Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière
Kort samengevat
Dit koninklijk besluit stelt een nieuw statuut vast voor ambtenaren die werken in de buitenlandse en consulaire carrière, met als doel deze carrières te moderniseren en af te stemmen op het algemene Openbaar Ambt. Het vervangt een ouder statuut uit 1956 en introduceert een nieuwe structuur voor deze ambtenaren.
Wat het reguleert
- De werving, stage, benoeming en indiensttreding van ambtenaren in de buitenlandse carrière.
- De hiërarchie, evaluatie en bevorderingen binnen de buitenlandse carrière.
- De integratie van bestaande buitenlandse loopbanen in de nieuwe structuur.
- De aanpassing van het statuut aan nieuwe concepten zoals evaluatiesystemen en geldelijke loopbanen.
Wie het aanbelangt
- Ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière.
- Kandidaten die willen toetreden tot de buitenlandse carrière.
Kernpunten
- Het statuut voorziet in een buitenlandse carrière in niveau A en een uitdovende consulaire carrière in niveau C.
- De stage duurt vierentwintig maanden, verdeeld over een deel op het hoofdbestuur en een deel op post.
- Voor toelating tot de buitenlandse carrière is slagen voor taalexamens vereist, waaronder Engels op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader.
- Bevorderingen naar een hogere klasse vereisen specifieke klasse-anciënniteit: 4 jaar voor A2 naar A3, 6 jaar voor A3 naar A4, en 5 jaar voor A4 naar A5.
Wettekst
LAG AAN DE KONING Sire, Inleiding Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij ter ondertekening aan Uwe Majesteit voorleggen, beoogt de vaststelling van een statuut voor de ambtenaren van de buitenland
' worden na een definitie van de begrippen (Hoofdstuk 1) die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van het koninklijk besluit, een reeks
(Hoofdstuk 2) uiteengezet. Een aantal verplichtingen die reeds in het oude statuut werden opgesomd, blijven van toepassing. Zo zijn de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière ertoe gehouden de functies uit te oefenen die hen bij het hoofdbestuur of bij een post worden toevertrouwd (art. 4). De vrijheid van meningsuiting die erkend wordt in artikel 10 van het statuut van het Rijkspersoneel mag de internationale betrekkingen van België niet in het gedrang brengen (art. 5). In artikel 3 worden de bepalingen opgesomd uit het statuut van het Rijkspersoneel evenals van de bezoldigingsregeling die op hen van toepassing zijn. Titel 2 gewijd aan "de buitenlandse carrière" bevat acht hoofdstukken : - De werving - De stage - De benoeming en de indiensttreding als ambtenaar van de buitenlandse carrière - Hiërarchie, evaluatie en bevorderingen - Verlofregeling - Dienstactiviteit - Ordemaatregelen - Tuchtregeling In Hoofdstuk 1, afdelingen 1 en 2 worden voor de werving in de buitenlandse carrière respectievelijk de benoemingsvoorwaarden (art. 6) en de toelaatbaarheidsvereisten (art.7) opgelijst. Op te merken valt dat één van de benoemingsvoorwaarden is dat de stagiair dient te slagen voor het taalexamen bedoeld in artikel 47, § 5 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken. Hij dient uiterlijk voor de aanvang van het tweede deel van de stage te voldoen aan deze voorwaarde. Daarnaast is één van de toelaatbaarheidsvereisten dat de kandidaat dient te slagen voor het taalexamen bedoeld in artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/03/2001 pub. 31/03/2001 numac 2001002020 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 sluiten. De andere benoemingsvoorwaarden en toelaatbaarheidsvereisten zijn de eisen die gesteld worden om toe te treden tot het niveau A van het Rijkspersoneel. In afdeling 3, gewijd aan de selectie, worden in onderafdeling 1, de vergelijkende selectie voor de toelating tot het 1e deel van de stage, alle praktische modaliteiten voor de organisatie van de vergelijkende selectie en eventueel voor de organisatie van een voorexamen uiteengezet (art. 8), evenals het programma van de vergelijkende selectie zelf (art. 9 en 10). Op te merken is dat hier het slagen in een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal wordt gevraagd en dat hiervoor het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen is gevraagd. Onderafdeling 2 is gewijd aan het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage en de praktische modaliteiten, onder meer in geval van niet slagen voor dit examen. Hoofdstuk 2 behandelt de stage. Bij de
