← België

Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit regelt de voorwaarden voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur in België, door Europese richtlijnen om te zetten in Belgisch recht. Het doel is de liberalisering van het spoorvervoer te bevorderen en de toegang tot het spoorwegnet uit te breiden.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
12 MAART 2003. - Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik de eer heb voor te leggen aan Uw Majesteit, werd door de Ministerraad behandeld tijdens de zitting van 28 février 2003. Het vormt de omzetting in ons recht van drie richtlijnen van 26 februari 2001 : Richtlijn 2001/12/EG tot wijziging van Richtlijn 91/440/EEG van de Raad betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap, Richtlijn 2001/13/EG tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegbedrijven en Richtlijn 2001/14/EG van 16 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering. Deze omzetting moet uiterlijk tegen 15 maart 2003 worden uitgevoerd. De voornaamste innovatie van deze nieuwe etappe van de liberalisering van de spoorwegen is hoofdzakelijk gelegen in de uitbreiding van het recht op toegang tot bepaalde van onze spoorweginfrastructuren. Rekening houdend met de nieuwe eisen die door deze richtlijnen worden geformuleerd, is het schema voor de omzetting zoals dat in 1997 en 1998 tijdens de vorige omzetting werd ontworpen momenteel niet bevredigend. De Regering heeft de wens uitgedrukt dat deze nieuwe etappe van de hervorming verschillende fundamentele principes respecteert : - Behoud van de eenheid van de NMBS; - Vorming van een reglementair kader dat compatibel is met de eventuele ontwikkelingen op Europees vlak inzake de juridische onafhankelijkheid van de beheerder van het net; - Bestendiging van de spoorwegexpertise binnen de FOD Mobiliteit en Vervoer; - Budgettaire hervorming die geen gevolgen heeft voor de overheid; - Evaluatie op termijn van de mogelijkheid om het regelorgaan voor de spoorwegen en het regelorgaan voor de luchtvaart, allebei te creëren, in éénzelfde organisme onder te brengen. Richtlijn 2001/12/EG Deze richtlijn wijzigt Richtlijn 91/440/EEG. De spoorwegondernemingen krijgen voortaan een reeks boekhoudkundige regels opgelegd betreffende de scheiding tussen enerzijds het beheer van de infrastructuur en anderzijds de vervoerdiensten De lidstaten beschikken bovendien over de mogelijkheid om te kiezen voor een boekhoudkundige of institutionele opsplitsing van de spoorweginfrastructuurbeheerder en de netwerkexploitant. Harerzijds heeft de Belgische Regering haar voorkeur kenbaar gemaakt voor het behoud van de eenheid van de onderneming. Aangezien de spoorweginfrastructuurbeheerder een aanzienlijke impact heeft op de toegang tot het net wegens de rol die hij vervult in de bepaling van de veiligheidsregels, het verlenen van het veiligheidscertificaat, het opstellen van de netverklaring, de technische medewerking bij de toewijzing van treinpaden en de bepaling van de gebruiksrechten, moet erop worden toegezien dat de spoorweginfrastructuurbeheerder deze taken op een niet-discriminatoire wijze vervult ten overstaan van alle spoorwegexploitanten. Om dit op daadwerkelijke wijze te blijven garanderen, kan in de toekomst geen ontwikkeling worden uitgesloten die leidt tot een juridische scheiding tussen de spoorweginfrastructuurbeheerder en de belangrijkste spoorwegonderneming, ondermeer omwille van het Europese reglementaire kader. Momenteel heeft de Regering echter gekozen voor de oprichting van een onafhankelijke dienst die belast is met de inning van de gebruiksrechten en de niet-discriminatoire toewijzing van spoorpaden. De spoorwegonderneming die tegelijk spoorweginfrastructuurbeheerder en exploitant van haar eigen netwerk is, zal voortaan niet meer rechtstreeks spoorpaden kunnen toekennen aan concurrerende exploitanten. Er wordt eveneens een recht op toegang en transit ingesteld voor internationaal samenwerkingsverbanden (dit wil zeggen exploitanten die gezamenlijk vracht vervoeren over de grenzen van de staten heen). Op 15 maart 2003 zal het vervoer van goederen op het Trans-Europees netwerk voor goederenvervoer per spoor geliberaliseerd worden. Vijf jaar later, in 2008, zal het gehele Europese spoorwegnet toegankelijk zijn. Richtlijn 2001/13/EG Deze richtlijn wijzigt Richtlijn 95/18/EG betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen. Zij stelt een reeks voorwaarden in betreffende de spoorwegtoegangsrechten. Deze voorwaarden vertonen een sterke gelijkenis met de algemene voorwaarden betreffende de vergunningen voor het wegvervoer : betrouwbaarheid, kredietwaardigheid, integriteit, veiligheid, verzekering, enz. Richtlijn 14/2001/EG Deze richtlijn heeft belangrijke gevolgen voor de structuur van de spoorwegondernemingen. Er wordt immers een autonoom organisme, dat belast is met de bepaling van de rechten en de niet-discriminatoire toewijzing van treinpaden, en een controleorgaan opgericht om de transparantie en de naleving van het principe van niet-discriminatoire toegang te garanderen. Deze twee organismen zullen op autonome wijze de opdrachten vervullen die hen worden toegewezen. De doelstelling is het bevorderen van het ontstaan van concurrentie op het net dat toegankelijk is voor spoorwegoperatoren. Het gaat hier om een gevolg van de keuze die de Regering maakte inzake het behoud van een enige entiteit die tegelijk spoorwegexploitant en infrastructuurbeheerder is - de NMBS. De kaderakkoorden betreffende de infrastructuurcapaciteit zullen kunnen worden afgesloten met de exploitanten voor een periode die langer is dan de geldigheidsduur van een dienstregeling (dit wil zeggen voor vijf jaar). HOOFDSTUK I. - Bepalingen Het eerste hoofdstuk bevat onder andere de definities gegeven in de bovenvermelde Richtlijnen 2001/12/EG, 2001/13/EG en 2001/14/EG. Zij hernemen de begrippen die door deze richtlijnen werden geïntroduceerd en die nodig zijn voor een correct begrip van de volgende hoofdstukken. De afdeling van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen belast met het beheer en het onderhoud van de spoorweginfrastructuur wordt hier aangeduid als beheerder van de spoorweginfrastructuur. Haar bevoegdheid inzake het gebruik van de spoorweginfrastructuur, is beperkt tot een adviesbevoegdheid, inzonderheid wat betreft de goedkeuring van technische spoorwegveiligheidsvoorschriften, de afgifte van spoorwegveiligheidsattesten en de bepaling van de regels voor de toewijzing van de capaciteit van de infrastructuur, aangezien de beslissingen omtrent deze materies, overeenkomstig de voorschriften van de omgezette richtlijnen, worden genomen door organen die vreemd zijn aan en onafhankelijk zijn van de spoorweginfrastructuurbeheerder. De rol van de beheerder van de spoorweginfrastructuur is aldus voornamelijk van technische aard. Parallel met deze bevoegdheid, vervult de beheerder van de spoorweginfrastructuur een belangrijke rol op het niveau van de correcte toepassing van de veiligheidsreglementen en de noodmaatregelen die moeten worden genomen indien de veiligheid in het gedrang komt. Dankzij zijn personeel bezit de beheerder van de spoorweginfrastructuur