← België

Besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap tot vastlegging van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het "Belgisch

Kort samengevat

Dit besluit regelt de administratieve en financiële status van het personeel van het "Belgisches Rundfunk- und Fernsehzentrum der Deutschsprachigen Gemeinschaft" (B.R.F.), oftewel het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap. Het bepaalt de rechten, plichten en aanstellingsvoorwaarden voor zowel statutaire ambtenaren als contractueel personeel.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

📄 Wettekst
10 MAART 1999. - Besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap tot vastlegging van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het "Belgisches Rundfunk- und Fernsehzentrum der Deutschsprachigen Gemeinschaft" (Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap) De Regering van de Duitstalige Gemeenschap, Gelet op artikel 7, § 5 van de wet van 18 februari 1977 houdende vastlegging van sommige bepalingen over de openbare dienst van radio en televisie; Gelet op artikel 11, § 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige organismen van openbaar nut; Gelet op het decreet van 27 juni 1986 betreffende het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd bij het decreet van 19 februari 1990; Gelet op het protocol nr. 92/7 houdende de conclusies van de onderhandelingen gevoerd in het gemeenschappelijk comité voor alle openbare diensten op 17 april 1997; Gelet op het protocol nr. 5/95 van het Sectorcomité XIX van de Duitstalige Gemeenschap, houdende de conclusies van de onderhandelingen gevoerd tijdens de zittingen van 8 februari 1995, 8 maart 1995 en 20 maart 1995; Gelet op het akkoord van de Minister-President, bevoegd inzake Begroting, gegeven op 6 juli 1996; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 28 juni 1996; Gelet op het advies van de Raad van State; Op de voordracht van de Minister van Jeugd, Vorming, Media en Sociale Aangelegenheden, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1.§ 1. De hoedanigheid van ambtenaar wordt toegekend aan elke persoon die in vast dienstverband benoemd is bij het "Belgisches Rundfunk- und Fernsehzentrum der Deutschsprachigen Gemeinschaft" (Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap), hierna B.R.F. genoemd. § 2. De ambtenaar bevindt zich in een statutaire toestand. Hieraan kan slechts een einde gemaakt worden in de bij dit besluit bepaalde gevallen. § 3. Niemand kan tot ambtenaar benoemd worden, indien hij niet aan volgende toelaatbaarheidsvereisten voldoet : 1° Belg zijn, wanneer het uit te oefenen ambt een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van territoriale bevoegdheden met zich brengt, waarvan de uitoefening opdrachten omvat strekkende tot de inachtneming van de algemene belangen van de Staat, van de Gemeenschap of van het Gewest beogen, of, in de overige gevallen, Belg zijn of burger van de Europese Unie;2° van een gedrag zijn dat overeenstemt met de eisen van het ambt;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° aan de dienstplichtwetten voldoen;5° de voor het uit te oefenen ambt vereiste lichamelijke geschiktheid bezitten. De controle van de vereiste lichamelijke geschiktheid wordt uitgeoefend door de gezondheidsdienst van het B.R.F. § 4. De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eedaflegging. De eed wordt binnen twee maanden na de benoeming afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/1831 pub. 07/02/2013 numac 2013000079 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet op de drukpers type decreet prom. 20/07/1831 pub. 26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Art. 2.§ 1. Onverminderd de bepalingen van § 2 worden de personeelsbehoeften uitsluitend gedekt door ambtenaren die aan de bepalingen van dit besluit zijn onderworpen. § 2. Het B.R.F. kan contractueel personeel aanstellen a) om aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften te voldoen, hetzij voor in de tijd beperkte acties hetzij voor een buitengewone toename van het werk;b) om personeelsleden te vervangen tijdens bepaalde periodes van totale of deeltijdse afwezigheid;c) om bijkomende of specifieke opdrachten te vervullen die door de Raad van Bestuur vastgelegd worden. Onder contractueel personeel van de categorie 1 verstaat men hetgeen dat het B.R.F. op basis van een arbeidsovereenkomst aanstelt om ambten uit te oefenen die tot de bevoegdheid van de statutaire ambtenaren behoren. Onder contractueel personeel van de categorie 2 verstaat men hetgeen dat het B.R.F. krachtens een arbeidsovereenkomst aanstelt om ambten uit te oefenen die niet tot de bevoegdheid van de statutaire ambtenaren behoren en die door de Raad van Bestuur vastgelegd worden. § 3. De aanstelling van contractueel personeel om een activiteit uit te oefenen die onder de bevoegdheid van het statutaire personeel valt, mag nooit een termijn van vierentwintig maanden overschrijden. Tijdens een overgangsperiode van 3 jaar, lopend vanaf 1 januari van het jaar volgend op de inwerkingtreding van dit besluit, mag echter de aanstelling van die categorie contractueel personeel 36 maanden duren. Het B.R.F. moet binnen de 24 maanden tijdelijke bezetting van een in zijn permanente personeelsformatie vacante betrekking een reserve van geslaagden hebben samengesteld. De Raad van Bestuur van het B.R.F. heeft de mogelijkheid om in de vacature niet te voorzien, indien hij zijn beslissing met redenen omkleedt. Na afloop van de termijn bedoeld in het eerste lid mag geen nieuwe aanstelling van contractueel personeel van de categorie 1 plaatsvinden om een vacante betrekking van de permanente personeelsformatie uit te oefenen, behalve in de volgende gevallen : a) een wettelijke of reglementaire bepaling belemmert de samenstelling van een reserve of maakt de samenstelling van die reserve binnen de in lid 2 bedoelde termijn onmogelijk;b) de samengestelde reserve van geslaagden telt niet genoeg geslaagden om definitief in alle vacante betrekkingen te voorzien;c) de geslaagden van de reserve kunnen wegens een wettelijke verhindering niet in dienst treden. Het bestaan van een reserve van geslaagden, samengesteld overeenkomstig de voorafgaande bepalingen, verplicht het B.R.F. ertoe van de contractuele personeelsleden afstand te doen die een definitieve betrekking bekleden, ofwel na afloop van hun aanstellingsperiode, ofwel na afloop van de opzeggingstermijn, indien de wetgeving erin voorziet. § 4. Bij de aanstelling van contractueel personeel van de categorie 1 wordt de prioriteit gegeven aan de personen die geslaagd zijn voor examens georganiseerd door het B.R.F. en die in de reserves opgenomen zijn. Voorliggend besluit is niet van toepassing op de overeenkomsten die het B.R.F. met kunstenaars sluit voor de behoeften van de programma's. Art. 3.§ 1. Volgende hoofdstukken, afdelingen en artikels zijn op de stagiairs toepasselijk : hoofdstuk II, hoofdstuk III, hoofdstuk IV, hoofdstuk VI, hoofdstuk VII, hoofdstuk VIII, hoofdstuk IX, hoofdstuk X, hoofdstuk XIII, hoofdstuk XVII, hoofdstuk XVIII. § 2. Onverminderd de wetgeving inzake arbeidsovereenkomsten hebben de contractuele personeelsleden van het B.R.F. recht op de weddeschalen, de gewaarborgde minimumwedde, de haard- of standplaatstoelage, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de andere vergoedingen en toelagen onder dezelfde voorwaarden als de ambtenaren die hetzelfde of een gelijkwaardig ambt uitoefenen. Art. 4.