Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van het Verenigd College tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen mo

Kort samengevat

Dit besluit stelt de erkenningsnormen vast waaraan voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen moeten voldoen, met uitzondering van dagverzorgingscentra. Het regelt ook de groepering en fusie van dergelijke voorzieningen en de specifieke normen die daarbij gelden.

Wat het regelt

  • De normen voor erkenning van voorzieningen voor bejaarde personen.
  • De rechten en vrijheden van bejaarde personen in deze voorzieningen.
  • De verplichtingen van de voorzieningen ten aanzien van informatievoorziening en klachtenbehandeling.
  • De oprichting en werking van een participatieraad voor bejaarde personen.

Wie het aangaat

  • Voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen (met uitzondering van dagverzorgingscentra).
  • Bejaarde personen die in deze voorzieningen verblijven, en hun vertegenwoordigers.

Kernpunten

  • De voorziening moet een menswaardig leven garanderen, zonder onnodige immobilisatie, toezicht of afzondering.
  • Bejaarde personen hebben volledige vrijheid van overtuiging (filosofisch, politiek, godsdienstig, cultureel) en taal, en vrije keuze van arts.
  • Het is de voorziening verboden om het beheer van geld en goederen van bejaarde personen te eisen of te aanvaarden.
  • Elke voorziening moet een huishoudelijk reglement opstellen dat de rechten en plichten van de bejaarde persoon en de beheerder omschrijft, en dat door de Ministers moet worden goedgekeurd.
Wettekst
Wettekst
Obsah (6)Art. 61Art. 102Art. 127Art. 129Art. 180Art. 193

lege tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen moeten voldoen alsmede tot nadere omschrijving van de groepering en de fusie en

branddetectiesysteem voorzien. In de bestaande voorzieningen, met uitsluiting van de in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen, wordt dit systeem geïnstalleerd binnen vijf jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. In afwachting van de plaatsing van het in het eerste lid bedoelde systeem, dient in alle kamers van de voorzieningen een erkende optische detector te worden geplaatst. Afdeling 9. - Normen betreffende de beheerder Art. 23.Onverminderd artikel 29, § 3, van de ordonnantie, kan de erkenning worden geweigerd of ingetrokken wanneer de beheerder of, in voorkomend geval, de directeur van de voorziening in België of in het buitenland ingevolge een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing werd veroordeeld wegens één van de misdrijven genoemd in Boek II, Titel VII, hoofdstuk V, VI en VII, Titel VIII, hoofdstuk I, II, IV en VI en Titel IX, hoofdstuk I en II van het Strafwetboek, of wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 29 van de ordonnantie, of voor misdrijven omschreven in de ordonnanties, decreten en regelgevingen, in de sectoren van de voorzieningen voor huisvesting of opvang van bejaarde personen, van de Gemeenschappen en van de Gemeenschappelijke en Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, behalve indien het om een voorwaardelijke veroordeling gaat of indien de betrokkene nog recht heeft op uitstel. Afdeling 10. - Normen betreffende de facturatie Art. 24.Met uitzondering van de woningen voor bejaarde personen bedoeld in titel III, dient elke voorziening die een aanvraag tot erkenning heeft ingediend, onverwijld aan de administratie een afschrift te bezorgen van de kennisgeving van de toepassing van de werkelijke prijzen, gedaan bij de Prijzendienst van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, overeenkomstig artikel 6 van het ministerieel besluit van 12 augustus 2005Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 31/08/2005 numac 2005011348 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 02/09/2005 numac 2005011352 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 21/09/2005 numac 2005011385 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang. - Bericht van rechtzetting type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 31/08/2005 numac 2005011349 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 29 december 1989 betreffende de prijzen van de terugbetaalbare geneesmiddelen sluiten houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de voorzieningen voor opvang van bejaarden. Elke voorziening die over een voorlopige werkingsvergunning of erkenning beschikt, moet onverwijld aan de administratie een afschrift bezorgen van de beslissing van de in het eerste lid bedoelde dienst inzake een aanvraag tot prijsverhoging, die aan de aanvrager overeenkomstig artikel 4 van voormeld ministerieel besluit van 12 augustus 2005Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 31/08/2005 numac 2005011348 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 02/09/2005 numac 2005011352 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 21/09/2005 numac 2005011385 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang. - Bericht van rechtzetting type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 31/08/2005 numac 2005011349 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 29 december 1989 betreffende de prijzen van de terugbetaalbare geneesmiddelen sluiten werd betekend. Een afschrift van deze toestemming om de prijzen te verhogen wordt aan de bejaarde persoon of aan zijn vertegenwoordiger medegedeeld, ten laatste dertig dagen voor het opstellen van de eerste factuur waarin deze verhoging begrepen is. Art. 25.Met uitzondering van de woningen voor bejaarde personen bedoeld in titel III, stelt elke voorziening voor elke bejaarde persoon een individuele rekening op, waarop duidelijk zijn vermeld : 1° de identiteit van bejaarde persoon;2° een gedetailleerde opgave van alle lasten (de dagprijs - of maandprijs - voor de opvang of de huisvesting en/of de beschrijving van de geleverde prestaties en, in voorkomend geval, de toeslagen, zoals bepaald in bijlage I bij dit besluit);3° het verschuldigd totaal nettobedrag;4° het bedrag betaald door de betrokkene. Deze rekening kan op elk ogenblik ter plaatse door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd. Een gedetailleerde maandelijkse factuur vermeldt de balans van de verschuldigde bedragen en ontvangsten. Zij wordt samen met alle bewijsstukken aan de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger, overhandigd. Afdeling 11. - Normen betreffende de boekhouding Art. 26.Wanneer verschillende voorzieningen één rechtspersoonlijkheid vormen, moet voor elk van hen een aparte boekhouding worden gehouden. Art. 27.Onverminderd de op de openbare sector toepasselijke bepalingen moet elke voorziening, jaarlijks en vóór het einde van het eerste halfjaar, een exemplaar van de balans en de rekeningen van het afgelopen jaar alsmede een begroting voor het lopende dienstjaar aan de Ministers overzenden; hierbij wordt hetzij een afschrift van het verslag van de bedrijfsrevisor die de jaarrekeningen heeft gecertificeerd, gevoegd, hetzij een attest van een onafhankelijke accountant die ze heeft nagezien. HOOFDSTUK II. - Normen die van toepassing zijn op alle voorzieningen die bejaarde personen opvangen of huisvesten in de zin van artikel 2, met uitzondering van die bedoeld in artikel 2, 4°,

