← België

Decreet betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffe

Kort samengevat

Dit decreet regelt de organisatie van het voltijds hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap om de integratie in de Europese hogeronderwijsruimte te bevorderen en de herfinanciering van universiteiten te regelen. Het stelt algemene doelstellingen, opdrachten en definities vast voor het hoger onderwijs.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
31 MAART 2004. - Decreet betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten (1) Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Deel 1. - Gemeenschappelijke bepalingen TITEL I. - Doelstellingen en opdrachten van het hoger onderwijs Artikel 1.Dit decreet betreft het voltijds hoger onderwijs in de zin van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. Het omvat het universitair onderwijs en het hoger onderwijs buiten de universiteit, verstrekt als voltijds onderwijs. Dit decreet betreft eveneens de corresponderende studies georganiseerd door de instellingen voor sociale promotie die titels en graden verlenen die gelijkwaardig zijn aan deze van het voltijds hoger onderwijs. Art. 2.Het hoger onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd, streeft gelijktijdig en zonder rangorde van belangrijkheid de volgende algemene doelstellingen na : 1° de studenten begeleiden in hun rol van verantwoordelijke burgers, die kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van een democratische, pluralistische en solidaire gemeenschap;2° de zelfstandigheid en ontplooiing van de studenten bevorderen, met name door hun wetenschappelijke en artistieke nieuwsgierigheid, hun kritische zin en hun zin voor verantwoordelijkheid en individuele en collectieve plichten te ontwikkelen;3° zowel door middel van de inhoud van het onderwijs als door de andere door de instelling georganiseerde activiteiten de humanistische waarden, de creatieve en innoverende tradities overdragen, evenals het cultureel, artistiek, wetenschappelijk, filosofisch en politiek patrimonium, de historische grondslag van dit onderwijs, en dit met respect voor de specificiteit van elk individu;4° een opleiding op het hoogste niveau garanderen, zowel algemeen als specialistisch, zowel fundamenteel en conceptueel als praktisch, om de studenten in staat te stellen een actieve rol te spelen in het professioneel, sociaal, economisch en cultureel leven en hen gelijke kansen tot sociale emancipatie te bieden;5° permanent topcompetenties ontwikkelen, die de studenten de waarborg bieden hun deugdelijkheid in stand te houden, zelfstandig of in het kader van een levenslange permanente opleiding;6° deze initiële en aanvullende opleidingen kaderen in een wetenschappelijk, artistiek, professioneel en cultureel perspectief, door docenten, studenten en afgestudeerden aan te sporen tot mobiliteit en intercommunautaire en internationale samenwerking. Naargelang van de disciplines zet het hoger onderwijs de gepaste methoden en middelen in om de aangehaalde algemene doelstellingen te bereiken en het hoger onderwijs voor iedereen volgens zijn geschiktheid en zonder discriminatie toegankelijk te maken. De Franse Gemeenschap maakt haar erkenning van de studies en haar subsidiëring van de organiserende instellingen afhankelijk van de naleving van deze doelstellingen en de andere bepalingen van dit decreet. Art. 3.Om deze algemene doelstellingen te respecteren eist het hoger onderwijs van zijn onderwijzend personeel pedagogische kwaliteiten en specifieke en geactualiseerde competenties met een rechtstreekse link naar de bronnen van creativiteit, kritische zin, ontwikkeling en evolutie van de kennis, de kunst en de filosofie. Hiervoor nemen de organiserende instellingen - volgens hun middelen en conform hun specificiteit - de volgende bijkomende opdrachten op zich : 1° een initiële en voortgezette opleiding met hoge kwaliteit aanbieden, in overeenstemming met hun bevoegdheid en aldus de door hun afgestudeerden verworven competentie en kennis bekrachtigen;2° deelnemen aan onderzoeks- en/of creatieve activiteiten in hun discipline;3° diensten voor de gemeenschap verzekeren, met name door samenwerking met de educatieve, sociale, economische en culturele wereld. De instelling bepaalt de specifieke activiteiten van alle leden van haar personeel, die overeenstemmen met deze opdrachten. Naargelang van de vorm en het type hoger onderwijs zijn deze opdrachten relatief meer of minder belangrijk en kunnen ze op verschillende manieren worden geconcretiseerd, in overeenstemming met de specificiteit van de instelling. Deze verschillende opdrachten van het hoger onderwijs hebben een dimensie van uitwisseling en samenwerking op internationaal en intercommunautair vlak, evenals binnen de Franse Gemeenschap. Art. 4.Het hoger onderwijs heeft tot doel afgestudeerden te vormen die aan deze algemene doelstellingen voldoen. Naargelang van de disciplines worden deze doelstellingen bereikt na initiële opleidingen die onder één van de volgende types vallen : 1° het hoger onderwijs van het korte type dat op pedagogisch vlak theorie, praktijk en stages in het beroepsmilieu of in het laboratorium nauw verweeft en zo beantwoordt aan precieze professionele doelstellingen;het wordt buiten de universiteit georganiseerd; 2° het hoger onderwijs van het lange type dat uitgaat van fundamentele concepten, experimenteren en illustreren, en zo een algemene en grondige opleiding biedt;het wordt georganiseerd in universitaire instellingen en instellingen buiten de universiteit. Het universitair onderwijs is per definitie gebaseerd op een nauwe band tussen wetenschappelijk onderzoek en de onderwezen materie. De universitaire instellingen hebben de specifieke zending fundamenteel en toegepast wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Het hoger onderwijs buiten de universiteit is gericht op een hoge professionele of artistieke kwalificatie. De instellingen die dit onderwijs organiseren, vervullen de aan hun onderwijs gekoppelde opdracht van toegepast onderzoek in nauwe relatie met de professionele of artistieke kringen of in samenwerking met de universitaire instellingen. Art. 5.Het hoger onderwijs is bestemd voor een volwassen en gemotiveerd publiek. Het past aan dit kenmerk en aan zijn doelstellingen aangepaste didactische methoden toe. Meer in het bijzonder steunt deze pedagogie op collectieve of individuele activiteiten, rechtstreeks of onrechtstreeks geleid door docenten, maar eveneens op persoonlijk en zelfstandig werk van de studenten. Deze methodologie berust logischerwijze op de uiteindelijke competentie en gemeenschappelijke kennis vereist op het einde van het onderwijs dat er toegang tot verleent. TITEL II. - Organisatie van de studies HOOFDSTUK I. - Definities en algemene concepten Art. 6.§ 1. Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, wordt verstaan onder : Academie : universitaire instelling ontstaan door associatie van universiteiten. Toelating : proces van de controle of een student voldoet aan de voorwaarden om een bepaalde studiecyclus aan te vatten. De toelating wordt bekrachtigd door de effectieve inschrijving voor de studies. Academische overheid : de instanties die in elke instelling bevoegd zijn voor de organisatie van het onderwijs, toegekend door het decreet. Bachelor : academische graad ter bekrachtiging van de studies van de eerste cyclus die minstens 180 studiepunten vertegenwoordigen. Getuigschrift : document ter bevestiging van het met goed gevolg voltooien van een opleiding en de eventuele toekenning van de bijhorende studiepunten, zonder een academische graad te verlenen. Studiepunt : eenheid die overeenstemt met de tijd die de student binnen een studieprogramma aan een studieactiviteit binnen een bepaalde discipline heeft besteed. Studiepunten worden de student toegekend na gunstige beoordeling van de verworven competentie en kennis. Curriculum : studies die tot een bepaalde academische graad leiden. Een curriculum kan over een of meerdere studiecycli lopen. Cyclus : opeenvolging van studiejaren die tot een academische graad leiden. Het hoger onderwijs is in drie cycli georganiseerd. Diploma : document dat bevestigt dat de betrokkene conform de bepalingen van dit decreet geslaagd is voor de studies en de academische graad die als afronding van deze studies wordt verleend. Studiegebied : tak van de kennis die overeenstemt met een of meerder curricula, categorie genoemd in het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen. Doctoraat : derde universitaire cyclus die leidt tot de academische graad van doctor, verleend na verdediging van een proefschrift. Deze cyclus vertegenwoordigt globaal minstens 180 studiepunten, verkregen na een initiële opleiding van minstens 300 studiepunten bekrachtigd met een academische graad van master. Doctoraatsschool : onderzoeks- en onderwijsstructuur georganiseerd door een of meerdere academies samen, met de opdracht een doctoraatsopleiding in een of meerdere studiegebieden te ontplooien. Hoger onderwijs : het in dit decreet bedoelde onderwijs. Gelijkstelling : proces - conform de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's en certificaten - om voor een student zijn competentie en kennis, bekrachtigd door een of meerdere buitenlandse titels, studiecertificaten of diploma's, gelijk te stellen met deze vereist na studies in onze instellingen voor hoger onderwijs. Deze gelijkstelling wordt bekrachtigd met een officieel document afgeleverd door de bevoegde instantie. Instelling voor hoger onderwijs : instelling die een door dit decreet erkend hoger onderwijs verstrekt. Naargelang van de studiesector waarvoor deze instellingen bevoegd zijn, betreft het universitaire instellingen, hogescholen, kunsthogescholen, architectuurhogescholen of universitaire academies. NFWO : Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, zoals erkend in artikel 47 van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen. Academische graad : titel die overeenstemt met het niveau bereikt binnen een door dit decreet erkend curriculum, bekrachtigd met een diploma. Binnen het lange type worden de academische graden van de eerste cyclus overgangsgraden genoemd. Bevoegdheid : bij decreet aan een instelling voor hoger onderwijs verleende toelating om een volledig studieprogramma of een deel van een studieprogramma te organiseren, een academische graad te verlenen en de bijhorende getuigschriften en diploma's uit te reiken. Jury : onverminderd andere wetgeving, betreffende de bepalingen van dit decreet, de academische instantie in hoofdzaak belast met de evaluatie van de competentie en kennis, met de bekrachtiging en de organisatie van de corresponderende proeven. Master : academische graad ter bekrachtiging van de studies van de tweede cyclus, georganiseerd aan de universiteit of in de instelling van het lange type, gelijkgesteld met het universitair onderwijs, krachtens de bepalingen van dit decreet of vroegere bepalingen, die ten minste 60 studiepunten vertegenwoordigen na een initiële opleiding van minstens 180 studiepunten. Bijkomende master : academische graad ter bekrachtiging van universitaire studies van de tweede cyclus die overeenstemmen met een bijzondere professionele kwalificatie, na een opleiding van minstens 60 studiepunten, verkregen na een initiële opleiding van minstens 300 studiepunten bekrachtigd met een graad van master. Vermelding : beoordeling door een jury van de kwaliteit van het werk van een student, wanneer de jury een academische graad verleent of het met goed gevolg voltooien van een studiejaar bekrachtigt. Brug : academisch proces waarbij een student toelating krijgt zijn studies in een ander curriculum of in een andere studie voort te zetten. Studieprogramma : geheel van de studieactiviteiten die de studies vormen. Het programma preciseert de tijdelijke organisatie in studiejaren en bijhorende studiepunten. Viermaandelijks tijdvak : opdeling van het academiejaar in periodes van ongeveer vier maanden. Type : het geheel van de kenmerken van een hogere opleiding gerelateerd aan haar professionele finaliteit, haar pedagogische methoden en het aantal cycli initiële opleiding. Het hoger onderwijs van het korte type omvat één cyclus; het hoger onderwijs van het lange type omvat twee basiscycli. Valorisatie van de verworven kennis : proces van de evaluatie en erkenning van de kennis en competentie van een kandidaat in het kader van de toelating tot de studies. Art. 7.Alleen de instellingen die bevoegd zijn om onderwijs te verstrekken dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd, mogen in het Franstalige landsgedeelte de naam universiteit, faculteit, universitaire academie, hogeschool, architectuurhogeschool of kunsthogeschool dragen, evenals in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wanneer ze onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap vallen. Het adjectief universitair' is voorbehouden om de organen of structuren van deze instellingen aan te duiden. Alleen deze instellingen mogen de in dit decreet bepaalde academische graden en titels verlenen, evenals de instellingen voor sociale promotie in de mate dat ze gelijkwaardige titels hoger onderwijs verlenen in de zin van artikel 4 van het decreet van 27 februari 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/02/2003 pub. 11/06/2003 numac 2003029252 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van de academische graden uitgereikt door de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en tot vaststelling van de minimale uurregelingen type decreet prom. 27/02/2003 pub. 17/04/2003 numac 2003029202 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de radio-omroep type decreet prom. 27/02/2003 pub. 11/04/2003 numac 2003029191 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot wijziging van de bepalingen aangaande de studies van de sector van de gezondheidswetenschappen in het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden en in de wet van 27 juli 1971 op de financiering van en het toezicht op de universitaire instellingen sluiten tot vaststelling van de academische graden uitgereikt door de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, en tot vaststelling van de minimale uurregelingen, of vroegere bepalingen. Art. 8.Behoudens door de wet of het decreet bepaalde uitzonderingen erkent de Franse Gemeenschap alleen de graden, titels en diploma's van het hoger onderwijs afgeleverd krachtens een decreet of als gelijkwaardig erkend. De door deze diploma's bekrachtigde opleidingen worden erkend door de Franse Gemeenschap krachtens de bij decreet aan deze instellingen toegekende bevoegdheden. Art. 9.De instellingen voor hoger onderwijs moeten de opvolging en het kwaliteitsbeheer verzekeren van alle opdrachten die ze vervullen. Meer in het