§ 1. Het B.R.F. beschikt over een Directieraad. De Directieraad bestaat uit de directeur, de hoofdredacteur of het redactiehoofd, het hoofd van de musicale redactie, de cheftechnicus alsmede uit het hoofd van de personeelsdienst. De directeur treedt als voorzitter op. Wanneer hij afwezig is kan hij zich laten vertegenwoordigen door een ander lid van de directieraad voor de uitoefening van het voorzitterschap. § 2. De directieraad is ermee belast de uitwisseling van informatie tussen de diensten van het B.R.F. en een gecoördineerd functioneren van het B.R.F. te vergemakkelijken. Hij brengt een advies uit vóór alle algemene maatregelen tot uitvoering van het statuut van de ambtenaren van het B.R.F. Uit eigen beweging kan hij aan de Raad van Bestuur een advies over een probleem van algemeen bestuur uitbrengen. Bovendien oefent hij de bevoegdheden uit waarin dit statuut of andere reglementaire teksten voorzien. § 3. Elke individuele beslissing betreffende een personeelslid van het B.R.F. wordt bij geheime stemming genomen. In het kader van dit statuut stelt de Directieraad een huishoudelijk reglement op; daarin bepaalt hij ten minste de frequentie van de vergaderingen, het vereiste aanwezigheidsquorum en de meerderheid vereist voor de geldigheid van zijn beslissingen. Het huishoudelijk reglement wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. HOOFDSTUK II. - Rechten, plichten, en onverenigbaarheden Art. 5.De ambtenaren hebben het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan zij kennis hebben uit hoofde van hun ambt. Het is hun enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, het recht op eerbied voor het privé-leven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van beslissingen. De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor ambtenaren die hun ambt hebben neergelegd. Art. 6.§ 1. Bij de uitoefening van hun ambt moeten de ambtenaren discreet zijn. Het is hen nl. verboden aan buitenstaanders de teksten van de uitzendingen zonder de voorafgaande toestemming van de directeur mede te delen. § 2. De ambtenaren die toegang tot de zender hebben, moeten bovendien de bepalingen van de bijlage 5 naleven. Art. 7.De ambtenaren hebben recht op inlichtingen en op voortgezette opleiding, wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de ambtsuitoefening. De voortgezette opleiding moet hun aangeboden worden, indien de bevorderingsvereisten uitdrukkelijk erin voorzien of wanneer zij deel uitmaakt van de evaluatiecriteria. Tijdens de periodes van afwezigheid die gerechtvaardigd worden door deelname aan activiteiten m.b.t. de voortgezette opleiding behoudt de ambtenaar zijn wedde en zijn aanspraken op bevordering. Deze afwezigheidsperiodes worden meegerekend in de administratieve anciënniteit en in de geldelijke anciënniteit. Art. 8.Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen. Art. 9.§ 1. De ambtenaren oefenen hun ambt op loyale en integere wijze uit. Zij ressorteren onder het gezag van hun hiërarchische meerderen die verantwoordelijk zijn voor hun bevelen. De ambtenaren dienen o.a. : 1° ervoor te zorgen dat de handelingen die zij tijdens hun ambtsuitoefening zullen verrichten de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, de dienstaanwijzingen van de overheid waartoe zij behoren, alsmede de grondbeginsels van billijkheid en doeltreffendheid naleven;2° hun raden, adviezen, opties en verslagen op basis van een nauwgezette, volledige en praktische uitlegging van de feiten op te stellen;3° zorgvuldig, plichtsbewust en met inachtneming van de dienstaanwijzingen van de overheid waartoe zij behoren, de beslissingen uit te voeren en de programma's te verwezenlijken. § 2. De ambtenaren oefenen hun ambt uit met openheid en zonder enige discriminatie t.o.v. de gebruikers van hun dienst. Een feit met persoonlijk karakter dat zij bij deze gebruikers hebben waargenomen, mogen ze niet onthullen, behalve bij de ertoe gemachtigde personen. Art. 10.§ 1. Ook buiten de dienst zorgen de ambtenaren ervoor elke handelwijze te vermijden die het vertrouwen van het publiek in hun dienst kan aantasten. § 2. Zelfs buiten de dienst mogen de ambtenaren rechtstreeks of bij tussenpersoon geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen in verband met hun werkzaamheden. § 3. De ambtenaren moeten zich op de hoogte houden van de ontwikkeling van de technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee ze beroepshalve belast zijn. HOOFDSTUK III. - Cumulaties, bijkomende activiteiten en onverenigbaarheden Afdeling 1. - Politieke activiteiten Art. 11.§ 1. De ambtenaar die een verkiezingscampagne begint voor het Europese Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, een Gemeenschapsraad, een Gewestraad, een provincieraad of een gemeenteraad moet vooraf de directeur daarvan verwittigen. Vanaf deze datum tot de dag volgend op degene van de verkiezingen heeft de ambtenaar geen toegang meer tot de zender; indien hij die verplichting niet naleeft, wordt hij van de zender verwijderd zodra vastgesteld is dat hij zijn verkiezingscampagne heeft begonnen. § 2. De ambtenaar die kandidaat-titularis of kandidaat-opvolger is bij verkiezingen voor het Europese Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, een Gemeenschapsraad of een Gewestraad wordt bovendien van ambtswege op verlof gesteld op de wettelijke datum van indiening van de kiezerslijsten. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een niet vergoed verlof voor opdracht; het eindigt op de dag volgend op degene van de verkiezingen. Art. 12.De eventuele kandidaten mogen in hun verkiezingspropaganda geen gebruik maken van de beroemdheid verworven dankzij de uitoefening van hun ambt bij het B.R.F. De ambtenaren van het B.R.F. mogen in de ruimten van het B.R.F. geen verkiezingspropaganda maken. Art. 13.§ 1. De ambtenaar die een ambt als lid van de federale Regering, van een Gewest- of Gemeenschapsregering, als President van een Vergadering, als parlementslid, als Europese afgevaardigde, als bestendige afgevaardigde van een provincieraad, als burgemeester, als schepen of als voorzitter van een OCMW aanvaardt, moet de directeur daarvan verwittigen. Hij wordt van ambtswege op verlof gesteld voor de hele duur van het mandaat. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een niet vergoed verlof voor opdracht. § 2. De ambtenaar die een mandaat als lid van een provincie- of gemeenteraad aanvaardt, moet de directeur daarvan verwittigen. Art. 14.De ambtenaren die een verlof krachtens artikel 11, § 2 of artikel 13, § 1 hebben verkregen, mogen pas na een termijn van één maand lopend vanaf de datum van hun terugkeer bij het B.R.F. aan een politieke, economische of sociale redactie deelnemen of een gezag op zo'n redactie uitoefenen. Dezelfde regeling geldt voor de ambtenaren die overeenkomstig de statutaire bepalingen inzake niet vergoed verlof voor opdracht een verlof hebben verkregen om een ambt van niveau 1 bij een kabinet uit te oefenen. Afdeling 2. - Andere bijkomende activiteiten en cumulaties Art. 15.Elke activiteit naast het ambt bij het B.R.F. moet met tact en discretie uitgeoefend worden. In die zin worden de al dan niet bezoldigde activiteiten verboden die strijdig zijn met de financiële en morele belangen van het B.R.F. Art. 16.Elke bezoldigde activiteit naast het ambt bij het B.R.F. wordt als cumulatie beschouwd. Elke ambtenaar die een andere cumulatie heeft als een activiteit bij een politieke partij