(Afdeling 1, art. 14 tot 20) worden de benoeming als stagiair, de eventuele opzegperiode bij eerdere werkgevers, het uitstel tot het aanvatten van de stage, de van toepassing zijnde weddeschaal en de op de stagiairs van toepassing zijnde regelgeving uiteengezet. De duur van de stage, de schorsing en de verlenging van de stage, de verwijzing naar een volgende stageperiode en de modaliteiten bij een eventueel ontslag komen ook aan bod. Artikel 20 voorziet dat de stagiair geen verlof wegens opdracht kan krijgen en dit omwille van het specifieke karakter van de stage. In afdeling 2 wordt de organisatie van de stage besproken (art. 21 tot 27). Belangrijk element hierbij is dat de stage vierentwintig maanden duurt en opgesplitst wordt in twee delen, het eerste deel op het hoofdbestuur en het tweede deel van maximum twaalf maanden op post. In afdeling 3, het eerste deel van de stage, (art. 23 tot 25) wordt er voorzien dat de hiërarchische meerdere, op regelmatige tijdstippen vastgesteld door de minister in functie van de duur van dit eerste deel, een beoordelingsverslag opstelt over de professionele bekwaamheden van de stagiair. Er is een beroepsprocedure voorzien indien deze beoordelingsverslagen niet in hun geheel gunstig zijn voor de stagiair. In het tweede deel van de stage (Afdeling 4, art. 26 en 27) wordt er voorzien dat het posthoofd, op regelmatige tijdstippen die worden vastgelegd door de minister in functie van de duur van dit tweede deel, een beoordelingsverslag opstelt over de professionele bekwaamheden van de stagiair evenals een eindverslag uiterlijk vijfenveertig dagen voor het einde van de stage. Ook hier is een beroepsprocedure uitgewerkt wanneer het eindverslag niet in het geheel gunstig is voor de stagiair. Hoofdstuk 3 regelt (art. 28 tot 30) de benoeming en indiensttreding als ambtenaar van de buitenlandse carrière. De benoeming in de buitenlandse carrière gebeurt in de klasse A2, daar waar dit voorheen de klasse A1 was. Voor de berekening van zijn anciënniteit in de weddeschaal en zijn rangschikking neemt de stagiair rang in op de datum waarop hij zijn stage heeft aangevat. Voorheen werd hij pas definitief benoemd na de proeftijd. De eed wordt afgelegd in de handen van de minister of van zijn afgevaardigde en is conform de bewoordingen van artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten
- Hoofdstuk 4 regelt de hiërarchie, de evaluatie en de bevorderingen in de buitenlandse carrière. In de hiërarchie (Afdeling 1, art. 31) worden 4 klassen voorzien, genummerd van A2 tot A5 (hoogste klasse). Voor elke klasse wordt een andere titel voorzien : Ambassadesecretaris en Eerste Ambassadesecretaris voor A2, Ambassaderaad en Eerste Ambassaderaad voor A3, Gevolmachtigd Minister voor A4 en Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur voor A
- Telkens worden ook bijpassende weddeschalen voorzien. Ook worden er criteria opgesomd die zullen gebruikt worden bij de classificatie van functies uitgeoefend door de ambtenaren van de buitenlandse carrière. Afdeling 2 inzake evaluatie (art. 32 en 33) bepaalt dat een aanstelling op post of bij het hoofdbestuur een verandering van functie is voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, 3°, van het koninklijk besluit van 24 september 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten2 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt en voorziet in een schriftelijke procedure voor de evaluatie van de posthoofden. Verder is de evaluatie gelijk aan die voorzien voor de ambtenaren van het Rijkspersoneel. Afdeling 3 (art. 34 tot 40) legt de regels vast voor de bevorderingen. Ook in deze loopbaan zijn er twee soorten bevorderingen, namelijk in de administratieve loopbaan de benoeming tot de hogere klasse en in de geldelijke loopbaan de toekenning van een hogere weddeschaal. In afwijking van het statuut van het Rijkspersoneel zijn de vereisten om in aanmerking te komen voor een bevordering tot de hogere klasse de volgende : 4 jaar klasseanciënniteit voor de bevordering van de klasse A2 naar A3, 6 jaar klasseanciënniteit voor de bevordering van de klasse A3 naar A4, 5 jaar klasseanciënniteit voor de bevordering van A4 naar A
