📄 Wettekst
10 FEBRUARI 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/07/2010
pub.
10/09/2010
numac
2010035645
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is
sluiten tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het
besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
05/07/2013
pub.
08/10/2013
numac
2013204921
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater
sluiten houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater
VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING DE VLAAMSE MINISTER VAN JUSTITIE EN HANDHAVING, OMGEVING, ENERGIE EN TOERISME, Betreft:"Hemelwaterverordening van 2023" Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/07/2010
pub.
10/09/2010
numac
2010035645
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is
sluiten tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het
besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
05/07/2013
pub.
08/10/2013
numac
2013204921
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater
sluiten houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater 1. Situering 1.1. Algemeen Artikel 2.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (de "VCRO") lijst de stedenbouwkundige voorschriften op die geregeld kunnen worden bij een verordening.
Op grond van dit artikel kan de Vlaamse Regering een verordening vaststellen met de nodige stedenbouwkundige voorschriften om te zorgen voor onder meer: "1° de gezondheid, de instandhouding, de stevigheid, de fraaiheid en de esthetische waarde van de bouwwerken, de installaties en hun omgeving, en ook hun veiligheid, met name de beveiliging tegen brand en overstroming; 4° de aanleg van voorzieningen, met name de water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, de verwarming, de telecommunicatie, de opvang van afvalwater en regenwater, de afvalophaling en de windmolens; 9° de maatregelen inzake het ruimtelijk begrenzen van milieuhinder en het waarborgen van een adequate waterhuishouding;" 1.2 Uitgangspunten Vasthouden, bergen en pas in laatste instantie afvoeren van water is al lang een van de leidende principes in het integraal waterbeleid. De hemelwaterverordening die vandaag van toepassing is en ook de eerdere hemelverordeningen, hebben hieraan stelselmatig verder invulling gegeven. De impact van weersextremen laat zich echter meer en meer voelen, waardoor een grondige evaluatie van dit bronbeleid noodzakelijk was. De voorbije jaren werden immers gekenmerkt door enerzijds extreme regenval met grootschalige overstromingen in juli 2021 en anderzijds langdurige droogteperiodes in vijf van de voorbije zes jaren. De doelstelling moet dan ook zijn om water maximaal ter plaatse te houden. Op deze manier kunnen we droogteperiodes overbruggen en de impact van verharding op overstromingen terugdringen. Elke druppel die op verhardingen valt, moet dan ook maximaal ter plaatse worden gehouden en mag niet afstromen. De uitgangspositie is dan ook dat iedereen, zowel particulier als openbaar bestuur, water opvangt en bijhoudt.
Met de voorliggende verordening, willen we hieraan concreet invulling geven, door onder meer in te zetten op volgende aspecten: - Regenwater is een belangrijke bron van water die het gebruik van andere hoogwaardige waterbronnen kan beperken. In alle projecten zal daarom maximaal moeten ingezet worden op het gebruik van regenwater, waar dit omwille van kwaliteitsredenen mogelijk is. Door in te zetten op voldoende opvang, maximaal hergebruik en het verruimen van de toepassing bij verbouwingen, kan er versneld ingezet worden op het gebruik van regenwater en de afbouw van andere hoogwaardige waterbronnen. Door de putvolumes groter te maken, houden we rekening met de langere droogteperiodes die in de toekomst worden verwacht. - Het onderscheid tussen verhardingen voor particulier en openbaar domein is vanuit wateroogpunt compleet nutteloos. Verharding is verharding en zal aanleiding geven voor zowel droogte als overstroming indien er geen bronbeleid wordt toegepast. Daarom wordt dit kunstmatig onderscheid opgeheven. Het is ook moeilijk te verantwoorden dat publieke actoren geen voorbeeldrol zouden opnemen. - Optimale oplossingen kunnen groeien uit een samenwerking over de perceelsgrenzen heen of tussen publieke en private actoren. We willen daarom zeer nadrukkelijk de mogelijkheid bieden op alle vlakken voor het regenwaterbeheer om tot gezamenlijke oplossingen te komen. Op die manier kan een groot verhard plein bijvoorbeeld een waterbron worden voor een naastgelegen industrieterrein met een grote watervraag. Dit geeft bijgevolg de juridische mogelijkheid voor de actie uit de Blue Deal voor het maximaal inzetten op grootschalige opvang en hergebruik van hemelwater. - De klimaatextremen zetten het bronbeleid onder druk . Met het voorliggende voorstel zetten we in op het optrekken van de veiligheden naar de huidige neerslagkarakteristieken. Deze aanpak biedt de mogelijkheid om op basis van de Ukkel neerslagreeksen de klimaatevolutie te volgen door cyclisch te evalueren of de normeringen nog afdoende zijn. Daarnaast wordt er met het voorgaande voorstel niet gekozen voor ofwel droogtebestrijding ofwel reduceren van piekdebieten, maar wordt ingezet op beide. De normeringen zijn dus niet alleen afgestemd op de grotere weersextremen die zich voordoen, maar kunnen zowel aan piekdebieten als aan droogte een antwoord bieden. 2. Algemene opmerkingen Op 15 juli 2022 keurde de Vlaamse Regering principeel een ontwerp verordening goed.Deze ontwerpverordening werd onderworpen aan een openbaar onderzoek, werd voorgelegd aan de strategische adviesraden en werd besproken tijdens een overlegvergadering met de VVSG en de VVP. Algemene opmerkingen in adviezen, de overlegvergadering of uit reacties die niet gekoppeld zijn aan een bepaald artikel worden in dit onderdeel behandeld.
Opmerkingen in adviezen of uit bezwaren die wel betrekking hebben op een specifiek artikel, worden bij dat artikel in de artikelsgewijze bespreking behandeld.
Voor de herkenbaarheid wordt telkens de betrokken instantie onderlijnd aangegeven: - Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed: SARO - Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen: SERV - Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen: Minaraad - Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten: VVSG - Vereniging van de Vlaamse Provincies: VVP Gelet op redenen van privacy wordt wel de inhoud van de bezwaren behandeld, maar wordt de naam van de bezwaarindiener niet kenbaar gemaakt als het een natuurlijke persoon betreft. 2.1 Belang van een technisch achtergronddocument met heldere toelichtingen Niet enkel de strategische adviesraden, maar ook de VVSG en VVP en meerdere bezwaarindieners vragen een technisch achtergronddocument met toelichting.
Deze vraag kan worden bijgetreden. Net zoals er bij de huidige verordening zo'n document bestaat, zal dat ook worden opgemaakt bij de nieuwe verordening. Vertrekpunt daarbij zal dit verslag zijn.
Sensibilisering en ondersteuning zullen hier ook deel van uitmaken. 2.2 Uitbreiding van het toepassingsgebied naar het openbaar domein De Minaraad, SERV en de SARO gaan akkoord met deze uitbreiding van het toepassingsgebied en zijn van oordeel dat openbare besturen hier een voorbeeldfunctie uitoefenen.
De drie raden vragen wel een duidelijke link met de Code van goede praktijk voor rioleringssystemen.
De SERV en de Minaraad merken hierbij op dat hemelwater dat afstroomt van wegverharding soms dermate vervuild zal zijn en als afvalwater moet beschouwd worden, waardoor de verordening niet van toepassing is.
Dit klopt voor zover het hemelwater dermate vervuild is dat het conform VLAREM als afvalwater wordt beschouwd. Zelden zal het hemelwater dat op wegverharding valt, als dusdanig te beschouwen zijn.
