📄 Wettekst
6 JANUARI 2014. - Bijzondere wet tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden (1)
FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten Art. 2.In artikel 1 van de bijzondere
wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/01/1989
pub.
06/11/2008
numac
2008000907
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993, 13 juli 2001 en 27 maart 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : " § 1.Onverminderd artikel 170, § 2, van de Grondwet, gebeurt de financiering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en van de Franse Gemeenschap door : 1° niet fiscale ontvangsten;2° toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;3° federale dotaties;4° voor de periode van 2015 tot en met 2033, een overgangsmechanisme; 5° leningen."; 2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : " § 2.Onverminderd artikel 170, § 2, van de Grondwet, gebeurt de financiering van de begroting van het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, door : 1° niet fiscale ontvangsten;2° fiscale ontvangsten als bedoeld in deze wet;3° ontvangsten uit de uitoefening van de fiscale autonomie inzake de personenbelasting als bedoeld in titel III/1;4° toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;5° federale dotaties;6° een mechanisme van nationale solidariteit;7° voor de periode van 2015 tot en met 2033, een overgangsmechanisme; 8° leningen."; 3° in § 3 worden de woorden "in artikel 107quater" vervangen door de woorden "in artikel 39" en worden de woorden "in artikel 59bis" vervangen door de woorden "in de artikelen 127 tot 129". Art. 3.Artikel 1ter van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, wordt vervangen als volgt : "Art. 1ter.De uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten als bedoeld in deze wet gebeurt met naleving van de in artikel 143 van de Grondwet bedoelde federale loyauteit en het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, alsmede van de volgende principes : 1° de uitsluiting van elke deloyale fiscale concurrentie;2° de vermijding van dubbele belasting;3° het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal. Bij een door een overheid gegrond geacht verzoek van een belastingplichtige houdende vermijding van dubbele belasting treedt die overheid in overleg met de andere betrokken overheden teneinde de belastingheffing die strijdig is met het in het eerste lid, 2°, vermelde principe ongedaan te maken.
In het raam van het Overlegcomité als bedoeld in artikel 31 van de gewone
wet van 9 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
09/08/1980
pub.
11/10/2010
numac
2010000561
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Gewone wet tot hervorming der instellingen
sluiten tot hervorming der instellingen wordt jaarlijks een overleg gehouden over het fiscaal beleid en over de in het eerste lid bedoelde principes.". Art. 4.In titel I van dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 1quater ingevoegd, luidende : "Art. 1quater.De gewesten kunnen geen opcentiemen of belastingvermeerderingen heffen of kortingen, belastingverminderingen of belastingkredieten toestaan op de in deze wet bedoelde belastingen, behalve die welke bedoeld zijn in artikel 5/1, § 1.". Art. 5.In titel II van dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 2bis ingevoegd, luidende : "Art. 2bis.De ontvangsten van de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van de gewesten behoort, worden aan de gewesten volgens de plaats van de overtreding toegekend.". Art. 6.Titel IIIbis van dezelfde bijzondere wet, opgeheven bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, wordt hersteld als volgt : "Titel III/1. Gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting". Art. 7.In titel III/1, hersteld bij artikel 6, wordt een artikel 5/1 ingevoegd, luidende : "Art. 5/1.§ 1. Op basis van de lokalisatie van de personenbelasting kunnen de gewesten : 1° opcentiemen heffen op een deel van de personenbelasting.Het deel van de personenbelasting waarop de opcentiemen worden geheven, is de gereduceerde belasting Staat; 2° kortingen toestaan en belastingverminderingen en belastingvermeerderingen toepassen op de in 1° bedoelde opcentiemen zonder dat daaruit een vermindering of een vermeerdering van de belastbare grondslag ontstaat. Het totaal van de opcentiemen, kortingen en belastingverminderingen en -vermeerderingen, eventueel na toepassing van artikel 5/3, § 1, 2°, vormt de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting, hierna "de gewestelijke personenbelasting".
Bovendien kunnen de gewesten belastingkredieten toestaan. § 2. Voor de toepassing van deze wet wordt de personenbelasting geacht te zijn gelokaliseerd op de plaats waar de belastingplichtige zijn fiscale woonplaats heeft gevestigd op 1 januari van het aanslagjaar in de personenbelasting. § 3. De gereduceerde belasting Staat, verhoogd met de belasting die betrekking heeft op de dividenden, intresten, royalty's, loten van effecten van leningen en meerwaarden op roerende waarden en titels en na toepassing van de federale belastingverminderingen die nog niet zijn toegepast om de gereduceerde belasting Staat te bekomen en na eventuele toepassing van artikel 5/3, § 1, 1°, is "de federale personenbelasting" in de zin van deze wet. § 4. De invoering van de gewestelijke personenbelasting mag geen afbreuk doen aan het recht van de gemeenten en de agglomeraties van gemeenten om aanvullende belastingen te heffen. § 5. Enkel de federale overheid is bevoegd voor de bepalingen inzake de roerende en de bedrijfsvoorheffing en voor de dienst van de personenbelasting.