- Voor de bevorderingen tot de klasse A3 wordt naast een klasse-anciënniteit van 4 jaar, ook vereist dat de ambtenaar van de klasse A2 slaagt in een taalexamen met betrekking tot een andere taal dan de Engelse, Franse of Nederlandse taal, van het niveau B1 voor de spreekvaardigheid en schrijfvaardigheid. De minister of zijn afgevaardigde stelt de lijst op van deze andere talen. Deze andere talen kunnen bijvoorbeeld de talen zijn die beschouwd worden als courante internationale talen : Arabisch, Chinees, Duits, Italiaans, Japans, Portugees, Russisch en Spaans. Bovendien, inzake de procedure zullen de kandidaten voortaan moeten solliciteren voor een vacante betrekking en hun kandidatuur motiveren. Ook de door het Directiecomité te volgen procedure wordt uiteengezet. Deze bepalingen behoeven geen verdere commentaar daar ze gelijklopend zijn met de normale bevorderingsprocedure voor het Rijkspersoneel (art. 41 tot 44). De bevordering in weddeschaal wordt gekoppeld aan de schaalanciënniteit en de beoordeling bij de evaluatie (art. 45 tot 48). Hoofdstuk 5 (art. 49 tot 56) voorziet een specifieke verlofregeling voor de ambtenaren van de buitenlandse carrière op post. Hierbij wordt rekening gehouden met de rang van hardship van elke post. Elke post wordt door het Directiecomité gerangschikt volgens een schaal van 1 tot 7 in opklimmende volgorde van hardship en dit op basis van een vergelijkende analyse van een reeks criteria (o.m. klimaatomstandigheden, veiligheid, sociale isolatie, ...). Ook worden de verloven op post opgesomd waarop de ambtenaar recht heeft op basis van het verlofbesluit. De ambtenaar van de buitenlandse carrière die bij het hoofdbestuur in dienst is, geniet van hetzelfde stelsel als dat van toepassing op de Rijksambtenaren. De vrijstelling voor het uitoefenen van een opdracht van algemeen belang wordt maximaal één maal hernieuwd. De artikelen 57 tot 60 sommen de omstandigheden op waarin de ambtenaar zich in dienstactiviteit bevindt. Artikel 59 behandelt het pensioen. De ambtenaar wordt van rechtswege gepensioneerd wanneer hij de volle leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Het in dienst houden boven de leeftijd van 65 jaar kan toegelaten worden door de minister op verzoek van de ambtenaar en na een gemotiveerd advies van het Directiecomité. De periode waarin betrokkene in dienst wordt gehouden is vastgesteld voor een maximale duur van één jaar. Deze kan worden hernieuwd. Ook wordt hier voorzien dat een ambtenaar die minstens 15 jaar dienstactiviteit telt, na zijn oppensioenstelling de eretitel van zijn laatst uitgeoefende functie kan voeren. De hoofdstukken 7 en 8 voorzien respectievelijk in een regeling voor het treffen van ordemaatregelen (art. 61 tot 73) en in een tuchtregeling (art. 74 tot 100). In vergelijking met het statuut van 1956 zijn deze hoofdstukken zeer uitgebreid en worden de procedures tot in detail omschreven. De ervaring heeft geleerd dat er nood is aan een degelijke juridische onderbouw voor deze regelingen. De tucht- en ordemaatregelen hebben hetzelfde doel. Beiden zijn gericht op de goede werking van de dienst en beogen een verstoring van de goede werking te verhelpen. De ordemaatregelen beogen enkel de goede materiële organisatie en werking van de dienst en, in tegenstelling tot de tuchtmaatregel, voorzien zij niet in de bestraffing van de verantwoordelijke ambtenaar. Bij de ordemaatregelen (hoofdstuk 7 en art. 61 tot en met 73) wordt er voorzien in de terugkeer naar het hoofdbestuur, die kan worden opgelegd aan de ambtenaren op post, en