Anders zou quasi alle hemelwater dat op openbare wegenis valt, naar waterzuiveringsinstallaties moeten worden afgevoerd. Reeds jaren wordt echter aanbevolen om hemelwater dat op wegenis valt, ook in de bodem te infiltreren. Wel wordt erkend dat lijninfrastructuur op het openbaar wegdomein een specifieke context heeft. Gezien de specifieke context van infrastructuurwerken op openbaar domein - veelal lijninfrastructuur waar grote behoefte is aan maatwerk / meer gedetailleerde dimensioneringsregels- vinden de adviesraden het evenwel belangrijk dat de Code van goede praktijk er maatwerk faciliteert.
De code van goede praktijk rioleringen zal geactualiseerd worden naar hetzelfde ambitieniveau als de nieuwe verordening.
De VVSG gaat akkoord dat het ambitieniveau voor vasthouden van water in het privaat en publiek domein gelijk moet zijn, maar merkt op dat het openbaar domein en privaat domein een behoorlijk verschillende context kennen. Gezien deze specifieke context vindt de VVSG dat het openbaar domein onder het toepassingsgebied van de verordening kan vallen als er een duidelijke link is met de code van goede praktijk (die niet duidelijk genoeg zou zijn) dan wel dat het openbaar domein louter onder het toepassingsgebied van de code van goede praktijk valt en niet onder het toepassingsgebied van de verordening.
Deze code van goede praktijk kan een kader vormen voor de uitzonderingen. Dit garandeert een voldoende duidelijke link tussen het feit dat de bepalingen van de hemelwaterverordening algemeen geldend zijn en als startwaarde kunnen functioneren om naar een optimalisatieproces te gaan. Het is niet nodig om de code expliciet op te nemen in de verordening.
Het openbaar domein terug weghalen uit het toepassingsgebied van de verordening in het geval dit onder de code van goede praktijk valt is niet wenselijk. Bedoeling is juist om de toepassing daar wel van toepassing te maken.
Wel is het zo dat de verordening zoals principieel goedgekeurd op 15 juli 2022 een ongewenst neveneffect had. Wanneer het ging over van vergunning vrijgestelde werken op openbaar domein (zoals heraanleg van een weg in een stads- of dorpskern binnen de bestaande verhardingsbreedte), dan moest de verordening worden nageleefd. Had men in zo'n geval een uitzondering nodig op de verordening, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende plek was om infiltratievoorzieningen aan te leggen conform de maatvoering van de verordening, dan kon dit enkel na toestaan van een uitzondering, dus na het aanvragen van een vergunning. Talrijke wegenwerken zouden zo van vergunningsvrij vergunningsplichtig worden. Met deze toename van administratieve overlast is niemand gebaat. Daarom wordt naar aanleiding van een aantal bezwaren die hierop wezen, de verordening aangepast. De vrijgestelde handelingen, opgesomd in artikel 10 van het vrijstellingsbesluit vallen op openbaar domein niet onder de verordening. Het gaat hier over heraanleg van wegen, maar ook over de plaatsing van schuilhuisjes, de aanleg van 300 m2 verharding, de aanleg van een verhoogd kruispunt of verkeersdrempel, enzovoort.
Op deze vrijgestelde handelingen blijft wel de code van goede praktijk voor rioleringsstelsels van toepassing. Het is hier dus belangrijk om te benadrukken dat dit voor vrijgestelde handelingen zoals de heraanleg van wegen binnen het bestaande profiel, geen vrijgeleide is om niets te doen. De code legt ook voor deze vrijgestelde handelingen (zowel aan gemeentewegen als aan gewestwegen) eisen op rond infiltratie en buffering.
Zodra voor het project van de wegenwerken op openbaar domein een vergunning nodig is, geldt de verordening, met inbegrip van de uitzonderingsregeling. Een integraal infrastructuurproject dat een bestaande weg of kruispunt opbreekt en vervangt door een nieuwe weg of kruispunt, waarbij de verharding wordt uitgebreid en/of buiten de bestaande rooilijnen gegaan wordt, is in beginsel integraal vergunningsplichtig en zal dus aan de verordening moeten voldoen. Een duidelijk afsplitsbaar deel van het project, bv. een vrijliggende carpoolparking, kan - los van de rest van het project - wel of niet vergund worden en kan in kader van de verordening dan ook apart beoordeeld worden. 2.3 Evaluatie De SERV en de Minaraad vragen om een evaluatiebepaling in te voegen in de verordening om tijdig te kunnen bijsturen i.f.v. de klimaatverandering. Een regelmatige toetsing van de nieuwe normen aan de reële evolutie van de klimaatverandering en in samenhang met andere beleidsinstrumenten is noodzakelijk. (SERV-Minaraad p. 8) De VVSG stelt dat de aanpassing geen rekening houdt met bijvoorbeeld een hoog - impactscenario en dat de nieuwe normen geregeld getoetst zullen moeten worden aan de reële evolutie van de klimaatverandering.
Deze vraag kwam ook naar boven tijdens het openbaar onderzoek.
Hierop kan geantwoord worden dat ook al bevatte de verordening van 2013 geen evaluatiebepaling, het beleid de noodzaak aanvoelde om de verordening bij te sturen. Een verplichte evaluatie inschrijven is niet noodzakelijk. Hiermee zou de huidige Vlaamse Regering immers verplichtingen opleggen aan een toekomstige Vlaamse Regering, wat juridisch niet bepaald aangewezen is. 2.4. Specifiek voor de Vlaamse strategische adviesraden ? De strategische adviesraden zijn in globo positief over de gewestelijke hemelwaterverordening.
Zo onderschrijft de SARO de noodzaak aan een grondige aanscherping van het huidige bronbeleid en vindt ze het positief dat daarbij verder invulling wordt gegeven aan de leidende principes `vasthouden, bergen en pas in laatste instantie afvoeren van water' van het integraal waterbeleid.
Ook de SERV en de Minaraad onderschrijven de noodzaak van een inhoudelijke aanscherping in functie van de klimaatverandering. Het is positief dat hierbij expliciet wordt ingezet op wateroverlast én droogtebestrijding. De voorkeur van de strategische adviesraden gaat hierbij uit naar blauwgroene oplossingen. ? Handhaving De SERV en de Minaraad wijzen erop dat de doelmatigheid van de hemelwaterverordening staat of valt met de handhaving ervan. Ze vragen om gekende knelpunten weg te werken via een adequate ondersteuning.
Het belang van een goede en performante handhaving kan worden bijgetreden.
Het gaat hier o.a. over sensibilisering rond het onontvankelijk verklaren van vergunningsaanvragen als gegevens ontbreken, of het eventueel aanpassen van de criteria bij de verplichte keuring van de privéwaterafvoer.
Maatregelen daarrond nemen valt echter buiten de scope van het opstellen van een verordening. ? Sensibilisering Ook pleiten de SERV en de Minaraad voor een sensibiliseringscampagne die de voordelen van hemelwater(her)gebruik, buffering en infiltratie in de verf zet. Ze vragen ook aandacht voor kwetsbare gezinnen die de investeringen om te voldoen aan de verordening niet kunnen betalen.
Voor die groep moet bij prioriteit gewerkt worden aan collectieve oplossingen. Daarbij is bijzondere aandacht nodig voor kwetsbare stedelijke wijken, waar de bevolkingsdichtheid hoger dan gemiddeld is en de koopkracht lager. (SERV-Minaraad p. 11) Ook de SARO vraagt op een aantal plaatsen in haar advies aandacht voor sensibilisering.