over een zeer specifieke deskundigheid en een diepgaande kennis inzake de spoorweginfrastructuur die nodig zijn om de genomen of te nemen maatregelen om de spoorweginfrastructuur in alle veiligheid te kunnen gebruiken, naar behoren te kunnen beoordelen. Zijn onafhankelijkheid wordt gewaarborgd overeenkomstig de richtlijnen omgezet bij artikel 161bis van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten ingevoegd bij artikel 6 van de wet van 22 maart 2002, dewelke de verplichting opleggen van het voeren van een aparte boekhouding vanaf het boekjaar 200 3. HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied Dit besluit heeft als doel een geheel van regels vast te stellen : enerzijds regels betreffende de veiligheid van de spoorweginfrastructuur (technische normen en gebruiksregels, diverse vergunningen) ; en anderzijds regels die meer bepaald gewijd zijn aan de voorwaarden voor het gebruik van deze infrastructuur (eventueel beschikken over toegangsrecht of recht van doorvoer, beschikken over een voorafgaandelijke vergunning, een veiligheidsattest bezitten, infrastructuurcapaciteit aanvragen, een heffing betalen). Bepaalde spoorwegdiensten die thuishoren in de sfeer van specifiek en privé-gebruik, vallen overigens buiten het toepassingsgebied van dit besluit. Zo sluit artikel 2 goederenvervoerdiensten uit die worden verricht op een spoorweginfrastructuur die is voorbehouden aan de eigenaar ervan, alsook spoorwegdiensten voor toeristische doeleinden op buiten dienst gestelde lijnen die dus evenwel eigendom van de beheerder van de spoorweginfrastructuur blijven. HOOFDSTUK III. - Veiligheidsvoorschriften met betrekking tot de spoorweginfrastructuur en het gebruik ervan Dit hoofdstuk omvat drie afdelingen die zijn gewijd aan de vastlegging van de veiligheidsvoorschriften, aan de controle ervan en aan bepaalde vergunningen voor vaste installaties op, onder of in nabijheid van de spoorweginfrastructuur. Afdeling I. - Vastlegging van de technische normen en regels betreffende de veiligheid van de spoorweginfrastructuur en het gebruik ervan De procedure voor de vastlegging van de technische normen en spoorwegveiligheidsregels zal door een later koninklijk besluit worden bepaald. De verplichting voor het creëren van dergelijke regels vloeit voort uit Richtlijn 91/440/EEG en maakt reeds deel uit van de reglementering die momenteel van toepassing is. Richtlijn 2001/12/EG versterkt de rol van de Staat die zelf de normen en regels bepaalt in plaats van de beheerder van de spoorweginfrastructuur. Zij worden uitgevaardigd door de Koning en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad of bekendgemaakt onder de vorm van een eenvoudige vermelding in een inventaris (technisch reglement). Deze normen mogen niet worden verward met de normen van algemenere aard die worden geregistreerd of gehomologeerd door het Belgisch Instituut voor Normalisatie krachtens de besluitwet van 20 september 1945 betreffende de normalisatie en de latere wijzigingen ervan. De inventaris wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en minstens een keer per jaar bijgewerkt. In voorkomende gevallen zal de termijn van drie maanden waarin paragraaf 2 van artikel 4 voorziet, kunnen worden aangewend om op verzoek van de spoorweginfrastructuurbeheerder de reglementering, bedoeld in paragraaf 1 van dezelfde bepaling, aan te passen. De technische rol van de beheerder van de spoorweginfrastructuur is essentieel voor de opvolging van de voorschriften inzake spoorwegveiligheid. Zo ziet hij op het terrein niet alleen toe op de correcte toepassing ervan (artikel 5), maar is hij bovendien bevoegd om de noodmaatregelen te nemen die zich opdringen wanneer de veiligheid of het gebruik van de spoorweginfrastructuur in het gedrang worden gebracht. In dergelijk geval kan hij voorlopige maatregelen nemen die onmiddellijk van kracht worden en die slechts drie maanden geldig zijn. Deze maatregelen kunnen uiteraard definitief worden door middel van de procedure voor de vastlegging van de veiligheidsregels. Afdeling II. - Toepassing van de technische normen en regels betreffende de veiligheid van de spoorweginfrastructuur en het gebruik ervan Wat de controle van de veiligheid van de spoorweginfrastructuur betreft, is de rol van de Minister bevoegd voor het spoorwegvervoer essentieel. Artikel 7 verduidelijkt de inlichtingen inzake algemene veiligheid die moeten worden overhandigd aan de Minister, aan zijn gemachtigde en aan het Instituut van de Spoorwegen door middel van een jaarlijks veiligheidsverslag. De modaliteiten van dit verslag zullen door een later koninklijk besluit worden bepaald en bevatten met name de elementen waarover het Bestuur moet beschikken om de toepassing te controleren van de reglementen bedoeld in artikel 4 en om de algemene toestand van de veiligheid van het net te kunnen beoordelen. Artikel 9 voorziet dat de Minister wanneer hij dit nodig acht bijkomende maatregelen in verband met de veiligheid kan opleggen aan de beheerder van de spoorweginfrastructuur. Volgens artikel 10 moet over elk exploitatieongeval een speciaal ongevallenverslag worden opgesteld dat aan het Bestuur wordt overgemaakt. In geval van een ernstig ongeval, worden de Minister en zijn gemachtigde onmiddellijk op de hoogte gebracht. In geval van een ernstig ongeval voert één van de autonome organismen, meer bepaald het Instituut van de Spoorwegen, met de steun van experts een onderzoek en stelt een rapport op dat wordt meegedeeld aan de Minister en aan de spoorweginfrastructuurbeheerder. Met ernstige ongevallen worden ongevallen bedoeld met doden of zwaargewonden, ongevallen met gevaarlijke goederen of ongevallen die een aanzienlijke onderbreking van het spoorverkeer veroorzaken. Dergelijke speciale verslagen moeten de Minister eveneens toelaten de gegrondheid van de bestaande regels te beoordelen of zelfs bijkomende regels op te leggen aan de beheerder van de spoorweginfrastructuur zoals hierboven wordt uiteengezet. Artikel 11 voorziet ten slotte in een procedure die moet worden toegepast om het herstel van de normale toestand te verzekeren in geval van een verstoring van het spoorverkeer, alsook in de bepalingen waarin het algemeen noodplan moet voorzien. Afdeling III. - Vergunningen Deze afdeling, waarvan de inhoud reeds voorkomt in de huidige reglementering, bepaalt de bevoegde overheid voor het toelaten van de installatie van verkrijgers op of in de nabijheid van de spoorweginfrastructuur. De term « verkrijgers » slaat inzonderheid op de begrippen kabels, leidingen, goten, greppels of waterleidingen van eender welke aard. HOOFDSTUK IV. - Toegangs- en doorvoerrechten op de spoorweginfrastructuur Dit hoofdstuk bestaat uit een afdeling over het toegangsrecht, een afdeling over het recht van doorvoer en een afdeling dat de diensten beschrijft die als aanvulling van deze rechten moeten worden geleverd. Afdeling I. - Het toegangsrecht Met inbegrip van de NMBS die reeds bezitter en gebruiker van het net is, blijven de toegangs- en doorvoerrechten op de Belgische spoorweginfrastructuur van kracht die door de huidige reglementering worden erkend ten overstaan van spoorwegondernemingen en internationale