Van het totale netto inkomen kunnen enkel de onderhoudsgelden worden afgetrokken binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn bepaald in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Onverminderd artikel 5/5, § 4, kan de federale overheid belastingverminderingen invoeren zonder enige beperking.". Art. 8.In dezelfde titel III/1 wordt een artikel 5/2 ingevoegd, luidende : "Art. 5/2.§ 1. De gereduceerde belasting Staat is de belasting Staat verminderd met een bedrag dat gelijk is aan de belasting Staat vermenigvuldigd met de autonomiefactor.
De autonomiefactor is gelijk aan 25,990 % voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017.
Voor aanslagjaar 2018 en voor de volgende aanslagjaren is de autonomiefactor gelijk aan de verhouding tussen : 1° in de teller : A+B-C waarin : A = het voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag krachtens artikel 33 voor de drie gewesten samen; B = het voor het begrotingsjaar 2015 toegekende bedrag krachtens artikel 35decies voor de drie gewesten samen, vermenigvuldigd met 4/6;
C = een bedrag dat als volgt wordt berekend : a) voor elk gewest wordt het bedrag dat met toepassing van artikel 33 voor het begrotingsjaar 2015 wordt bekomen, uitgedrukt in een percentage van het bedrag dat met toepassing van datzelfde artikel voor hetzelfde begrotingsjaar wordt bekomen voor de drie gewesten samen;dat percentage wordt hierna "PB-sleutel" genoemd; b) voor elk gewest wordt het bedrag dat met toepassing van artikel 33bis voor het begrotingsjaar 2015 wordt bekomen, gedeeld door zijn PB-sleutel; C is gelijk aan het kleinste van deze bedragen; 2° in de noemer : de belasting Staat van het aanslagjaar 2015 op basis van de tot en met 31 december 2016 geïnde ontvangsten. De autonomiefactor wordt uitgedrukt in procent en wordt afgerond op de hogere of lagere derde decimaal naargelang het cijfer van de vierde decimaal al of niet 5 bereikt.
De in het derde en vierde lid bedoelde autonomiefactor wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen op grond van de in artikel 81ter bedoelde verslagen van het Rekenhof. § 2. De belasting Staat wordt bekomen door met toepassing van de federale fiscale wetgeving achtereenvolgens : 1° het belastbaar inkomen te bepalen waarvan een deel gezamenlijk belastbaar is en een deel afzonderlijk belastbaar is;2° de basisbelasting te bepalen door op het gezamenlijk belastbaar inkomen het belastingtarief van de personenbelasting toe te passen;3° de om te slane belasting te bepalen door de basisbelasting te verminderen met de belasting op de belastingvrije som;4° de hoofdsom te bepalen door op de om te slane belasting de volgende verminderingen toe te passen : a) de vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten;b) de vermindering voor inkomsten uit het buitenland;5° de totale belasting op de afzonderlijk belaste inkomsten te bepalen door op die inkomsten de overeenstemmende belastingtarieven toe te passen;6° de in het 4° bedoelde hoofdsom en de in het 5° bedoelde totale belasting op afzonderlijk belaste inkomsten samen te voegen; 7° het in 6° bekomen totaal te verminderen met de belasting die betrekking heeft op de dividenden, intresten, royalty's, loten van effecten van leningen en meerwaarden op roerende waarden en titels.". Art. 9.In dezelfde titel III/1 wordt een artikel 5/3 ingevoegd, luidende : "Art. 5/3.§ 1. In geval van een overschot van federale of gewestelijke belastingverminderingen : 1° bepaalt de federale overheid of het overschot van een federale belastingvermindering kan verrekend worden op het saldo dat overblijft van de gewestelijke opcentiemen en vermeerderingen na aanrekening van de gewestelijke kortingen en belastingverminderingen;2° bepaalt elk gewest of het overschot van een gewestelijke korting of belastingvermindering kan worden verrekend op het saldo dat overblijft van de federale belasting na aanrekening van de federale belastingverminderingen. § 2. Na toepassing van § 1 vormt de optelling van de federale personenbelasting en de gewestelijke personenbelasting de totale belasting.
De totale belasting wordt achtereenvolgens : 1° verhoogd met de federale belastingvermeerderingen;2° verminderd met de federale verrekenbare, niet terugbetaalbare bestanddelen;3° verminderd met de federale en gewestelijke terugbetaalbare belastingkredieten;4° verminderd met federale verrekenbare en terugbetaalbare bestanddelen; 5° verhoogd met de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting en de aanvullende agglomeratiebelasting op de personenbelasting.". Art. 10.In dezelfde titel III/1 wordt een artikel 5/4 ingevoegd, luidende : "Art. 5/4.§ 1. De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde opcentiemen zijn proportioneel en al dan niet gedifferentieerd per belastingschijf. § 2. In geval van toepassing van gedifferentieerde opcentiemen, voor de gezamenlijk belaste inkomsten, wordt als volgt te werk gegaan : 1° de basisbelasting wordt berekend op het gezamenlijk belastbaar inkomen overeenkomstig artikel 5/2, § 2, 2° ;2° de aldus berekende basisbelasting wordt omgedeeld in gewestelijke belastingschijven;3° de belasting op de belastingvrije som en de vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten worden afgetrokken van de basisbelasting berekend op het gezamenlijk belastbaar inkomen, te beginnen met de laagste belastingschijf;4° de vermindering voor inkomsten uit het buitenland wordt proportioneel aangerekend op de bij toepassing van de bepalingen onder 1° tot 3° vastgestelde belastingschijven. Vervolgens wordt de belasting die betrekking heeft op de gezamenlijke belaste dividenden, intresten, royalty's, loten van effecten van leningen en meerwaarden op roerende waarden en titels afgetrokken te beginnen met de hoogste belastingschijf.
