← België

Koninklijk besluit betreffende de uitvoering van artikel 37 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit regelt het statuut van de rekenplichtigen binnen de federale overheid, inclusief hun aanstelling, verantwoordelijkheden, rechten en plichten, en de procedures voor het afleggen van rekeningen. Het doel is om een duidelijk en uniform kader te scheppen voor het beheer van overheidsgelden en -waarden.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

📄 Wettekst
12 AUGUSTUS 2024. - Koninklijk besluit betreffende de uitvoering van artikel 37 van de wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat en tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 juli 2017Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 31/07/2017 pub. 24/08/2017 numac 2017012980 bron federale overheidsdienst beleid en ondersteuning Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 20, § 2, tweede lid,78, eerste lid, 80, tweede lid, 86, eerste lid, 87, § 2/1, 89, eerste lid, en 96 eerste lid, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat sluiten tot uitvoering van de artikelen 20, § 2, tweede lid, 78, eerste lid, 80, tweede lid, 86, eerste lid, 87, § 2/1, 89, eerste lid, en 96 eerste lid, van de wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat VERSLAG AAN DE KONING Sire, Artikel 37 van de wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat kent de bevoegdheid toe aan de Koning, op gezamenlijke voordracht van de Ministers van Financiën en van Begroting, een "statuut" voor de rekenplichtigen uit te werken, dit wil zeggen de vorm en de voorwaarden te bepalen voor de aanstelling van rekenplichtigen alsook van hun plaatsvervangers gedurende hun afwezigheden; de rechten en verplichtingen van deze personen te bepalen alsook de door de administratieve overheid te volgen procedure vast te stellen om de rekenplichtige kwijting te verlenen voor de niet-ingevorderde vastgestelde rechten. Het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit zet deze wetsbepaling om in een reglementaire tekst die als belangrijkste doel heeft een statuut voor de rekenplichtigen vast te stellen dat zowel de belangen van de Schatkist beschermt als deze van de rekenplichtigen zelf. Inderdaad, hoewel de rekenplichtige, als beheerder van overheidsgelden en -waarden, een belangrijke financiële functie waarneemt, moet erkend worden dat tot op heden geen omvattend normatief kader voor deze functie werd uitgewerkt. De omschrijving van de taken en van de rechten en plichten van de rekenplichtigen draagt ongetwijfeld bij tot de rechtszekerheid van alle rekenplichtigen. Daarnaast beoogt dit ontwerp bijdragen tot de harmonisering van de werkvoorwaarden van de rekenplichtigen. Hoofdstuk I bepaalt het toepassingsgebied van dit koninklijk besluit, namelijk alle aan de rechtsmacht van het Rekenhof onderworpen rekenplichtigen die behoren tot de diensten van de federale Staat: de federale overheidsdiensten, de administratieve diensten met boekhoudkundige autonomie en de staatsbedrijven. Hoofdstuk II formuleert algemene bepalingen: het definieert op algemene wijze de opdracht van de rekenplichtigen en geeft, in overeenstemming met de filosofie van de Copernicushervormingen, de bevoegdheid aan elke minister om de specifieke taakomschrijvingen en procedures uit te werken die van toepassing zijn op de rekenplichtigen van hun dienst. Hoofdstuk III, dat bestaat uit vier afdelingen, bevat bepalingen met betrekking tot de verantwoordelijkheden en opdrachten van de rekenplichtige. De eerste drie afdelingen betreffen de opdrachten van de rekenplichtigen over gelden en waarden. De vierde afdeling heeft betrekking op de rekenplichtigen der waren. Afdeling 1 preciseert de verantwoordelijkheid van de rekenplichtige voor de invordering en inning van de ontvangsten. Afdeling 2 voorziet regels voor het beheer en de bewaring van gelden en waarden. Afdeling 3 handelt over de verantwoordelijkheid van de rekenplichtige inzake betaling van uitgaven. Afdeling 4 handelt over het beheer en de bewaring der waren. Hoofdstuk IV bepaalt de regels voor de aanstelling van de rekenplichtigen en hun plaatsvervangers. Dit hoofdstuk bestaat uit drie afdelingen. Afdeling 1 regelt de vorm van de aanstelling. In principe worden alle rekenplichtigen aangesteld door de functioneel bevoegde minister. Afdeling 2 behandelt de aanstellingsvoorwaarden van de rekenplichtige conform de algemene regelgeving ter zake en voorziet de mogelijkheid voorzien voor de bevoegde functionele minister om specifieke voorwaarden vast te stellen op basis van de specifieke kenmerken van de dienst. Afdeling 3 regelt de vervanging van de rekenplichtige tijdens zijn afwezigheden. Deze bepalingen zijn erop gericht de continuïteit in het beheer van de dienst van de rekenplichtige te verzekeren en de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de rekenplichtige of van zijn vervanger tijdens deze periodes te regelen. Hoofdstuk V definieert de rechten en plichten van de rekenplichtige én van zijn administratie. Inderdaad, tegenover de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de rekenplichtige staat de verantwoordelijkheid van de administratie die ertoe is gehouden hem alle middelen ter beschikking te stellen die nodig zijn voor de goede uitoefening van zijn opdracht (op het vlak van personeel, informatie, vorming, materiële middelen). Hoofdstuk VI behandelt aan het Rekenhof af te leggen rekeningen over het financieel beheer van de rekenplichtigen. Dit hoofdstuk bestaat uit vier afdelingen. Afdeling 1 bevat algemene bepalingen die op de drie soorten rekeningen van toepassing zijn. Deze afdeling voorziet in de verplichting voor de toezichthoudende ambtenaar of de toezichthoudende dienst om de rekening op te maken indien de rekenplichtige in gebreke blijft. Afdeling 2 betreft de jaarlijkse beheersrekeningen. Afdeling 3 handelt over de eindebeheersrekeningen: deze worden opgemaakt wanneer de rekenplichtige zijn ambt tijdelijk of definitief stopzet. Afdeling 4 heeft betrekking op de tekortrekeningen: deze rekeningen moeten worden ingediend wanneer een tekort wordt vastgesteld bij de rekenplichtige tegen wie de procedure loopt. Dit artikel bepaalt dat de rekenplichtige wordt gehoord door bevoegde personen die een gedetailleerd advies uitbrengen voordat de minister besluit de rekenplichtige al dan niet voor het Rekenhof te dagvaarden, met het oog op de terugbetaling van het tekort. Deze fase vindt dus plaats aan het einde van de administratieve fase van de procedure voor het Rekenhof, d.w.z. nadat het Rekenhof de rekening heeft afgesloten met een tekort maar zonder zich reeds te hebben uitgesproken over de aansprakelijkheid van de rekenplichtige. Hoofdstuk VII definieert de modaliteiten van het toezicht