← België

Besluit van het Verenigd College tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen mo

Kort samengevat

Dit besluit stelt de erkenningsnormen vast waaraan voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen moeten voldoen, met uitzondering van dagverzorgingscentra. Het regelt ook de groepering en fusie van dergelijke voorzieningen en de specifieke normen die daarbij gelden.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

📄 Wettekst
3 DECEMBER 2009. - Besluit van het Verenigd College tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen moeten voldoen alsmede tot nadere omschrijving van de groepering en de fusie en de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen Het Verenigd College, Gelet op de ordonnantie van 24 april 2008 betreffende de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen, artikel 11; Gelet op het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996 tot vaststelling van de normen waaraan de inrichtingen die bejaarden huisvesten moeten voldoen; Gelet op de adviezen van de afdeling instellingen en diensten voor bejaarden van de Commissie voor Welzijnszorg van de Adviesraad voor Gezondheids- en Welzijnszorg van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, gegeven op 13 en 25 februari 2009; Gelet op het advies 46.473/VR/3 van de Raad van State, gegeven op 2 juni 2009, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het beleid inzake Bijstand aan personen; Na beraadslaging, Besluit : TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° « Ordonnantie » : de ordonnantie van 24 april 2008 betreffende de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen;2° « Ministers » : de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het beleid inzake Bijstand aan personen;3° « Administratie » : de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel Hoofdstad;4° « Ambtenaren » : de ambtenaren, stagiairs en contractuele personeelsleden van de administratie die aangesteld zijn bij de inspectiedienst;3° « Nieuwe voorzieningen » : de voorzieningen die voor de eerste keer na de inwerkingtreding van dit besluit, worden uitgebaat;6° « Afgevaardigde van de Ministers » : de Leidend Ambtenaar van de administratie. Art. 2.Dit besluit stelt de normen vast waaraan een voorziening voor opvang of huisvesting van bejaarde personen, met uitzondering van de centra voor dagverzorging, moet voldoen om te worden erkend door de Ministers, overeenkomstig artikel 11, § 1, tweede en derde lid, van de ordonnantie. TITEL II. - ALGEMENE NORMEN HOOFDSTUK I. - Normen die van toepassing zijn op alle voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen, in de zin van artikel 2 Afdeling 1. Vrijheden en rechten van de bejaarde personen Art. 3.De voorziening waarborgt aan de bejaarde persoon : 1° een menswaardig leven, door onder meer af te zien van elke maatregel inzake immobilisatie, toezicht of afzondering, onverminderd de nadere regels bepaald door dit besluit;2° de grootste vrijheid tijdens de bewoning van de lokalen, voor zover zij de andere bejaarde personen en derden niet benadeelt;3° de volledige vrijheid van filosofische, politieke, godsdienstige, culturele overtuiging en van taal, door hem geen enkele verplichting van commerciële, culturele, politieke of godsdienstige aard of inzake taal op te leggen;4° als voorziening die, wegens haar organisatie, moet worden beschouwd niet uitsluitend te behoren tot de ene of de andere Gemeenschap en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, ingevoegd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001, en van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966, de opvang en de behandeling van de bejaarde persoon, in het Nederlands of in het Frans, naargelang zijn taalkeuze; Hiertoe dienen alle documenten waartoe, luidens dit besluit, de bejaarde persoon toegang heeft, in het Nederlands of in het Frans, te worden opgesteld, naargelang zijn taalkeuze; 5° de eerbied voor het seksuele en affectieve leven van de bejaarde persoon en zijn seksuele geaardheid;6° de vrije keuze van de arts. Art. 4.Onverminderd artikel 60, § 8, van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, is het voor de voorziening verboden van de bejaarde persoon het beheer of de bewaring te eisen of te aanvaarden van het geld en de goederen die hij haar hetzij bij zijn opname, hetzij later, toevertrouwt; dit verbod geldt eveneens voor het personeel van de voorziening. Art. 5.De voorziening heeft de verplichting : 1° aan elke bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger en aan zijn behandelende arts, de adressen mede te delen van de gezondheids-inspectie, van de administratie belast met de inspectie van de voorziening, alsmede het adres waar klachten kunnen worden ingediend, zowel binnen als buiten de voorziening;2° de volgende informatie permanent op de meest passende plaats aan te brengen volgens het publiek waarvoor zij bestemd is : a) de naam van de beheerder en indien het gaat over een rechtspersoon, zijn juridische vorm en de natuurlijke persoon die hem vertegenwoordigt;b) de personalia van de directeur en zijn gewone aanwezigheidsuren in de voorziening alsmede de naam van zijn vervanger in geval van afwezigheid of verhindering;c) elke inlichting betreffende de erkenning van de voorziening en, in voorkomend geval, elke inlichting betreffende een weigering of een intrekking van een erkenning alsmede een sluiting;d) de nadere regels voor de indiening en het onderzoek van de suggesties en opmerkingen van de bejaarde personen;e) de inlichtingen betreffende de bejaardenraad, hierna genoemd de « participatieraad ».Deze inlichtingen bevatten onder meer de lijst van de leden, het tijdschema van de vergaderingen, de agenda en de notulen van de laatste vergadering, die gedurende drie maanden zullen worden uitgehangen; f) de nadere regels betreffende het indienen van klachten binnen de voorziening alsmede bij de Ministers en de Administratie waarvan de respectievelijke adres en andere personalia vermeld worden;g) het adres en de telefoonnummers van de diensten van de Burgemeester van de gemeente waar de voorziening zich bevindt;h) het adres en het telefoonnummer van de diensten ter bestrijding van mishandeling van bejaarde personen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;i) behalve voor de woningen voor bejaarden, de activiteiten en de animaties die door de voorziening of de beheerder worden georganiseerd of die waaraan de bewoners kunnen deelnemen. De directeur van de voorziening neemt alle nodige maatregelen opdat de aankondiging leesbaar en voor iedereen toegankelijk zou zijn; 3° behalve voor de woningen voor bejaarden, de vertegenwoordiger van de bejaarde persoon te raadplegen of de wettelijke bepalingen bedoeld in Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek na te leven, indien deze bejaarde persoon niet in staat is een schriftelijke overeenkomst te sluiten;4° de bejaarde persoon aan te bevelen om zich te laten verzekeren voor burgerrechtelijke aansprakelijkheid. Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement Art. 6.§ 1. Elke voorziening moet een huishoudelijk reglement opstellen dat in een voor de bejaarde personen toegankelijk lokaal op een zichtbare plaats dient te worden aangebracht. § 2. Behalve in geval van dringende opname in een rusthuis, een centrum voor kortverblijf, een centrum voor dagopvang of een centrum voor nachtopvang moet het huishoudelijk reglement vóór de opname aan de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, aan zijn vertegenwoordiger worden overhandigd. Het document wordt voor ontvangst en akkoord ondertekend. Het ontvangstbewijs dat als kennisneming geldt van het huishoudelijk reglement en van elke wijziging ervan, wordt in voorkomend geval gevoegd bij het vertrouwelijk dossier van de bejaarde persoon. § 3. De bepalingen van dit reglement en elke latere wijziging ervan moeten aan de goedkeuring van de Ministers of hun afgevaardigde worden onderworpen. Deze laatste beschikken over negentig dagen, te rekenen vanaf de ontvangstdatum van de documenten, om het ontwerp van reglement of van wijziging eventueel te verwerpen, indien het niet ten minste de in artikel 7 bepaalde gegevens opneemt of indien het rechtens ontoelaatbare bepalingen opneemt. Bij ontstentenis van een antwoord binnen deze termijn, wordt het huishoudelijk reglement geacht te zijn goedgekeurd. Elke goedgekeurde wijziging in dit reglement wordt aan de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, aan zijn vertegenwoordiger tegen ontvangstbewijs overhandigd. De wijzigingen hebben uitwerking ten vroegste dertig dagen na goedkeuring ervan door de Ministers of hun afgevaardigde. § 4. Elke met de hierboven vermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn. Art. 7.Het huishoudelijk reglement omschrijft de rechten en de plichten van de bejaarde persoon en van de beheerder. Het bevat onder meer volgende punten : 1° het juridisch statuut en de aard van de voorziening;2° de nauwkeurige personalia van de beheerder en, in voorkomend geval, van de directeur;3° de bijzondere voorwaarden inzake opname of opvang, behalve voor de in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen;4° de voorwaarden inzake huisvesting of opvang, behalve voor de in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen;5° de datum van goedkeuring van dit reglement door de Ministers of hun afgevaardigde;6° de nadere regels voor de werking van de participatieraad;7° de nadere regels voor de indiening en behandeling van klachten binnen de voorziening;8° de plaats waar de naam van de persoon aan wie de suggesties en opmerkingen kunnen worden gemaakt, wordt aangebracht;9° het feit dat de voorziening een verzekering heeft aangegaan die de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening dekt. Afdeling 3. - Individuele fiche Art. 8.Bij de opname van een bejaarde persoon in een voorziening wordt een individuele fiche opgemaakt, met een recente foto; zij kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, door zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd. Deze fiche is vertrouwelijk en vermeldt : 1° de volledige identiteit van de bejaarde persoon (naam, voornaam, geboorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit);2° de naam, het adres en het telefoonnummer van : a) de gekozen behandelende arts en zijn vervanger;b) in voorkomend geval, het gekozen verpleegkundig en paramedisch personeel; c) de gewenste ziekenhuisvoorziening, onder voorbehoud, desgevallend, en voor zover bewezen wordt dat de tarifaire veiligheid niet wordt nageleefd, van de voorwaarden waaronder de financiële tenlasteneming van de zorgen onderworpen kan worden aan een beslissing van het bevoegde O.C.M.W.; 3° de naam, het adres en het telefoonnummer van de vertegenwoordiger en de vertrouwenspersonen die in geval van nood moeten worden verwittigd;4° de eventueel gewenste morele, godsdienstige of filosofische bijstand;5° behalve in de woningen voor bejaarden en de service-residenties bedoeld in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie, de inlichtingen betreffende het ziekenfonds van de bejaarde persoon of de houder (naam, adres, categorie, aansluitingsnummer);6° in voorkomend geval, de noodzaak om het medische dossier te raadplegen. Afdeling 4. - Normen betreffende het onderzoek en de behandeling van de klachten van de bejaarde personen Art. 9.De bejaarde persoon en elke betrokken persoon kunnen een klacht indienen bij de beheerder of de directeur en bij de Ministers of de administratie. Indien de klacht tot de beheerder of de directeur wordt gericht, onderzoekt hij de gegrondheid van de ingediende klacht en informeert schriftelijk de klagende partij over het gevolg dat eraan werd gegeven. Wanneer de klacht bij de Ministers of de administratie wordt neergelegd, gaan de ambtenaren onverwijld over tot de controle, ter plaatse, van de gegrondheid van de klacht, na de beheerder of de directeur te hebben gehoord. Ze nemen alle nodige voorzorgsmaatregelen om de anonimiteit van de klacht en het vertrouwelijke karakter van de elementen die ertoe aanleiding gaven, te waarborgen. Afdeling 5. - Normen betreffende de participatie van de bejaarde personen Art. 10.In iedere voorziening moet een participatieraad worden opgericht, die ten minste één maal per kwartaal vergadert. Deze raad is samengesteld uit de bejaarde personen of hun vertegenwoordiger. Hij neemt zijn eigen huishoudelijk reglement aan en bepaalt onder meer de wijze waarop zijn voorzitter wordt aangewezen, de wijze van uitnodigen, de wijze van opstellen van de agenda's en notulen van de vergaderingen. De beheerder of de directeur neemt de nodige maatregelen om, binnen de participatieraad, een echte deelnamedynamiek in de hand te werken bij elke bejaarde persoon, in voorkomend geval, door een personeelslid van de voorziening of een externe gemachtigde persoon aan te wijzen om de participatieraad te organiseren. Art. 11.De beheerder of de directeur verleent alle faciliteiten voor de organisatie van de vergaderingen van de participatieraad, onder meer door een lokaal voor deze vergaderingen ter beschikking te stellen. De participatieraad kan adviezen uitbrengen, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de beheerder of de directeur van de voorziening, over alle aangelegenheden die de algemene werking van de voorziening betreffen en wordt ingelicht over het gevolg dat aan zijn adviezen werd gegeven. De beheerder of de directeur moet ervoor zorgen dat van alle vergaderingen van de raad notulen worden opgemaakt, die ter beschikking worden gesteld van de bejaarde personen of hun vertegenwoordiger. De ambtenaren kunnen op ieder ogenblik kennis nemen van deze notulen. De beheerder, de directeur en personeelsleden en, in voorkomend geval, de coördinerende geneesheer kunnen er worden uitgenodigd om te debatteren over de door de bejaarde personen gewenste onderwerpen. Art. 12.Suggesties of opmerkingen kunnen door de bejaarde personen of hun vertegenwoordiger en de participatieraad in een daartoe bestemd register worden opgetekend bij de