Tot slot wordt het bedrag van iedere belastingschijf verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van die belastingschijf vermenigvuldigd met de autonomiefactor bedoeld in artikel 5/2, § 1, tweede of derde lid, naargelang het geval. § 3. In geval van toepassing van gedifferentieerde opcentiemen is het tarief van de opcentiemen op de belasting met betrekking tot de afzonderlijk belaste inkomsten : 1° eenvormig, dit wil zeggen zonder differentiëring volgens de aard of het bedrag van de afzonderlijk belaste inkomsten;2° uniek, dit wil zeggen één enkel tarief ongeacht het federale belastingtarief op die inkomsten;3° niet lager dan het tarief dat op de gewestelijke belastingschijf wordt toegepast waarvoor de geraamde ontvangst van de gewestelijke personenbelasting het hoogste is. De aldus vastgestelde opcentiemen worden toegepast op het deel van de belasting in de gereduceerde belasting Staat dat betrekking heeft op afzonderlijk belaste inkomsten.". Art. 11.In dezelfde titel III/1 wordt een artikel 5/5 ingevoegd, luidende : "Art. 5/5.§ 1. De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde kortingen zijn forfaitaire kortingen die worden toegepast op alle personen die personenbelasting verschuldigd zijn in het desbetreffende gewest. § 2. De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde belastingverminderingen zijn : 1° verbonden aan de materiële bevoegdheden van de gewesten;2° proportioneel of forfaitair. De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde belastingvermeerderingen zijn : 1° verbonden aan de materiële bevoegdheden van de gewesten;2° proportioneel. § 3. De in artikel 5/1, § 1, derde lid, bedoelde belastingkredieten zijn : 1° verbonden aan de materiële bevoegdheden van de gewesten;2° proportioneel of forfaitair. § 4. De gewesten zijn exclusief bevoegd voor de belastingverminderingen en belastingkredieten met betrekking tot de volgende uitgaven : 1° uitgaven voor het verwerven of het behouden van de eigen woning;2° uitgaven ter beveiliging van woningen tegen inbraak of brand;3° uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde monumenten en landschappen;4° uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en voor prestaties betaald met dienstencheques andere dan sociale dienstencheques;5° energiebesparende uitgaven in een woning met uitzondering van de interesten die betrekking hebben op leningovereenkomsten als bedoeld in artikel 2 van de economische herstel
wet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/03/2009
pub.
19/02/2010
numac
2010000056
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Economische herstelwet
type
wet
prom.
27/03/2009
pub.
25/05/2010
numac
2010000281
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Economische Herstelwet
type
wet
prom.
27/03/2009
pub.
07/04/2009
numac
2009201450
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Economische Herstelwet
sluiten;6° uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid;7° uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen. Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, is de eigen woning de woning die de belastingplichtige als eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker tijdens het belastbare tijdperk : 1° ofwel zelf betrekt;2° ofwel niet zelf betrekt om één van volgende redenen : a) beroepsredenen;b) redenen van sociale aard;c) wettelijke of contractuele belemmeringen die het de belastingplichtige onmogelijk maken om de woning zelf te betrekken;d) de stand van de bouwwerkzaamheden of van de verbouwingswerkzaamheden die het de belastingplichtige niet toelaten de woning daadwerkelijk te betrekken. De eigen woning omvat niet het deel van de woning dat tijdens het belastbare tijdperk : a) wordt gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige of van één van zijn gezinsleden; of b) in de in het tweede lid, 1° en 2°, a) en b), bedoelde gevallen wordt betrokken door personen die geen deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige. Wanneer een belastingplichtige meer dan één woning betrekt, wordt de woning waar zijn fiscale woonplaats is gevestigd als de eigen woning beschouwd.
Wanneer een belastingplichtige zowel een woning bezit bedoeld in het tweede lid, 1°, als een woning bedoeld in het tweede lid, 2°, wordt de woning die hij zelf betrekt als de eigen woning beschouwd.
Wanneer een belastingplichtige enkel woningen bezit bedoeld in het tweede lid, 2°, wijst hij de woning aan die hij als de eigen woning beschouwt. Die keuze is onherroepelijk tot op het moment dat de belastingplichtige ofwel een woning zelf betrekt ofwel niet langer het bezit van de aangeduide woning heeft.