bijzonder moeten de instellingen voor hoger onderwijs voor hun opleidingsopdracht eveneens de bepalingen van het decreet van 14 november 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/11/2002 pub. 07/12/2002 numac 2002029570 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot oprichting van het Agentschap voor de evaluatie van de kwaliteit van het hoger onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten betreffende de oprichting van een agentschap voor de evaluatie van de kwaliteit van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hoger onderwijs, en zijn toepassingsbesluiten naleven. HOOFDSTUK II. - Instellingen voor hoger onderwijs Art. 10.De volgende instellingen worden als universiteiten beschouwd : 1° de Universiteit van Luik;2° de Katholieke Universiteit van Leuven;3° de Vrije Universiteit van Brussel;4° de Universiteit van Bergen-Henegouwen;5° de Universitaire Faculteit van Landbouwwetenschappen van Gembloers;6° de Universitaire Faculteiten Notre-Dame de la Paix van Namen;7° de Polytechnische Faculteit van Bergen;8° de Universitaire Faculteiten Saint-Louis van Brussel;9° de Katholieke Universitaire Faculteiten van Bergen. Art. 11.De instellingen opgericht in toepassing van artikel 3 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen worden beschouwd als hogescholen. Art. 12.Worden beschouwd als kunsthogescholen, de instellingen bedoeld in het decreet van 17 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 17/05/1999 pub. 29/10/1999 numac 1999029643 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende het hoger kunstonderwijs sluiten betreffende het hoger kunstonderwijs, met name artikel 24, en het decreet van 20 december 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/2001 pub. 03/05/2002 numac 2002029138 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (1) type decreet prom. 20/12/2001 pub. 31/01/2002 numac 2002029065 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van de inspectiedienst van de Franse Gemeenschap voor het gewoon kleuteronderwijs, het gewoon lager onderwijs en het gewoon basisonderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten betreffende de specifieke regels voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in kunsthogescholen (organisatie, financiering, omkadering, personeelsstatuut, rechten en plichten van de studenten). Art. 13.Worden beschouwd als architectuurhogescholen, de instellingen bedoeld in de wet van 18 februari 1977 betreffende de inrichting van het hoger architectuuronderwijs. HOOFDSTUK III. - Structuur en minimumduur van de studies Art. 14.§ 1. De hogere studies worden georganiseerd in drie cycli. De initiële curricula omvatten een of twee studiecycli, naargelang van het type onderwijs. De specialisatiestudies vervolledigen de initiële opleiding van een gediplomeerde in zijn vakgebied, met name wanneer bijzondere voorwaarden voor de toelating tot het beroep dit vereisen. De studies van de derde cyclus worden uitsluitend in samenwerking georganiseerd in universitaire academies. Ze omvatten de doctoraatsopleidingen en werken ter voorbereiding van een doctoraatsthesis. De aanvullende studies hebben tot doel de initiële opleiding aan te vullen of te verruimen, in hetzelfde studiegebied of in een ander studiegebied. De studies georganiseerd overeenkomstig het decreet van 8 februari 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/02/2001 pub. 22/02/2001 numac 2001029120 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van de initiële opleiding van de geaggregeerden voor het hoger secundair onderwijs sluiten betreffende de initiële opleiding van de geaggregeerden van het hoger secundair onderwijs blijven georganiseerd in de instellingen die hiervoor bevoegd waren. Ze zijn toegankelijk voor de houders van de academische graad van master in de zin van dit decreet en vertegenwoordigen 30 studiepunten. Ze leiden tot de academische graad van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs. § 2. De voortgezette opleidingen hebben tot doel de competentie van de gediplomeerden van het hoger onderwijs levenslang te actualiseren of perfectioneren. § 3. De instellingen voor hoger onderwijs mogen eveneens andere opleidingen organiseren die niet tot een van deze categorieën behoren. Ze worden niet door een academische graad bekroond en leiden niet tot een diploma. Voor deze opleidingen, dragen de aan de studenten gevraagde inschrijvingsgelden, de eventuele specifieke financieringen en de door de instelling uit eigen patrimonium bestede middelen bij om de kosten voor de organisatie van dit onderwijs te dekken. Art. 15.De curricula van het korte type worden georganiseerd in één beroepsgerichte cyclus. Ze omvatten 180 tot 240 studiepunten die worden behaald in respectievelijk minstens drie tot vier studiejaren en worden bekrachtigd met de academische graad van bachelor. Art. 16.§ 1. De curricula van het lange type worden georganiseerd in twee cycli : een eerste overgangscyclus gevolgd door een tweede beroepsgerichte cyclus. § 2. De eerste overgangscyclus omvat 180 studiepunten die in minstens drie studiejaren dienen behaald te worden. Hij wordt bekroond met de academische graad van bachelor. § 3. Na deze eerste overgangscyclus leidt de tweede cyclus tot een van de volgende academische graden : 1° ofwel de academische graad van master na het behalen van 60 of 120 studiepunten, die respectievelijk in minstens één of twee studiejaren dienen behaald te worden;2° ofwel de academische graad van arts of dierenarts na het behalen van 240 of 180 studiepunten, die respectievelijk in vier of drie studiejaren dienen behaald te worden;voor alle andere bepalingen worden deze academische graden gelijkgesteld met de graad van master. § 4. De masterstudies van de tweede cyclus van 120 studiepunten of meer omvatten minstens een keuze van 30 specifieke studiepunten die deze opleiding een van de volgende finaliteiten verleent : 1° De didactische finaliteit die de specifieke pedagogische opleiding bevat in toepassing van het decreet van 8 februari 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/02/2001 pub. 22/02/2001 numac 2001029120 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van de initiële opleiding van de geaggregeerden voor het hoger secundair onderwijs sluiten betreffende de initiële opleiding van de geaggregeerden voor het hoger secundair onderwijs of van het decreet van 17 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 17/05/1999 pub. 29/10/1999 numac 1999029643 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende het hoger kunstonderwijs sluiten betreffende het hoger kunstonderwijs.Ze wordt slechts georganiseerd voor de academische graden die overeenstemmen met de voor dit beroep vereiste titels. 2° De grondige finaliteit die voorbereidt op wetenschappelijk onderzoek;ze omvat zowel grondig onderwijs in een bijzondere discipline als een algemene opleiding voor het beroep van de onderzoeker. Deze optie wordt slechts georganiseerd voor de universitaire studiegebieden bedoeld in artikel 31. 3° Een gespecialiseerde finaliteit in een bijzondere discipline van het gebied waarop het curriculum betrekking heeft, die gericht is op bijzondere professionele of artistieke competenties. De instellingen voor hoger onderwijs organiseren een of meerdere finaliteiten, eventueel meerdere verschillende gespecialiseerde finaliteiten. Art. 17.