samenwerkingsverbanden van spoorwegbedrijven die zijn gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie. Zoals wordt opgelegd door Richtlijn 2001/12/EG, verleent artikel 13, § 3, aan spoorwegondernemingen wat het internationaal vervoer van goederen betreft bovendien toegangsrecht op het Belgische deel van het Trans-Europees netwerk voor goederenvervoer per spoor (T.E.N.G.S.), dat in bijlage I wordt beschreven. Vanaf 15 maart 2008 wordt dit toegangsrecht uitgebreid tot de gehele Belgische spoorweginfrastructuur. Afdeling II. - Recht van doorvoer Een recht van doorvoer wordt toegekend aan internationale samenwerkingsverbanden van spoorwegondernemingen die gevestigd zijn in een lidstaat van de Europese Unie, wat het internationaal vervoer van reizigers en goederen betreft. Met « spoorwegonderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie » bedoelt men elke spoorwegonderneming die in één van deze staten een exploitatiezetel heeft. Afdeling III. - Diensten die aan de spoorwegondernemingen moeten geleverd worden De bijkomende diensten van het toegangs- en doorvoerrecht worden beschreven in bijlage II. Het betreft verschillende diensten zoals, bijvoorbeeld, de toegang tot onderhoudscentra, rangeerstations, vormingsstations, de levering van brandstof. HOOFDSTUK V. - Spoorvergunning Hoofdstuk IV is gewijd aan de spoorwegvergunning. Afdeling 1 behandelt algemene bepalingen, afdeling 2 de modaliteiten van de afgifte, afdeling 3 de voorwaarden van de afgifte en afdeling 4 de geldigheidsvoorwaarden. Afdeling I. - Algemeen Artikel 19 is gewijd aan het principe dat zegt dat elke spoorwegonderneming in het bezit moet zijn van een vergunning en uiteraard ook aan andere voorwaarden moet voldoen om toegang of recht van doorvoer te hebben op de Belgische spoorweginfrastructuur. Deze vergunning kan worden afgeleverd door elke bevoegde overheid van één van de lidstaten van de Europee Unie. Bovendien werd bepaald dat de vergunning een noodzakelijke voorwaarde is, maar niet volstaat om de Belgische spoorweginfrastructuur te mogen gebruiken. De spoorwegonderneming moet ook in het bezit zijn van een veiligheidscertificaat waarvan de voorwaarden om het te verkrijgen bepaald worden door het soort dienst dat wordt verleend en de infrastructuur die ter beschikking wordt gesteld (cfr. Hoofdstuk VI) en moet zij ook een infrastructuurcapaciteit toegekend krijgen vanwege de Spoordienst (cfr. hoofdstuk VIII). Ten slotte wordt de verplichting verduidelijkt om de Spoordienst en de Europese Commissie op de hoogte te brengen van elke beslissing terzake. Afdeling II. - Afgifte van de vergunning De spoorwegonderneming, die een exploitatiezetel heeft in België en nog niet beschikt over een vergunning die wordt afgeleverd door een bevoegde overheid van één van de lidstaten van de Europese Unie, moet, als ze spoorvervoeractiviteiten wenst uit te oefenen op de Belgische infrastructuur, een vergunning aanvragen aan de Minister die bevoegd is voor spoorvervoer of aan zijn gemachtigde. Wat betreft de buitenlandse bedrijven die daadwerkelijk spoorvervoeractiviteiten willen uitoefenen, wordt onder exploitatiezetel elk « filiaal » zoals bedoeld in artikel 81 van het Wetboek van vennootschappen. In artikel 21 wordt uiteengezet dat de modaliteiten inzake de afgifte, schorsing en intrekking van de vergunning zullen worden bepaald in een later koninklijk besluit. Krachtens artikel 22 wordt de vergunning afgegeven door de Minister binnen negentig dagen na ontvangst van alle documenten die bewijzen dat aan alle voorwaarden voor afgifte voldaan is. In artikel 23 wordt uiteengezet dat de vergunning slechts geldig is voor een bepaald type vervoerdiensten. Zo verschillen de voorwaarden voor vervoer van reizigers of van goederen, vervoer over een hogesnelheidslijn, een conventionele lijn of een lijn binnen het R.T.E.F.F.. Ten slotte mag de vergunning niet worden verkocht of verhuurd. Afdeling III. - Voorwaarden voor de afgifte van de vergunning Om adequate en betrouwbare diensten te kunnen garanderen moet de spoorwegonderneming op gelijk welk moment voldoen aan een aantal vereisten inzake financiële draagkracht, professionele bekwaamheid, eerbaarheid en dekking van burgerlijke aansprakelijkheid. Krachtens artikel 24 moet de vergunningaanvrager aan de Minister kunnen bewijzen dat hij voldoet aan de voorwaarden voor afgifte. Aldus werd rekening gehouden met de opmerking van de Raad van State betreffende de onmogelijkheid van het overdragen van deze bevoegdheid. In artikel 25 wordt uiteengezet dat het voldoen aan de financiële voorwaarden kan worden aangetoond door het voorleggen van de documenten die worden bedoeld in bijlage III en waarvan de juistheid wordt bevestigd door een bedrijfsrevisor die lid is van het Instituut voor bedrijfsrevisoren of een gelijkwaardig orgaan dat erkend wordt door een andere lidstaat van de Europese Unie. Die documenten omvatten meer bepaald de jaarrekeningen, het ondernemingsplan (met inbegrip van prestaties, roerende en onroerende goederen, rollend materieel, personeel, vooruitzichten inzake ontvangsten en uitgaven,...) en een financieringsplan. Binnen de vervoersector is de financiële draagkracht van een onderneming, als indicator van economische stabiliteit van de onderneming, belangrijk voor de continuïteit van de prestaties en draagt bij tot het naleven van de veiligheidsvoorschriften. Overeenkomstig artikel 26 worden de vereisten inzake professionele bekwaamheid opgesteld in functie van het personeel, de organisatie en het materieel waarover de onderneming zal beschikken; ze komen overeen met wat gangbaar is in andere vervoersectoren. De kwaliteit van materieel, personeel en organisatie moeten rechtstreeks overeenkomen met de diensten die de onderneming wil leveren. Bovendien, aangezien spoorvervoer massavervoer is, dat ook door woongebieden rijdt, is het noodzakelijk een hoog veiligheidsniveau te garanderen door hoge eisen te stellen aan de professionele bekwaamheid. In bijlage IV wordt uiteengezet welke informatie de aanvrager moet voorleggen om te bewijzen dat hij voldoet aan deze vereisten. Inzake dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid moet de aanvrager bewijzen dat hij financieel sterk genoeg staat om alle schade te vergoeden die eventueel wordt aangericht aan zijn cliënteel, aan de spoorweginfrastructuurbeheerder, of aan derden. Wat betreft eerbaarheid wordt in artikel 28 bepaald dat de personen die instaan voor het dagelijks beheer van de onderneming die de vergunning aanvraagt, alsook alle personen die verantwoordelijk zijn voor een exploitatiezetel, geen handelsverbod mogen hebben gekregen of een gerechtelijke veroordeling voor inbreuk op het sociaal, fiscaal of vervoersrecht of voor misdaden en delicten tegen het algemeen recht zoals valsmunterij, valsheden en het gebruik ervan, diefstal, fraude, bankroet, frauduleuze insolvabiliteit, misbruik van vertrouwen, oplichterij of heling. Deze bepaling werd gewijzigd teneinde het artikel 6 van de Richtlijn 95/15/18/EG, zoals gewijzigd door de Richtlijn 2001/13/EG volledig om te zetten, zoals werd voorgesteld door de Raad van State. Deze bepaling werd bovendien gereorganiseerd teneinde in de eerste