  1. a)en b), ss. Afdeling 1. - Veiligheids- en architectonische normen Onderafdeling 1. - Veiligheidsnormen Art. 28.Onverminderd de veiligheidsnormen toepasselijk op de bedoelde voorzieningen, moet de voorziening zich tegen brand verzekeren en voorzien in een afstand van verhaal ten voordele van de bejaarde persoon. Art. 29.De voorziening werkt in samenwerking met de brandweer een veiligheidsplan uit; zij organiseert de opleiding van haar personeel inzake brandpreventie en -bestrijding. Zij moet op elk ogenblik het bewijs hiervan leveren. Onderafdeling 2. - Architectonische normen Art. 30.Alle voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om brandgevaar te beperken, onder meer via de bescherming van de brandbare materialen. Art. 31.Alle vloeren en wanden moeten gemakkelijk te onderhouden zijn. Art. 32.Glazen deuren, die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de bejaarde personen worden door een op ooghoogte waarneembare contrasterende kleurstrook aangegeven. Art. 33.Ongeacht de weersomstandigheden, zowel 's nachts als overdag, moet in de verwarming, ventilatie en verlichting van alle lokalen worden voorzien. Alle voor de bejaarde personen toegankelijke lokalen moeten permanent beschikken over voldoende verlichting; deze laatste wordt aangepast aan de activiteiten die in de lokalen worden uitgeoefend. Art. 34.In alle weersomstandigheden moet een temperatuur kunnen worden bereikt van 22 °C in de kamers, leefruimten en badkamers of douches, en 18 °C in de overige lokalen. Art. 35.De oppervlakte van de ruiten in de leefruimte en de kamers moet ten minste 1/6 van de nettovloeroppervlakte bedragen. De hoogte van de vensterbanken moet voor iemand die neerzit en voor zich uitkijkt, een zicht op de buitenwereld mogelijk maken, evenwel zonder gevaar voor ongevallen. Art. 36.In geval van nieuwbouw of van verbouwingswerken die een stedenbouwkundige vergunning vereisen, zijn de normen bepaald in Titel IV van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2006Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 21/11/2006 pub. 19/12/2006 numac 2006031598 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot goedkeuring van de Titels I tot VIII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening, van toepassing op het volledige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest sluiten tot vaststelling van de Titels I tot VIII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toepasselijk op de in de vergunning bedoelde lokalen. Art. 37.De toiletten dienen over een goede rechtstreekse verluchting of een degelijke ventilatie te beschikken en zijn gemakkelijk toegankelijk. Elk toilet moet uitgerust zijn met aangepaste muurleuningen, een klerenhaak en een gemakkelijk bereikbare closetpapierhouder, met papier, en met een sanitair aangepaste vuilnisbak. De deuren gaan naar buiten open of zijn schuifdeuren. Elk toilet beschikt over een slot dat van buiten kan worden geopend. Art. 38.Het bad of stortbad moet gebruiksvriendelijk zijn. Deze installaties moeten met een antislipbodem en muurleuningen worden uitgerust. Alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen dienen te worden getroffen zodat watertoevoer geen ongevallen kan veroorzaken. De temperatuur van de mengkranen wordt door een thermostaat zó geregeld dat bejaarde personen zich niet kunnen verbranden. De straal van het stortbad moet verstelbaar zijn. Art. 39.De voorzieningen die één of meer verdiepingen hebben boven of onder het normale evacuatieniveau, moeten, wat het aantal liften betreft, beantwoorden aan de norm NBN E52-019, wat moet worden aangetoond door een berekeningsnota conform voormelde norm. Bij gebrek aan voormelde nota wordt per aangesneden schijf van 40 bejaarde personen minstens één lift vereist. Ten minste één van de liften moet een draagberrie kunnen vervoeren. Ten minste één lift moet alle verdiepingen bedienen die lokalen hebben die voor de bejaarde personen toegankelijk zijn. Afdeling 2. - Overeenkomst afgesloten tussen de voorziening en de bejaarde persoon Art. 40.§ 1. Vóór de opname of opvang wordt tussen de voorziening en de bejaarde persoon een overeenkomst afgesloten die verplicht vermeldt : 1° de algemene en bijzondere voorwaarden voor de huisvesting of opvang in de voorziening;2° overeenkomstig artikel 11, § 1, 8°, van de ordonnantie, de elementen die gedekt zijn door de dagprijs alsmede de kosten die duidelijk en beperkend kunnen worden gefactureerd, ofwel als toeslagen, ofwel als voorschotten ten gunste van derden, bovenop de dagprijs;3° de betalingswijzen :
  2. a)in geval van betaling via de bank, het bankrekeningnummer van de voorziening;
  3. b)in geval van contante betaling dient er een ontvangsbewijs te worden afgeleverd;4° indien er een voorschot vereist is, dan zal het bedrag ervan afgetrokken worden van de factuur die betrekking heeft op de eerste maand van opvang of huisvesting;5° de duur en de voorwaarden inzake de ontbinding van de overeenkomst;6° de wijze van toepassing van het koninklijk besluit van 21 januari 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 21/01/2009 pub. 30/01/2009 numac 2009018031 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit houdende onderrichtingen voor de apothekers sluiten houdende onderrichtingen voor de apothekers.De door de apotheker eventueel toegekende korting moet op een geïndividualiseerde wijze en gedeeltelijk onder een collectieve vorm aan de bejaarde persoon worden teruggegeven. Uit de boekhouding moet duidelijk blijken welk gebruik er werd gemaakt van de onder collectieve vorm toegekende korting. § 2. In geval van een dringende opname wordt de overeenkomst binnen zeven werkdagen volgend op de opname van de bejaarde persoon afgesloten. § 3. Indien de bejaarde persoon niet in staat is een schriftelijke overeenkomst te sluiten, dan moet de voorziening zijn vertegenwoordiger raadplegen of de wettelijke bepalingen bedoeld in Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek naleven. Art. 41.§ 1. Ieder ontwerp van modelovereenkomst of iedere wijziging ervan wordt voorafgaandelijk aan de goedkeuring van Ministers of hun afgevaardigde onderworpen. Deze laatste beschikken over negentig dagen te rekenen van de ontvangst van het document om te beslissen. Bij gebreke aan een antwoord binnen deze termijn wordt de modelovereenkomst of de wijziging ervan geacht te zijn goedgekeurd. Het ontvangstbewijs dat als kennisneming geldt van de overeenkomst en van elke wijziging ervan, wordt bij het vertrouwelijke dossier gevoegd. Elke met de hierboven vermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn. § 2. De Ministers of hun afgevaardigde kunnen bovendien, op elk ogenblik, de overlegging opeisen van elke overeenkomst afgesloten met een bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger. TITEL III. - Bijzondere normen toepasselijk op de woningen voor bejaarde personen Art. 42.Onverminderd de in Titel II, Hoofdstuk I, bepaalde algemene normen moet de woning voor bejaarden, in de zin van artikel 2, 4°, a), van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen. HOOFDSTUK I. - Normen betreffende de overeenkomst Art. 43.§ 1. De overeenkomst wordt voor een onbepaalde duur afgesloten. § 2. De overeenkomst mag ontbonden worden mits een opzeggingstermijn die niet korter dan drie maanden mag zijn in geval van ontbinding door de beheerder en twee maanden in geval van ontbinding door de bejaarde persoon. De ontbinding geschiedt schriftelijk, hetzij bij aangetekende brief, hetzij bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzeggingstermijn. De door de beheerder gegeven opzegging is behoorlijk gemotiveerd; bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd. De bejaarde persoon die de overeenkomst zonder inachtneming van de opzeggingstermijn ontbindt, kan verplicht zijn een vergoeding te betalen, gelijk aan de maandelijkse huurprijs die de duur van de opzegging dekt. § 3. In geval van ontbinding wegens medische redenen, bevestigd door een arts, mag de opzeggingstermijn voor de bejaarde persoon niet langer zijn dan dertig dagen. In geval van overlijden van de bejaarde persoon, begint een opzeggingstermijn van dertig dagen ambtshalve te lopen op de dag van het overlijden. In deze twee gevallen kunnen de partijen evenwel overeenkomen om deze opzeggingstermijn in te korten en de verplichting om de te betalen huurprijs te beperken tot de periode van werkelijke bewoning van de lokalen. § 4. Voor het overige zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de huurcontracten van toepassing. HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de plaatsbeschrijving en de waarborg Art. 44.De plaatsbeschrijving van de door de bejaarde persoon betrokken woning wordt door hem en de directeur getekend en bij de overeenkomst gevoegd. Indien er geen omstandige plaatsbeschrijving werd opgesteld, dan wordt de bejaarde persoon geacht het gehuurde goed in dezelfde staat te hebben ontvangen als die waarin het zich op het einde van de overeenkomst bevindt, behoudens bewijs van het tegendeel door de beheerder. Art. 45.§ 1. Wanneer een waarborg wordt geëist, wordt hij door de partijen op een eigen rekening geplaatst, geopend op naam van de bejaarde persoon bij een financiële instelling, met de vermelding van de bestemming : "waarborg voor elke schuldvordering voortvloeiend uit de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de verplichtingen van de bewoner". De intresten van de aldus belegde som worden gekapitaliseerd. Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bejaarde persoon of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventueel krachtens de overeenkomst verschuldigde kosten en vergoedingen. In ieder geval mag de waarborgrekening, zowel wat het kapitaal als de interesten betreft, slechts gebruikt worden ten voordele van de ene of de andere partij en mits hetzij een schriftelijk akkoord gesloten tussen de partijen, opgemaakt op een latere datum dan die van het sluiten van de overeenkomst, hetzij een eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing, wordt overgelegd. § 2. Het bedrag van de waarborg mag niet hoger zijn dan twee keer de maandelijkse huurprijs die in de overeenkomst bepaald is. § 3. Voor het overige zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de huurcontracten van toepassing. HOOFDSTUK III. - Normen betreffende het vertrouwelijk dossier Art. 46.Een vertrouwelijk dossier moet voor elke bejaarde persoon bij zijn opname worden opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan worden verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en, indien nodig, artikel 458 van het Strafwetboek. Dit vertrouwelijk dossier omvat : 1° een afschrift van de individuele fiche;2° een exemplaar van de overeenkomst en de plaatsbeschrijving getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon. Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd. Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening minstens drie jaar na zijn overlijden of vertrek bewaard. HOOFDSTUK IV. - Veiligheids- en architectonische normen Afdeling 1. - Veiligheidsnormen Art. 47.Onverminderd de veiligheidsnormen toepasselijk op de bedoelde voorzieningen, zet de voorziening elke bejaarde persoon aan zich tegen brand te verzekeren. Afdeling 2. - Architectonische normen Art. 48.De woningen zijn aangepast aan de bejaarde personen. Art. 49.Iedere woning moet ten minste bestaan uit een leefruimte, een kookruimte, een slaapkamer alsmede een van de andere lokalen gescheiden toiletruimte en badkamer of stortbad. Wanneer de leefruimte en de slaapkamer niet gescheiden zijn, bedraagt de netto-vloeroppervlakte van deze ruimte minimaal 32 m2 voor één persoon en minimaal 40 m2 voor twee personen, kookruimte inbegrepen. Wanneer die twee vertrekken gescheiden zijn moet de nettovloeroppervlakte van de slaapkamer ten minste 12 m2 bedragen. Art. 50.De voorzieningen die één of meer verdiepingen hebben boven of onder het normale evacuatieniveau, moeten, wat het aantal liften betreft, beantwoorden aan de norm NBN E52-019, wat aangetoond moet worden door een berekeningsnota conform voormelde norm. Bij gebrek aan voormelde berekeningsnota wordt er minstens één lift per aangesneden schijf van 40 bejaarde personen vereist. Ten minste één lift moet een draagberrie kunnen vervoeren. Art. 51.Glazen deuren, die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de bejaarde personen worden door een op ooghoogte waarneembare contrasterende kleurstrook aangegeven. Art. 52.Alle voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om brandgevaar te beperken, onder meer via de bescherming van de brandbare materialen. Art. 53.Alle vloeren en wanden moeten gemakkelijk te onderhouden zijn. Art. 54.De toiletten dienen over een goede rechtstreekse verluchting of een degelijke ventilatie te beschikken en zijn gemakkelijk toegankelijk. Elk toilet moet uitgerust zijn met aangepaste muurleuningen, een klerenhaak en een gemakkelijk bereikbare closetpapierhouder, met papier, en met een sanitair aangepaste vuilnisbak. De deuren gaan naar buiten open of zijn schuifdeuren. Elk toilet beschikt over een slot dat van buiten kan worden geopend. Art. 55.Het bad of stortbad moet gebruiksvriendelijk zijn. Deze installaties moeten met een antislipbodem en muurleuningen worden uitgerust. De straal van het stortbad moet verstelbaar zijn. HOOFDSTUK V. - Normen betreffende de directeur Art. 56.De directeur moet tijdens de kantooruren kunnen worden gecontacteerd; bovendien moet hij op afspraak beschikbaar zijn, minstens vier uur per week, verdeeld over minimaal twee dagen, waarvan minstens één uur na achttien uur. Art. 57.De directeur kan de directeur zijn van een andere door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie erkende voorziening. Art. 58.Indien de directeur alleen verbonden is aan de woning voor bejaarde personen, moet hij minstens houder zijn van een diploma van hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 100 uren hebben gevolgd. Er wordt aan de voormelde voorwaarden voldaan indien uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet. Bij afwijking van het eerste lid en voor een maximum duur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen. Art. 59.Het slagen in de in artikel 58 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de Ministers wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid. Art. 60.De directeur moet bovendien deelnemen aan een voortgezette beroepsopleiding van minstens drie dagen per jaar. Het programma van deze dagen moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de Ministers worden erkend. TITEL IV. - Bijzondere normen toepasselijk op de service-residenties en de residentiële gebouwen die diensten aanbieden, bedoeld in artikel 2, 4°, b), a, van de ordonnantie HOOFDSTUK I. -

Art. 61

.Onverminderd de in Titel II bepaalde algemene normen moeten de serviceresidenties en het residentiële gebouw dat diensten aanbiedt, in de zin van artikel 2, 4°, b), a, van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen. HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de huurovereenkomst, het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier Afdeling

