verboden. §
- Ter verbetering van de nutriëntenaanwending op landbouwgrond kan de Vlaamse Regering afwijkingen toestaan op de hoeveelheden nutriënten die per hectare landbouwgrond en per jaar opgebracht mogen worden, als vermeld in § 1, wanneer de bemesting gebeurt door andere meststoffen die stikstof in dusdanige vorm bevatten dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van de opbrenging. De afwijkingen mogen niet tot gevolg hebben dat hierdoor binnen een meerjarig perspectief van maximum drie jaar meer stikstof en fosfor wordt toegediend dan toegelaten volgens de bemestingsnormen, vermeld in dit decreet. Ter verbetering van de nutriëntenaanwending op landbouwgrond kan de Vlaamse Regering, na aanmelding bij en goedkeuring door de Europese Commissie, afwijkingen toestaan op de hoeveelheden nutriënten die per hectare landbouwgrond en per jaar opgebracht mogen worden, als vermeld in § 1, wanneer de bemesting gebeurt door dierlijke mest of bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevatten dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van de opbrenging. De afwijkingen mogen niet tot gevolg hebben dat hierdoor binnen een meerjarig perspectief van maximum drie jaar meer stikstof en fosfor wordt toegediend dan toegelaten volgens de bemestingsnormen, vermeld in dit decreet. § 10.
de §§ 1 tot en met 9 mag, ter verbetering van de humustoestand van landbouwgrond, op bepaalde percelen met een te laag koolstofgehalte, tot 10 ton GFT-compost per hectare of 15 ton groencompost per hectare, opgebracht worden, op voorwaarde dat, in het vorige kalenderjaar, bij de bemonstering van het betrokken perceel landbouwgrond, in de periode van 1 oktober tot 15 november, een nitraatresidu is vastgesteld dat niet hoger is dan de nitraatresiduwaarde, vermeld in artikel
- De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, en bepaalt onder meer welke percelen aanzien worden als percelen met een te laag koolstofgehalte. Art. 14.§
- Onverminderd de bepalingen van artikel 13 en van de artikelen 61 tot en met 72, stelt de Vlaamse Regering, met het oog op de handhaving van onderhavig decreet, een nitraatresiduwaarde vast. Naast een nitraatresiduwaarde wordt er ook een nitraatresidu-richtwaarde vastgesteld, die geldt als criterium voor het toekennen van bepaalde bijkomende financiële stimuli aan landbouwers. De nitraatresiduwaarde en de nitraatresidu-richtwaarde worden uitgedrukt in kg N/ha in de landbouwgrond tot op een diepte van 0,90 m in de periode van 1 oktober tot 15 november. §
- Tot uiterlijk 31 december 2008 wordt de nitraatresiduwaarde vastgesteld op 90 kg N/ha en de nitraatresidu-richtwaarde op 45 kg N/ha. Ten laatste vanaf 1 januari 2009 gelden de door de Vlaamse Regering vastgestelde nitraatresiduwaarde en de nitraatresidu-richtwaarde. De Vlaamse Regering stelt de nitraatresiduwaarde en de nitraatresidu-richtwaarde vast op grond van de evaluatie van de resultaten van de nitraatresidumetingen en de aanvulling van bestaand en verder wetenschappelijk onderzoek ondermeer met betrekking tot de procesfactor voor grondwater. De Vlaamse Regering voert bij het vastleggen van de nitraatresiduwaarde een differentiatie in naargelang relevante teeltgroepen conform artikel 5.5 van de nitraatrichtlijn en naargelang het al dan niet over een zandgrond als vermeld in artikel 13, § 2, gaat. §
- De Vlaamse Regering duidt jaarlijks VHA-zones of delen ervan als risicogebieden aan. Dit zijn gebieden waar de gemiddelde nitraatconcentratie per jaar en per liter van het oppervlaktewater of van het grondwater een door de Vlaamse Regering vastgestelde waarde overschrijdt of gebieden die aanleiding kunnen geven tot eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria, kustwateren en zeewater. De Mestbank laat bij elke landbouwer die landbouwgronden gebruikt die in deze risicogebieden gelegen zijn, minstens één nitraatresidustaalname doen op een perceel landbouwgrond dat hij gebruikt, door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, in de periode van 1 oktober tot 15 november. De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer ten laatste 1 week voor de staalname in kennis wordt gesteld van de dag en het perceel of de percelen waarop het staal zal worden genomen. Bij betwistingen aangaande deze in kennis stellingen kan de landbouwer de nietigheid van het resultaat van de uitgevoerde staalname niet inroepen. De landbouwer kan in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidustaalname laten uitvoeren op hetzelfde perceel en op dezelfde dag of binnen de 48 uur na de nitraatresidustaalname uitgevoerd in opdracht van de Mestbank als vermeld in het tweede lid door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, naar zijn keuze. In voorkomend geval wordt het laagste resultaat van beide staalnames in aanmerking genomen. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. §
- Onverminderd de toepassing van de bepalingen van dit artikel, van artikel 13 en van de artikelen 61 tot en met 72, kan er een administratieve geldboete opgelegd worden lastens elke landbouwer telkens er bij de bemonstering van een tot zijn bedrijf behorend perceel landbouwgrond, gelegen in de risicogebieden zoals bepaald in § 3, in de periode van 1 oktober tot 15 november, een nitraatresidu is vastgesteld dat meer dan F keer de nitraatresiduwaarde, vermeld in dit artikel, is. Het bedrag van de administratieve geldboete wordt door middel van de volgende formule berekend : [(GN - F x TN) x 4 euro + 100 euro] Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder : 1° GN : het gemeten nitraatresidu;2° TN : de nitraatresiduwaarde, vermeld in dit artikel;3° F : een door de Vlaamse Regering in functie van de resultaten van de nitraatresidumetingen vast te stellen getal. Wanneer op één perceel, gedurende hetzelfde kalenderjaar, in de periode van 1 oktober tot 15 november, meerdere bemonsteringen naar het nitraatresidu werden uitgevoerd, kan er slechts één administratieve geldboete worden opgelegd. §
- Wanneer uit de resultaten van de bemonstering van een perceel landbouwgrond gelegen in de risicogebieden uitgevoerd in een bepaald kalenderjaar, blijkt dat het nitraatresidu van dat perceel de nitraatresiduwaarde, vermeld in dit artikel, overschrijdt, zal lastens de landbouwer die het betrokken perceel landbouwgrond in het desbetreffende kalenderjaar in gebruik had, in het daaropvolgende kalenderjaar, de volgende regeling gelden : 1° er zal, door de Mestbank, een volledige audit gebeuren van diens bedrijf meer bepaald met betrekking tot het gehouden vee, de aanwezige mestopslag, de mestafzet en de bemesting.De landbouwer zal een advies ontvangen met betrekking tot de milieukundig verantwoorde uitbating van zijn bedrijf; 2° de landbouwer dient ten laatste op 31 januari een teelt- en bemestingsplan op te maken met betrekking tot dat kalenderjaar en dient dit ter inzage te houden van de met het toezicht op dit decreet belaste ambtenaren;3° de landbouwer dient voor elke tot zijn bedrijf behorende exploitatie een bemestingsregister bij te houden op perceelsniveau;4° de landbouwer dient in de periode van 1 oktober tot 15 november in zijn opdracht en op zijn kosten door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, een nitraatresidustaalname te laten uitvoeren op minstens drie percelen door de Mestbank aangeduid vóór 1 oktober.Als de landbouwer de door de Mestbank aangeduide percelen niet laat bemonsteren, wordt, voor de toepassing van deze paragraaf, elk niet bemonsterd perceel beschouwd als een perceel waar de nitraatresiduwaarde, vermeld in dit artikel, werd overschreden. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. §
- Lastens elke landbouwer die zich verzet tegen de nitraatresidustaalnames, vermeld in dit artikel, wordt een administratieve geldboete opgelegd van 250 euro per staalname. §
- Lastens elke landbouwer die de verplichtingen, vermeld in dit artikel, aangaande het teeltplan, het bemestingsplan of het bemestingsregister, niet heeft nageleefd, wordt een administratieve geldboete van 250 euro opgelegd. Art. 15.§
- De Mestbank kan ook buiten de risicogebieden, vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, nitraatresidustaalnames laten nemen door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, in de periode van 1 oktober tot 15 november. De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer ten laatste 1 week voor de staalname in kennis wordt gesteld van de dag en het perceel of de percelen waarop het staal zal worden genomen. Bij betwistingen aangaande deze in kennis stellingen kan de landbouwer de nietigheid van het resultaat van de uitgevoerde staalname niet inroepen. De landbouwer kan in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidustaalname laten uitvoeren op hetzelfde perceel en op dezelfde dag of binnen de 48 uur na de nitraatresidustaalname uitgevoerd in opdracht van de Mestbank als vermeld in het eerste lid door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, naar zijn keuze. In voorkomend geval wordt het laagste resultaat van beide staalnames in aanmerking genomen. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. §