plaats de volledige opsomming van de voorwaarden betreffende eerbaarheid te geven en, vervolgens, de regels vast te leggen met betrekking tot de documenten die het bewijs leveren dat aan deze voorwaarden is voldaan. Afdeling IV. - Geldigheid van de vergunning In deze afdeling wordt de geldigheidsperiode van de vergunning bepaald en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om ze geldig te laten blijven, alsook de voorwaarden voor schorsing, wijziging of intrekking van de vergunning. Krachtens artikel 30 moet de vergunning elke vijf jaar volledig opnieuw worden onderzocht. De Minister moet kunnen beschikken over negentig dagen om het dossier te onderzoeken. De documenten moeten telkens drie maanden voor het verstrijken van de periode van vijf jaar worden ingediend. Er wordt ook in voorzien dat de Minister op gelijk welk moment opnieuw mag onderzoeken of voldaan wordt aan de voorwaarden voor afgifte van de vergunning, van zodra er bijvoorbeeld ernstige twijfel bestaat rond de toestand van de onderneming. In artikel 31 wordt uiteengezet dat de vergunning wordt ingetrokken of geschorst, door de Minister, wanneer de houder niet meer voldoet aan de voorwaarden inzake financiële draagkracht, professionele bekwaamheid, eerbaarheid of dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid. De Minister mag ook beslissen de vergunning te schorsen wanneer de houder gedurende zes opeenvolgende maanden de diensten die beschreven worden in de vergunning onderbreekt. Hetzelfde geldt wanneer hij zijn activiteiten nog niet heeft gestart zes maanden na de in de vergunning voorziene datum en indien, wanneer er een wijziging is inzake de rechtstoestand van de onderneming, de houder geen nieuwe aanvraag indient binnen de vijftien dagen nadat de Minister het hem heeft gevraagd. Aldus werd rekening gehouden met het advies van de Raad van State betreffende de onmogelijkheid van het overdragen van deze bevoegdheid. Niettemin kunnen sommige specifieke diensten, met een ingewikkeldere inwerkingstelling, een langere aanloopperiode genieten. Volgens artikel 32 kan de onderneming bij een fusie, een opslorping of een overname haar activiteiten verder zetten tenzij de veiligheid in het gedrang komt. Er kan door de minister een nieuwe vergunning worden opgelegd. Artikel 33 voorziet de schorsing of de intrekking van de vergunning als er niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden inzake financiële draagkracht. Het artikel zegt wel dat de Minister een voorlopige vergunning, geldig voor zes maanden, mag afleveren, zolang de veiligheid kan worden gegarandeerd. Door deze mogelijkheid kan een onderneming de kans krijgen economisch gezien weer gezond te worden, wat niet kan als haar activiteiten worden stopgezet. Als een spoorwegonderneming in een insolvabiliteitprocedure zit of in een andere gelijkaardige procedure en de Minister ervan overtuigd is dat de toestand van de onderneming geen financieel herstel meer toelaat binnen een redelijke termijn, dan heeft de Minister de mogelijkheid de vergunning in te trekken. De artikelen 32 en 33 werden gewijzigd teneinde rekening te houden met de opmerkingen van de Raad van State met betrekking tot de samenhang van deze bepalingen en met betrekking tot de eerbiediging van het principe van de eenheid van de uitvoerende macht, op grond waarvan de overdrachten die aanvankelijk waren voorzien, niet toegelaten zijn. Artikel 34 voorziet dat er ook een procedure is voor de herziening van de geldigheidsvoorwaarden van de vergunning vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar wanneer de spoorwegonderneming van plan is haar activiteiten uit te breiden of te wijzigen. Ten slotte voorziet artikel 36 de betaling van een jaarlijkse heffing die ten laste valt van de houders van de spoorvergunningen die in België worden afgegeven; de modaliteiten hiervan zullen worden vastgelegd bij een later koninklijk besluit. HOOFDSTUK VI. - Veiligheidsattest voor spoorvervoer Dit hoofdstuk bestaat uit drie afdelingen : de eerste betreft algemeenheden, de tweede de geschiktheid van het materieel en de derde de geschiktheid van het personeel om de spoorweginfrastructuur te gebruiken. Afdeling I. - Algemeen Artikel 37 stelt het basisprincipe volgens hetwelk, om te mogen rijden op de gehele Belgische spoorweginfrastructuur, ongeacht het type spoordienst dat wordt verleend, elke Belgische of buitenlandse spoorwegonderneming met een openbaar of privé-statuut moet beschikken over een veiligheidsattest dat geldig is voor een of meerdere types vervoerdiensten en voor de vastgelegde trajecten. Dit attest wordt afgegeven door de Minister; de modaliteiten voor de afgifte zullen worden vastgelegd in een later koninklijk besluit. Het technisch advies van de infrastructuurbeheerder is noodzakelijk om de minister of zijn gemachtigde in staat te stellen zich met kennis van zaken uit te spreken over het plan inzake veiligheid bij de exploitatie. Wat betreft de voorwaarden voor afgifte moet de aanvrager aantonen dat de veiligheidsvoorschriften bedoeld in artikel 4, volledig worden nageleefd en, bijgevolg, het personeel en het gebruikte materieel geschikt zijn om gebruik te maken van de infrastructuur. Ten slotte geldt er voor dit attest, dat elke drie jaar door de Minister opnieuw wordt onderzocht, een jaarlijkse heffing waarvan de modaliteiten inzake het vastleggen en de betaling van het bedrag zullen worden bepaald bij een later koninklijk besluit (artikelen 46 en 47). Afdeling II. - Geschiktheid van het materieel Het rollend materieel moet voldoen aan de technische normen en reglementering inzake veiligheid bedoeld in artikel 4. Volgens artikel 40 controleert het Bestuur die geschiktheid alvorens het materieel in gebruik wordt genomen, alsook ook de veiligheidsinrichtingen; hierbij kan het rekenen op de technische ondersteuning vanwege de spoorweginfrastructuurbeheerder. Onder « veiligheidsinrichtingen » wordt verstaan : alle onderdelen van het materieel die rechtstreeks in verband staan of kunnen staan met de veiligheid. Voor situaties waarbij er gevaar is voor de veiligheid van het spoorvervoer voorziet artikel 41 een noodprocedure waarbij alle verkeer wordt verboden en de minister, zijn gemachtigde en het Instituut van de spoorwegen worden ingelicht. Het verbod wil echter niet zeggen dat de spoorwegonderneming zich kan ontdoen van haar verantwoordelijkheid. Deze bepaling werd aangevuld teneinde rekening te houden met het advies van de Raad van State betreffende de noodzaak om dit verbod te doen bevestigen door de Minister, bij gebreke waaraan dit verbod zal opgeheven worden. De kosten die voortvloeien uit deze controle en deze procedure vallen ten laste van de spoorwegonderneming volgens de modaliteiten die zullen worden bepaald in een later koninklijk besluit. Afdeling III. - Geschiktheid van het personeel Het personeel dat de treinen bestuurt en begeleidt moet fysisch en psychisch geschikt zijn en vooraf een opleiding hebben genoten, zoals voorzien in de veiligheidsvoorschriften bedoeld in artikel 4, § 1. Het Bestuur controleert of aan de veiligheidsvereisten wordt voldaan op basis van erkenningsvoorwaarden die zullen worden vastgelegd in een later