Voor gehuwde belastingplichtigen of wettelijk samenwonenden kan slechts één woning als de eigen woning worden beschouwd. Het tweede tot het zesde lid worden voor de beide belastingplichtigen samen toegepast.
Bij wijziging tijdens het belastbaar tijdperk wordt de kwalificatie of een woning een eigen woning is, van dag tot dag beoordeeld.". Art. 12.In dezelfde titel III/1 wordt een artikel 5/6 ingevoegd luidende : "Art. 5/6.§ 1. De uitoefening van de bevoegdheden van de gewesten met betrekking tot de opcentiemen, de kortingen, de belastingverminderingen of-vermeerderingen en de belastingkredieten gebeurt zonder vermindering van de progressiviteit van de personenbelasting. Het principe van de progressiviteit wordt begrepen als volgt : naarmate de in artikel 5/2, § 2, 2°, bedoelde basisbelasting stijgt, mag de verhouding tussen het bedrag van de opcentiemen en belastingvermeerderingen tot de basisbelasting niet afnemen en de verhouding tussen het bedrag van de kortingen, belastingverminderingen en belastingkredieten tot de basisbelasting niet toenemen. § 2. Wanneer de gewesten de opcentiemen differentiëren per belastingschijf, mag het tarief van de gewestelijke opcentiemen afwijken van § 1 op voorwaarde dat : 1° het gewestelijke opcentiementarief op een belastingschijf niet lager is dan 90 % van het hoogste gewestelijke opcentiementarief van alle lagere belastingschijven; en 2° het belastingvoordeel per belastingplichtige ingevolge de afwijking op de progressiviteitsregel niet meer dan 1.000 euro per jaar bedraagt.
Het al of niet overschrijden van de grens van 1.000 euro wordt berekend door het verschil te maken tussen het bedrag van de gewestelijke personenbelasting berekend volgens het barema dat het gewest wenst toe te passen en het bedrag van de gewestelijke personenbelasting berekend door de percentages van de belastingschijven die niet overeenstemmen met de progressiviteitsregel te vervangen door de percentages die zouden moeten worden toegepast opdat de voornoemde progressiviteitsregel wordt nageleefd.
Dit bedrag van 1.000 euro wordt jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. De aanpassing wordt verwezenlijkt met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2013. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 10 euro naargelang het cijfer van de eenheden al dan niet 5 bereikt. § 3. Voor contracten die zijn afgesloten vóór 1 januari 2015 en die verband houden met uitgaven als bedoeld in artikel 5/5, § 4, eerste lid, 1°, mogen de gewesten een belastingvermindering blijven toepassen die afwijkt van de in § 1 bedoelde progressiviteitsregel. Deze afwijking geldt tot wanneer het gewest zelf beslist om het toe te passen tarief van de belastingvermindering te wijzigen.". Art. 13.In dezelfde titel III/1 wordt een artikel 5/7 ingevoegd luidende : "Art. 5/7.De ontwerpen en de voorstellen van een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die aangelegenheden regelen als bedoeld in artikel 5/6 worden, naargelang het geval, vóór neerlegging in het betrokken parlement of na goedkeuring in de bevoegde commissie van het betrokken parlement medegedeeld, voor advies omtrent de technische uitvoerbaarheid, aan de federale regering, aan de andere gewestregeringen en, voor advies omtrent het respect van het in artikel 1ter, eerste lid, 1°, bedoelde principe, aan het Rekenhof.
Hetzelfde geldt voor de amendementen die zijn goedgekeurd.
De overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de invoering van gedifferentieerde opcentiemen of van in artikel 5/1, § 1, bedoelde kortingen, belastingverminderingen of -vermeerderingen, of belastingkredieten wordt bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.
De aan het Rekenhof overgezonden ontwerpen en voorstellen zijn in voldoende mate cijfermatig onderbouwd. De algemene vergadering van het Rekenhof geeft binnen een maand na ontvangst van het ontwerp of voorstel, in het kader van het respect van het in artikel 1ter, eerste lid, 1°, bedoelde principe, een gedocumenteerd en met redenen omkleed advies over de naleving van het principe inzake progressiviteit, als bedoeld in artikel 5/6. Dit advies wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.
In het kader van zijn in het derde lid bedoelde adviesverstrekking ontwikkelt het Rekenhof een transparant en uniform evaluatiemodel in akkoord met de federale regering en de gewestregeringen.