- Wanneer uit de resultaten van de bemonstering van een perceel landbouwgrond gelegen buiten de risicogebieden, aangeduid krachtens artikel 14, § 3, eerste lid, uitgevoerd in een bepaald kalenderjaar, blijkt dat het nitraatresidu van dat perceel de nitraatresiduwaarde, vermeld in artikel 14, minstens Y keer overschrijdt, laat de landbouwer die het betrokken perceel landbouwgrond in het desbetreffende kalenderjaar in gebruik had, in het daaropvolgende kalenderjaar, in de periode van 1 oktober tot 15 november, in zijn opdracht en op zijn kosten door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, een nitraatresidustaalname op hetzelfde perceel uitvoeren. Wanneer de landbouwer het betrokken perceel landbouwgrond niet meer in gebruik heeft, duidt de Mestbank een ander tot zijn bedrijf behorend perceel landbouwgrond aan, waarop de nitraatresidustaalname dient te gebeuren. Wanneer de landbouwer de nitraatresidustaalname als vermeld in het eerste lid niet uitvoert, of wanneer uit de resultaten van de bemonstering, als vermeld in het eerste lid, blijkt dat het nitraatresidu van dat perceel de nitraatresiduwaarde, vermeld in artikel 14, minstens Z keer overschrijdt, dient de landbouwer, in het daaropvolgende kalenderjaar : 1° ten laatste op 31 januari een teelt- en bemestingsplan op te maken met betrekking tot dat kalenderjaar en dit ter inzage te houden van de met het toezicht op dit decreet belaste ambtenaren;2° voor elke tot zijn bedrijf behorende exploitatie een bemestingsregister bij te houden op perceelsniveau. De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen en stelt de waarde vast van Y en Z, met dien verstande dat de waarde van Y en Z niet hoger mag zijn dan de waarde van F, als vermeld in artikel 14, §
- §
- Lastens elke landbouwer die de verplichtingen, vermeld in § 2, tweede lid, aangaande het teeltplan, het bemestingsplan of het bemestingsregister, niet heeft nageleefd, wordt een administratieve geldboete van 250 euro opgelegd. Onderafdeling III. - Gebiedsgerichte maatregelen aangaande het op of in de bodem brengen van meststoffen Art. 16.In de beschermingszone type I van de waterwingebieden afgebakend in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer is het op of in de bodem brengen van meststoffen verboden. Art. 17.§
- Op landbouwgronden gelegen in fosfaatverzadigde gebieden wordt de bemesting beperkt tot 40 kg P2O5 per hectare en per jaar. §
- De Vlaamse Regering bakent de fosfaatverzadigde gebieden af op basis van de volgende criteria : 1° de kritische grenswaarde voor fosfaatdoorslag is voor zure zandgrond : a) tot 31 december 2008 : 40 percent profielgemiddelde fosfaatverzadigingsgraad;b) vanaf 1 januari 2009 : 35 percent profielgemiddelde fosfaatverzadigingsgraad;2° als uit een inventarisatie op basis van een bemonstering blijkt dat met een probabiliteit van 95 percent de fosfaatverzadigingsgraad er boven de kritische grenswaarde voor fosfaatdoorslag, vermeld in 1°, ligt. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de bemonstering en analyses ter bepaling van het fosfaatbindend vermogen en de fosfaatverzadigingsgraad en kan de nadere regels vaststellen in verband met de erkenning van de laboratoria die gemachtigd zijn om deze bemonsteringen en analyses uit te voeren. §
- De Vlaamse Regering zal betreffende de kritische grenswaarde voor fosfaatdoorslag een studie laten uitvoeren en op basis van de resultaten van deze studie de kritische grenswaarde desgevallend verlagen. De resultaten van het wetenschappelijk onderzoek, als vermeld in het eerste lid, worden door de Vlaamse Regering ter beschikking gesteld van de Europese Commissie en van het Vlaamse Parlement, ten laatste op 1 december 2009, tezamen met de conclusies die de Vlaamse Regering uit dit onderzoek trekt. §
- De beperkingen opgelegd ingevolge § 1 geven geen aanleiding tot vergoedingen. §
- Voor een perceel gelegen in een fosfaatverzadigd gebied waarvan, op grond van een analyse, zou blijken dat het niet fosfaatverzadigd is, gelden de bepalingen van § 1 niet. Daartoe wordt door de Mestbank een attest afgegeven. In dit geval vallen de kosten van de analyse ten laste van de Mestbank. De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder de Mestbank dit attest kan afgeven, stelt de wijze vast waarop de analyse dient uitgevoerd te worden en kan de nadere regels vaststellen in verband met de erkenning van de laboratoria die gemachtigd zijn deze uit te voeren. §
- Voor een perceel, gelegen in een fosfaatverzadigd gebied waarvan, op grond van een analyse, wordt bewezen dat het fosfaatbindend vermogen van 0 tot 90 cm diepte, kleiner of gelijk is aan 25 mmol P per kg luchtdroge grond, en het gehalte aan Poxalaat van 0 tot 30 cm diepte kleiner of gelijk is aan 20 mmol P per kg luchtdroge grond, gelden de bepalingen van § 1 niet en wordt de bemesting beperkt tot de volgende hoeveelheden P2O5 in kg per hectare en per jaar : 90 voor grasland, 80 voor maïs, 70 voor gewassen met lage stikstofbehoefte en 70 voor andere gewassen. Daartoe wordt door de Mestbank een attest afgegeven. In dit geval zijn de kosten van de analyse, vermeld in het eerste lid, ten laste van de Mestbank. De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder de Mestbank dit attest kan afgeven, stelt de wijze vast waarop de analyse uitgevoerd moet worden en kan de nadere regels vaststellen in verband met de erkenning van de laboratoria die gemachtigd zijn om de analyse uit te voeren. Art. 18.§
- Op landbouwgronden die volledig gelegen zijn in meerdere gebieden, met verschillende bemestingsregels of bemestingsnormen, gelden voor de beperkingen voor difosforpentoxide, stikstof, stikstof uit dierlijke mest, stikstof uit andere meststoffen en stikstof uit kunstmest, afzonderlijk, de strengste bepalingen van de overeenkomstige gebieden. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. §
- Bij nieuwe afbakeningen van kwetsbare zones water of van fosfaatverzadigde gebieden, vermeld in artikel 17, gelden de overeenkomstige bemestingsnormen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe afbakening. Onderafdeling IV. - Het op of in de bodem brengen van meststoffen op steile hellingen Art. 19.Op steile hellingen moeten meststoffen op de volgende wijze op of in de bodem gebracht worden : 1° op beteelde steile hellingen is voor het op of in de bodem brengen van dierlijke mest of vloeibare andere meststoffen, zode-injectie of mestinjectie verplicht;2° op niet-beteelde steile hellingen is : a) voor het op of in de bodem brengen van dierlijke mest mestinjectie of directe onderwerking in één werkgang verplicht;b) voor het op of in de bodem brengen van kunstmest en andere meststoffen de directe onderwerking in één werkgang verplicht.In afwijking hiervan moeten kunstmest in vaste vorm of andere meststoffen in vaste vorm binnen het uur na de aanwending ondergewerkt worden. Het op of in de bodem brengen van kunstmest of van dierlijke mest, met uitzondering van rechtstreekse uitscheiding door beweiding, is verboden op percelen landbouwgrond met een gemiddeld stijgingspercentage hoger of gelijk aan 18 %. Onderafdeling V. - Het op of in de bodem brengen van meststoffen op drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt land Art. 20.Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen op drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt land. Onderafdeling VI. - Het op of in de bodem brengen van meststoffen in de nabijheid van waterlopen Art. 21.Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij beweiding : 1° tot 5 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van een waterloop;2° tot 10 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop die gelegen is in het Vlaams Ecologisch Netwerk;3° tot 10 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop, als een helling grenst aan een waterloop. De waterlopen, vermeld in het eerste lid, zijn de bevaarbare waterlopen en de onbevaarbare waterlopen van eerste, tweede en derde categorie, ingedeeld op grond van de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen. Onderafdeling VII. - Methoden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen Art. 22.§
- De dierlijke mest en andere meststoffen moeten emissiearm als volgt op of in de bodem worden gebracht : 1° bij bemesting mogen de toegediende meststoffen niet afspoelen;2° andere meststoffen en dierlijke mest dienen : a) op grasland opgebracht te worden door middel van zode-injectie of sleepslangtechniek;b) op niet-beteelde landbouwgrond opgebracht te worden door middel van mestinjectie of door middel van het in twee opeenvolgende werkgangen uitspreiden en inwerken van de mest, waarbij de mest binnen twee uur na het uitspreiden moet zijn ingewerkt op het perceel in kwestie.Op zaterdagen is het verplicht om de dierlijke mest onmiddellijk in te werken; c) op beteelde landbouwgronden andere dan grasland opgebracht te worden door middel van mestinjectie of door middel van sleepslangtechniek;3°
2° moeten andere meststoffen die arm zijn aan ammoniakale stikstof, champost die arm is aan ammoniakale stikstof en stalmest die arm is aan ammoniakale stikstof binnen 24 uur na de opbrenging worden ingewerkt;4°
2° en 3° moeten volgende meststoffen niet emissiearm aangewend worden :
- a)stalmest of champost die op grasland wordt opgebracht;
- b)stalmest, champost of compost die gebruikt wordt voor bepaalde houtige teelten;
- c)spuistroom; De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de opbrenging van meststoffen, vermeld in eerste lid, 4°, en bepaalt ondermeer welke teelten als houtige teelten worden aanzien. De Vlaamse Regering kan bijkomende maatregelen inzake emissiearme aanwending van dierlijke mest en andere meststoffen vaststellen. § 2. Effluenten afkomstig van de bewerking of verwerking van dierlijke mest die volgens een analyse, uitgevoerd door een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, een lager gehalte hebben aan ammoniakale stikstof dan 1 kg NH4-N per 1000 L of 1 kg NH4-N per 1000 kg, moeten niet worden ingewerkt. Daartoe wordt door de Mestbank een attest afgegeven dat bij de toediening van het effluent aanwezig moet zijn. De kosten van de analyse vallen ten laste van de aanvrager. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast en stelt ondermeer de voorwaarden vast waaronder de Mestbank dit attest kan afgeven. HOOFDSTUK IV. - De aangifte en de berekening van de productie van dierlijke mest Afdeling I. - De aangifte Art. 23.§ 1. De volgende personen dienen elk jaar, in toepassing van dit decreet, een aangifte te doen : 1° de landbouwer van wie het bedrijf :