koninklijk besluit. Het is de bedoeling van de regering om door middel van een besluit de opleiding te erkennen die momenteel door de NMBS wordt verstrekt in verband met de geschiktheid om de spoorweginfrastructuur te gebruiken en deze te doen bekrachtigen door een examen dat wordt ingericht onder toezicht van de administratie van het vervoer te land. Het is onontbeerlijk de opleidingen die momenteel door de NMBS worden verstrekt open te stellen voor personen die niet aan de NMBS verbonden zijn. Het slagen voor dit examen zal een recht in het leven roepen, een echt rijbewijs, om op de spoorweginfrastructuur te rijden en dit los van elke band met de NMBS. Wanneer er gevaar is voor de veiligheid van het spoorvervoer is er ook een noodprocedure voorzien waarbij de spoorweginfrastructuurbeheerder aan alle bestuurders alle verkeer mag verbieden. In dat geval voorziet artikel 44 dat hij, indien mogelijk onmiddellijk, maar ten laatste binnen de 24 uur, de Minister of zijn gemachtigde moet inlichten, alsook het Instituut. Na een onderzoek kan het verkeersverbod worden opgeheven, maar het moet binnen de drie dagen door de Minister worden bevestigd om te kunnen worden verder gezet. Ten slotte vallen de kosten die door het Bestuur of de beheerder van de spoorweginfrastructuur worden gemaakt met betrekking tot het nazicht of de procedures ten laste van de spoorwegonderneming volgens de modaliteiten die zullen worden vastgelegd in een later koninklijk besluit. Er werd rekening gehouden met het advies van de Raad van State betreffende artikel 44 (materiële vergissing). HOOFDSTUK VII. - Netverklaring Krachtens artikel 48 en bijlage V worden de kenmerken van de infrastructuur en de voorwaarden en gegevens om er toegang toe te hebben opgenomen in een netverklaring, die, na advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder en de betrokken spoorwegondernemingen, wordt opgesteld door de Spoordienst. Overeenkomstig het advies van de Raad van State voorziet dit artikel in de verplichting van goedkeuring van dit document door de bevoegde Minister, gelet op het reglementair karakter ervan. HOOFDSTUK VIII. - Capaciteitstoewijzing Dit hoofdstuk omvat een afdeling met betrekking tot de toewijzingsprincipes en een afdeling waarin de toewijzingsprocedure wordt uiteengezet. Afdeling I. - Beginselen van de toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit In artikel 52 wordt uiteengezet dat de toewijzingsprincipes en procedures zullen worden bepaald bij een in de Ministerraad goedgekeurd koninklijk besluit. Hetzelfde geldt voor wat betreft de prioriteiten die moeten worden gegeven in het kader van het toewijzingsproces. Vandaar dat de NMBS de opdracht van openbare dienst met betrekking tot binnenlands vervoer van reizigers heeft krachtens artikel 156, 1ste lid van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten waarbij een treinkonvooi dat gebruikt maakt van een specifieke infrastructuur of van hogesnelheidsinfrastructuur een bepaalde prioriteit kan krijgen om beter te kunnen beantwoorden aan mobiliteitsbehoefte. Inzake de toewijzing van de infrastructuurcapaciteit kan het advies van de Spoordienst en van de spoorweginfrastructuurbeheerder worden gevraagd vanuit een technisch standpunt. Artikel 53 betreffende het principe van capaciteitstoewijzing werd gewijzigd teneinde rekening te houden met het advies van de Raad van State met betrekking tot een betere omzetting van artikel 22, § 3, van de Richtlijn 2001/14/EG. Krachtens artikel 55, § 1, wordt het recht om gebruik te maken van een infrastructuurcapaciteit toegekend voor een duur die overeenkomt met één enkele geldigheidsperiode van de dienstregeling van de treinen. Dat recht kan echter wel voor langer dan één bepaalde periode worden verleend op voorwaarde dat er een kaderovereenkomst wordt gesloten tussen de gebruiker en het organisme dat instaat voor de toewijzing. In deze kaderovereenkomst worden de contractuele rechten en plichten van de ondertekenende partijen vastgelegd. Parallel met deze kaderovereenkomst sluiten de spoorwegondernemingen en de internationale samenwerkingsverbanden ook overeenkomsten met de beheerder van de spoorweginfrastructuur, met de bedoeling de contractuele verplichtingen van elke partij te bepalen inzake het gebruik van de infrastructuur. Deze « contracten voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur », ook administratieve, technische en financiële overeenkomsten genoemd, die worden afgesloten met de spoorweginfrastructuurbeheerder, mogen niet worden verward met de bovenvermelde kaderovereenkomsten die worden afgesloten met de Spoordienst. Wanneer er op de infrastructuur onderhoudswerken moeten worden uitgevoerd, schrijft de Spoordienst ze in het toewijzingsproces, rekening houdend met de reeds geprogrammeerde capaciteitsreserveringen. Wanneer er zich een technisch defect voordoet bij het spoorverkeer, werkt de Spoordienst samen met de infrastructuurbeheerder om het zo snel mogelijk te verhelpen, maar hij kan, wanneer het absoluut noodzakelijk is en er geen enkele onmiddellijke oplossing gevonden wordt, de reeds toegekende treinpaden schrappen. Er werd rekening gehouden met het advies van de Raad van State en artikel 57, § 2, werd gewijzigd zoals voorgesteld teneinde rekening te houden met de bepalingen van artikel 29 van de Richtlijn 2001/14/EG. Daarentegen werd geen rekening gehouden met opmerking dat de tweede zin van artikel 29, § 1, van de Richtlijn 2001/14/EGE niet werd omgezet, nu dit reeds gebeurde in artikel 11, alinea 2. Afdeling II. - Toewijzingsprocedure Elke spoorwegonderneming, met een openbaar of privé statuut, met een exploitatiezetel in een lidstaat van de Europese Unie, die een vergunning heeft en gebruik wenst te maken van de Belgische spoorweginfrastructuur, moet vooraf bij de Spoordienst een aanvraag indienen voor infrastructuurcapaciteit wanneer het vertrekpunt van de spoordienst zich op Belgisch grondgebied bevindt. Artikel 58, § 1, werd aangevuld teneinde rekening te houden met het advies van de Raad van State betreffende de afwezigheid van omzetting van artikel 20, § 3, van de Richtlijn 2001/14/EG. Krachtens artikel 58, § 2, werkt de Spoordienst samen met de organismen die in andere lidstaten instaan voor de toewijzing van de capaciteit, met de bedoeling de aanvragen te verdelen die worden ingediend voor infrastructuurcapaciteit voor internationaal spoorvervoer. In het kader van deze samenwerking wordt de Spoordienst in staat gesteld te handelen voor rekening van de kandidaat-aanvrager. Er zijn coördinatieprocedures voorzien voor het geval er sprake is van concurrerende aanvragen en verzadiging van de infrastructuur. Artikel 60, § 3, werd gewijzigd teneinde rekening te houden met de opmerkingen van de Raad van State met betrekking tot de volledige omzetting van de artikelen 25, 26, § 2 en 3, en 27 van de Richtlijn 2001/14/EG. HOOFDSTUK IX. - Heffingen voor het gebruik van de infrastructuur In artikel 61 wordt uiteengezet dat in een in de Ministerraad goedgekeurd koninklijk besluit de regels voor het berekenen van de heffingen zullen worden bepaald. Aldus werd rekening gehouden met het advies van de Raad van State waarin werd onderlijnd dat