of bij een vakorganisatie moet de voorafgaande toestemming van de Raad van Bestuur aanvragen. Die toestemming geldt voor één jaar en mag opnieuw aangevraagd worden. Art. 17.Bij de aanvraag moeten volgende inlichtingen gevoegd worden : - beschrijving van de bijkomende activiteit; - werkgever (in de ruimste zin); - aantal uren per week (of per jaar); - prestaties tijdens of buiten de diensturen; - recuperatiewijze, indien de prestaties tijdens de diensturen plaatsvinden; - advies van de hiërarchie op de bijkomende activiteit en, desgevallend, op de recuperatiewijze. Art. 18.Binnen de perken bepaald in artikel 16 worden in beginsel slechts toegelaten : 1° de cumulaties met een academisch of administratief karakter;2° de losse cumulaties die een professioneel, artistiek, cultureel of sociaal belang hebben, ofwel voor de betrokkene, ofwel voor de collectiviteit. Art. 19.Volgende bijkomende activiteiten worden niet toegelaten : 1° de commerciële activiteiten;2° de activiteiten, als geheel beschouwd, die een dienstonderbreking van meer dan 6 uren per week of 10 uren in het algemeen tot gevolg hebben. Art. 20.De bijkomende activiteiten die geheel of gedeeltelijk tijdens de diensturen worden uitgeoefend, zijn onderworpen aan een recuperatie van de diensttijd voor het gedeelte van de cumulatie dat gedurende de diensturen werd uitgeoefend. Art. 21.Jaarlijks in de loop van de maand december laat de Personeelsdienst aan elke ambtenaar een formule m.b.t. de uitoefening van een bijkomende activiteit toekomen. Die formule wordt aan de Personeelsdienst teruggestuurd met het advies van de hiërarchie. Art. 22.Op het begin van elk jaar krijgt de Raad van Bestuur de lijst van de tijdens het afgelopen jaar toegelaten bijkomende activiteiten, opgesteld op grond van de verschillende ingezamelde inlichtingen. De directeur grijpt de gelegenheid aan om de Raad van Bestuur een algemeen beleid inzake bijkomende activiteiten voor te leggen. HOOFDSTUK IV. - Werving en stage Afdeling 1. - Werving Art. 23.§ 1. Wie aan de volgende voorwaarden voldoet, kan als ambtenaar worden aangeworven : 1° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenstemt met het niveau van de te verlenen betrekking; 2° geslaagd zijn voor een vergelijkend wervingsexamen georganiseerd door het B.R.F. In afwijking van het eerste lid, 1°, worden de vergelijkende wervingsexamens die georganiseerd worden met het oog op de toewijzing van betrekkingen van niveau 3 ook opengesteld voor de ambtenaren van niveau 4 die geen diploma van het lager secundair onderwijs bezitten. § 2. Bijlage 2 bij dit besluit legt de lijst van de graden vast die door werving kunnen worden toegewezen. § 3. Bijzondere wervingsvoorwaarden kunnen worden opgelegd, wanneer de aard van de ambten het vereist. Zij worden door de Raad van Bestuur vastgelegd na overleg met het basisoverlegcomité. Art. 24.§ 1. De vastbenoemde ambtenaren van het B.R.F. mogen deelnemen aan vergelijkende examens die toegang verlenen tot een aanwervingsgraad en worden vrijgesteld, onder de in § 2 opgenomen voorwaarden, van de leeftijdsvoorwaarde alsmede van de voorwaarde inzake diploma of getuigschrift bedoeld in artikel 23, § 1. Zij moeten echter houder zijn van de diploma's en getuigschriften die wegens de aard van de uit te oefenen activiteiten desgevallend vereist zijn. § 2. Met het oog op de toepassing van § 1 zijn de voorwaarden - voor de toegang tot graden van niveau II : personeelsleden benoemd in het niveau III met een niveauanciënniteit van ten minste 2 jaar en 6 maanden; - voor de toegang tot de graden van de bezoldigingsrang C7 : personeelsleden benoemd in het niveau II met een niveauanciënniteit van ten minste 2 jaar en 6 maanden; - voor de toegang tot de graden van niveau I : personeelsleden benoemd in het niveau II met een niveauanciënniteit van ten minste 4 jaar. De vrijstellingsvoorwaarden voor de hier niet opgenomen graden worden door de Raad van Bestuur vastgelegd. Art. 25.§ 1. De aanwervingsgraden worden bij wege van een vóór een examencommissie afgelegd vergelijkend wervingsexamen begeven. De openbare oproep tot de kandidaten is een regel. Afwijkingen zijn slechts in gerechtvaardigde bijzondere gevallen mogelijk. De geslaagden worden in de volgorde van de behaalde punten gerangschikt en vormen samen een reserve. De betrekkingen worden hen volgens hun rangschikking aangeboden. De geslaagden van de vergelijkende wervingsexamens behouden het genot van het slagen tijdens drie jaar vanaf het proces-verbaal van het vergelijkend examen waarvoor zij zijn geslaagd. § 2. De graad van cheftechnicus wordt uitsluitend bij wege van een vergelijkend bevorderingsexamen begeven aan de personeelsleden die de graad van technicus Radio-TV (met 8 jaar graadanciënniteit); eerste technicus Radio-TV; adjunct-cheftechnicus; laboratoriumtechnicus/informaticus; eerste laboratoriumtechnicus/informaticus; adjunct-laboratoriumcheftechnicus/informaticus; brigadier (voorman) bekleden. Er wordt een reserve van geslaagden samengesteld, waarvan de geldigheidsduur onbeperkt is. Art. 26.Bij wege van een met redenen omklede beslissing kan de Raad van Bestuur besluiten dat er geen reserve van geslaagden wordt samengesteld of dat de geldigheidsduur van de reserves voor een termijn van ten hoogste één jaar wordt verlengd. Art. 27.De regelingen betreffende de organisatie van de vergelijkende wervingsexamens en van de bekwaamheidsexamens zijn als Bijlage 4 bij dit besluit opgenomen. De examenprogramma's worden door de Raad van Bestuur goedgekeurd en overeenkomstig de bepalingen van de examensregelingen uitgevoerd, die als Bijlage 4 bij dit besluit opgenomen zijn. De voorzitter van de examencommissie wordt door de Raad van Bestuur en de leden door de directeur aangewezen. Art. 28.Het slagen voor een vergelijkend examen geeft geen prioriteitsrecht bij de toewijzing van een betrekking waarop het vergelijkend examen geen betrekking heeft. Art. 29.De oproepen tot de kandidaten worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De drukpers wordt erom verzocht deze te reproduceren. Zij worden ook door de zenders of op de aanplakbiljetten bekendgemaakt. De bekendmaking vermeldt de deelnemings- en benoemingsvoorwaarden, de geldigheidsduur van de eventueel samengestelde reserve van geslaagden, alsmede de termijn en de vorm om de kandidaturen in te stellen. Art. 30.Voor de personen die tijdelijk maar voor een lange en ononderbroken periode het ambt uitoefenen waarvoor zij voor het examen zijn geslaagd, is de geldigheidsduur van de reserve met de termijn van hun tijdelijke aanstelling verlengd. Art. 31.Bij wege van een met redenen omklede beslissing kan de Raad van Bestuur besluiten dat in een vacante betrekking in een wervingsgraad zal worden voorzien door een vergelijkend examen tussen de benoemde ambtenaren te organiseren. Dit vergelijkend examen moet aan de voorwaarden bepaald in artikel 24 voldoen. Art. 32.De geslaagden van de reserve die voor de eerste keer een aangeboden betrekking niet aanvaarden, worden juist na de kandidaat geplaatst die na hen in de reserve van geslaagden gerangschikt was. De geslaagden van de reserve die voor de tweede keer een aangeboden betrekking niet aanvaarden, worden tot het einde van de reserve gedeclasseerd, voor zover een termijn van zes maanden afgelopen is tussen beide voorstellen. Afdeling 2. - De stage Art. 33.