← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake publiciteitsinrichtingen, tot wijziging van

Kort samengevat

Deze wet stelt een gewestelijke stedenbouwkundige verordening vast voor publiciteitsinrichtingen, met als doel de goede ruimtelijke ordening en de verkeersveiligheid te waarborgen. Het reguleert de plaatsing van reclame-uitingen langs openbare wegen, rekening houdend met moderne vormen van publiciteit.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
12 MEI 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake publiciteitsinrichtingen, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 05/06/2009 pub. 02/09/2009 numac 2009035737 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid sluiten tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid en het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 16/07/2010 pub. 10/09/2010 numac 2010035645 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is type besluit van de vlaamse regering prom. 16/07/2010 pub. 10/09/2010 numac 2010035576 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening sluiten tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van diverse besluiten DE VLAAMSE MINISTER VAN JUSTITIE EN HANDHAVING, OMGEVING, ENERGIE EN TOERISME VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING 1 SITUERING 1.1 Algemeen In de jaren 1930 werden er voor de eerste maal regels uitgevaardigd voor bepaalde wijzen van aanplakken en adverteren (koninklijk besluit van 5 mei 1936, besluit van 6 mei 1936 en koninklijk besluit van 30 juni 1938). De zorg voor de schoonheid van bepaalde plaatsen van het land zette de federale regering er in 1956 en 1959 toe aan gedetailleerde esthetische bepalingen op te nemen in de in 1936 uitgevaardigde reglementering op het aanplakken en reclame maken, gekoppeld aan bij koninklijk besluit (KB) bepaalde lijsten van (stukken van) wegen, landschappen, e.a.. Op die manier werd getracht om de onbeperkte ontwikkeling van publiciteit die afbreuk deed aan het "natuurschoon en stedelijk schoon" te beperken. Het tot op heden geldende koninklijk besluit van 14 december 1959 betreffende het aanplakken en reclame maken is ondertussen echter zeer verouderd. Het verschil tussen de statuten van de al dan niet aangeduide wegen en landschappen, de terminologie en de mate van detaillering zijn niet meer aangepast aan deze tijd. Ook de manieren waarop publiciteit gevoerd wordt, zijn enorm geëvolueerd. Ook is de nood aan het reglementeren van publiciteitsinrichtingen niet langer alleen maar ingegeven door de ruimtelijke schoonheid maar voor een groot deel ook door de nood aan verkeersveiligheid. Publiciteitsinrichtingen langs de wegen hebben tot doel de aandacht van de weggebruiker te trekken waardoor deze afgeleid kunnen worden. Een té grote afleiding van de bestuurders moet echter vermeden worden om het veilig verkeer te waarborgen. Er is dan ook nood aan een zekere normering waarbij de meest afleidende kenmerken van publiciteitsinrichtingen voorkomen worden. Bepaalde vormen van publiciteit bezitten immers bepaalde kenmerken die een invloed hebben op het kijkgedrag, de aandacht en het rijgedrag van de weggebruikers. Verschillende studies tonen aan dat deze kenmerken dikwijls een negatieve impact hebben op het gedrag van de bestuurders. Vanuit het principe van voorzichtigheid en omwille van mogelijke ongewenste effecten van publiciteit op de verkeersveiligheid kan men publiciteit niet zonder meer toelaten. Artikel 2.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (de "VCRO") lijst de stedenbouwkundige voorschriften op die geregeld kunnen worden bij een verordening. Op grond van dit artikel kan de Vlaamse Regering een verordening vaststellen met de nodige stedenbouwkundige voorschriften om te zorgen voor onder meer: - de instandhouding, de gezondheid, de veiligheid, de bruikbaarheid en de schoonheid van de wegen, de toegangen en de omgeving ervan, evenals het ruimtelijk waarborgen van een adequate mobiliteit (punt 3° ). Voorliggende verordening voorziet dan ook in een regeling rond publiciteit, rekening houdende met de moderne vormen van publiciteitsinrichtingen en met aspecten van verkeersveiligheid. Bij de opmaak van deze stedenbouwkundige verordening werd dan ook uitgegaan van twee inhoudelijke doelstellingen, met name de goede ruimtelijke ordening alsook de verkeersveiligheid. Deze twee doelstellingen zorgen ervoor dat publiciteitsinrichtingen, of deze nu zaakgebonden zijn of niet, niet zomaar overal geplaatst kunnen worden, maar aan voorwaarden onderworpen zijn. Hierbij worden volgende uitgangspunten gehanteerd: - de verordening is van toepassing op die stedenbouwkundige handelingen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is. Daar er een soepelere regeling voorzien wordt voor zaakgebonden publiciteitsinrichtingen dan voor niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen, is de verordening ook van toepassing als wordt overgegaan van een zaakgebonden naar een niet- zaakgebonden publiciteitsinrichting. Voorwaarden die ook voor van vergunning vrijgestelde publiciteitsinrichtingen dienen te gelden, worden bijkomend opgenomen in het Vrijstellingenbesluit. - de regeling is in beginsel van toepassing op alle openbare wegen, en geldt voor publiciteitsboodschappen, herkenbaar langs alle openbare wegen. Het onderscheid tussen beschermde en niet beschermde wegen wordt verlaten. Onder de thans geldende regelgeving zijn publiciteitsinrichtingen langs een heel aantal beschermde wegen verboden. Per uitzondering werden een aantal gevallen bepaald waarin de publiciteitsinrichtingen langs deze wegen toch konden worden toegelaten, zij het onder strikte voorwaarden. - aan andere sectorale regelgeving, zoals inzake onroerend erfgoed, de regeling inzake openbaar domein of burgerlijk recht, wordt niet geraakt. Deze geldt onverkort. Gelet op de voorgestelde wijzigingen, wordt de bestaande regelgeving, waaronder het koninklijk besluit van 14 december 1959 betreffende het aanplakken en reclame maken, opgeheven. 1.2 Gehanteerde studies De wetenschappelijke studies, gehanteerd bij de opmaak van voorliggend ontwerpverordening, zijn: 1) "Studie naar de effecten van vrij programmeerbare verlichte borden op de verkeersveiligheid", Instituut voor Mobiliteit, Universiteit Hasselt, Diepenbeek, april 2014; https://uhdspace.uhasselt.be/dspace/bitstream/1942/16815/1/finaal%20rapport%20-%20definitief.pdf 2) "Rijsimulatoronderzoek naar het effect op de verkeersveiligheid van vrij programmeerbare verlichte borden (VPVB)", Instituut voor Mobiliteit, Universiteit Hasselt, Diepenbeek, januari 2016. https://www.uhasselt.be/UH/mobiliteitswetenschappen-rijsimulatoronderzoek/Afgeronde-onderzoeken/Effect-van-verlichte-reclameborden-in-beeld-gebracht.html 3) "Reclame naast wegen", (Nederlandse) stichting CROW, 2 juni 2017. https://www.crow.nl/publicaties/reclame-langs-wegen 1.3 Totstandkoming Voorliggende verordening kwam tot stand rekening houdend met - het advies van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed van 23 november 2022; - het advies van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen van 18 november 2022; - de overlegvergadering met de behoorlijk gemandateerde vertegenwoordigers van de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten, gehouden op 12 januari 2023. De Vereniging van de Vlaamse Provincies was hierop uitgenodigd maar heeft zich verontschuldigd voor dit overleg; - de 23 reacties, ontvangen tijdens het openbaar onderzoek over de ontwerpverordening, dat liep van 21 november 2022 tot en met 21 december 2022; - de resultaten van de plan-m.e.r.