- a)ofwel, een productie aan dierlijke mest heeft groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5 en waar bij de productie aan dierlijke mest van het bedrijf wordt berekend als de som van de productie aan dierlijke mest MPp van elke exploitatie van het bedrijf. Met MPp wordt bedoeld : het product uitgedrukt in kg P2O5, van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende het voorbije kalenderjaar, met de overeenkomstige productie per dier, vermeld in artikel 27, § 1;
- b)ofwel, waarvan de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond groter is dan of gelijk is aan 2 ha. Vanaf het aanslagjaar 2008 vormt SANITEL de basis voor de aangifte met betrekking tot de diersoort 1° RUNDVEE. De landbouwers die beschikken over dieren van de diersoort 1° RUNDVEE zijn verplicht om aan de Mestbank de toestemming te verlenen om de cijfergegevens met betrekking tot de dierenaantallen gehouden vanaf 1 januari 2007 in SANITEL te raadplegen en te gebruiken; 2° de uitbater van een mestverzamelpunt met een opslagcapaciteit van meer dan 300 kg P2O5;3° de uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, met een bewerkings- of verwerkingscapaciteit voor dierlijke mest of andere meststoffen, van meer dan 300 kg P2O5 per jaar;4° eenieder die andere meststoffen produceert, verdeelt, importeert of exporteert, en die meer dan 300 kg P2O5 laat afzetten op landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest;5° elke landbouwer van wie het bedrijf een oppervlaktegroeimedium heeft van minstens 50 are.Voor de bepaling van de oppervlakte groeimedium bij het telen van planten in meerdere lagen boven elkaar, wordt de oppervlakte van elke laag opgeteld; 6° eenieder die minstens 10 000 kg N per jaar, uit kunstmest produceert, verdeelt, importeert of exporteert en deze levert aan verdelers of aan landbouwers als vermeld in 1°, 5° of 7°;7° elke landbouwer, gevestigd buiten het Vlaamse Gewest, waarvan een gedeelte van de tot het bedrijf behorende landbouwgrond binnen het Vlaamse Gewest is gelegen;8° eenieder die diervoeders produceert, invoert of verkoopt;9° de erkende mestvoerder, als vermeld in artikel 48, die op één of meerdere documenten, opgesteld in uitvoering van de artikelen 47 tot en met 60, als aanbieder of afnemer van meststoffen, vermeld is. § 2. Eenieder die dierlijke mest of andere meststoffen invoert in het Vlaamse Gewest of exporteert uit het Vlaamse Gewest is verplicht hiervan telkens aangifte te doen aan de Mestbank, door middel van de documenten die het vervoer van mest dienen te vergezellen, vermeld in de artikelen 48 tot en met 60. Deze documenten gelden als aangifte. § 3. De Vlaamse Regering kan aan de landbouwers van wie het bedrijf een dierlijke mestproductie MPp als vermeld in § 1, 1°, heeft van minder dan 300 kg P2O5, en een tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond van minder dan 2 ha, voorwaarden opleggen die betrekking hebben op het afleggen van een verklaring omtrent de omvang van de bij het bedrijf horende landbouwgrond en de productie van dierlijke mest uitgedrukt in P2O5. § 4. Wanneer de aangifteplichtige overleden is of failliet verklaard rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op zijn erfgenamen of legatarissen en in het tweede geval op zijn curator. § 5. Elke aangifteplichtige, als vermeld in § 1, eerste lid, 1°, 5° en 7°, doet elk jaar, per exploitatie, aangifte van de volgende gegevens : 1° het aantal standplaatsen van de dieren vermeld in artikel 27, die konden gehouden worden op 1 januari van het lopende kalenderjaar;2° per diercategorie, het gemiddeld aantal dieren vermeld in artikel 27, die gehouden zijn in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte.De dieren die behoren tot de diersoort runderen dienen echter niet vermeld te worden; 3° de opslagcapaciteit van mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3;4° de opgeslagen hoeveelheid mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar uitgedrukt in m3 en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;5° het gebruik van kunstmest op eigen landbouwgronden gelegen in het Vlaamse Gewest, in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;6° de aanduiding op cartografisch materiaal van al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden, woningen, inrichtingsgebouwen en daarbij horende voorzieningen;7° een teeltplan met betrekking tot al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden en met betrekking tot de volledige tot de exploitatie behorende oppervlakte groeimedium, voor wat betreft het lopende kalenderjaar.Het teeltplan omvat minstens de teelten die vermeld zijn in artikel 13 inclusief gebouwen en andere verharde oppervlakten; 8° alle elementen die nodig zijn voor de onderbouwing van de nutriëntenbalans met betrekking tot het kalenderjaar voorafgaand aan de aangifte, wanneer de landbouwer, in dat kalenderjaar, gebruik gemaakt heeft van een nutriëntenbalansstelsel, als vermeld in artikel 25;9° de hoeveelheid dierlijke mest, inclusief rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, andere meststoffen en kunstmest, uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide, die in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte, is afgezet op eigen landbouwgrond buiten het Vlaamse Gewest;10° een kopie van al de inscharingscontracten, als vermeld in artikel 47, die de aangifteplichtige heeft afgesloten en die betrekking hebben op het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte;11° de productie aan voedingswater uitgedrukt in m3 en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte;12° de productie aan spuistroom uitgedrukt in m3 en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte. De Vlaamse regering kan deze lijst aanvullen of wijzigen. § 6. De personeelsleden van de Mestbank, de door haar erkende mestvoerders, de derden waarop de Mestbank voor de uitoefening van haar taken een beroep doet, alsmede eenieder die in welke hoedanigheid ook kennis krijgen van de overeenkomstig dit artikel aangegeven gegevens en inlichtingen, zijn gehouden tot geheimhouding ervan. Deze geheimhoudingsverplichting doet geen afbreuk aan de regeling inzake openbaarmaking van milieu-informatie, vermeld in hoofdstuk II Passieve Openbaarheid, van het decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/03/2004 pub. 01/07/2004 numac 2004036026 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur sluiten betreffende de openbaarheid van bestuur. § 7. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast betreffende de aangifte, vermeld in dit artikel, en stelt ondermeer vast welke gegevens aangegeven dienen te worden, de wijze waarop deze gegevens aangegeven dienen te worden en de wijze waarop de gemiddelde veebezetting berekend wordt. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot aangifte, als vermeld in § 1, 8°, beperken tot bepaalde producenten, invoerders of verkopers van diervoeders. Art. 24.§ 1. Elke landbouwer die dieren houdt is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de veestapel.
het voorgaande moet voor dieren van de diersoort 1° RUNDVEE geen register bijgehouden worden. §
- Eenieder die minstens 10 000 kg N per jaar, uit kunstmest produceert, verdeelt, importeert of exporteert en deze levert aan verdelers of landbouwers, is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de hoeveelheden en soorten meststoffen, inzonderheid hun gehalte aan N en P2O5 die hij importeert, exporteert, verdeelt of levert aan landbouwers. Eenieder die andere meststoffen produceert, verdeelt, importeert of exporteert, en meer dan 300 kg P2O5, laat afzetten op landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de hoeveelheden en soorten meststoffen, inzonderheid hun gehalte aan N en P2O5 die hij importeert, exporteert, verdeelt of levert aan een landbouwer. §
- Elke uitbater van een mestverzamelpunt met een opslagcapaciteit van meer dan 300 kg P2O5, en elke uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, met een bewerkings- of verwerkingscapaciteit voor dierlijke mest of andere meststoffen, van meer dan 300 kg P2O5 per jaar dient een register bij te houden met betrekking tot de in zijn uitbating verhandelde dierlijke mest en andere meststoffen. §
- De in dit artikel bedoelde registers moeten gedurende vijfjaar op de plaats van uitbating ter inzage worden gehouden van de met het toezicht op de naleving van dit decreet belaste ambtenaren. §
- De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de in dit artikel bedoelde registers, en kan eveneens het bijhouden van een bemestingsregister opleggen. Afdeling II. - De berekening van de productie van dierlijke mest Art. 25.Voor de berekening van de productie van dierlijke mest heeft de landbouwer de keuze tussen : 1° het forfaitaire stelsel, waarbij de landbouwer de forfaitaire uitscheidingshoeveelheden, vermeld in artikel 27, in rekening brengt;2° het nutriëntenbalansstelsel.In dit geval mag de landbouwer de reële uitscheidingshoeveelheden, vermeld in artikel 26, in rekening brengen.