op de rekenplichtige. Hoofdstuk VIII heeft betrekking op bepalingen met betrekking tot het artikel 87, § 3 in uitvoering van de voornoemde wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten Hoofdstuk IX voorziet de slotbepalingen. De structuur van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit ziet eruit als volgt : Hoofdstuk I. - Toepassingsgebied Hoofdstuk II. - Algemene bepalingen Hoofdstuk III. - De opdrachten van de rekenplichtige Afdeling 1. - Inning en invordering van de ontvangsten Afdeling 2. - Beheer en bewaring van gelden en waarden Afdeling 3. - Betaling van uitgaven Afdeling 4. - Beheer en bewaring der waren Hoofdstuk IV. - De aanstelling van de rekenplichtige Afdeling 1. - De vorm van de aanstelling Afdeling 2. - De aanstellingsvoorwaarden Afdeling 3. - De vervanging van de rekenplichtige Hoofdstuk V. - Respectieve rechten en plichten van de rekenplichtige en de administratie. Hoofdstuk VI. - Af te leggen rekeningen Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - De jaarlijkse beheersrekening Afdeling 3. - De eindebeheersrekening Afdeling 4. - De tekortrekening Hoofdstuk VII. - Het toezicht op de rekenplichtige. Hoofdstuk VIII - Bepalingen met betrekking tot het artikel 87, § 3 in uitvoering van de voornoemde wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten. Hoofdstuk IX. - Slotbepalingen. COMMENTAAR PER ARTIKEL HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en terminologie Artikel 1 Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied van dit koninklijk besluit getroffen in uitvoering van de wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat. In overeenstemming met de bovenvermelde wet is dit besluit van toepassing op alle aan de rechtsmacht van het Rekenhof onderworpen rekenplichtigen die behoren tot één van de diensten, gedefinieerd in de wet: de federale overheidsdiensten van het algemeen bestuur, de administratieve diensten met boekhoudkundige autonomie en de staatsbedrijven. Wat de aan de rechtsmacht van het Rekenhof onderworpen rekenplichtigen betreft die niet tot één van deze diensten behoren, wordt verwezen naar de bijzondere organieke bepalingen die hun beheer regelen, evenals, en voor zover dat dit verenigbaar is, naar de principes en regels van het onderhavige besluit. Dit koninklijk besluit is van toepassing op de twee categorieën van rekenplichtigen: enerzijds de reken-plichtigen belast met het beheer van openbare gelden of waarden, en anderzijds, de rekenplichtigen belast met het beheer van aan de Staat toebehorende waren. HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen Artikel 2 Dit artikel definieert de taken die behoren tot de verantwoordelijkheid van een rekenplichtige. Dit betekent niet dat elk van deze taken ook effectief door elke rekenplichtige wordt uitgeoefend. Het behoort immers tot de bevoegdheid van elke minister de concrete diverse taken van de rekenplichtigen binnen zijn dienst vast te stellen. Bij de met de inning en invordering belaste administratie van de Federale overheidsdienst Financiën wordt de splitsing voorzien in de uitoefening van de rekenplichtige functies van de invordering van de vastgestelde rechten, enerzijds, en de inning of het effectief ontvangen van de sommen, anderzijds. De eerste paragraaf geeft een opsomming van de taken van de rekenplichtigen over gelden en waarden. Deze rekenplichtigen hebben het beheer over de (overheids)gelden en waarden die aan hen zijn toevertrouwd. Hun taken situeren zich in de uitvoeringsfase van het ontvangsten- en uitgavenproces : inzake ontvangsten zijn zij verantwoordelijk voor de invordering van de door de ordonnateur vastgestelde rechten en de inning ervan. Dit betekent dat zij gehouden zijn alle gerichte invorderingsopdrachten uit te voeren en dus alle mogelijke middelen in te zetten om de effectieve inning van deze vastgestelde rechten te bekomen. Zij innen ook de contante rechten. Dit zijn de rechten die niet voorafgaandelijk door de ordonnateur werden vastgesteld, doch worden vastgesteld op het zelfde ogenblik als waarop de inning plaats vindt. De rekenplichtigen zijn belast met de terugvordering van onverschuldigd betaalde sommen. De rekenplichtige is ook verantwoordelijk voor de bewaring van hem toevertrouwde financiële middelen: de kasvoorraad, de financiële rekeningen, en waardepapieren van diverse aard, zoals obligaties en Beveks. Inzake uitgaven is de centraliserend rekenplichtige van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën verantwoordelijk voor de uitvoering van alle betalingen van de federale overheidsdiensten van het algemeen bestuur die hem/haar worden toevertrouwd. Hij voert deze betalingen uit overeenkomstig de betalingsopdrachten van de ordonnateurs. Deze worden hem overgemaakt nadat ze binnen elke dienst werden gecontroleerd. De rekenplichtigen van de federale overheidsdiensten doen enkel zelf betalingen indien zij beschikken over geldvoorschotten die in uitzonderlijke gevallen worden toegestaan door de Minister van Financiën. Daarnaast zijn de rekenplichtigen die ontvangsten verrichten gemachtigd om onverschuldigd geïnde ontvangsten terug te betalen alsook bepaalde uitgaven te doen met derdengelden. Het is belangrijk erop te wijzen dat er een verschil is tussen de terugbetaling van door de rekenplichtige onverschuldigd geïnde ontvangsten en de teruggave van vastgestelde rechten : hier betreft het de teruggaven van fiscale voorheffingen of voorafbetalingen die werden ingehouden of betaald overeenkomstig de fiscale wetten en uitvoeringsbesluiten. Déze teruggaven gebeuren via het normale betalingscircuit, d.w.z. via de centraliserend rekenplichtige van de Thesaurie. Tenslotte zijn de rekenplichtigen over gelden en waarden belast met de interne financiële verrichtingen met andere rekenplichtigen zoals vb. deze in het kader van de centralisatie van de ontvangsten. Paragraaf 2 van dit artikel heeft betrekking op de rekenplichtigen der waren. Deze preciseert dat de personen, belast met het bewaken, het bewaren of het gebruiken van de aan de Staat toebehorende waren, zoals omschreven in artikel 36 van de wet, dezen zijn die, naargelang het geval, worden belast met de ontvangst, de bewaring, de handhaving, de opslag, de verdeling en het buiten gebruik stellen van niet toegewezen materieel en consumptie-goederen evenals met elke verrichting met andere rekenplichtigen bedoeld in dit besluit. Het tweede lid van § 2 definieert wat moet worden verstaan onder niet-toegewezen materieel en consumptiegoederen. Deze omschrijving impliceert dat, zodra materieel of een consumptiegoed ter beschikking is gesteld van personen om hun opdracht te kunnen uitvoeren, dit wordt beschouwd als zijnde toegewezen. Bijgevolg moeten de personen die ze bijhouden niet worden beschouwd als