-screening, goedgekeurd op 23 februari 2023; - het advies van de Raad van State van 3 mei 2023. 2 ALGEMENE OPMERKINGEN Algemene opmerkingen in adviezen, de overlegvergadering of uit reacties die niet gekoppeld zijn aan een bepaald artikel worden in dit onderdeel behandeld. Opmerkingen in adviezen of uit bezwaren die wel betrekking hebben op een specifiek artikel, worden bij dat artikel in de artikelsgewijze bespreking behandeld. Voor de herkenbaarheid wordt telkens de betrokken instantie onderlijnd aangegeven: - Mobiliteitsraad van Vlaanderen: MORA - Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed: SARO - Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten: VVSG Gelet op redenen van privacy wordt wel de inhoud van de bezwaren behandeld, maar wordt de naam van de bezwaarindiener niet kenbaar gemaakt. 2.1 Toepassingsgebied en lokaal beleid Een aantal bezwaarindieners wierpen op dat voorliggende verordening onvoldoende rekening zou houden met de geografische context (verschil in stedelijke typologie). Het is echter zo dat voorliggende verordening een kader geeft, met toelaatbare maxima. Dat betekent niet dat elke aanvraag die aan de verordening voldoet, vergund moet worden. De goede ruimtelijke ordening blijft wel degelijk spelen bij vergunningverlening. In dit kader kan met de lokale context rekening gehouden worden. Bovendien kan de lokale overheid beleidsmatig normen voorzien in een eigen stedenbouwkundige verordening. 2.2 Absolute vs relatieve cijfers Op een aantal plaatsen in de verordening worden maximale oppervlaktes opgenomen, op andere plaatsen wordt gewerkt met relatieve cijfers. Tijdens het openbaar onderzoek werd meegegeven dat absolute cijfers niet in verhouding staan tot de omvang van het gebouwcomplex of de ruimte en context waarin de boodschap wordt gebracht. Relatieve cijfers doen dat meer. Hier wordt op gewezen dat de verordening een kader schept, en daarbij aangeeft wat toelaatbaar is. Dit wil niet zeggen dat alles wat aangevraagd wordt en voldoet aan de gestelde normen, automatisch recht heeft op een vergunning. Bij de beoordeling van het aangevraagde speelt de goede ruimtelijke ordening nog degelijk een rol. Werken met relatieve cijfers heeft daarbij nadelen bij kleinere oppervlaktes of juist bij zeer grote oppervlaktes, waar een percentage mogelijks uitkomt boven de maximaal gestelde oppervlakte. Individuele vergunningen kunnen hier beter op inspelen en strenger zijn dan de normen, voorzien in deze verordening. 2.3 Vergunningen voor bepaalde duur en lokale vergunningplichten Zowel de VVSG, de SARO, de MORA als een bezwaarindiener vragen de mogelijkheid om vergunningen van bepaalde duur af te leveren voor publiciteitsinrichtingen. Deze vraag valt echter buiten de scope van voorliggende verordening en vergt een aanpassing van de limitatieve lijst in het Omgevingsvergunningendecreet. Deze vraag kan worden meegenomen bij de wijzigingen aan dit naar aanleiding van de conceptnota VR 2022 1102 MED.0045/1TER. Ook werd tijdens het openbaar onderzoek opgeworpen dat gemeenten de mogelijkheid dienen te behouden om eigen vergunningsplichten in te voeren. Het initiatief om de huidige regeling in artikel 4.2.5 VCRO te wijzigen, vormt echter niet het voorwerp van voorliggende verordening, maar van een decretaal initiatief. In dat kader zal rekening gehouden worden met de geuite standpunten. 2.4 Handhaafbaarheid en handhaving Tijdens het openbaar onderzoek werden een aantal bedenkingen en vragen rond van handhaving opgeworpen. Zo wordt geteld dat op lokaal niveau de handhaving niet gewaarborgd kan worden aangezien er weinig concrete specificaties in de verordening opgenomen zijn. De vraag of de verordening wordt nageleefd of niet, is een vraag die zich vooral stelt bij de van vergunning vrijgestelde publiciteitsinrichtingen. Is de publiciteitsinrichting vergunningsplichtig, dan is de hoofdvraag die een handhaver moet beantwoorden de vraag of er effectief een vergunning bestaat en zal hij de naleving van de vergunning dienen te controleren. In tweede orde komt dan de vraag of de verordening wordt nageleefd inzake aspecten die niet in de vergunning zijn opgenomen (flitsen knipperen, verblinden, enz.). Het feit dat de verordening stelt dat publiciteitsinrichtingen die geplaatst werden in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen, behouden mogen blijven, houdt zeker geen regularisatie in van de publiciteitsinrichtingen die zonder vergunning geplaatst werden, als hiervoor een vergunning vereist was. Als er geen vergunning afgeleverd werd in het verleden, terwijl dit wel verplicht was, zal de publiciteitsinrichting nog steeds onwettig geplaatst zijn. Wel kan er voor publiciteitsinrichtingen die geplaatst werden zonder dat de geldende wettelijke bepalingen gevolgd werden, een regularisatievergunning aangevraagd worden. Bij de beoordeling zal de actuele regelgeving, met inbegrip van stedenbouwkundige voorschriften, eventuele verkavelingsvoorschriften als uitgangspunt genomen worden (waaronder voorliggende verordening). Eventuele inbreuken en overtredingen van de verordening zullen worden gehandhaafd overeenkomstig artikel 6.2.1 VCRO, dat straffen voorziet voor o.a. het uitvoeren van de handelingen in strijd met de stedenbouwkundige verordeningen, vermeld in artikel 2.3.1 tot en met 2.3.3 VCRO, tenzij de uitgevoerde handelingen vergund zijn. 2.5 Onderzoek tot milieueffectrapportage In toepassing van titel 4 van het DABM werd een plan-MER-screening uitgevoerd, op basis van de ontwerpverordening, zoals principieel goedgekeurd. De conclusie van het team MER luidde dat de publiciteitsverordening geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is. De plan-MER-screening werd door het team MER goedgekeurd op 23 februari 2023. 3 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel 1 (Citeeropschrift) Dit artikel voert een citeeropschrift in voor voorliggende verordening. Artikel 2 (Definities) Voorliggende verordening voorziet volgende definities: 1° herkenbaar 2° oppervlakte van een publiciteitsinrichting 3° publiciteitsboodschap 4° publiciteitsinrichting 5° zaak 6° zaakgebonden publiciteitsboodschap 7° zaakgebonden publiciteitsinrichting 1.Herkenbaar Dit begrip wordt gedefinieerd als "door een persoon in normale omstandigheden leesbaar of begrijpbaar". Deze definitie sluit aan bij de invulling die in de huidige regelgeving reeds wordt gehanteerd. De notie 'herkenbaar vanaf de openbare weg' (zie o.a. artikel 3) blijft dan ook dezelfde invulling als vandaag de dag krijgen. Een normale weggebruiker (voetganger, fietser of autobestuurder of passagier) moet de boodschap herkennen of begrijpen, zonder hiervoor abnormale inspanningen te moeten doen. 2. Oppervlakte van een publiciteitsinrichting Zowel bij zaakgebonden als bij niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen worden maximale oppervlaktes bepaald, vandaar dat een algemene definitie aangewezen is. Onder de oppervlakte van een publiciteitsinrichting wordt verstaan "de oppervlakte van een publiciteitsinrichting, met inbegrip van de eventuele omkadering, of de oppervlakte van een omschrijvende rechthoek rond een publiciteitsboodschap, waarbij bij meerzijdige publiciteitsinrichtingen de oppervlakten van