het eerste lid moeten landbouwers wiens bedrijf een gemiddelde veebezetting van meer dan 200 dieren van de diercategorie andere varkens, heeft, gebruik maken van een nutriëntenbalansstelsel, voor alle op het bedrijf gehouden dieren van de diersoort 2° VARKENS. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. Art. 26.§
- De landbouwer die opteert voor het nutriëntenbalansstelsel moet dat kenbaar maken aan de Mestbank aan de hand van de bijgevoegde stavings-stukken naar aanleiding van de aangifte, vermeld in artikel 23, betreffende het productiejaar waarop de aangifte betrekking heeft en naar aanleiding van een controle voor het lopende productiejaar. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, ondermeer voor wat betreft de bepaling van de aan- en afvoerposten van de nutriëntenbalans. §
- Wanneer de landbouwer heeft geopteerd voor het nutriëntenbalansstelsel, kan voor de berekening van de productie van dierlijke mest de reële P2O5 -of reële N-uitscheiding per dier en per jaar worden gehanteerd voor : 1° de dieren die gedurende een bepaalde periode uitsluitend met voeders werden gevoederd waarvan de fabrikanten in het kader van de productnormering een wijziging van de P2O5- of N-uitscheiding hebben gewaarborgd. Deze berekeningswijze, gesteund op reële waarden, geldt enkel voor exploitaties die gedurende een bepaalde periode uitsluitend voormelde voeders gebruiken voor alle dieren van de beschouwde diercategorie. Voor de toepassing van deze reële uitscheidingshoeveelheden moet de landbouwer jaarlijks aan de Mestbank het bewijs leveren dat bedoelde dieren gedurende de beschouwde periode uitsluitend met het voeder, bedoeld in het eerste lid, werden gevoederd. Als bewijs geldt een attest afgeleverd door de voeder leverancier. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, ondermeer met betrekking tot de gegevens die op het attest dienen vermeld te worden; 2° alle dieren die gehouden worden op een exploitatie waar gedurende het hele kalenderjaar voedertechnieken of voeders werden gebruikt die een wijziging van de P2O5- of N-uitscheiding tot gevolg hebben.Deze berekeningswijze, gesteund op reële waarden, geldt enkel voor exploitaties die uitsluitend voormelde voedertechnieken of voeders gebruiken. De bewijslast voor deze reële P2O5- of reële N-uitscheiding per dier en per jaar ligt bij de landbouwer. §
- De landbouwer die het nutriëntenbalansstelsel toepast, moet de jaarlijks opgemaakte balansen, alsook de geëigende bescheiden ter staving van de aan-en afvoerposten, gedurende 5 jaar ter inzage houden van de toezichthoudende ambtenaren. De bewijslast van de aan- en afvoerposten van de balans of balansen ligt bij de landbouwer. §
- De landbouwer die in een bepaald productiejaar het nutriëntenbalansstelsel toepast en die de mestuitscheidingsbalans alsook de geëigende bescheiden ter staving van de aan- en afvoerposten van deze balans niet ter inzage kan geven aan de toezichthoudende ambtenaren tijdens een controle in dat productiejaar, wordt voor dat productiejaar ambtshalve door de Mestbank het forfaitaire stelsel opgelegd. De landbouwer die in een bepaald productiejaar het nutriëntenbalansstelsel toepast en die onvoldoende stavingsstukken bij de aangifte, vermeld in artikel 23, voegt en die, nadat hij hiervan per aangetekend schrijven werd verwittigd, binnen dertig dagen na verzending van het aangetekend schrijven, nog steeds onvoldoende stavingsstukken heeft overgemaakt, wordt voor dat productiejaar ambtshalve door de Mestbank het forfaitaire stelsel opgelegd. §
- De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, ondermeer met betrekking tot de wijze van opstelling van de bedoelde nutriëntenbalans, het bepalen van de werkelijke mineraleninhoud van de diervoeders en de stukken die zij nodig acht ter staving van de voormelde nutriëntenbalans. §
- De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende het gebruik door rundveebedrijven van een specifiek nutriëntenbalanssysteem. Art. 27.§
- Wanneer de landbouwer kiest oor het forfaitair stelsel, vermeld in artikel 25, wordt uitgegaan van de volgende forfaitaire uitscheidingsnormen per dier en per jaar : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor wat betreft de dieren van de diersoort Runderen, gelden de forfaitaire uitscheidingsnormen als vermeld in het eerste lid, enkel wanneer de voederrantsoenen van de betrokken dieren voldoende maïs bevatten. De Vlaamse Regering stelt vast hoeveel maïs het voederrantsoen van de betrokken dieren minstens moet bevatten, om gebruik te kunnen maken van de forfaitaire uitscheidingsnormen als vermeld in § 1, en stelt afwijkende, hogere forfaitaire uitscheidingsnormen vast voor die dieren waarvan het voederrantsoen onvoldoende maïs bevat. § 2.
§ 1
, wordt het uitscheidingscijfers van N, voor het productiejaar : 1° 2007, voor melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7500 kg melk per jaar, bepaald op 109 kg N per dier en per jaar;2° 2008, voor melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8500 kg melk per jaar, bepaald op 117 kg N per dier en per jaar;3° 2009, voor melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9500 kg melk per jaar, bepaald op 125 kg N per dier en per jaar. § 3.
§ 1
, past de Vlaamse Regering ten laatste op 1 december 2007 de uitscheidingscijfers voor de diersoort 3° PLUIMVEE aan op grond van de resultaten van het wetenschappelijk praktijkonderzoek "Evalueren van de mestuitscheidingscijfers en mestsamenstellingscijfers voor pluimvee". De Vlaamse Regering kan,
§ 1
en § 2, de lijst van forfaitaire uitscheidingsnormen van de verschillende diercategoriën aanvullen of wijzigen. §
- De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, onder meer met betrekking tot het vaststellen van de mineraleninhoud van de verschillende soorten dierlijke mest, met betrekking tot de analyse van verhandelde meststoffen en van het bedrijfsmatige dierlijke mestoverschot en met betrekking tot het vaststellen van het aantal kg geproduceerde melk per jaar,en kan de diercategorieën, vermeld in § 1, nader definiëren. §
- De Vlaamse Regering stelt de stikstofverliezen uit de stal, de opslag en het vervoer vast voor de omrekening van het bruto-gehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding naar het netto-gehalte van stikstof in de dierlijke mest op het ogenblik van de afzet. Dit netto-gehalte wordt de forfaitaire netto-inhoudsnorm stikstof genoemd. Afdeling III. - De berekening van de bedrijfsmatige mestoverschotten Art. 28.§
- Wanneer de landbouwer overeenkomstig de bepalingen van artikel 25, heeft geopteerd voor het forfaitaire stelsel, of die overeenkomstig de bepalingen van artikel 26, § 4, het forfaitaire stelsel ambtshalve opgelegd krijgt, wordt voor een bepaald kalenderjaar, voor een bedrijf het mestoverschot bepaald als de som van de mestoverschotten van de verschillende exploitaties die tot het bedrijf behoren. Hierbij houdt men eveneens rekening met de negatieve mestoverschotten, zowel van de exploitaties als van de bedrijven zo het gaat om een bedrijfsgroep. Voor een bedrijfsgroep wordt het mestoverschot berekend rekening houdend met de som van de tot de bedrijven behorende oppervlakte landbouwgrond. Het mestoverschot van een bepaalde exploitatie : 1° uitgedrukt in kg P2O5, wordt bepaald als de op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest, verminderd met de hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest die op basis van het teeltplan voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht, als vermeld in dit decreet.De op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest, is het product van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende dat kalenderjaar met de overeenkomstige productie per dier, berekend overeenkomstig artikel 27, uitgedrukt in kg P2O
- Bij het bepalen van de hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest die op basis van het teeltplan voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht, als vermeld in dit decreet, wordt eveneens rekening gehouden met beheersovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken; 2° uitgedrukt in kg N, wordt bepaald als de netto op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest, verminderd met de hoeveelheid N uit dierlijke mest die op basis van het teeltplan voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht, als vermeld in dit decreet.De netto op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest, is de op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest, verminderd met de stikstofverliezen, bepaald overeenkomstig artikel 27, §
- De op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest is het product van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende dat kalenderjaar met de overeenkomstige productie per dier, berekend overeenkomstig artikel 27, uitgedrukt in kg N. Bij het bepalen van de hoeveelheid N uit dierlijke mest die op basis van het teeltplan voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht, als vermeld in dit decreet, wordt eveneens rekening gehouden met beheersovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. §
- Wanneer de landbouwer heeft geopteerd voor het nutriëntenbalansstelsel, wordt het mestoverschot van een bedrijf voor een bepaald kalenderjaar berekend overeenkomstig de methode bepaald in § 1, met dien verstande dat nu de reële uitscheidingshoeveelheden, bepaald overeenkomstig artikel 26, of de reële stikstofverliezen in rekening worden gebracht. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. §
- De Mestbank maakt jaarlijks, voor elk bedrijf, voor de nutriënten N en P2O5, een mestbalans op. De mestbalans voor het nutriënt N wordt opgemaakt op basis van de berekening als vermeld in artikel 63, § 1, derde lid. De mestbalans voor het nutriënt P2O5 wordt opgemaakt op basis van de berekening als vermeld in artikel 63, § 2, derde lid. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. HOOFDSTUK V. - De mestverwerking Art. 29.§
- Er wordt een mestverwerkingsplicht opgelegd, die berekend wordt in functie van de gemeentelijke productiedruk van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N per hectare, van de gemeente of gemeenten waar de gehele bedrijfsgroep of delen van de bedrijfsgroep gelegen zijn. De Vlaamse Regering stelt de gemeentelijke productiedruk vast op basis van de netto productie van stikstof uit dierlijke mest en de afzetmogelijkheden van dierlijke mest. §
- De bedrijfsgroep dient van het netto stikstofoverschot van de bedrijfsgroep, een percentage, als berekend overeenkomstig het volgende lid, te verwerken. Onder netto stikstofoverschot van de bedrijfsgroep wordt verstaan : de som van de bedrijfsmatige netto stikstofoverschotten van de bedrijven, berekend overeenkomstig artikel 28, § 1, 2°, die behoren tot de bedrijfsgroep. Hierbij houdt men eveneens rekening met negatieve bedrijfsmatige netto stikstofoverschotten. Het te verwerken percentage in een bepaald kalenderjaar bedraagt 0,60 % per volle schijf van 1000 kg netto stikstofoverschot van de bedrijfsgroep van dat kalenderjaar, vermeerderd met volgende percentages : 1° in gemeenten met een gemeentelijke productiedruk kleiner of gelijk aan 170 kg N per hectare : 10 %;2° in gemeenten met een gemeentelijke productiedruk groter dan 170 kg stikstof per hectare en lager of gelijk aan 340 kg stikstof per hectare : 20 3° in gemeenten met een gemeentelijke productiedruk groter dan 340 kg stikstof per hectare : 30 %. Het te verwerken percentage in een bepaald kalenderjaar is maximaal gelijk aan 60 % van het netto stikstofoverschot van de bedrijfsgroep van dat kalenderjaar. Indien de te verwerken hoeveelheid per bedrijfsgroep minder dan 5000 kg netto stikstof bedraagt is de bedrijfsgroep van deze verplichting ontheven. Voor de bedrijfsgroep die in meer dan één gemeente is gelokaliseerd, geldt een globale verwerkingsplicht die bepaald wordt op basis van het gewogen gemiddelde van de verwerkingsplicht overeenkomstig de dierlijke mestproductie in elke gemeente en de in die gemeente geldende mestverwerkingsplicht. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. §