rekenplichtigen over waren. Worden dus in deze paragraaf bedoeld: de diensten zoals centrale bewaarplaatsen, magazijnen, verdeelcentra, centrale leveringsdiensten en arsenalen, evenals de diensten belast met de verkoop van het aan de Staat toebehorende materieel. De in dit artikel geviseerde rekenplichtigen zullen hun taken vervullen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen en de uitgewerkte procedures. Zij dienen bij te dragen tot de beheersing van de risico's met betrekking tot de conformiteit van de transacties, de integriteit van de gegevens en de vrijwaring van het patrimonium van de Staat. Dit besluit moet gezien worden in samenhang met de noodzakelijke uitbouw van een adequaat interne controlesysteem en de bijhorende risicobeheersing zoals voorzien in het koninklijk besluit van 17 augustus 2007Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 17/08/2007 pub. 18/10/2007 numac 2007003450 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Koninklijk besluit betreffende de interne auditactiviteiten binnen sommige diensten van de federale uitvoerende macht sluiten betreffende het interne controlesysteem binnen sommige diensten van de federale uitvoerende macht alsook met de eventuele nog te voorziene wettelijke bepalingen. Hierbij verwijst het besluit duidelijk in zijn derde paragraaf dat ook de bepalingen opgenomen in het koninklijk besluit van 20 maart 2023Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/03/2023 pub. 06/04/2023 numac 2023030791 bron federale overheidsdienst beleid en ondersteuning Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 29 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat sluiten in uitvoering van artikel 29 van de wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten zullen moeten gerespecteerd worden. Dienaangaande denken wij o.a. aan de bepalingen van TITEL II, Hoofdstuk 6 van het voormelde KB van 20 maart 2023. Artikel 3 Dit artikel, dat beantwoordt aan het beginsel van de autonomie van de diensten, verleent aan elke functioneel bevoegde minister de bevoegdheid om bijzondere regels voor zijn dienst vast te stellen. Deze bijzondere regels hebben betrekking op de praktische administratieve organisatie van elke dienst en zijn er inzonderheid op gericht de operationele taken van alle rekenplichtigen te preciseren in het kader van de wet en dit besluit, zonder dat zij de aansprakelijkheid van de rekenplichtigen mogen beperken. De uitwerking van een duidelijke taakomschrijving van alle rekenplichtige functies biedt, enerzijds, meer rechtszekerheid aan de rekenplichtigen en is, anderzijds, voor de bevoegde overheid een belangrijk controle-instrument. Uiteraard mogen bijzondere bepalingen die zijn voorzien niet afwijken van de algemene regels vastgesteld op dat vlak. Hierbij wensen wij op te merken dat de algemene regels op dat vlak worden vastgesteld door de Minister van Begroting in het bijzonder uitgaande van de informatie die voortvloeit uit de bevindingen van de dienst `Federale accountant en Procurement' van de Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning die de Minister van Begroting helpt zijn taken omschreven in de artikelen 72 en 110 van de wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten houdende organisatie van de begroting en de comptabiliteit van de federale Staat te verwezenlijken. HOOFDSTUK III. - De opdrachten van de rekenplichtige Afdeling 1. - Invordering en inning van de ontvangsten Artikel 4 De voormelde wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten schrijft het algemeen beginsel van de scheiding van functies voor tussen de verschillende actoren die optreden in het begrotings- en boekhoudkundig proces en stipuleert uitdrukkelijk in artikel 35 de onverenigbaarheid tussen het ambt van rekenplichtige en dat van ordonnateur. Artikel 4 definieert de onderscheiden taken van de ordonnateur, enerzijds, en de rekenplichtige, anderzijds, op het vlak van de vastgestelde rechten inzake ontvangsten. De ordonnateurs hebben tot taak het bedrag van de te innen schuldvorderingen vast te stellen en deze in de boekhouding als vastgestelde rechten te doen opnemen zodra de in de wet bepaalde voorwaarden zijn vervuld. Deze bepaling beoogt de toepassing van het algemeen wettelijk beginsel volgens hetwelke alle verrichtingen zonder uitstel, getrouw en volledig in de boekhouding dienen te worden opgenomen. De boekhouding op basis van de vastgestelde rechten moet immers een totaalbeeld geven van alle te innen schuldvorderingen en moet toelaten de invordering van alle schuldvorderingen op te volgen. De ordonnateur geeft onverwijld alle informatie aan de rekenplichtige, zodat deze de nodige maatregelen kan nemen voor de invordering van de vastgestelde rechten met het oog op de inning ervan. Indien de ordonnateur beslist de vastgestelde rechten te wijzigen moet hij zijn gemotiveerde beslissing onverwijld aan de rekenplichtige meedelen. Ingeval de vastgestelde rechten worden verminderd dient de beslissing van de ordonnateur als een verantwoordingsstuk dat de reken-plichtige van zijn opdracht tot invordering gedeeltelijk ontslaat. Hierbij dient ook aangestipt te worden dat de taken in verband met de inning enerzijds en met de invordering anderzijds ofwel aan één en dezelfde rekenplichtige kunnen worden toegewezen ofwel aan twee afzonderlijke rekenplichtigen waarbij de ene instaat voor de inning terwijl de andere instaat voor de invordering. Deze laatste manier van werken is onder andere mogelijk bij de inning en invordering van de belasting over de toegevoegde waarde, zonder andere mogelijke inningen en invorderingen uit te sluiten. De rekenplichtige is verantwoordelijk voor het behoud van de vastgestelde rechten. Dit wil zeggen dat hij tijdig alle nodige maatregelen moet nemen om de inning ervan te bekomen en de verjaring van de hem toevertrouwde rechten te vermijden. Hij is hiervoor als enige verantwoordelijk. Wanneer de rekenplichtige een schuldvordering moet invorderen volgens de door de ministers die de Begroting en Financiën onder hun bevoegdheid hebben vastgestelde modaliteiten bij gebrek aan reglementaire bepalingen terzake, kunnen door die ministers geen specifieke invorderingsmaatregelen aan de rekenplichtige worden opgelegd. Het laatste lid beoogt de door de ordonnateur vastgestelde rechten die een teruggave betreffen van onverschuldigde betalingen, inhoudingen, gelden en rechten. De rekenplichtige zorgt ervoor dat de nodige maatregelen worden uitgevoerd opdat de bevoegde persoon, bijvoorbeeld de centraliserende rekenplichtige van de administratie van de Thesaurie, de teruggave zou kunnen uitvoeren. Men zou deze teruggaven ook kunnen zien als een negatieve inning. Artikel 5 De contante rechten zijn degene waarvoor geen voorafgaande