§ 1. De curricula van de derde cyclus omvatten de doctoraatsopleiding en de werken ter voorbereiding van een doctoraatsproefschrift. § 2. De doctoraatsopleidingen worden omkaderd door teams geassocieerd in een erkende doctoraatsschool die tot een of meerdere universitaire academies behoort. Ze zijn gekoppeld aan de specifieke competenties van de onderzoeksteams en verlenen diploma's met een hoge wetenschappelijke en professionele kwalificatie. Deze opleidingen van 60 studiepunten worden bekrachtigd met een opleidingscertificaat voor onderzoek. § 3. De academische graad van doctor wordt verleend na verdediging van een proefschrift waaruit het vermogen tot creatie van nieuwe wetenschappelijke kennis en tot verspreiding van de resultaten van de geslaagde blijken. De doctoraatsproef bestaat uit : 1° de opstelling van een originele dissertatie in de vorm van een persoonlijk proefschrift of een essay van de kandidaat waaruit het belang van een coherent geheel van publicaties en realisaties blijkt waarvan de kandidaat de auteur of een medeauteur is;2° de openbare voorstelling van dit werk om de kwaliteiten, originaliteit evenals het vermogen van de kandidaat op het vlak van wetenschappelijke vulgarisatie aan te tonen. De werken voor de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift vertegenwoordigen forfaitair minstens 180 studiepunten na een initiële opleiding van minstens 300 studiepunten bekrachtigd met een academische graad van master. Van die 300 studiepunten mogen 60 studiepunten worden behaald tijdens een doctoraatsopleiding zoals beschreven in de vorige paragraaf. Art. 18.Na een initiële opleiding van minstens 300 studiepunten bekrachtigd met de academische graad van master, kunnen de studies van de tweede cyclus leiden tot de academische graad van bijkomende master na het behalen van - naargelang van het studieprogramma - minstens 60 bijkomende studiepunten die in minstens één studiejaar kunnen worden verworven. Deze opleidingen zijn bedoeld om een gespecialiseerde professionele kwalificatie te verwerven die overeenstemt met minstens een van de volgende finaliteiten : 1° toelating verstrekken tot de uitoefening van bepaalde beroepen in de gezondheidssector, met eerbiediging van de corresponderende wettelijke bepalingen;2° voldoen aan de behoeften inzake specifieke opleiding in het kader van programma's voor ontwikkelingssamenwerking;3° toegang verstrekken tot de door de wet vereiste bijzondere titels en graden of tot de bijzondere en erkende competenties van de onderzoeks- en onderwijsteams, met een origineel, uniek en specifiek karakter in de Franse Gemeenschap. Bijlage IV van dit decreet bevat de lijst van de met punt 3 hierboven overeenstemmende studies, en is een wezenlijk onderdeel van dit decreet. Art. 19.De bijkomende studies leiden niet tot een academische graad. Ze bieden echter wel de mogelijkheid studenten studiepunten toe te kennen, wanneer ze dezelfde criteria inzake organisatie, inhoud en kwaliteit toepassen als de studies die tot academische graden leiden. Deze bijkomende studies komen niet in aanmerking voor de financiering in de zin van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen, van het decreet van 9 september 1996 betreffende de financiering van de hogescholen georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, van deel 3 van het decreet van 20 december 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/2001 pub. 03/05/2002 numac 2002029138 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (1) type decreet prom. 20/12/2001 pub. 31/01/2002 numac 2002029065 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van de inspectiedienst van de Franse Gemeenschap voor het gewoon kleuteronderwijs, het gewoon lager onderwijs en het gewoon basisonderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten betreffende de specifieke regels voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in kunsthogescholen (organisatie, financiering, omkadering, personeelsstatuut, rechten en plichten van de studenten) of van de wet van 18 februari 1977 betreffende de inrichting van het hoger architectuuronderwijs. Art. 20.De instellingen voor hoger onderwijs mogen permanente opleidingen organiseren bestemd voor gediplomeerden van het hoger onderwijs of houders van gelijkwaardige titels. Deze opleidingen streven een of meer van de volgende doelstellingen na : 1° De kennis van de gediplomeerden actualiseren, met name in het licht van het bijzonder professioneel profiel van de studenten.2° Hun kennis en competentie in een of andere discipline perfectioneren of specialiseren, in hetzelfde studiegebied als hun initiële diploma of in een ander gebied.Tot deze categorie behoren de opleidingen voor professionele wederopname. 3° Hun opleiding rechtstreeks gericht op hun huidige of toekomstige professionele activiteit vervolledigen en verankeren. Slagen in deze opleidingen wordt niet bekrachtigd met een academische graad. Ze bieden echter wel de mogelijkheid studenten studiepunten toe te kennen, die corresponderen met het met succes gevolgde onderwijs, wanneer ze dezelfde criteria inzake organisatie, inhoud en kwaliteit toepassen als de studies die tot academische graden leiden. Deze bijkomende studies komen niet in aanmerking voor de financiering in de zin van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen, van het decreet van 9 september 1996 betreffende de financiering van de hogescholen georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, van deel 3 van het decreet van 20 december 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/2001 pub. 03/05/2002 numac 2002029138 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (1) type decreet prom. 20/12/2001 pub. 31/01/2002 numac 2002029065 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van de inspectiedienst van de Franse Gemeenschap voor het gewoon kleuteronderwijs, het gewoon lager onderwijs en het gewoon basisonderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten betreffende de specifieke regels voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in kunsthogescholen (organisatie, financiering, omkadering, personeelsstatuut, rechten en plichten van de studenten) of van de wet van 18 februari 1977 betreffende de organisatie van het hoger architectuuronderwijs. De Regering kan echter specifieke financieringsregels vaststellen voor bepaalde permanente opleidingen. HOOFDSTUK IV. - Organisatie van het onderwijs Afdeling 1. - Studieactiviteiten Art. 21.