← België

Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière

Kort samengevat

Dit koninklijk besluit stelt een nieuw statuut vast voor ambtenaren die werken in de buitenlandse en consulaire carrière, met als doel deze carrières te moderniseren en af te stemmen op het algemene Openbaar Ambt. Het vervangt een ouder statuut uit 1956 en introduceert een nieuwe structuur voor deze ambtenaren.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
4 JULI 2014. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière VERSLAG AAN DE KONING Sire, Inleiding Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij ter ondertekening aan Uwe Majesteit voorleggen, beoogt de vaststelling van een statuut voor de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière. Het huidige statuut voor de ambtenaren van de carrière Buitenlandse Dienst, de Kanselarijcarrière en de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking wordt geregeld door het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel. De laatste belangrijke aanpassingen aan dit statuut dateren al van 1999. In het koninklijk besluit van 9 juni 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/06/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999015140 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel type koninklijk besluit prom. 09/06/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999012496 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers sluiten werd de carrière van de attachés internationale samenwerking opgericht en werden de nodige overgangsbepalingen voorzien om de coöperanten die onder het coöperantenstatuut van 10 april 1967 vielen, de mogelijkheid te geven te integreren in het Openbaar Ambt via de deelname aan een eenmalige aanwervingsprocedure. Sinds 2004 en zeker sinds de Copernicushervorming in hetzelfde jaar werden verschillende scenario's uitgewerkt voor een nieuwe loopbaan, met onder meer het voorstel van een eenheidsstatuut voor alle ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (dus ook met de ambtenaren van de carrière Hoofdbestuur erbij) en het voorstel van een verderzetting maar met een modernisering van de drie bestaande buitenlandse carrières. Geen van deze scenario's kon succesvol afgerond worden. In 2007 werd er dan een ontwerp van koninklijk besluit voorgelegd door de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken, Karel De Gucht, met daarin als krachtlijnen o.m. een aanpassing van het bestaande statuut aan de nieuwe concepten die door de Copernicushervorming werden ingevoerd (nieuwe klassen en daaraan gekoppelde weddeschalen, gecertificeerde opleidingen en premies voor competentieontwikkeling). Verder werden de statutaire bepalingen, daar waar mogelijk, gelijkgeschakeld met de nieuwe loopbaan niveau A van het Openbaar Ambt en werd een hervorming van de stage van de drie carrières voorgesteld met een eerste stagejaar op het hoofdbestuur en een tweede gedeelte van de stage op post. Daarnaast werd de consulaire carrière opgewaardeerd door de werving op niveau A (en niet langer op niveau C). Een nieuwe titel werd uitgewerkt inzake de tuchtregeling en de ordemaatregelen. Om verschillende redenen werd ook dit ontwerp niet succesvol afgerond. Huidige ontwerp Zoals blijkt uit het voorgaande, is het idee om het statuut van de buitenlandse carrières te hervormen al behoorlijk oud. De drijfveren achter deze hervorming kunnen tot de volgende doelstellingen worden teruggebracht : - noodzaak om deze carrières en het personeelsbeleid flexibeler te maken en op een moderne leest te schoeien en zoveel mogelijk af te stemmen op de carrière van het Openbaar Ambt, - grondige hervorming van de Kanselarijcarrière. Doelstelling van het nieuwe statuut is dus, zoals gezegd, een moderne en juridisch stevig onderbouwde regeling voor de nieuw op te richten buitenlandse en consulaire carrière uit te werken, gebaseerd op de huidige realiteit en waarbij toch de nodige rechtszekerheid wordt geboden aan de ambtenaren van de drie actueel bestaande buitenlandse loopbanen. De nieuwe loopbaan moet bijdragen tot een modernere en performantere administratie. Het nieuwe statuut voorziet in de oprichting van een buitenlandse carrière in niveau A en een uitdovende consulaire carrière in niveau C (met het behoud van de mogelijkheid van de overgang van de consulaire carrière naar de nieuwe buitenlandse carrière), de integratie van de drie actueel bestaande buitenlandse loopbanen in respectievelijk het niveau A en het niveau C en dus de integratie van de drie actueel bestaande buitenlandse loopbanen in de buitenlandse carrière en de consulaire carrière. Recent werden er ook een reeks belangrijke aanpassingen aangebracht aan het Openbaar Ambt en deze aanpassingen werden waar mogelijk in het ontwerp ingelast. Deze aanpassingen betreffen : - het opnemen van relevante bepalingen van de nieuwe geldelijke loopbaan in de nieuwe buitenlandse loopbaan en de nieuwe consulaire loopbaan, - de integratie van de 3 bestaande buitenlandse carrières in de nieuwe geldelijke loopbaan; - het aanpassen van het statuut aan het nieuwe evaluatiesysteem; - het aanpassen van het statuut aan de nieuwe bepalingen inzake de overgang naar het niveau A voor de ambtenaren van de consulaire carrière. Artikelsgewijze bespreking In titel 1 `Definities en algemene bepalingen' worden na een definitie van de begrippen (Hoofdstuk 1) die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van het koninklijk besluit, een reeks algemene bepalingen (Hoofdstuk 2) uiteengezet. Een aantal verplichtingen die reeds in het oude statuut werden opgesomd, blijven van toepassing. Zo zijn de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière ertoe gehouden de functies uit te oefenen die hen bij het hoofdbestuur of bij een post worden toevertrouwd (art. 4). De vrijheid van meningsuiting die erkend wordt in artikel 10 van het statuut van het Rijkspersoneel mag de internationale betrekkingen van België niet in het gedrang brengen (art. 5). In artikel 3 worden de bepalingen opgesomd uit het statuut van het Rijkspersoneel evenals van de bezoldigingsregeling die op hen van toepassing zijn. Titel 2 gewijd aan "de buitenlandse carrière" bevat acht hoofdstukken : - De werving - De stage - De benoeming en de indiensttreding als ambtenaar van de buitenlandse carrière - Hiërarchie, evaluatie en bevorderingen - Verlofregeling - Dienstactiviteit - Ordemaatregelen - Tuchtregeling In Hoofdstuk 1, afdelingen 1 en 2 worden voor de werving in de buitenlandse carrière respectievelijk de benoemingsvoorwaarden (art. 6) en de toelaatbaarheidsvereisten (art.7) opgelijst. Op te merken valt dat één van de benoemingsvoorwaarden is dat de stagiair dient te slagen voor het taalexamen bedoeld in artikel 47, § 5 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken. Hij dient uiterlijk voor de aanvang van het tweede deel van de stage te voldoen aan deze voorwaarde. Daarnaast is één van de toelaatbaarheidsvereisten dat de kandidaat dient te slagen voor het taalexamen bedoeld in artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/03/2001 pub. 31/03/2001 numac 2001002020 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 sluiten. De andere benoemingsvoorwaarden en toelaatbaarheidsvereisten zijn de eisen die gesteld worden om toe te treden tot het niveau A van het Rijkspersoneel. In afdeling 3, gewijd aan de selectie, worden in onderafdeling 1, de vergelijkende selectie voor de toelating tot het 1e deel van de stage, alle praktische modaliteiten voor de organisatie van de vergelijkende selectie en eventueel voor de organisatie van een voorexamen uiteengezet (art. 8), evenals het programma van de vergelijkende selectie zelf (art. 9 en 10). Op te merken is dat hier het slagen in een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal wordt gevraagd en dat hiervoor het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen is gevraagd. Onderafdeling 2 is gewijd aan het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage en de praktische modaliteiten, onder meer in geval van niet slagen voor dit examen. Hoofdstuk 2 behandelt de stage. Bij de algemene bepalingen (Afdeling 1, art. 14 tot 20) worden de benoeming als stagiair, de eventuele opzegperiode bij eerdere werkgevers, het uitstel tot het aanvatten van de stage, de van toepassing zijnde weddeschaal en de op de stagiairs van toepassing zijnde regelgeving uiteengezet. De duur van de stage, de schorsing en de verlenging van de stage, de verwijzing naar een volgende stageperiode en de modaliteiten bij een eventueel ontslag komen ook aan bod. Artikel 20 voorziet dat de stagiair geen verlof wegens opdracht kan krijgen en dit omwille van het specifieke karakter van de stage. In afdeling 2 wordt de organisatie van de stage besproken (art. 21 tot 27). Belangrijk element hierbij is dat de stage vierentwintig maanden duurt en opgesplitst wordt in twee delen, het eerste deel op het hoofdbestuur en het tweede deel van maximum twaalf maanden op post. In afdeling 3, het eerste deel van de stage, (art. 23 tot 25) wordt er voorzien dat de hiërarchische meerdere, op regelmatige tijdstippen vastgesteld door de minister in functie van de duur van dit eerste deel, een beoordelingsverslag opstelt over de professionele bekwaamheden van de stagiair. Er is een beroepsprocedure voorzien indien deze beoordelingsverslagen niet in hun geheel gunstig zijn voor de stagiair. In het tweede deel van de stage (Afdeling 4, art. 26 en 27) wordt er voorzien dat het posthoofd, op regelmatige tijdstippen die worden vastgelegd door de minister in functie van de duur van dit tweede deel, een beoordelingsverslag opstelt over de professionele bekwaamheden van de stagiair evenals een eindverslag uiterlijk vijfenveertig dagen voor het einde van de stage. Ook hier is een beroepsprocedure uitgewerkt wanneer het eindverslag niet in het geheel gunstig is voor de stagiair. Hoofdstuk 3 regelt (art. 28 tot 30) de benoeming en indiensttreding als ambtenaar van de buitenlandse carrière. De benoeming in de buitenlandse carrière gebeurt in de klasse A2, daar waar dit voorheen de klasse A1 was. Voor de berekening van zijn anciënniteit in de weddeschaal en zijn rangschikking neemt de stagiair rang in op de datum waarop hij zijn stage heeft aangevat. Voorheen werd hij pas definitief benoemd na de proeftijd. De eed wordt afgelegd in de handen van de minister of van zijn afgevaardigde en is conform de bewoordingen van artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten4. Hoofdstuk 4 regelt de hiërarchie, de evaluatie en de bevorderingen in de buitenlandse carrière. In de hiërarchie (Afdeling 1, art. 31) worden 4 klassen voorzien, genummerd van A2 tot A5 (hoogste klasse). Voor elke klasse wordt een andere titel voorzien : Ambassadesecretaris en Eerste Ambassadesecretaris voor A2, Ambassaderaad en Eerste Ambassaderaad voor A3, Gevolmachtigd Minister voor A4 en Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur voor A5. Telkens worden ook bijpassende weddeschalen voorzien. Ook worden er criteria opgesomd die zullen gebruikt worden bij de classificatie van functies uitgeoefend door de ambtenaren van de buitenlandse carrière. Afdeling 2 inzake evaluatie (art. 32 en 33) bepaalt dat een aanstelling op post of bij het hoofdbestuur een verandering van functie is voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, 3°, van het koninklijk besluit van 24 september 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten2 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt en voorziet in een schriftelijke procedure voor de evaluatie van de posthoofden. Verder is de evaluatie gelijk aan die voorzien voor de ambtenaren van het Rijkspersoneel. Afdeling 3 (art. 34 tot 40) legt de regels vast voor de bevorderingen. Ook in deze loopbaan zijn er twee soorten bevorderingen, namelijk in de administratieve loopbaan de benoeming tot de hogere klasse en in de geldelijke loopbaan de toekenning van een hogere weddeschaal. In afwijking van het statuut van het Rijkspersoneel zijn de vereisten om in aanmerking te komen voor een bevordering tot de hogere klasse de volgende : 4 jaar klasseanciënniteit voor de bevordering van de klasse A2 naar A3, 6 jaar klasseanciënniteit voor de bevordering van de klasse A3 naar A4, 5 jaar klasseanciënniteit voor de bevordering van A4 naar A5. Voor de bevorderingen tot de klasse A3 wordt naast een klasse-anciënniteit van 4 jaar, ook vereist dat de ambtenaar van de klasse A2 slaagt in een taalexamen