invorderingsopdracht van de ordonnateur bestaat. Sommige fiscale ontvangsten zoals de registratierechten, de griffierechten en de hypotheekrechten, zijn contante rechten. Dit geldt eveneens voor bepaalde niet-fiscale ontvangsten zoals de stortingen en terugbetalingen van diverse oorsprong, opbrengsten van de verkoop van publicaties, toevallige ontvangsten, en andere. Er dient op gewezen te worden dat bepaalde ontvangsten die in de tot nog toe gevoerde kasboekhouding als contante rechten werden geboekt, d.w.z. op het ogenblik van de inning, toch voorafgaandelijk kunnen worden vastgesteld, zoals bv. terugbetalingen van ten onrechte uitgekeerde sommen, terugbetalingen van terugvorderbare voorschotten, opbrengsten van verhuur, en andere. In het dubbel boekhoudsysteem, dat de verrichtingen registreert op transactiebasis, moeten ook deze ontvangsten zoveel mogelijk voorafgaandelijk vastgesteld en dus op dat ogenblik worden geboekt. In tegenstelling tot de vastgestelde rechten, waarbij de vaststelling en de boeking de inning voorafgaan worden de contante rechten vastgesteld en geboekt gelijktijdig met de inning ervan. Voor de ontvangsten in de kas is het door de rekenplichtige afgeleverde ontvangstbewijs het document dat aan de basis ligt voor de registratie van de inning in de boekhouding. De rekenplichtige is er derhalve toe gehouden alle ontvangstbewijzen zonder verwijl te laten boeken en controle uit te oefenen op de juistheid van de boekingen met inbegrip van de geboekte sommen. Artikel 6 Dit artikel legt aan de rekenplichtigen van de federale overheidsdiensten de verplichting op de geïnde ontvangsten door te storten naar de Schatkist volgens de modaliteiten vast te stellen door de Minister van Financiën. Dit voorschrift is in overeenstemming met het wettelijk principe van de centralisatie van de ontvangsten bij de Minister van Financiën, en het artikel 68 van de wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten. De vast te stellen modaliteiten hebben betrekking op de periodiciteit van de doorstortingen, de aard van de door te storten ontvangsten, en het maximaal toegestane incasso. Bij de bepaling van dit bedrag zal het nodig zijn rekening te houden met de door de rekenplichtige op zijn kas te verrichten betalingen. Artikel 7 Dit artikel schrijft voor dat de rekenplichtige de ordonnateur regelmatig informeert over de stand van invordering van de hem toevertrouwde rechten. Zodoende wordt de ordonnateur in kennis gesteld van het resultaat van de door hem geven invorderingsopdrachten en meer algemeen van het resultaat van het beheer waarover hij bij de bevoegde overheid verantwoording is verschuldigd. De verplichting de ordonnateur te informeren moet op een algemene manier worden opgevat. De verplichting slaat zowel op de ingevorderde rechten, op de geïnde rechten, als op de rechten die niet werden geïnd. Die laatste categorie is inzonderheid belangrijk aangezien het tot de verantwoordelijkheid van de ordonnateur behoort, in voorkomend geval, de invorderingsopdracht te wijzigen of deze, in bepaalde gevallen, op te heffen waardoor de rekenplichtige van zijn invorderingsopdracht wordt ontslagen. Artikel 8 Zoals hiervoor reeds werd vermeld moet de rekenplichtige alle hem ter beschikking staande middelen aanwenden om de inning te bewerkstellingen van de hem toevertrouwde schuldvorderingen. Niet alle rekenplichtigen beschikken echter over dezelfde middelen om de betaling van de schuldvorderingen af te dwingen : sommige rekenplichtigen beschikken van in het begin, d.w.z. onmiddellijk bij de vaststelling van het recht, over een uitvoerbare titel om de schuldvordering te innen. Dit is een titel die aan de rekenplichtige de bevoegdheid verleent om de schuldvordering in te vorderen door middel van dwang, indien nodig door beslaglegging op de eigendommen van de schuldenaar. Er zijn gerechtelijke uitvoerbare titels (zoals een vonnis of arrest) en administratieve uitvoerbare titels zoals het kohier inzake belastingen en het dwangbevel waarover sommige rekenplichtigen beschikken. De rekenplichtigen van de federale overheidsdiensten die tot taak hebben om niet-fiscale ontvangsten in te vorderen beschikken in de meeste gevallen niet over een dergelijke uitvoerbare titel. Zij vorderen de schulden in via een uitnodiging tot betalen, gericht aan de schuldenaar, eventueel gevolgd door een of meerdere al dan niet aangetekende aanmaningen. Indien hun inspanningen om in te vorderen zonder resultaat blijven, is de rekenplichtige, behoudens afwijkende bepalingen, ertoe gehouden de schuldvordering, vergezeld van alle nodige en nuttige gegevens, voor invordering over te dragen aan de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën, die verantwoordelijk is voor de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldorderingen. De overdracht van het dossier/de vordering aan voornoemde administratie gebeurt volgens de instructies van deze administratie en in overeenstemming met de boekhoudkundige instructies van de dienst van de federale accountant en procurement van de Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning voor de niet fiscale ontvangsten. Artikel 9 Dit artikel regelt de beslissingsbevoegdheid van de ordonnateur of zijn gedelegeerde om de invorderingsopdracht op te schorten. In het bezit van de relevante informatie over de solvabiliteit van de schuldenaar en alle mogelijkheden tot invordering, kunnen de rekenplichtigen van de bevoegde administratie van de federale overheidsdienst Financiën op deze basis aan de ordonnateur of zijn gedelegeerde verzoeken de invorderingsopdracht op te schorten. Een gelijkaardige procedure kan worden uitgewerkt voor de schuldvorderingen van de rekenplichtigen in het buitenland. In dat geval kan de functioneel bevoegde minister, als ordonnateur, worden gemachtigd de invorderingsopdracht op te schorten. Zoals reeds hiervoor werd vermeld moeten de andere rekenplichtigen beroep doen op de administratie van de Federale overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van fiscale en niet fiscale schuldvorderingen, in geval zij vaststellen dat de schuldvordering niet kan worden ingevorderd met de hen beschikbaar gestelde middelen. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dus dat de rekenplichtige de ordonnateur of zijn gedelegeerde kan verzoeken de invorderingsopdracht op te schorten indien hij constateert dat er redenen zijn om een vastgesteld recht tijdelijk oninvorderbaar te verklaren. Dit kan in twee gevallen : ofwel indien de schuldenaar onvermogend is, ofwel indien de schuldenaar onvindbaar is. Uiteraard moet de rekenplichtige aantonen dat hij tijdig alle nodige maatregelen voor de invordering heeft getroffen. Indien de ordonnateur of zijn gedelegeerde beslist dat de schuldvordering tijdelijk oninvorderbaar is wordt ze geboekt als "voor onbepaalde tijd uitgesteld". Deze beslissing betekent niet dat de schuld kwijtgescholden is. Deze rechten blijven verschuldigd. Alleen moet de rekenplichtige niet verdergaan met de invordering ervan zolang de oorzaak van het uitstel niet is opgeheven. De rekenplichtige moet echter de oorzaak van het uitstel blijven opvolgen en opnieuw tot invordering overgaan indien de financiële situatie van de schuldenaar wijzigt of indien hij opnieuw verschijnt. De vaststelling van de tijdelijke oninvorderbaarheid van een schuldvordering door de ordonnateur of zijn gedelegeerde heeft niet dezelfde betekenis als de kwijtschelding ervan waardoor de schuldenaar van de betaling van zijn schuld wordt ontslagen. Kwijtschelding kan enkel gebeuren krachtens een wet. In tegenstelling tot de schuldvordering waarvan de tijdelijk oninvorderbaarheid wordt vastgesteld, heeft de kwijtschelding tot gevolg dat de schuldvordering zelf verdwijnt zodat ze niet meer kan worden ingevorderd en moet worden geannuleerd in de boekhouding. Artikel 10 In tegenstelling tot artikel 9, dat handelt over de tijdelijke opschorting van de invordering van een schuldvordering die tijdelijk oninvorderbaar blijkt, regelt dit artikel de bijzondere situatie wanneer de rekenplichtige de mening is toegedaan dat een recht definitief oninvorderbaar is. In dat geval vraagt hij aan de ordonnateur of zijn gedelegeerde, van de invordering van dat recht af te zien en het te doen annuleren. De nodige administratieve instructies voorzien erin dat de beslissing tot annulatie wordt gemotiveerd, zowel op het vlak van de oninvorderbaarheid van het recht als op het vlak van de niet-aansprakelijkheid van de rekenplichtige. Uiteraard dient de rekenplichtige op de hoogte te worden gebracht van het feit dat hij van zijn invorderingsopdracht ten aanzien van de rechten wordt ontslagen, waarvan de invordering hem door de bevoegde ordonnateur was toevertrouwd en die werden geannuleerd. Overigens moet nog worden gepreciseerd dat de annulatie van een vastgesteld recht zich eveneens kan voordoen wanneer de wetgever afstand doet van het burgerlijk vorderingsrecht, waarop het vastgesteld recht gesteund is. In dat geval betekent de annulatie een gewone uitvoeringsmaatregel van een beslissing die door de Wetgever is genomen. Afdeling 2. - Beheer en bewaring van gelden en waarden Artikel 11 Om hun opdracht correct te vervullen, zijn de rekenplichtigen verplicht om een financiële rekening te openen daar hun ontvangsten en uitgaven via deze rekening zullen uitgevoerd worden. Elke opening van een financiële rekening wordt voorafgaand toegestaan door de Minister van Financiën. Dit beantwoordt aan de vraag naar een synoptisch overzicht van de bestaande rekeningen en aan de vraag naar transparantie. De voorwaarden en modaliteiten voor de opening, het gebruik en de afsluiting van de financiële rekeningen worden door de Minister van Financiën vastgesteld. Hij bepaalt bij welke financiële instelling de rekeningen van de federale rekenplichtigen worden geopend. De financiële rekeningen worden geopend bij de financiële instelling waarmee door de Minister van Financiën een beheers-overeenkomst werd afgesloten. Dit belet evenwel niet dat in bepaalde gevallen een rekening bij een andere financiële instelling in België of in het buitenland wordt geopend. De vast te stellen modaliteiten inzake het gebruik van de rekeningen hebben onder meer betrekking op de periodiciteit van de overschrijvingen van de ontvangsten op de centrale ontvangstenrekening van de Schatkist, de handtekenbevoegdheid en het saldo van de financiële rekeningen. Dit laatste aspect omvat ook de vaststelling van de grenzen binnen dewelke de rekenplichtige betalingen kan doen. In principe kan de rekenplichtige slechts betalingen doen indien hij over de nodige geldmiddelen beschikt. Het saldo van zijn financiële rekening mag dus niet negatief zijn. Uitzonderingen kunnen bijvoorbeeld worden voorzien voor de in het buitenland verblijvende rekenplichtigen. Er dienen eveneens modaliteiten vastgesteld te worden voor de afsluiting van de rekeningen : deze hebben onder meer betrekking op de afsluitingsvoorwaarden alsmede op de in acht te nemen termijn. De opening en de afsluiting van een financiële rekening worden meegedeeld aan de Minister van Begroting en aan het Rekenhof. Deze maatregel is noodzakelijk daar het de FOD Beleid en Ondersteuning is die het centraal informaticasysteem beheert. Elke nieuwe rekening moet in het systeem worden ingebracht om de boekhoudkundige verwerking van de verrichtingen op deze rekening mogelijk te maken. Daar de invoering van de nieuwe overheidscomptabiliteit een grotere transparantie in de rekeningen en een grotere responsabilisering van de overheidsdiensten beoogt, worden de kosten verbonden aan het beheer van een financiële rekening ten laste genomen door de dienst waartoe de rekenplichtige behoort. Artikel 12 Dit artikel bepaalt dat de ministers die Begroting en Financiën onder hun bevoegdheid hebben de instructies uitwerken met betrekking tot de door de rekenplichtige in acht te nemen voorschriften voor het beheer en de bewaring van de hem toevertrouwde gelden en waarden, d.w.z. alle documenten met geldwaarde zoals zegels, cheques, en financiële titels zoals obligaties, aandelen en Beveks, zonder anderen uit te sluiten. Het gaat hier om voorzorgsmaatregelen die de materiële veiligheid van de in kas gehouden gelden en waarden moeten verzekeren. Inzonderheid dient te worden bepaald welk maximum bedrag de rekenplichtige in kas mag houden. De rekenplichtige moet het orgaan (ambtenaar of dienst) dat is belast met het toezicht, zoals opgenomen in het artikel 31 van dit besluit, schriftelijk op de hoogte brengen van elke toestand of gebeurtenis die het verlies of de diefstal van de hem toevertrouwde gelden en waarden in de hand kunnen werken. Dit gegeven kan nadien een element zijn bij de beoordeling van zijn aansprakelijkheid. Zonder uitstel maakt het orgaan dat is belast met het toezicht hem een ontvangstbericht over. Afdeling 3. - Betaling van uitgaven Artikel 13 Naast de invordering en inning van de ontvangsten en het beheer en de bewaring van gelden en waarden behoort de uitvoering van de betalingen tot de verantwoordelijkheden van een rekenplichtige. Dit artikel bepaalt dat de rekenplichtige een betaling enkel uitvoert indien hij over een betalingsopdracht van de ordonnateur beschikt. Zoals inzake ontvangsten treedt de rekenplichtige slechts op als uitvoerder van een opdracht van de ordonnateur. Hij is er bijgevolg toe gehouden de betalingen correct uit te voeren overeenkomstig de betalingsopdrachten. Hij moet ook toezien op de geldigheid van de kwijting na uitvoering van de betaling. Hij moet met