Ook voor de VVSG is een goede ondersteuning en sensibilisering essentieel. Tijdens de overlegvergadering werden meerdere mogelijkheden, zoals richtsnoeren, FAQ, .. overlopen.
De noodzaak aan communicatie en sensibilisering kan worden bijgetreden. De eerste afspraken hierrond zijn reeds gemaakt binnen de CIW, en tussen VMM en departement Omgeving. De opmerking rond de kwetsbare gezinnen is moeilijker te begrijpen. Wie niet bouwt, moet ook geen ingrepen doen om te voldoen aan de verordening. Enkel wanneer men bouwt of verhard moet men ingrepen doen. Die bedragen een fractie van de bouwkosten zelf. ? Legistieke kwaliteit De SERV en Minaraad vragen om een aantal begrippen te verduidelijken, bepaalde inconsistenties weg te werken en de legistieke kwaliteit van het besluit te verbeteren. (SERV-Minaraad p. 11 e.v.) Het gebruik van definities is conform de omzendbrief regelgevingstechniek: Definities uit hogere regelingen worden geacht geldig te zijn voor de uitvoeringsbesluiten ervan (definities in VCRO bijvoorbeeld). Om discrepanties te vermijden met definities in andere sectorale regelgeving, wordt naar die andere sectorale regelgeving verwezen (bv. VLAREM) Er werd getracht de verschillen en inconsistenties tussen de bepalingen in het besluit en de toelichting in het verslag aan de Vlaamse Regering weg te werken. Ook nummering werd gecontroleerd.
De suggestie dat de toelichting van sommige begrippen beter gebeurt aan de hand van concrete voorbeelden in het technisch achtergronddocument wordt ten volle bijgetreden. Dit document kan eveneens inspelen op innovatieve oplossing. De door de SERV en Minaraad overgemaakte bijlage met niet-exhaustieve lijst van suggesties die een nadere uitklaring nodig hebben zal meegenomen worden bij opmaak van het technisch achtergronddocument. 2.5 Overlegvergadering VVSG en VVP Op 10 oktober 2022 vond de overlegvergadering met de VVSG en de VVP plaats.
Beide instanties waren positief over de voorgestelde verstrengingen.
Zo vond de VVSG het aangewezen en logisch dat de bepalingen uit de verordening hemelwater worden aangepast aan de huidige wetenschappelijke inzichten over de klimaatverandering.
De VVP gaf hierbij aan de verordening vooral gelezen te hebben met hun rol als adviesverlener (waterlopen tweede categorie) in het achterhoofd. 2.6 Onderzoek tot milieueffectrapportage In toepassing van titel 4 van het DABM werd een plan-MER-screening uitgevoerd, op basis van de ontwerpverordening, zoals principieel goedgekeurd op 15 juli 2022.
De conclusie van het team MER luidde dat de voorliggende verordening geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is.
De plan-MER-screening werd door het team MER goedgekeurd op 28 november 2022. 2.7 Openbaar onderzoek over de ontwerp-verordening Alle bezwaren en een antwoord op de bezwaren zijn opgenomen in een apart document dat in bijlage bij de beslissing van de Vlaamse Regering wordt gevoegd. 3. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Gehanteerde afkortingen: - hemelwaterverordening van 2013:
besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
05/07/2013
pub.
08/10/2013
numac
2013204921
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater
sluiten houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater - VCRO: Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - VLAREM: het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne - Vrijstellingenbesluit: het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/07/2010
pub.
10/09/2010
numac
2010035645
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is
sluiten tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is Hoofdstuk 1.Inleidende bepalingen Artikel 1(Citeeropschrift) Dit artikel voert een citeeropschrift in voor voorliggende verordening.
Artikel 2(Definities) Voorliggende verordening voorziet volgende definities: 1° aftappunt Deze definitie wordt overgenomen uit de huidige Hemelwaterverordening van 2013.2° afvalwater In de definitie van afvalwater wordt verwezen naar de definitie die opgenomen is in VLAREM.Deze luidt: "- "afvalwater" : het verontreinigde water waarvan men zich ontdoet, zich moet ontdoen of de intentie heeft zich van te ontdoen, met uitzondering van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen;" Op deze manier kan er nooit een verschil zijn tussen afvalwater zoals beschouwd in VLAREM en voorliggende hemelwaterverordening. 3° buffervoorziening De definitie van buffervoorziening wordt beperkt verfijnd in vergelijking met de hemelwaterverordening van 2013 om dit meer af te stemmen op de realiteit. Tijdens het openbaar onderzoek werd de vraag gesteld wanneer een noodoverlaat niet relevant zou zijn. Een mogelijkheid tot overloop, in welke vorm ook, zou steeds aanwezig moeten zijn. "Indien relevant" laat maatwerk toe. Een noodoverlaat is een fysische constructie zoals een buis. Maar een andere aanleg kan er ook uit bestaan dat de constructie bovengronds overloopt zonder dat er schade te verwachten is, waarbij er dus geen specifieke aanleg van een noodoverlaat nodig is. 4° groendak Een groendak wordt gedefinieerd als een dak waar het water opgeslagen wordt onder of in de afwerkingslaag en waarbij de afwerkingslaag uit een vegetatielaag bestaat. Niet eender welk groendak bevat voldoende hemelwaterbuffercapaciteit om als waterberging te fungeren. In praktijk wordt een `groendak' soms gebruikt om aan de hemelwaterbuffering en hergebruik onderuit te komen blijkt - eerder vanuit het economisch dan van het ecologisch of waterbergend principe. Echter, ook daken met een lage buffercapaciteit zijn te beschouwen als groendaken.
In de definitie wordt dan ook geen minimale opvangcapaciteit voorzien, wel in de inhoudelijke bepaling waar de de in rekening te brengen afwaterende oppervlakte berekend wordt. Regelgevende elementen, zoals de opvangcapaciteit van een groendak, dienen niet opgenomen te worden in de definities. 5° hemelwater Deze definitie stemt overeen met de definitie, gehanteerd in de Hemelwaterverordening van 2013.6° hemelwaterput Aan de definities is een definitie van een hemelwaterput toegevoegd aangezien deze ontbrak bij de definities van de hemelwaterverordening van 2013. De definitie verplicht niet dat de put een ondergrondse constructie moet zijn. Een bovengronds reservoir is eveneens mogelijk. Zo kan een echt retentiedak zonder vegetatielaag beschouwd worden als een hemelwaterput die zich op het dak bevindt, als hij voldoet aan de vereisten van de verordening, zoals het uitgerust zijn met een pompinstallatie die onder andere de WC's bedient. 7° horizontale dakoppervlakte De definitie van de hemelwaterverordening van 2013 wordt verduidelijkt in die zin dat het gaat over de verticale projectie, zonder de gebruikelijke dakgoten.Het is deze maatvoering die wordt vermeld op architectuurplannen, en die daardoor controleerbaar is voor een adviesverlener. (VVP overlegvergadering & bemerking tijdens openbaar onderzoek) Als een hellend dak uitgeeft op een plat dakje, dan kan dit plat dakje niet beschouwd worden als een gebruikelijke dakgoot en moet zijn oppervlakte wel in rekening worden gebracht. 8° Infiltratie Deze definitie is nagenoeg identiek overgenomen uit de hemelwaterverordening van 2013.Er is enkel aan toegevoegd dat infiltratie gaat over het indringen in de ondergrond. 9° infiltratievoorziening De definitie van infiltratievoorziening werd verduidelijkt in vergelijking met de hemelwaterverordening van 2013.Daarnaast is toegevoegd dat het hier gaat over infiltratievoorzieningen voor hemelwater. 10° lozing Deze definitie stemt overeen met de definitie, opgenomen in de Hemelwaterverordening van 2013.11° waterdoorlatende verharding Waterdoorlatende verhardingen worden gedefinieerd, aangezien de delen die uitgevoerd zijn als waterdoorlatende verharding niet mee worden opgenomen.(zie art. 8, § 2) Dit zijn verhardingen die zijn uitgevoerd met waterdoorlatende materialen, zoals waterpasserende stenen, waterdoorlatend beton, ... in voorkomend geval geplaatst op een waterdoorlatende funderingslaag en een waterdoorlatende onderfunderingslaag waar het water gebufferd wordt.