met betrekking tot een andere taal dan de Engelse, Franse of Nederlandse taal, van het niveau B1 voor de spreekvaardigheid en schrijfvaardigheid. De minister of zijn afgevaardigde stelt de lijst op van deze andere talen. Deze andere talen kunnen bijvoorbeeld de talen zijn die beschouwd worden als courante internationale talen : Arabisch, Chinees, Duits, Italiaans, Japans, Portugees, Russisch en Spaans. Bovendien, inzake de procedure zullen de kandidaten voortaan moeten solliciteren voor een vacante betrekking en hun kandidatuur motiveren. Ook de door het Directiecomité te volgen procedure wordt uiteengezet. Deze bepalingen behoeven geen verdere commentaar daar ze gelijklopend zijn met de normale bevorderingsprocedure voor het Rijkspersoneel (art. 41 tot 44). De bevordering in weddeschaal wordt gekoppeld aan de schaalanciënniteit en de beoordeling bij de evaluatie (art. 45 tot 48). Hoofdstuk 5 (art. 49 tot 56) voorziet een specifieke verlofregeling voor de ambtenaren van de buitenlandse carrière op post. Hierbij wordt rekening gehouden met de rang van hardship van elke post. Elke post wordt door het Directiecomité gerangschikt volgens een schaal van 1 tot 7 in opklimmende volgorde van hardship en dit op basis van een vergelijkende analyse van een reeks criteria (o.m. klimaatomstandigheden, veiligheid, sociale isolatie, ...). Ook worden de verloven op post opgesomd waarop de ambtenaar recht heeft op basis van het verlofbesluit. De ambtenaar van de buitenlandse carrière die bij het hoofdbestuur in dienst is, geniet van hetzelfde stelsel als dat van toepassing op de Rijksambtenaren. De vrijstelling voor het uitoefenen van een opdracht van algemeen belang wordt maximaal één maal hernieuwd. De artikelen 57 tot 60 sommen de omstandigheden op waarin de ambtenaar zich in dienstactiviteit bevindt. Artikel 59 behandelt het pensioen. De ambtenaar wordt van rechtswege gepensioneerd wanneer hij de volle leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Het in dienst houden boven de leeftijd van 65 jaar kan toegelaten worden door de minister op verzoek van de ambtenaar en na een gemotiveerd advies van het Directiecomité. De periode waarin betrokkene in dienst wordt gehouden is vastgesteld voor een maximale duur van één jaar. Deze kan worden hernieuwd. Ook wordt hier voorzien dat een ambtenaar die minstens 15 jaar dienstactiviteit telt, na zijn oppensioenstelling de eretitel van zijn laatst uitgeoefende functie kan voeren. De hoofdstukken 7 en 8 voorzien respectievelijk in een regeling voor het treffen van ordemaatregelen (art. 61 tot 73) en in een tuchtregeling (art. 74 tot 100). In vergelijking met het statuut van 1956 zijn deze hoofdstukken zeer uitgebreid en worden de procedures tot in detail omschreven. De ervaring heeft geleerd dat er nood is aan een degelijke juridische onderbouw voor deze regelingen. De tucht- en ordemaatregelen hebben hetzelfde doel. Beiden zijn gericht op de goede werking van de dienst en beogen een verstoring van de goede werking te verhelpen. De ordemaatregelen beogen enkel de goede materiële organisatie en werking van de dienst en, in tegenstelling tot de tuchtmaatregel, voorzien zij niet in de bestraffing van de verantwoordelijke ambtenaar. Bij de ordemaatregelen (hoofdstuk 7 en art. 61 tot en met 73) wordt er voorzien in de terugkeer naar het hoofdbestuur, die kan worden opgelegd aan de ambtenaren op post, en in een preventieve schorsing die kan worden opgelegd aan zowel de ambtenaren op het hoofdbestuur als de ambtenaren op post. De bevoegde overheden, de procedure en de modaliteiten voor de terugroeping naar het hoofdbestuur zijn dezelfde als voor de preventieve schorsing. Wanneer de ambtenaar het voorwerp is van een strafrechtelijke procedure of van een tuchtprocedure, dan kan de wedde worden verminderd. De nodige garanties worden geboden i.v.m. de rechten van de verdediging en voor elke stap in de procedure dienen strikte termijnen in acht genomen te worden. De preventieve schorsing mag, behoudens strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging, ten hoogste zes maanden bedragen. De preventieve schorsing is immers slechts een voorlopige bewarende ordemaatregel die binnen deze termijn moet worden gevolgd door een definitief standpunt van het bestuur. Hoofdstuk 8 (art. 74 tot 100) voorziet in een tuchtregeling. Qua structuur wordt dit hoofdstuk onderverdeeld in 6 afdelingen, waarbij de afdeling `Tuchtprocedure en beroep' nog eens onderverdeeld wordt in 4 onderafdelingen. In afdeling 1, `Tuchtfeiten' (art. 74), wordt het tuchtfeit omschreven als `elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt in het bijzonder aan een van de plichten bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, § 1, 10 en 12 van het statuut van het Rijkspersoneel of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt'. In afdeling 2, `Tuchtstraffen'(art. 75 tot 80), wordt een opsomming gemaakt van de tuchtstraffen. In het statuut van 1956 werden vijf tuchtstraffen voorzien, namelijk de terechtwijzing, de blaam, de tuchtschorsing, de terugzetting en de afzetting. Daar komen de inhouding van wedde, de verplaatsing bij tuchtmaatregel, de lagere inschaling en het ontslag van ambtswege bij. Door deze uitbreiding van het arsenaal tuchtstraffen zal een meer genuanceerd beleid in de toekomst mogelijk zijn. Verder worden in deze afdeling de modaliteiten voor elk van deze tuchtstraffen uitgewerkt. In afdeling 3, `Tuchtoverheid'(art. 81 en 82), wordt er bepaald dat de drie zwaarste straffen, namelijk de terugzetting in klasse, het ontslag van ambtswege en de afzetting door de Koning worden opgelegd. De andere tuchtstraffen worden door de Minister uitgesproken. Afdeling 4, `Tuchtprocedure en beroep'(art. 83 tot 99), wordt opgesplitst in 4 onderafdelingen die achtereenvolgens het formuleren van het voorlopig strafvoorstel, het formuleren van het definitief strafvoorstel, het opleggen van de tuchtstraf en de samenloop van tuchtfeiten behandelen. In onderafdeling 1 (art. 83 tot 88) wordt stap voor stap de procedure uiteengezet die aanvangt met de hiërarchische meerdere die het tuchtonderzoek voert tot het formuleren door deze laatste van een gemotiveerd voorlopig voorstel van tuchtstraf aan het Directiecomité