- Voor de verwerking van stikstof wordt een systeem van mestverwerkingscertificaten vastgesteld. De Mestbank reikt mestverwerkingscertificaten uit aan verwerkingseenheden voor de hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest die ze hebben verwerkt. De Mestbank reikt eveneens mestverwerkingscertificaten uit aan bedrijfsgroepen die hun productie van pluimveemest of van paardenmest, geheel of gedeeltelijk, exporteren, en aan mestverzamelpunten, die pluimveemest of paardenmest die in hun mestverzamelpunt opgeslagen is, exporteren. De mestverwerkingscertificaten, als vermeld in het tweede en derde lid, worden enkel toegekend voor de verwerking of de export van dierlijke mest, die geproduceerd werd op een in het Vlaamse Gewest gelegen exploitatie. De door de Mestbank uitgereikte mestverwerkingscertificaten, als vermeld in het tweede en derde lid, zijn overdraagbaar. Deze overdrachten van mestverwerkingscertificaten worden geregistreerd bij de Mestbank. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. §
- Om in een bepaald productiejaar aan de mestverwerkingsplicht, vermeld in § 2, te voldoen, heeft de bedrijfsgroep de keuze tussen : 1° het niet produceren van eenzelfde hoeveelheid van het te verwerken stikstofoverschot van de bedrijfsgroep.Daarvan moet uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het productiejaar melding worden gedaan aan de Mestbank; 2° het bekomen door de bedrijfsgroep van een gehele of gedeeltelijke ontheffing van deze verwerkingsplicht voor het aandeel in de verwerkingsplicht waarvan de bedrijfsgroep een equivalent aan nutriëntenemissierechten definitief laat annuleren, met uitzondering van niet-ingevulde nutriëntenemissierechten;3° het verkrijgen van mestverwerkingscertificaten.Deze mestverwerkingscertificaten dienen afgeleverd te zijn voor mest die in dat productiejaar verwerkt werd. De mestverwerkingscertificaten mogen voor maximaal 5000 kg netto stikstof afkomstig zijn van pluimveemest die werd geproduceerd door een andere bedrijfsgroep. De Vlaamse Regering kan,
3°, vaststellen dat in bepaalde gevallen mestverwerkingscertificaten gebruikt mogen worden die afgeleverd zijn voor mest die na dat productiejaar, verwerkt werd. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. HOOFDSTUK VI. - De ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven Afdeling I. - De nutriëntenemissierechten Art. 30.§ 1. De nutriëntenhaltes, vermeld in de artikelen 33bis en 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, worden vervangen door de nutriëntenemissierechten. Deze vervanging gebeurt op zo'n manier dat het totaal aantal dieren op Vlaams niveau niet aangroeit zonder afbreuk te doen aan de aan individuele bedrijven toegekende rechten. § 2. De nutriëntenemissierechten beperken het aantal dieren van elke diersoort die op een bedrijf mogen worden gehouden, tot het aantal dieren van die bepaalde diersoort dat overeenkomt met het aantal dieren van die diersoort, vermeld op het berekeningsblad van de nutriëntenhalte. De Vlaamse Regering kan afwijkingen vaststellen op de wijze waarop de nutriëntenemissierechten worden berekend ondermeer indien de soorten dieren vermeld op het berekeningsblad van de nutriëntenhalte niet meer overeenkomen met de naderhand daadwerkelijk gehouden soorten dieren, of indien een deel van de nutriëntenhalte enkel is uitgedrukt in kg P2O5 en kg N. De Mestbank wijst ambtshalve de nutriëntenemissierechten uitgedrukt in NER-D toe aan de betrokken landbouwers. De door de Mestbank op grond van dit artikel toegewezen nutriëntenemissierechten gelden vanaf 1 januari 2007. Voor de omzetting van de nutriëntenhalte in nutrientenemissierechten uitgedrukt in NER-D maakt de Mestbank gebruik van de tabel in de bij dit decreet gevoegde bijlage. Hiertoe wijst de Mestbank eerst de nutriëntenhaltes toe aan de verschillende landbouwers, door de som te nemen van de nutriëntenhaltes van de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf van een betrokken landbouwer. Onder de nutriëntenhalte van een exploitatie wordt verstaan de nutriëntenhalte die op basis van artikel 33bis en 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, toegekend is voor een inrichting of deel van een inrichting, als vermeld in het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, die gelegen is op dezelfde plaats als de exploitatie. Wanneer de producent, als vermeld in het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, meent dat de nutriëntenhaltes van zijn inrichting of deel van een inrichting aan een andere landbouwer moeten worden toegewezen, dan kan hij bij de Mestbank bezwaar indienen tegen de toewijzing. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. § 3. Voor de daaropvolgende berekeningen en omzettingen wordt uitgegaan van volgende waarden per dier uitgedrukt in NER-D gespecificeerd naar de betrokken diercategorie. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen of wijzigen. § 4. Het gemiddeld aantal dieren op een bedrijf uitgedrukt in NER-D en berekend overeenkomstig het bepaalde in § 3 mag op jaarbasis niet hoger zijn dan de toegekende nutriëntenemissierechten en het aantal dieren op bedrijfsniveau uitgedrukt in NER-D en berekend overeenkomstig het bepaalde in § 3 mag op geen enkel ogenblik meer bedragen dan een door de Vlaamse Regering per diersoort te bepalen percentage van de toegekende nutriëntenemissierechten. § 5. Binnen de perken van de nutriëntenemissierechten heeft de landbouwer de vrijheid de diersoort te houden die hij verkiest of binnen dezelfde diersoort wijzigingen door te voeren. § 6. De omzetting naar een andere diersoort of wijziging binnen dezelfde diersoort gebeurt op basis van een door de Vlaamse Regering vastgestelde omrekeningstabel. Bij de omzetting naar een andere diersoort worden bij de omrekening voor het bepalen van het aantal dieren steeds de hoogste uitscheidingscijfers van de desbetreffende diersoort, waarnaar de nutriëntenemissierechten omgezet worden, genomen. § 7. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot dit artikel en kan afwijkingen bepalen voor landbouwers van wie het bedrijf een productie aan dierlijke mest heeft kleiner dan 300 kg P2O5, als vermeld in artikel 23, § 1, 1°. Art. 31.§ 1. De nutriëntenemissierechten zijn geheel of gedeeltelijk overdraagbaar vanaf een door de Vlaamse Regering vast te stellen aantal nutriëntenemissierechten. § 2. De overdrager moet de mestproductie die op het bedrijf voor de drie aan de overname voorafgaande kalenderjaren werd geproduceerd overeenkomstig de bepalingen van dit decreet hebben afgezet. Is dit niet het geval dan worden de overgedragen nutriëntenemissierechten proportioneel geannuleerd ten belope van de niet correct afgezette mestproductie. Ingeval de overdrager beschikt over ingevulde nutrientenemissierechten en over niet-ingevulde nutrientenemissierechten wordt de annulering van de in artikel 34, § 1, eerste lid, 1°, voorziene 25 % als volgt doorgevoerd : 1° de volledige nutriëntenemissierechten worden in aanmerking genomen in voorkomend geval na de proportionele annulering op grond van het eerste lid;2° daarvan wordt 25 % geannuleerd;3° ten slotte, indien er bij de over te dragen nutriëntenemissierechten nog een deel niet ingevuld zijn wordt ook dit deel geannuleerd. § 3. De overdrager moet alle nutriëntenemissierechten van de betreffende diersoort overdragen en de uitbating van deze diersoort hebben stopgezet. Daarvan wordt melding gedaan aan de vergunningverlenende overheid die de milieuvergunning van het overdragend bedrijf of de overdragende exploitatie aanpast of opheft. De Vlaamse Regering kan voor bepaalde diersoorten afwijkingen van deze paragraaf voorzien. § 4. De overdracht wordt gemeld aan de Mestbank die akte neemt van deze overdracht en in voorkomend geval van de annulatie van het percentage nutriëntenemissierechten. § 5. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot dit artikel. Art. 32.De landbouwer kan aan de Vlaamse Regering de herziening vragen van de berekening van de toegewezen nutriëntenemissierechten en kan bij de Vlaamse Regering beroep aantekenen tegen alle beslissingen van de Mestbank inzake de nutriëntenemissierechten. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot dit artikel. Art. 33.Ingeval in een exploitatie de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 09/03/2001 pub. 30/03/2001 numac 2001035304 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten sluiten tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt het voor de betreffende diersoort toegekende aandeel in de nutriëntenemissierechten van rechtswege geannuleerd. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden en regels vaststellen met betrekking tot de annulatie van het toegekende aandeel van de nutriëntenemissierechten. Afdeling II. - Bedrijfsontwikkeling door overname van nutriëntenemissierechten Art. 34.§ 1. Bedrijfsontwikkeling is mogelijk door : 1° de overname van nutriëntenemissierechten met annulering van een 25 % van de overgenomen nutriëntenemissierechten;2° de overname van nutriëntenemissierechten zonder annulering :
- a)ofwel indien alle nutriëntenemissierechten van een bepaald bedrijf op dezelfde locatie over genomen worden in het kader van een eerste installatie van een bedrijf waarbij de overnemer nog niet beschikt of beschikt heeft over een eigen bedrijf;
- b)ofwel indien nutriëntenemissierechten worden overgenomen door de echtgenoot, de echtgenote of door bloed- of aanverwanten in de eerste graad van de rechte nederdalende lijn;
- c)ofwel indien de nutriëntenemissierechten worden overgedragen aan een personenvennootschap, waarvan de meerderheid van de aandelen eigendom zijn van de overlater of van de echtgenoot, de echtgenote of de bloed- of aanverwanten als vermeld in b);
- d)ofwel indien de 25 % nutriëntenemissierech ten wordt verwerkt door de verwerking van mest afkomstig van het eigen bedrijf.De ver werking van deze 25 % nutriëntenemissierech ten, gebeurt, in voorkomend geval, bovenop de mestverwerkingsplicht, vermeld in artikel 29, van de bedrijfsgroep waartoe het bedrijf behoort;