in een preventieve schorsing die kan worden opgelegd aan zowel de ambtenaren op het hoofdbestuur als de ambtenaren op post. De bevoegde overheden, de procedure en de modaliteiten voor de terugroeping naar het hoofdbestuur zijn dezelfde als voor de preventieve schorsing. Wanneer de ambtenaar het voorwerp is van een strafrechtelijke procedure of van een tuchtprocedure, dan kan de wedde worden verminderd. De nodige garanties worden geboden i.v.m. de rechten van de verdediging en voor elke stap in de procedure dienen strikte termijnen in acht genomen te worden. De preventieve schorsing mag, behoudens strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging, ten hoogste zes maanden bedragen. De preventieve schorsing is immers slechts een voorlopige bewarende ordemaatregel die binnen deze termijn moet worden gevolgd door een definitief standpunt van het bestuur. Hoofdstuk 8 (art. 74 tot 100) voorziet in een tuchtregeling. Qua structuur wordt dit hoofdstuk onderverdeeld in 6 afdelingen, waarbij de afdeling `Tuchtprocedure en beroep' nog eens onderverdeeld wordt in 4 onderafdelingen. In afdeling 1, `Tuchtfeiten' (art. 74), wordt het tuchtfeit omschreven als `elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt in het bijzonder aan een van de plichten bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, § 1, 10 en 12 van het statuut van het Rijkspersoneel of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt'. In afdeling 2, `Tuchtstraffen'(art. 75 tot 80), wordt een opsomming gemaakt van de tuchtstraffen. In het statuut van 1956 werden vijf tuchtstraffen voorzien, namelijk de terechtwijzing, de blaam, de tuchtschorsing, de terugzetting en de afzetting. Daar komen de inhouding van wedde, de verplaatsing bij tuchtmaatregel, de lagere inschaling en het ontslag van ambtswege bij. Door deze uitbreiding van het arsenaal tuchtstraffen zal een meer genuanceerd beleid in de toekomst mogelijk zijn. Verder worden in deze afdeling de modaliteiten voor elk van deze tuchtstraffen uitgewerkt. In afdeling 3, `Tuchtoverheid'(art. 81 en 82), wordt er bepaald dat de drie zwaarste straffen, namelijk de terugzetting in klasse, het ontslag van ambtswege en de afzetting door de Koning worden opgelegd. De andere tuchtstraffen worden door de Minister uitgesproken. Afdeling 4, `Tuchtprocedure en beroep'(art. 83 tot 99), wordt opgesplitst in 4 onderafdelingen die achtereenvolgens het formuleren van het voorlopig strafvoorstel, het formuleren van het definitief strafvoorstel, het opleggen van de tuchtstraf en de samenloop van tuchtfeiten behandelen. In onderafdeling 1 (art. 83 tot 88) wordt stap voor stap de procedure uiteengezet die aanvangt met de hiërarchische meerdere die het tuchtonderzoek voert tot het formuleren door deze laatste van een gemotiveerd voorlopig voorstel van tuchtstraf aan het Directiecomité en de betrokken ambtenaar. In onderafdeling 2 (art. 89 tot 95) wordt op gedetailleerde wijze het verdere verloop van de procedure omschreven. Binnen een termijn van één maand vanaf de kennisgeving van het voorlopig voorstel van tuchtstraf formuleert het Directiecomité een definitief voorstel van tuchtstraf. Deze termijn kan op gemotiveerde wijze verlengd worden. De ambtenaar kan tegen het definitief voorstel een beroep indienen bij de bevoegde raad van beroep. In onderafdeling 3 (art. 96 en 97) worden een aantal principes opgesomd waarmee de bevoegde overheid rekening moet houden na het advies van de raad van beroep. Onderafdeling 4 (art. 98) stelt dat wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, dit slechts aanleiding kan geven tot één tuchtprocedure (en dus ook maar één tuchtstraf) en dat wanneer in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd, een nieuwe procedure kan worden begonnen zonder dat de lopende procedure wordt onderbroken. Afdeling 5, `Verjaring van de tuchtvordering `(art. 99), behoeft geen verdere commentaar. Basisprincipe blijft hier dat er geen tuchtrechtelijke vervolging meer kan ingesteld worden na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. Afdeling 6, `Uitwissing van de tuchtstraf' (art. 100), behoeft ook geen verdere commentaar daar het de gebruikelijke ambtshalve uitwissing betreft van de straffen, uiteraard met uitzondering van het ontslag van ambtswege en de afzetting. TITEL 3, `Consulaire carrière' (art. 101 tot 111), heeft dezelfde structuur meegekregen als de buitenlandse carrière en behandelt na de