en de betrokken ambtenaar. In onderafdeling 2 (art. 89 tot 95) wordt op gedetailleerde wijze het verdere verloop van de procedure omschreven. Binnen een termijn van één maand vanaf de kennisgeving van het voorlopig voorstel van tuchtstraf formuleert het Directiecomité een definitief voorstel van tuchtstraf. Deze termijn kan op gemotiveerde wijze verlengd worden. De ambtenaar kan tegen het definitief voorstel een beroep indienen bij de bevoegde raad van beroep. In onderafdeling 3 (art. 96 en 97) worden een aantal principes opgesomd waarmee de bevoegde overheid rekening moet houden na het advies van de raad van beroep. Onderafdeling 4 (art. 98) stelt dat wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, dit slechts aanleiding kan geven tot één tuchtprocedure (en dus ook maar één tuchtstraf) en dat wanneer in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd, een nieuwe procedure kan worden begonnen zonder dat de lopende procedure wordt onderbroken. Afdeling 5, `Verjaring van de tuchtvordering `(art. 99), behoeft geen verdere commentaar. Basisprincipe blijft hier dat er geen tuchtrechtelijke vervolging meer kan ingesteld worden na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. Afdeling 6, `Uitwissing van de tuchtstraf' (art. 100), behoeft ook geen verdere commentaar daar het de gebruikelijke ambtshalve uitwissing betreft van de straffen, uiteraard met uitzondering van het ontslag van ambtswege en de afzetting. TITEL 3, `Consulaire carrière' (art. 101 tot 111), heeft dezelfde structuur meegekregen als de buitenlandse carrière en behandelt na de algemene bepalingen achtereenvolgens de hiërarchie, de evaluatie en de bevorderingen. In Hoofdstuk 1, `Algemene bepalingen' (art. 101 en 102), wordt er gezegd dat er geen selecties meer worden georganiseerd voor de consulaire carrière en dat de artikelen 49 tot en met 100 - verlofregeling, ordemaatregelen en tuchtprocedure - ook op de ambtenaren van de consulaire carrière van toepassing zijn. In Hoofdstuk 2, `Hiërarchie, evaluatie en bevorderingen', wordt in afdeling 1 de hiërarchie overlopen, beginnende met de graad van Administratief assistent (C1) bij de indiensttreding, via Administratief assistent Consulaire Zaken (C2) tot Administratief Hoofd Consulaire zaken (C3 tot C5). Afdeling 3 in verband met de bevorderingen wordt opgesplitst in 4 onderafdelingen : de algemene bepalingen, mededeling van de beslissingen tot bevordering, voorwaarden voor de bevordering in weddeschaal en bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière (art. 105 tot 111). Ook in de consulaire carrière zijn er 2 soorten bevorderingen mogelijk, namelijk de bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière en de bevordering in weddeschaal. De voorwaarden voor bevordering in weddeschaal behoeven geen commentaar; deze voorwaarden zijn gelijklopend met wat voorzien wordt in het nieuwe KB betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. Om te kunnen worden bevorderd tot het niveau A van de buitenlandse carrière moet de ambtenaar van de consulaire carrière slagen in een reeks proeven. Om te kunnen deelnemen aan deze proeven moet de ambtenaar van de consulaire carrière eerst voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden; 2° bij zijn laatste evaluatie de vermelding "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen en behouden; 3° geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/03/2001 pub. 31/03/2001 numac 2001002020 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 sluiten tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966. Er zijn vier reeksen van proeven voorzien.De eerste reeks proeven beogen een evaluatie van het vermogen van de ambtenaar om in het niveau A te functioneren; de tweede reeks omvat 4 proeven die een evaluatie beogen van de verwerving van kennis. De kandidaten die houder zijn van een master of van een ander diploma dat toegang verleent tot het niveau A, worden beschouwd als geslaagden van de proeven van deze reeks. De derde reeks proeven tenslotte bestaat uit het opmaken van een schriftelijk verslag over een casus en een mondelinge proef over een aangelegenheid die verband houdt met een functie van de buitenlandse carrière. De vierde reeks bestaat uit een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal, waarvan het niveau overeenstemt met het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid. In titel 4 ' Integratiebepalingen, overgangs-, opheffings- en slotbepalingen' behandelen 5 hoofdstukken achtereenvolgens de integratie in de buitenlandse carrière, de integratie in de consulaire carrière, de opheffingsbepalingen, de overgangsbepalingen en de slotbepalingen. In Hoofdstuk 1, `Integratie in de buitenlandse carrière' (art. 112 tot 125), wordt bepaald dat de definitief benoemde ambtenaren van de carrière buitenlandse dienst, de definitief benoemde ambtenaren van de kanselarijcarrière van de eerste of van de tweede administratieve klasse evenals de definitief benoemde ambtenaren van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking, geïntegreerd worden in de buitenlandse carrière. In de tabel opgenomen in artikel 112, § 2 wordt, op basis van hun administratieve klasse onder het statuut van 1956, de integratie verricht in de klasse in de nieuwe buitenlandse carrière. Verder wordt er gesteld dat de anciënniteit die verworven werd in de respectieve carrières geacht wordt verworven te zijn in de nieuwe carrière en wordt elke bestaande weddeschaal omgeschakeld naar de weddeschalen van het nieuwe KB betreffende de geldelijke loopbaan. Hierbij wordt er telkens over gewaakt dat de meest gunstige weddeschaal van toepassing is. In Hoofdstuk 2 (art. 116 tot 119) worden dezelfde regelingen getroffen, maar voor de ambtenaren van de kanselarijcarrière. De ambtenaren die definitief benoemd werden op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit en behoren tot de derde of vierde klasse van de kanselarijcarrière behoren tot de consulaire carrière. De opheffingsbepalingen (Hoofdstuk 3, art. 120 tot 125) behoeven geen commentaar, aangezien de bindende kracht van de vermelde regelingen wordt opgeheven vanaf de inwerkingtreding van de opheffingsbepalingen. In Hoofdstuk 4 (art. 126 tot 136) worden de overgangsbepalingen opgesomd. Deze bepalingen regelen de overgang van de oude naar de nieuwe regeling voor de stages, de beroepen inzake stages, de vergelijkende selecties, de reeds samengestelde reserves, de ambtenaren van de consulaire carrière die reeds houder zijn van brevetten, de procedures inzake bevorderingen, tucht- en ordemaatregelen en de pensionering. Verder wordt in de artikelen 130 tot en met 134 de inwerkingtreding van artikel 37 m.b.t. de voorwaarden verbonden aan de klasse-anciënniteit voor de bevordering tot de klasse A3, gefaseerd in de tijd om pas op 1 januari 2020 volledig in werking te treden. De slotbepaling (art. 137 en 138) regelt de inwerkingtreding en de uitvoering van dit besluit. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 37, dat in werking treedt op 1 januari 2020. De minister bevoegd voor Buitenlandse Zaken en de minister bevoegd voor ontwikkelingssamenwerking zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Opmerkingen van de Raad van State In het licht van het advies van de Raad van State en gelet op de gemaakte opmerkingen, worden hierna enkele nadere preciseringen geformuleerd. 1. Voorafgaande opmerking van de Raad van State met betrekking tot het aannemen van reglementaire teksten in een periode waarin « de ontstentenis van de controle die het Parlement krachtens de Grondwet moet kunnen uitoefenen, tot gevolg heeft dat de Regering niet over de volheid van haar bevoegdheid beschikt » Er wordt hier verwezen naar de omzendbrief van de Kanselarij van 28 april 2014 met betrekking tot de voorzichtige en lopende zaken waarin duidelijk vermeld wordt dat het steeds mogelijk is, na het advies van de Raad van State te hebben ingewonnen, reglementaire teksten te finaliseren waarvan de voorbereiding aangevat werd lang vóór de kritieke periode, en die na sectorale onderhandelingen, enerzijds, geleid hebben tot de ondertekening van een protocolakkoord en, anderzijds, geleid hebben tot een akkoord van de bevoegde Ministers, in het bijzonder in het raam van de administratieve en budgettaire controle.Het voorliggend besluit werd overigens goedgekeurd door de Ministerraad. 2. Voorafgaande vormvereisten De vereiste voorafgaandelijk het advies in te winnen van het Directiecomité werd wel degelijk vervuld en heeft, zoals vermeld in de aanhef van voorliggend besluit, plaatsgevonden op 6 september 2013 en 21 maart 2014.3. Algemene opmerking Er is een schending van de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie : - Ofwel, wanneer personen die zich in gelijke situaties bevinden, op verschillende wijze behandeld worden; - Ofwel, wanneer personen die zich in verschillende situaties bevinden, op gelijke wijze behandeld worden. Welnu, er blijkt uit dit Verslag dat de auteurs van dit besluit simpelweg bepalingen willen moderniseren die reeds sedert 1956 bestaan en die drie categorieën ambtenaren betreffen (ambtenaren van de buitenlandse dienst/diplomaten, kanseliers/consuls en attachés voor internationale samenwerking) die een specifiek statuut hebben, duidelijk onderscheiden van dat van de andere ambtenaren van het openbaar ambt. Daarenboven blijkt duidelijk uit de tekst van het voorliggend besluit dat daar waar de ambtenaren van de buitenlandse en van de consulaire carrière zich in gelijke situaties bevinden als de andere ambtenaren van het openbaar ambt, de bepalingen van toepassing op deze ambtenaren dat eveneens zijn op de ambtenaren van de buitenlandse carrière en van de consulaire carrière. Er zijn geen afwijkende bepalingen dan waar het nodig is rekening te houden met de bijzonderheden van deze bijzondere carrières. De Staatssecretaris bevoegd voor Ambtenarenzaken is overigens bijzonder waakzaam geweest ten aanzien van het naleven van de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie ten aanzien van de andere ambtenaren van het openbaar ambt. 4. Bijzondere opmerkingen 1) De artikelen 26 en 27 werden herzien in die zin dat de stagiair ambtshalve op post zal worden gestuurd voor het tweede deel van de stage.De mogelijkheid van het uitsturen die voorheen voorzien werd, werd omgevormd in een verplichting tot uitsturen. 2) Betreffende afdeling 3 van hoofdstuk 2 van titel 3 werd inmiddels, wat de consulaire carrière betreft, een bepaling voorzien die het volgende oplegt voor de overgang van een ambtenaar van niveau C naar niveau A : - het slagen voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/03/2001 pub. 31/03/2001 numac 2001002020 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 sluiten tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd samengevat op 18 juli 1966; - het slagen voor het taalexamen betreffende de kennis van de Engelse taal, net als hetgeen voorzien is in artikel 9, § 1, 3° van het besluit. Het past te verwijzen naar de artikelen 111 en 129. 3) Betreffende het artikel 137 (voorheen artikel 138) : rekening houdende met de aard en de omvang van de hervorming, werd de terugwerkende kracht weggelaten, waardoor het huidig besluit in werking treedt op de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad. Deze specifieke datum van inwerkingtreding werd gekozen om voor de hand liggende praktische redenen, met name met het oog op de betaling van de wedden. 4) Er werd rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State, met uitzondering van de bemerkingen geformuleerd ten aanzien van de volgende artikelen : 1° Artikel 32 (voorheen artikel 33) : Deze bepaling betreft wel degelijk de evaluatie.Inderdaad, deze bepaling werd voorzien in het licht van artikel 5, lid 1 en lid 2, 3° van het koninklijk besluit van 24 september 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten2 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt dat het volgende bepaalt : "De evaluatieperiode bedraagt één jaar, vanaf 1 januari tot 31 december. De evaluatieperiode begint echter : 1° (...) 2° (...) 3° op de dag zelf waarop het personeelslid van functie verandert. (...)" Op die manier wordt de aanstelling op post of bij het hoofdbestuur geïdentificeerd als een verandering van functie vanaf dewelke een nieuwe evaluatieperiode begint. Voor meer duidelijkheid, werd artikel 32 als volgt gewijzigd : "Voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, 3° van het koninklijk besluit van 24 september 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten2 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt is de aanstelling op post of op het hoofdbestuur een verandering van functie". Dezelfde rechtvaardiging geldt voor de benaming van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 3. 