  1. - Huisvestingsovereenkomst Onderafdeling
  2. - Duur van de huurovereenkomst Art. 62.De overeenkomst wordt voor een onbepaalde duur gesloten; de eerste maand dient als proefperiode. Onderafdeling
  3. - Ontbinding van de huurovereenkomst Art. 63.§
  4. Vóór de opname mag de bejaarde persoon de overeenkomst zonder kosten opzeggen, op voorwaarde dat hij de beheerder hiervan, bij aangetekende brief, binnen een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de ondertekening van het contract, verwittigt. §
  5. Gedurende de proefperiode kunnen de twee partijen de overeenkomst ontbinden mits een opzegging van zeven dagen. §
  6. Na deze proefperiode mag de overeenkomst op elk ogenblik ontbonden worden mits een opzeggingstermijn die niet korter dan drie maanden mag zijn in geval van ontbinding door de beheerder en twee maanden in geval van ontbinding door de bejaarde persoon. §
  7. De ontbinding geschiedt schriftelijk, hetzij bij aangetekende brief, hetzij bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzeggingstermijn. De door de beheerder gegeven opzegging is behoorlijk gemotiveerd, bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd. §
  8. Indien de bejaarde persoon de voorziening verlaat tijdens de door de beheerder gegeven opzeggingsperiode, dient hij deze opzeggingstermijn niet tot het einde ervan te presteren. §
  9. De bejaarde persoon die de overeenkomst zonder inachtneming van de opzeggingstermijn ontbindt, kan verplicht zijn een vergoeding te betalen, gelijk aan de maandelijkse huurprijs die de duur van de vastgestelde opzegging dekt, met uitsluiting van eventuele toeslagen. §
  10. In geval van ontbinding wegens medische redenen, bevestigd door een arts, mag de opzeggingstermijn voor de bejaarde niet langer zijn dan dertig dagen. In geval van overlijden van de bejaarde persoon begint een opzeggingstermijn van dertig dagen ambtshalve te lopen op de dag van het overlijden. In deze twee gevallen kunnen de partijen evenwel overeenkomen om deze opzeggingstermijn in te korten en de verplichting om de te betalen huurprijs te beperken tot de periode van werkelijke bewoning van de lokalen. Onderafdeling
  11. - Plaatsbeschrijving, waarborg en nummer van de woning Art. 64.De plaatsbeschrijving van de door de bejaarde persoon betrokken woning wordt door hem en de directeur getekend en bij de overeenkomst gevoegd. Indien er geen omstandige plaatsbeschrijving werd opgesteld, dan wordt de bejaarde persoon geacht het gehuurde goed in dezelfde staat te hebben ontvangen als die waarin het zich op het einde van de overeenkomst bevindt, behoudens bewijs van het tegendeel door de beheerder. Art. 65.De overeenkomst vermeldt het bedrag van de eventueel gestorte waarborg : 1° wanneer een waarborg wordt geëist, wordt hij door de partijen op een eigen rekening geplaatst, geopend op naam van de bejaarde persoon bij een financiële instelling, met de vermelding van de bestemming : « waarborg voor elke schuldvordering voortvloeiend uit de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de verplichtingen van de bewoner »;2° de intresten van de aldus belegde som worden gekapitaliseerd.Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bejaarde persoon of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventueel krachtens de overeenkomst verschuldigde kosten en vergoedingen; 3° in ieder geval mag de waarborgrekening, zowel wat het kapitaal als de interesten betreft, slechts gebruikt worden ten voordele van de ene of de andere partij en mits hetzij een schriftelijk akkoord gesloten tussen de partijen, opgemaakt op een latere datum dan die van het afsluiten van de overeenkomst, hetzij een eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing wordt overgelegd. Art. 66.Het bedrag van de waarborg mag niet hoger zijn dan twee keer de maandelijkse huurprijs die in de overeenkomst bepaald is. Art. 67.De overeenkomst neemt het nummer over van de betrokken woning. Onderafdeling
  12. - Huisvestingskost Art. 68.De overeenkomst neemt de maandelijkse huurprijs over alsmede de prijs van de huisvestingslasten. De maandelijkse huisvestingskost omvat minstens : 1° het gebruik van de individuele woning;2° het gebruik van de gemeenschappelijke ruimten, met inbegrip van de liften, overeenkomstig het huishoudelijk reglement;3° het gewone onderhoud en het reinigen van de gemeenschappelijke ruimten, materiaal en producten inbegrepen;4° de herstellingen van de woning die uit een gewoon huurgebruik voortvloeien;5° het gebruik van het meubilair van de gemeenschappelijke ruimten;6° de afvalverwijdering;7° de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten en hun onderhoud;8° het gebruik van alle gemeenschappelijke sanitaire installaties;9° de elektrische installaties van de gemeenschappelijke ruimten, het onderhoud ervan en elke wijziging erin en het elektriciteitsverbruik van de gemeenschappelijke ruimten;10° het gebruik van de installaties voor de bewaking, de bescherming tegen brandgevaar en intercom;11° in voorkomend geval, het gebruik van de openbare telefoontoestellen, met uitsluiting van de kostprijs van de persoonlijke commu-nicaties;12° de kosten voor de organisatie van de permanentie bepaald in artikel 86;13° de verzekeringen, die de beheerder heeft aangegaan overeenkomstig de wetgeving, met uitzondering van elke persoonlijke verzekering van de bejaarde persoon. Art. 69.De kosten van het water-, elektriciteits- en verwarmingsverbruik van de privéwoning worden door de bejaarde persoon betaald, hetzij rechtstreeks bij de distributiefirma, hetzij bij de beheerder, op basis van een individuele meter. Art. 70.Wanneer de bejaarde persoon bezit neemt van de woning in de loop van de maand, is hij voor de eerste maand een bedrag verschuldigd dat evenredig is met het resterende deel van de maand. Art. 71.Wat de in hoofdstuk III bedoelde diensten betreft, vermeldt de overeenkomst, de kortingsvoorwaarden van de financiële tegemoet-koming van de bejaarde persoon in geval van een ziekenhuisopname of een ononderbroken afwezigheid van meer dan zeven dagen. Art. 72.In alle gevallen blijft de verplichting tot betaling van de maandelijkse huisvestingsprijs van toepassing zolang de woning niet is vrijgegeven. Afdeling
  13. - Huishoudelijk reglement Art. 73.Het huishoudelijk reglement bevat verplicht de volgende bijkomende vermeldingen : 1° de permanente vrije toegang tot de bejaarde persoon voor de familie, de vrienden en de bedienaars van de erediensten of de lekenconsulenten die door deze persoon of zijn vertegenwoordiger worden gevraagd;2° de vrije keuze van het verplegend en paramedisch personeel;3° de samenstelling en de wijze waarop de participatieraad is georganiseerd alsmede het recht, voor de bejaarde persoon, om ervan deel uit te maken, overeenkomstig artikel 10;4° de wijze waarop de suggesties of opmerkingen, bedoeld in artikel 12, en de klachten, bedoeld in artikel 9, worden ingediend en onderzocht;het vermeldt onder meer de plaats waar de naam van de persoon aan wie de suggesties en opmerkingen kunnen worden gemaakt, wordt aangebracht; 5° de referenties van het verzekeringcontract dat de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening dekt;6° het recht om slechts de bezoekers van zijn keuze te ontvangen;elke bezoeker, en meer bepaald ieder personeelslid van de voorziening, moet de privacy van de bejaarde persoon eerbiedigen, onder meer door zich aan te melden vóór hij de woning binnentreedt. Afdeling
  14. - Vertrouwelijk dossier Art. 74.Een vertrouwelijk dossier moet voor elke bejaarde persoon bij zijn opname worden opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig artikel 458 van het Strafwetboek. Dit vertrouwelijk dossier omvat : 1° een afschrift van de individuele fiche;2° een exemplaar van de overeenkomst, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;4° de plaatsbeschrijving en de inventaris van de goederen bij de aankomst, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;5° in voorkomend geval, de bepalingen betreffende de voorwaarden met betrekking tot het levenseinde; 6° de naam, het adres en het telefoonnummer van de persoon die de huisvestingsprijs verschuldigd is (de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger, het O.C.M.W.,...) en de inlichtingen betreffende de betaling. Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd. Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening minstens drie jaar na zijn overlijden of zijn vertrek bewaard. HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de verplicht aangeboden diensten waarop de bejaarde personen vrij een beroep kunnen doen Art. 75.De door de gezins- of huishoudelijke hulpen verleende diensten en de verpleegkundige zorgen waarop de bejaarde personen een beroep kunnen doen, maken het voorwerp uit van een bijzondere overeenkomst. Deze mag in geen geval door de beheerder van de voorziening aan de bejaarde persoon worden opgelegd. Art. 76.De voorziening moet minstens één warme maaltijd per dag aan de bejaarde persoon die het wenst bezorgen, 's middags of 's avonds, die gemeenschappelijk kan worden genuttigd. Voor het middag- en avondmaal moet er een keuze tussen twee menu's zijn. Art. 77.Het menu wordt aan de bejaarde personen medegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een toegankelijke en goed zichtbare plaats aangebracht. Het blijft ten minste twee maanden ter inzage van de ambtenaren. Art. 78.De door dit hoofdstuk bedoelde diensten maken het voorwerp uit van een afzonderlijke maandelijkse facturatie. HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de hygiëne Art. 79.Het voedsel moet gezond en gevarieerd zijn; het is aangepast aan de bejaarde personen. De door de arts voorgeschreven diëten moeten in acht worden genomen. De bederfelijke eetwaren worden bewaard, bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne. Art. 80.De voorziening moet aan de administratie het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire bijdrage bij het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Art. 81.De keukens en waslokalen moeten dermate zijn ingericht dat hun geuren, dampen en geluiden de bejaarde personen niet hinderen; zij moeten uitgerust zijn met een systeem van lucht-verversing. Art. 82.Dieren mogen geen toegang hebben tot de keukens, noch tot de lokalen waar het voedsel wordt bewaard. Art. 83.De gemeenschappelijke lokalen beantwoorden aan hun bestemming en worden in een perfecte staat van netheid gehouden; zij worden regelmatig onderhouden en beschut tegen vochtigheid of insijpeling. Art. 84.Het verwarmingssysteem mag geen uitwaseming van vlammen, gassen of stof veroorzaken. Art. 85.Het vaste afval, onder meer het keukenafval, wordt in gesloten vuilniszakken opgeruimd. Die zakken moeten zó gesloten zijn dat het afval zich niet kan verspreiden en de bepalingen ter bescherming van het leefmilieu worden nageleefd. De voorziening schikt zich naar de uitgevaardigde richtlijnen om de selectieve ophaling te waarborgen. Art. 86.Drinkwater moet naar believen beschikbaar zijn. Art. 87.De lozing van het afvalwater moet permanent en in hygiënische omstandigheden worden gewaarborgd, overeenkomstig de vigerende regelgeving. Art. 88.Alle voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om besmettelijke ziekten te voorkomen, overeenkomstig de ordonnantie van juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid. HOOFDSTUK V. - Architectonische normen Art. 89.Elke woning moet ten minste bestaan uit een leefruimte, een kookruimte uitgerust met een elektrisch fornuis, een dampkap en een koelkast, een slaapkamer alsmede een van de andere lokalen gescheiden toilet, wasbak en een bad of stortbad en aangepast aan de bejaarde personen. Elke woning moet over een aansluiting op de telefoonlijn, de kabeltelevisie en het internet beschikken. Art. 90.Wanneer de leefruimte en de slaapkamer niet gescheiden zijn, bedraagt de totale nettovloeroppervlakte van die ruimte minstens 32 m2 voor één persoon en minstens 40 m2 voor twee personen, kookruimte inbegrepen. Wanneer die twee vertrekken gescheiden zijn, bedraagt de nettovloeroppervlakte van de slaapkamer ten minste 12 m
  15. Art. 91.Als de voorziening geen functionele band heeft met een rusthuis dat vlakbij ligt, dienen de lokalen en gemeenschappelijke uitrustingen ten minste het volgende te bevatten : 1° een polyvalente zaal die kan dienen als eet- en woonkamer, die beschikt over kabeltelevisie en een internetaansluiting;2° een toilet dat toegankelijk is voor personen met beperkte mobiliteit, in de nabijheid van de polyvalente zaal;3° een washok met wasketel en droger. De gemeenschappelijke lokalen dienen uitgerust te zijn met een systeem waardoor het dienstdoende personeel kan worden opgeroepen. Art. 92.Voor de bejaarde personen en het personeel moet in gescheiden, degelijke en voldoende aantallen sanitaire installaties worden voorzien. Deze laatste zijn uitgerust met een handenwasser. Art. 93.De verlichting van het gebouw en van de belangrijkste herkenningspunten moet aan de in de lokalen ontwikkelde activiteiten en aan de situatie van de bejaarde persoon aangepast zijn. In de gemeenschappelijke ruimten en de toiletten is het verboden de schakelaars met vertragingsfunctie te gebruiken, tenzij deze over een sensorsysteem beschikken. HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het personeel en de directeur Art. 94.Een personeelslid moet steeds, dag en nacht, in de voorziening aanwezig zijn, om onverwijld elke oproep van een bejaarde persoon te kunnen beantwoorden. Het beschikt ten minste over een opleiding als E.H.B.O.-er, waarvan de geldigheidsdatum niet overschreden is. Als de voorziening een functionele band heeft met een rusthuis dat in de onmiddellijke nabijheid ligt en op voorwaarde dat een systeem het hem mogelijk maakt oproepen van de bejaarde personen te ontvangen, kan het personeelslid dat instaat voor de wachtdienst in de service-residentie, in dat rusthuis aanwezig zijn zodat het onverwijld elke oproep van een bejaarde persoon van de service-residenties kan beantwoorden. In dat geval is de norm voor het nachtpersoneel de RH-norm en wordt die volgens het totaal aantal bejaarde personen van de verschillende eenheden berekend. Art. 95.De beheerder legt, voor hemzelf, voor ieder personeelslid en, voor de directeur of de natuurlijke persoon die deze taak waarneemt, een bewijs van goed gedrag en zeden voor aan de administratie. Art. 96.Bij verandering van beheerder of van directeur of bij de aanwerving van een nieuw personeelslid of van de directeur dient er een bewijs van goed gedrag en zeden te worden voorgelegd dat minder dan één maand oud is. Art. 97.De directeur moet tijdens de kantooruren kunnen worden gecontacteerd; bovendien moet hij op afspraak beschikbaar zijn, minstens vier uur per week, verdeeld over minimaal twee dagen, waarvan minstens één uur na achttien uur. Art. 98.Onverminderd artikel 187, § 1, mag de directeur de directeur zijn van een andere service-residentie of woning voor bejaarde personen. Art. 99.De directeur moet aan de volgende eisen voldoen : 1° de directeur die voor de eerste keer na de inwerkingtreding van dit besluit in functie treedt moet, vóór zijn indiensttreding, ten minste houder zijn van een diploma van hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 500 uren volgen bij een universiteit of opleidingscentrum erkend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, een andere Gemeenschap of bevoegde Gemeenschapscommissie. Deze opleiding is beperkt tot 100 uren voor de houders van een diploma ziekenhuiswetenschappen; houders van een diploma zieken-huiswetenschappen met oriëntatie geriatrie zijn van deze aanvullende opleiding vrijgesteld; 2° de directeur in functie op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, moet, binnen drie jaar na deze inwerkingtreding, aan de volgende voorwaarden voldoen : a) indien hij geen houder is van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs, moet hij een nuttige ervaring van vijf jaar aantonen en een opleiding van minstens 500 uren volgen;b) indien hij houder is van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of van het diploma van gebrevetteerd verpleger of gebrevetteerd verpleegster, moet hij een nuttige ervaring van twee jaar aantonen en een opleiding van minstens 350 uren volgen;c) indien hij houder is van een universitair of hoger niet-universitair diploma, moet hij een nuttige ervaring van twee jaar aantonen en een opleiding van minstens 250 uren volgen, met uitsluiting van de houders van een diploma ziekenhuiswetenschappen met oriëntatie geriatrie;3° in afwijking van 1° en voor een maximum-duur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen. Voor de toepassing van dit artikel dient onder nuttige ervaring te worden verstaan de ervaring opgedaan in de sectoren van de huisvesting van bejaarden, van de rust- en verzorgingstehuizen, van de ziekenhuizen of van de huisvesting van gehandicapte personen, voor zover het een verantwoordelijke functie betreft. Er wordt aan de voormelde voorwaarden voldaan indien uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet. Art. 100.Het slagen in de in artikel 99 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de Ministers wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid. Art. 101.De directeur moet bovendien deelnemen aan een voortgezette beroepsopleiding van minstens drie dagen per jaar. Het programma van deze dagen moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de Ministers worden erkend. TITEL V. - Bijzondere normen toepasselijk op de service-residenties en residentiële gebouwen die diensten aanbieden, bedoeld in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie HOOFDSTUK I. -