Het Rekenhof stelt elk jaar een rapport op dat analoog is aan het in het derde lid bedoelde advies en dat betrekking heeft op de weerslag, tijdens het vorige aanslagjaar, van de van kracht zijnde gewestelijke fiscale maatregelen. Dit rapport wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.". Art. 14.In dezelfde titel III/1 wordt een artikel 5/8 ingevoegd luidende : "Art. 5/8.De invoering van opcentiemen, kortingen, belastingverminderingen, belastingvermeerderingen of belastingkredieten als bedoeld in artikel 5/1, § 1, wordt door de betrokken gewestregering voorafgaandelijk meegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen.". Art. 15.In artikel 6 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in § 1, tweede lid, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt : "3° de federale personenbelasting."; b) in § 2, eerste lid, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt : "3° en waarop de gewesten een aanvullende belasting kunnen heffen overeenkomstig titel III/1."; c) in § 2, eerste lid, wordt de bepaling onder 4° opgeheven; d) paragraaf 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt : "De in deze titel bedoelde samengevoegde belasting is de federale personenbelasting.". Art. 16.Artikel 7 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 13 juli 2001, wordt vervangen als volgt : "Art. 7.Voor de toepassing van deze titel worden de volgende gegevens vastgelegd, na overleg met de gemeenschaps- en gewestregeringen, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad : 1° de ontvangsten inzake de federale personenbelasting;2° het aantal inwoners. Voor de begrotingsjaren 2014 en 2015 wordt onder ontvangsten inzake de federale personenbelasting verstaan, de ontvangsten inzake de globale belasting Staat voor de aanslagjaren 2013 en 2014 die is vastgesteld bij het verstrijken van de aanslagtermijn als bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De globale belasting Staat is de belasting voor verrekening van de gewestelijke belastingverminderingen zoals ze voor dat aanslagjaar van toepassing zijn en die zijn genomen op basis van artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, zoals dat artikel bestond alvorens het is gewijzigd door artikel 15 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden.
Voor het begrotingsjaar 2016 en elk van de daaropvolgende begrotingsjaren worden de ontvangsten inzake de federale personenbelasting vastgesteld bij het verstrijken van de aanslagtermijn bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van het laatste gekende aanslagjaar.
Onder het aantal inwoners wordt verstaan de toestand van de bevolking op 1 januari van het in het tweede en derde lid bedoelde aanslagjaar.". Art. 17.Artikel 8 van dezelfde bijzondere wet wordt opgeheven. Art. 18.Artikel 9 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, wordt opgeheven. Art. 19.Artikel 9bis van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten en gewijzigd bij de bijzondere wet van 27 maart 2006, wordt opgeheven. Art. 20.Artikel 11, eerste lid, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, wordt opgeheven. Art. 21.In artikel 33 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en van 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : " § 1.Voor de vaststelling van de bedragen voor elk van de begrotingsjaren 2000 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor, wordt uitgegaan van de middelen per gewest van het voorgaande begrotingsjaar, na aftrek van de aan het betrokken gewest toegekende nationale solidariteitstussenkomst en de in artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde vermindering per gewest."; 2° in § 2 worden de woorden "bruto nationaal inkomen" telkens vervangen door de woorden "bruto binnenlands product". Art. 22.In artikel 33bis van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "vanaf het begrotingsjaar 2002" vervangen door de woorden "voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor,";2° in § 2, derde lid, worden de woorden "Vanaf het begrotingsjaar 2003" vervangen door de woorden "Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor,". Art. 23.In artikel 34 van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het vroegere eerste lid, dat § 1, eerste lid, wordt, worden de woorden "De middelen per gewest worden jaarlijks samengesteld als volgt :" vervangen door de woorden "Voor de begrotingsjaren 2000 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor, worden de middelen per gewest jaarlijks samengesteld als volgt :";2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidende : " § 2.Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden de in artikel 1, § 2, 4° en 6°, bedoelde middelen per gewest jaarlijks samengesteld uit de in afdeling 4 bedoelde bijkomende middelen en het in artikel 48 bedoelde nationaal solidariteitsbedrag.
De in het eerste lid bedoelde middelen worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting.". Art. 24.In titel IV, hoofdstuk II, van dezelfde bijzondere wet wordt afdeling 3, die het artikel 35 bevat, gewijzigd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, opgeheven. Art. 25.In artikel 35ter van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere
wet van 16 juli 1993Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
05/05/2003
pub.