- e)ofwel indien het gaat over een overdracht van nutriëntenemissierechten NER-DR die kadert in de overdracht van melkquotum en enkel voor dat gedeelte van de nutriëntenemissie rechten NER- DR die overeenkomen met het aantal dieren dat gehouden werd om het over gedragen melkquotum in te vullen. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitzonderingen, vermeld in het eerste lid. § 2. Een verhoging van de mestproductie of een nieuwe mestproductie is uitgesloten voor bedrijven waarvoor geheel of gedeeltelijk een stopzettingsvergoeding werd bekomen in het kader van het decreet van 9 maart 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 09/03/2001 pub. 30/03/2001 numac 2001035304 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten sluiten tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten. Afdeling III. - Bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking Art. 35.Bedrijven kunnen groeien nadat ze, aan de Mestbank, het bewijs geleverd hebben van mestverwerking onder de volgende voorwaarden : 1° de nutriëntenbalans in het Vlaamse Gewest moet in evenwicht zijn zoals ook moet blijken uit een significante verbetering van de resultaten van de metingen van de relevante parameters.De Vlaamse Regering stelt nadere voorwaarden met betrekking tot de te bereiken milieuresultaten vast. De Vlaamse Regering kan uitzonderingen toestaan voor een bedrijf dat in het jaar X deel uitmaakte van een bedrijfsgroep die aan haar mestverwerkingsplicht, als vermeld in artikel 29, heeft voldaan en dat daarenboven 25 % van de netto uitbreiding heeft verwerkt en in de mate dat er in het Vlaamse Gewest meer dan 13 miljoen kg N wordt verwerkt, zoals vastgesteld op basis van de door de Mestbank uitgereikte mestverwerkingscertificaten, als vermeld in artikel 29, § 3. Zij kunnen deze mestverwerking niet invullen door het verwerken of laten verwerken van mest afkomstig van een ander bedrijf. Vanaf het jaar X + 1 kent de Mestbank niet-overdraagbare nutrienten-emissierechten-mestverwerking toe. Vanaf het jaar X + 1 dient de bedrijfsgroep waartoe de landbouwer behoort, voldaan te hebben aan haar mestverwerkingsplicht, als vermeld in artikel 29, en dient de landbouwer daarenboven 25 % van de gehele uitbreiding plus de gehele uitbreiding, te verwerken; 2° de bedrijven dienen de bijkomende mestproductie volledig te verwerken of te laten verwerken.Zij kunnen deze mestverwerking niet invullen door het verwerken of laten verwerken van mest afkomstig van een ander bedrijf of van andere op het bedrijf geproduceerde mest dan de bijkomende mestproductie; 3° zij mogen geen nutriëntenemissierechten hebben overgedragen;4° zij mogen in de toekomst ook geen nutriëntene-missierechten overdragen, tenzij in het kader van een bedrijfsovername van het volledige bedrijf.De mestverwerkingsplicht met betrekking tot de nutriëntenemissierechten-MVW blijft overkort gelden; 5° indien de mestverwerking van de uitbreiding niet gebeurt, vervalt de milieuvergunning betreffende het uitgebreide deel. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. Art. 36.Voor de exploitatie van de bijkomende mestproductie mits mestverwerking wijst de Mestbank nutriëntenemissierechten-MVW toe die niet overdraagbaar zijn. Deze niet-overdraagbare nutriëntenemissierechten-MVW kunnen maar worden toegewezen indien de landbouwer aan de Mestbank het bewijs levert over voldoende mestverwerkingscertificaten te beschikken om te voldoen aan de voorwaarden van artikel 35. Art. 37.De Mestbank annuleert de nutriëntenemissierechten-MVW in de volgende gevallen : 1° indien blijkt dat de mestverwerking niet gebeurt;2° indien nutriëntenemissierechten-MVW werden overgedragen. HOOFDSTUK VII. - Gebiedsgericht beleid Art. 38.De Vlaamse Regering kan in bepaalde VHA-zones of delen ervan in functie van de waterkwaliteit de verbodsbepalingen betreffende het op of in de bodem brengen van meststoffen verstrengen. Art. 39.De Vlaamse Regering kan vaststellen dat ingeval van overname van nutriën tenemissierechten die betrekking hebben op bepaalde diersoorten de omzetting naar andere door de Vlaamse Regering te bepalen diersoorten niet mogelijk is. Dieren, die worden gehouden in strijd met dit artikel en zijn uitvoeringsbepalingen, worden geacht te zijn gehouden zonder toegekende nutriëntenemissierechten. Art. 40.De Vlaamse Regering kan een regeling voor het opkopen van nutriëntenemissierechten vaststellen. Het opkopen van nutriëntenemissierechten kan gebiedsgericht in functie van milieuresultaten plaatsvinden. Art. 41.De Vlaamse Regering kan, in functie van de nitraat-en fosfaatconcentratie in de oppervlaktewateren en in het grondwater, de afzet van dierlijke mest en van mestoverschotten door invoer, of de vestiging of uitbreiding van veeteeltbedrijven, in bepaalde gemeenten regelen of beperken. HOOFDSTUK VIII. - Het flankerend beleid Afdeling I. - Beheersovereenkomsten Art. 42.In de kwetsbare zone water, vermeld in artikel 6, kan de Vlaamse Regering beheersovereenkomsten met landbouwers afsluiten ter stimulering van verdere maatregelen ter verbetering van de milieukwaliteit. Het betreft de beheersovereenkomsten water. Deze maatregelen betreffen maatregelen die verder gaan dan het naleven van de gebruikelijke goede landbouwmethoden, het naleven van de voorschriften vastgesteld in de regelgeving betreffende het milieu of het naleven van de eisen gesteld in de artikelen 3, 4 en 5 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG)nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001. Binnen de perimeter van de speciale beschermingszones aangewezen door de Vlaamse Regering in toepassing van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand en van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna kan de Vlaamse Regering beheersovereenkomsten afsluiten die tot doel hebben dat geen dierlijke mest of andere meststoffen op of in de bodem gebracht worden op grasland vanaf 1 april tot en met 30 juni. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. Afdeling II. - Steunmaatregelen Art. 43.Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering, overeenkomstig de Europese regels inzake staatssteun, stimulerende maatregelen nemen betreffende : 1° de uitbouw en de werking van mestverwerkingsinstallaties;2° de vergroting van de mestopslagcapaciteit;3° de uitbouw van de mestbewerking;4° de opslag van drainwater in de tuinbouw;5° het ondersteunen van waterkwaliteitsgroepen;6° de opleiding, vorming en begeleiding van landen tuinbouwers om de toepassing van de codes van goede landbouwpraktijken te bevorderen;7° het wetenschappelijk onderzoek betreffende :
- a)de mestbewerking en de mestverwerking;
- b)de oordeelkundige bemesting;
- c)de relatie bemesting-bodem-oppervlaktewa ter en grondwater;
- d)de uitscheiding van nutriënten door de dier soorten, vermeld in artikel 27;8° het laten uitvoeren van bodem- en mestanalyses;9° het vragen en opvolgen van bemestingsadviezen;10° het gebruik van dierlijke mest. HOOFDSTUK IX. - Realisatierapportage Art. 44.§ 1. De Mestbank dient ten laatste op 15 oktober van elk jaar aan de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu een voortgangsrapport voor te leggen dat ten minste de stand van zaken van het voorbije productiejaar omvat voor wat betreft : 1° de nutriëntenemissierech ten op niveau van het Vlaamse Gewest;2° de invulling van de nutriëntenemissierechten op niveau van het Vlaamse Gewest;3° de nutriëntenaanpak aan de bron;4° de infrastructuur voor de bewerking van dierlijke mest en van andere meststoffen;5° de infrastructuur voor de verwerking van dierlijke mest met ten minste een inventaris van de mestverwerkingsinstallaties met hun respectieve capaciteiten :
- a)waarvoor een milieuvergunningsaanvraag lopende is;
- b)die vergund zijn;
- c)die in opbouw zijn;
- d)die operationeel zijn;6° de export van dierlijke mest;7° de uitgevoerde controles;8° de oplegging en inning van de boetes;9° de kwaliteit van het oppervlakte- en het grondwater;10° de fosfaatverzadigingsgraad van de landbouwgronden;11° de evolutie van de gemeten nitraatresiduwaarden in de landbouwgronden;12° de evolutie van de ammoniakemissies en de ammoniakdepo sities. § 2. Het voortgangsrapport, bedoeld in § 1, wordt jaarlijks voorgelegd aan de in artikel 45 vermelde Technische Werkgroep Nutriënten en aan het Vlaams Parlement. HOOFDSTUK X. - Technische Werkgroep Nutriënten Art. 45.Er wordt een Technische Werkgroep Nutriënten opgericht met het oog op het overleg en de studie aangaande de productie, de handel en de aanwending van nutriënten in ruime zin. De Technische Werkgroep Nutriënten vergadert in de zetel van de Vlaamse Landmaatschappij. Art. 46.§ 1. De Technische Werkgroep Nutriënten is samengesteld uit : 1° een voorzitter op voordracht van de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu;2° zestien deskundigen in de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging als gevolg van de productie, het gebruik en de opslag van meststoffen, waarvan vier op voordracht van de algemene landbouworganisaties, vier op voordracht van de representatieve organisaties vertegenwoordigd in de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen, vier op voordracht van de leefmilieubewegingen, vertegenwoordigd in de Milieu- en Natuurraad voor Vlaanderen en vier gekozen uit de wetenschappelijke kringen;3° één ambtenaar op voordracht van de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, en één ambtenaar op voordracht van de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw;4° één ambtenaar van de Mestbank die het secretariaat waarneemt. § 2. De voorzitter, secretaris en leden worden voor een periode van vier jaar benoemd door de Vlaamse Regering. § 3. Het mandaat is hernieuwbaar met een nieuwe termijn van telkens vier jaar. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de werking van de Technische Werkgroep Nutriënten. HOOFDSTUK XI. - De afzet en het vervoer van meststoffen Afdeling I. - Afzet Art. 47.§ 1. De landbouwer dient de meststoffen op een milieukundig verantwoorde wijze en overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten af te zetten. De afzet kan gebeuren op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, op landbouwgronden van andere landbouwers, door verwerking en door export. In het kader van haar knipperlichtfunctie geeft de Mestbank aan de landbouwers, op regelmatige tijdstippen van het productiejaar, een overzicht van de verschillende bij de Mestbank geregistreerde mest-verhandelingen. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. De landbouwer kan een aantal van zijn dieren gedurende een korte periode op landbouwgronden van een exploitatie, die deel uitmaakt van het bedrijf van een andere landbouwer, laten grazen. In dat geval dient er een overeenkomst, het inscharingscontract, opgemaakt te worden tussen beide landbouwers. Dit inscharingscontract geldt als bewijs van mestafzet ten gunste van de landbouwer wiens dieren op landbouwgronden van een andere landbouwer grazen en als bewijs van mestafname voor de landbouwer, die op zijn landbouwgronden dieren van een andere landbouwer laat grazen. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. § 2. Indien de landbouwer niet bij machte is om de op zijn bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke mest overeenkomstig dit decreet af te zetten heeft hij ondermeer de keuze om : 1° ofwel de exploitatie geheel of gedeeltelijk een tijdlang stop te zetten zonder dat dit het verval van de milieuvergunning tot gevolg heeft op voorwaarde van melding aan de Mestbank van zowel de tijdelijke stopzetting als de herneming van de exploitatie. Indien echter de exploitatie gedurende 5 jaar is stopgezet en niet hernomen, worden de dienovereenkomstige nutriëntenemissierechten van rechtswege geannuleerd; 2° ofwel in voorkomend geval beroep te doen op de stopzettingsregeling, vermeld in het decreet van 9 maart 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 09/03/2001 pub. 30/03/2001 numac 2001035304 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten sluiten tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest afkomstig van één of meerdere diersoorten. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, ondermeer met betrekking tot de wijze waarop de melding, vermeld in 1°, dient te gebeuren. § 3. Alle landbouwers dienen ervoor te zorgen dat op de gronden die zij in gebruik hebben de bemestingregels, vermeld in dit decreet, nageleefd worden. § 4. De producenten van andere meststoffen, de uitbaters van een mestverzamelpunt, een bewerkings-of een verwerkingseenheid zijn ertoe gehouden de in hun bedrijf geproduceerde, verhandelde of overgedragen dierlijke mest en andere meststoffen af te zetten of te exporteren overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Afdeling II. - Het mestvervoer Art. 48.§ 1. Het vervoer van dierlijke mest afkomstig van de in artikel 27, § 1, opgesomde diersoorten of van andere meststoffen mag enkel gebeuren door daartoe door de Mestbank erkende mestvoerders. De Vlaamse Regering stelt de criteria en de voorwaarden voor de erkenning vast. De Vlaamse Regering kan tevens een bedrag aan de aanvrager van de erkenning opleggen ter delging van de administratieve kosten. De Mestbank kan de erkenning van mestvoerders, die de bepalingen van dit decreet overtreden of verzuimen na te leven, schorsen of intrekken. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, ondermeer met betrekking tot het indienen van een beroep tegen deze maatregel en met betrekking tot het verhalen van de kosten van dit beroep. § 2. Voor elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen moet de erkende mestvoerder een mest-afzetdocument, waarvan de inhoud, de vorm en het gebruik door de Vlaamse Regering worden bepaald, opmaken. Elke mestvoerder is ertoe gehouden een dubbel van het mestafzetdocument binnen de 40 kalenderdagen na de datum van het vervoer over te maken aan de Mestbank. De Vlaamse Regering kan,
het voorgaande, het overmaken van het mestafzetdocument afschaffen en kan dit vervangen door een evenwaardige regeling. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. § 3. Elk vervoer door een erkende mestvoerder moet vooraf, door de erkende mestvoerder, aan de Mestbank worden gemeld, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Behoudens uitdrukkelijke afmelding, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, door de erkende mestvoerder, moet elk gemeld transport ook effectief worden uitgevoerd. Elk vervoer door een erkende mestvoerder moet uiterlijk de werkdag volgend op de dag waarop het transport plaatsvond, nagemeld worden, door de erkende mestvoerder, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De Vlaamse Regering kan met betrekking tot de melding, de afmelding en de namelding nadere regels vaststellen. De Vlaamse Regering kan,
deze paragraaf, bepalen dat in uitzonderlijke omstandigheden de melding, de namelding of de afmelding niet dient te gebeuren via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, en stelt nadere regels vast. De Vlaamse Regering kan de erkende mestvoerders verplichten om voor bepaalde transporten gebruik te maken van een geautomatiseerd systeem van on-linepositiebepaling. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, ondermeer met betrekking tot de wijze waarop en de transporten waarvoor dit systeem gebruikt dient te worden. § 4. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de controle van het vervoer. Art. 49.Artikel 48 is niet van toepassing op het vervoer van dierlijke mest voor zover tegelijk aan de volgende drie voorwaarden voldaan wordt : 1° de oorsprong en de bestemming van het vervoer zijn gelegen binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest;2° het vervoer gebeurt door een mestvoerder die noch door de Mestbank erkend is, noch in opdracht rijdt van een erkend mestvoerder;3° het vervoer behoort tot één van de volgende types :
- a)het vervoer van dierlijke mest vanuit een bepaalde exploitatie naar de landbouwgron den van dezelfde exploitatie;
- b)het vervoer van, op een exploitatie gelegen in een bepaalde gemeente geproduceerde dierlijke mest naar een andere exploitatie, die gelegen is in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente. In dit geval dient tevens te worden voldaan aan de volgende voorwaarden : 1) het verhandelen van dierlijke mest heeft vooraf het voorwerp uitgemaakt van een schriftelijke overeenkomst tussen de betrokken partijen.De Vlaamse Regering stelt de inhoud van die overeenkomst vast; 2) deze schriftelijke overeenkomst werd ten laatste één week voor het vervoer gemeld aan de Mestbank;3) tijdens elk vervoer heeft de bestuurder van het transportmiddel een bewijs van verzending of overhandiging van de over eenkomst aan de Mestbank bij zich, dat op eenvoudig verzoek van de met toezicht belaste ambtenaar onmiddellijk wordt voorgelegd;4) indien de overeenkomst niet of niet vol ledig wordt uitgevoerd, dient dit steeds te worden gemeld aan de Mestbank. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast. Art. 50.Artikel 48 is niet van toepassing op het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen voor zover tegelijk aan de volgende drie voorwaarden voldaan wordt : 1° de oorsprong en de bestemming van het vervoer zijn gelegen binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest;2° het vervoer gebeurt door een mestvoerder die noch door de Mestbank erkend is, noch in opdracht rijdt van een erkend mestvoerder;3° het vervoer gebeurt met een transportmiddel waarvan het nuttig laadvermogen lager is dan 500 kg.De Vlaamse Regering kan een grenswaarde vaststellen voor wat betreft de maximale mest-hoeveelheid die op deze wijze jaarlijks per landbouwer mag worden afgevoerd of aangevoerd. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. Art. 51.De Vlaamse Regering kan onder de door haar te bepalen voorwaarden voor het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen, afwijkingen toestaan op de bepalingen van artikel 48 voor zover tegelijk aan de volgende drie voorwaarden voldaan wordt : 1° de oorsprong en de bestemming van het vervoer zijn gelegen binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest;2° het vervoer gebeurt door een erkend mestvoerder of in opdracht van een erkend mestvoerder;3° het vervoer behoort tot een van de types, vermeld in artikel 49, eerste lid, 3°. Art. 52.De Vlaamse Regering kan onder de door haar te bepalen voorwaarden, voor het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen, afwijkingen toestaan op de bepalingen van artikel 48 voor zover tegelijk aan de volgende twee voorwaarden voldaan wordt : 1° het betreft uitvoer van dierlijke mest of andere meststoffen uit het Vlaamse Gewest, of invoer van dierlijke mest of andere meststoffen in het Vlaamse Gewest;2° het vervoer behoort tot een van de volgende twee types :
- a)de invoer of uitvoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een bepaald bedrijf naar landbouwgronden die behoren tot dat zelfde bedrijf;
- b)de invoer of uitvoer van dierlijke mest of andere meststoffen die valt onder het toepassingsgebied van de verordening nr.259/93. De Vlaamse Regering kan tevens een bedrag opleggen ter delging van de administratieve kosten die hiermee gepaard gaan. Art. 53.De Vlaamse Regering kan door een met redenen omklede beslissing individuele of collectieve afwijkingen toestaan voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling in geval van algemene of bijzondere maatregelen die genomen zijn met toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 ter voorkoming en bestrijding van dierenziekten, voor het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest of delen ervan. Art. 54.De Mestbank kan het transport verbieden als zij vaststelt dat de dierlijke mest of andere meststoffen zullen worden afgezet of vervoerd in strijd met de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, van de verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, van de regelgeving van de plaats van bestemming voor wat betreft mesttransporten waarvan de plaats van bestemming buiten het Vlaamse Gewest is gelegen of van de verordening nr. 259/93. Dit transportverbod wordt door de Mestbank ter kennis gebracht van de betrokken mestvoerder en wordt steeds gemotiveerd. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen omtrent de wijze waarop dit transportverbod wordt opgelegd. Het niet opleggen van een transportverbod door de Mestbank voor een bepaald transport van meststoffen, houdt geen bevestiging in van de Mestbank dat het transport wel overeenkomstig hoger genoemde bepalingen werd uitgevoerd. De mestvoerder is steeds gehouden de dierlijke mest of andere meststoffen te vervoeren en af te zetten overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, van de verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, van de regelgeving van de plaats van bestemming voor wat betreft mesttransporten waarvan de plaats van bestemming buiten het Vlaamse Gewest is gelegen of van de verordening nr. 259/93. Art. 55.§ 1. Invoer van dierlijke mest of andere meststoffen, die niet valt onder het toepassingsgebied van verordening nr. 259/93, kan slechts gebeuren mits voorafgaande toestemming van de Mestbank. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels aangaande deze voorafgaande toestemming vast. De Vlaamse Regering kan tevens een bedrag opleggen ter delging van de administratieve kosten die hiermee gepaard gaan. § 2. Uitvoer van dierlijke mest of andere meststoffen, die niet valt onder het toepassingsgebied van verordening nr. 259/93, kan door de Vlaamse Regering onderworpen worden aan de voorafgaande toestemming van de Mestbank. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels aangaande deze voorafgaande toestemming vast. De Vlaamse Regering kan tevens een bedrag opleggen ter delging van de administratieve kosten die hiermee gepaard gaan. Art. 56.De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot het vervoer van meststoffen dat valt onder het toepassingsgebied van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. De Vlaamse Regering kan bij het vaststellen van nadere regels afwijken van de bepalingen van dit hoofdstuk. Art. 57.De Vlaamse Regering kan voor de afzet van mestoverschotten die uitsluitend bestaan uit een effluent na bewerking of verwerking van dierlijke mest, andere regels stellen op basis van de samenstelling van de dierlijke mest waarvan het effluent de bewerkingsrest of verwerkingsrest is. Art. 58.De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor het vervoer, de afzet en het gebruik van spuistroom en spuiwater. Art. 59.Op de documenten die het transport van meststoffen steeds moeten vergezellen, vermeld in deze afdeling, dient meegedeeld te worden hoeveel kilogram meststoffen er vervoerd worden en wat de stikstof- en fosforsamenstelling van de vervoerde meststoffen is. Voor het bepalen van de stikstof- en fosforsamenstelling van de vervoerde meststoffen, kan men hetzij gebruik maken van de forfaitaire, door de Vlaamse Regering vastgelegde, stikstof- en fosforsamenstellingcijfers, hetzij de analyseresultaten van een krachtens artikel 62, § 6, erkend laboratorium, gebruiken. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast en kan in bepaalde omstandigheden of voor bepaalde aanbieders van meststoffen het gebruik van analyseresultaten voor het bepalen van de stikstof- en fosforsamenstelling van de vervoerde meststoffen, verplicht maken. Art. 60.§ 1.