de Koning over een exclusieve bevoegdheid beschikt in deze materie. Krachtens de Richtlijn 2001/14/EG moet de tarifering inzake de heffingen voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur worden vastgelegd door een organisme dat onafhankelijk is van elke spoorwegonderneming en van de spoorweginfrastructuurbeheerder als die verbonden is aan de spoorwegonderneming. De barema's en de methodes voor de berekening van de gebruiksheffingen zijn opgenomen in de netverklaring. De Spoordienst moet erop toezien dat deze heffingen ook werkelijk volgens deze barema's worden gefactureerd. De heffing kan ook modulair worden toegepast om rekening te houden met de impact van de exploitatie van het spoorvervoer op het milieu. De bijkomende diensten bij het recht van toegang en van doorvoer worden niet in beschouwing genomen bij de berekening van de heffing en worden via een specifieke facturatie verrekend. Kortingstructuren die gelden voor alle infrastructuurgebruikers kunnen ook worden ingevoerd bij een later koninklijk besluit, met de bedoeling de ontwikkeling van nieuwe spoorwegdiensten of intensiever gebruik van bepaalde spoorlijnen aan te moedigen. Er werd rekening gehouden met de opmerking van de Raad van State betreffende de omzetting van artikel 9, § 5, van de Richtlijn 2001/14/EG (artikel 63, alinea 5). Bovendien kan een compensatiestelsel voor milieukosten, kosten ten gevolge van ongevallen en infrastructuurkosten die niet voorkomen bij concurrerende transportmodi worden ingevoerd bij een koninklijk besluit van zodra deze kosten hoger zijn dan de overeenkomstige kosten bij spoorvervoer. Alinea 6 van artikel 63 met betrekking tot dit stelsel werd gewijzigd teneinde rekening te houden met de opmerkingen van de Raad van State over de volledige omzetting van artikel 10, § 3, van de Richtlijn 2001/14/EG. Ten slotte zullen bij een in de Ministerraad goedgekeurd koninklijk besluit de procedures en reglementeringen worden goedgekeurd voor de toewijzing van de heffingen op het gebruik van de spoorweginfrastructuur tussen de Spoordienst en het Instituut van de spoorwegen, met de bedoeling de werkingskosten van deze twee onafhankelijke organismen te dekken. De beheerder van de spoorweginfrastructuur, die de heffingen int, moet aan deze twee organismen het deel dat hen toekomt overmaken (art. 66). Artikel 64 werd gewijzigd teneinde rekening te houden met de opmerkingen van de Raad van State. Het systeem in kwestie stemt immers duidelijk overeen met het systeem van verbetering van de prestaties zoals gedefinieerd in artikel 11, § 1, van de Richtlijn 2001/14/EG. Artikel 65 werd gewijzigd teneinde rekening te houden met de opmerking van de Raad van State betreffende de onvolledige omzetting van artikel 12 van de Richtlijn 2001/14/EG. In de nieuwe formulering van artikel 61 werd rekening gehouden met de opmerking van de Raad van State betreffende artikel 66. HOOFDSTUK X. - Spoordienst voor toewijzing en heffing van rechten Om optimaal gebruik te maken van de spoorweginfrastructuur is het nodig maatregelen te nemen om de markt open te stellen; een van de stappen die hierbij moeten worden genomen is het rechtstreeks raadplegen van de spoorwegondernemingen bij de procedure inzake toewijzing en tarifering van de infrastructuurcapaciteit. Deze systemen voor de heffing van rechten en het toewijzen van de capaciteit moeten eigenlijk aan alle ondernemingen een gelijke en niet-discriminerende toegang verlenen tot de spoorweginfrastructuur. De Richtlijn 2001/14/EG bepaalt in artikelen 4.2 en 14.2 dat de lidstaten waarvan de beheerder van de spoorweginfrastructuur op juridisch, organisatorisch vlak en op het vlak van beslissingen niet onafhankelijk is van de spoorwegondernemingen, een onafhankelijk organisme moeten oprichten dat belast is met de heffing van rechten en de toewijzing van de infrastructuurcapaciteit. Aangezien België ervoor kiest de eenheid van de NMBS te behouden, waarbij deze maatschappij tegelijk spoorwegonderneming en spoorweginfrastructuurbeheerder is, moet er een dergelijk autonoom organisme worden opgericht, dat onafhankelijk is en als rechtspersoon de volgende benaming krijgt : « Spoordienst belast met de toewijzing en de heffing van rechten ». Afdeling I. - Algemeen Artikel 67 is gewijd aan de oprichting van een dergelijk organisme door toepassing van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instanties van openbaar nut. Het gaat hier over een instantie van openbaar nut van categorie A. Afdeling II. - Directiecomité De Spoordienst is samengesteld uit een directiecomité dat belast is met alle handelingen die noodzakelijk of van nut zijn voor de uitoefening van zijn bevoegdheden; de 4 leden van dit comité, met inbegrip van de voorzitter, worden benoemd en afgezet bij een in de Ministerraad goedgekeurd koninklijk besluit. Alle voorwaarden van benoeming en afzetting van de leden van het directiecomité zijn vastgelegd in het ontwerp, overeenkomstig de wens van de Raad van State. Afdeling III. - De personeelsleden Dit organisme bestaat ook uit personeelsleden. Ze kunnen worden overgeheveld vanuit de NMBS, maar met behoud van hun administratieve en geldelijke toestand. Om de onafhankelijkheid van deze Spoordienst te garanderen wordt voorzien en gegarandeerd dat elke juridische band met de NMBS wordt verbroken. Afdeling IV. - Bevoegdheden De Spoordienst heeft als belangrijkste opdracht er op autonome wijze op toe te zien dat het stelsel voor de heffing van de rechten en de toewijzing van de capaciteit op niet-discriminerende wijze wordt toegepast voor alle spoorwegondernemingen en ook toe te zien op de conformiteit van de principes voor het vastleggen van deze heffingen en deze capaciteit. Hij aanvaardt de netverklaring waarvan sprake in hoofdstuk VII. Het laatste punt van artikel 72 werd gewijzigd teneinde rekening te houden met de opmerking van de Raad van State in die zin dat de bevoegdheid van de Spoordienst wordt vastgesteld met verwijzing naar de reglementerende bevoegdheid die aan de Koning wordt toegekend in de artikelen 52 en 61. Afdeling V. - Werkingskosten In artikel 73 wordt financiële autonomie toegekend aan de Spoordienst om ervoor te zorgen dat hij volledig onafhankelijk de hem toegewezen opdrachten kan volbrengen; hierbij worden de werkingskosten gedekt door het deel van de spoorheffingen dat hem toekomt krachtens artikel 66. In dit artikel wordt bepaald dat de Spoordienst hetzelfde fiscaal stelsel heeft dat wordt toegepast op andere organismen van de Staat. Afdeling VI. - Allerhande bepalingen Artikel 75 voorziet dat er een systeem wordt opgesteld voor het regelen van geschillen die optreden bij concurrerende capaciteitsaanvragen en die niet door coördinatie kunnen worden opgelost. Artikel 76 voorziet dat de Spoordienst elk jaar aan de minister een verslag zal voorleggen met betrekking tot zijn activiteiten. De Spoordienst zal elk jaar een beheersplan bekendmaken waarin hij melding maakt van de verschillende activiteiten die hij van plan is te ondernemen. Artikel 77 regelt ook de controle op het budget en de rekeningen van de Spoordienst. De controlebevoegdheid van de ministers van Begroting en van Financiën zal worden bepaald volgens