Zo kan steenslagverharding vallen onder verharding die met waterdoorlatende materialen is uitgevoerd. De aanwezigheid van een funderingslaag en onderfunderingslaag (die eveneens waterdoorlatend dient te zijn) is niet verplicht. Het feit dat de steentjes zelf (vanzelfsprekend) niet waterdoorlatend zijn, is irrelevant. Het water infiltreert tussen de steentjes.
Het begrip `onderfunderingslaag' krijgt geen nadere invulling. De opbouw van waterdoorlatende wegenis inclusief de term onderfundering is o.a. duidelijk opgenomen en verduidelijkt in de technische richtlijnen van het onderzoekscentrum voor de wegenbouw: https://brrc.be/sites/default/files/2019-10/dossier05_nl.pdf Op basis van de besprekingen binnen het CIW lijkt het aangewezen om te streven naar een minimaal nuttig bergingsvolume van 330 m3/ha waarbij de volledige opbouw een minimale doorlatendheid moet hebben van 5,4 x 10 -5 m/s in combinatie met maatregelen om te vermijden dat water bovengronds afstroomt naar derden indien het hellingspercentage hoger is dan 0,5%. Bij grotere hellingspercentages moeten er sowieso in de onderfundering extra maatregelen worden genomen, waardoor dit enkel via bijkomende motivatie kan aangevraagd worden zodat de vergunningverlener de garantie heeft dat er ook effectief een goede en werkbare uitvoering op terrein wordt voorzien.
Het hellingspercentage wordt voor de duidelijkheid in de verordening zelf opgenomen. Wel brengen we dit van 0.5% (wat volgens meerdere inspraakreacties vrij onrealistisch is aangezien elke oprit of verharding wel een bepaalde hellingsgraad heeft) naar 2%.
Hellingspercentages die hoger zijn dan 2% hebben tot gevolg dat er zonder extra maatregelen water op het lager gelegen stuk zal uittreden als de verharding volledig waterverzadigd is. Bij hogere hellingen zullen zoals gesteld maatregelen moeten genomen worden om dit te vermijden. Als dat niet haalbaar is, zullen andere uitvoeringsmethodes voorzien moeten worden waarbij bv. een rooster tot de mogelijkheden behoort. Dit is detailontwerp en kan echter niet opgenomen worden in een uitvoeringsbesluit, zonder elke ontwerpvrijheid en innovatie te beknotten.
Deze randvoorwaarden zijn niet zijn opgenomen in voorliggende vordering.
Er wordt immers voor geopteerd om in het besluit geen eisen te stellen aan waterdoorlatende materialen. Het technisch achtergronddocument zal dit verder uitwerken en verduidelijken welke types materialen en funderingsmaterialen al dan niet waterdoorlatend zijn. Hier kan eventueel nagegaan worden of een globale technische norm voor waterdoorlaatbaarheid mogelijk is (SERV-Minaraad p. 13).
In tegenstelling tot Waterwegwijzer of andere publicaties die bedoeld zijn om tips te geven, is het niet aangewezen in een reglementair besluit voorbeelden of een limitatieve lijst op te nemen. Niet alleen zou dit zeer complex worden, het gevaar bestaat dat hierdoor mogelijk bestaande of nieuwe types verhardingen worden uitgesloten die wel voldoen.
Tijdens het openbaar onderzoek werd gevraagd om de eisen omtrent waterdoorlatende verhardingen in overeenstemming te brengen met hetgeen beschreven in het Standaardbestek 250. Dit standaardbestek is zeer technisch en gericht op het aanbesteden van projecten en omvat daarnaast verschillende soorten waterdoorlatende verhardingen, onderfunderingslagen e.d. Een eenduidige definitie van een waterdoorlatende verharding is hierin niet opgenomen. Zoals gesteld wordt het hellingspercentage op een meer realistische 2% gebracht en opgenomen in het besluit zelf. Boven dit percentage zullen extra maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat water te snel afwatert naar lager gelegen delen van de verharding. Er kan dus perfect gewerkt worden met waterdoorlatende verhardingen met hogere hellingspercentages, mits het respecteren van een correcte uitvoeringswijze. Dit dient echter in een technisch achtergronddocument uitgewerkt te worden en vormt geen onderdeel van het besluit.
Dit technisch achtergronddocument kan ook nader ingaan op de waterdoorlatendheid van niet-uniforme oppervlakten, vereiste waterdoorlatendheid van de voegen, ... Dit document zal ook de nodige concrete voorbeelden bevatten, zodat de beoordeling door de gemeente mogelijk wordt en de burger kan inschatten wat dit betekent. (zie SARO randnr.11) Bij het verlenen van een vergunning kan rekening gehouden worden met het feit dat waterdoorlatende verhardingen op termijn hun werking kunnen verliezen. Hoe hiermee kan worden omgegaan, zal in het technisch achtergronddocument uitgewerkt worden.
Bovendien kan de vergunningverlenende overheid in concrete gevallen alsnog beslissen geen steenslag toe te staan op locaties met zeer zware belastingen (zoals frequent vrachtwagenverkeer).
Daar waar de op 15 juli 2022 principieel goedgekeurde tekst nog sprak over "bufferen", werd terecht opgemerkt dat deze term verwijst naar een vorm van vertraagde afvoer, wat niet noodzakelijk is bij een waterdoorlatende verharding (bv. als deze wordt geplaatst op een voldoende drainerende ondergrond). Deze term wordt dan ook niet langer gehanteerd.
De richtlijnen van het WTCB voor waterdoorlatende verhardingen koppelen het al dan niet voorzien van een afvoer aan de doorlatendheid van de onderliggende grond. De definitie verplicht aldus geen (vertraagde) afvoer noch verbiedt deze, dit kan dus perfect afgestemd worden op lokale terrein-condities. 12° Werken aan de afwatering Werken aan de afwatering worden gedefinieerd als werken aan een bestaande overdekte constructie of gebouw waarbij de afvoer van zowel afval- en hemelwater ingrijpend wordt aangepast. Enkele voorbeelden: - wordt in de straat een gescheiden stelsel aangelegd, dan zal in de naastliggende woningen enkel de afvoer van hemelwater ingrijpend worden aangepast. De afvoer van afvalwater blijft meestal zo goed als ongewijzigd. Er is in zo'n geval dan ook geen enkele verplichting om een hemelwaterput of infiltratievoorziening te plaatsen. - Verandert een burger enkel de interne afvoeren van badkamer en keuken, dan blijft de afvoer van hemelwater ongewijzigd. Dit zijn dan ook geen "werken aan de afwatering". Een dergelijke verbouwing valt niet onder het toepassingsgebied van de verordening.