de zijden die vanuit een punt kunnen worden gezien, worden samengeteld; de verschillende zijden van wisselende publiciteitsboodschappen worden slechts een keer geteld". Wat betreft die onderdelen van een publiciteitsinrichting die geen publiciteitsboodschap vermelden, maar die wel bedoeld zijn om de aandacht te trekken, kan opgemerkt worden dat deze deel uitmaken van de publiciteitsinrichting (zie hiervoor de definitie van publiciteitsinrichting). De oppervlakte hiervan zal dus meegerekend moeten worden. In geval van een felgekleurde totem zal er zo gekeken moeten worden naar de oppervlakte die vanuit een punt kan worden gezien. Bijvoorbeeld: voor twee reclamepanelen die aan de voorgevel bevestigd zijn en een hoek met elkaar vormen, waarbij beide panelen te zien zijn vanuit een positie recht voor de handelszaak, moet de oppervlakte samengeteld worden. Zijn deze reclamepanelen loodrecht op de voorgevel bevestigd, en is er vanuit elke positie slechts één van beide zijden zichtbaar, is de oppervlakte in dat geval gelijk aan de oppervlakte van 1 zijde. Daar ook de omkadering de aandacht van de weggebruikers trekt, wordt deze ook meegerekend bij het berekenen van de oppervlakte van een publiciteitsinrichting. De omkadering niet meetellen zou immers aanleiding kunnen geven tot het gebruiken van zeer brede kaders of lichtgevende kaders. Inzake geschilderde of geplakte beelden of letters moet niet gekeken worden naar de oppervlakte van de afzonderlijke letters, maar naar de oppervlakte van een rechthoek die men rond deze letters kan trekken. Vandaar dat opgenomen wordt dat onder de oppervlakte van de publiciteitsinrichting ook de oppervlakte van een omschrijvende rechthoek rond een publiciteitsboodschap verstaan moet worden. Het zou immers niet correct zijn om bij geschilderde letters op een gevel, deze hele gevel te gaan meetellen. 3. Publiciteitsboodschap Het onderscheid tussen zaakgebonden en niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen bestaat uit de aard van de publiciteitsboodschap, niet de constructie als dusdanig. Vandaar dat een publiciteitsboodschap gedefinieerd wordt als: "visuele communicatie met als doel een zaak, product of activiteit te identificeren, bekend te maken of te promoten, ongeacht of deze communicatie statisch, dynamisch, digitaal of analoog is. Hierbij worden bedrijven, handelszaken, horeca, verenigingen, organisaties, overheidsinstellingen, vrije beroepen en diensten ook als zaak beschouwd". Door te spreken over visuele communicatie worden geluidsboodschappen uitgesloten. Geschilderde gevels daarentegen betreffen ook een visuele communicatie. De communicatie moet gericht zijn op een bepaald doel, met name het identificeren, bekendmaken of promoten van een zaak, product of activiteit. Om te oordelen of een boodschap als een publiciteitsboodschap in de zin van voorliggende verordening beschouwd kan worden, moet bijgevolg gekeken naar de finaliteit. Bovendien wordt verduidelijkt dat het begrip "zaak" ruim gelezen moet worden (zie punt 5°, definitie van het begrip "zaak"). Politionele infoborden, snelheids-indicatieborden en andere specifieke snelheidsborden zijn geen publiciteitsboodschappen (ze hebben niet tot doel een zaak, product of activiteit te identificeren, bekend te maken of te promoten) en vallen dus niet onder de verordening. Ook de bepalingen in het Vrijstellingenbesluit zijn niet aan de orde. 4. Publiciteitsinrichting Sinds het decreet van 8 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/12/2017 pub. 20/12/2017 numac 2017040986 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving type decreet prom. 08/12/2017 pub. 02/02/2018 numac 2018030163 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en artikel 38 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en tot opheffing van diverse bepalingen van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 sluiten houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (de Codextrein) maakt het plaatsen of aanbrengen van een publiciteitsinrichting terug het voorwerp uit van een afzonderlijke vergunningsplicht. Sinds het opstellen van de VCRO was het zo dat alleen constructies met publiciteit vergunningsplichtig waren. Een publiciteitsinrichting of uithangbord werd immers opgenomen in de definitie van constructie (artikel 4.1.1, 3°, VCRO). Gezien er echter publiciteitsinrichtingen of uithangborden zijn die niet aan de definitie van constructie voldoen, zoals geschilderde of geplakte publiciteit, werd deze afzonderlijke vergunningsplicht terug ingevoerd. Hierbij werd echter niet bepaald wat verstaan moet worden onder publiciteitsinrichting. Voorliggende verordening hanteert volgende definitie: "elk visueel middel en elke constructie, met inbegrip van alle onderdelen ervan en ongeacht het verplaatsbaar of tijdelijke karakter ervan, met als doel om publiciteitsboodschappen op een vaste plaats kenbaar te maken aan het publiek" Een ruime interpretatie van publiciteitsinrichting is aangewezen om een zo groot mogelijk toepassingsgebied voor de regeling te hebben. Ook tijdelijke inrichtingen kunnen publiciteitsinrichtingen uitmaken. Elke middel en elke constructie die als doel hebben om publiciteitsboodschappen kenbaar te maken aan het publiek, worden gevat: ongeacht of het verplaatsbaar is, tijdelijk, dan niet duurzaam, van welke vorm of uit welk materiaal ook en bestaande uit de werkelijke publiciteitsboodschap zelf, als de eventuele omkadering ervan en alle onderdelen dienstig ter ondersteuning of montage ervan. Hierbij maakt de definitie geen onderscheid tussen commerciële en niet-commerciële publiciteitsinrichtingen. Naar afleidingsfactor en ruimtelijke impact maakt dit namelijk geen enkel verschil. Thans is het doel een publiciteitsboodschap kenbaar te maken. Het doel van informeren of aandacht trekken, thans omschreven als identificeren, bekendmaken of promoten van een zaak, product of activiteit zit thans vervat in de definitie van publiciteitsboodschap. Zo heeft een verlicht logo als doel een publiciteitsboodschap kenbaar te maken, en zal de constructie dan ook te beschouwen zijn als een publiciteitsinrichting. Dergelijk verlicht logo zal toegelaten kunnen worden, mits ze aan de voorwaarden opgenomen in voorliggende publiciteitsverordening voldoet. Ook de afbeelding van een grasmachine op een bord bij een verkoper van tuinmateriaal is dus een publiciteitsinrichting, ook al wordt geen merknaam of logo afgebeeld. Een aantal constructies hebben ook tot doel om het publiek te informeren of de aandacht te trekken, maar niet de identificatie, bekenmaking of promotie van een bedrijf, product, dienst of activiteit. Zo kan gedacht worden aan verkeerssignalisatie, standbeelden of gedenktekens. Deze hebben geen `publiciteit' tot doel, maar verkeersveiligheid, een historisch herinneren of een verfraaiing. Dergelijke constructies worden dan ook niet beschouwd als een publiciteitsinrichting. Om te oordelen of een inrichting als publiciteitsinrichting beschouwd kan worden, moet bijgevolg gekeken naar de finaliteit van de inrichting en de boodschap. Enkele illustraties van de finaliteit van de inrichting: - Zo kan de finaliteit van een stilstaande wagen verschillen. In de meeste gevallen zal de finaliteit van deze wagen er hoofdzakelijk in bestaan personen en goederen te vervoeren. In dat geval zal deze wagen niet beschouwd worden als publiciteitsinrichting, ook niet indien deze een