andere woorden controleren of het juiste bedrag werkelijk werd betaald aan de rechtmatige schuldeiser, hetzij ten laste van de kas, hetzij door de financiële instelling via zijn financiële rekening. Zoals voorzien inzake ontvangsten, informeert de rekenplichtige de ordonnateur over de uitvoering van de betalingsopdrachten. Deze rapportering is vooral van belang indien de betaling niet werd uitgevoerd. Artikel 14 Dit artikel bepaalt, overeenkomstig het wettelijk principe van de kaseenheid, dat alle betalingen van de uitgaven van de federale overheidsdiensten zullen worden uitgevoerd door de centraliserend rekenplichtige van de Thesaurie. De nieuwe overheidscomptabiliteit wordt gevoerd met een geïntegreerd centraal informaticasysteem waarmee elke overheidsdienst "on line" verbonden is. Alle door een rekenplichtige van een overheidsdienst, van het algemeen bestuur, ondertekende betalingen worden ter beschikking gesteld van de centraliserend rekenplichtige van de Administratie van de Thesaurie van de FOD Financiën, die, volgens de regels van een correct thesauriebeheer, beslist over de beste datum van de uitvoering van de betalingen. Zo zal hij bijvoorbeeld kunnen beslissen om een bepaalde betaling uit te voeren vóór de vervaldag indien de geboden financiële korting voordeliger is dan het tijdelijk beleggen van overheidsgelden of kan hij eventueel een betaling aan een andere overheidsinstelling uitstellen indien deze de financiële middelen niet onmiddellijk nodig heeft voor zijn goede werking. Alle betalingen die door een overheidsdienst overgemaakt worden aan de centraliserend rekenplichtige van de Thesaurie worden aangerekend op een specifieke onderrekening van de centrale uitgavenrekening van de centraliserend rekenplichtige. Het komt voor dat de door de centraliserend rekenplichtige aan de financiële instelling overgemaakte betalingen niet werden uitgevoerd omwille van juridische en administratieve redenen (bijvoorbeeld beslag onder derden, scheiding van de begunstigden, overlijden van de begunstigde), of omwille van louter materiële redenen (bijvoorbeeld verkeerd rekeningnummer van de begunstigde, afgesloten rekening, verhuis van de begunstigde bij betaling met circulaire cheque). Deze niet betaalde sommen worden op de desbetreffende specifieke rekeningen teruggestort. De verwijzing naar 'de aard van het geschil' is ingegeven door het feit dat soms niet onmiddellijk op basis van de gekende gegevens de schuldeiser(s) of het hen toe te wijzen bedrag eenduidig kan worden vastgesteld en dat dienaangaande de nodige bijkomende onderzoeken dienen te worden verricht. Hierbij kunnen volgende gevallen als voorbeeld worden aangebracht: "schuldeisers bij een faillissement, bij een ontbinding van een vennootschap, van een onbeheerde en/of erfloze nalatenschap, het paritas creditorum (het gelijkheidsbeginsel der schuldeisers) bij een collectieve schuldenregeling, bij een minnelijke en/of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, enzovoort. Indien de betaling niet werd uitgevoerd omwille van juridische en administratieve redenen wordt de desbetreffende som door de centraliserend rekenplichtige van de Thesaurie overgemaakt aan de rekenplichtigen der geschillen van de algemene administratie van de inning en invordering van de FOD Financiën. De keuze voor de gecentraliseerde behandeling van dergelijke dossiers is ingegeven door de bedoeling om gelijkaardige gevallen op gelijke wijze te behandelen. Een decentralisatie zou inderdaad het risico inhouden van een ongelijke behandeling als gevolg van een verschillende interpretatie van de rechtspraak. Voor de betalingen die niet werden uitgevoerd omwille van materiële redenen wordt gekozen voor een gedecentraliseerde behandeling, dat wil zeggen door de dienst, van het algemeen bestuur (of meer specifiek de ordonnateur) die de betalingsopdracht heeft gegeven. Deze brengt dan zelf de nodige correcties aan alvorens de betaling opnieuw te laten uitvoeren. Tot slot wordt er de aandacht op gevestigd dat het tweede lid van dit artikel enkel maar van toepassing is op de uitgaven van de federale overheidsdiensten, vermits het gaat over uitgaven die reeds door de centraliserend rekenplichtige werden betaald of die normaliter door zijn tussenkomst zouden worden betaald. Het is niet de bedoeling de tussenkomst van de rekenplichtige van de geschillen uit te breiden tot de uitgaven van de andere diensten die zijn bedoeld in artikel 2 van de wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat. Artikel 15 Dit artikel voorziet in twee uitzonderingen op het algemeen principe van de betaling van de uitgaven van de Federale Overheidsdiensten via de centraliserend rekenplichtige van de Thesaurie. Het gaat hier om andere dan begrotingsuitgaven, namelijk de terugbetalingen van de door de rekenplichtige ten onrechte geïnde sommen en bepaalde uitgaven voor rekening van derden of derdengelden. Derdengelden zijn sommen die worden geïnd voor rekening van derden, waarvan de staat dus slechts houder is, maar geen eigenaar, en die op een later tijdstip aan de begunstigden (andere overheidsinstellingen, bedrijven, particulieren ...) moeten doorgestort worden. De terugbetalingen van ten onrechte geïnde sommen evenals bepaalde derdengelden mogen door de rekenplichtigen zelf die de ontvangsten hebben geïnd, worden uitbetaald volgens de modaliteiten die moeten vastgesteld worden door de functioneel bevoegde minister, in de mate dat hij het best op de hoogte is inzake deze ontvangen gekomen derde gelden. Het moet worden benadrukt dat niet sslle derdengelden hier worden beoogd : zijn uitgesloten, de fiscale ontvangsten die niet bestemd zijn voor de federale staat doch dienen gestort te worden naar de Gemeenschappen en de Gewesten, de gemeenten en provincies, en aan de sociale zekerheid. Deze bedragen worden gestort via de centraliserend rekenplichtige. De door deze bepaling bedoelde derdengelden zijn andere sommen die ten behoeve van derden worden geïnd, zoals bij voorbeeld de sommen die worden gestort in het kader van programma's van de Europese Unie voor de organisatie van studiedagen, ter financiële ondersteuning van bepaalde sectoren, enz. De Minister van Financiën bepaalt of een bepaalde categorie van derdengelden voor de hier voorziene afwijkende betalingswijzen in aanmerking komt. Rekening houdend dat voorafbetalingen worden ontvangen door mogelijks andere rekenplichtigen dan zij die instaan voor de teruggave van deze voorafbetalingen of delen hiervan en rekening houdend dat deze gevallen zich in het bijzonder voordoen binnen fiscale aangelegenheden werd in de mogelijkheid voorzien dat de Minister van Financiën afwijkende bepalingen kan stellen. Artikel 16 Dit artikel voorziet een uitzondering op het principe van de