Is ook geen ingrijpende werken aan de afwatering, maar een punctuele ingreep: - Het afbuigen van de regenpijpen naar het gazon met de plaatsing van een bijkomende douche op zolder Zowel het hemelwaterafvoersysteem als het afvoersysteem van afvalwater moeten beide ingrijpend worden gewijzigd, wil een verbouwing onder het toepassingsgebied van de verordening vallen.
De SARO vraagt te verduidelijken waarom een aanpassing van zowel het afval- als het hemelwatertracé als voorwaarde wordt gehanteerd. Dit impliceert immers dat voorliggend besluit niet van toepassing zou zijn in het geval van horizontale dak-uitbreidingen of van verbouwingen waarbij de volledige dakconstructie wordt vernieuwd, zonder aanleg van een afvoerpunt van het afvalwatertracé. De raad meent dat met deze voorwaarde een aantal evidente opportuniteiten onbenut blijven. (SARO randnr.8) Het lijkt ons toch verregaand om bij verbouwingen waarbij ofwel enkel het afvalwatersysteem gewijzigd wordt ofwel enkel het hemelwatersysteem gewijzigd wordt, de verordening toe te passen. Dit neemt niet weg dat ook in die situaties de burgers er voor kunnen kiezen om alvast voorzieningen te plaatsen, ook al is dat niet verplicht.
Een aantal bezwaarindieners vroeger om concrete criteria vast te leggen voor aanpassingen die als `ingrijpend' beschouwd worden.
Het is quasi onmogelijk om eenvoudige criteria in een regelgevende tekst vast te leggen die moeten bepalen of een werk een ingrijpende wijziging is of niet gelet op de veelheid van situaties die zich kan voordoen. Dit kan enkel via voorbeelden in het technisch achtergronddocument gebeuren.
Het gaat immers niet enkel over het aantal lopende meter afvoer die wordt aangepakt, en de verhouding ervan tot de rest van de afvoerinstallatie, maar ook om vragen als: - Is het bovengronds of ook ondergronds? - Is het een loutere vervanging op dezelfde plek, of is het een wijziging van locatie? Een combinatie van antwoorden op dergelijke vragen kan aangeven of iets ingrijpend is of niet.
Ten opzichte van de huidige hemelwaterverordening zijn een aantal definities verwijderd zoals het volume van de infiltratievoorziening en buffervoorziening, aangezien deze in meer detail aan bod komen in de relevante artikels.
Daarnaast bevatte de op 15 juli 2022 principieel goedgekeurde tekst een definitie voor het begrip "retentiedak". Retentiedaken bergen een bepaald volume water en houden dit vast, terwijl het via gebruik, een vertraagde afvoer, een slimme sturing, e.d. kan geledigd worden.
Gelet op de verschillende bezwaren die wijzen op verschillende knelpunten met retentiedaken (verschillende definities, concrete toepassing, verschil in het in mindering brengen,...) wordt de definitie van retentiedak geschrapt.
Ook voor de VVP was niet geheel duidelijk hoe moest worden omgegaan met retentiedaken. (VVP overlegvergadering) Een echt retentiedak zonder vegetatielaag kan beschouwd worden als een hemelwaterput die zich op het dak bevindt, als hij voldoet aan de vereisten van de verordening, zoals als hij is uitgerust met een pompinstallatie die onder andere de WC's bedient. (=bovengrondse hemelwaterput) Het gebruik van andere retentiedaken die niet volledig aan de eisen van de hemelwaterput voldoen, om de afwaterende oppervlakte in mindering te brengen (dimensionering van de infiltratie-of buffervoorziening) zal voortaan geregeld worden via de uitzonderingsmogelijkheid. Op die manier kan rekening gehouden worden met nieuwe, innovatieve oplossingen.
Het technisch achtergronddocument zal hier verder op ingaan.
Op de vraag om een definitie voor een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater toe te voegen, wordt niet ingegaan. Dit begrip wordt immers nergens in de verordening zelf gehanteerd. Dit geldt eveneens voor begrippen zoals duurzaamheid, ontharding of verdroging.
Op de vraag van de SARO om een definitie te voorzien voor `uitbreiden' wordt niet ingegaan. Als dit begrip al gedefinieerd zou moeten worden, is voorliggende verordening niet de juiste plaats. (SARO randnr. 10).
Dit geldt eveneens voor het voorzien van een definitie voor het begrip "verharding". (SERV-Minaraad p. 13) Het moge wel duidelijk zijn dat met uitbreiden hier horizontale uitbreidingen worden beoogd. Een hellend dak plaatsen op een gebouw dat momenteel een plat dak heeft, willen we niet vatten met de verordening.
Hoofstuk 2. Toepassingsgebied Artikel 3(Doelstelling) Dit artikel blijft nagenoeg ongewijzigd ten opzichte van de hemelwaterverordening van 2013. Enkel in punt 2° en 3° is het woord minimaal geschrapt aangezien dit geen toegevoegde waarde had.
Zo bevat dit besluit bepalingen rond het gebruik van hemelwater, de scheiding van hemelwater en afvalwater, bepalingen over de infiltratie, buffering en lozing van hemelwater afkomstig van verhardingen en overdekte constructies.
Het spreekt voor zich dat indien van toepassing de advies- en/of vergunningverlener voor verontreinigd water eveneens bijkomende maatregelen kan opleggen naar opvang toe, en dit in het kader van de watertoets.
Artikel 4(Toepassingsgebied) Artikel 3 en artikel 4 van de Hemelwaterverordening van 2013 worden samengenomen en sterk vereenvoudigd. Op deze manier moet het toepassingsgebied van de hemelwaterverordening duidelijk zijn, zonder dat het onderscheid tussen welke aspecten er onder toepassingsgebied van de verordening vallen en welke niet verspreid is over twee artikels.
Het toepassingsgebied wordt verder verfijnd en afgebakend. ? Hemelwater ? Overdekte constructies bouwen of herbouwen, bestaande overdekte constructies verbouwen met werken aan de afwatering of uitbreiden ? Verhardingen aanleggen, heraanleggen of uitbreiden ? Aanleggen van een afwatering voor de constructies of de verhardingen waarvan het hemelwater voorheen op natuurlijke wijze in de bodem infiltreerde ? Ook van toepassing op openbaar wegdomein ? Buiten het toepassingsgebied van de verordening Het artikel verduidelijkt dat het om verhardingen of daken moet gaan waar het regenwater op valt. In dat opzicht vallen verhardingen waar er geen rechtstreekse regenval is, niet onder de verordening. Hier kan bijvoorbeeld gedacht worden aan verhardingen in tunnels, in ondergrondse garages, e.d.
Omdat de vrijgestelde werken binnen het openbaar domein niet onderworpen worden aan de hemelwaterverordening, wordt de link gelegd met de code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van de rioleringssystemen (het
ministerieel besluit van 20 augustus 2012Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
20/08/2012
pub.
24/09/2012
numac
2012205032
bron
vlaamse overheid
Ministerieel besluit tot vaststelling van de code van goede praktijk voor het ontwerp en de aanleg van rioleringssystemen
sluiten tot vaststelling van een code van goede praktijk voor het ontwerp en de aanleg van rioleringssystemen in uitvoering van artikel 2.3.6.3, § 3, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne). ?Hemelwater Voorliggende verordening gaat niet over het water van douche, bad, wasmachine en condenswater van de droger, zogenaamd grijs water, dat eventueel hergebruikt zou worden.