2° Artikel 37 (voorheen artikel 38) : de voorwaarde van het slagen voor een taalexamen betreffende de kennis van een vierde taal is een toelaatbaarheidsvereiste, zoals de klasse-anciënniteit dat is om bevorderd te kunnen worden.Het betreft in geen enkel geval een element voor de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten voor een bevordering. Alle talen, zijnde het Duits, het Arabisch, het Chinees, het Spaans, het Italiaans, het Japans, het Portugees en het Russisch, worden op gelijke voet behandeld. Enkel hetzelfde niveau van kennis is vereist, met name niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid. Dit taalexamen wordt georganiseerd door de Afgevaardigd Bestuurder van het Selectiebureau van de federale overheid, die het vereiste kennisniveau certifieert. De lijst met talen wordt vastgesteld door de minister of zijn afgevaardigde. 3° Artikel 59 (voorheen artikel 60) : Het artikel 59 bevestigt dat de ambtenaar op een leeftijd van volle 65 jaar ambtshalve op rust wordt gesteld.Het voorziet ook de mogelijkheid voor de ambtenaar om actief te blijven boven de leeftijd van 65 jaar mits toelating door de Minister op basis van een aanvraag van de betrokken ambtenaar (KB 11/09/2012) en na een met redenen omkleed advies van het Directiecomité, en dit voor een hernieuwbare termijn van maximaal één jaar. Het artikel past de algemene regeling van het Koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van de staat toe op het nieuwe en specifieke statuut van de buitenlandse carrière en laat het Directiecomité toe aanvullende voorwaarden te bepalen, met inbegrip van een eventuele leeftijdsgrens voor het actief blijven boven de gestelde pensioenleeftijd. Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige, en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Buitenlandse Zaken, D. REYNDERS De Minister van Ontwikkelingssamenwerking, J.-P. LABILLE Advies 56.257/4 van 21 mei 2014 van de Raad van State, afdeling Wetgeving, over een ontwerp van koninklijk besluit `tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière' Op 29 april 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière'. Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 21 mei 2014. De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Jacques Jaumotte en Bernard Blero, staatsraden, Marianne Dony, assessor, en Colette Gigot, griffier. Het verslag is uitgebracht door Yves Delval, auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Vandernoot. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 14 mei 2014. Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht van de Regering op het feit dat de ontstentenis van de controle die het Parlement krachtens de Grondwet moet kunnen uitoefenen, tot gevolg heeft dat de Regering niet over de volheid van haar bevoegdheid beschikt. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de Regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van een verordening noodzakelijk is. Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voormelde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten. Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen. Voorafgaande vormvereisten Krachtens artikel 6, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 "houdende het statuut van het rijkspersoneel", moet het voorliggende ontwerp, dat bijzondere bepalingen bevat tot uitvoering van dat statuut, voorafgaandelijk om advies worden voorgelegd aan het Directiecomité. Het advies van dat comité dat in de aanhef van het ontwerp wordt vermeld, is niet gevoegd bij de adviesaanvraag. De stellers van het ontwerp dienen bijgevolg erop toe te zien dat dit voorafgaand vormvereiste naar behoren wordt vervuld. Algemene opmerking De stellers van het ontwerp moeten in staat zijn om de aanpassingen die bij het ontwerp in het algemeen statuut worden aangebracht voor de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière in het licht van het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel te verantwoorden ten aanzien van het overige overheidspersoneel. Bijzondere opmerkingen Dispositief Artikel 1 1. Wat onderdeel 8° betreft, behoort, in plaats van "arrêté de congé" te schrijven, in correct Frans de bijvoeglijke bepaling ofwel ingeleid te worden met het juiste voorzetsel "arrêté sur les congés", ofwel zonder voorzetsel, "arrêté congé", geschreven te worden.De eerste formule is het gebruikelijkst. De hele tekst behoort dienovereenkomstig te worden herzien. 2. Met betrekking tot de definitie van "werkdagen" in punt 12°, heeft de staatssecretaris voor Ambtenarenzaken in zijn schrijven van 11 april 2014 gevraagd dat deze definitie zou worden overgenomen uit artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 28/11/1998 numac 1998002123 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen sluiten "betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen". Het is de afdeling Wetgeving niet duidelijk waarom geen gevolg gegeven is aan deze opmerking. Artikel 4 De Koning is niet gemachtigd om een beslissing te kwalificeren als maatregel van inwendige orde. Zulk een kwalificatie kan niet bindend zijn voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij de uitoefening van haar bevoegdheid om te oordelen of zo'n beslissing een bestuurshandeling uitmaakt die aangevochten kan worden in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De bepaling dient te vervallen. Artikel 6 In het derde lid is het begrip "kalenderdag" niet op zijn plaats. Aangezien het in casu om gewone dagen gaat, kan ermee worden volstaan om "dagen" te schrijven. (1) Deze opmerking geldt voor het hele ontwerp. Artikel 7 In paragraaf 4, derde lid, dienen de woorden "en van de redenen ervan" te vervallen, gelet op de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/07/1991 pub. 18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten "betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen". Dezelfde opmerking geldt voor artikel 98, tweede lid. Artikel 10 Teneinde in paragraaf 3, tweede lid, te verduidelijken dat de geldigheid van de wervingsreserve slechts eenmaal kan worden verlengd, wordt voorgesteld om "één keer te verlengen met een periode van maximaal een jaar" te schrijven in plaats van "verlengen, met een periode van maximum een jaar". Daarnaast wordt voorgesteld om in hetzelfde lid te schrijven "kan de geldigheid van de wervingsreserve" in plaats van "kan de termijn van de wervingsreserve". Artikel 17 1. Het ontwerp dat thans aan de afdeling Wetgeving is voorgelegd, is gedeeltelijk hernummerd ten opzichte van het eerder voorgelegde ontwerp.Er behoort bijgevolg geen melding te worden gemaakt van de artikelen 3 en 4, maar wel van de artikelen 4 en 5. De stellers van het ontwerp behoren na te gaan of nog andere verwijzingen in het ontwerp moeten worden gecorrigeerd. 