15/05/2003
numac
2003022561
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Bijzondere wet tot instelling van een nieuwe berekeningswijze van de responsabiliseringsbijdrage ten laste van sommige werkgevers van de openbare sector
sluiten0, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : " § 1.Voor de vaststelling van de bedragen voor elk van de begrotingsjaren 2000 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen met toepassing van, naargelang het geval, artikel 35bis of dit artikel, voor het vorige begrotingsjaar, voor het Vlaamse en het Waalse Gewest samen."; 2° in § 2 worden de woorden "bruto nationaal produkt" vervangen door de woorden "bruto binnenlands product". Art. 26.In artikel 35quater van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, wordt § 2 vervangen als volgt : " § 2. Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.". Art. 27.In artikel 35quinquies van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, wordt het tweede lid vervangen als volgt : "Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden de in het eerste lid bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.". Art. 28.In artikel 35sexies van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid, worden de woorden "voor het begrotingsjaar 2003 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren" vervangen door de woorden "voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,"; 2° het derde lid wordt vervangen als volgt : "Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2, en verdeeld volgens de ontvangsten inzake de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk gewest.". Art. 29.In artikel 35septies van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid worden de woorden "voor het begrotingsjaar 2003 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren" vervangen door de woorden "voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,";2° in het derde lid worden de woorden "bruto nationaal inkomen" vervangen door de woorden "bruto binnenlands product". Art. 30.Artikel 35octies van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, wordt vervangen als volgt : "Art. 35octies.§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden er bijkomende middelen toegekend aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Voor het begrotingsjaar 2015 zijn deze middelen, voor de drie gewesten samen, gelijk aan de som van de volgende bedragen : 1° het bedrag verkregen door de optelling te maken van de met toepassing van de artikelen 35ter tot 35septies bekomen bedragen voor het begrotingsjaar 2015, voor de drie gewesten samen; 2° een bedrag gelijk aan 625.887.632 euro; 3° een bedrag gelijk aan 5 miljoen euro. Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden de middelen die zijn toegekend voor het vorige begrotingsjaar jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
Het in het derde lid bedoelde percentage, is gelijk aan : 1° voor het begrotingsjaar 2016 : 100 %;2° vanaf het begrotingsjaar 2017 : a) 55 % op het deel van de reële groei dat niet hoger is dan 2,25 %;b) 100 % op het deel van de reële groei dat hoger is dan 2,25 %; Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden deze middelen tussen de gewesten verdeeld volgens de verdeelsleutel : a) voor het Vlaamse Gewest : 50,33 %;b) voor het Waalse Gewest : 41,37 %;c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 8,30 %. § 2. De bedragen bekomen in § 1, worden verminderd voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019 met de volgende bedragen : 1° voor het begrotingsjaar 2015 : a) voor het Vlaamse Gewest : 9.253.026 euro; b) voor het Waalse Gewest : 13.245.455 euro; c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 5.141.684 euro; 2° voor het begrotingsjaar 2016 : a) voor het Vlaamse Gewest : 5.559.685 euro; b) voor het Waalse Gewest : 7.239.762 euro; c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 2.724.530 euro; 3° voor het begrotingsjaar 2017 : a) voor het Vlaamse Gewest : 4.375.792 euro; b) voor het Waalse Gewest : 5.554.417 euro; c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 2.314.311 euro; 4° voor het begrotingsjaar 2018 : a) voor het Vlaamse Gewest : 2.850.247 euro; b) voor het Waalse Gewest : 3.298.120 euro; c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 1.499.915 euro; 5° voor het begrotingsjaar 2019 : a) voor het Vlaamse Gewest : 650.405 euro; b) voor het Waalse Gewest : 493.544 euro; c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 294.241 euro.". Art. 31.In titel IV, hoofdstuk II, afdeling 4, van dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 35nonies ingevoegd, luidende : "Art. 35nonies.§ 1. Aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden met ingang van het begrotingsjaar 2015 jaarlijks bijkomende middelen overgedragen waarvan het basisbedrag wordt vastgesteld op 3.953.242.907 euro.
Voor het begrotingsjaar 2015 is het toegewezen bedrag voor de drie gewesten samen gelijk aan de som van de in het 1° en 2° vermelde bedragen verminderd met de in het 3° en 4° vermelde bedragen : 1° het in het eerste lid bedoelde basisbedrag vermenigvuldigd met een factor 0,9 en aangepast aan : a) de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2014 en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van dat zelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;b) de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2015 en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van dat zelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2; 2° een bedrag van 434.491.222 euro; 3° een bedrag van 707.935.702 euro; 4° een bedrag van 831.348.000 euro.
Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het toegekende bedrag voor het begrotingsjaar 2015 eerst aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2, en vervolgens verminderd met 831 348 000 euro.
Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het toegekende bedrag voor het vorige begrotingsjaar aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
Het in het derde en het vierde lid vermelde percentage is gelijk aan : 1° voor het begrotingsjaar 2016 : 75 %;2° vanaf het begrotingsjaar 2017 : a) 55 % op het deel van de reële groei dat niet hoger is dan 2,25 %;b) 100 % op het deel van de reële groei dat hoger is dan 2,25 %; De middelen worden vanaf het begrotingsjaar 2015 tussen de drie gewesten verdeeld volgens de ontvangsten inzake de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk gewest. § 2. Met toepassing van artikel 6, § 1, IX, 6°, van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen, wordt de financiële tussenkomst die door een gewest aan de federale overheid wordt toegekend wanneer, in de loop van een jaar, het aantal vrijgestelde dagen om redenen van opleiding, studies of stage ten opzichte van het aantal dagen van volledig vergoede werkloosheid van hetzelfde jaar meer bedraagt dan 12 % in dat gewest, in mindering gebracht van de aan dat gewest toegekende middelen overeenkomstig § 1.
Die financiële tussenkomst wordt bekomen door de som van de volgende bedragen : 1° een bedrag van 35,50 euro, vermenigvuldigd met het aantal werkloosheidsdagen van het vorige jaar vrijgesteld om redenen van vorming, studie of stage, dat meer dan 12 % bedraagt, zonder 14 % te overtreffen, van het aantal volledig vergoede werkloosheidsdagen van hetzelfde jaar, vermenigvuldigd met een factor 0,5;2° een bedrag van 35,50 euro vermenigvuldigd met het aantal werkloosheidsdagen van het vorige jaar vrijgesteld om redenen van vorming, studie of stage, dat meer bedraagt dan 14 % van het aantal volledig vergoede werkloosheidsdagen van hetzelfde jaar. Het bedrag van 35,50 euro wordt vanaf het begrotingsjaar 2016 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in § 1, vijfde lid.