directeur of een door de directeur aangestelde verantwoordelijke, ten minste vier uur per week beschikbaar na afspraak. Die uren moeten over minstens twee dagen gespreid zijn, waarvan ten minste één uur na achttien uur. Dit register moet, op eenvoudige aanvraag, ter beschikking worden gesteld van de participatieraad en de ambtenaren. Een doos moet op elk ogenblik beschikbaar zijn en elke persoon in de mogelijkheid stellen om alle suggesties of opmerkingen mede te delen. Deze laatste worden opgenomen in een hiertoe bestemd register. Afdeling 6. - Het leefproject Art. 13.Een leefproject dient in elke voorziening door de beheerder en de directeur in samenwerking met het personeel en de participatieraad te worden vastgelegd om de ontwikkeling en het welzijn van de bejaarde personen zowel binnen als buiten de voorziening te bevorderen. Op basis van het leefproject leggen de beheerder, de directeur en het personeel de operationele doelstellingen vast voor de dagelijkse praktijk alsmede de indicatoren die het mogelijk maken om deze te evalueren. Het leefproject wordt elk jaar door de beheerder, de directeur, het personeel en de participatieraad geëvalueerd. In voorkomend geval wordt het leefproject gewijzigd. Het leefproject wordt aan elk personeelslid medegedeeld bij de aanwerving en aan elke bejaarde persoon bij zijn opname en telkens als het wordt gewijzigd. Het leefproject alsmede de documenten betreffende de uitwerking en de evaluatie ervan, met de eventuele wijzigingen, moeten door de ambtenaren kunnen worden gecontroleerd. Afdeling 7. - Normen betreffende de hygiëne Art. 14.Deze afdeling is slechts toepasselijk op de in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen voor zover die vereisten onder de bevoegdheid van de beheerder vallen. Art. 15.De gebouwen worden in een perfecte staat van netheid gehouden; zij worden regelmatig onderhouden en beschut tegen vochtigheid of insijpeling. Art. 16.Het verwarmingssysteem mag geen uitwaseming van vlammen, gassen of stof veroorzaken. Art. 17.Het vaste afval, onder meer het keukenafval, wordt in gesloten vuilniszakken opgeruimd die zó gesloten moeten zijn dat het afval zich niet kan verspreiden en de bepalingen ter bescherming van het leefmilieu worden nageleefd. De voorziening schikt zich naar de gestelde richtlijnen om de selectieve ophaling te waarborgen. Art. 18.Kosteloos drinkwater moet voor de bejaarde personen op elk ogenblik en naar believen in het gebouw beschikbaar zijn. Er zal hieraan een bijzondere aandacht worden besteed in geval van grote hitte. Art. 19.De lozing van het afvalwater moet permanent en in hygiënische omstandigheden worden gewaarborgd. Art. 20.Alle voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om besmettelijke ziekten te voorkomen, overeenkomstig de ordonnantie van 19 juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid. Afdeling 8. - Norm betreffende het oproepsysteem en het branddetectiesysteem Art. 21.De voorziening beschikt over een oproepsysteem waardoor de bejaarde persoon op elk ogenblik om hulp kan roepen zonder het lokaal of het appartement waarin hij zich bevindt, te verlaten. Deze laatste moet technisch zo ontworpen zijn dat iedere oproep voortdurend kan worden gelokaliseerd en zowel overdag als 's nachts snel kan worden beantwoord. Indien de voorziening over een intercomsysteem beschikt, dan moet dit door de bejaarde persoon kunnen worden uitgeschakeld vanuit de lokalen die hij betrekt. Dit systeem moet bovendien over een lichtgevend controlelampje beschikken dat aangeeft dat de luisterfunctie werd ingesteld. Art. 22.In de nieuwe voorzieningen wordt er in een algemeen branddetectiesysteem voorzien. In de bestaande voorzieningen, met uitsluiting van de in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen, wordt dit systeem geïnstalleerd binnen vijf jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. In afwachting van de plaatsing van het in het eerste lid bedoelde systeem, dient in alle kamers van de voorzieningen een erkende optische detector te worden geplaatst. Afdeling 9. - Normen betreffende de beheerder Art. 23.Onverminderd artikel 29, § 3, van de ordonnantie, kan de erkenning worden geweigerd of ingetrokken wanneer de beheerder of, in voorkomend geval, de directeur van de voorziening in België of in het buitenland ingevolge een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing werd veroordeeld wegens één van de misdrijven genoemd in Boek II, Titel VII, hoofdstuk V, VI en VII, Titel VIII, hoofdstuk I, II, IV en VI en Titel IX, hoofdstuk I en II van het Strafwetboek, of wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 29 van de ordonnantie, of voor misdrijven omschreven in de ordonnanties, decreten en regelgevingen, in de sectoren van de voorzieningen voor huisvesting of opvang van bejaarde personen, van de Gemeenschappen en van de Gemeenschappelijke en Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, behalve indien het om een voorwaardelijke veroordeling gaat of indien de betrokkene nog recht heeft op uitstel. Afdeling 10. - Normen betreffende de facturatie Art. 24.Met uitzondering van de woningen voor bejaarde personen bedoeld in titel III, dient elke voorziening die een aanvraag tot erkenning heeft ingediend, onverwijld aan de administratie een afschrift te bezorgen van de kennisgeving van de toepassing van de werkelijke prijzen, gedaan bij de Prijzendienst van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, overeenkomstig artikel 6 van het ministerieel besluit van 12 augustus 2005Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 31/08/2005 numac 2005011348 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 02/09/2005 numac 2005011352 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 21/09/2005 numac 2005011385 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang. - Bericht van rechtzetting type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 31/08/2005 numac 2005011349 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 29 december 1989 betreffende de prijzen van de terugbetaalbare geneesmiddelen sluiten houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de voorzieningen voor opvang van bejaarden. Elke voorziening die over een voorlopige werkingsvergunning of erkenning beschikt, moet onverwijld aan de administratie een afschrift bezorgen van de beslissing van de in het eerste lid bedoelde dienst inzake een aanvraag tot prijsverhoging, die aan de aanvrager overeenkomstig artikel 4 van voormeld ministerieel besluit van 12 augustus 2005Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 31/08/2005 numac 2005011348 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 02/09/2005 numac 2005011352 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 21/09/2005 numac 2005011385 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang. - Bericht van rechtzetting type ministerieel besluit prom. 12/08/2005 pub. 31/08/2005 numac 2005011349 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 29 december 1989 betreffende de prijzen van de