Art. 102

.Onverminderd de in Titel II, Hoofdstuk I, bepaalde algemene normen moeten de serviceresidentie en het residentiële gebouw dat diensten aanbiedt, in de zin van artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen. HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de overeenkomst, het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier Afdeling

  1. - Bijzondere overeenkomst afgesloten tussen de vereniging van de mede-eigenaren en de beheerder Art. 103.Een overeenkomst wordt afgesloten tussen de vereniging van mede-eigenaren of haar gevolmachtigde en de beheerder, waartoe elke bejaarde persoon verplicht is toe te treden. Ze bepaalt onder meer : 1° de duur van de overeenkomst, de procedure en de termijnen van ontbinding om een nieuwe beheerder aan te wijzen, waardoor de continuïteit van de diensten kan worden gewaarborgd, alsmede de wijze waarop de bejaarde personen over deze wijziging worden ingelicht;2° de maandelijkse kost van de verplichte diensten die duidelijk en beperkend worden opgesomd;3° de betalingswijzen en, in geval van betaling via de bank, het bankrekeningnummer van de voorziening; indien er een voorschot vereist is, zal het bedrag afgetrokken worden van de factuur die betrekking heeft op de eerste maand van huisvesting. Art. 104.Als de bejaarde persoon huurder is, dienen alle bestaande verplichtingen tussen de eigenaar van de woning en de beheerder in het huurcontract te worden vermeld; voor de huurcontracten die reeds vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden afgesloten, moeten deze verplichtingen bij het contract worden gevoegd. Art. 105.Ieder ontwerp van overeenkomst of iedere wijziging ervan wordt, na onderlinge overeenkomst aangenomen door de vereniging van mede-eigenaren of haar gemachtigde en de beheerder, voorafgaandelijk aan de goedkeuring van de Ministers of hun afgevaardigde worden voorgelegd. Zij beschikken over negentig dagen te rekenen van de ontvangst van het document om te beslissen. Bij gebreke aan een antwoord binnen deze termijn wordt de modelovereenkomst of de wijziging ervan geacht te zijn goedgekeurd. Het ontvangstbewijs dat als kennisneming geldt van het huishoudelijk reglement en van elke wijziging ervan, wordt bij het vertrouwelijk dossier gevoegd. Elke met de hierboven vermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn. Afdeling
  2. - Kosten van de verplichte diensten Art. 106.De overeenkomst vermeldt de maandelijkse kosten van de verplichte diensten die duidelijk en beperkend opgesomd zijn. Wat de diensten betreft die door de beheerder worden geboden in de gemeenschappelijke lokalen die hem door de vereniging van mede-eigenaren ter beschikking worden gesteld, omvat deze maandelijkse prijs ten minste : 1° het gewone onderhoud en het reinigen van de gemeenschappelijke ruimten, materiaal en producten inbegrepen;2° het gebruik van het meubilair van de gemeenschappelijke ruimten;3° de afvalverwijdering;5° het gebruik van iedere gemeenschappelijke sanitaire installatie;5° het gebruik en het onderhoud van de elektrische installaties van de gemeenschappelijke ruimten;6° in voorkomend geval, het gebruik van de openbare telefoontoestellen, met uitsluiting van de kostprijs van de persoonlijke commu-nicaties;7° de kosten voor de organisatie van de permanentie, bepaald in artikel 118;8° de verzekeringen die de beheerder heeft aangegaan overeenkomstig de wetgeving, met uitzondering van elke persoonlijke verzekering van de bejaarde persoon. Art. 107.Wanneer de bejaarde persoon bezit neemt van de woning in de loop van de maand, is hij voor de eerste maand een bedrag verschuldigd dat evenredig is met het resterende deel van de maand. Art. 108.Wat de in hoofdstuk III bedoelde diensten betreft, vermeldt de overeenkomst, de kortingsvoorwaarden van de financiële tegemoet-koming van de bejaarde persoon in geval van een ziekenhuisopname of een ononderbroken afwezigheid van meer dan zeven dagen. Afdeling
  3. - Huishoudelijk reglement Art. 109.Het huishoudelijk reglement bevat verplicht de volgende bijkomende vermeldingen : 1° de permanente vrije toegang tot de bejaarde persoon voor de familie, de vrienden en de bedienaars van de erediensten of de lekenconsulenten die door deze bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden gevraagd;2° de vrije keuze van het verplegend en paramedisch personeel;3° de samenstelling en de wijze waarop de participatieraad is georganiseerd alsmede het recht, voor de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger, ervan deel uit te maken, overeenkomstig artikel 10;4° de wijze waarop de suggesties of opmerkingen, bedoeld in artikel 12, en de klachten, bedoeld in artikel 9, worden ingediend en onderzocht;het vermeldt onder meer de plaats waar de naam van de persoon aan wie de suggesties en opmerkingen kunnen worden gemaakt, wordt aangebracht; 5° de referenties van het verzekeringcontract dat de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de beheerder en zijn personeel dekt. Afdeling
  4. - Het vertrouwelijk dossier Art. 110.Een vertrouwelijk dossier moet voor elke bejaarde bij zijn opname worden opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig artikel 458 van het Strafwetboek. Dit vertrouwelijk dossier omvat : 1° een afschrift van de individuele fiche;2° een exemplaar van de bijzondere overeenkomst, afgesloten tussen de vereniging van de mede-eigenaren of haar gemachtigde en de beheerder, waartoe de bejaarde persoon heeft toegetreden;3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;4° in voorkomend geval, de bepalingen betreffende de voorwaarden met betrekking tot het levenseinde. Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd. Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening minstens drie jaar na zijn overlijden of zijn vertrek bewaard. HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de verplicht voorgestelde diensten Art. 111.De beheerder staat in voor het dagelijks onderhoud, de schoonmaak en de herstelling van de gemeenschappelijke lokalen bedoeld in deze Titel. Art. 112.De beheerder garandeert ten minste één warme maaltijd per dag aan de bejaarde persoon, 's middags of 's avonds, die gemeenschappelijk kan worden genuttigd. Voor het middag- en avondmaal moet er een keuze tussen twee menu's zijn. Art. 113.Het menu wordt aan de bejaarde personen medegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een toegankelijke en goed zichtbare plaats aange-bracht. Het blijft ten minste twee maanden ter inzage van de ambtenaren. Art. 114.Het voedsel moet gezond en gevarieerd zijn; het is aangepast aan de bejaarde personen. De door de arts voorgeschreven diëten moeten in acht worden genomen. De bederfelijke eetwaren worden bewaard, bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne. HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de hygiëne Art. 115.De beheerder moet aan de administratie het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire bijdrage bij het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Art. 116.De keukens en waslokalen moeten dermate zijn ingericht dat hun geuren, dampen en geluiden de bejaarde personen niet hinderen; zij moeten uitgerust zijn met een systeem van lucht-verversing, waarvan het onderhoud door de beheerder wordt verzekerd. Art. 117.Dieren mogen geen toegang hebben tot de keukens, noch tot de lokalen waar het voedsel wordt bewaard. HOOFDSTUK V. - Normen betreffende het personeel en de directeur Art. 118.Een personeelslid moet steeds, dag en nacht, in de voorziening zelf aanwezig zijn om onverwijld elke oproep van een bejaarde persoon te kunnen beantwoorden. Hij beschikt ten minste over een opleiding als E.H.B.O.-er. Art. 119.Bij verandering van beheerder of van directeur of bij de aanwerving van een nieuw personeelslid of van de directeur dient er een bewijs van goed gedrag en zeden te worden voorgelegd dat minder dan één maand oud is. Art. 120.Op hun vraag legt de beheerder, voor hemzelf, voor ieder personeelslid en, voor de directeur of de natuurlijke persoon die deze taak waarneemt, een bewijs van goed gedrag en zeden voor aan de administratie. Art. 121.De directeur moet tijdens de kantooruren kunnen worden gecontacteerd; bovendien moet hij op afspraak beschikbaar zijn, minstens vier uur per week, verdeeld over minimaal twee dagen, waarvan een uur na achttien uur. Art. 122.De directeur kan de directeur zijn van een andere voorziening. Indien de directeur eveneens directeur is van een rusthuis, dient hij enkel te beantwoorden aan de in artikel 184 bedoelde norm. Art. 123.De directeur moet aan de volgende eisen voldoen : 1° de directeur die voor de eerste keer na de inwerkingtreding van dit besluit in functie treedt moet, vóór zijn indiensttreding, ten minste houder zijn van een diploma van hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 500 uren volgen bij een universiteit of opleidingscentrum erkend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, een andere Gemeenschap of bevoegde Gemeenschapscommissie. Deze opleiding is beperkt tot 100 uren voor de houders van een diploma ziekenhuiswetenschappen; houders van een diploma zieken-huiswetenschappen met oriëntatie geriatrie zijn van deze aanvullende opleiding vrijgesteld; 2° de directeur in functie op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, moet, binnen drie jaar na deze inwerkingtreding, aan de volgende voorwaarden voldoen : a) indien hij geen houder is van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs, moet hij een nuttige ervaring van vijf jaar aantonen en een opleiding van minstens 500 uren volgen;b) indien hij houder is van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of van het diploma van gebrevetteerd verpleger of gebrevetteerd verpleegster, moet hij een nuttige ervaring van twee jaar aantonen en een opleiding van minstens 350 uren volgen;c) indien hij houder is van een universitair of hoger niet-universitair diploma, moet hij een nuttige ervaring van twee jaar aantonen en een opleiding van minstens 250 uren volgen, met uitsluiting van de houders van een diploma ziekenhuiswetenschappen met oriëntatie geriatrie;3° in afwijking van 1° en voor een maximum-duur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen. Voor de toepassing van dit artikel dient onder nuttige ervaring te worden verstaan de ervaring opgedaan in de sectoren van de huisvesting van bejaarden, van de rust- en verzorgingstehuizen, van de ziekenhuizen of van de huisvesting van gehandicapte personen, voor zover het een verantwoordelijke functie betreft. Er wordt aan de voormelde voorwaarden voldaan indien uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet. Art. 124.Het slagen in de in artikel 123 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de Ministers wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid. De Ministers kunnen de kandidaat-directeur of de directeur in functie van die opleidingen geheel of gedeeltelijk vrijstellen, rekening houdend met zijn diploma's of met zijn opgedane ervaring. Art. 125.De directeur moet bovendien deelnemen aan een voortgezette beroepsopleiding van minstens drie dagen per jaar. Het programma van deze dagen moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de Ministers worden erkend. Art. 126.De beheerder werkt in samenwerking met de brandweer een veiligheidsplan uit; voor de gemeenschappelijke ruimten past dit plan, in voorkomend geval, in het