§ 1. De administratieve taal van de instellingen voor hoger onderwijs is het Frans. § 2. De taal voor het onderwijs en de evaluatie van de studieactiviteiten is het Frans. Toch kunnen bepaalde activiteiten in een andere taal worden georganiseerd en geëvalueerd, a rat° van een vijfde van de studiepunten, behalve voor het eerste jaar, en de helft van de studiepunten in de tweede cyclus. Het onderwijs van vreemde talen, de eindwerken en de activiteiten voor beroepsintegratie evenals de activiteiten die samen met instellingen buiten de Franse Gemeenschap worden georganiseerd, worden niet in aanmerking genomen. De student moet bij zijn inschrijving voor de betrokken studiecyclus hierover worden geïnformeerd. Bepaalde studieprogramma's mogen echter een groter aantal in een vreemde taal georganiseerde studieactiviteiten en evaluaties omvatten, voor zover deze activiteiten - als ze verplicht zijn - ook in het Frans worden georganiseerd. Art. 22.De leeractiviteiten omvatten : 1° het door de instelling georganiseerde onderwijs, met name de hoorcolleges, geleide oefeningen, praktische werken, laboratoriumwerken, seminaries, creatieve oefeningen en onderzoek in atelier, excursies, bezoeken en stages;2° individuele of groepsactiviteiten, met name voorbereidingen, werken, opzoeken van informatie, eindwerken en projecten;3° studieactiviteiten, zelfvorming en persoonlijke verrijking. Al deze activiteiten kunnen geëvalueerd en in studiepunten gevaloriseerd worden. Art. 23.Elk onderricht binnen een studieprogramma omvat een of meerdere studieactiviteiten. Het heeft de volgende kenmerken : 1° identificatie, bijzondere benaming, discipline;2° beschrijving van de doelstellingen, inhoud en middelen, referenties en eventuele ondersteuning;3° cyclus en studiejaar waarop het betrekking heeft, evenals het niveau, wanneer voorkennis vereist is;4° verplicht of facultatief karakter binnen het programma of de opties;5° de gegevens van de dienst van de docent verantwoordelijk voor de organisatie, en voor zijn evaluatie;6° de organisatie, met name het aantal uren, de site en de periode van het academiejaar;7° de beschrijving van de bijzondere activiteiten, de toegepaste onderwijsmethoden en studiemethoden;8° de evaluatiewijze en relatieve weging van de verschillende activiteiten;9° de taal van het onderwijs en van de evaluatie;10° de toewijzing van de bijhorende studiepunten. De studiepunten toegekend aan een onderricht binnen een studieprogramma worden uitgedrukt in volledige cijfers, uitzonderlijk in halve punten. Een onderricht mag nooit leiden tot minder dan 2 punten of meer dan 30 studiepunten. Binnen een studieprogramma kan de evaluatie van een materie afgewogen worden met het oog op deliberatie door de jury. Deze afweging is eveneens aangeduid. Afdeling II. - Studieritme Art. 24.§ 1. Het academiejaar beslaat een periode van één jaar dat begint op 15 september. Voor de wetgeving met betrekking tot het personeelsstatuut eindigt het academiejaar echter op 30 september. Alle studieactiviteiten, alle bijhorende evaluaties en deliberaties inbegrepen, vinden plaats tijdens het academiejaar waarop ze betrekking hebben. Omwille van de organisatie van de studieprogramma's wordt het academiejaar onderverdeeld in drie periodes van vier maanden die evaluatieperiodes en vakanties omvatten. De academische overheid bepaalt elk jaar het begin en het einde van elke periode van vier maanden. Om de mobiliteit van de studenten en docenten binnen de Franse Gemeenschap te bevorderen, kan de Regering bijkomende voorwaarden stellen met betrekking tot de vaststelling van deze academische kalender. § 2. De studieactiviteiten van de curricula die leiden tot een academische graad van de eerste of tweede cyclus zijn verdeeld over de eerste twee periodes van vier maanden van het academiejaar, met uitzondering van bepaalde evaluaties of activiteiten van professionele integratie. De eerste twee periodes van vier maanden bestaan uit minstens 12 weken activiteiten en mogen vier maanden niet overschrijven. Na afloop van elke periode van vier maanden wordt een evaluatieperiode ingelast. De derde periode van vier maanden omvat evaluatieperiodes, evenals activiteiten voor professionele integratie of persoonlijk werk. § 3. Als uitzondering op de bepalingen van dit artikel mogen de academische overheden - onverminderd de andere bepalingen inzake voorwaardelijke inschrijving - wegens overmacht en deugdelijk gemotiveerd, een evaluatieperiode van een student in de derde periode van vier maanden tot na het einde van het academiejaar verlengen, maar niet later dan 14 november volgend op het academiejaar. § 4. De studieactiviteiten van de studies van de derde cyclus en de andere opleidingen mogen over de drie periodes van vier maanden van een academiejaar worden gespreid. Art. 25.Onverminderd andere wetgeving worden de studieactiviteiten, met uitzondering van de activiteiten voor professionele integratie, niet op zondag, noch op wettelijke feestdagen noch op 27 september georganiseerd. De academische overheid of de inrichtende machten van het hoger onderwijs mogen andere dagen eigen aan de instelling vaststellen waarop de activiteiten worden geschorst. Art. 26.§ 1 Naast de werkzaamheden in verband met de voorbereiding van een proefschrift, beantwoordt een studiejaar aan 60 studiepunten die kunnen worden gevolgd tijdens een academiejaar. § 2 Het studiepunt is een relatieve maat voor het geheel aan werkzaamheden van een student voor één of meerdere leeractiviteiten binnen een studieprogramma. Een studiepunt komt forfaitair overeen met 24 uur leeractiviteiten. Dit aantal uren wordt slechts gedeeltelijk gewijd aan onderwijs dat rechtstreeks wordt georganiseerd door de instelling, maar houdt ook andere hiermee verbandhoudende activiteiten in zoals taken, persoonlijke oefeningen, voorbereidingen, studies, projecten, het zoeken naar documentatie, proeven,... De activiteiten voor het op peil brengen, voor remediëring, voor zelfvorming en persoonlijke verrijking maken geen deel uit van een schatting aan studiepunten binnen een studieprogramma en worden dus niet begrepen in deze definitie van de jaarlijkse werklast van een student. Deze activiteiten kunnen echter, naargelang de voorwaarden vastgelegd door de academische overheden, naar waarde worden geschat door de examencommissie binnen de context van een toelatingsprocedure voor studies. Art. 27.Geen enkele student kan deelnemen aan leeractiviteiten of kan zich aanbieden voor evaluaties en examens georganiseerd door een instelling, of overeenstemmende studiepunten toegewezen krijgen, voor een onderricht waarvoor hij niet rechtmatig is ingeschreven voor het academiejaar. HOOFDSTUK V. - Mobiliteit en samenwerkingen Art. 28.Studenten die zijn ingeschreven in een instelling voor hoger onderwijs met als doel het behalen van een academische graad, volgen de activiteiten en voeren de taken uit die in hun studieprogramma voorkomen en die worden georganiseerd door de instelling. Ze leggen er de proeven en examens af over hun studieprogramma. De overeenkomsten gesloten met andere Belgische of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs, alsook met de Koninklijke Militaire School, kunnen echter voorzien dat sommige van deze cursussen en werken zullen worden georganiseerd door deze andere instellingen en dat de examens over deze leerstof eveneens zullen worden uitgevoerd in deze instellingen, conform de geldende regels. Ze kunnen ook het uitwisselen van personeelsleden voorzien. De buitenlandse instellingen waarmee deze conventies kunnen worden afgesloten, moeten erkend zijn door hun bevoegde autoriteiten op het gebied van hoger onderwijs, moeten curricula organiseren of deelnemen aan de organisatie van curricula en moeten graden afleveren die minstens gelijk zijn aan een graad van de eerste cyclus, zoals wordt beoogd door dit decreet. Art. 29.