artikel 48, kunnen aanbieders van bepaalde meststoffen, een aanvraag indienen bij de Mestbank, om voor het vervoer van bepaalde meststoffen geen beroep te moeten doen op een erkende mestvoerder. Voor elk vervoer als vermeld in het eerste lid moet de aanbieder van de meststoffen een verzenddocument, waarvan de inhoud, de vorm en het gebruik door de Vlaamse Regering worden vastgesteld, opmaken. Dit verzenddocument, dat bestaat uit drie luiken, dient het transport steeds te vergezellen. Elk luik moet door elk van de bij het vervoer betrokken partijen ondertekend worden. Uiterlijk veertig dagen na de datum van vervoer, moet een ondertekend luik van het verzenddocument aanwezig zijn bij elk van de drie bij het vervoer betrokken partijen, zijnde de aanbieder van de meststoffen, de afnemer van de meststoffen en de mestvoerder. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, en bepaalt welke meststoffen niet vervoerd moeten worden door erkende mestvoerders. § 2. Elk vervoer als vermeld in § 1 moet vooraf, door de aanbieder van de meststoffen, aan de Mestbank worden gemeld, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Behoudens uitdrukkelijke afmelding, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, door de aanbieder van de meststoffen, moet elk gemeld transport ook effectief worden uitgevoerd. Elk vervoer als vermeld in § 1 moet uiterlijk de werkdag volgend op de dag waarop het transport plaatsvond, nagemeld worden, door de aanbieder van de meststoffen, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De Vlaamse Regering kan met betrekking tot de melding, de afmelding en de namelding nadere regels vaststellen. De Vlaamse Regering kan,
dit artikel, bepalen dat in uitzonderlijke omstandigheden de melding, de namelding of de afmelding niet dient te gebeuren via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, en stelt de nadere regels vast. HOOFDSTUK XII. - Handhaving Afdeling I. - Toezicht Art. 61.Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie, houden de ambtenaren die de Vlaamse Regering aanwijst toezicht op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, van de verordening nr. 259/93, wat de in-, door- en uitvoer van dierlijke mest betreft en van de verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, wat meststoffen betreft. Art. 62.§ 1. De in artikel 61 bedoelde ambtenaren mogen bij de uitoefening van hun opdracht : 1° elk onderzoek, elke controle en enquête instellen en alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de decreets- en reglementsbepalingen worden nageleefd, en met name :
- a)personen ondervragen over voor de uitoefening van het toezicht relevante feiten;
- b)zich zonder verplaatsing alle boeken en bescheiden doen voorleggen die bij dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan zijn voor geschreven, afschriften of uittreksels ervan opmaken en ze tegen ontvangstbewijs in beslag nemen;
- c)inzage nemen van alle boeken en bescheiden die vereist zijn voor het volbrengen van hun opdracht;
- d)stalen van meststoffen nemen met het oog op de analyse ervan;
- e)andere stalen dan deze bedoeld in d), nemen of laten nemen met het oog op de ontleding ervan.De ontledingsresultaten worden ter kennis gebracht van de betrokkenen en van de Mestbank. De Vlaamse Regering stelt de regels vast met betrekking tot het nemen van die stalen, de ontleding alsmede de kennisge ving van de resultaten;
- f)op elk ogenblik van de dag of van de nacht, na aanmelding en mits naleving van de sanitaire voorschriften, vrij binnengaan in alle bedrijfslokalen zoals stallen, schuren, magazijnen en opslagplaatsen, alsmede de als stallen, schuren of opslagplaatsen gebruikte terreinen en ruimten.Tot de ruimten die als woning die nen, hebben zij slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en eenentwintig uur 's avonds en mits machtiging van de onderzoeksrechter;
- g)de landbouwgronden vrij betreden;
- h)voertuigen doen halt houden;2° in de uitoefening van hun ambt de bijstand van de politie vorderen. § 2. De in artikel 61 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd om in geval van overtreding proces-verbaal met bewijswaarde tot het tegendeel bewezen is, op te stellen. Als de vermoedelijke overtreder bekend is, wordt, op straffe van verval van de bewijswaarde tot het tegendeel, aan de vermoedelijke overtreder kennis gegeven van een kopie van het proces-verbaal. Die kennisgeving gebeurt binnen een termijn van veertien dagen, die een aanvang neemt op de dag na de vaststelling van de overtreding. § 3. Als de in artikel 61 bedoelde ambtenaren vaststellen dat dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten dreigt overtreden te worden, kunnen zij alle raadgevingen geven die zij nuttig achten om dat te voorkomen. § 4. Als de in artikel 61 bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van hun toezichtopdracht een overtreding op dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten vaststellen, kunnen zij de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om deze overtreding te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen. § 5. Binnen de hen overeenkomstig het decreet en onderhavig besluit toegewezen bevoegdheden, kunnen de ambtenaren, vermeld in artikel 61, een bevel geven aan de vermoedelijke overtreder om maatregelen te nemen om de overtreding te beëindigen, de gevolgen ervan ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen. § 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria en de manier waarop deze erkenning wordt aangevraagd, verleend en geheel of gedeeltelijk kan worden ingetrokken. § 7. De staalnames en de analyses in het kader van dit decreet moeten gebeuren overeenkomstig het door de Mestbank beheerde « methodenboek met bemonste-rings- en analysemethodes voor meststoffen, bodem en diervoeders in het kader van het Mestdecreet ». Afdeling II. - De administratieve geldboeten Art. 63.§ 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 71 tot en met 72, wordt een administratieve geldboete opgelegd aan elke landbouwer die de geproduceerde N uit dierlijke mest of de ontvangen N uit meststoffen in een bepaald productiejaar, niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. De administratieve geldboete bedraagt 1 euro voor elke kg N die de landbouwer niet heeft afgezet conform de bepalingen van dit decreet. Het aantal kg N die niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, is het hoogste van twee getallen, A en B, waarbij : 1° A = (berekende netto dierlijke mestproductie, uitgedrukt in kg N + netto-aanvoer van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N + netto-aanvoer van andere meststoffen, uitgedrukt in kg N + de gebruikte hoeveelheid kunstmest, uitgedrukt in kg N + opslagverschil van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N + opslagverschil van andere meststoffen, uitgedrukt in kg N - afzetmogelijkheid op eigen landbouwgronden, uitgedrukt in kg N);2° B = bedrijfsmatig mestoverschot voor dierlijke mest + bedrijfsmatig mestoverschot voor andere meststoffen + bedrijfsmatig mestoverschot voor kunstmest, waarbij :
- a)het bedrijfsmatig mestoverschot voor dierlijke mest, berekend wordt als de som van de berekende netto dierlijke mestproductie, uitgedrukt in kg N, de netto-aanvoer van dierlijke mest, uitgedrukt in kg, en het opslagverschil van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, en verminderd met de afzetmogelijkheid van dierlijke mest op eigen landbouwgronden, uitgedrukt in kg N.Wanneer deze berekening resulteert in een negatief getal wordt dit herleid tot 0;
- b)het bedrijfsmatig mestoverschot voor andere meststoffen berekend wordt als de som van de netto-aanvoer van andere meststoffen, uitgedrukt in kg N, vermeerderd met het opslagverschil van andere meststoffen, en verminderd met de afzetmogelijkheid van andere meststof fen op eigen landbouwgronden, uitgedrukt in kg N.Wanneer deze berekening resulteert in een negatief getal wordt dit herleid tot 0;
- c)het bedrijfsmatig mestoverschot voor kunst mest berekend wordt door de gebruikte hoe veelheid kunstmest, uitgedrukt in kg N, te verminderen met de afzetmogelijkheid van kunstmest op eigen landbouwgronden, uitgedrukt in kg N.Wanneer deze berekening resulteert in een negatief getal wordt dit herleid tot 0. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder : 1° de berekende netto dierlijke mestproductie, uitgedrukt in kg N : de netto, in dat productiejaar, op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest, berekend overeenkomstig artikel 28;2° netto-aanvoer van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N : de totale aanvoer van dierlijke mest in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, verminderd met de totale afvoer van dierlijke mest in dat productiejaar uitgedrukt in kg N hetzij via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60 hetzij via het verwerken in dat productiejaar van dierlijke mest op het eigen bedrijf, vermeld in artikel 29 en volgende;3° netto-aanvoer van andere meststoffen, uitgedrukt in kg N : de totale aanvoer van andere meststoffen in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, verminderd met de totale afvoer van andere meststoffen in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N hetzij via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, hetzij via het verwerken in dat productiejaar van andere meststoffen op het eigen bedrijf, als vermeld in artikel 29 en volgende;4° het opslagverschil van dierlijke mest : de hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar verminderd met de hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende productiejaar;5° het opsl