veiligheidsplan van het gebouw. De beheerder organiseert de opleiding van zijn personeel inzake brandpreventie en -bestrijding. Hij moet op elk ogenblik het bewijs hiervan kunnen leveren. TITEL VI. - Bijzondere normen toepasselijk op de rusthuizen alsmede de voorzieningen die plaatsen voor kortverblijf aanbieden HOOFDSTUK I. -

Art. 127

.Onverminderd de in Titel II bepaalde algemene normen moeten de rusthuizen, alsmede de instellingen die plaatsen voor kortverblijf aanbieden, bedoeld in artikel 2, 4°, c) en f), van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen. Art. 128.De nieuwe voorzieningen mogen per vestigingsplaats niet meer dan 200 bedden uitbaten. HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de overeenkomst, de individuele fiche, het huishoudelijk reglementen het vertrouwelijk dossier Afdeling 1. - Overeenkomst Onderafdeling 1. -

Art. 129.§ 1.

Onverminderd artikel 40 wordt vóór de opname tussen de voorziening en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger, een overeenkomst afgesloten die verplicht vermeldt : 1° overeenkomstig artikel 11, § 1, vierde lid, 10°, van de ordonnantie de elementen die gedekt zijn door de dagprijs alsmede de kosten die duidelijk en beperkend kunnen worden gefactureerd, ofwel als toeslagen, ofwel als voorschotten ten gunste van derden, bovenop de dagprijs, overeenkomstig bijlage II betreffende de toeslagen op de dagprijs;2° de kortingsvoorwaarden van de financiële tegemoetkoming van de bejaarde persoon in geval van een ziekenhuisopname of een ononderbroken afwezigheid van meer dan zeven dagen;3° het feit dat de verplichting tot betaling van de dagprijs van toepassing blijft zolang de kamer niet is vrijgegeven, na het verstrijken van de in artikel 132 bepaalde opzeggingstermijn;4° het bedrag van de eventueel gestorte waarborg mag niet hoger zijn dan de maandelijkse huurprijs :