§ 1. De Raad van Bestuur is voor de benoemingen bevoegd. Elke benoeming in vast verband wordt door een stage voorafgegaan. De toelating tot de stage wordt eveneens door de Raad van Bestuur besloten. § 2. De duur van de stage bedraagt 1 jaar voor het personeel van niveau I; 6 maanden voor het personeel van niveau II+ en van niveau II; 3 maanden voor het personeel van niveau III en van niveau IV. Bij wege van een met redenen omklede beslissing kan de Raad van Bestuur besluiten de duur van de stage met ten hoogste één derde te verlengen. § 3. Gedurende de eerste drie maanden van de stage kan de Raad van Bestuur te allen tijde een einde maken aan de stage per aangetekende brief. Na de eerste drie maanden van de stage kan de Raad van Bestuur te allen tijde een einde maken aan de stage met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden. Indien de Raad van Bestuur tot het besluit komt dat de stage vroegtijdig moet worden beëindigd, mag de kandidaat een beroep indienen bij de Raad van Beroep bepaald in artikel 43. Art. 34.De geslaagden van een door het B.R.F. georganiseerd vergelijkend wervingsexamen worden in de volgorde van hun rangschikking en krachtens de bepalingen van dit besluit tot de stage toegelaten. Art. 35.Bij de toelating tot de stage wordt de prioriteit gegeven aan de geslaagden van vroegere reserves. Art. 36.De stage wordt verricht bij het B.R.F. onder het gezag van de directeur. In het begin van de stage wordt de betrokkene onderricht over zijn statutaire rechten en verplichtingen. Tegelijk verkrijgt hij een informatieve beschrijving van zijn werkpost. De activiteit van de stagiair verschilt fundamenteel niet van degene van een ambtenaar. Art. 37.Op het einde van de stage in de niveaus I en II+ stelt de stagiair een persoonlijk stagerapport op. Dit rapport wordt ten vroegste 4 weken en ten laatste 1 week vóór het einde van de stage aan de Directieraad medegedeeld. Art. 38.Na elke maand en op het einde van de stage stelt de directeur een stageverslag op. De stagiair moet dit verslag onverwijld viseren om te bekrachtigen dat hij ervan kennis heeft genomen. Hij krijgt een afschrift ervan. Art. 39.De stageverslagen en de evaluatie van de stagiair zijn gebaseerd op volgende criteria : - aanleg voor rendement; - beroepsgeschiktheid; - teamgeest; - verantwoordelijkheidszin. Naargelang de opdrachten van de stagiair kan zijn creativiteit eventueel in aanmerking worden genomen. Art. 40.Binnen 10 werkdagen na het verslag te hebben geviseerd mag de stagiair over elk stageverslag een schriftelijk advies uitbrengen. Dit advies wordt tegelijk aan de directeur die de evaluatie toekent en aan de Directieraad toegestuurd. Art. 41.Binnen 20 werkdagen na afloop van de stage deelt de directeur die de evaluatie toekent zijn verslagen en zijn eindverslag samen met zijn aanbeveling voor de Directieraad aan deze mede. Art. 42.Na ontvangst van de verslagen bedoeld in artikel 41 stelt de Directieraad binnen 20 werkdagen vast of de stage al dan niet met vrucht volbracht werd. Te dien einde houdt hij rekening zowel met de stageverslagen en de desgevallend door de stagiair uitgebrachte adviezen als met de hem desgevallend opgelegde deelname aan stages en opleidingen. De stagiair wordt, op zijn verzoek of op initiatief van de Directieraad, vooraf door de Directieraad gehoord. De Directieraad deelt zijn met redenen omkleed advies over het al dan niet slagen onverwijld mede aan de raad van bestuur. Dit advies wordt tegelijk aan de stagiair overhandigd. Deze bekrachtigt de ontvangst ervan op een duplicaat. Zo niet wordt het advies per aangetekende brief betekend. Art. 43.Stelt het advies van de Directieraad vast dat de stage met vrucht werd volbracht, gaat de Raad van Bestuur binnen twee maanden tot de benoeming over. Stelt het advies van de Directieraad vast dat de stage niet met vrucht is verricht, mag de betrokkene binnen tien werkdagen na overhandiging of betekening van het advies overeenkomstig artikel 42, lid 2, een beroep instellen bij de raad van beroep. Daarbij kan hij zich door een persoon naar eigen keuze laten bijstaan. De beslissing tot benoeming of tot afdanking, genomen door de raad van bestuur, wordt tijdens de procedure vóór de raad van beroep geschorst. Art. 44.De Raad van Beroep telt ten hoogste zes leden. Voor de ene helft wijst elke in het Sectorcomité van de Duitstalige Gemeenschap vertegenwoordigde vakorganisatie één vertegenwoordiger aan. De directeur bekleedt het voorzitterschap. De andere leden worden door de Raad van Bestuur onder de statutaire personeelsleden van het B.R.F. aangewezen. Art. 45.Binnen tien werkdagen na de indiening van het beroep deelt de raad van beroep zijn met redenen omkleed advies mede aan de raad van bestuur. Binnen 15 werkdagen na de ontvangst van dit advies beslist de raad van bestuur definitief of de stage al dan niet met vrucht werd volbracht. Art. 46.Voor zover de stage met vrucht werd volbracht, gaat de Raad van Bestuur tot de benoeming over die uitwerking heeft met ingang van de dag volgend op het einde van de stage. Werd de stage niet met vrucht volbracht, neemt de Raad van Bestuur een besluit tot afdanking die aan de stagiair per aangetekende brief wordt betekend. Tot de dag van de beslissing tot afdanking wordt de stage geacht verlengd te worden. Art. 47.Vanaf de dag van de beslissing tot afdanking loopt een opzeggingstermijn van drie maanden. Op de datum van de beslissing tot afdanking wordt met de stagiair een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden afgesloten die overeenstemt met de bedoelde opzeggingstermijn. Art. 48.Onverminderd de bepalingen van artikel 33, § 3 wordt aan de stage vroegtijdig en zonder opzegging een einde gesteld in dezelfde gevallen als bepaald voor het verlies, vroegtijdig en zonder opzegging, van de hoedanigheid van ambtenaar. Bovendien maakt het vrijwillig ontslag een einde aan de stage. Art. 49.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit. De bepalingen van dit besluit gelden voor de stagiair voor zover zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard. HOOFDSTUK V. - Loopbaan Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 50.De personeelsformatie stelt het aantal betrekkingen vast per graad voor elke groep. Zij wordt in de Bijlage 1 bij dit besluit opgenomen. Bijlage 2 bij dit besluit legt de mogelijkheden inzake loopbaan alsmede de geldelijke uitwerkingen ervan vast. De administratieve rangen stemmen met de bezoldigingsrangen overeen. Het maximaal aantal rangen per niveau wordt door een besluit van de Regering bepaald. Art. 51.De personeelsleden van het B.R.F. worden in vier groepen ingedeeld : a) de groep van het administratief personeel;b) de groep van het cultureel personeel;c) de groep van het technisch personeel;d) de groep van het werkliedenpersoneel. Art. 52.Slechts bij de wervingsgraden is het mogelijk van de ene groep naar de andere over te gaan. De Raad van Bestuur kan echter van deze vastgestelde bepalingen afwijken wegens de aard van elk ambt; voor de bevorderingsgraden moeten die afwijkingen vooraf in het basisoverlegcomité worden gediscussieerd. Art. 53.Bij het B.R.F. worden de betrekkingen in 5 niveaus gerangschikt : 1° niveau I voor de betrekkingen die het bezit vereisen van een diploma van het universitair onderwijs of het hoger onderwijs van het lange type;2° niveau II+ voor de betrekkingen die het bezit vereisen van een diploma van het hoger onderwijs van het korte type;3° niveau II voor de betrekkingen die het bezit vereisen van een diploma van het hoger secundair onderwijs of van een daarmee gelijkgesteld getuigschrift;4° niveau III voor de betrekkingen die het bezit vereisen van een diploma van het lager secundair onderwijs of van een daarmee gelijkgesteld getuigschrift;5° niveau IV voor de andere betrekkingen. Bij wege van een met redenen omklede beslissing kan de Raad van Bestuur bovendien besluiten dat een specifiek diploma of getuigschrift vereist is wegens de aard van het te bekleden ambt. Art. 54.De loopbaan van de ambtenaar wordt door een besluit van de Regering geregeld. De loopbaan wordt in ieder geval georganiseerd - in hiërarchische rangen en is afhankelijk van vacatures van betrekkingen, behalve in de door dit statuut bepaalde gevallen; - in graden. De loopbaan kan bovendien in functionele graden georganiseerd worden, rekening houdend met geschiktheidsvoorwaarden binnen de rangen. Afdeling 2. - De verandering van graad en de bevordering Art. 55.