publiciteitsboodschap bevat. Bestaat de finaliteit er hoofdzakelijk in reclame te maken, zal deze wagen beschouwd worden als publiciteitsinrichting. Elementen die erop kunnen wijzen dat het doel van een stilstaand voertuig hoofdzakelijk bestaat in het maken van reclame zijn bijvoorbeeld het niet langer voldoen aan technische eisen, elementen waaruit het niet tijdelijk karakter van het parkeren blijkt, wijze van opstelling van het voertuig, etc. Aan de definitie worden daarom de woorden "op een vaste plaats" toegevoegd. Die maken duidelijk dat een rijdend voertuig met publiciteit, ook al staat het ergens een paar uur stil, niet onder het toepassingsgebied valt. - Zo ook moet bij lichtgevende reclame bovenaan (bijv.) een werfkraan naar de intentie gekeken worden. Is het doel van de kraan om op een tijdelijke plek zaken op te heffen, dan is de publiciteit niet gevat door de verordening. Wordt de kraan niet gebruikt voor zijn eigenlijke doel, dan kan het zijn dat de publiciteit wel door de verordening wordt gevat, en afhankelijk van het geval zaakgebonden of niet-zaakgebonden publiciteitsboodschappen bevat. - Bij een televisietoestel bv. zal een scherm dat gericht wordt op de openbare weg met als doel reclame te maken als publiciteitsinrichting worden weerhouden, een televisiescherm dat door het raam zichtbaar is maar door personen in het gebouw zelf wordt bekeken, zal geen publiciteitsinrichting zijn. Dit geldt ook voor geprojecteerde beelden. Aldus kan op basis van deze verordening een voertuig met een reclameboodschap niet verhinderd worden om rond te rijden. Evenmin kunnen mensen die met een publiciteitsboodschap rondlopen, verhinderd worden dit te doen, onder voorbehoud van restricties opgenomen in andere reglementering zoals de wegcode. De in de Publiciteitsverordening naar voor geschoven voorwaarden inzake (bewaken van) ruimtelijke schoonheid en verkeersveiligheid die zodanig belangrijk worden geacht, worden eveneens ingeschreven in het Vrijstellingenbesluit, voor wat betreft de van vergunning vrijgestelde plaatsing van publiciteitsinrichtingen. 5. Zaak Het begrip "zaak" wordt een aantal keer gehanteerd in voorliggende verordening, en dient ruim gelezen te worden.Hieronder vallen dus niet alleen bedrijven, handelszaken of horeca maar ook verenigingen, organisaties, overheidsinstellingen, vrije beroepen en diensten. Ook deze voeren communicatie om diensten of activiteiten kenbaar te maken. Bij strikte lezing zouden deze immers niet onder een publiciteitsboodschap vallen, en bijgevolg ook niet onder de definitie van ((niet-)zaakgebonden) publiciteitsinrichting of, bij uitbreiding voorliggende verordening. 6. Zaakgebonden publiciteitsboodschap Zoals eerder aangeven, maakt voorliggende Publiciteitsverordening een onderscheid tussen zaakgebonden en niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen.Het onderscheid hiertussen bestaat uit de aard van de publiciteitsboodschap, niet de constructie als dusdanig. Een zaakgebonden publiciteitsinrichting is een publiciteitsinrichting met louter zaakgebonden publiciteitsboodschappen. Zaakgebonden publiciteitsboodschappen zijn publiciteitsboodschappen die louter betrekking hebben op een zaak op die locatie, zoals de naam, het logo, de vermelding van de activiteit, of de vermelding van een van de belangrijkste ter plaatse aangeboden producten of diensten. Er dient dus een link te zijn tussen de publiciteitsboodschap en de zaak op die locatie. Uit de definitie van "zaak" blijkt dat dit begrip ruim gelezen moet worden. Ook bedrijven, handelszaken, horeca, verenigingen, organisaties, overheidsinstellingen, vrije beroepen en diensten worden als zaak beschouwd. De vermelding van de naam van een drankenmerk op een café is dus een zaakgebonden publiciteitsboodschap, op voorwaarde dat dat merk in het café beschikbaar is. Het betreft een van de belangrijkste ter plaatse aangeboden producten. De naam van datzelfde drankenmerk op een supermarkt is geen zaakgebonden publiciteitsboodschap. Het drankenmerk is immers slechts één van de honderden aangeboden producten. Idem voor de vermelding van de naam van een krant. Op een krantenwinkel is dit een zaakgebonden publiciteitsboodschap. Op een supermarkt niet. Op de suggestie, geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek, om een onderscheid te maken binnen de zaakgebonden publiciteit tussen het opschrift (de naam) en reclame (het biermerk) wordt niet ingegaan. In de praktijk wordt echter vaak een zaak aangekondigd met het voornaamste verkochte product. Denken we aan een benzinestation. Dat vermeldt in grote letters het benzinemerk, en niet de naam van het tankstation zelf. Idem voor een autogarage. Die vermeldt het verkochte automerk, en niet de naam van de garagist. Een onderscheid maken tussen opschrift en reclame - met eventueel andere gevolgen en mogelijkheden-, lijkt tot artificiële en ingewikkelde situaties te leiden. Het onderscheid tussen zaakgebonden en niet zaakgebonden publiciteit laten vallen, is geen valabel alternatief. Het is immers de bedoeling dat zaakgebonden publiciteitsinrichtingen soepelere regels kennen dan niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen. Een publiciteitsinrichting op de gevel van een woning, die reclame maakt voor een frisdrank is dan wel fysiek onlosmakelijk verbonden met de locatie waar ze is aangebracht, de publiciteitsboodschap is dit allerminst. Dergelijke publiciteitsboodschap is geen zaakgebonden publiciteitsboodschap, en bijgevolg is de publiciteitsinrichting niet als een zaakgebonden publiciteitsinrichting te beschouwen. Gaat het gaat over een gemeenschappelijk gedeelte van een gebouwencomplex (vb. de voorgevel van een appartementsgebouw of de gemeenschappelijke parking van een bedrijventerrein) valt de publiciteitsinrichting van een bedrijf dat achterin het bedrijventerrein is gelegen of op een ander verdieping in het appartementsgebouw is gelegen onder zaakgebonden publiciteit. Wanneer het echter gaat over publiciteitsinrichtingen die vanuit een andere private eigendom wordt getoond (vb. vanachter het raam van een ander appartement of op de private parking van een ander bedrijf gesitueerd op het bedrijventerrein (vb. met een betere ligging t.o.v. de gewestweg) ) gaat het niet over zaakgebonden publiciteit. De aard van de publiciteitsboodschap, en niet de constructie als dusdanig, is doorslaggevend voor het onderscheid tussen zaakgebonden en niet- zaakgebonden publiciteitsinrichting. Hierbij dient er wel een link te zijn tussen de publiciteitsboodschap en de zaak op die locatie. Het moet om een actieve onderneming gaan. Er moet effectief een exploitatie zijn om te kunnen spreken van een (actieve) zaak. De aanwezigheid van een ondernemingsnummer kan niet voldoende zijn om van een 'zaak' te spreken. 