terugbetaalbare geneesmiddelen sluiten werd betekend. Een afschrift van deze toestemming om de prijzen te verhogen wordt aan de bejaarde persoon of aan zijn vertegenwoordiger medegedeeld, ten laatste dertig dagen voor het opstellen van de eerste factuur waarin deze verhoging begrepen is. Art. 25.Met uitzondering van de woningen voor bejaarde personen bedoeld in titel III, stelt elke voorziening voor elke bejaarde persoon een individuele rekening op, waarop duidelijk zijn vermeld : 1° de identiteit van bejaarde persoon;2° een gedetailleerde opgave van alle lasten (de dagprijs - of maandprijs - voor de opvang of de huisvesting en/of de beschrijving van de geleverde prestaties en, in voorkomend geval, de toeslagen, zoals bepaald in bijlage I bij dit besluit);3° het verschuldigd totaal nettobedrag;4° het bedrag betaald door de betrokkene. Deze rekening kan op elk ogenblik ter plaatse door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd. Een gedetailleerde maandelijkse factuur vermeldt de balans van de verschuldigde bedragen en ontvangsten. Zij wordt samen met alle bewijsstukken aan de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger, overhandigd. Afdeling 11. - Normen betreffende de boekhouding Art. 26.Wanneer verschillende voorzieningen één rechtspersoonlijkheid vormen, moet voor elk van hen een aparte boekhouding worden gehouden. Art. 27.Onverminderd de op de openbare sector toepasselijke bepalingen moet elke voorziening, jaarlijks en vóór het einde van het eerste halfjaar, een exemplaar van de balans en de rekeningen van het afgelopen jaar alsmede een begroting voor het lopende dienstjaar aan de Ministers overzenden; hierbij wordt hetzij een afschrift van het verslag van de bedrijfsrevisor die de jaarrekeningen heeft gecertificeerd, gevoegd, hetzij een attest van een onafhankelijke accountant die ze heeft nagezien. HOOFDSTUK II. - Normen die van toepassing zijn op alle voorzieningen die bejaarde personen opvangen of huisvesten in de zin van artikel 2, met uitzondering van die bedoeld in artikel 2, 4°, a) en b), ss. Afdeling 1. - Veiligheids- en architectonische normen Onderafdeling 1. - Veiligheidsnormen Art. 28.Onverminderd de veiligheidsnormen toepasselijk op de bedoelde voorzieningen, moet de voorziening zich tegen brand verzekeren en voorzien in een afstand van verhaal ten voordele van de bejaarde persoon. Art. 29.De voorziening werkt in samenwerking met de brandweer een veiligheidsplan uit; zij organiseert de opleiding van haar personeel inzake brandpreventie en -bestrijding. Zij moet op elk ogenblik het bewijs hiervan leveren. Onderafdeling 2. - Architectonische normen Art. 30.Alle voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om brandgevaar te beperken, onder meer via de bescherming van de brandbare materialen. Art. 31.Alle vloeren en wanden moeten gemakkelijk te onderhouden zijn. Art. 32.Glazen deuren, die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de bejaarde personen worden door een op ooghoogte waarneembare contrasterende kleurstrook aangegeven. Art. 33.Ongeacht de weersomstandigheden, zowel 's nachts als overdag, moet in de verwarming, ventilatie en verlichting van alle lokalen worden voorzien. Alle voor de bejaarde personen toegankelijke lokalen moeten permanent beschikken over voldoende verlichting; deze laatste wordt aangepast aan de activiteiten die in de lokalen worden uitgeoefend. Art. 34.In alle weersomstandigheden moet een temperatuur kunnen worden bereikt van 22 °C in de kamers, leefruimten en badkamers of douches, en 18 °C in de overige lokalen. Art. 35.De oppervlakte van de ruiten in de leefruimte en de kamers moet ten minste 1/6 van de nettovloeroppervlakte bedragen. De hoogte van de vensterbanken moet voor iemand die neerzit en voor zich uitkijkt, een zicht op de buitenwereld mogelijk maken, evenwel zonder gevaar voor ongevallen. Art. 36.In geval van nieuwbouw of van verbouwingswerken die een stedenbouwkundige vergunning vereisen, zijn de normen bepaald in Titel IV van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2006Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 21/11/2006 pub. 19/12/2006 numac 2006031598 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot goedkeuring van de Titels I tot VIII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening, van toepassing op het volledige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest sluiten tot vaststelling van de Titels I tot VIII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toepasselijk op de in de vergunning bedoelde lokalen. Art. 37.De toiletten dienen over een goede rechtstreekse verluchting of een degelijke ventilatie te beschikken en zijn gemakkelijk toegankelijk. Elk toilet moet uitgerust zijn met aangepaste muurleuningen, een klerenhaak en een gemakkelijk bereikbare closetpapierhouder, met papier, en met een sanitair aangepaste vuilnisbak. De deuren gaan naar buiten open of zijn schuifdeuren. Elk toilet beschikt over een slot dat van buiten kan worden geopend. Art. 38.Het bad of stortbad moet gebruiksvriendelijk zijn. Deze installaties moeten met een antislipbodem en muurleuningen worden uitgerust. Alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen dienen te worden getroffen zodat watertoevoer geen ongevallen kan veroorzaken. De temperatuur van de mengkranen wordt door een thermostaat zó geregeld dat bejaarde personen zich niet kunnen verbranden. De straal van het stortbad moet verstelbaar zijn. Art. 39.De voorzieningen die één of meer verdiepingen hebben boven of onder het normale evacuatieniveau, moeten, wat het aantal liften betreft, beantwoorden aan de norm NBN E52-019, wat moet worden aangetoond door een berekeningsnota conform voormelde norm. Bij gebrek aan voormelde nota wordt per aangesneden schijf van 40 bejaarde personen minstens één lift vereist. Ten minste één van de liften moet een draagberrie kunnen vervoeren. Ten minste één lift moet alle verdiepingen bedienen die lokalen hebben die voor de bejaarde personen toegankelijk zijn. Afdeling 2. - Overeenkomst afgesloten tussen de voorziening en de bejaarde persoon Art. 40.