  1. a)wanneer een waarborg wordt geëist, wordt hij door de partijen op een eigen rekening geplaatst, geopend op naam van de bejaarde bij een financiële instelling, met de vermelding van de bestemming : « waarborg voor elke schuldvordering voortvloeiend uit de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de verplichtingen van de bejaarde persoon »;
  2. b)de intresten van de aldus belegde som worden gekapitaliseerd.Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bejaarde of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventueel krachtens de overeenkomst verschuldigde kosten en vergoedingen;
  3. c)in ieder geval mag de waarborgrekening, zowel wat het kapitaal als de interesten betreft, slechts gebruikt worden ten voordele van de ene of de andere partij en mits hetzij een schriftelijk akkoord afgesloten tussen de partijen, opgemaakt op een latere datum dan die van het sluiten van de overeenkomst, hetzij een eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing wordt overgelegd;
  4. d)er mag geen waarborg geëist worden in geval van een huisvesting in een kortverblijf;5° het nummer van de kamer die door de bejaarde persoon wordt bewoond. § 2. In geval van een dringende opname wordt de overeenkomst binnen zeven werkdagen volgend op de opname van de bejaarde persoon afgesloten. Art. 130.De plaatsbeschrijving van de door de bejaarde persoon betrokken kamer wordt door hem of zijn vertegenwoordiger en de directeur of, in voorkomend geval, de beheerder, getekend en bij de overeenkomst gevoegd. Indien er geen omstandige plaatsbeschrijving werd opgemaakt, dan wordt de bejaarde persoon geacht de kamer te hebben ontvangen in dezelfde staat als die waarin het zich op het einde van de overeenkomst bevindt, behoudens bewijs van het tegendeel door de beheerder. Afdeling 2. - Duur en ontbinding van de overeenkomst Art. 131.De overeenkomst wordt voor onbepaalde of bepaalde duur gesloten, de eerste maand dient als proefperiode. In geval van huisvesting in een kortverblijf moet een overeenkomst voor bepaalde duur worden gesloten. Art. 132.§ 1. Vóór de opname mag de bejaarde persoon de overeenkomst zonder kosten opzeggen, op voorwaarde dat hij de beheerder hiervan, bij aangetekende brief, binnen een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de ondertekening van het contract, verwittigt. § 2. Gedurende de proefperiode kunnen de twee partijen de overeenkomst ontbinden mits een opzegging van zeven dagen. § 3. Na deze proefperiode mag de overeenkomst op elk ogenblik ontbonden worden, mits een opzeggingstermijn die niet korter dan twee maanden mag zijn in geval van ontbinding door de beheerder en één maand in geval van ontbinding door de bejaarde persoon. In geval van ontbinding wegens medische redenen, bevestigd door een arts, mag de opzeggingstermijn voor de bejaarde persoon niet langer zijn dan veertien dagen. In geval van overlijden van een bejaarde persoon begint een opzeggingstermijn van vijftien dagen ambtshalve te lopen op de dag van het overlijden. In deze twee gevallen kunnen de partijen evenwel overeenkomen om deze opzeggingstermijn in te korten en de verplichting om de dagprijs te betalen tot de periode van werkelijke bewoning van de lokalen te beperken. § 4. Als de behandelende arts vindt dat de fysieke en geestelijke toestand van de bejaarde persoon dusdanig zó is dat er onherroepelijk bijzondere zorg vereist is in een meer passende voorziening, dan verbindt de voorziening er zich toe om de opzeggingstermijn te verlengen a rato van de tijd die nodig is om een nieuwe voorziening te vinden, voor zover de voortzetting van de huisvesting van de betrokken bejaarde persoon, op grond van een door die arts opgemaakt attest, geen ernstig gevaar inhoudt voor hemzelf of voor derden. § 5. In geval van huisvesting in een kortverblijf kan de overeenkomst worden ontbonden mits een opzegging van zeven dagen, ongeacht de partij die van deze opzegging kennis geeft. § 6. De ontbinding geschiedt schriftelijk, hetzij bij aangetekende brief, hetzij bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzeggingstermijn. De door de beheerder gegeven opzeggingstermijn is behoorlijk gemotiveerd; bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd. § 7. Indien de bejaarde persoon de voorziening verlaat tijdens de periode van de opzegging gegeven door de beheerder, is hij niet verplicht deze opzeg te presteren tot het einde ervan. § 8. De bejaarde persoon die de overeenkomst zonder inachtneming van de opzeggingstermijn ontbindt, kan verplicht zijn een vergoeding te betalen, gelijk aan de huurprijs die de duur van de vastgestelde opzegging dekt, met uitsluiting van eventuele toeslagen. Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement Art. 133.Buiten de in artikel 7 bedoelde vermeldingen, bevat het huishoudelijk reglement verplicht de volgende bijkomende vermeldingen : 1° de nauwkeurige omschrijving, in de bijzondere opnamevoorwaarden, van onder meer de bejaarde personen die minder dan zestig jaar oud zijn en de afhankelijkheidsgraden die voor de opname van de bejaarde personen in de voorziening worden geselecteerd;2° volledige bewegingsvrijheid in de voorziening alsmede volledige vrijheid om de voorziening te verlaten, tenzij een attest van de behandelende arts het tegenovergestelde voorschrijft;3° de door de voorziening ingevoerde schriftelijke procedures betreffende de afzondering, het toezicht en de immobilisatie, bedoeld in artikel 151;4° de vrijheid om elke dag bezoek te ontvangen minstens tussen 11 tot 20 uur, met inbegrip van zon- en feestdagen, zonder de dienst te storen;5° het recht om slechts de bezoekers van zijn keuze te ontvangen;elke bezoeker moet zich bekendmaken vooraleer de kamer te betreden; 6° elk personeelslid van de voorziening dient ervoor te zorgen dat het privéleven van de bejaarde persoon wordt geëerbiedigd, onder meer door zich bekend te maken vooraleer de kamer te betreden;7° het feit dat de naam van de bejaarde persoon aan de buitenkant van de kamer wordt aangebracht, tenzij laatstgenoemde of zijn vertegenwoordiger zich daartegen verzet;8° behalve een voorschrift van de behandelende arts, het verbod om de bejaarde persoon van kamer te veranderen, zonder zijn schriftelijke toestemming of de toestemming van zijn vertegenwoordiger; 9° de vrije keuze van de kinesitherapeut en het paramedisch personeel voor de bijkomende verzorging naast die welke door de voorziening wordt aangeboden, onder voorbehoud, desgevallend, en voor zover bewezen wordt dat de tarifaire veiligheid niet wordt nageleefd, van de voorwaarden waaronder de financiële tenlasteneming van de zorgen onderworpen kan worden aan een beslissing van het bevoegde O.C.M.W.; 10° de permanente vrije toegang tot de stervende bejaarde voor de familie, de vrienden en de bedienaars van de erediensten of de lekenconsulenten die door deze bejaarde persoon worden gevraagd of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;11° de toelatingsvoorwaarden voor een gezelschapsdier. Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier Art. 134.Een vertrouwelijk dossier moet voor elke bejaarde persoon bij zijn opname worden opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig artikel 458 van het Strafwetboek. Dit vertrouwelijk dossier omvat : 1° een afschrift van de individuele fiche;2° in voorkomend geval, het schriftelijk attest waarbij de vertegenwoordiger wordt aangesteld of een afschrift van de rechterlijke beslissing genomen overeenkomstig Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek;3° een exemplaar van de overeenkomst, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;4° in voorkomend geval, de bepalingen betreffende de voorwaarden met betrekking tot het levenseinde die overeenkomstig de wensen van de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger dienen te worden nageleefd;5° de plaatsbeschrijving en de inventaris van de goederen bij de opname, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;6° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;7° de naam, het adres en het telefoonnummer van de persoon die de dagprijs verschuldigd is en de inlichtingen betreffende de betaling;8° indien zij door de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger, werden meegedeeld, de inlichtingen betreffende het pensioen (aard, fonds en rekeningnummer). Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd. Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening minstens drie jaar na zijn overlijden of, in voor komend geval vertrek bewaard. HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de voeding, de hygiëne, de verzorging en de animatie Afdeling 1. - Voeding Art. 135.§ 1. De bederfelijke eetwaren worden bewaard, bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne. § 2. Het voedsel moet gezond en gevarieerd zijn; het is aangepast aan de gezondheidstoestand van de bejaarde persoon. De voorziening dient ten minste maandelijks te zorgen voor afwisselende maaltijden. § 3. De voorziening beschikt over een schriftelijk voedingsprogramma dat onder meer voorziet in gedocumenteerde procedures of protocollen die toegepast worden voor de voortijdige opsporing van alle bejaarde personen en de opvolging van de ondervoede en uitgedroogde bejaarde persoon. § 4. De door de arts voorgeschreven diëten moeten in acht worden genomen, zonder aanleiding te geven tot bijkomende kosten. In geval van parenterale voeding onder medisch voorschrift worden de voedingsproducten gefactureerd ten belope van het verschil met de prijs van de gewone voeding. Art. 136.Het menu wordt aan de bejaarde personen meegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een toegankelijke en goed zichtbare plaats aangebracht. Het wordt ten minste twee maanden ter inzage van de ambtenaren bewaard. Art. 137.Tenzij er een medische tegenaanwijzing bestaat, die bij het verzorgingsdossier wordt gevoegd, mag het ontbijt niet vóór 7 u. 30 worden opgediend, het middagmaal niet vóór 11 u. 30 en het avondmaal niet vóór 17 u. 30 m. Art. 138.Voor het middag- en avondmaal moet er een keuze tussen twee menu's zijn. Art. 139.De voorziening moet ten minste één warme maaltijd per dag, 's middags of 's avonds, aan de bejaarde persoon bezorgen, die gemeenshappelijk kan worden genuttigd. Aan de bejaarde personen die dit wensen, of voor wie het om gezondheidsredenen noodzakelijk is, moet de voorziening op elk ogenblik een tussendoortje kunnen bezorgen, zonder financiële meerkost. Afdeling 2. - Hygiëne Art. 140.De keukens en waslokalen moeten dermate zijn ingericht en ingeplant dat hun geuren, dampen en geluiden de bejaarde personen niet hinderen; zij moeten uitgerust zijn met een systeem van luchtverversing. Art. 141.De voorziening moet aan de administratie het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire bijdrage bij de Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Art. 142.Dieren mogen geen toegang hebben tot de keukens, de lokalen waar het voedsel wordt bewaard, noch tot de lokalen voor de verzorging of de voorbereiding van de verdeling van de geneesmiddelen. Art. 143.Het beddegoed moet steeds zindelijk en in goede staat worden gehouden. Het moet ten minste om de acht dagen en telkens het nodig blijkt, worden ververst. Art. 144.Alle passende hygiënische voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen inzake de vuile was, die steeds uit de voor bejaarde personen toegankelijke lokalen alsmede de keukens, de eetkamer, de lokalen waar het voedsel wordt bewaard, de lokalen voor de verzorging of de voorbereiding van de verdeling van de genees-middelen, moet worden verwijderd. Art. 145.Nachtstoelen mogen slechts worden gebruikt wanneer dit voor de bejaarde persoon strikt noodzakelijk is en nooit tijdens de maaltijden. Zij mogen niet worden gebruikt om de gewone zetels te vervangen. In elk geval moeten zij steeds zindelijk en hygiënisch worden gehouden. Het gebruik van luiers wordt beperkt tot incontinente personen en mag de hulpverlening bij het gebruik van de toiletten van personen met verlies van zelfredzaamheid niet vervangen. Art. 146.Voor de bejaarde personen en het personeel moet in gescheiden, degelijke en in voldoende aantal sanitaire installaties worden voorzien. Art. 147.De badkuipen of stortbaden moeten dagelijks door de bejaarde personen kunnen worden gebruikt. In elk geval moet de directie van de voorziening ervoor zorgen dat geen enkele bejaarde persoon de andere bejaarde personen door een gebrek aan zindelijkheid hindert. Elke bejaarde persoon neemt ten minste één keer per week een bad of een douche. Art. 148.Alle gemeenschappelijke lokalen moeten steeds zindelijk worden gehouden en aan hun bestemming beantwoorden. Art. 149.De voorziening moet het materiaal en de producten ter beschikking stellen die nodig zijn ter voorkoming van infecties verbonden aan de verzorging en de procedures betreffende deze preventie bepalen, door onder meer een handleiding op te stellen betreffende het te volgen beleid inzake hygiëne en preventie van nosocomiale aandoeningen in de voorziening. Afdeling 3. - Hulpverlening en verzorging Art. 150.§ 1. Bij het binnenkomen van de bejaarde persoon in de voorziening wordt er een multidisciplinaire evaluatie van de persoon uitgevoerd en een individueel zorg- en begeleidingsplan met betrekking tot het leefproject aangenomen. Dit plan wordt regelmatig herzien afhankelijk van de evolutie van de toestand van de bejaarde persoon; het wordt gevoegd bij het in artikel 152 bedoelde medisch dossier. § 2. Aan de bejaarde personen die niet in staat zijn alleen de activiteiten van het dagelijks leven te verrichten moet de nodige hulp worden geboden. § 3. Het persoonlijk ritme van de bejaarde persoon heeft de overhand op de organisatie en het dienstrooster van de tussenkomsten van het personeel. § 4. Tussen 22 en 7 uur ziet de voorziening erop toe bij de bejaarde personen enkel in geval van nood of oproep in te grijpen, dan wel wegens een hygiënische noodtoestand of indien de tussenkomst door de arts is voorgeschreven. § 5. De voorziening moet ervoor zorgen dat een dagelijkse toilet wordt gegeven aan de bejaarde personen die wegens hun gezondheids-toestand hulp nodig hebben. Deze hulp dient individueel te worden geboden. De dagelijkse verzorging mag niet vóór 7 u. worden gegeven en enkel als de bejaarde persoon wakker is. Art. 151.Als er maatregelen inzake immobilisatie, toezicht of afzondering noodzakelijk zijn, dan kunnen die slechts worden genomen op medisch voorschrift, na overleg met een pluridisciplinair team; deze maatregelen zullen aan de bejaarde persoon, ongeacht zijn toestand, aan zijn familie of zijn vertegenwoordiger, worden medegedeeld en bij het medisch dossier worden gevoegd; deze maatregelen zullen altijd in de tijd worden beperkt en zullen het voorwerp uitmaken van een evaluatie door een pluridisciplinair team; deze maatregelen dienen uitzonderlijk te blijven en kunnen slechts worden genomen als alle andere alternatieve maatregelen uitgeput zijn. Art. 152.§ 1. Voor elke bejaarde persoon moet een medisch dossier worden bijgehouden met vermelding onder meer van de bezoekdatum van de behandelende arts, zijn richtlijnen, de toe te dienen geneesmiddelen alsmede de te verlenen zorg, de eventueel voorgeschreven diëten en de gevraagde medische onderzoeken. Dit dossier zal eveneens informatie verstrekken over : 1° de geregelde gewichtscontrole;2° de geregelde controle op mond- en tandhygiëne (met inbegrip van de tandprothesen);3° duidelijke tekenen van risico op ondervoeding, meer bepaald in geval van ziekte, informatie die wordt bezorgd aan de behandelende arts of aan de diëtist. Het bevat bovendien de eventuele vroegtijdige wilsverklaringen inzake euthanasie en behandeling, overeenkomstig de wet van 28 mei 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/05/2002 pub. 22/06/2002 numac 2002009590 bron ministerie van justitie Wet betreffende de euthanasie sluiten betreffende de euthanasie. § 2. Bovendien wordt er ook voor elke bejaarde persoon een verzorgingsdossier bijgehouden met vermelding van de uitvoering van de medische richtlijnen alsmede de opmerkingen van het personeel dat met de toepassing van deze richtlijnen belast is. Dit dossier vermeldt tevens alle prestaties verricht door het verpleeg- en paramedisch personeel dat door de bejaarde persoon werd geraadpleegd. Elke handeling of vaststelling wordt gedateerd en geviseerd door het personeel die de prestaties heeft geleverd. § 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde dossiers worden onderworpen aan het beroepsgeheim alsmede aan de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. De bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger mag op elk ogenblik deze dossiers raadplegen en kan er een gedeeltelijk of volledig afschrift van verkrijgen tegen de kostprijs. Op elk afschrift wordt er verduidelijkt dat dit persoonlijk en vertrouwelijk is. Als deze bovenbedoelde dossiers automatisch verwerkt werden, dan zijn deze gegevens zó beveiligd dat ze conform zijn aan de in het eerste lid bedoelde wettelijke bepalingen. Ze dienen eveneens toegankelijk te zijn voor de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger. De directeur van elke voorziening moet deze dossiers gedurende minimum drie jaar na het overlijden of, in voorkomend geval, het vertrek van de bejaarde persoon bewaren. In geval van vertrek van die bejaarde persoon worden dit medisch dossier en de nodige inlichtingen voor de continuïteit van de verzor-ging meegedeeld aan de bejaarde persoon of aan zijn behandelende arts, of, op zijn verzoek, aan de nieuwe directeur, onder geheimhouding van de inlichtingen. Art. 153.De medische en verzorgingsdossiers kunnen worden geraadpleegd zonder verplaatsing door de artsen of verzorgenden van de voorziening. Ze kunnen ook worden geraadpleegd door de ambtenaren, met als enige bedoeling om hun bestaan en overeenstemming met de ordonnantie en de uitvoeringsbesluiten ervan, na te gaan. Onder voorbehoud daarvan zijn de ambtenaren gehouden tot beroepsgeheim en mogen ze de naamgegevens die ze bevatten niet kenbaar maken. Art. 154.De voorziening stelt een register op, met op de eerste bladzijde de volgende nuttige telefoonnummers : 1° de directie;2° de behandelende arts en de dienstdoende artsen;3° het dichtstbijzijnde ziekenhuis of waarmee een overeenkomst werd aangegaan;4° de ambulancedienst of waarmee een overeenkomst werd aangegaan;5° de brandweer;6° de politie. Dit register vermeldt voor elke periode van 24 u. de volgende inlichtingen : 1° de opmerkingen betreffende de bejaarde personen, met betrekking tot de aankomst van nieuwe bejaarde personen, de eventuele ziekenhuisopnamen, de verandering van medicatie, het vertrek;2° in voorkomend geval, elk beroep op een arts, een verpleegkundige of de directie alsmede de instructies van die personen. Dit register wordt door het personeelslid dat zijn dienst verlaat en datgene dat zijn dienst aanvangt, medeondertekend; het wordt dagelijks door de verantwoordelijke voor de verpleegkundige zorg geviseerd. Art. 155.De door de behandelende arts voorgeschreven geneesmiddelen worden maximaal vier dagen op voorhand bereid en bewaard door een beoefenaar van de verpleegkunde, of, in voor-komend geval, door een apotheker en worden verdeeld en toegediend onder de verantwoordelijkheid van een beoefenaar van de verpleegkunde. Art. 156.De geneesmiddelen worden bewaard in een afgesloten aangepast meubel of uitsluitend met het oog hierop voorbehoude lokaal. Art. 157.De behandelende arts moet op elk ogenblik de goede toediening van de voorgeschreven geneesmiddelen kunnen controleren. Afdeling 4. - Animatie Art. 158.De voorziening stelt een animatie- en activiteitenprogramma op. Dit programma wordt zó ontworpen dat het dagelijks voldoet aan de socioculturele behoeften van de bejaarde personen; het heeft meer bepaald betrekking op de activiteiten gericht op de handelingen van het dagelijks leven, het welzijn alsmede de culturele en participatieve activiteiten. Voor de organisatie van deze activiteiten kan de voorziening beroep doen op de medewerking van externe diensten of instellingen. Dit programma wordt uitgewerkt door de directeur in samenwerking met het personeel en de participatieraad. Zij evalueren dit en, in voorkomend geval, wijzigen ze dit elk jaar. Het programma wordt regelmatig aan elke bejaarde persoon meegedeeld. Het wordt aan de ambtenaren meegedeeld. Art. 159.De voorziening beschikt over een verantwoordelijke voor de animatie of sluit een akkoord met één of verschillende in animatie gespecialiseerde verenigingen. HOOFDSTUK IV. - Specifieke normen voor plaatsen voor kordtverblijf Art. 160.Een personeelslid van de voorziening die plaatsen van kortverblijf aanbiedt neemt een verbindingsfunctie waar, onder meer in overleg met de bejaarde persoon, zijn familie of verwanten, zijn behandelende arts en de diensten voor thuishulp of thuiszorg, met de bedoeling om de bejaarde persoon de mogelijkheid te geven om onder de beste voorwaarden naar huis terug te keren. Art. 161.De plaatsen voor kortverblijf worden geïdentificeerd binnen het rusthuis en zijn bestemd voor de bewoners in kortverblijf. HOOFDSTUK V. - Architectonische en veiligheidsnormen Art. 162.Elke kamer is genummerd en het nummer staat in de overeenkomst vermeld. De naam van de bejaarde persoon wordt aan de buitenkant van de kamer aangebracht, tenzij hij of zijn vertegenwoordiger zich hiertegen verzet. Art. 163.Voor de nieuwe voorzieningen en de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, die verbouwings-, renovatie- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, waarvoor er een stedenbouwkundige vergunning nodig is, bedraagt de minimale netto-oppervlakte van de individuele kamers, met uitsluiting van de sanitaire installaties, 15 m2 en 11 m2 per bejaarde persoon in de gemeenschappelijke kamers. In afwijking van het eerste lid, in de nieuwe voorzieningen en de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat; mag de minimale netto-oppervlakte niet kleiner zijn dan 12 m2 per bejaarde persoon; zij bedraagt 10 m2 per bejaarde persoon voor de gemeenschappelijke kamers. Art. 164.Voor de nieuwe voorzieningen en de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, die verbouwings-, renovatie- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, waarvoor er een stedenbouwkundige vergunning nodig is, mogen er in de gemeenschappelijke kamers niet meer dan twee bedden staan. De afstand tussen de bedden moet, zowel in de lengte als in de breedte, minstens 1 m 30 bedragen. Bovendien moet elk bed ten minste één meter van een raam verwijderd zijn. In de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, mogen in de gemeenschappelijke kamers niet meer dan drie bedden staan, uiterlijk tot 1 januari 2015; de afstand tussen de bedden moet, zowel in de lengte als in de breedte, minstens 0,90 m bedragen. Art. 165.Voor de nieuwe voorzieningen en de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, die verbouwings-, renovatie- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, waarvoor er een stedenbouwkundige vergunning nodig is, bestaat de helft van de opnamecapaciteit van de voorziening uit één-persoonskamers. Art. 166.In de voorzieningen met gemeenschappelijke kamers moet een individuele kamer gemakkelijk beschikbaar zijn om een bejaarde persoon te kunnen isoleren; hiervoor gelden dezelfde voorschriften als voor de individuele kamers. Art. 167.§ 1. Het kamermeubilair is aan de toestand van de bejaarde personen aangepast. Het is functioneel en in goede staat. § 2. In de individuele kamer moet het meubilair ten minste bestaan uit een bed, een hang- en legkast, een tafel, een leunstoel, een stoel en een nachttafel met lade en een individuele lichtbron boven of naast het bed. § 3. In de gemeenschappelijke kamer moet het meubilair ten minste bestaan, voor elke bejaarde, uit een bed, een hang- en legkast, een leunstoel, een nachttafel met lade en een individuele lichtbron boven of naast het bed. Bovendien moet zij beschikken over één of meerdere tafels met stoelen om alle bewoners van de kamer in de mogelijkheid te stellen in voorkomend geval gelijktijdig hun maaltijd te gebruiken. Door het plaatsen van beschotten tussen de bedden wordt in een minimum aan intimiteit voorzien. § 4. Een dubbelbed kan worden geïnstalleerd voor de koppels die het wensen. Art. 168.§ 1. De bediening van de verlichting en het oproepsysteem in de kamers moet vanuit het bed en de leunstoel bereikbaar zijn zonder dat het bewegingsvrijheid van de bejaarde personen door een loshangend snoer wordt gehinderd. § 2. Voor de nieuwe voorzieningen en de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, die verbouwings, renovatie- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, waarvoor er een stedenbouwkundige vergunning nodig is, bestaat de verlichting minstens uit een algemene verlichting van de kamer en een aparte leesverlichting die apart moeten kunnen worden bediend. Het aantal stopcontacten bedraagt per kamer minimaal één per 5 m2; het aantal lichtschakelaars bedraagt in de kamers minimaal drie waarvan één aan de inkom, één bij de leunstoel en één aan het bed. Art. 169.§ 1. Alle kamers worden met een vanuit de bedden en de leunstoelen bereikbaar oproepsysteem uitgerust; in voorkomend geval moet dit systeem kunnen worden ingesteld zonder de andere bewoners van de kamer te storen. § 2. Binnen de twee jaar die volgen op de inwerkingtreding van dit besluit, moeten alle kamers zijn uitgerust met een vast oproepapparaat om het beantwoorden van de oproep te registreren. Elke oproep en eveneens het beantwoorden ervan moeten minstens drie maanden bijgehouden worden. Bovendien moet de centrale met een stroombron worden uitgerust, die de werking van het oproepsysteem bij stroomonderbreking voor één uur waarborgt. Art. 170.Elke kamer beschikt over een aansluiting op de telefoonlijn, de kabeltelevisie en het internet. Art. 171.§ 1. Voor de nieuwe voorzieningen en de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, die verbouwings-, renovatie- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, waarvoor er een stedenbouwkundige vergunning nodig is, bevat elke kamer een sanitaire installatie gescheiden van de kamer, met toilet, wastafel, spiegel en een bad of stortbad die toegankelijk zijn voor rolstoelgebruikers met begeleider. § 2. Voor de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, beschikt elke kamer over een wastafel met warm en koud stromend drinkwater, een spiegel, alsmede over een scheidingswand tussen wastafel en bed. De sanitaire installaties omvatten ten minste één wc per acht bejaarden, met een minimum van één per verdieping. Art. 172.De toiletten bevinden zich in de nabijheid van de gemeenschappelijke lokalen, waarvan ten minste één toegankelijk is voor rolstoelgebruikers met begeleider. Art. 173.De toiletten, de douches en de gemeenschappelijke badkamers zijn met een systeem uitgerust dat aangeeft of ze al dan niet bezet zijn, alsmede met een oproepsysteem. Alle toiletten, stortbaden en badkamers van de voorziening zijn met een oproepsysteem uitgerust. Art. 174.Elke voorziening moet minstens over één in de hoogte verstelbaar bad beschikken. Art. 175.Alle lokalen die voor de bejaarde personen toegankelijk zijn, moeten uitgerust zijn met een binnen- of buiten systeem dat de bescherming van de bejaarde personen tegen zonnestralen mogelijk maakt. De voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, dienen te beantwoorden aan de voornoemde norm wanneer zij een verlenging van de erkenning vanaf 1 januari 2011 aanvragen. Art. 176.De voorziening moet over een voor alle bejaarde personen toegankelijke leefruimte beschikken, ongeacht hun afhankelijkheidsgraad. Deze ruimte beschikt over een aansluiting op het internet en kabeltelevisie. De totale oppervlakte van de gemeenschappelijke leefruimten bedraagt minstens 1,5m2 per bejaarde persoon, rekening houdend met de maximale huisvestingscapaciteit van de voorziening. Art. 177.De voorziening dient te beschikken over een lokaal dat bestemd is voor rokers. Dit lokaal moet duidelijk afgebakend en volledig geïsoleerd zijn, het mag niet als doorgang dienen en moet beschikken over een rookaf-zuigsysteem met een capaciteit van vijftien m3 per uur en per m2. Art. 178.De gangen en de trappen moeten voldoende breed zijn en uitgerust zijn met trap- of muurleuningen aan beide kanten. De eerste en de laatste trede alsmede elke afzonderlijke trede, moeten een boord hebben waarvan de kleur duidelijk tegen de vloerbekleding afsteekt. Art. 179.De voorziening moet over een aangepast en gemakkelijk toegankelijk lokaal beschikken, dat als sterfkamer of lijkkamer kan dienen. Dit lokaal is uitgerust met een koeltafel en dermate ingericht dat het de verwanten van de overleden persoon mogelijk maakt zich te bezinnen met respect voor de door de overledene of zijn vertegenwoordiger gekozen filosofische overtuigingen. Bij gebreke hieraan dient er een overeenkomst te worden gesloten die in de ter beschikkingstelling van een sterfkamer of lijkkamer, op kosten van de voorziening, voorziet. HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het aantal, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel en de directeur Afdeling 1. -