§ 1. In het kader van hun opdrachten ontwikkelen de instellingen voor hoger onderwijs partnerschappen onderling, alsook met andere instellingen of rechtspersonen uit de wereld van de wetenschappen, het onderwijs, de cultuur en uit het beroepsleven. Ze kunnen samenwerkingsovereenkomsten sluiten met deze partners. § 2. De instellingen voor hoger onderwijs kunnen onderling samenwerkingsovereenkomsten sluiten voor de organisatie van studies vallende onder de domeinen waarvoor zij bevoegd zijn en voor de samenvoeging van de academische graden die deze bekrachtigen. De instellingen mogen het diploma dat deze academische graad bekroont samen afleveren. § 3. De gekozen partners kunnen Belgisch of buitenlands zijn. Voor overeenkomsten op het gebied van onderwijs moeten de partnerinstellingen erkend zijn door hun autoriteiten bevoegd op het gebied van hoger onderwijs. Art. 30.De instellingen voor hoger onderwijs moedigen de uitwisseling van studenten en van personeelsleden aan in het kader van de overeenkomsten voorzien in de voorgaande artikelen. Deel II. - Bijzondere bepalingen voor de universiteiten TITEL III. - Het onderwijs aan de universiteit HOOFDSTUK I. - Academische graden en bevoegdheden Afdeling 1. - Academische graden Art. 31.De universitaire studies worden georganiseerd binnen de volgende domeinen : filosofie; theologie; taal- en letterkunde; geschiedenis, kunst en archeologie; architectuur en urbanisme; informatie en communicatie; Politieke en sociale wetenschappen; rechten; criminologie; economische wetenschappen en management; psychologische en pedagogische wetenschappen; geneeskunde; gierengeneeskunde; andheelkunde;b iomedische en farmaceutische wetenschappen; wetenschappen van de motoriek; wetenschappen; landbouwkunde en biologisch ingenieur; ingenieur. En daarnaast, voor de organisatie van de doctorale opleidingen in samenwerking met de scholen voor hoger kunstonderwijs : Kunst en kunstwetenschappen De werkzaamheden in verband met de voorbereiding van een proefschrift worden, naar gelang de doctorale school die de opleiding verstrekt, binnen één of meerder studiedomeinen geklasseerd. De andere opleidingsactiviteiten georganiseerd door de universiteiten kunnen eveneens worden verbonden met een studiedomein. Art. 32.§ 1. Met uitzondering van de graad doctor, omvat elke academische graad een generische benaming - bachelor, master, arts, dierenarts, bijkomende master - en een kwalificatie samengesteld uit de volgende elementen : 1° de titel van de cursus, voorafgegaan door : « of het woord « in » of « ès »;2° de richting eventueel voorafgegaan door « richting »;3° de finaliteit eventueel gevolgd of voorafgegaan door « met finaliteit », voor de academische graad van master als bekroning van een tweede cyclus van minstens 120 studiepunten. Voor universitaire studies van de derde cyclus is de titel de naam van de erkende doctorale school die de omkadering verzorgde en het (de) onderzoeksdomein(en). De graad van doctor wordt verduidelijkt door de titel van het verdedigde proefschrift. § 2. De richting en de eventuele opties preciseren de inhoud van het studieprogramma dat wordt bekroond met de academische graad die aan deze studies een bijzondere finaliteit geeft. Een richting geeft een specificiteit aan het programma van de studiecyclus die ertoe leidt, en komt overeen met een geheel aan leeractiviteiten van minstens 60 studiepunten, zonder het tweederde aan studiepunten te mogen overschrijden die de studiecyclus inhoudt. Een optie betekent een keuze, door de student, van een geheel aan coherente bijzondere leeractiviteiten die overeenstemmen met 15 tot 30 studiepunten, dat heel of een gedeelte van het programma van de studiecyclus kenmerkt, zonder dat het totaal van de opties de helft van de studiepunten van de studiecyclus mag overschrijden. Art. 33.§ 1. De lijst met titels en richtingen van de initiële curricula uit de universitaire sector komen voor in Bijlage 1, die een wezenlijk deel van dit decreet uitmaakt. Bepaalde titels komen slechts met één studiecyclus overeen, terwijl andere met heel het curriculum overeenstemmen. De titels en de richtingen van de graden van bijkomende master die niet voorkomen in de bijlage van dit decreet zijn vastgelegd door de Regering volgens een collegiaal voorstel van de rectoren en de mening van de Conseil interuniversitaire de la Communauté française (CIUF, de interuniversitaire raad van de Franse Gemeenschap). De Regering kan bijkomende voorwaarden opleggen voor de organisatie van deze opleidingen. De lijst met erkende doctorale scholen is vastgelegd door de Regering volgens een voorstel van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijke Onderzoek (NFWO). De Franse Gemeenschap erkent slechts één doctorale school per studiedomein. § 2. De titels van de opties worden bepaald door de instelling. Art. 34.Wanneer een academische graad wordt veranderd of weggelaten, blijft men de oude graad nog afleveren gedurende een aantal academiejaren dat overeenstemt met de minimumduur van de studiecyclus, aan de studenten die voldoen aan de proeven en die reeds waren ingeschreven in een jaar van de studiecyclus. Per uitzondering op de vorige alinea kan de verandering van een optie onmiddellijk toepasbaar zijn op studenten die de studie hebben aangevat, als deze verandering verband houdt met onderwijsactiviteiten waarvoor de studenten nog niet werden ingeschreven. Art. 35.Studies die leiden tot een academische graad waarvan de inhoud de wetgeving moet respecteren in verband met de toegang tot sommige beroepen, kennen aan de houder een overeenstemmende professionele titel toe. In bijlage II van dit decreet werd de lijst opgenomen. Bovendien wordt de titel van geaggregeerde voor het secundair hoger onderwijs samen toegekend met de graad van master met als finaliteit didactiek. Desgevallend bepaalt de Regering andere professionele titels die samen worden toegekend met bepaalde academische graden. Art. 36.Onder voorbehoud van andere bepalingen in dit decreet, worden de bijkomende studies en de voortgezette opleidingen vastgelegd door de academische overheden. De lijst met deze opleidingen wordt jaarlijks doorgegeven aan de Regering voor het einde van het academiejaar waarin ze werden georganiseerd. Afdeling 2. - Bevoegdheden Art. 37.§ 1. De bevoegdheid om universitaire studies te organiseren en om academische graden toe te kennen die ze bekronen, is toegestaan aan een universitaire instelling of een universitaire academie. Onder de bevoegdheid valt een studiecyclus, maar ook de sites waar deze studies kunnen worden georganiseerd, met uitzondering van de werkzaamheden voor de voorbereiding van een doctoraal proefschrift. Een site is een geografische locatie met infrastructuren die door instellingen voor hoger onderwijs wordt gebruikt voor hun activiteiten. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en elk electoraal kanton van het Waals Gewest worden beschouwd als afzonderlijke sites. Een instelling kan een deel van de leeractiviteiten organiseren buiten deze gedefinieerde sites, in zoverre deze gedecentraliseerde activiteiten geen 15 studiepunten overschrijden per studiecyclus en nooit een splitsing van het onderricht veroorzaken. § 2. De universitaire instellingen die lid zijn van een academie kunnen de organisatie van studies waarvoor ze bevoegd zijn, toevertrouwen aan deze academie, zonder dat dit een verandering van de kenmerken van hun bevoegdheden tot gevolg mag hebben. § 3. Twee of meerdere instellingen kunnen samen een studiecyclus organiseren waarvoor ze beide bevoegd zijn, zonder dat dit een stijging van het aantal sites waar elk studiejaar wordt georganiseerd tot gevolg mag hebben. De modaliteiten voor de organisatie en de verdeling van de activiteiten zijn vastgelegd in een overeenkomst tussen de partnerinstellingen die werd goedgekeurd door de Regering. Art. 38.De bevoegdheden in verband met studies die leiden tot het behalen van academische graden voor de eerste en tweede cyclus van de universiteiten worden, samen met de lijst met titels van deze curricula, afgestemd op de bepalingsmodaliteiten ervan en binnen de respectering voor de andere bepalingen in dit decreet. Wanneer een universiteit, op grond van deze bevoegdheden, studies van de tweede cyclus van een curriculum organiseert, moet ze tegelijkertijd voor dit curriculum de opleiding voor een master van 60 en 120 studiepunten organiseren, voorzien in bijlage I van dit decreet. Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van artikel 40, kunnen ze worden herzien, op collegiaal voorstel van de rectoren en na de mening van de Conseil interuniversitaire de la Communauté française (CIUF), met een invloed op het academiejaar dat begint tijdens het jaar dat volgt op de aanpassing van het decreet dat deze bevoegdheden toekent. De organisatie van een voorbereidend jaar in de betekenis van artikel 51, § 3, is gebonden aan de bevoegdheid om de overeenstemmende tweede cyclus te organiseren. Bijlage III van het huidige decreet definieert de bevoegdheden van deze voorbereidende curricula vanaf het academiejaar 2004-2005. Art. 39.De universitaire instellingen zijn bevoegd om bijkomende studies en voortgezette opleidingen te organiseren bestemd voor de houders van academische graden van het lange type. Art. 40.Met uitzondering van het domein Architectuur en urbanisme', kan de bevoegdheid voor de organisatie van bijkomende studies voor een master enkel worden toegekend aan universitaire academies met een instelling die bevoegd is om een academische graad van master toe te kennen als bekroning van studies van de tweede cyclus van tenminste 120 studiepunten binnen hetzelfde domein. De bevoegdheid betreffende deze studies die al minstens vijf jaar worden georganiseerd, wordt echter ingetrokken na afloop van het tweede opeenvolgende jaar waarvoor deze studies niet in aanmerking komen voor financiering krachtens artikel 48quarter van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen. Een cursus die z° vervalt, kan gedurende vijf jaar niet opnieuw worden georganiseerd. Art. 41.De bevoegdheid om de doctorale opleiding te organiseren wordt, per studiedomein of per geheel aan studiedomeinen, toegekend aan de academie of gezamenlijk aan de academies waarvan de erkende doctorale school deel uitmaakt. De bevoegdheid om de academische graad van doctor te verlenen, wordt toegekend aan elke universiteit of universitaire academie. Art. 42.Om van de bevoegdheden te kunnen genieten die hen krachtens dit decreet worden toegekend, moeten de universiteiten voldoen aan het geheel van bepalingen van dit decreet. AFDELING II. - Gelijkwaardigheden Art. 43.De Regering kan, via algemene maatregelen, de gelijkwaardigheid erkennen tussen een titel, diploma of getuigschrift van studies uitgereikt in het buitenland en één van de academische graden die worden toegekend krachtens de bepalingen van dit decreet. Via een individuele maatregel kan de Regering beslissen over de toekenning van de volledige gelijkwaardigheid van studies die gedaan werden buiten de Franse Gemeenschap, en die niet vallen onder de maatregel die wordt besproken in de voorgaande alinea, met de verschillende academische graden voor master, arts en dierenarts. De toekenning van de volledige gelijkwaardigheid kan afhankelijk zijn van het slagen in een bijzondere proef in de gevallen en beperkingen vastgelegd door de Regering. Onder voorbehoud van alinea's 1 en 2 van dit artikel en onafhankelijk van een toelatingsprocedure voor de studies, beslissen de examencommissies over de volledige of gedeeltelijke gelijkwaardigheid van studies die werden gedaan buiten de Franse Gemeenschap met de academische graden die ervoor worden toegekend. De Regering legt de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de gelijkwaardigheden bedoeld in alinea's 2 en 3 vast. Art. 44.Via individuele maatregelen beslist de Regering over de gelijkwaardigheid van het behaalde studieniveau in het buitenland met het studieniveau dat wordt bekroond met de toekenning van een algemene academische graad van bachelor of master. De Regering legt de voorwaarden en de procedure voor de aanvaarding van deze beslissingen over gelijkwaardigheid van het studieniveau vast. HOOFDSTUK II. - Het inschrijven voor studies Art. 45.§ 1. De student kiest vrij de instelling waar hij zich wil inschrijven. De inschrijving van de student houdt in dat hij het reglement van de studies waarvoor hij zich inschrijft, zal respecteren. De inschrijving is pas geldig als de inschrijvingsgelden volledig betaald zijn. Voor de studiejaren die leiden tot een academische graad moet de inschrijving ten laatste op 1 december geldig zijn, tenzij een afwijking om uitzonderlijke redenen wordt toegestaan door de Regering. Het bedrag van de inschrijvingsgelden voor de studiejaren die leiden tot een academische graad wordt vastgelegd door artikel 39 van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen. § 2. Bij zijn aanvraag voor de inschrijving ontvangt de student alle nuttige informatie in verband met de instelling en de beoogde studies, met name het studie- en examenreglement en een gedetailleerd overzicht van de studies. Voor studies die kunnen leiden tot een professionele titel en die onderhevig zijn aan regels of beperkingen voor de goedkeuring of van bijzondere instellingen, moet deze nauwkeurige informatie schriftelijk worden voorzien vanaf de aanvraag voor de inschrijving. De Regering legt de inhoud van dit document vast. Een ontvangstbewijs met de handtekening van de student bewijst de overdracht van dit document. Art. 46.§ 1. Elke inschrijving is gekoppeld aan een academiejaar en betreft welbepaalde studies. Niettemin kan een student, volgens de voorwaarden vastgelegd in het studiereglement, kiezen om gedurende een academiejaar een kleiner geheel te volgen, dat overeenstemt met een studieprogramma voor een totaal van 30 tot 90 studiepunten. Mits de toestemming van de academische overheden, kan een student meerdere inschrijvingen voor verschillende studies cumuleren in de loop van eenzelfde academiejaar. § 2. Om volgens de regels te zijn, moet een inschrijving betrekking hebben op minstens 30 studiepunten voor een bepaalde cursus, met uitzondering van studenten die hun jaar overdoen en waarvoor het studiejaar een lager studiepuntensald° kan inhouden, of voor studenten ingeschreven voor het voorbereidende jaar bedoeld in artikel 51, § 3. Een volgens de regels ingeschreven student geniet van de rechten en plichten van dit statuut. Voor de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen naaste degene die in dit huidige decreet worden besproken, wordt hij geacht zich voltijds aan zijn studie te wijden. § 3. Volgens de voorwaarden vastgelegd in het studiereglement kan een student zich inschrijven voor andere onderwijsactiviteiten of georganiseerde opleidingen. Zulke inschrijving kan leiden tot het afleveren van een getuigschrift of een bewijs voor het verkrijgen van studiepunten. Art. 47.