§ 1. Vóór de opname of opvang wordt tussen de voorziening en de bejaarde persoon een overeenkomst afgesloten die verplicht vermeldt : 1° de algemene en bijzondere voorwaarden voor de huisvesting of opvang in de voorziening;2° overeenkomstig artikel 11, § 1, 8°, van de ordonnantie, de elementen die gedekt zijn door de dagprijs alsmede de kosten die duidelijk en beperkend kunnen worden gefactureerd, ofwel als toeslagen, ofwel als voorschotten ten gunste van derden, bovenop de dagprijs;3° de betalingswijzen : a) in geval van betaling via de bank, het bankrekeningnummer van de voorziening;b) in geval van contante betaling dient er een ontvangsbewijs te worden afgeleverd;4° indien er een voorschot vereist is, dan zal het bedrag ervan afgetrokken worden van de factuur die betrekking heeft op de eerste maand van opvang of huisvesting;5° de duur en de voorwaarden inzake de ontbinding van de overeenkomst;6° de wijze van toepassing van het koninklijk besluit van 21 januari 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 21/01/2009 pub. 30/01/2009 numac 2009018031 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit houdende onderrichtingen voor de apothekers sluiten houdende onderrichtingen voor de apothekers.De door de apotheker eventueel toegekende korting moet op een geïndividualiseerde wijze en gedeeltelijk onder een collectieve vorm aan de bejaarde persoon worden teruggegeven. Uit de boekhouding moet duidelijk blijken welk gebruik er werd gemaakt van de onder collectieve vorm toegekende korting. § 2. In geval van een dringende opname wordt de overeenkomst binnen zeven werkdagen volgend op de opname van de bejaarde persoon afgesloten. § 3. Indien de bejaarde persoon niet in staat is een schriftelijke overeenkomst te sluiten, dan moet de voorziening zijn vertegenwoordiger raadplegen of de wettelijke bepalingen bedoeld in Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek naleven. Art. 41.§ 1. Ieder ontwerp van modelovereenkomst of iedere wijziging ervan wordt voorafgaandelijk aan de goedkeuring van Ministers of hun afgevaardigde onderworpen. Deze laatste beschikken over negentig dagen te rekenen van de ontvangst van het document om te beslissen. Bij gebreke aan een antwoord binnen deze termijn wordt de modelovereenkomst of de wijziging ervan geacht te zijn goedgekeurd. Het ontvangstbewijs dat als kennisneming geldt van de overeenkomst en van elke wijziging ervan, wordt bij het vertrouwelijke dossier gevoegd. Elke met de hierboven vermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn. § 2. De Ministers of hun afgevaardigde kunnen bovendien, op elk ogenblik, de overlegging opeisen van elke overeenkomst afgesloten met een bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger. TITEL III. - Bijzondere normen toepasselijk op de woningen voor bejaarde personen Art. 42.Onverminderd de in Titel II, Hoofdstuk I, bepaalde algemene normen moet de woning voor bejaarden, in de zin van artikel 2, 4°, a), van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen. HOOFDSTUK I. - Normen betreffende de overeenkomst Art. 43.§ 1. De overeenkomst wordt voor een onbepaalde duur afgesloten. § 2. De overeenkomst mag ontbonden worden mits een opzeggingstermijn die niet korter dan drie maanden mag zijn in geval van ontbinding door de beheerder en twee maanden in geval van ontbinding door de bejaarde persoon. De ontbinding geschiedt schriftelijk, hetzij bij aangetekende brief, hetzij bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzeggingstermijn. De door de beheerder gegeven opzegging is behoorlijk gemotiveerd; bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd. De bejaarde persoon die de overeenkomst zonder inachtneming van de opzeggingstermijn ontbindt, kan verplicht zijn een vergoeding te betalen, gelijk aan de maandelijkse huurprijs die de duur van de opzegging dekt. § 3. In geval van ontbinding wegens medische redenen, bevestigd door een arts, mag de opzeggingstermijn voor de bejaarde persoon niet langer zijn dan dertig dagen. In geval van overlijden van de bejaarde persoon, begint een opzeggingstermijn van dertig dagen ambtshalve te lopen op de dag van het overlijden. In deze twee gevallen kunnen de partijen evenwel overeenkomen om deze opzeggingstermijn in te korten en de verplichting om de te betalen huurprijs te beperken tot de periode van werkelijke bewoning van de lokalen. § 4. Voor het overige zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de huurcontracten van toepassing. HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de plaatsbeschrijving en de waarborg Art. 44.De plaatsbeschrijving van de door de bejaarde persoon betrokken woning wordt door hem en de directeur getekend en bij de overeenkomst gevoegd. Indien er geen omstandige plaatsbeschrijving werd opgesteld, dan wordt de bejaarde persoon geacht het gehuurde goed in dezelfde staat te hebben ontvangen als die waarin het zich op het einde van de overeenkomst bevindt, behoudens bewijs van het tegendeel door de beheerder. Art. 45.§ 1. Wanneer een waarborg wordt geëist, wordt hij door de partijen op een eigen rekening geplaatst, geopend op naam van de bejaarde persoon bij een financiële instelling, met de vermelding van de bestemming : "waarborg voor elke schuldvordering voortvloeiend uit de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de verplichtingen van de bewoner". De intresten van de aldus belegde som worden gekapitaliseerd. Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bejaarde persoon of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventueel krachtens de overeenkomst verschuldigde kosten en vergoedingen. In ieder geval mag de waarborgrekening, zowel wat het kapitaal als de interesten betreft, slechts gebruikt worden ten voordele van de ene of de andere partij en mits hetzij een schriftelijk akkoord gesloten tussen de partijen, opgemaakt op een latere datum dan die van het sluiten van de overeenkomst, hetzij een eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing, wordt overgelegd. § 2. Het bedrag van de waarborg mag niet hoger zijn dan twee keer de maandelijkse huurprijs die in de overeenkomst bepaald is. § 3. Voor het overige zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de huurcontracten van toepassing. HOOFDSTUK III. - Normen betreffende het vertrouwelijk dossier Art. 46.Een vertrouwelijk dossier moet voor elke bejaarde persoon bij zijn opname worden opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan worden verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en, indien nodig, artikel 458 van het Strafwetboek. Dit vertrouwelijk dossier omvat : 1° een afschrift van de individuele fiche;2° een exemplaar van de overeenkomst en de plaatsbeschrijving getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon. Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd. Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening minstens drie jaar na zijn overlijden of vertrek bewaard. HOOFDSTUK IV. - Veiligheids- en architectonische normen Afdeling 1. - Veiligheidsnormen Art. 47.Onverminderd de veiligheidsnormen toepasselijk op de bedoelde voorzieningen, zet de voorziening elke bejaarde persoon aan zich tegen brand te verzekeren. Afdeling 2. - Architectonische normen Art. 48.De woningen zijn aangepast aan de bejaarde personen. Art. 49.Iedere woning moet ten minste bestaan uit een leefruimte, een kookruimte, een slaapkamer alsmede een van de andere lokalen gescheiden toiletruimte en badkamer of stortbad. Wanneer de leefruimte en de slaapkamer niet gescheiden zijn, bedraagt de netto-vloeroppervlakte van deze ruimte minimaal 32 m2 voor één persoon en minimaal 40 m2 voor twee personen, kookruimte inbegrepen. Wanneer die twee vertrekken gescheiden zijn moet de nettovloeroppervlakte van de slaapkamer ten minste 12 m2 bedragen. Art. 50.De voorzieningen die één of meer verdiepingen hebben boven of onder het normale evacuatieniveau, moeten, wat het aantal liften betreft, beantwoorden aan de norm NBN E52-019, wat aangetoond