De vrijstellingen voor vormingen voorbereidend op een knelpuntberoep en de vrijstellingen die toegekend worden in het kader van een activiteitencoöperatie worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van deze paragraaf. § 3. Indien het aantal personen dat in het systeem van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (PWA) is tewerkgesteld gemiddeld over het jaar hoger is dan het aantal dat voor het Waalse Gewest en het Vlaamse Gewest is vastgesteld door de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen en voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is vastgesteld door artikel 4, vierde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, dan worden, met toepassing van artikel 6, § 1, IX, 11°, van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen, de door het betrokken gewest aan de federale overheid verschuldigde middelen in mindering gebracht van de aan dat gewest overeenkomstig § 1 toegekende middelen.
De middelen die door een gewest voor een gegeven begrotingsjaar zijn verschuldigd, worden bekomen door het bedrag van 6.000 euro te vermenigvuldigen met het verschil tussen enerzijds, het aantal personen dat het vorige jaar in het PWA-systeem is tewerkgesteld en dat gedomicilieerd is op het grondgebied van het betrokken gewest en anderzijds, het aantal begunstigden dat voor het Waalse Gewest en het Vlaamse Gewest is vastgesteld door artikel 6, § 1, IX, 11°, van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen en voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is vastgesteld door artikel 4, vierde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen.
Het bedrag van 6.000 euro wordt vanaf begrotingsjaar 2016 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in § 1, vijfde lid.". Art. 32.In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 35decies ingevoegd, luidende : "Art. 35decies.Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bijkomende middelen overgedragen omwille van de bevoegdheden die door artikel 5/5, § 4, aan de gewesten worden toegewezen.
Voor de drie gewesten samen wordt het referentiebedrag van de in het eerste lid bedoelde middelen voorlopig vastgesteld op 3.047.959.879 euro. Het referentiebedrag bij ongewijzigd beleid zal, op grond van het in artikel 81ter, 1°, bedoelde verslag van het Rekenhof, definitief worden bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen.
Voor het begrotingsjaar 2015 is het toegewezen bedrag gelijk aan het in het tweede lid bedoelde referentiebedrag, vermenigvuldigd met een factor 0,6.
Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt het toegekende bedrag voor het vorige begrotingsjaar aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 35nonies, § 1, vijfde lid.
De middelen worden vanaf het begrotingsjaar 2015 jaarlijks tussen de drie gewesten verdeeld volgens de ontvangsten inzake de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk gewest.". Art. 33.In artikel 36 van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in de inleidende zin worden de woorden "De middelen per gemeenschap worden jaarlijks als volgt samengesteld :" vervangen door de woorden "Voor elk van de begrotingsjaren 1989 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden jaarlijks de middelen per gemeenschap als volgt samengesteld :"; b) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt : "3° de in artikel 47/3 bedoelde dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld met ingang van het begrotingsjaar 2002."; c) het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : "Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden jaarlijks de in artikel 1, § 1, 2°, bedoelde middelen per gemeenschap als volgt samengesteld : 1° het in artikel 41 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde; 2° het met toepassing van artikel 47/2, § 4, verkregen bedrag van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting.". Art. 34.In artikel 38 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 3, eerste lid, worden de woorden "Vanaf het begrotingsjaar 1990" vervangen door de woorden "Voor elk van de begrotingsjaren 1990 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,"; 2° paragraaf 3ter, vierde lid, wordt vervangen als volgt : "Voor elk van de begrotingsjaren 2012 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, is het totaal bedrag, voor beide gemeenschappen samen, gelijk aan het voor het vorige begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2."; 3° in § 3ter, derde en vijfde lid, worden de woorden "bruto nationaal inkomen" telkens vervangen door de woorden "bruto binnenlands product";4° in § 5, derde lid, worden de woorden "Vanaf het begrotingsjaar 2012" vervangen door de woorden "Voor elk van de begrotingsjaren 2012 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in het artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,". Art. 35.In artikel 40bis van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, worden de woorden "Vanaf het begrotingsjaar 2002" vervangen door de woorden "Voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag, het in artikel 47/2 bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,". Art. 36.In artikel 40ter, § 4, van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, worden de woorden "Vanaf het begrotingsjaar 2012" vervangen door de woorden "Voor elk van de begrotingsjaren 2012 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag, het in artikel 47/2 bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,". Art. 37.In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 40quater ingevoegd, luidende : "Art. 40quater.Het verschil wordt berekend tussen : 1° de impact, voor het begrotingsjaar 2015, van de met ingang van het begrotingsjaar 2007 toegepaste jaarlijkse aanpassing aan 91 % van de reële groei van het bruto binnenlands product van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde; die impact wordt berekend als het verschil tussen : a) de herberekening voor het begrotingsjaar 2015 van het met toepassing van artikel 38, § 5, verkregen totaal bedrag waarbij