achtereenvolgens de hiërarchie, de evaluatie en de bevorderingen. In Hoofdstuk 1, `
' (art. 101 en 102), wordt er gezegd dat er geen selecties meer worden georganiseerd voor de consulaire carrière en dat de artikelen 49 tot en met 100 - verlofregeling, ordemaatregelen en tuchtprocedure - ook op de ambtenaren van de consulaire carrière van toepassing zijn. In Hoofdstuk 2, `Hiërarchie, evaluatie en bevorderingen', wordt in afdeling 1 de hiërarchie overlopen, beginnende met de graad van Administratief assistent (C1) bij de indiensttreding, via Administratief assistent Consulaire Zaken (C2) tot Administratief Hoofd Consulaire zaken (C3 tot C5). Afdeling 3 in verband met de bevorderingen wordt opgesplitst in 4 onderafdelingen : de
, mededeling van de beslissingen tot bevordering, voorwaarden voor de bevordering in weddeschaal en bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière (art. 105 tot 111). Ook in de consulaire carrière zijn er 2 soorten bevorderingen mogelijk, namelijk de bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière en de bevordering in weddeschaal. De voorwaarden voor bevordering in weddeschaal behoeven geen commentaar; deze voorwaarden zijn gelijklopend met wat voorzien wordt in het nieuwe KB betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. Om te kunnen worden bevorderd tot het niveau A van de buitenlandse carrière moet de ambtenaar van de consulaire carrière slagen in een reeks proeven. Om te kunnen deelnemen aan deze proeven moet de ambtenaar van de consulaire carrière eerst voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden; 2° bij zijn laatste evaluatie de vermelding "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen en behouden; 3° geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/03/2001 pub. 31/03/2001 numac 2001002020 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 sluiten tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
- Er zijn vier reeksen van proeven voorzien.De eerste reeks proeven beogen een evaluatie van het vermogen van de ambtenaar om in het niveau A te functioneren; de tweede reeks omvat 4 proeven die een evaluatie beogen van de verwerving van kennis. De kandidaten die houder zijn van een master of van een ander diploma dat toegang verleent tot het niveau A, worden beschouwd als geslaagden van de proeven van deze reeks. De derde reeks proeven tenslotte bestaat uit het opmaken van een schriftelijk verslag over een casus en een mondelinge proef over een aangelegenheid die verband houdt met een functie van de buitenlandse carrière. De vierde reeks bestaat uit een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal, waarvan het niveau overeenstemt met het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid. In titel 4 ' Integratiebepalingen, overgangs-, opheffings- en slotbepalingen' behandelen 5 hoofdstukken achtereenvolgens de integratie in de buitenlandse carrière, de integratie in de consulaire carrière, de opheffingsbepalingen, de overgangsbepalingen en de slotbepalingen. In Hoofdstuk 1, `Integratie in de buitenlandse carrière' (art. 112 tot 125), wordt bepaald dat de definitief benoemde ambtenaren van de carrière buitenlandse dienst, de definitief benoemde ambtenaren van de kanselarijcarrière van de eerste of van de tweede administratieve klasse evenals de definitief benoemde ambtenaren van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking, geïntegreerd worden in de buitenlandse carrière. In de tabel opgenomen in artikel 112, § 2 wordt, op basis van hun administratieve klasse onder het statuut van 1956, de integratie verricht in de klasse in de nieuwe buitenlandse carrière. Verder wordt er gesteld dat de