Art. 180

.De directie en het personeel van de voorziening dragen, in het kader van het leefproject, bij tot de zelfredzaamheid en ontplooiing van de bejaarde personen door hun toegang tot een dynamisch sociaal leven te bevorderen, een beroep te doen op hun creatief potentieel en door de deelname en de communicatie te vergemakkelijken. Art. 181.De voorziening moet de lijst van de personeelsleden bijhouden alsmede een tabel waarop hun werkzaamheden alsmede hun werkrooster en hun kwalificatie worden vermeld. Deze tabel moet in een voor het personeel voortdurend toegankelijk lokaal worden aangebracht. Art. 182.Voor elk personeelslid, de directeur inbegrepen, wordt een repertorium opgemaakt met alle administratieve stukken, afschriften van diploma's en bekwaamheidsattesten of attesten van nuttige ervaring, de arbeids- of ondernemingsovereenkomsten, de bewijzen van goed gedrag en zeden, het verzekeringscontract voor burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening alsmede van alle wettelijk voorgeschreven verzekeringen. Dit repertorium alsmede de staten van de driemaandelijkse aangiften bestemd voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid staan ter beschikking van de ambtenaren, die een afschrift ervan op eenvoudige aanvraag kunnen bekomen. Art. 183.Het geheel van het personeel moet een voortgezette opleiding volgen van minstens dertig uur per jaar, waarvan het programma door de Ministers wordt erkend. De voorziening stelt paritair een plan voor voortgezette opleiding op voor haar loontrekkend of vrijwillig personeel, dat over twee jaar wordt gespreid. Dit plan wordt voor goedkeuring aan de administratie overgezonden. De administratie controleert de kwaliteit van de geboden opleiding. In de opleidingsplannen moet onder meer in opleidingsplannen, opleidingen betreffende de bestrijding van mishandeling, de kwaliteit van de zorg, de diversiteit, de participarie van de bejaarde personen en de hygiëne worden voorzien. Afdeling 2. - Directeur Art. 184.De directeur moet aan de volgende eisen voldoen : 1° de directeur die voor de eerste keer na de inwerkingtreding van dit besluit in functie treedt moet, vóór zijn indiensttreding, ten minste houder zijn van een diploma van hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 500 uren volgen bij een universiteit of opleidingscentrum erkend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, een andere Gemeenschap of bevoegde Gemeenschapscommissie. Deze opleiding is beperkt tot 100 uren voor de houders van een diploma ziekenhuiswetenschappen; houders van een diploma ziekenhuiswetenschappen met oriëntatie geriatrie zijn van deze aanvullende opleiding vrijgesteld; 2° worden vrijgesteld van de in 1° bedoelde eisen :