Of infiltratie van regenwater gemengd met zogenaamd grijs water wel wenselijk is of dat dit dan eerder als droogweerafvoer moet beschouwd worden, moet verder onderzocht worden. Eens er een duidelijk kader is voor dergelijke pilootprojecten, moet bekeken worden in welke regelgeving dit best wordt geïntegreerd. Vermoedelijk zal dit niet de hemelwaterverordening zijn.
De SARO merkt op dat er best een uitzondering wordt voorzien voor vervuild hemelwater dat op het eigen terrein wordt gezuiverd (bv. middels een KWS-afscheider of coalescentiefilter) en volgens de VLAREM regelgeving vervolgens geloosd kan worden, aangezien dit ook een impact heeft op het watersysteem. (SARO randnr. 11) Dit hoort evenwel eerder tot VLAREM dan tot de hemelwaterverordening. ?Overdekte constructies bouwen of herbouwen, bestaande overdekte constructies verbouwen met werken aan de afwatering of uitbreiden Voorliggende verordening wordt genomen in uitvoering van de VCRO, zodat de in de VCRO opgenomen definities ook gelden voor deze verordening. Dit betreft (zie art. 4.1.1 VCRO): 3° constructie : een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds;6° herbouwen : een constructie volledig afbreken, of méér dan veertig procent van de buitenmuren van een constructie afbreken, en binnen het bestaande bouwvolume van de geheel of gedeeltelijk afgebroken constructie een nieuwe constructie bouwen;12° verbouwen : aanpassingswerken doorvoeren binnen het bestaande bouwvolume van een constructie waarvan de buitenmuren voor ten minste zestig procent behouden worden.Het aanbrengen van isolatie aan de buitenzijde van een woning tot een maximum van 26 centimeter wordt beschouwd als aanpassingswerken binnen het bestaande bouwvolume;
De term verbouwen wordt mee opgenomen in de verordening, op deze manier kunnen ook ingrijpende renovaties onder het toepassingsgebied van de verordening vallen. Aangezien niet elke renovatie even ingrijpend is, wordt de mogelijkheid gegeven aan de vergunningverlener om dit te beoordelen en al dan niet randvoorwaarden op te leggen. Er wordt al wel verduidelijkt dat het verbouwingen moeten zijn met werken aan de afwatering.
Tijdens het openbaar onderzoek gaf één bezwaarindiener aan dat de koppeling het toepassingsgebied te zeer inperkt. Elke verbouwing waarbij het afvoerstelsel van afval- en hemelwater kan aangepast worden, zou moeten leiden tot het plaatsen van een hemelwaterput.
De VVSG merkt op dat het feit dat er bij verbouwingen zowel werken aan de afvalwaterafvoer als aan de regenwaterafvoer moeten zijn, vooraleer de verordening van toepassing is, er voor zorgt dat enkele evidente opportuniteiten onbenut blijven. (VVSG overlegvergadering) Er wordt echter voor geopteerd om niet bij quasi elke verbouwing een hemelwaterput te verplichten, maar dit enkel te doen als naast de afvoer van hemelwater, ook deze van afvalwater ingrijpend wordt aangepast. Het is niet de bedoeling om verbouwers grote bijkomende kosten te laten maken voor werken aan de afwatering indien deze niet gepland waren.
Bij het uitbreiden van bestaande constructies is de link met werken aan de afwatering niet (langer) opgenomen. Alle uitbreidingen van bestaande overdekte constructies vallen voortaan onder het toepassingsgebied van de verordening, ook al wordt het hemelwater- en afvalwatersysteem van de bestaande constructie niet grondig gewijzigd.
De op 15 juli 2022 principieel goedgekeurde tekst koppelde bij het toepassingsgebied uitbreidingen en verbouwingen van overdekte constructies aan werken aan de afwatering. Dit zou een versoepeling inhouden op het vlak van het uitbreiden van overdekte constructies, alsook wat betreft de aanleg van een afwatering voor overdekte constructies of verhardingen groter dan 40m2 waarvan het hemelwater voorheen op natuurlijke wijze in de bodem infiltreerde. (SARO randnr. 8, SERV-Minaraad p.10, VVSG overlegvergadering) Wat betreft uitbreidingen kan worden meegegeven dat alle uitbreidingen nu gevat zijn, ook deze zonder werken aan de afwatering.
Doordat bij een uitbreiding niet langer de koppeling gemaakt wordt met werken aan de afwatering, is het niet langer nodig het onderscheid tussen uitbreidingen en nieuwbouw te verduidelijken. Wel zal bij uitbreiding in een aantal gevallen rekening gehouden worden met de reeds bestaande constructie. Elke situatie waarbij een overdekte constructie tegen een andere overdekte constructie van dezelfde eigenaar wordt gebouwd, is een uitbreiding (bijvoorbeeld een carport tegen een woning).(SERV-Minaraad p. 10) Er wordt afgestapt van de oppervlakte eenheid van 40 m2 vanaf wanneer de verordening van toepassing zou zijn. Dit om de boodschap mee te geven dat ongeacht de gebouwde of verharde oppervlakte, er steeds aandacht moet zijn voor het watersysteem. Hierdoor is de verordening van toepassing ongeacht of constructies vergunningsplichtig dan wel vrijgesteld zijn.
Verder wordt verduidelijkt vanaf wanneer er voldoende onverharde zone aanwezig is om te spreken van infiltratie op eigen terrein, namelijk een minimale onverharde zone van 25% waarin respectievelijk het gebouw of de verharding kan afwateren. Die zone kan bestaan uit planten of gewoon gazon. Daar het hemelwater moet kunnen infiltreren in deze onverharde zone zonder dat hiervoor een afvoersysteem moet worden voorzien, houdt dit in dat de onverharde zone in de buurt ligt (en op eigen terrein). Dit is een principe dat al langer werd opgelegd via het watertoetsadvies en bijgevolg ook best een juridische verankering krijgt. Het kan immers niet de bedoeling zijn om een zeer grote verharde oppervlakte op een heel kleine groenzone aan te sluiten, waardoor er vooral bovengrondse afstroming zal plaatsvinden.
De SARO ondersteunt deze keuze om de ondergrenzen voor de verplichte plaatsing van een hemelwaterput te schrappen. (SARO randnr. 12) Voor kleine verhardingen (zoals een terras, een oprit, een tuinpad, ...) en kleine daken (zoals van een tuinhuis, een veranda, ...) is het aangewezen dat men het water gewoon in de tuin laat infiltreren. Doet men dat, dan is de verordening met zijn berekeningen niet van toepassing.
De SARO is van oordeel dat met de uitbreiding van het toepassingsgebied (geen ondergrens & verbouwen) aandacht zal gaan naar het waterbeheer van een brede range aan projecten. Door de uitbreiding wordt er bovendien verder ingezet op het `win-backprincipe'.
De SARO kan deze beslissingen dan ook ondersteunen. ?Verhardingen aanleggen, heraanleggen of uitbreiden De verordening is verder enkel van toepassing als verhardingen worden aangelegd of heraangelegd.
Met heraanleg wordt bedoeld dat ook de funderingslaag wordt vervangen.