2. In onderdeel 2° dienen de woorden "van dit besluit" te vervallen. Dezelfde opmerking geldt voor de rest van het ontwerp. Artikelen 26 en 27 De criteria op grond waarvan de stagiair gedurende het tweede deel van de stage al dan niet naar het buitenland gestuurd kan worden, zijn voor de afdeling Wetgeving niet duidelijk. Het verslag aan de Koning dient op dat punt te worden aangevuld en de bepaling behoort desgevallend te worden herzien. Artikel 27 In het ontworpen artikel 27, § 3, tweede lid, en § 4, tweede lid, wordt voor de berekening van de termijn de "theorie van de verzending" gehanteerd. Deze theorie is reeds meermaals afgekeurd door het Grondwettelijk Hof. (2) Het verdient aanbeveling om deze te vervangen door de "theorie van de ontvangst". Deze opmerking geldt voor het hele ontwerp en inzonderheid voor de artikelen 66, eerste lid, en 68, derde lid. Artikel 30 Het is niet nodig eraan te herinneren dat de eed afgelegd moet worden "in de bewoordingen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten4". (3) De bepaling dient te vervallen. Artikel 33 Artikel 33 heeft geen betrekking op de evaluatie. Het kan derhalve niet worden ingevoegd in een afdeling met het opschrift "Evaluatie". Het artikel moet dan ook worden verplaatst of het opschrift van de afdeling moet worden gewijzigd. Artikel 38 In een schrijven van 11 april 2014 heeft de Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken de nadruk gelegd op de mogelijke nadelen van artikel 38, 2°, van het ontwerp en bijgevolg voorgesteld om dat artikel te schrappen. Uit geen enkel gegeven van het dossier dat aan de afdeling Wetgeving is overgelegd blijkt waarom geen gevolg gegeven is aan deze opmerking. Het verslag aan de Koning dient op dat punt te worden aangevuld en de bepaling behoort desgevallend te worden herzien. Artikel 42 Verwezen wordt naar de opmerking die gemaakt is met betrekking tot artikel 1, 12°. Het is de afdeling Wetgeving hoe dan ook niet duidelijk hoe deze bepaling gerijmd kan worden met de definitie die thans gegeven wordt van het begrip "werkdagen". Artikel 54 Verwezen wordt naar de opmerking die gemaakt is met betrekking tot artikel 1, 12°. Artikel 55 In de Franse tekst behoort de verschrijving in de opsomming van de artikelen van het verlofbesluit te worden verbeterd. In de Nederlandse tekst schrijve men "eerste, tweede, derde, ... lid" in plaats van "leden 1, 2, 3, ...". Artikel 60 Aangezien het koninklijk besluit van 12 mei 1927 "betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van den staat" van toepassing is - dit besluit wordt immers vermeld in punt 1 van bijlage 1 -, is de bepaling zinloos en dient deze te worden geschrapt. Artikel 100 In paragraaf 3, tweede lid, dienen de woorden "na de kennisgeving ervan" vervangen te worden door de woorden "na de kennisgeving van de strafrechtelijke uitspraak". Opschrift afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 3 Het opschrift van deze afdeling, die slechts uit één artikel bestaat en die geen betrekking heeft op de evaluatie van de ambtenaren, dient gewijzigd te worden. Afdeling 3 van hoofdstuk 2 van titel 3 Het is de afdeling Wetgeving niet duidelijk welke bepaling die van toepassing is op de consulaire carrière voor de bevordering van een ambtenaar van niveau C tot niveau A voorziet in de volgende vereisten : a) geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/03/2001 pub. 31/03/2001 numac 2001002020 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 sluiten;b) geslaagd zijn voor het taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal, naar het voorbeeld van hetgeen bepaald is in artikel 9, § 1, 3°, van het ontwerp. Het verslag aan de Koning behoort op dat punt te worden aangevuld en het ontwerp behoort desgevallend te worden herzien. Artikel 138 Gelet op de aard en de omvang van de ontworpen hervorming kan niet worden voorzien in terugwerkende kracht. De voorliggende bepaling en artikel 131 van het ontwerp behoren dienovereenkomstig te worden herzien. Artikel 139 Aangezien de minister van Ontwikkelingssamenwerking het ontwerp voordraagt, behoort hij eveneens vermeld te worden in de uitvoeringsbepaling. Artikel 139 van het ontwerp dient in die zin te worden herzien. (4) De Griffier, Colette Gigot De Voorzitter Pierre Liénardy _______ Nota's (1) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", aanbeveling 95, a). (2) GwH 17 december 2003, nr.170/2003, B.6 en noot J.