7. Zaakgebonden publiciteitsinrichting Een zaakgebonden publiciteitsinrichting is een publiciteitsinrichting met louter zaakgebonden publiciteitsboodschappen. Doordat voorliggende verordening een definitie bevat van zaakgebonden publiciteitsboodschap, is de link tussen het verbonden zijn van boodschap met locatie daar voorzien. De vroegere term `uithangbord' wordt gevat door de definitie van zaakgebonden publiciteitsinrichting. Dat begrip werd oorspronkelijk zeer strikt gedefinieerd (enkel en alleen de handelsnaam/het logo van het bedrijf ter plaatse), maar wordt intussen reeds geruime tijd veel soepeler geïnterpreteerd, gelet op de noodzaak voor handelszaken, bedrijven, verenigingen e.d. om economische verrichtingen, producten of activiteiten die verbonden zijn met die betrokken locatie kenbaar te kunnen maken. Het gaat niet meer enkel over welke onderneming er gevestigd is en welke werkzaamheden daar worden verricht, maar ook welke producten op die locatie worden vervaardigd, verkocht of hersteld of welke diensten er worden verstrekt. Daar thans zaakgebonden publiciteitsinrichtingen niet steeds meer "uithangen", maar ook op de gevel of het dak of in de voortuin aangebracht kunnen zijn, of zelfs geprojecteerd, is het blijven gebruiken van de term "uithangbord" te verwarrend. Ook dynamische borden vallen onder het begrip publiciteitsinrichtingen. Deze kunnen zowel zaakgebonden als niet-zaakgebonden zijn. Dit soort publiciteitsinrichtingen is wel aan specifieke regels onderworpen, gezien dit soort publiciteitsinrichtingen grote impact heeft op de aandacht van de weggebruikers. De nieuwe term sluit dan ook beter aan bij de huidige mogelijkheden om publiciteitsboodschappen kenbaar te maken. Een definitie van "niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen" is niet nodig daar de inhoud a contrario kan worden afgeleid uit de definitie van zaakgebonden publiciteitsinrichting. Artikel 3 (Toepassingsgebied) Dit artikel bepaalt dat de verordening van toepassing is op "het plaatsen of aanbrengen van publiciteitsinrichtingen als al de volgende voorwaarden vervuld zijn: 1° de publiciteitsboodschap is herkenbaar vanaf de openbare weg;2° voor het plaatsen of aanbrengen van de publiciteitsinrichting is een omgevingsvergunning of een meldingsakte vereist. Dit besluit is ook van toepassing als overgegaan wordt van een zaakgebonden publiciteitsinrichting naar een niet zaakgebonden publiciteitsinrichting." 1. Plaatsen of aanbrengen Voorliggende Publiciteitsverordening bevat vooreerst algemene voorwaarden waaraan publiciteitsinrichtingen moeten voldoen, en vervolgens bepalingen voor zaakgebonden dan wel niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen, waarbij soepelere regels gelden voor zaakgebonden publiciteitsinrichtingen. Een verkregen vergunning is dan ook gelinkt aan de aard van de publiciteitsinrichting (zaakgebonden of niet-zaakgebonden). Opgemerkt kan worden dat het vergroten of verkleinen of anderszins wijzigen van de vorm van een publiciteitsinrichting ook vergunningsplichtig is. Publiciteitsinrichtingen worden immers zowat steeds gevat door een dubbele vergunningsplicht. Ze kunnen vaak ook constructies zijn en het "verbouwen of uitbreiden" van constructies is vergunningsplichtig. Het vervangen van een bord van 2 m2 door een bord van 4 m2, ook al blijft de tekst ongewijzigd, is dus vergunningsplichtig en valt onder het toepassingsgebied van de verordening. 2. De publiciteitsboodschap is herkenbaar vanaf de openbare weg Een publiciteitsboodschap is herkenbaar vanaf de openbare weg wanneer de weggebruiker vanuit zijn positie op de weg kan bepalen dat en met welk doel er publiciteit wordt gemaakt. Affiches of andere vormen van publiciteit die niet herkenbaar zijn vanaf de openbare weg, vallen hier dus niet onder. Er wordt hier geen onderscheid gemaakt of de openbare weg een gewestweg is, dan wel een gemeenteweg. De verordening speelt dus bij herkenbaarheid vanaf alle openbare wegen. Deze notie is minder streng dan 'zichtbaar vanaf de openbare weg'. De beoordeling of een publiciteitsinrichting 'herkenbaar is vanaf de openbare weg', moet op redelijke wijze gebeuren in het kader van een normaal gebruik van de weg en dus niet bijvoorbeeld vanuit stilstand met een verrekijker. 3. Voor de plaatsing is een omgevingsvergunning of een meldingsakte vereist Er wordt voor gekozen de Publiciteitsverordening te laten spelen zodra de stedenbouwkundige vergunningsplicht geldt, dus wanneer een vergunning bekomen moet worden of een meldingsakte. Een meldingsakte wordt immers als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen beschouwd voor de toepassing van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening, en wordt gelijkgesteld met een voorafgaande toelating om te bouwen wat betreft de toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/02/1939 pub. 15/10/1998 numac 1998000328 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet op de bescherming van de titel en van het beroep van architect . - Duitse vertaling sluiten op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, tenzij de meldingsakte alleen betrekking heeft op handelingen die niet gebouwd worden. Voorwaarden inzake (bewaken van) ruimtelijke schoonheid en verkeersveiligheid die zodanig belangrijk worden geacht, worden geregeld door voorliggende verordening voor vergunnings- en meldingsplichtige handelingen wat betreft publiciteitsinrichtingen. Deze voorwaarden worden tevens ingeschreven in het Vrijstellingenbesluit, voor wat betreft de van vergunning vrijgestelde plaatsing van publiciteitsinrichtingen. Voor publiciteitsinrichtingen die beantwoorden aan de voorschriften in voorliggende verordening, houdt dit echter geen absoluut "recht" op een vergunning in. De toetsing aan de in de VCRO vermelde beoordelingsgronden, waaronder de goede ruimtelijke ordening, blijft onverkort gelden. De Publiciteitsverordening algemeen van toepassing verklaren, ook op van vergunning vrijgestelde handelingen is niet wenselijk. (zie artikel 1.3 Vrijstellingenbesluit) Hierdoor zouden de in de verordening opgenomen oppervlaktematen ook op de vrijgestelde handelingen van toepassing zijn, waardoor een aantal vrijstellingen te zeer beperkt worden. Zo bijvoorbeeld vrijstaande publiciteitsinrichtingen voor lokale, socio-culturele evenementen, die vaak niet zaakgebonden zijn (inhoudelijk verbonden met een locatie), waarbij de vrijstelling zeer restrictief zou gelden. 4. Overgang van een zaakgebonden naar een niet zaakgebonden publiciteitsinrichting Zoals aangegeven voerde het decreet van 8 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/12/2017 pub. 20/12/2017 numac 2017040986 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving type decreet prom. 08/12/2017 pub. 02/02/2018 numac 2018030163 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en artikel 38 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en tot opheffing van diverse bepalingen van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 sluiten houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (de Codextrein) een afzonderlijke vergunningsplicht in voor het plaatsen of aanbrengen van een publiciteitsinrichting. In de memorie van toelichting bij de Codextrein staat uitdrukkelijk: "Daarom schrappen we de woorden "een publiciteitsinrichting of uithangbord" in de definitie van constructie in artikel 4.1.1 van de VCRO en voegen we aan artikel 4.2.1 van de VCRO dat de vergunningsplicht regelt toe dat het plaatsen van een publiciteitsinrichting vergunningsplichtig is. Het vervangen van de publiciteitsboodschap zelf door een andere boodschap is nooit vergunningsplichtig geweest en dat is nu uiteraard ook niet de bedoeling. Het vervangen van de ene papieren affiche door de andere kan dus zonder vergunning. Ook het overschilderen van de ene tekst door de andere. De vergunde grootte van de publiciteitsinrichting moet hierbij wel gerespecteerd worden. Er zijn uiteraard vormen van publiciteit die tegelijk ook een constructie zijn. Dit blijft ook in de toekomst zo. Voor de volledigheid kunnen