§ 1. Een inschrijvingsaanvraag wordt ingediend volgens de procedure gedefinieerd in het studiereglement. Ze is onaanvaardbaar als de student niet voldoet aan alle toelatingsvoorwaarden voor de beoogde studies. Instellingen mogen studenten voorlopig aanvaarden in afwachting dat ze voldoen aan bepaalde toelatingsvoorwaarden. Deze voorlopige situatie moet ten laatste worden geregulariseerd voor 1 december van het academiejaar. § 2. Mits een gemotiveerde beslissing mogen de academische overheden eveneens, volgens de procedure die wordt voorzien in het studiereglement, de inschrijving van een student weigeren : 1° Wanneer deze student in de voorbije vijf academiejaren het voorwerp is geweest van een uitsluitingsmaatregel van een instelling voor hoger onderwijs wegens zware fraude, conform de verschillende studiereglementen;2° wanneer de inschrijvingsaanvraag studies beoogt die niet leiden tot een academische graad;3° wanneer deze student wordt bedoeld in artikel 27, § 4 of § 7, met uitzondering van 10°, van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen. Wanneer deze weigering uitgaat van een universitaire instelling die wordt georganiseerd door de Franse Gemeenschap, kan de student, binnen de 30 dagen, via een aangetekend schrijven, tegen deze beslissing in beroep gaan bij de minister, die op zijn beurt, binnen de 30 dagen de weigering kan laten opheffen. De universitaire instellingen die worden gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap voorzien in hun reglementen de creatie en de organisatie van een commissie belast met het behandelen van klachten van studenten betreffende het weigeren van inschrijvingen. Deze commissie, die garanties betreffende haar onafhankelijkheid biedt, kan, mits de respectering van de modaliteiten vastgelegd in de reglementen, de weigering opheffen. § 3. Het bewijs dat de student voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor de studies en niet valt onder een van de weigeringsgevallen bedoeld in § 1, alinea 1, 3°, rust op hem. Dit bewijs kan elk bewijskrachtig officieel document zijn, of in de deugdelijk gerechtvaardigde afwezigheid van een document, een verklaring op eer getekend door de student. In geval van fraude bij de inschrijving verliest de student onmiddellijk zijn hoedanigheid als rechtmatig ingeschreven student, alsook alle rechten die met deze hoedanigheid samengaan en de rechtsgevolgen verbonden aan het slagen in de proeven gedurende het betrokken academiejaar. De inschrijvingsgelden die aan de instelling werden betaald, worden definitief aan deze toegewezen. De student mag tot geen enkele instelling van hoger onderwijs worden toegelaten, op geen enkele manier en dit gedurende de vijf volgende academiejaren. Art. 48.Wanneer een inschrijving betrekking heeft op een studiejaar van een cyclus georganiseerd door een of meerdere instellingen van hoger onderwijs, kan de student zich inschrijven in elke partnerinstelling, aan de algemene voorwaarden van het studiereglement van deze instelling. Binnen een universitaire academie kunnen de instellingen echter kiezen om het beheer van de inschrijvingen van alle studiejaren van een cyclus die samen worden georganiseerd, toe te wijzen aan één van de effectieve leden. De informatie bestemd voor de student getuigt van deze gezamenlijke organisatie en beschrijft nauwkeurig de verdeling van de onderwijsactiviteiten tussen de partnerinstellingen. HOOFDSTUK III. - Toegang tot de studies AFDELING I. - Toegang tot studies van de eerste cyclus Art. 49.§ 1. Onder voorbehoud van andere particuliere wettelijke bepalingen, hebben de toegang tot studies van de eerste cyclus met zicht op het behalen van een academische graad als bekroning ervan, de studenten die houder zijn van : 1° ofwel een getuigschrift van secundair hoger onderwijs afgeleverd vanaf schooljaar 1993-1994 door een instelling van voltijds hoger secundair onderwijs of van sociale promotie van de Franse Gemeenschap en officieel goedgekeurd door de commissie die hiertoe werd samengesteld, alsook de titularissen van ditzelfde getuigschrift afgeleverd vanaf kalenderjaar 1994, door de examencommissie van de Franse Gemeenschap;2° ofwel een getuigschrift van secundair hoger onderwijs afgeleverd ten laatste na de afloop van het schooljaar 1992-1993 vergezeld van, voor de toegang tot studies van de eerste cyclus van een curriculum van het lange type, een bekwaamheidsdiploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs;3° ofwel een diploma afgeleverd door een instelling van hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap met een academische graad, ofwel een diploma afgeleverd door een universitaire instelling of een instelling die voltijds hoger onderwijs organiseert krachtens een vroegere wetgeving;4° ofwel een titel van hoger onderwijs afgeleverd door een instelling voor onderwijs voor sociale promotie;5° ofwel een getuigschrift van het slagen met vrucht voor een van de toelatingsexamens georganiseerd door de instellingen voor hoger onderwijs of door een examencommissie van de Franse Gemeenschap en waarvan de programma's worden bepaald door de Regering na consultatie volgens de sector, met de CIUF of de CGHE (algemene raad voor hoge scholen);dit getuigschrift verleent de toegang tot studies van de sectoren of de domeinen die erop worden vermeld; 6° ofwel een diploma, titel of getuigschrift van studies die gelijkaardig zijn aan deze vermeld in de vorige punten, afgeleverd door de Vlaamse Gemeenschap, door de Duitstalige Gemeenschap of door de Koninklijke Militaire School;7° ofwel een diploma, titel of getuigschrift van buitenlandse studies erkend als gelijkwaardig aan deze vermeld in de vorige punten, als toepassing van de wet, van een decreet, een Europese richtlijn of een internationale conventie. § 2. Iemand die de Franse taal niet voldoende beheerst, kan niet worden toegelaten tot de proeven van een studiejaar van de eerste cyclus. Dit bewijs kan worden aangebracht : 1° ofwel door het bezit van een diploma, titel of getuigschrift van studies vermeld in § 1, afgeleverd door de Franse Gemeenschap of als afsluiting van studies waarin voldoende cursussen worden onderwezen in de Franse taal;de Regering bepaalt de minimumvoorwaarden waaraan moet worden voldaan voor deze studies; 2° ofwel door het slagen in een examen dat specifiek hiertoe wordt georganiseerd door een of meerdere instellingen voor hoger onderwijs, volgens de bepalingen vastgesteld door de Regering;3° ofwel door een getuigschrift van het slagen met vrucht voor een van de examens, proeven of toelatingsexamens voor studies van het hoger onderwijs voorzien door dit decreet en georganiseerd binnen de Franse Gemeenschap. De universiteiten organiseren minstens tweemaal per academiejaar een proef voor een afdoende beheersing van de Franse taal. Art. 50.Enkel studenten die met een getuigschrift kunnen bewijzen dat ze geslaagd zijn voor het speciale toelatingsexamen hebben toegang tot de studies van de eerste cyclus binnen het domein van de ingenieurswetenschappen met als doel het behalen van de graad die deze studies bekroont. Dit getuigschrift geeft toegang tot alle studies van de eerste cyclus. Deze proef wordt georganiseerd in samenspraak met de universitaire instellingen die bevoegd zijn om deze proef en de studies voor de eerste cyclus ingenieurswetenschappen te organiseren. Ze moeten meewerken aan de organisatie en aan de evaluatie van de proef, volgens de voorwaarden vastgelegd door de Regering. De proef is bedoeld om een evaluatie te maken van de algemene bekwaamheid om de hogere studies aan te vatten en van de specifieke aanleg voor de studies van het domein. Ze gaat over de volgen …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.