-Fr. Van Drooghenbroeck, "Revirement spectaculaire : détermination de la date de notification par application de la théorie de la réception", J.T., 2004, 47, en meer recentelijk, GwH 15 maart 2006, nr. 43/2006, B.10 tot B.12 en GwH 19 december 2007, nr. 162/2007, B.3 tot B.5; zie in dezelfde zin advies 45.762/4, gegeven op 24 december 2008 over een ontwerp dat geleid heeft tot de ordonnantie van 30 april 2009 "tot wijziging van de ordonnantie van 16 juli 1998 betreffende de toekenning van subsidies om investeringen van openbaar nut aan te moedigen en de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" (Parl.St. Br. Parl. 2008-09, nr. A-544/1, 13-18), advies 52.467/4, gegeven op 28 januari 2013 over een voorontwerp dat geleid heeft tot het decreet van 10 juli 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten6 "betreffende de geologische opslag van kooldioxide" (Parl.St. W.Parl. 2012-13, nr. 813/1, 29-37) en advies 52.833/VR/4 gegeven op 15 april 2013 over een voorontwerp dat geleid heeft tot het decreet van 27 juni 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten5 "houdende verschillende bepalingen inzake landbouw, tuinbouw en aquacultuur" (Parl.St. W.Parl. 2012-13, nr. 804/1, 39-50). (3) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab Wetgevingstechniek, aanbeveling 80. Zie ook in dezelfde zin advies 49.520/4, gegeven op 11 mei 2011 over een ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 22 juni 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten0 "tot aanwijzing van de veiligheidsinstantie van de spoorwegen" en advies 51.289/4, gegeven op 23 mei 2012 over een ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 24 oktober 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten1 "betreffende de Ombudsdienst voor treinreizigers". (4) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", aanbevelingen 41 en 166. 4 JULI 2014. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de Grondwet, de artikelen 37 en 107, tweede lid; Gelet op het koninklijk besluit van 15 juli 1920 betreffende de inrichting van het Diplomatiek Korps; Gelet op het koninklijk besluit van 15 juli 1920 houdende nieuwe inrichting van het consulair korps; Gelet op het koninklijk besluit van 16 augustus 1923 betreffende de inrichting van het korps der kanseliers, de dragomannen en tolken; Gelet op het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel; Gelet op het koninklijk besluit van 4 februari 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/02/1999 pub. 26/02/1999 numac 1999015048 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Koninklijk besluit tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière Buitenlandse Dienst en van de Kanselarijcarrière van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking sluiten tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière Buitenlandse Dienst en van de kanselarijcarrière van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; Gelet op het koninklijk besluit van 4 augustus 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/08/1999 pub. 31/08/1999 numac 1999015218 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Koninklijk besluit tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking sluiten tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking; Gelet op het advies van het Directiecomité, gegeven op 6 september 2013 en 21 maart 2014; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 3 september 2013 en 26 maart 2014; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 30 september 2013 en 2 april 2014; Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken, gegeven op 12 november 2013 en 11 april 2014; Gelet op de protocollen van onderhandelingen 18/1 en 19/1 van het Sectorcomité VII Buitenlandse Zaken, gesloten op 29 november 2013 en 7 april 2014; Gelet op artikel 8, § 1, 4° van de wet van 15 december 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging, is dit besluit vrijgesteld van een regelgevingsimpactanalyse omdat het bepalingen van autoregulering betreft; Gelet op het advies nr. 56.257/4 van de Raad van State, gegeven op 21 mei 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Ontwikkelingssamenwerking en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : TITEL 1. - Definities en algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Definities Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "de FOD" : de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;2° "een post" : een ambassade, een permanente vertegenwoordiging, een consulaat-generaal, een consulaat, een vice-consulaat of een consulair agentschap;3° "het statuut van het Rijkspersoneel" : het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;4° "de minister" : de Minister van Buitenlandse Zaken;5° "de afgevaardigd bestuurder" : de Afgevaardigd Bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid;6° "de voorzitter" : de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD;7° "de stafdirecteur" : de Stafdirecteur van de Stafdirectie Personeel en Organisatie van de FOD;8° "het verlofbesluit" : het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 28/11/1998 numac 1998002123 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen sluiten betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen;9° "de bezoldigingsregeling" : het koninklijk besluit van 25 oktober 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten3 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;10° "de klasse" : een groepering van functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden;11° "de functie" : het geheel van taken en verantwoordelijkheden die de ambtenaar op zich dient te nemen;12° "werkdagen" : alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en feestdagen. HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen Art. 2.§ 1. Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van : 1° de buitenlandse carrière;2° de consulaire carrière. § 2. Het gebruik van de mannelijke vorm in dit besluit is gemeenslachtig. Art. 3.De ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière zijn onderworpen : 1° aan de bepalingen van het statuut van het Rijkspersoneel, met uitzondering van de artikelen 3 tot en met 6 bis, 14, 14bis, 15 tot en met 19, 20 tot en met 26, 27 tot en met 39, 45 tot en met 48, 49 tot en met 52, 56 tot en met 62, 70 tot en met 76, 77 tot en met 81 bis, 94, 103, 107, 116 en 117;2° aan de bezoldigingsregeling, met uitzondering van de artikelen 5 tot en met 7, 8, lid 1, 13, § 3, 20 tot en met 28, 30 tot en met 62;3° aan de uitvoeringsbesluiten van het statuut van het Rijkspersoneel, opgesomd in bijlage 1;4° aan de besluiten opgesomd in bijlage 2. De bepalingen van de artikelen 8, 9, 10 en 13 van het statuut van het Rijkspersoneel en van het artikel 74 zijn van toepassing zelfs wanneer de ambtenaar van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière voltijds met verlof, in disponibiliteit of in non-activiteit is. Art. 4.De ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière zijn er toe gehouden de functies uit te oefenen die hen bij het …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.