§ 1. De verandering van graad is de benoeming van een ambtenaar tot een graad die gelijkwaardig is met de zijne. § 2. De Raad van Bestuur bepaalt de graden die door verandering van graad kunnen worden begeven en de graden die de kandidaten te dien einde moeten bekleden. § 3. Slechts de kandidaat met een gelijkwaardige graad die een graadanciënniteit van ten minste zes maanden heeft, mag een verandering van graad bekomen. De Raad van Bestuur kan vastleggen dat de anciënniteit meer dan 6 maanden moet en 2 jaar kan bedragen. Hij mag eisen dat de kandidaat een bekwaamheidsexamen aflegt m.b.t. de beoogde graad. Art. 56.De benoeming door verandering van graad of door bevordering door verhoging in graad in een vacante betrekking van de personeelsformatie wordt door de Raad van Bestuur besloten. De prioriteit wordt gegeven aan de kandidaten met de beste evaluatie. Art. 57.Om tot een hogere graad benoemd te kunnen worden, moet men sinds ten minste twee jaar in zijn graad benoemd zijn. De afwijkingen moeten door de Raad van Bestuur met redenen omkleed worden. De Regering kan bepalen dat bevorderingsexamens moeten worden afgelegd voor bepaalde graden. De geslaagden van de bevorderingsexamens behouden onbeperkt het genot van het slagen. Art. 58.De Regering kan in bevorderingen in een vlakke loopbaan voorzien. De bevordering in een vlakke loopbaan bestaat in opeenvolgende benoemingen van een ambtenaar tot graden van een steeds hogere rang van eenzelfde niveau, zonder dat er vaste betrekkingen van de te begeven graden vacant zijn en zonder verplichting voor de betrokkene zich kandidaat te stellen. Onverminderd de andere statutaire bepalingen en met uitzondering van de in Bijlage 2 bepaalde gevallen vindt de bevordering van een graad tot de andere in een vlakke loopbaan telkens na 9 jaar administratieve anciënniteit plaats. Art. 59.Voor de bevorderingen zijn volgende bepalingen van toepassing, behalve bij een vlakke loopbaan : 1° de verplichting van een voorafgaande vacantverklaring van de betrekkingen;2° de inachtneming van een minimale termijn van 15 werkdagen tussen de oproep tot sollicitaties en de indiening ervan. Art. 60.De bevordering mag slechts een toelaatbare kandidaat toegekend worden die ten minste de evaluatie "met onderscheiding" heeft gekregen en in actieve dienst is. Art. 61.Een bevordering mag pas plaatsvinden nadat de directieraad een met redenen omkleed advies heeft uitgebracht omtrent elk van de toelaatbare kandidaten. Zijn meerdere kandidaten toelaatbaar dan gaat de directieraad tot een rangschikking over. Zich erop baserend maakt hij voor de tot benoemen bevoegde overheid een voorstel tot benoeming voor de vacant verklaarde betrekkingen. Te dien einde houdt de directieraad rekening niet alleen met de evaluatie, de prestaties en de ervaring van de kandidaten, hun beroepsgeschiktheid, hun inspanningen inzake opleiding en voortgezette opleiding m.b.t. tot de beoogde betrekking, maar ook met hun dienstanciënniteit. Art. 62.De voorzitter van de directieraad deelt elk van de kandidaten de orde van zijn rangschikking door de directieraad mede. De toelaatbare kandidaat heeft het recht om door de directieraad te worden gehoord; zijn verzoek moet binnen 10 werkdagen na de mededeling van de rangschikking bij de voorzitter van de directieraad worden ingediend. Nadat de directieraad alle toelaatbare kandidaten heeft gehoord die erom verzochten, wijzigt hij of bekrachtigt hij de oorspronkelijke rangschikking. Art. 63.Een bevordering in afwijking van het voorstel bedoeld in de artikels 61 en 62 moet door de Directieraad, met verwijs naar het voorstel, met redenen omkleed worden. Art. 64.§ 1. Voor de klassering op grond van de anciënniteit wordt de prioriteit als volgt bepaald : 1° de ambtenaar met de hoogste graadanciënniteit in de graden die toegang verlenen tot de bevorderingsgraad;2° bij gelijkheid van graadanciënniteit, de ambtenaar met de hoogste niveauanciënniteit;3° bij gelijkheid van niveauanciënniteit, de ambtenaar met de hoogste dienstanciënniteit;4° bij gelijkheid van dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar. § 2. Voor de berekening van de graadanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd tot de betrokken graad of waarop hij voor de bevordering geklasseerd werd door de formele terugwerkende kracht van de benoeming tot zo'n graad. Voor de berekening van de niveauanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in een graad van het betrokken niveau of waarop hij voor de bevordering geklasseerd werd door de formele terugwerkende kracht van de benoeming tot zo'n niveau. Voor de berekening van de dienstanciënniteit worden alle werkelijke diensten in aanmerking genomen, die de ambtenaar in om het even welke hoedanigheid, zonder vrijwillige onderbreking, als titularis van een ambt met volledige prestaties bij een openbaar radio- of televisie-organisme heeft verricht die onder één der Gemeenschappen of de rechtsvoorgangers ervan ressorteert. § 3. Voor de berekening van de graad-, niveau- en dienstanciënniteit nemen de ambtenaren rang in op de dag van hun toelating tot de stage, indien ze in vast verband benoemd worden. Art. 65.Voor de berekening van de diensten die in aanmerking worden genomen om de graad-, niveau- en dienstanciënniteit te bepalen, geldt de som van de volle maanden. Afdeling 3. - Interimaten Art. 66.De uitoefening van een vacante of voorlopig door de titularis niet waargenomen betrekking kan door de Raad van Bestuur toevertrouwd worden aan de ambtenaar van de onmiddellijk lagere graad die het meest geschikt wordt bevonden om in de onmiddellijke behoeften van de dienst te voorzien, aan de ambtenaar wiens aanwijzing het minste bezwaar voor de goede gang van de dienst met zich brengt of aan de ambtenaar die de statutaire voorwaarden vervult om in die functie te worden benoemd. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing geldt voor ten hoogste 6 maanden. Zij mag door de directeur voor 6 maanden verlengd worden. De Raad van Bestuur wordt daarvan verwittigd en het basisoverlegcomité brengt zijn advies uit. Art. 67.Het feit dat een interimaat waargenomen werd of wordt, verleent geen enkele prioriteit voor de definitieve toewijzing van de betrekking. Wordt de ambtenaar echter definitief bevorderd in de betrekking die hij zonder onderbreking heeft uitgeoefend, dan worden de ad interim gepresteerde diensten in aanmerking genomen voor de berekening van de wedde en voor de dienstanciënniteit. Er kan evenwel niet teruggegaan worden tot vóór de datum waarop de betrokkene alle door dit statuut vereiste voorwaarden vervult om tot de betrokken graad toegang te hebben. Afdeling 4. - De evaluatie Art. 68.Een evaluatie wordt opgesteld voor alle ambtenaren van het B.R.F. Die evaluatie heeft tot doel de beroepsbekwaamheid van de ambtenaren te bepalen op basis van een lijst van criteria die vooraf door de Raad van Bestuur wordt opgesteld en bekendgemaakt. Art. 69.De evaluatie van de ambtenaren gebeurt ten minste om de twee jaar en in elk geval één jaar na het opnemen van een nieuw ambt, onafhankelijk van een bevorderingsprocedure. De evaluatie wordt uitgevoerd door de directeur en de onmiddellijke meerdere. De leden van de Directieraad worden door de Raad van Bestuur en de directeur geëvalueerd. De directeur wordt door de Raad van Bestuur geëvalueerd. De ambtenaar wordt voorafgaandelijk opgeroepen voor een onderhoud. De ambtenaar heeft de mogelijkheid om zijn opmerkingen te doen gelden. Art. 70.Over elke ambtenaar wordt een individueel evaluatiedossier aangelegd. Dit bevat o.a., naast de noodzakelijke burgerrechtelijke en administratieve inlichtingen, de beloningen of straffen van de betrokkene, de ziekteverloven en de evaluatiedocumenten bedoeld in artikel 69. Die laatste documenten alsmede, desgevallend, elk document gebruikt voor de bepaling van de evaluatie bedoeld in het volgende artikel, worden door de betrokkene "voor kennisname" geviseerd. Art. 71.Volgende evaluaties kunnen worden toegekend : a) "met grote onderscheiding", wanneer de ambtenaar zich van zijn dienst met buitengewone ijver, toewijding, ondernemingsgeest gekweten heeft of wanneer hij door zijn werk of ideeën ertoe heeft bijgedragen de economie of de middelen van het B.R.F. aanzienlijk te verbeteren; b) "met onderscheiding", wanneer de ambtenaar op grond van bijzondere bekwaamheden de aandacht van zijn meerderen heeft getrokken;c) "voldoende", wanneer de ambtenaar zijn dienst, onder gewone omstandigheden, op voldoende wijze heeft verricht;d) "onvoldoende", wanneer de ambtenaar geen voldoening heeft geschonken. De evaluaties "met grote onderscheiding" en "onvoldoende" worden aan de Raad van Bestuur ter informatie overgemaakt en aan de vakorganisaties medegedeeld. Is het onmogelijk een evaluatie voor de referentieperiode uit te voeren, dan wordt de laatste evaluatie in aanmerking genomen. De referentieperiode wordt dienovereenkomstig verlengd. Het personeelslid mag een nieuwe evaluatie vorderen. Art. 72.Elke evaluatie "met grote onderscheiding" geeft recht op de uitbetaling van een eenmalige som die met de laatste tweejaarlijkse verhoging overeenstemt. Art. 73.De evaluatie "onvoldoende" sluit elke administratieve bevordering uit, de bevordering in vlakke loopbaan inbegrepen. De evaluatie "onvoldoende" sluit bovendien de bevorderingen tot een hogere wedde uit, behalve de regelmatige weddeverhogingen. Art. 74.Een ambtenaar die de evaluatie "met grote onderscheiding" niet heeft gekregen en ermee niet kan instemmen, heeft binnen 10 werkdagen nadat hij daarvan in kennis werd gesteld een recht op beroep qua inhoud bij de directieraad. Hij heeft het recht om door hem te worden gehoord en door een persoon naar eigen keuze te worden bijgestaan. De directieraad beslist in laatste instantie over dit beroep en kent desgevallend een nieuwe evaluatie toe. Art. 75.§ 1. Behoudens het beroep qua inhoud dat een ambtenaar mag indienen die overeenkomstig artikel 74 de evaluatie "met grote onderscheiding" wil krijgen, heeft de ambtenaar binnen 10 werkdagen een recht op beroep qua inhoud en vorm bij een Raad van Beroep inzake evaluatie. Het schriftelijk beroep wordt aan de voorzitter van de Raad van Beroep gestuurd. De ambtenaar heeft het recht om door de Raad van Beroep te worden gehoord en door een persoon naar eigen keuze te worden bijgestaan. § 2. Binnen 15 werkdagen na de ontvangst van het beroep door de voorzitter van de Raad van Beroep brengt de Raad van Beroep een met redenen omkleed advies uit over het geval en stelt desgevallend een nieuwe evaluatie voor. Indien geen meerderheidsakkoord wordt bereikt, dan worden beide adviezen met de respectievelijke voorstellen medegedeeld. Binnen 20 werkdagen beslist de directieraad definitief daarover. Art. 76.Voor de evaluatie van de directeur en van de andere leden van de Directieraad is artikel 75 eveneens van toepassing, waarbij de Raad van Beroep. in afwijking van artikel 77, § 1. als volgt samengesteld wordt : voor de ene helft wijst elke in het Sectorcomité van de Duitstalige Gemeenschap vertegenwoordigde vakorganisatie één vertegenwoordiger aan; voor de andere helft wijst de Raad van Bestuur Duitstalige magistraten aan, onder wie één met het voorzitterschap belast wordt. In geval van gewettigde verdenking oefenen de magistraten hun ambt niet uit. Art. 77.§ 1. Er wordt een Raad van Beroep inzake evaluatie opgericht die ten hoogste zes leden telt. Voor de ene helft wijst elke in het Sectorcomité van de Duitstalige Gemeenschap vertegenwoordigde vakorganisatie één vertegenwoordiger aan. De andere leden worden door de Raad van Bestuur onder de statutaire personeelsleden van het B.R.F. aangewezen. Er wordt in zoveel plaatsvervangers voorzien als er werkende leden zullen zijn. § 2. De leden van de Raad van Beroep inzake evaluatie aangewezen door de overheid worden door de directeur voorgesteld onder de ambtenaren in dienstactiviteit die ten minste 30 jaar oud zijn en een dienstanciënniteit van ten minste 5 jaar kunnen bewijzen. § 3. De leden worden voor een termijn van vier jaar aangewezen. Onder de door hem aangewezen werkende en plaatsvervangende leden bepaalt de Raad van Beheer een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter voor de Raad van Beroep. § 4. Wanneer een lid aan de voor de verzoeker voorgestelde evaluatie heeft deelgenomen, dan mag het zijn opdracht binnen de Raad van Beroep niet vervullen, wat de betrokkene betreft; het moet zich door zijn plaatsvervanger laten vertegenwoordigen. § 5. De Raad van Beroep beraadslaagt geldig telkens ten minste de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter en één lid van elke helft van de Raad van Beroep of zijn plaatsvervanger aanwezig zijn. § 6. Indien de samenstelling van de Raad van Beroep tijdens het onderzoek van een bepaald geval, om welke reden ook, gewijzigd werd, dan zet de Raad van Beroep het onderzoek verder met de samenstelling die hij had op het ogenblik dat hij met het onderzoek begonnen is. § 7. Vóór de Raad van Beroep kan de ambtenaar zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. § 8. De voorzitter legt de datum vast waarop de Raad van Beroep zetelt en informeert de betrokkene. Tussen de oproeping en de verschijning moet een termijn van ten minste 8 dagen verstrijken. HOOFDSTUK VI. - Tuchtregeling Art. 78.De ambtenaren die hun plichten niet nakomen kunnen het voorwerp zijn van een tuchtprocedure. Art. 79.Slechts de volgende tuchtmaatregelen kunnen worden uitgesproken : 1° terechtwijzing;2° blaam;3° inhouding van wedde;4° overplaatsing bij tuchtmaatregel;5° tuchtschorsing;6° terugzetting in graad;7° afzetting. De tuchtschorsing bedoeld in het eerste lid wordt uitgesproken ten hoogste voor drie maanden en mag geen aanleiding geven tot een inhouding van wedde die hoger ligt dan die welke bedoeld is bij artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Art. 80.De tuchtmaatregelen bepaald in artikel 79, eerste lid, kunnen door de volgende instanties op de personeelsleden toegepast worden : een terechtwijzing, blaam, inhouding van wedde of overplaatsing