we opmerken dat meerdere vormen van publiciteitsinrichtingen vrijgesteld zijn van vergunningsplicht via het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 16/07/2010 pub. 10/09/2010 numac 2010035645 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is type besluit van de vlaamse regering prom. 16/07/2010 pub. 10/09/2010 numac 2010035576 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening sluiten tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is. Bovendien is het ook zo dat feit dat iets niet-vergunningsplichtig is, niet betekent dat dit zomaar toegelaten is. Zo is er ook een weinig bekende reclamewetgeving uit 1959 die moet worden nageleefd, waardoor mensen uit onwetendheid overtredingen begaan." Dit is ook het standpunt dat in handhavingsdossiers en rechtspraak wordt gehanteerd. Het is echter niet de bedoeling dat men na het verkrijgen van een initiële vergunning voor een zaakgebonden publiciteitsinrichting, de aard van de publiciteitsinrichting zonder enige beoordeling door een overheid kan wijzigen, om aan strengere beoordelingsregels die gelden voor een niet-zaakgebonden publiciteitsinrichting te ontsnappen. Vandaar dat expliciet voorzien wordt dat: "Dit besluit is ook van toepassing indien overgegaan wordt van een zaakgebonden publiciteitsinrichting naar een niet zaakgebonden publiciteitsinrichting." Het vervangen van de boodschap blijft zo wel vrijgesteld van vergunning (algemeen principe), maar kan enkel doorgevoerd worden als de wijziging van zaakgebonden naar niet-zaakgebonden publiciteitsinrichting niet strijdig is met voorliggende Publiciteitsverordening. HOOFDSTUK 2. ALGEMENE VOORWAARDEN De systematiek bij toepasbaarheid van voorliggende verordening is als volgt: Vooreerst moet gekeken worden of de betrokken handelingen vallen onder het toepassingsgebied van de verordening: - gaat het over het plaatsen of aanbrengen van publiciteitsinrichtingen? - gaat het daarbij over publiciteitsinrichting die herkenbaar zijn vanaf de openbare weg? - is voor de plaatsing van de publiciteitsinrichting een omgevingsvergunning of meldingsakte vereist? - is het een vervanging van een zaakgebonden door een niet zaakgebonden publiciteitsinrichting? Hierbij moet rekening worden gehouden met de opgenomen definities. Valt een publiciteitsinrichting onder het toepassingsgebied, moet bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag of melding dan wel bij de wijziging van de aard van de publiciteitsinrichting gekeken worden of aan de algemene voorwaarden voldaan is. Deze algemeen voorwaarden spelen, ongeacht de aard van de publiciteitsinrichting of de publiciteitsboodschap. Vanuit de bekommernis van duidelijkheid en leesbaarheid is dit hoofdstuk `Algemene voorwaarden' als volgt opgebouwd: - Artikel 4: behoud van sectorale normen en ruimtelijke inpasbaarheid - Artikel 5: verbod op negatieve invloed op verkeersveiligheid, op het hinderen van de vrije doorgang op het openbaar domein en op het in gedrang brengen van het veilig uitrijden - Artikel 6: voorwaarden voor het inwendig of uitwendig verlichten van publiciteitsinrichtingen - Artikel 7: voorwaarden voor publiciteitsinrichtingen met knipperende of flitsende publiciteits-boodschappen - Artikel 8: voorwaarden voor publiciteitsinrichtingen met bewegende publiciteitsboodschappen of inrichtingen waarbij van de ene naar de andere publiciteitsboodschap wordt overgegaan Vervolgens moeten hetzij de bepalingen voor zaakgebonden publiciteitsinrichtingen (hoofdstuk 3) hetzij deze voor niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen (hoofdstuk 4) toegepast worden. Zijn de gestelde voorwaarden vervuld, kan een vergunning verleend worden. Dit houdt geen absoluut "recht" op een vergunning in. De toetsing aan de beoordelingsgronden, waaronder de goede ruimtelijke ordening, blijft onverkort gelden. De algemene voorwaarden zijn dermate belangrijk, dat hieraan voldaan moet zijn, ongeacht of het gaat over zaakgebonden of niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen. Ook in het Vrijstellingenbesluit worden een aantal van deze voorwaarden herhaald (zie artikel 16). Artikel 4 (Behoud van sectorale regelgeving en ruimtelijke inpasbaarheid) Voorliggende verordening doet uiteraard geen enkele afbreuk aan andere relevante wettelijke bepalingen, zoals bv. de Wet Autosnelwegen, de Wegcode, het Onroerenderfgoeddecreet en -besluit, de voorschriften in geval van een privatieve inname van het openbaar domein (bv. bij publiciteitsinrichtingen geplaatst op het openbaar domein of uitstekken in de openbare ruimte, ...). Al deze voorschriften gelden onverminderd naast voorliggende verordening. Ook de regelgeving rond onroerend erfgoed, die in een apart systeem van toelatingen voorziet, moet worden toegepast. Het is dus niet zo dat deze sectorale verplichtingen automatisch ophouden te bestaan als een publiciteitsinrichting voldoet aan de voorwaarden, gesteld in voorliggende verordening. De hiërarchie der normen en de verhouding tussen verordeningen en plannen is geregeld in de VCRO en wordt niet in voorliggende verordening opgenomen. De voorschriften van plannen van aanleg en uitvoeringsplannen over publiciteit blijven gelden. Aldus is het ook zo dat de plaatsing van de publiciteitsinrichting in overeenstemming moet zijn met de bestemming en de daaraan gekoppelde stedenbouwkundige voorschriften of met geldende afwijkingsmogelijkheden ervan. Dit betekent bv. dat men niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen niet eender waar kan zetten. Bij een zonevreemde woning met een blinde zijgevel, gelegen in landbouwgebied, zal het dan ook niet mogelijk zijn een publiciteitsinrichting met publiciteit voor een lokale garage te vergunnen. Bij zonevreemde woningen of constructies zal men geen beroep kunnen doen op de basisrechten, aangezien deze basisrechten uitdrukkelijk niet van toepassing worden verklaard op publiciteitsinrichtingen of uithangborden. Ook een plaatsing van een niet-zaakgebonden publiciteitsbord in agrarisch gebied is niet vergunbaar. Een aantal concrete voorbeelden kunnen dit illustreren: - Een publiciteitsinrichting in woongebied is doorgaans in overeenstemming met de stedenbouwkundige voorschriften en dus principieel vergunbaar, zowel voor zaak- als niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen (wel moet nagegaan worden of er geen voorschriften van BPA's, RUP's of minder dan 15 jaar oude verkavelingen de plaatsing verbieden). - In industriegebieden kunnen enkel publiciteitsinrichtingen voorzien worden voor zaakgebonden activiteiten (lees: bedrijven gevestigd op het bedrijventerrein) aangezien niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen niet in overeenstemming zijn met de bestemming. Hetzelfde geldt voor landbouwbedrijven in agrarisch gebied. - Een publiciteitsinrichting in agrarisch gebied kan dus niet vergund worden (los van de vraag of het langs een gewestweg is of het een vrijstaande constructie betreft of op een gevel) voor niet-zaakgebonden publiciteit. Ook de gewestelijke verordening inzake toegankelijkheid en de gewestelijke verordening voor voetgangersverkeer zijn van toepassing, zonder dat deze expliciet vermeld worden. Zijn er lokale reglementen of verordeningen van toepassing, zullen ook deze gevolgd moeten worden, waarbij de strengste bepalingen dan zullen gelden. Artikel 5 (Verbod op negatieve invloed op verkeersveiligheid, het hinderen van een vrije doorgang en