de modaliteiten die daartoe in een later koninklijk besluit zullen worden vastgelegd. HOOFDSTUK XI. - Instituut van de Spoorwegen Het efficiënt beheer en billijk en niet-discriminerend gebruik van de spoorweginfrastructuur vereisen dat er een controleorganisme wordt opgericht dat moet toezien op de toepassing van de reglementen van de gemeenschap. De Richtlijn 2001/14 bepaalt in artikel 30 dat de lidstaten een controleorganisme moeten oprichten dat onafhankelijk moet zijn van de infrastructuurbeheerders, van de organismen voor de heffing van rechten en van de spoorwegondernemingen, dit op organisatorisch, juridisch vlak en op het vlak van beslissingen, ook wat betreft beslissingen inzake financiële aangelegenheden. Afdeling I. - Algemeen Er wordt dus voorzien dat er een autonoom organisme wordt opgericht, dat onafhankelijk is van de spoorweginfrastructuurbeheerder en van de Spoordienst die instaat voor de toewijzing en de heffing van rechten, dat optreedt als een rechtspersoon en waarvan de organisatie wordt geregeld door de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instanties van openbaar nut. De Spoordienst is volgens deze wet een parastatale type A. Overeenkomstig de organisatie die in dit regelorgaan wordt toegepast, vallen de uitvoering en de controle op de uitvoering van de reglementering enkel onder de bevoegdheid van het Instituut. De belangrijke beslissingen met betrekking tot de organisatie van het regelorgaan zelf, zoals de benoeming van de leden van het Directiecomité, de modaliteiten en de voorwaarden voor het vastleggen van het administratief, geldelijk en sociaal statuut, vallen op hun beurt onder de bevoegdheid van de Ministerraad, zodat er kan worden voor gezorgd dat de uitvoerende macht politiek verantwoordelijk blijft, wat overigens perfect te combineren is met het begrip onafhankelijkheid voor het Instituut zoals voorgeschreven in de Richtlijn 2001/1 4. Het Instituut is samengesteld uit een Controlecomité en een Raadgevend comité. Afdeling II. - Controlecomité Het Controlecomité, dat belast is met het beheer van de werking van het Instituut en het uitvoeren van de opdrachten van het Instituut, bestaat uit een directeur, een adjunct-directeur en deskundigen waarvan het aantal wordt vastgelegd bij een later koninklijk besluit dat zal worden goedgekeurd in de Ministerraad. Hun benoeming is gebaseerd op hun bekwaamheid, hun integriteit en hun onafhankelijkheid. Rekening houdend met de opmerkingen van de Raad van State werden alle voorwaarden van benoeming en afzetting vastgelegd in het ontwerp. In artikel 82 worden de opdrachten (advies - controle) van het Controlecomité, die kunnen worden samengevat als een raadgevende opdracht bij de openbare overheden en, vooral, als een algemene opdracht van toezicht op de toepassing van de wetten en reglementen met betrekking tot de organisatie en de werking van de markt van het spoorvervoer. In het kader van zijn opdracht van advies, wordt van het Instituut verwacht dat het studies uitvoert naar de werking van de markt van het spoorvervoer of dat het advies geeft, op aanvraag van de minister die bevoegd is inzake spoorvervoer, met betrekking tot de geldende regels wat betreft vergunning, veiligheid attest, vastleggen van de heffingen, toewijzing van de treinpaden of het vastleggen van de normen en regels inzake veiligheid. In het tweede lid van artikel 82 worden de controleopdrachten van het Comité uiteengezet. Het moet meer bepaald zonder verwijl het advies inroepen van de Mededingingsraad bij inbreuken op de reglementering inzake concurrentie of op de voorschriften van dit besluit. Afdeling III. - Raadgevend Comité In artikel 83 wordt uiteengezet dat de samenstelling en de werking van het raadgevend comité bepaald worden bij koninklijk besluit. Het moet bestaan uit afgevaardigden van de Federale Regering, afgevaardigden van de organisaties die de medewerkers vertegenwoordigen die zetelen in de Nationale Arbeidsraad, van de werkgevers, van de middenstand, van milieuverenigingen, van de beheerder van de spoorweginfrastructuur en van de spoorgebruikers en spoorwegondernemingen. De rol van het comité bestaat er algemeen gezien in advies te geven op elke vraag die wordt voorgelegd door het Controlecomité, door de minister of uit eigen initiatief. Afdeling IV. - Personeel van het Instituut Krachtens artikel 85 is het Instituut ook samengesteld uit personeelsleden. Ze kunnen worden overgeheveld vanuit de NMBS, maar met behoud van hun administratieve en geldelijke toestand. Om de onafhankelijkheid van het Instituut te garanderen is voorzien en gegarandeerd dat elke juridische band met de NMBS wordt verbroken. Afdeling V. - Werkingskosten Artikel 87 kent financiële autonomie toe aan het Instituut, zodat het de opdrachten die het toegewezen krijgt in volledige onafhankelijkheid kan volbrengen. In het derde lid worden de financieringsbronnen vermeld waarvan het Instituut kan genieten. In werkelijkheid zullen de activiteiten van het Instituut voornamelijk worden gefinancierd door het deel van de heffingen waar het recht op heeft krachtens artikel 66. Dit artikel bepaalt dat het Instituut hetzelfde fiscale stelsel heeft dat wordt toegepast bij andere organismen van de Staat. Afdeling VI. - Allerhande bepalingen Artikel 89 voorziet dat het Instituut elk jaar aan de minister een verslag zal voorleggen met betrekking tot zijn activiteiten. Het Instituut werkt een jaarlijks beheersplan uit waarin het melding maakt van de activiteiten voor de toekomst en de middelen die het daartoe zal inzetten. Dit artikel regelt ook de controle op het budget en de rekeningen van het Instituut. HOOFDSTUK XII. - Aanhangigmaking bij de mededingingsraad Artikel 91 behandelt de aanhangigmaking van de Mededingingsraad door een kandidaat of door gelijk welke spoorwegonderneming wanneer er sprake is van een onbillijke behandeling of van discriminatie vanwege de beheerder van de spoorweginfrastructuur, de Spoordienst of de minister of zijn gemachtigde. De klacht wordt weliswaar beperkt tot de aangelegenheden die beperkend zijn opgesomd in artikel 91, 2de lid. Overeenkomstig het voorstel van de Raad van State, werd bepaald dat het geheel van deze verhaalmiddelen de bestreden beslissingen niet zal opschorten. De Raad kan bewarende maatregelen nemen in welbepaalde gevallen of een administratieve boete uitspreken tegen de partij die nalaat zich te houden aan de beslissing die de raad heeft genomen. Artikel 92 gaat over de samenstelling van de Mededingingsraad wanneer deze zetelt bij spooraangelegenheden. De samenstelling ervan wordt dan uitgebreid tot drie leden die worden aangeduid bij een in de Ministerraad goedgekeurd besluit, op basis van hun bekwaamheid inzake spooraangelegenheden. HOOFDSTUK XIII. - Beroep Artikel 95 voorziet dat er een beroep bij het Hof van Beroep te Brussel kan worden aangegaan tegen de beslissingen van de Kamer van beroep inzake spoorwegen. Om efficiënt en snel te werk te kunnen gaan doet het Hof van Beroep uitspraak zoals in kortgeding. In het tweede lid wordt uiteengezet dat het beroep niet schorsend is, tenzij het Hof er anders over beslist. HOOFDSTUK XIV. - Onderzoek en vaststelling van de overtredingen