Het vervangen van de afwerkingslaag van een verharding is geen heraanleg als een funderingslaag aanwezig is en behouden blijft. Dit wordt ook beschouwd als een louter onderhoudswerk, zoals gedefinieerd in de VCRO. ?Aanleggen van een afwatering voor de constructies of de verhardingen waarvan het hemelwater voorheen op natuurlijke wijze in de bodem infiltreerde De op 15 juli 2022 principieel goedgekeurde tekst bevatte niet langer dit onderdeel van het toepassingsgebied. De SARO merkte terecht op dat dit een versoepeling zou inhouden op het vlak van het uitbreiden van overdekte constructies, alsook wat betreft de aanleg van een afwatering voor overdekte constructies of verhardingen groter dan 40m2 waarvan het hemelwater voorheen op natuurlijke wijze in de bodem infiltreerde. (SARO randnr. 8) Ook de SERV en de Minaraad merkten terecht op dat dit niet langer de verordening zou vallen. (SERV-Minaraad p. 9) Dit onderdeel van het toepassingsgebied wordt dan ook hernomen uit de hemelwaterverordening van 2013. ?Ook van toepassing op openbaar wegdomein De bepaling dat de verordening niet van toepassing is op openbaar wegdomein wordt niet langer behouden.
Op deze manier wordt niet langer de boodschap gegeven dat maatregelen voor het openbaar domein niet van toepassing of relevant zijn. Hoewel heel wat wegbeheerders en rioolbeheerders dit op een correcte en duurzame wijze integreren in projecten, blijft dit voor meerdere projecten terugkomen als argument om geen maatregelen toe te passen op openbaar domein.
Hierbij wordt wel gewezen op het feit dat heel wat projecten op openbaar wegdomein kunnen genieten van een vrijstelling van vergunning. Vallen deze handelingen onder artikel 10 van het Vrijstellingenbesluit, dan is deze verordening niet van toepassing. (zie verder) Op openbaar domein gaat de voorkeur naar globale of collectieve oplossingen voor grote gehelen wegenis. Dat is praktisch zeer moeilijk bij kleine ingrepen, zoals de heraanleg van een kruispunt, of de plaatsing van een bushokje.
Deze ingrepen zijn vandaag de dag vrijgesteld van vergunning op openbaar domein. Voorliggende verordening sluit zich hier dan ook bij aan: in die situaties waarin er een vrijstelling van vergunning geldt op openbaar domein, geldt ook de niet-toepassing van de verordening.
Op die manier vallen kleine constructies op openbaar domein, zoals bushokjes, buiten toepassing van de verordening (en dienen ze ook geen beroep te doen op de uitzonderingsregel).
De VVSG vraagt duidelijkheid wanneer een werk in bestaande infrastructuur moet voldoen aan de nieuwe normen. Meer bepaald zou het moeten gaan om ingrijpende werken (in principe een volledige herinrichting) waarbij de afwatering kan aangepast worden of wordt aangepast.
Zoals aangegeven wordt verduidelijkt dat het vervangen van de afwerkingslaag van een verharding niet beschouwd wordt als het heraanleggen van een verharding, als een funderingslaag aanwezig is en behouden blijft. Daarnaast wordt voorliggende verordening afgestemd met het Vrijstellingenbesluit, door die handelingen op openbaar domein die vrijgesteld zijn van een vergunning, ook buiten het toepassingsgebied te houden. Hierdoor zullen deze niet langer moeten voldoen aan de verordening en in voorkomend geval een uitzondering moeten aanvragen.
Zoals door de adviesraden wordt opgemerkt is het mogelijk dat de gekozen voorziening bij wegenisprojecten een eind van de wegenwerken zelf vandaan ligt. Het is mogelijk om één omgevingsvergunning te vragen voor twee locaties tegelijk (de wegenis en de voorziening). (SARO randnr. 25, SERV-Minaraad p. 9) Op openbaar domein ligt de focus doorgaans op infiltratie, maar ook hier kunnen initiatiefnemers denken aan mogelijkheden tot gebruik.
Daarnaast is het ook niet zo dat de strenger wordende verordening een negatieve impact zal hebben op de `time to permit' en de kost voor een heel aantal wegenisprojecten op openbaar domein. Openbaar domein moet nu ook reeds voldoen aan de code van goede praktijk voor rioleringssystemen, die ook stelt dat er moet geïnfiltreerd worden. ?Buiten het toepassingsgebied van de verordening Infiltratie op eigen terrein zonder noodzaak van een afvoersysteem De verordening is niet van toepassing als het hemelwater op eigen terrein in de onverharde zone infiltreert zonder dat hiervoor een afvoersysteem moet worden aangelegd, dakgoten en standpijpen uitgezonderd.
De onverharde zone moet een minimale oppervlakte hebben van een vierde van de afwaterende oppervlakte die in rekening moet worden gebracht en aangesloten moet worden voor de dimensionering van een infiltratievoorziening.
Tijdens het openbaar onderzoek werd gevraagd om naast een minimale oppervlakte van de onverharde zone ook een minimaal volume te voorzien, om te vermijden dat het hemelwater bij hevige regenval onmiddellijk afvloeit naar andere percelen.
Het is echter niet de bedoeling om de dimensionering van een infiltratievoorziening aan de onverharde zone te koppelen. Er kan in principe op twee manieren voldaan worden door ofwel een voldoende grote onverharde oppervlakte te gebruiken om het water naar af te voeren ofwel door een infiltratievoorziening aan te leggen. Bij hevige neerslag zullen beide steeds afvoer van water genereren, daar zit immers geen verschil op.
Door de oppervlakte van de onverharde zone te koppelen aan de afwaterende oppervlakte, zal deze oppervlakte voor infiltratie groter worden naarmate de overdekte constructies of verhardingen groter worden.
De SARO vindt het evident dat de oppervlakte waarop het water kan insijpelen voldoende groot moet zijn om het hemelwater op te vangen.
Het is in die zin positief dat het voorliggend besluit verduidelijkt dat de onverharde zone een minimale oppervlakte van een vierde van de afwaterende oppervlakte moet hebben. De raad merkt daarnaast op dat het desgevallend wenselijk kan zijn om de onverharde zone -met het oog op de creatie van extra buffervolume- uit te voeren als een verlaging van het maaiveld en dat de onverharde zone niet mag afwateren naar percelen van derden. (SARO randnr. 11) De verordening maakt dit mogelijk. Bovendien blijven de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
Zijn er in de onverharde zone ondergrondse constructies aanwezig die verhinderen dat het hemelwater infiltreert, zal de oppervlakte boven deze constructies niet in aanmerking komen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kelders, ondergrondse parkings en dergelijke.
Handelingen die zijn opgenomen in artikel 10 van het Vrijstellingenbesluit Zowel tijdens het openbaar onderzoek als tijdens de overlegvergadering met VVSG en VVP kwam de vraag naar boven om bepaalde handelingen op openbaar domein uit te sluiten van voorliggende verordening.
Dit ging vooral over lokale heraanleg van een verharding kleine constructies of sleuven.
In artikel 10 van het Vrijstellingenbesluit zijn verschillende handelingen opgenomen waarvoor geen vergunning nodig is. Voor de transparantie en eenvoud wordt voorgesteld deze handelingen uit te sluiten van het toepassingsgebied van voorliggende verordening.
Zo bevat dit artikel 10 een vrijstelling voor: -de aanleg van verhardingen met een oppervlakte 300 m2 of minder en met een reliëfwijziging van minder dan 50 cm (1° ) -het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een bestaande verharding. De vrijstelling geldt niet als de bestaande weg een aardeweg, grindweg, steengruisweg of kasseiweg is of als de bestaande weg een waterdoorlatend karakter heeft (2° ) -de aanleg van verhoogde kruispunten, verkeersdrempels en andere verkeersremmende ingrepen binnen de bestaande verhardingsbreedte (3° ) Vallen bijgevolg niet onder de verordening: een plaatselijke sleuf, de aanleg van een verkeersdrempel, een verhoogd kruispunt en dergelijke.