moet worden door een berekeningsnota conform voormelde norm. Bij gebrek aan voormelde berekeningsnota wordt er minstens één lift per aangesneden schijf van 40 bejaarde personen vereist. Ten minste één lift moet een draagberrie kunnen vervoeren. Art. 51.Glazen deuren, die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de bejaarde personen worden door een op ooghoogte waarneembare contrasterende kleurstrook aangegeven. Art. 52.Alle voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om brandgevaar te beperken, onder meer via de bescherming van de brandbare materialen. Art. 53.Alle vloeren en wanden moeten gemakkelijk te onderhouden zijn. Art. 54.De toiletten dienen over een goede rechtstreekse verluchting of een degelijke ventilatie te beschikken en zijn gemakkelijk toegankelijk. Elk toilet moet uitgerust zijn met aangepaste muurleuningen, een klerenhaak en een gemakkelijk bereikbare closetpapierhouder, met papier, en met een sanitair aangepaste vuilnisbak. De deuren gaan naar buiten open of zijn schuifdeuren. Elk toilet beschikt over een slot dat van buiten kan worden geopend. Art. 55.Het bad of stortbad moet gebruiksvriendelijk zijn. Deze installaties moeten met een antislipbodem en muurleuningen worden uitgerust. De straal van het stortbad moet verstelbaar zijn. HOOFDSTUK V. - Normen betreffende de directeur Art. 56.De directeur moet tijdens de kantooruren kunnen worden gecontacteerd; bovendien moet hij op afspraak beschikbaar zijn, minstens vier uur per week, verdeeld over minimaal twee dagen, waarvan minstens één uur na achttien uur. Art. 57.De directeur kan de directeur zijn van een andere door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie erkende voorziening. Art. 58.Indien de directeur alleen verbonden is aan de woning voor bejaarde personen, moet hij minstens houder zijn van een diploma van hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 100 uren hebben gevolgd. Er wordt aan de voormelde voorwaarden voldaan indien uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet. Bij afwijking van het eerste lid en voor een maximum duur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen. Art. 59.Het slagen in de in artikel 58 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de Ministers wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid. Art. 60.De directeur moet bovendien deelnemen aan een voortgezette beroepsopleiding van minstens drie dagen per jaar. Het programma van deze dagen moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de Ministers worden erkend. TITEL IV. - Bijzondere normen toepasselijk op de service-residenties en de residentiële gebouwen die diensten aanbieden, bedoeld in artikel 2, 4°, b), a, van de ordonnantie HOOFDSTUK I. - Algemeen Art. 61.Onverminderd de in Titel II bepaalde algemene normen moeten de serviceresidenties en het residentiële gebouw dat diensten aanbiedt, in de zin van artikel 2, 4°, b), a, van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen. HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de huurovereenkomst, het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier Afdeling 1. - Huisvestingsovereenkomst Onderafdeling 1. - Duur van de huurovereenkomst Art. 62.De overeenkomst wordt voor een onbepaalde duur gesloten; de eerste maand dient als proefperiode. Onderafdeling 2. - Ontbinding van de huurovereenkomst Art. 63.§ 1. Vóór de opname mag de bejaarde persoon de overeenkomst zonder kosten opzeggen, op voorwaarde dat hij de beheerder hiervan, bij aangetekende brief, binnen een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de ondertekening van het contract, verwittigt. § 2. Gedurende de proefperiode kunnen de twee partijen de overeenkomst ontbinden mits een opzegging van zeven dagen. § 3. Na deze proefperiode mag de overeenkomst op elk ogenblik ontbonden worden mits een opzeggingstermijn die niet korter dan drie maanden mag zijn in geval van ontbinding door de beheerder en twee maanden in geval van ontbinding door de bejaarde persoon. § 4. De ontbinding geschiedt schriftelijk, hetzij bij aangetekende brief, hetzij bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzeggingstermijn. De door de beheerder gegeven opzegging is behoorlijk gemotiveerd, bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd. § 5. Indien de bejaarde persoon de voorziening verlaat tijdens de door de beheerder gegeven opzeggingsperiode, dient hij deze opzeggingstermijn niet tot het einde ervan te presteren. § 6. De bejaarde persoon die de overeenkomst zonder inachtneming van de opzeggingstermijn ontbindt, kan verplicht zijn een vergoeding te betalen, gelijk aan de maandelijkse huurprijs die de duur van de vastgestelde opzegging dekt, met uitsluiting van eventuele toeslagen. § 7. In geval van ontbinding wegens medische redenen, bevestigd door een arts, mag de opzeggingstermijn voor de bejaarde niet langer zijn dan dertig dagen. In geval van overlijden van de bejaarde persoon begint een opzeggingstermijn van dertig dagen ambtshalve te lopen op de dag van het overlijden. In deze twee gevallen kunnen de partijen evenwel overeenkomen om deze opzeggingstermijn in te korten en de verplichting om de te betalen huurprijs te beperken tot de periode van werkelijke bewoning van de lokalen. Onderafdeling 3. - Plaatsbeschrijving, waarborg en nummer van de woning Art. 64.De plaatsbeschrijving van de door de bejaarde persoon betrokken woning wordt door hem en de directeur getekend en bij de overeenkomst gevoegd. Indien er geen omstandige plaatsbeschrijving werd opgesteld, dan wordt de bejaarde persoon geacht het gehuurde goed in dezelfde staat te hebben ontvangen als die waarin het zich op het einde van de overeenkomst bevindt, behoudens bewijs van het tegendeel door de beheerder. Art. 65.De overeenkomst vermeldt het bedrag van de eventueel gestorte waarborg : 1° wanneer een waarborg wordt geëist, wordt hij door de partijen op een eigen rekening geplaatst, geopend op naam van de bejaarde persoon bij een financiële instelling, met de vermelding van de bestemming : « waarborg voor elke schuldvordering voortvloeiend uit de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de verplichtingen van de bewoner »;2° de intresten van de aldus belegde som worden gekapitaliseerd.Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bejaarde persoon of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventueel krachtens de overeenkomst verschuldigde kosten en vergoedingen; 3° in ieder geval mag de waarborgrekening, zowel wat het kapitaal als de interesten betreft, slechts gebruikt worden ten voordele van de ene of de andere partij en mits hetzij een schriftelijk akkoord gesloten tussen de partijen, opgemaakt op een latere datum dan die van het afsluiten van de overeenkomst, hetzij een eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing wordt overgelegd. Art. 66.Het bedrag van de waarborg mag niet hoger zijn dan twee keer de maandelijkse huurprijs die in de overeenkomst bepaald is. Art. 67.De overeenkomst neemt het nummer over van de betrokken woning. Onderafdeling 4. - Huisvestingskost Art. 68.De overeenkomst neemt de maandelijkse huurprijs over alsmede de prijs van de huisvestingslasten. De maandelijkse huisvestingskost omvat minstens : 1° het gebruik van de individuele woning;2° het gebruik van de gemeenschappelijke ruimten, met inbegrip van de liften, overeenkomstig het huishoudelijk reglement;3° het gewone onderhoud en het reinigen van de gemeenschappelijke ruimten, materiaal en producten inbegrepen;4° de herstellingen van de woning die uit een gewoon huurgebruik voortvloeien;5° het gebruik van het meubilair van de gemeenschappelijke ruimten;6° de afvalverwijdering;7° de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten en hun onderhoud;8° het gebruik van alle gemeenschappelijke sanitaire installaties;9° de elektrische installaties van de gemeenschappelijke ruimten, het onderhoud ervan en elke wijziging erin en het elektriciteitsverbruik van de gemeenschappelijke ruimten;10° het gebruik van de installaties voor de bewaking, de bescherming tegen brandgevaar en intercom;11° in voorkomend geval, het gebruik van de openbare telefoontoestellen, met uitsluiting van de kostprijs van de persoonlijke commu-nicaties;12° de kosten voor de organisatie van de permanentie bepaald in artikel 86;13° de verzekeringen, die de beheerder heeft aangegaan overeenkomstig de wetgeving, met uitzondering van elke persoonlijke verzekering van de bejaarde persoon. Art. 69.De kosten van het water-, elektriciteits- en verwarmingsverbruik van de privéwoning worden door de bejaarde persoon betaald, hetzij rechtstreeks bij de distributiefirma, hetzij bij de beheerder, op basis van een individuele meter. Art. 70.Wanneer de bejaarde persoon bezit neemt van de woning in de loop van de maand, is hij voor de eerste maand een bedrag verschuldigd dat evenredig is met het resterende deel van de maand. Art. 71.Wat de in hoofdstuk III bedoelde diensten betreft, vermeldt de overeenkomst, de kortingsvoorwaarden van de financiële tegemoet-koming van de bejaarde persoon in geval van een ziekenhuisopname of een ononderbroken afwezigheid van meer dan zeven dagen. Art. 72.In alle gevallen blijft de verplichting tot betaling van de maandelijkse huisvestingsprijs van toepassing zolang de woning niet is vrijgegeven. Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement Art. 73.Het huishoudelijk reglement bevat verplicht de volgende bijkomende vermeldingen : 1° de permanente vrije toegang tot de bejaarde persoon voor de familie, de vrienden en de bedienaars van de erediensten of de lekenconsulenten die door deze persoon of zijn vertegenwoordiger worden gevraagd;2° de vrije keuze van het verplegend en paramedisch personeel;3° de samenstelling en de wijze waarop de participatieraad is georganiseerd alsmede het recht, voor de bejaarde persoon, om ervan deel uit te maken, overeenkomstig artikel 10;4° de wijze waarop de suggesties of opmerkingen, bedoeld in artikel 12, en de klachten, bedoeld in artikel 9, worden ingediend en onderzocht;het vermeldt onder meer de plaats waar de naam van de persoon aan wie de suggesties en opmerkingen kunnen worden gemaakt, wordt aangebracht; 5° de referenties van het verzekeringcontract dat de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening dekt;6° het recht om slechts de bezoekers van zijn keuze te ontvangen;elke bezoeker, en meer bepaald ieder personeelslid van de voorziening, moet de privacy van de bejaarde persoon eerbiedigen, onder meer door zich aan te melden vóór hij de woning binnentreedt. Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier Art. 74.Een vertrouwelijk dossier moet voor elke bejaarde persoon bij zijn opname worden opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig artikel 458 van het Strafwetboek. Dit vertrouwelijk dossier omvat : 1° een afschrift van de individuele fiche;2° een exemplaar van de overeenkomst, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;4° de plaatsbeschrijving en de inventaris van de goederen bij de aankomst, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;5° in voorkomend geval, de bepalingen betreffende de voorwaarden met betrekking tot het levenseinde; 6° de naam, het adres en het telefoonnummer van de persoon die de huisvestingsprijs verschuldigd is (de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger, het O.C.M.W.,...) en de inlichtingen betreffende de betaling. Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd. Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening minstens drie jaar na zijn overlijden of zijn vertrek bewaard. HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de verplicht aangeboden diensten waarop de bejaarde personen vrij een beroep kunnen doen Art. 75.De door de gezins- of huishoudelijke hulpen verleende diensten en de verpleegkundige zorgen waarop de bejaarde personen een beroep kunnen doen, maken het voorwerp uit van een bijzondere overeenkomst. Deze mag in geen geval door de beheerder van de voorziening aan de bejaarde persoon worden opgelegd. Art. 76.De voorziening moet minstens één warme maaltijd per dag aan de bejaarde persoon die het wenst bezorgen, 's middags of 's avonds, die gemeenschappelijk kan worden genuttigd. Voor het middag- en avondmaal moet er een keuze tussen twee menu's zijn. Art. 77.Het menu wordt aan de bejaarde personen medegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een toegankelijke en goed zichtbare plaats aangebracht. Het blijft ten minste twee maanden ter inzage van de ambtenaren. Art. 78.De door dit hoofdstuk bedoelde diensten maken het voorwerp uit van een afzonderlijke maandelijkse facturatie. HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de hygiëne Art. 79.Het voedsel moet gezond en gevarieerd zijn; het is aangepast aan de bejaarde personen. De door de arts voorgeschreven diëten moeten in acht worden genomen. De bederfelijke eetwaren worden bewaard, bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne. Art. 80.De voorziening moet aan de administratie het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire bijdrage bij het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Art. 81.De keukens en waslokalen moeten dermate zijn ingericht dat hun geuren, dampen en geluiden de bejaarde personen niet hinderen; zij moeten uitgerust zijn met een systeem van lucht-verversing. Art. 82.Dieren mogen geen toegang hebben tot de keukens, noch tot de lokalen waar het voedsel wordt bewaard. Art. 83.De gemeenschappelijke lokalen beantwoorden aan hun bestemming en worden in een perfecte staat van netheid gehouden; zij worden regelmatig onderhouden en beschut tegen vochtigheid of insijpeling. Art. 84.Het verwarmingssysteem mag geen uitwaseming van vlammen, gassen of stof veroorzaken. Art. 85.Het vaste afval, onder meer het keukenafval, wordt in gesloten vuilniszakken opgeruimd. Die zakken moeten zó gesloten zijn dat het afval zich niet kan verspreiden en de bepalingen ter bescherming van het leefmilieu worden nageleefd. De voorziening schikt zich naar de uitgevaardigde richtlijnen om de selectieve