Aangezien de inbreuken tegen dit besluit (hoofdstukken III tot VII) en tegen de uitvoeringsbesluiten (de Raad van State merkte op dat dit voorheen over het hoofd werd gezien) strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, voorziet artikel 96 dat de controle-instanties van het Bestuur en van het Instituut bij koninklijk besluit de hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie kunnen krijgen. Deze hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie machtigt hen om een onderzoek in te stellen binnen hun opdracht van controle en inspectie en om, indien nodig, een beroep te doen op de openbare macht. Dergelijke voorrechten zijn in feite noodzakelijk als men wil dat er volstrekte veiligheid voor de spoorweg wordt gegarandeerd. Ten slotte worden deze instanties onderworpen aan het toezicht van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep. Het artikel 97 werd geformuleerd om rekening houden met de opmerkingen van de Raad van State over de voorwaarden van vaststelling van inbreuken tegen de regels, waarbij verwezen wordt naar de bepalingen betreffende het statuut van de sociale inspecteurs. HOOFDSTUK XV. - Het Bestuur Om zich te kunnen kwijten van de taken, verantwoordelijkheden en verplichtingen die worden toegewezen door dit besluit moet het Bestuur onmiddellijk kunnen rekenen op gekwalificeerd en ervaren personeel inzake de verschillende spoorwegspecialiteiten. Het mechanisme dat in werking werd gesteld voor de Spoordienst en voor het Instituut zou ook kunnen worden toegepast in dit geval, door de overdracht van personeel van de NMBS waarbij elke juridische band wordt verbroken. HOOFDSTUK XVI. - Slotbepalingen Artikel 1 van het koninklijk besluit van 03/04/2000 betreffende de interoperabiliteit moet worden aangepast en dit besluit moet krachtens Richtlijn 2001/14/EG worden in werking treden op 15 maart 2003. Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer trouwe dienaar. De Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT ADVIES 34.341/4 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 30 oktober 2002 door de Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer verzocht haar, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « betreffende de voorwaarden voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur », heeft op 5 november 2002 het volgende advies gegeven : Volgens artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 sluiten, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan. In het onderhavige geval luidt de motivering in de brief als volgt : « Considérant que la transposition des directives 2001/12, 13 et 14 doit intervenir au plus tard le 15 mars 2003; Considérant les importantes adaptations à réaliser dans la réglementation applicable au secteur ferroviaire, notamment celle ayant trait à la sécurité ferroviaire, aux répartitions de capacités et aux redevances, ainsi que dans les structures de la S.N.C.B.; Considérant que la constitution des deux organes créés par le présent arrêté nécessite de procéder au recrutement de leur personnel dans les meilleurs délais; Que ce recrutement suppose la promulgation rapide du présent arrêté; ». Met toepassing van artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt de Raad van State, afdeling wetgeving, zich tot het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan. Voorafgaande vormvereisten Krachtens artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen « moeten alle kwesties die voor het personeel rechtstreeks van belang zijn aan de Nationale Paritaire Commissie worden voorgelegd ». Daaruit volgt dat voor de artikelen 71, 85 en 98 van het ontwerp dat vormvereiste moet worden vervuld. Over artikel 98, dat betrekking heeft op de overheveling van personeelsleden van de N.M.B.S. naar het Bestuur, dient voorts met de vakbonden te worden onderhandeld overeenkomstig artikel 2, § 2, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Die onderhandelingen vormen voorafgaande vormvereisten. Algemene opmerking Bij verscheidene bepalingen van het ontwerp wordt aan de Minister bevoegd voor het spoorwegvervoer of aan zijn gemachtigde, de directeur-generaal van het bestuur dat bevoegd is voor het spoorwegvervoer, beslissingsbevoegdheid opgedragen. De ambtenaren van het bestuur zijn voor hun daden geen politieke verantwoording verschuldigd aan de vertegenwoordigers van de Natie en het hun verlenen van bevoegdheden kan afbreuk doen aan de uniciteit van de uitvoerende macht. Dat aan die overheden individuele beslissingsbevoegdheid wordt gedelegeerd, is in principe dan ook onaanvaardbaar. Gezien evenwel het hiërarchische gezag dat de minister uitoefent over zijn bestuurslichamen, kan zulk een verlening van bevoegdheid bij uitzondering worden toegestaan als ze betrekking heeft op maatregelen van louter bestuur of in hoofdzaak technische maatregelen; het moet gaan om maatregelen die, willen ze genomen kunnen worden, geen politieke beoordeling vergen van de keuzes die daarbij worden gemaakt en een individuele toepassing zijn van vooraf gegeven regels. In dat geval dient, teneinde die beginselen veilig te stellen, aan de minister, bij wie in voorkomend geval een beroep is ingesteld, de mogelijkheid te worden geboden de handelingen van zijn ondergeschikten te herzien. Daaruit volgt in het onderhavige geval dat bepaalde opdrachten van bevoegdheid aan de gemachtigde van de minister te ver gaan. Dat is bijvoorbeeld het geval met de opdrachten van bevoegdheid in de artikelen 24 en 31 van het ontwerp. Bijzondere opmerkingen Dispositief Artikel 1 Overeenkomstig artikel 2, alinea 2, van Richtlijn 2001/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 91/440/EEG van de raad betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap en van Richtlijn 2001/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en overeenkomstig artikel 38, alinea 2, van Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit, moeten in een nieuw en afzonderlijk artikel 1 de richtlijnen worden vermeld die bij het ontwerp worden omgezet. 2. In de definitie van het woord « coördinatie » behoort, zoals in artikel 2, e) , van de genoemde Richtlijn 2001/14/EG, bepaald te worden welke instantie die coördinatie uitvoert. Artikel 4 Luidens artikel 4, § 1, van het ontwerp « legt de Koning de modaliteiten vast voor de bepaling van de technische normen en de regels met betrekking tot de veiligheid van de spoorweginsfrastructuur en het gebruik ervan ». Volgens de gemachtigde van de minister moet die bepaling zo worden uitgelegd dat de Koning de technische normen en de regels voor de veiligheid van de spoorweginfrastructuur en het gebruik ervan vaststelt. Paragraaf 1 moet zo worden gewijzigd dat die bedoeling duidelijk wordt weergegeven wat de regels voor de veiligheid betreft. Indien die bedoeling ook geldt voor het aannemen van de technische normen, moet zulks eveneens worden weergegeven in het dispositief. Artikel 6 Alle regelgeving bedoeld in artikel 4 moet, wil ze aan derden kunnen worden tegengeworpen, overeenkomstig de voorschriften bepaald in artikel 56, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde wetten op he …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.