het in het gedrang brengen van het veilig uitrijden) 1. Een verbod op negatieve invloed op verkeersveiligheid Algemeen wordt bepaald dat publiciteitsinrichtingen of publiciteitsboodschappen geen negatieve impact mogen hebben op de verkeersveiligheid.Ter beoordeling van de impact op de verkeersveiligheid zal het advies van de wegbeheerder van de betrokken weg cruciaal zijn. Deze adviesinstantie beschikt immers over de nodige technische kennis hieromtrent en voert binnen diens bevoegdheid veelal ook een gericht beleid met het oog op veiliger wegverkeer. Daarnaast mogen de publiciteitsinrichtingen of publiciteitsboodschappen niet hinderlijk zijn voor de zichtbaarheid (1° ) dan wel de doeltreffendheid (2° ) van reglementaire verkeerssignalisatie of de reglementair aangebrachte straatnaamborden. De doeltreffendheid van verkeerssignalisatie of straatnaamborden kan gehinderd worden door bv. publiciteitsinrichtingen die gelijkenissen hiermee vertonen. De gehanteerde begrippen (hinderlijk, gelijkenissen vertonen, ...) moeten in hun spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen. Het gebruik van de woorden "onder andere" geeft aan dat publiciteitsinrichtingen nog op andere wijzen hinderlijk kunnen zijn voor de doeltreffendheid van reglementaire verkeerssignalisatie of de reglementair aangebrachte straatnaamborden. 2. Verbod op het hinderen van een vrije doorgang over de openbare weg Publiciteitsinrichtingen mogen niet zo gezet worden dat ze een vrije doorgang over de openbare weg hinderen. Publiciteitsinrichtingen kunnen immers hinderlijke obstakels vormen die een veilige doorgang voor de voetgangers belemmeren. Vele gemeenten hebben reeds een reglement over de ingebruikname van het openbaar domein bij werken, evenementen, ... om er onder meer voor te zorgen dat er voldoende ruimte overblijft voor voetgangers, fietsers, ... die zich wensen te verplaatsen. Daar geen wettelijke definitie bestaat van openbare weg, heeft de rechtspraak volgende invulling gegeven: - "De openbare weg is de weg die in het algemeen belang van de inwoners gebruikt wordt." (Cass. 10 februari 1958); - "De openbare weg is de weg die voor het openbaar gebruik door alle burgers, inwoners of niet van de gemeente, bestemd is en juist door die bestemming het karakter van openbare weg krijgt." (Cass. 10 april 1969); - "Onder "openbaar" gebruikt dient verstaan te worden, wegen die voor het publiek verkeer openstaan, terwijl dit niet noodzakelijkerwijze impliceert dat die wegen daarom ingericht worden voor het voertuigenverkeer in het algemeen." (Cass. 20 december 1995, P.95.0770.F). Niet het eigendomsstatuut, maar wel de bestemming die eraan gegeven wordt, bepaalt het openbaar karakter van een weg. Die bestemming wordt gegeven door een overheidsbeslissing, een uitdrukkelijke beslissing van een particulier (bv. gratis grondafstand) of door het feitelijk dulden van de eigenaar. Hieronder vallen dus ook marktpleinen, waterwegen, wegen op private grond die een openbaar karakter hebben ... Voorliggende verordening bepaalt nu dat ook bij het verlenen van een vergunning voor publiciteitsinrichtingen de doorgang van de openbare weg verzekerd moet worden. 3. Verbod om het veilig uitrijden van een goed in het gedrang te brengen Dit uitrijden kan in het gedrang gebracht worden door de plaatsing in het zichtsveld, zodat een autobestuurder niet of onvoldoende kan zien of er verkeer op de openbare weg aankomt, maar ook door de mogelijke reflectie van zonlicht, ... Om het belang van deze verboden te onderstrepen, wordt ten overvloede meegegeven dat dit verbod geldt voor zowel zaakgebonden als niet-zaakgebonden publiciteitsinrichtingen en publiciteitsboodschappen, vrijstaand of niet, geïntegreerd in functionele inrichtingen of niet, dan wel bevestigd aan of op een vergund of vergund geachte constructie. Hierbij wordt opgemerkt dat naast voorliggende verordening, ook de Wegcode blijft gelden. Zo zullen bepaalde reclameborden, uithangborden of inrichtingen geen rode of groene tint mogen hebben. Artikel 6 (Inwendig of uitwendig verlicht) Als een publiciteitsinrichting gebruik maakt van in- of uitwendige verlichting, gelden er twee bijkomende voorwaarden voor deze publiciteitsinrichting. 1. De weggebruiker wordt niet verblind Het is niet evident een bepaalde normering te voorzien op basis van lichtsterkte, aangezien er meerdere normen mogelijk zijn, en de berekening van de sterkte van een aantal factoren afhangt (contrast-verhouding tussen voorgrond en achtergrond, omgevingsverlichting, plaats van meting,...). Vandaar dat voorzien wordt dat in- of uitwendig verlichte publiciteitsinrichtingen de weggebruiker niet mogen verblinden. 2. De helderheid van vrij programmeerbare inwendig verlichte publiciteitsinrichtingen is instelbaar en past zich automatisch aan het omgevingslicht aan. Deze formulering impliceert dat een vrij programmeerbare inwendig verlichte publiciteitsinrichting (zoals een LED-scherm) niet vergunbaar is zonder technologie die de helderheid automatisch kan aanpassen aan het omgevingslicht. De automatische aanpassing van de helderheid van de publiciteitsinrichting aan het omgevingslicht kan het best bekomen worden met een lichtsensor, maar is in principe ook mogelijk met een GPS op basis van zonsondergang. De technologie waarmee de aanpassing gebeurt, kan vrij worden bepaald. Er zal enkel worden gekeken naar het resultaat vanop de openbare weg. Indien geopteerd zou worden voor concrete maximale luminantiewaarden, kan het Agentschap Wegen & Verkeer dit opnemen in haar advies over vergunningsaanvragen inzake publiciteitsinrichtingen langs gewestwegen, en kan dit opgenomen worden als voorwaarde bij de vergunningsbeslissing. Er blijkt immers veel discussie te bestaan, afhankelijk van de concrete situatie. Wat betreft lichthinder door opwaarts gerichte verlichting of hinder richting buurtbewoners is het zo dat dit telkenmale in concreto bekeken en beoordeeld zal moeten worden. Dit gebeurt bij uitstek in de vergunningverlening, net zoals dit gebeurt voor andere mogelijke vormen van hinder. Daarnaast is het ook zo dat de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek gevolgd moeten worden (o.a. art. 3.101 inzake burenhinder). Een volledig verbod van verlichting tijdens welbepaalde uren dient eerder andere doelen dan het verhogen van de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid en de verkeersveiligheid. Voorliggende verordening is dan ook niet het geschikte instrument om dit in te voeren. Bij de vergunningverlening zal geen sluitende controle gevoerd kunnen worden of sluitende voorwaarden kunnen opgelegd worden rond een bepaald luminositeitsniveau. Wel zal bij de vergunningverlening in alle redelijkheid met de op dat moment voorliggende info geoordeeld moeten worden. Wel moet er een aanpasbaarheid zijn en moet er aan het omgevingslicht worden aangepast. Dit zou ertoe moeten leiden dat, als later in de praktijk toch een verblindend karakter wordt vastgesteld vanop de openbare weg, er wel nog een bijstelling van luminositeitsniveau kan gevraagd worden, zelfs als een omgevingsvergunning werd afgeleverd. Anders is de publiciteitsinrichting immers 'verblindend' en in strijd met bindende regelgeving nl de gewestelijke publiciteitsverordening, wat betekent dat handhavend kan worden opgetreden. Artikel 7 (Knipperende of flitsende publiciteitsboodschappen) Voorliggend artikel geldt voor publiciteitsinrichtingen die