  1. a)de directeurs in functie op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, die hebben voldaan aan de toegangsvoorwaarden tot het beroep gesteld bij het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996 tot vaststelling van de normen waaraan de inrichtingen die bejaarden huisvesten, moeten voldoen, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
  2. b)de directeurs die de bij een vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit betekende ministeriële beslissing, opgelegde opleiding volgen;
  3. c)de directeurs die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, een aanvraag tot afwijking hebben ingediend bij de Ministers, overeenkomstig artikel 68 van het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996.3° in afwijking van 1° en voor een maximumduur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen. Er wordt aan de voormelde voorwaarden voldaan indien uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet. Art. 185.Het slagen in de in artikel 184 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de Ministers wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid. Art. 186.De directeur moet deelnemen aan een voortgezette beroepsopleiding van minstens drie dagen per jaar; hij moet regelmatig opleidingen volgen inzake bestrijding van mishandeling en kwaliteitsvolle zorgverlening, alsmede met betrekking tot de diversiteit en de participatie van de bejaarde personen. Het programma van deze dagen moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de Ministers worden erkend. Art. 187.§ 1. De functie van directeur wordt voltijds uitgeoefend. Hij mag deze functie echter cumuleren met die van directeur van woningen voor bejaarde personen, van service-residenties met of zonder mede-eigendom, van een centrum voor dagopvang, van een dagverzorgingscentrum of van een centrum voor nachtopvang, voor zover de voorzieningen zich op dezelfde vestigingsplaats bevinden en door dezelfde beheerder worden beheerd. De directeur dient minstens twintig uur per week in de voorziening aanwezig te zijn. De directeur moet in geval van afwezigheid of verhindering, binnen of buiten de voorziening een persoon aanwijzen die de dagelijkse leiding van deze voorziening kan waarnemen en deze voor de administratie kan vertegenwoordigen. De naam van de vervanger wordt op een voor iedereen toegankelijke en zichtbare plaats aangebracht en de bejaarde personen en de leden van het personeel worden ervan op de hoogte gesteld. In geval van overmacht moet de directeur of zijn vervanger oproepbaar zijn. § 2. Voor de voorzieningen met meer dan zestig erkende bedden mag de directeur niet begrepen worden in de norm van het verplegend en paramedisch personeel. Art. 188.Op vraag van de administratie legt de beheerder, voor hemzelf, voor ieder personeelslid en, voor de directeur of de natuurlijke persoon die deze taak waarneemt, een bewijs van goed gedrag en zeden voor. Art. 189.Bij verandering van beheerder of van directeur of bij de aanwerving van een nieuwe directeur of nieuw personeelslid dient de beheerder een bewijs van goed gedrag en zeden voor te leggen dat minder dan één maand oud is. Afdeling 3. - Personeel Art. 190.De voorziening moet over voldoende verpleegkundig, verzorgend en paramedisch personeel beschikken om permanentvoortdurend, zowel overdag als 's nachts, voor het toezicht op en de verzorging van de bejaarde personen in te staan. Hiertoe beschikt zij over het personeel opgelegd door het ministerieel besluit van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rustoorden en in de rust- en verzorgingstehuizen voor bejaarden. Art. 191.§ 1. De voorziening beschikt over voldoende personeel, zowel kwantitatief als kwalitatief, om te zorgen voor de taken betreffende de keuken, het restaurant, het beddegoed, de wasserij, het technisch onderhoud, de netheid en de hygiëne van de lokalen en te voldoen aan de normen van dit besluit. De aan dit personeel toevertrouwde taken worden duidelijk vermeld in het arbeidscontract ervan. § 2. Er is minstens één voltijds equivalent nodig voor 15 bejaarde personen. Indien het aantal bejaarde personen lager of hoger ligt, wordt het aantal betrekkingen in verhouding daarmee vastgesteld. § 3. De voorziening mag deze taken volledig of gedeeltelijk laten uitvoeren met de hulp van buitendiensten die door een schriftelijke overeenkomst verplicht met haar verbonden zijn. De gelijkstelling van die prestaties met de arbeidstijd van het personeel wordt door de directeur van de voorziening voorgesteld op grond van de in bijlage II gestelde bepalingen en door de administratie nagegaan. In geval van onenigheid wordt de gelijkstelling door de Ministers vastgesteld, na advies van de afdeling. Art. 192.In een voorziening die maximaal zestig bedden telt, moet de nachtdienst door een lid van het verzorgend personeel worden waargenomen. In een voorziening die minstens zestig en hoogstens honderd twintig bedden telt, moet die nachtdienst minstens uit twee leden van het verzorgend personeel en één beoefenaar van de verpleegkunde bestaan. Per bijkomende schijf van zestig bedden of deel van dit aantal, moet de nachtdienst één bijkomende lid van het verzorgend personeel omvatten. In een voorziening met meer dan 180 bedden omvat de nachtdienst een bijkomende beoefenaar van de verpleegkunde. In een voorziening met meer dan zestig bedden moet ten minste één personeelslid dat de dienst waarneemt, minstens twee keer per nacht zijn ronde doen. TITEL VII. - Normen betreffennde de centra voor dagopvang HOOFDSTUK I. -

Art. 193

.Onverminderd de in Titel II bepaalde algemene normen moet het centrum voor dagopvang, in de zin van artikel 2, 4°, e), van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen. HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de overeenkomst, het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier Afdeling

  1. - Overeenkomst Art. 194.Vóór de opname wordt er tussen de voorziening en de bejaarde persoon een overeenkomst gesloten dat verplicht : 1° de algemene en bijzondere opvangvoorwaarden vermeldt, met inbegrip van de aanwezigheidsdagen en het uurrooster van elke bejaarde persoon;2° de samenwerkingsvoorwaarden met de zorg- en dienstverleners die de bejaarde persoon thuis verzorgen;3° de dagprijs van de opvang en de inbegrepen diensten;het middagmaal is begrepen in deze prijs. Art. 195.Naar gelang van de behoeften van de bejaarde persoon wordt de overeenkomst voor een bepaalde of onbepaalde duur gesloten. Als de overeenkomst voor een onbepaalde duur wordt gesloten, dan geldt de eerste maand als proefperiode. Art. 196.§
  2. Vóór de opname mag de bejaarde persoon de overeenkomst zonder kosten opzeggen, op voorwaarde dat hij de beheerder hiervan, bij aangetekende brief, binnen een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de ondertekening van het contract, verwittigt. §
  3. Op het einde van de proefperiode kan de overeenkomst worden ontbonden mits een opzegging van zeven dagen, ongeacht de partij die van deze opzegging kennis geeft. §
  4. De ontbinding geschiedt schriftelijk, ofwel bij aangetekende brief, ofwel bij aangetekend schrijven met ontvangsbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzeggingstermijn. De door de beheerder gegeven opzeggingstermijn is behoorlijk gemotiveerd; bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd. Art. 197.Er mag geen enkele waarborg worden geëist. Afdeling
  5. - Huishoudelijk reglement Art. 198.Het huishoudelijk reglement bevat verplicht de volgende bijkomende vermeldingen : 1° de voorwaarden voor het gebruik en het genot van de lokalen, uitrustingen en gemeenschappelijke diensten van het centrum waarover de bejaarde personen kunnen beschikken;2° de openingsdagen en Buren van het centrum : dit centrum dient minstens vijf dagen per week en minstens zes uur elke dag tussen 9 en 17 uur toegankelijk te zijn;3° de dagelijkse organisatie van activiteiten en animaties met het oog op het bevorderen van het behoud of het terugwinnen van de hoogst mogelijke zelfredzaamheid bij de bejaarde personen; 4° de voorwaarden volgens welke de bejaarde persoon een beroep mag doen op het verzorgend of paramedisch personeel van zijn keuze of van het centrum of van het personeel van het rusthuis waarmee het een functionele binding heeft, onder voorbehoud, desgevallend, en voor zover bewezen wordt dat de tarifaire veiligheid niet wordt nageleefd, van de voorwaarden waaronder de financiële tenlasteneming van de zorgen onderworpen kan worden aan een beslissing van het bevoegde O.C.M.W.; 5° de wijze waarop het centrum de continuïteit van de toediening van de geneesmiddelen aan de opgevangen personen waarborgt;6° de voorwaarden volgens welke een samenwerking wordt opgezet met de diensten voor thuishulp;7° de vrije keuze van de arts en de kinesitherapeut;8° de volledige bewegingsvrijheid in het centrum alsmede de volledige vrijheid om het centrum te verlaten met eerbiediging van de goede organisatie van het centrum;9° de vrijheid om bezoek te ontvangen of te weigeren : het verloop van deze bezoeken gebeurt met naleving van de goede organisatie van het centrum;10° de voorwaarden die de bejaarde persoon de gelegenheid bieden om deel te nemen aan de participatieraad van het rusthuis waarin het centrum zich bevindt of waarmee het een binding heeft;11° de wijze waarop de suggesties of opmerkingen, bedoeld in artikel 12, en de klachten, bedoeld in artikel 9, worden ingediend en onderzocht;het vermeldt onder meer de plaats waar de naam van de persoon aan wie de suggesties en opmerkingen kunnen worden gemaakt, wordt aangebracht; 12° het feit dat de voorziening gedekt is door een verzekering die de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening dekt;13° in voorkomend geval, de nadere regels voor de organisatie van de verplaatsingen. Afdeling
  6. - Vertrouwelijk dossier Art. 199.Een vertrouwelijk dossier wordt voor elke bejaarde persoon bij zijn opname opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig artikel 458 van het Strafwetboek. Dit vertrouwelijk dossier omvat : 1° een afschrift van de individuele fiche;2° een exemplaar van de overeenkomst, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;4° de naam, het adres en het telefoonnummer van de persoon die de prijs van de opvang verschuldigd is en de inlichtingen betreffende de betaling. Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon en zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd. Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening gedurende minimum drie jaar na zijn overlijden of, in voorkomend geval, zijn vertrek bewaard. HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de voeding, de hygiëne en de verzorging Afdeling
  7. - Voeding Art. 200.§
  8. De bederfelijke eetwaren worden bewaard en bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne. De voorziening dient ten minste maandelijks in te staan voor afwisselende maaltijden. §
  9. Het voedsel moet gezond en gevarieerd zijn, aangepast aan de gezondheidstoestand van de bejaarde persoon. §
  10. De voorziening beschikt over een schriftelijk voedingsprogramma dat onder meer voorziet in gedocumenteerde procedures of protocollen die toegepast worden voor de voortijdige opsporing van alle bejaarde personen en de opvolging van de ondervoede en uitgedroogde bejaarde persoon. §
  11. De door de arts voorgeschreven diëten moeten in acht worden genomen, zonder bijkomende kosten. Art. 201.De voorziening moet aan de administratie het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire bijdrage bij het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Art. 202.Het menu wordt aan de bejaarde personen medegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een toegankelijke en goed zichtbare plaats aange-bracht. Het blijft ten minste twee maanden ter inzage van de ambtenaren. Art. 203.Het warme middagmaal mag niet vóór 11 u. 30 worden opgediend. Er moet de

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.