bij tuchtmaatregel door de directeur op voorstel van een lid van de Directieraad, ieder wat hem betreft; een schorsing bij tuchtmaatregel, terugzetting in graad of afzetting slechts door de Raad van Bestuur op voorstel van de directeur. De directeur die een tuchtmaatregel heeft uitgesproken, doet er een verslag over bij de volgende zitting van de Raad van Bestuur. Art. 81.Wat de graad van directeur betreft, worden alle tuchtmaatregelen door de Raad van Bestuur op voorstel van zijn voorzitter genomen. Art. 82.Elke ambtenaar tegen wie een tuchtmaatregel wordt voorgesteld, moet daarvan onmiddellijk verwittigd worden. Binnen een termijn van acht werkdagen na de kennisgeving mag hij erom verzoeken door de instantie gehoord te worden die de beslissing heeft genomen. Te allen tijde van de tuchtprocedure mag zich de betrokkene door een persoon naar eigen keuze laten bijstaan. Art. 83.De voorstellen tot disciplinaire sanctie mogen slechts tot feiten betrekking hebben die niet langer dan zes maanden geleden vastgesteld werden. Worden dezelfde feiten strafrechtelijk vervolgd, loopt de termijn pas vanaf het ogenblik waar het B.R.F. op de hoogte gesteld wordt ofwel van het eindvonnis ofwel van de stopzetting van de vervolgingen. Art. 84.De maatregelen worden in een ad-hoc bericht vermeld dat in het persoonlijk dossier van de ambtenaar wordt opgenomen. In alle gevallen wordt het bericht ter kennis van de ambtenaar gebracht. Die wordt erom verzocht het bericht te ondertekenen en ofwel zijn rechtvaardiging of opmerkingen, ofwel de vermelding dat hij van een rechtvaardiging afstand doet, erop vast te stellen. Weigert de ambtenaar te ondertekenen, wordt zijn weigering vermeld. Art. 85.Volgende tuchtmaatregelen worden niet in aanmerking genomen wanneer de dossiers opgesteld worden met het oog op de vergelijking van de kandidaturen, de toekenning van bevorderingsweddetrappen of elke andere statutaire beslissing over een personeelslid : - de sinds meer dan 2 jaar uitgesproken terechtwijzing; - de sinds meer dan 3 jaar uitgesproken blaam, inhouding van wedde of overplaatsing bij tuchtmaatregel; - de sinds meer dan 5 jaar uitgesproken schorsing bij tuchtmaatregel of terugzetting in graad. Art. 86.§ 1. Elke ambtenaar tegen wie een tuchtmaatregel wordt uitgesproken, mag binnen een termijn van acht werkdagen na de kennisgeving een beroep indienen bij een Raad van Beroep. Het beroep, gericht aan de voorzitter van de Raad van Bestuur, schorst de tuchtmaatregel op tot de definitieve beslissing. De Raad van Beroep wordt voorgezeten door een rechter die door de Raad van Bestuur op voorstel van de assessoren aangewezen wordt. Hij telt ten hoogste zes overige leden. Voor de ene helft wijst elke in het Sectorcomité van de Duitstalige Gemeenschap vertegenwoordigde vakorganisatie één vertegenwoordiger aan. Voor de andere leden wijst de Raad van Bestuur assessoren aan maar niet uit zijn midden. § 2. De ambtenaar heeft het recht assessoren wegens gewettigde verdenking één keer te wraken. § 3. De Raad van Beroep kan geldig beraadslagen telkens ten minste de voorzitter, één door de overheid en één door de in het Sectorcomité vertegenwoordigde vakorganisaties aangewezen assessoren aanwezig zijn. § 4. De voorzitter legt de datum vast waarop de Raad van Beroep zetelt en informeert de betrokkene. Tussen de oproeping en de verschijning moet een termijn van ten minste 8 werkdagen verstrijken. § 5. Tijdens die termijn kunnen de leden van de Raad van Beroep bij de directeur inzage nemen van het volledige dossier. Tijdens die termijn kunnen de ambtenaar en zijn verdediger bij de directeur inzage nemen van het volledige dossier. Door zijn handtekening bekrachtigt de ambtenaar dat hij of zijn verdediger inzage genomen heeft van het dossier. § 6. De Raad van Beroep beschikt over de meest uitgebreide bevoegdheid om het onderzoek te leiden. Hij brengt met redenen omklede adviezen uit die ter kennis van de Raad van Bestuur en van het betrokken personeelslid worden gebracht. De opmerkingen die desgevallend door de minderheid van de Raad van Beroep uitgedrukt zijn, worden bij het advies gevoegd. § 7. Binnen de maand moet de Raad van Beroep zijn advies aan de Raad van Bestuur mededelen. De termijn loopt vanaf de ontvangst van het verzoek om verschijning van de ambtenaar. Een afschrift van het advies wordt aan de ambtenaar toegestuurd. Binnen tien dagen na de kennisgeving van het bovenvermeld advies kan de ambtenaar een schriftelijke memorie aan de Raad van Bestuur overleggen waarbij de argumenten van de Raad van Beroep weerlegd worden. De Raad van Bestuur doet uitspraak in laatste instantie bij geheime stemming. Art. 87.Behoudens nieuwe elementen die de heropening van het dossier rechtvaardigen kan niemand het voorwerp zijn van een tuchtmaatregel voor reeds bestrafte feiten. Wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar gelegd wordt, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één procedure en tot het uitspreken van één tuchtmaatregel. De strafvordering schorst de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak. Art. 88.De instantie die de tuchtmaatregel uitspreekt, mag in geen enkel geval een zwaardere maatregel opleggen dan die welke werd voorgesteld. Zij mag slechts rekening houden met de feiten die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben. De tuchtmaatregel kan geen gevolg hebben dat voorafgaat aan het uitspreken ervan. Art. 89.De instantie die de tuchtmaatregel uitspreekt, motiveert elke beslissing die niet overeenstemt met het voorstel dat haar werd gedaan. Zij mag desgevallend geen andere feiten ter sprake brengen dan die welke beslissend waren voor het met redenen omkleed advies van de Raad van Beroep. HOOFDSTUK VII. - Schorsing in het belang van de dienst Art. 90.§ 1. Wanneer het belang van de dienst het eist, kan de ambtenaar door de directeur voor 8 dagen in zijn ambt worden geschorst. Hij wordt echter vooraf gehoord over de feiten die hem ten laste gelegd worden. Hij mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. De procedure mag slechts als hoofdzakelijk doel hebben de ambtenaar uit zijn dienst te verwijderen tijdens het onderzoek van de onregelmatige feiten die vastgesteld of hem ten laste gelegd zijn, opdat hij niet in staat is om de onderzoekingen te belemmeren. Slechts de Raad van Bestuur mag een andere beslissing tot schorsing uitspreken. Tijdens de voorlopige schorsing in het belang van de dienst kan aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaar het recht ontzegd worden om zijn aanspraken op bevordering en op tussentijdse weddeverhogingen te doen gelden; zijn wedde kan verminderd worden in de volgende gevallen : 1° wanneer hij strafrechtelijk vervolgd wordt;2° wanneer hij tuchtrechtelijk onderzocht wordt wegens ernstig vergrijp.Hij moet op heterdaad betrapt worden of er moet afdoende aanwijzingen zijn. De weddevermindering mag niet meer bedragen dan wat bepaald is in artikel 79, lid 2. § 2. De betrokkene mag de zaak bij de krachtens artikel 86 opgerichte Raad van Beroep aanhangig maken. In dit geval is de procedure bepaald in artikel 86 van toepassing. § 3. Na afloop van het onderzoek van zijn geval kan de ambtenaar een schorsing als tuchtmaatregel worden opgelegd. In afwijking van artikel 89, tweede lid, kan die schorsing terugwerkende kracht hebben. Het begin van de schorsing mag evenwel niet de dag voorafgaan waarop de bij toepassing van § 1, eerste lid, getroffen maatregelen uitwerking hebben gehad. In dit geval wordt de duur van de schorsing in het belang van de dienst op de duur van de tuchtschorsing aangerekend. HOOFDSTUK VIII. - Arbeidsduur, verloven en afwezigheden Art. 91.De gemiddelde maximale arbeidsduur mag 38 uren per week niet overschrijden. De regels betreffende de arbeidsduur en de toepassing van de 38-urige arbeidsweek worden in de Bijlage 6 opgenomen. Art. 92.