centralisatie van betalingen van begrotingsuitgaven: in nauwkeurig bepaalde en beperkte gevallen kunnen door de Minister van Financiën geldvoorschotten aan rekenplichtigen worden toegestaan. Dit is het geval voor betalingen van in het buitenland verblijvende rekenplichtigen van de diplomatieke posten alsook voor opdrachten van de Krijgsmacht in het buitenland. Afdeling 4. - Beheer en bewaring over waren Artikel 17 Dit artikel past, wat betreft de rekenplichtigen der waren, de tweede alinea toe van artikel 35 van de wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten die bepaalt dat de functie van de voor het Rekenhof verantwoordelijke rekenplichtige onverenigbaar is met de functie van ordonnateur. Dit artikel benadrukt dat alle verrichtingen door de rekenplichtige moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de instructies van de bevoegde beheersautoriteit. Dit betekent dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de beheerder, die de bevoorrading verzekert, de opdracht geeft tot de verdeling, de verkoop of het buiten gebruik stellen en de instructies geeft met betrekking tot de opslag en de handhaving, en de rekenplichtige anderzijds die deze verrichtingen uitvoert. De rekenplichtige moet de bevoegde beheersautoriteit informeren over de uitvoering van de hem toevertrouwde verrichtingen. Die autoriteit werkt daartoe de nodige regels uit. Alle verrichtingen moeten in de boekhouding opgenomen worden om de rekeningen te kunnen opmaken overeenkomstig artikel 36, tweede lid, van de wet. HOOFDSTUK IV. - De aanstelling van de rekenplichtige Afdeling 1. - Vorm van de aanstelling Artikel 18 Rekening houdende met de specifieke noden van de diensten en met de bekommernis de kandidaten te kunnen aanstellen die het meest geschikt zijn om de taken van rekenplichtige te vervullen, behoort de aanstelling van de rekenplichtigen tot de bevoegdheid van de functioneel bevoegde minister behoudens andere wettelijke of reglementaire bepalingen. Het is inderdaad mogelijk dat de rekenplichtigen in sommige diensten volgens een bijzondere procedure worden aangesteld via een koninklijk besluit. Om de belangen van de rekenplichtige optimaal te waarborgen, beschrijft het aanstellingsbesluit de specifieke taken die de rekenplichtige moet uitvoeren en vermeldt het de datum waarop hij in functie treedt. Deze vermeldingen zijn bedoeld om de verantwoordelijkheid van de rekenplichtige te definiëren en af te bakenen. Een kopie van de aanstellingsbesluiten wordt zonder uitstel overgemaakt aan het Rekenhof. De dienst van de Federale accountant en Procurement bij de Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning wordt ingelicht van deze aanstellingen. Afdeling 2. - De aanstellingsvoorwaarden Artikel 19 In navolging van de opmerking van de Raad van State wordt hierbij vooreerst vermeld dat de algemene regels voor de selectie van ambtenaren zoals bepaald in de vermelde koninklijke besluiten van 2 oktober 1937 en 22 december 2000 steeds van toepassing zijn. Rekening houdend dat de rekenplichtige handelt met middelen van de Staat is het door de indieners toch raadzaam gevonden dat de functioneel bevoegde minister die de rekenplichtige zal aanstellen en het best geïnformeerd is van de taken van de betrokken rekenplichtige, in zijn dienst, de mogelijkheid dient te hebben om aanvullende selectiecriteria naar voor te brengen die men specifiek kan linken aan de betrokken taken van de betrokken rekenplichtige. Hierbij denken wij aan de specifieke materie, aan de boekhoudkundige kennis, aan de eventueel nodige kennis van inning en invordering, aan eventuele ervaring, aan kennis over de structuur van de organisatie, enzovoort. Om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State zijn de algemene basisregels steeds op iedereen van toepassing daarnaast is het ook geen verplichting meer zoals in het oorspronkelijke voorstel werd opgenomen dat de bevoegde minister de voorwaarden en vereiste bekwaamheden vastlegt. In de voorliggende tekst is het een toegestane aanvullende voorwaarde geworden welke op elke kandidaat van toepassing zal zijn (om zo tegemoet te komen aan het gelijkheid en het non-discriminatie beginsel) zo de bevoegde minister hiervoor in aanvullende zin opteert. Hieruit dient men ook te besluiten dat de eventuele specifieke elementen bijkomstige maatregelen zijn naast de algemene regels die steeds verplicht dienen nagekomen te worden. In een tweede lid wordt bepaald dat als men een rekenplichtige wenst aan te stellen overeenkomstig de bepalingen opgenomen in het artikel 18 van dit besluit men ook rekening zal dienen te houden met de verplichtingen ter zake die reeds bestaan en in het bijzonder de bepalingen betreffende de onverenigbaarheden opgenomen in het koninklijk besluit van 20 maart 2023Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/03/2023 pub. 06/04/2023 numac 2023030791 bron federale overheidsdienst beleid en ondersteuning Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 29 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat sluiten in uitvoering van artikel 29 van de wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten. Wij merken in het bijzonder op dat de functie van rekenplichtige onverenigbaar is met deze van ordonnateur zoals bepaald in het artikel 35, tweede lid van de wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten. Afdeling 3. - De vervanging van de rekenplichtige Om de continuïteit te verzekeren in de takenvan een rekenplichtige wordt voorzien in zijn vervanging in elk geval van afwezigheid. Er wordt een onderscheid gemaakt dat gebaseerd is op een dubbel criterium : de duur of de oorzaak van de afwezigheid van de rekenplichtige en de rekenplichtige verantwoordelijkheid : Artikel 20 voorziet een "waarnemend persoon" voor de afwezigheden van korte duur. Artikel 21 heeft betrekking op de "plaatsvervangende rekenplichtige" in geval van afwezigheid van lange duur. Artikel 22 voorziet de aanstelling van een "plaatsvervangend rekenplichtige" in het geval de rekenplichtige onverwacht in de onmogelijkheid verkeert zijn functie uit te oefenen. Artikel 20 Dit artikel voorziet de mogelijkheid, als de continuïteit van de dienst het vereist, van het aanduiden van een waarnemend persoon om de taken van de rekenplichtige te verzekeren in geval van diens afwezigheid van korte duur van niet langer dan drie maanden. Het gaat hier om een verlofperiode, een periode van ziekte die korter is dan de periode van langdurige afwezigheid gedefinieerd in artikel 21, vormingsdagen, dagen van afwezigheid wegens verminderde prestaties, enz. Tijdens deze periodes blijft de rekenplichtige aansprakelijk voor de handelingen uitgevoerd door de waarnemend persoon en is hij ertoe gehouden alle noodzakelijke maatregelen te nemen