de in artikel 38, § 3bis, vastgestelde bedragen nul zijn;b) het met toepassing van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag voor het begrotingsjaar 2015;2° de impact, voor het begrotingsjaar 2010 van de met ingang van het begrotingsjaar 2007 toegepaste jaarlijkse aanpassing aan 91 % van de reële groei van het bruto binnenlands product van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde; die impact wordt berekend als het verschil tussen : a) de herberekening voor het begrotingsjaar 2010 van het met toepassing van artikel 38, § 5, verkregen totaal bedrag waarbij de in artikel 38, § 3bis, vastgestelde bedragen nul zijn en geen rekening wordt gehouden met de aanpassing aan de reële groei van het bruto binnenlands product voor het begrotingsjaar 2010, als bedoeld in artikel 38, § 3ter; b) het met toepassing van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag voor het begrotingsjaar 2010.". Art. 38.In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 40quinquies ingevoegd, luidende : "Art. 40quinquies.Voor het begrotingsjaar 2015 wordt een nieuw basisbedrag bepaald dat gelijk is aan de som van : 1° het in artikel 40quater bedoelde totaal bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;2° het met toepassing van het artikel 39, § 2, verkregen bedrag voor het begrotingsjaar 2015 voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;3° het met toepassing van artikel 47/3 verkregen bedrag voor het begrotingsjaar 2015 voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;4° een bedrag gelijk aan 158 542 548 euro voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen. Het met toepassing van het eerste lid verkregen basisbedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2016 : 1° jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.2° vermenigvuldigd met de verhouding van de in artikel 38, § 4, bedoelde aanpassingsfactor voor het betrokken begrotingsjaar en de in artikel 38, § 4, bedoelde aanpassingsfactor voor het voorgaande begrotingsjaar. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt het, naargelang het geval, met toepassing van het eerste of het tweede lid verkregen bedrag jaarlijks over de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap verdeeld op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 39.". Art. 39.In artikel 41 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "De middelen bedoeld in deze afdeling worden per gemeenschap als volgt samengesteld :" worden vervangen door de woorden "Voor de begrotingsjaren 1989 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015, maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden de in deze afdeling bedoelde middelen jaarlijks per gemeenschap als volgt samengesteld :"; 2° de bepaling onder 3° wordt aangevuld met de woorden "met ingang van het begrotingsjaar 2002."; 3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : "Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden de in deze afdeling bedoelde middelen jaarlijks gevormd door het met toepassing van artikel 40quinquies, derde lid, verkregen bedrag.". Art. 40.In titel IV, hoofdstuk III, van dezelfde bijzondere wet wordt het opschrift van afdeling 3 vervangen als volgt : "Afdeling 3. Het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting". Art. 41.In artikel 47 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden "tot en met het begrotingsjaar 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 47/2 bedoelde basisbedrag en het in het artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag," ingevoegd tussen het woord "begrotingsjaren" en het woord "wordt";2° in § 2 worden de woorden "bruto nationaal inkomen" telkens vervangen door de woorden "bruto binnenlands product". Art. 42.In titel IV, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 2, van dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 47/1 ingevoegd, luidende : "Art. 47/1.Voor het begrotingsjaar 2015 wordt het verschil berekend tussen : 1° het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen; 2° het met toepassing van artikel 40quater verkregen bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen.". Art. 43.In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 47/2 ingevoegd, luidende : "Art. 47/2.§ 1. Voor het begrotingsjaar 2015 wordt een nieuw basisbedrag bepaald dat gelijk is aan de som van : 1° het in artikel 47/1 bedoelde totaal bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;2° het in artikel 47 bedoelde totaal bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen; 3° een negatief bedrag gelijk aan 356.292.000 euro. § 2. Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het voor het begrotingsjaar 2015 toegekende bedrag eerst aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2 en vervolgens verminderd met 356.292.000 euro. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 35nonies, § 1, vijfde lid.
Het met toepassing van het eerste lid verkregen basisbedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 35nonies, § 1, vijfde lid. § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt het, naargelang het geval, met toepassing van § 1 of § 2 verkregen bedrag jaarlijks uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van het totaal van de ontvangsten van de federale personenbelasting die geacht worden in beide gemeenschappen gelokaliseerd te zijn. § 4. Het aldus bekomen percentage wordt jaarlijks toegepast op de ontvangsten van de federale personenbelasting die geacht worden in elke gemeenschap gelokaliseerd te zijn.
De ontvangsten worden als volgt tussen de gemeenschappen verdeeld : 1° 100 % van die ontvangsten van de belasting gelokaliseerd in het Nederlandse taalgebied, verhoogd met 20 % van die ontvangsten van de belasting gelokaliseerd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, worden geacht gelokaliseerd te zijn in de Vlaamse Gemeenschap;2° 100 % van die ontvangsten van de belasting gelokaliseerd in het Franse taalgebied, verhoogd met 80 % van die ontvangsten van de belasting gelokali …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.