§ 1. Zondagswerk bestaat uit de diensten die op zondagen en op wettelijke feestdagen tussen 0 en 24 uur gepresteerd worden. § 2. Volgende personeelsleden hebben recht op een toelage voor zondagswerk : - het hele personeel van de niveaus 2+, 2, 3 en 4; - de personeelsleden van niveau I tot de bezoldigingsrang D7 inbegrepen, indien hun uurrooster hen dienstprestaties op zondagen en op feestdagen oplegt. De andere ambtenaren van dit niveau hebben recht op generlei vergoeding of toelage voor zondagswerk. Wat de rechthebbende personeelsleden in de zin van § 2 betreft, geeft zondagswerk. voor elk effectief gepresteerd uur. aanleiding tot de uitbetaling van een toelage die overeenstemt met 80% van 1/Y x 52 van de geïndexeerde jaarlijkse brutowedde, waarbij Y het wekelijks aantal uren vertegenwoordigt. § 3. De overige regels m.b.t. de betaling en de berekening van de overuren en van het zondagswerk worden door de Raad van Bestuur vastgelegd. Art. 93.Behoudens tegenstrijdige bepalingen worden de verloven en afwezigheden bedoeld in voorliggend hoofdstuk als dienstactiviteit beschouwd. Art. 94.Deelneming van een ambtenaar aan een georganiseerde werkonderbreking kan voor de ambtenaar slechts een vermindering van zijn wedde tot gevolg hebben. De wedde zal naar rato van de niet gepresteerde werkuren verminderd worden. De afwezigheid wegens deelneming aan een georganiseerde werkonderbreking wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Art. 95.De ambtenaar is ertoe gehouden de gezondheidsdienst van het B.R.F. onmiddellijk te verwittigen wanneer een lid van zijn gezin dat onder hetzelfde dak woont, zijn echtgenoot of de persoon met wie hij samenleeft, aan een besmettelijke ziekte lijdt. De ambtenaar moet hem een attest van de behandelende arts overhandigen met precieze vermelding van de ziekte en de door hem als voorbehoedende maatregel noodzakelijk geachte afwezigheidsduur. Dit verlof wordt door de directeur na overleg met de gezondheidsdienst van het B.R.F. verleend. Art. 96.Zonder voorafgaande toestemming van zijn meerdere mag een personeelslid niet afwezig zijn. Art. 97.De ambtenaar die, behoudens behoorlijk vastgesteld ziektegeval of overmacht, zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof overschrijdt, heeft ambtshalve geen recht op zijn wedde tijdens een termijn die overeenstemt met de niet toegestane afwezigheid. Dit gebeurt onverminderd de eventuele toepassing van andere tuchtmaatregelen. Art. 98.Bij afwezigheid of verhindering van het diensthoofd wijst de directeur de persoon aan die de vervanging waarneemt. Is de directeur afwezig of verhinderd, wordt hij tot de volgende vergadering van de Raad van Bestuur door de meerdere vervangen die de hoogste graad heeft. Art. 99.De personeelsleden genieten een jaarlijks vakantieverlof van : - 25 werkdagen wanneer zij jonger dan vijftig zijn; - 26 werkdagen wanneer zij ouder dan vijftig zijn. Met het oog op de bescherming van het moederschap geniet de vrouwelijke ambtenaar ten minste de voordelen bedoeld in de artikels 7 en 8 van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden, of in elke andere wijzigingsbepaling. De ambtenaren genieten een bijkomend jaarlijks vakantieverlof waarvan de duur naargelang hun leeftijd als volgt wordt bepaald : - op 60 jaar : 1 werkdag; - op 61 jaar : 2 werkdagen; - op 62 jaar : 3 werkdagen; - op 63 jaar : 4 werkdagen; - op 64 jaar : 5 werkdagen. Art. 100.Op advies van het diensthoofd bepaalt de directeur de verlofsperiode voor elke ambtenaar. In de mate van het mogelijke houdt hij rekening met de wensen van de verschillende ambtenaren. De verlofsperiode mag de ambtenaar niet tussen 1 november en 31 maart worden opgelegd. Art. 101.Naargelang de wensen van de betrokkenen en met inachtneming van de behoeften van de dienst mag het verlof al dan niet gesplitst worden. Art. 102.Het jaarlijks verlof wordt onderbroken door : - het ziekteverlof, gerechtvaardigd door een geneeskundig attest; - het uitzonderlijk verlof bedoeld in artikel 103 van het statuut voor een gebeurtenis waarvan het diensthoofd onmiddellijk wordt verwittigd en waarvan het bewijs later wordt voorgelegd. De verlening van de verlofdagen die na het ziekteverlof of het uitzonderlijk verlof overblijven is onderworpen aan een nieuwe toestemming van het diensthoofd. Dit kan eventueel rekening houden met de behoeften van de dienst. Art. 103.Behalve het jaarlijks vakantieverlof kan uitzonderlijk verlof toegekend worden waarvan de duur niet meer dan 8 dagen 's jaars mag bedragen. Volgende tabel geeft een overzicht en de maximale duur ervan. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Onder verwant in de eerste graad verstaat men : de ouders, kinderen, schoonkinderen en schoonouders. Onder verwant in de tweede graad verstaat men : de gebroeders, schoonbroeders, schoonzusters, grootouders, kleinkinderen. Tijdens die uitzonderlijke verlofdagen blijven de ambtenaren hun wedde genieten. Art. 104.Het personeelslid dat een periode van wederoproeping onder de wapens verricht, wordt voor die periode bezoldigd. Art. 105.De ambtenaren bij het B.R.F. die onder de wapens weder opgeroepen worden als reserveofficier of onderofficier kandidaat reserveofficier (dus met uitzondering van de soldaten en onderofficieren die geen kandidaat reserveofficier zijn) : 1° zullen de wedde en de bijkomende vergoedingen (zoals b.v. de haard- of standplaatstoelagen, de kinderbijslag), uitbetaald door de Krijgsmacht, aan het B.R.F. terugbetalen. Het maximum bedraagt echter de wedde plus de vergoedingen die zij bij het B.R.F. verkrijgen; 2° zullen de bijzondere vergoedingen behouden die kosten dekken. Art. 106.Elk personeelslid dat verhinderd is zijn dienst op het opgelegde uur aan te vatten, is verplicht dit zonder enig verwijl kenbaar te maken aan zijn diensthoofd. Art. 107.Elke afwezigheid wegens ziekte of blessure moet door een geneeskundig attest gestaafd worden. Dit attest wordt binnen de 24 uren aan de gezondheidsdienst van het B.R.F. opgestuurd. Een afwezigheid van één dag, niet gestaafd door een geneeskundig attest, kan evenmin uitzonderlijk toegelaten worden. Zij moet echter, zoals elke andere afwezigheid, aan het diensthoofd medegedeeld worden. Art. 108.Het B.R.F. behoudt zich het recht elke zieke of geblesseerde ambtenaar door een geneesheer van zijn keuze, te zijnen laste, te laten onderzoeken. Art. 109.Een ambtenaar die zich in ziekteverlof bevindt mag zijn woonplaats zonder toestemming van de behandelende arts niet verlaten. Een ambtenaar die zich in ziekteverlof bevindt en van woonplaats verandert, moet zijn nieuwe woonplaats aan de directeur mededelen. Art. 110.Onder voorbehoud van de bepalingen over de disponibiliteit (terbeschikkingstelling) heeft het ziekteverlof geen weddevermindering tot gevolg. Art. 111.§ 1. Voor de ganse duur van zijn loopbaan kan de ambtenaar die wegens ziekte of gebrekkigheid verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, ziekte- of gebrekkigheidsverlof krijgen tot maximum eenentwintig werkdagen per twaalf maanden …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.