met het oog op het behoud van de hem toevertrouwde rechten. Op basis van het advies van de Raad van State moet het worden opgemerkt dat de afwezige rekenplichtige het recht heeft om overeenkomstig de wettelijke aansprakelijkheidsregels die op hem van toepassing zijn (zie met name artikel 8, achtste lid, van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof en artikel 38 van de wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003368 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof sluiten), aan te tonen dat hem geen fout of nalatigheid kan worden aangewreven, met name wat betreft het toezicht op de waarnemend persoon, of het recht heeft zich te beroepen op een geval van overmacht. Het zou immers niet te rechtvaardigen zijn dat een rekenplichtige die afwezig is, bijvoorbeeld om medische redenen, onweersprekelijk aansprakelijk is voor handelingen die tijdens zijn afwezigheid worden gesteld door de waarnemend persoon, aangezien de afwezige rekenplichtige in die omstandigheden in principe geen toezicht kan uitoefenen op de handelingen van de waarnemend persoon, die zich trouwens niet in een ondergeschikte positie bevindt. Artikel 21 Dit artikel regelt de vervanging van de rekenplichtige titularis in geval van een ononderbroken afwezigheid van meer dan drie maanden. Twee mogelijkheden kunnen zich voordoen : ofwel is de langdurige afwezigheid gekend vanaf de eerste dag van de afwezigheid, ofwel blijkt ze pas na een zekere periode van afwezigheid. In beide gevallen neemt de plaatsvervangende rekenplichtige zijn functie op vanaf de datum bepaald in zijn aanstellingsbesluit, overeenkomstig de datum waarop de aangestelde of vorige rekenplichtige formeel is ontheven van de hem toevertrouwde taken, hetzij tijdelijk, hetzij definitief. Wij wensen er de aandacht op te vestigen dat er voor de plaatsvervangende rekenplichtige er sprake is van een `aanstelling' conform het artikel 18 van dit besluit, terwijl er voor een waarnemend persoon er sprake is van een `aanduiding' zijnde zonder aanstellingsbesluit. De functioneel bevoegde minister stelt de plaatsvervangende rekenplichtige aan in de vorm als omschreven in het artikel 18 van onderhavig besluit. Deze is aansprakelijk voor het beheer van de dienst tot de rekenplichtige titularis opnieuw in functie treedt of tot de aanstelling van een nieuwe rekenplichtige. Als van bij aanvang van de langdurige afwezigheid het duidelijk is dat de rekenplichtige titularis zijn functie in de toekomst niet meer terug zal opnemen kan onmiddellijk een nieuwe rekenplichtige aangesteld worden. In elk geval dient een eindebeheersrekening te worden opgemaakt door de rekenplichtige waarbij een proces-verbaal van afgifte-overname van het beheer zal worden bijgevoegd. Artikel 22 Dit artikel voorziet de vervanging van een rekenplichtige die zich onverwacht in de onmogelijkheid bevindt zijn functie uit te oefenen (bijvoorbeeld: overlijden, administratieve of gerechtelijke schorsing...). Om de continuïteit van de dienst te verzekeren wordt zonder verwijl een plaatsvervangende rekenplichtige aangesteld die de taken van rekenplichtige uitoefent onder zijn eigen verantwoordelijkheid. HOOFDSTUK V. - Respectieve rechten en plichten van de rekenplichtige en de administratie Artikel 23 Dit artikel bepaalt dat de administratie waaronder de rekenplichtige ressorteert verplicht is de rekenplichtige, bij zijn aanstelling, op uitdrukkelijke wijze te informeren over zijn opdracht, zijn taken en de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid die hij opneemt. Teneinde elke betwisting te voorkomen, wordt voorzien dat de administratie waaronder de rekenplichtige ressorteert de mededeling van deze informatie vastlegt in een geschreven rapport. De administratie waaronder de rekenplichtige ressorteert en eventueel het orgaan dat belast is met het toezicht zal, indien nodig, de nieuwe rekenplichtige informeren over het beheer van de rekeningen en/of waarden van de uittredende rekenplichtige, bijvoorbeeld over dossiers met betrekking tot in te vorderen vastgestelde rechten die dichtbij de verjaringsdatum zijn. Artikel 24 Dit artikel is een logisch vervolg op het vorige. Na de rekenplichtige te hebben geïnformeerd over zijn opdracht, moet de administratie waaronder de rekenplichtige ressorteert het personeel en materiële middelen ter beschikking stellen nodig voor de goede uitoefening van zijn functie. Al is de rekenplichtige geheel verantwoordelijk voor zijn beheersdaden, toch kan zijn verantwoordelijkheid slechts beoordeeld worden rekening houdende met zijn werkomgeving. Indien de rekenplichtige overigens meent dat hij niet over voldoende middelen beschikt, moet hij de administratie waaronder hij ressorteert hiervan schriftelijk op de hoogte brengen. Er moet hem zo spoedig mogelijk een ontvangstbewijs afgeleverd worden. De administratie waaronder de rekenplichtige ressorteert zal zich inzetten om aan zijn verzoek een gunstig gevolg te geven binnen de grenzen van de budgettaire middelen waarover ze beschikt. Artikel 25 Dit artikel legt aan de rekenplichtige de verplichting op de boeken en staten te houden waarvan de inhoud, de vorm en de periodiciteit voorgeschreven worden door de ministers die de Begroting en Financiën onder hun bevoegdheid hebben. Het gaat om documenten die de rekenplichtige moeten toelaten de continuïteit en de juistheid van de boeking van zijn ontvangsten- en uitgavenverrichtingen op te volgen. Het tweede lid van dit artikel heeft betrekking op verantwoordelijkheid van de rekenplichtige voor de beveiliging van de documenten en bestanden. De automatisering van bepaalde procedures stelt het probleem van deze verantwoordelijkheid op een andere manier aan de orde. Terwijl de medewerkers van de dienst informatica verantwoordelijk zijn voor de technische uitvoering van de werkzaamheden waarmee zij belast zijn, is dit niet het geval voor wat betreft de invoer van gegevens en de toegang tot de geautomatiseerde bestanden. Het is daarom de bevoegdheid van de ministers die de Begroting en Financiën onder hun bevoegdheid hebben om de respectieve verantwoordelijkheden van de dienst informatica en deze van de rekenplichtige duidelijk vast te leggen. Het derde lid van dit artikel handelt over de algemene opdracht van toezicht van de rekenplichtige ten aanzien van zijn ambt. De rekenplichtige moet alle noodzakelijke maatregelen van toezicht nemen met betrekking tot het ter zijn beschikking gestelde personeel. Anderzijds behoort het tot de bevoegdheid van de administratie waaronder de rekenplichtige ressorteert terzake de nodige instructies op te stellen die bijdragen tot de rechtszekerheid van de rekenplichtigen. Inderdaad, elk tekort veroorzaakt door een medewerker v …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.