knipperende of flitsende publiciteitsboodschappen weergegeven. De voorwaarden waaraan publiciteitsinrichtingen met bewegende publiciteitsboodschappen of publiciteitsinrichtingen waarbij van de ene publiciteitsboodschap naar de andere publiciteitsboodschap wordt overgegaan, moeten voldoen, worden opgenomen in het volgend artikel. Gezien knipperende of flitsende publiciteitsboodschappen over het algemeen een sterke neiging hebben om de aandacht te trekken van de bestuurder, kunnen publiciteitsinrichtingen met dergelijke publiciteitsboodschappen alleen toegelaten worden als de publiciteitsboodschap alleen herkenbaar zijn vanop openbare wegen waar: 1. geen of maar beperkt gemotoriseerd verkeer is toegelaten, zoals in winkel-wandelstraten of verkeersluwe straten;2. gemotoriseerd verkeer tijdelijk verboden is, gedurende de periode waarvoor dit tijdelijk verbod geldt, zoals bij evenementen. Ook hier is het zo dat de verordening een kader aanreikt en toelaatbare maxima weergeeft. Voor steden en gemeenten is er ruimte om strenger te zijn. Dit kan zowel beleidsmatig via een gemeentelijk stedenbouwkundige verordening als via het vergunningentraject, geval per geval. Artikel 8 (Bewegende of van de ene naar de andere overgaande publiciteitsboodschappen) Voorliggend artikel regelt de situatie van (1) publiciteitsinrichtingen met bewegende publiciteitsboodschappen en (2) publiciteitsinrichtingen waarbij van de ene publiciteitsboodschap naar de andere publiciteitsboodschap wordt overgegaan. Deze zijn iets minder afleidend dan de in het vorig artikel behandelde publiciteitsinrichtingen, maar hebben toch nog een grotere afleidingswaarde dan statische boodschappen. Bij publiciteitsinrichtingen met bewegende publiciteitsboodschappen kan het gaan om mechanische beweging (bijvoorbeeld een zwaaiende arm) of een geprogrammeerde beweging op een scherm (een ontploffende champagnekurk bijvoorbeeld). Hieronder vallen ook films of animaties. De publiciteitsboodschappen op vlaggenmasten bewegen niet, waardoor vlaggenmasten als dusdanig niet onder deze categorie van publiciteitsboodschappen vallen. Bij publiciteitsinrichtingen waarbij van de ene naar de andere publiciteitsboodschap wordt overgegaan kan gedacht worden aan de zogenaamde rollende reclamepanelen, waarbij publiciteitsboodschappen met een zekere frequentie door publiciteitsboodschappen roteren. De zogenoemde "trivisions" met driehoekige balkjes, ook. Ook de onmiddellijke vervanging van statische publiciteit door nieuwe statische publiciteit, bijvoorbeeld door middel van een digitaal bord, valt hier onder. Voorliggend artikel bevat, in volgorde, een verbod, een toelaatbaarheid onder voorwaarden en een toelaatbaarheid met louter locatievoorwaarden. 1. Algemeen verbod Er is een algemeen verbod voor publiciteitsinrichtingen met bewegende publiciteitsboodschappen of publiciteitsinrichtingen waarbij van de ene publiciteitsboodschap naar de andere publiciteitsboodschap wordt overgegaan.Dit verbod geldt als de publiciteitsboodschap herkenbaar is: 1° vanaf autosnelwegen; Er wordt niet ingegaan op de vraag tijdens het openbaar onderzoek om dit verbod uit te breiden naar (bepaalde) gewestwegen. Een volledig verbod langs gewestwegen heeft enorme consequenties op de mogelijkheid van zaken, producten of activiteiten te identificeren, bekend te maken of te promoten. Het al dan niet toestaan van PI publiciteitsinrichtingen langs gewestwegen (of de voorwaarden waaronder dit zou kunnen) kan geval per geval bekeken worden bij de vergunningverlening. 2° op minder dan 50 meter voor een kruispunt met een andere weg of een oversteekplaats voor zwakke weggebruikers; Een rotonde is volgens het verkeersreglement ook een kruispunt. Bovendien wordt er geen onderscheid gemaakt tussen kruispunten met dan wel zonder verkeerslichten. Alle kruispunten worden gevat. Zwakke weggebruikers zijn volgens de wetgeving al degenen die deelnemen aan het verkeer en niet de bestuurder zijn van een motorrijtuig; dit zijn dus de voetgangers, de fietsers en de passagiers. Gezien het in dit punt gaat over oversteekplaatsen, betreft het de voetgangers en fietsers. 3° voor en in een gevaarlijke bocht van een weg, vanaf de hiervoor aangebrachte verkeerssignalisatie Een gevaarlijke bocht wordt steeds aangegeven met het verkeersbord A1. Vanaf dit bord tot en met in deze bocht mag een publiciteitsinrichting waarbij van de ene publiciteitsboodschap naar de andere publiciteitsboodschap wordt overgegaan niet herkenbaar zijn. Reden voor het verbod is het aandachttrekkend karakter van dergelijke publiciteitsinrichtingen. Weggebruikers zijn immers (zeer) nieuwsgierig over welke beelden en/of teksten zullen volgen op een getoonde boodschap. Gelet op het afleidingspotentieel in het verkeer zijn publiciteitsinrichtingen met dergelijke boodschappen niet toegelaten wanneer zij zichtbaar zijn op risicoplaatsen. Bij aanvragen voor dergelijke publiciteitsinrichtingen, waar de publiciteitsboodschap herkenbaar is vanaf die locaties, moet de vergunning geweigerd worden. 2. Toelaatbaarheid onder voorwaarden Publiciteitsinrichtingen met bewegende publiciteitsboodschappen of publiciteitsinrichtingen waarbij van de ene publiciteitsboodschap naar de andere publiciteitsboodschap wordt overgegaan, kunnen op andere plaatsen worden toegelaten, als ze voldoen aan de volgende drie voorwaarden: 1° De weergavetijd van een publiciteitsboodschap bedraagt minimaal zes seconden Vanuit verkeersveiligheidsaspecten wordt een minimale weergavetijd bij bewegende of wisselende boodschappen opgelegd.Zo kan de aandacht van de weggebruikers nog steeds uitgaan naar de boodschap, maar zullen ze ook voldoende tijd hebben om aandachtig te zijn op het verkeer. Uit wetenschappelijke studies is gebleken dat wisselende publiciteitsweergaven de aandacht van bestuurders extra afleiden. Zo werd een wisselfrequentie van 3 sec., 6 sec. en 15 sec. onderzocht. Recenter onderzoek in Nederland ("Reclame naast wegen", stichting CROW, 2 juni 2017) stelt dat: "Studies hebben uitgewezen dat een langere weergavetijd minder afleidt. Afhankelijk van de situatie kan de desbetreffende vergunningverlener een afweging maken tussen 6 en 10 seconden, zoals dit al wordt gedaan door verschillende gemeenten. Er wordt aanbevolen om minder wisselingen dan eens per 10 seconden toe te passen indien in het blikveld van bestuurders meerdere van beeld wisselende reclame-uitingen kunnen voorkomen. Bij voorkeur zijn beeldwisselingen op maximaal één scherm tegelijk zichtbaar. Bij plannen voor het plaatsen van meerdere reclame-uitingen zou dit in een verkeerskundige (wegbeeld)analyse nader onderzocht moeten worden." Dit neemt niet weg dat op gevaarlijke punten via de vergunningverlening een langere weergavetijd kan opgelegd worden, of wisselende publiciteit kan worden verboden. 2° Verbod van speciale effecten bij wissel van publiciteitsboodschap Een publiciteitsboodschap laten overgaan in een andere publiciteitsboodschap door gebruik te maken van speciale effecten, zoals vervagen, slepen, in- of uitzoomen, is niet toegelaten. Het gebruik van het woord `zoals' moet duidelijk maken dat de voorbeelden niet limitatief zijn en ook andere vormen van speciale effecten bij het overgaan van boodschappen verboden zijn. De gegeven voorbeelden zijn enkele illustraties van wat beschouwd wordt als speciaal effect. Een definitie of nadere inv …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.