ophaling te waarborgen. Art. 86.Drinkwater moet naar believen beschikbaar zijn. Art. 87.De lozing van het afvalwater moet permanent en in hygiënische omstandigheden worden gewaarborgd, overeenkomstig de vigerende regelgeving. Art. 88.Alle voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om besmettelijke ziekten te voorkomen, overeenkomstig de ordonnantie van juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid. HOOFDSTUK V. - Architectonische normen Art. 89.Elke woning moet ten minste bestaan uit een leefruimte, een kookruimte uitgerust met een elektrisch fornuis, een dampkap en een koelkast, een slaapkamer alsmede een van de andere lokalen gescheiden toilet, wasbak en een bad of stortbad en aangepast aan de bejaarde personen. Elke woning moet over een aansluiting op de telefoonlijn, de kabeltelevisie en het internet beschikken. Art. 90.Wanneer de leefruimte en de slaapkamer niet gescheiden zijn, bedraagt de totale nettovloeroppervlakte van die ruimte minstens 32 m2 voor één persoon en minstens 40 m2 voor twee personen, kookruimte inbegrepen. Wanneer die twee vertrekken gescheiden zijn, bedraagt de nettovloeroppervlakte van de slaapkamer ten minste 12 m2. Art. 91.Als de voorziening geen functionele band heeft met een rusthuis dat vlakbij ligt, dienen de lokalen en gemeenschappelijke uitrustingen ten minste het volgende te bevatten : 1° een polyvalente zaal die kan dienen als eet- en woonkamer, die beschikt over kabeltelevisie en een internetaansluiting;2° een toilet dat toegankelijk is voor personen met beperkte mobiliteit, in de nabijheid van de polyvalente zaal;3° een washok met wasketel en droger. De gemeenschappelijke lokalen dienen uitgerust te zijn met een systeem waardoor het dienstdoende personeel kan worden opgeroepen. Art. 92.Voor de bejaarde personen en het personeel moet in gescheiden, degelijke en voldoende aantallen sanitaire installaties worden voorzien. Deze laatste zijn uitgerust met een handenwasser. Art. 93.De verlichting van het gebouw en van de belangrijkste herkenningspunten moet aan de in de lokalen ontwikkelde activiteiten en aan de situatie van de bejaarde persoon aangepast zijn. In de gemeenschappelijke ruimten en de toiletten is het verboden de schakelaars met vertragingsfunctie te gebruiken, tenzij deze over een sensorsysteem beschikken. HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het personeel en de directeur Art. 94.Een personeelslid moet steeds, dag en nacht, in de voorziening aanwezig zijn, om onverwijld elke oproep van een bejaarde persoon te kunnen beantwoorden. Het beschikt ten minste over een opleiding als E.H.B.O.-er, waarvan de geldigheidsdatum niet overschreden is. Als de voorziening een functionele band heeft met een rusthuis dat in de onmiddellijke nabijheid ligt en op voorwaarde dat een systeem het hem mogelijk maakt oproepen van de bejaarde personen te ontvangen, kan het personeelslid dat instaat voor de wachtdienst in de service-residentie, in dat rusthuis aanwezig zijn zodat het onverwijld elke oproep van een bejaarde persoon van de service-residenties kan beantwoorden. In dat geval is de norm voor het nachtpersoneel de RH-norm en wordt die volgens het totaal aantal bejaarde personen van de verschillende eenheden berekend. Art. 95.De beheerder legt, voor hemzelf, voor ieder personeelslid en, voor de directeur of de natuurlijke persoon die deze taak waarneemt, een bewijs van goed gedrag en zeden voor aan de administratie. Art. 96.Bij verandering van beheerder of van directeur of bij de aanwerving van een nieuw personeelslid of van de directeur dient er een bewijs van goed gedrag en zeden te worden voorgelegd dat minder dan één maand oud is. Art. 97.De directeur moet tijdens de kantooruren kunnen worden gecontacteerd; bovendien moet hij op afspraak beschikbaar zijn, minstens vier uur per week, verdeeld over minimaal twee dagen, waarvan minstens één uur na achttien uur. Art. 98.Onverminderd artikel 187, § 1, mag de directeur de directeur zijn van een andere service-residentie of woning voor bejaarde personen. Art. 99.De directeur moet aan de volgende eisen voldoen : 1° de directeur die voor de eerste keer na de inwerkingtreding van dit besluit in functie treedt moet, vóór zijn indiensttreding, ten minste houder zijn van een diploma van hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 500 uren volgen bij een universiteit of opleidingscentrum erkend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, een andere Gemeenschap of bevoegde Gemeenschapscommissie. Deze opleiding is beperkt tot 100 uren voor de houders van een diploma ziekenhuiswetenschappen; houders van een diploma zieken-huiswetenschappen met oriëntatie geriatrie zijn van deze aanvullende opleiding vrijgesteld; 2° de directeur in functie op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, moet, binnen drie jaar na deze inwerkingtreding, aan de volgende voorwaarden voldoen : a) indien hij geen houder is van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs, moet hij een nuttige ervaring van vijf jaar aantonen en een opleiding van minstens 500 uren volgen;b) indien hij houder is van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of van het diploma van gebrevetteerd verpleger of gebrevetteerd verpleegster, moet hij een nuttige ervaring van twee jaar aantonen en een opleiding van minstens 350 uren volgen;c) indien hij houder is van een universitair of hoger niet-universitair diploma, moet hij een nuttige ervaring van twee jaar aantonen en een opleiding van minstens 250 uren volgen, met uitsluiting van de houders van een diploma ziekenhuiswetenschappen met oriëntatie geriatrie;3° in afwijking van 1° en voor een maximum-duur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen. Voor de toepassing van dit artikel dient onder nuttige ervaring te worden verstaan de ervaring opgedaan in de sectoren van de huisvesting van bejaarden, van de rust- en verzorgingstehuizen, van de ziekenhuizen of van de huisvesting van gehandicapte personen, voor zover het een verantwoordelijke functie betreft. Er wordt aan de voormelde voorwaarden voldaan indien uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet. Art. 100.Het slagen in de in artikel 99 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de Ministers wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid. Art. 101.De directeur moet bovendien deelnemen aan een voortgezette beroepsopleiding van minstens drie dagen per jaar. Het programma van deze dagen moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de Ministers worden erkend. TITEL V. - Bijzondere normen toepasselijk op de service-residenties en residentiële gebouwen die diensten aanbieden, bedoeld in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie HOOFDSTUK I. - Algemeen Art. 102.Onverminderd de in Titel II, Hoofdstuk I, bepaalde algemene normen moeten de serviceresidentie en het residentiële gebouw dat diensten aanbiedt, in de zin van artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen. HOO …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.