Bij deze punctuele wijzigingen is het niet realistisch om een volledige heraanleg van het ondergronds rioleringsstelsel met infiltratievoorzieningen op te leggen.
Ook sleuven, die gemaakt worden over lange afstand, maar louter om een nutsvoorziening aan te leggen of te wijzigen, worden uitgesloten van het toepassingsgebied. Het is niet steeds realistisch om in zo'n geval de aanleg van een gescheiden stelsel en infiltratievoorzieningen op te leggen.
Er geldt immers een vrijstelling voor gebruikelijke ondergrondse constructies en aansluitingen, zoals installaties voor het transport of de distributie van drinkwater, afvalwater, elektriciteit, aardgas, warmte- en koudenetleidingen en andere nutsvoorzieningen (4° ).
Daarnaast worden ook kleine gebouwen en overdekte constructies op openbaar domein uitgesloten van het toepassingsgebied van voorliggende verordening. Op openbaar domein gaat de voorkeur naar globale of collectieve oplossingen voor grote gehelen wegenis.
Er is immers geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen nodig voor de gebruikelijke aanhorigheden (5° ) en de technische constructies van algemeen belang met een maximaal volume van 30 kubieke meter en een maximale hoogte van 5 meter (6° ) Hierbij kan gedacht worden aan bushokjes of elektriciteitscabines.
Globale of collectieve oplossing zijn praktisch zeer moeilijk bij kleine ingrepen.
In veel gevallen zouden deze constructies niet voldoen aan de bepalingen van de verordening (geen mogelijkheid tot plaatsing hemelwaterput) waardoor deze gebruik zouden moeten maken van de uitzonderingsregel. Dit zou impliceren dat deze juist daarvoor een vergunningsprocedure zouden moeten doorlopen, wat niet wenselijk wordt geacht voor dergelijke constructies op openbaar domein.
Vandaar wordt ervoor geopteerd dat voorliggende verordening niet van toepassing is op deze handelingen.
Als voorbeeld van constructies waarop de verordening ook niet van toepassing is, kan worden verwezen naar tunnels die volledig ondergronds liggen. Tunnels hebben geen afvoersysteem van het water dat boven op de tunnel valt. Het brugdek zelf ontvangt wel water en dit water wordt opgevangen en afgevoerd en zal dus onderhevig zijn aan bronmaatregelen. Dit wil echter niet zeggen dat er een hemelwaterput moet voorzien worden aangezien het in de spraakgebruikelijke betekenis over verharding gaat. Bij een tunnel moet de oppervlakte van de overdekte rijbaan niet worden in rekening gebracht. Er valt immers geen water op. Enkel de oppervlakte van de niet overdekte rijweg die naar de tunnel leidt, moet worden in rekening gebracht.
Veel kleine aanpassingen aan bestaande verhardingen op openbaar domein zullen dan ook niet onder de verordening vallen. (zie vraag SARO randnr. 9) Afvalwater en grijs water Het toepassingsgebied van de verordening focust op proper regenwater.
Als hemelwater door contact met delen van de verharding zo vervuild is dat het als afvalwater moet worden beschouwd, vallen die delen niet onder dit besluit.
Er worden geen randvoorwaarden voor afvalwater opgelegd; dit wordt in andere regelgeving gevat. Er wordt dan ook geen onderscheid gemaakt tussen afvalwater als resultaat van bv. een industrieel proces (met een min of meer constant debiet) en (potentieel) vervuild hemelwater (dat gekenmerkt kan worden door grote piekdebieten).
Daarnaast kan een vergunningverlenende overheid steeds extra randvoorwaarden opleggen aan de afstroom van vervuilde oppervlaktes om een te grote impact op het afwaartse stelsel te ondervangen.
Via de watertoets kan dit bij vergunningverlening voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten worden meegenomen.
De SERV en de Minaraad merken op dat hemelwater ook door contact met een overdekte constructie vervuild kan geraken. (SERV-Minaraad p. 15) De gevallen waarin dit zou voorvallen zijn echter zeer beperkt: bv. door een volledige woning te voorzien van een loden dak. De vragen die zich hierbij stellen, spelen eerder op vergunningenvlak dan als algemene regel bij de hemelwaterverordening.
Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen Artikel 5(Ingebruikname) Uiterlijk bij de ingebruikname van de overdekte constructie of de verharding, moet de hemelwaterput, de infiltratie- of buffervoorziening of de vertraagde afvoer in gebruik worden genomen.
Vanaf dan moet de hemelwaterput, de infiltratie- of buffervoorziening of de vertraagde afvoer in gebruik blijven.
Bij een uitbreiding van een reeds bestaande constructie of verharding, zal men de uitbreiding pas in gebruik mogen nemen na de plaatsing van de hemelwaterput, infiltratie- of buffervoorziening of de vertraagde afvoer.
Aan dit artikel is een passage toegevoegd dat de voorzieningen als een goede huisvader/moeder moeten onderhouden worden. Een hemelwaterput of infiltratievoorziening werkt immers maar afdoende wanneer ze goed onderhouden wordt.
Tips voor het onderhoud van de installaties (hemelwaterput, toestellen hergebruik) of om bv. geurhinder te voorkomen - kunnen, omwille van hun technische aard, worden opgenomen in het achtergronddocument.
Ten opzichte van de Hemelwaterverordening van 2013 is de oplijsting geschrapt over de elementen die op de plannen moeten staan.
Daarnaast is dit vandaag de dag reeds opgenomen in het normenboek van departement Omgeving en zouden dossiers in principe niet volledig mogen verklaard worden als de gevraagde gegevens niet of niet correct zijn opgenomen. Het zal er dus vooral op aankomen om vergunningverleners hierop te wijzen om een betere toepassing af te dwingen. Het behoud van deze oplijsting op deze locatie heeft alleszins geen meerwaarde meer.
Op de vraag van de SERV-Minaraad om de ingebruikname van alle opgelegde voorzieningen te verplichten (door gebruik van het woord `en' in plaats van `of') wordt niet ingegaan. Het is immers niet zo dat de drie mogelijke voorzieningen ook altijd in elk geval van toepassing zijn. Legistiek gezien wordt het voegwoord `of' gebruikt als men 'of x, of y, of allebei' bedoelt. Het voegwoord `of' sluit de betekenis van `en' niet uit. (SERV-Minaraad p.15) Artikel 6(Verhouding met afvalwater) Dit artikel bevat de verplichting van gescheiden afvoer van hemelwater en afvalwater.
Voor wat verstaan moet worden onder afvalwater wordt aangesloten bij de definitie van VLAREM. Pro memorie: - "afvalwater" : het verontreinigde water waarvan men zich ontdoet, zich moet ontdoen of de intentie heeft zich van te ontdoen, met uitzondering van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen;
Dit artikel omvat geen belangrijke wijzigingen. Er wordt enkel wel verduidelijkt wat er in dit artikel (en enkel in dit artikel) met bestaande gebouwen wordt bedoeld, namelijk deze bebouwing die reeds aanwezig was voor de vorige verordening uit 2004 in voege was getreden.
Aldus is deze bepaling afgest …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.