anciënniteit die verworven werd in de respectieve carrières geacht wordt verworven te zijn in de nieuwe carrière en wordt elke bestaande weddeschaal omgeschakeld naar de weddeschalen van het nieuwe KB betreffende de geldelijke loopbaan. Hierbij wordt er telkens over gewaakt dat de meest gunstige weddeschaal van toepassing is. In Hoofdstuk 2 (art. 116 tot 119) worden dezelfde regelingen getroffen, maar voor de ambtenaren van de kanselarijcarrière. De ambtenaren die definitief benoemd werden op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit en behoren tot de derde of vierde klasse van de kanselarijcarrière behoren tot de consulaire carrière. De opheffingsbepalingen (Hoofdstuk 3, art. 120 tot 125) behoeven geen commentaar, aangezien de bindende kracht van de vermelde regelingen wordt opgeheven vanaf de inwerkingtreding van de opheffingsbepalingen. In Hoofdstuk 4 (art. 126 tot 136) worden de overgangsbepalingen opgesomd. Deze bepalingen regelen de overgang van de oude naar de nieuwe regeling voor de stages, de beroepen inzake stages, de vergelijkende selecties, de reeds samengestelde reserves, de ambtenaren van de consulaire carrière die reeds houder zijn van brevetten, de procedures inzake bevorderingen, tucht- en ordemaatregelen en de pensionering. Verder wordt in de artikelen 130 tot en met 134 de inwerkingtreding van artikel 37 m.b.t. de voorwaarden verbonden aan de klasse-anciënniteit voor de bevordering tot de klasse A3, gefaseerd in de tijd om pas op 1 januari 2020 volledig in werking te treden. De slotbepaling (art. 137 en 138) regelt de inwerkingtreding en de uitvoering van dit besluit. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 37, dat in werking treedt op 1 januari
- De minister bevoegd voor Buitenlandse Zaken en de minister bevoegd voor ontwikkelingssamenwerking zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Opmerkingen van de Raad van State In het licht van het advies van de Raad van State en gelet op de gemaakte opmerkingen, worden hierna enkele nadere preciseringen geformuleerd.
- Voorafgaande opmerking van de Raad van State met betrekking tot het aannemen van reglementaire teksten in een periode waarin « de ontstentenis van de controle die het Parlement krachtens de Grondwet moet kunnen uitoefenen, tot gevolg heeft dat de Regering niet over de volheid van haar bevoegdheid beschikt » Er wordt hier verwezen naar de omzendbrief van de Kanselarij van 28 april 2014 met betrekking tot de voorzichtige en lopende zaken waarin duidelijk vermeld wordt dat het steeds mogelijk is, na het advies van de Raad van State te hebben ingewonnen, reglementaire teksten te finaliseren waarvan de voorbereiding aangevat werd lang vóór de kritieke periode, en die na sectorale onderhandelingen, enerzijds, geleid hebben tot de ondertekening van een protocolakkoord en, anderzijds, geleid hebben tot een akkoord van de bevoegde Ministers, in het bijzonder in het raam van de administratieve en budgettaire controle.Het voorliggend besluit werd overigens goedgekeurd door de Ministerraad.
- Voorafgaande vormvereisten De vereiste voorafgaandelijk het advies in te winnen van het Directiecomité werd wel degelijk vervuld en heeft, zoals vermeld in de aanhef van voorliggend besluit, plaatsgevonden op 6 september 2013 en 21 maart 2014.
- Algemene opmerking Er is een schending van de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie : - Ofwel, wanneer personen die zich in gelijke situaties bevinden, op verschillende wijze behandeld worden; - Ofwel, wanneer personen die zich in verschillende situaties bevinden, op gelijke wijze behandeld worden. Welnu, er blijkt uit dit Verslag dat de auteurs van dit besluit simpelweg bepalingen willen moderniseren die reeds sedert 1956 bestaan en die drie categorieën ambtenaren betreffen (ambtenaren van de buitenlandse dienst/diplomaten, kanseliers/consuls en attachés voor internationale samenwerking) die een specifiek statuut hebben, duidelijk onderscheiden van dat van de andere ambtenaren van het openbaar ambt. Daarenboven blijkt duidelijk uit de tekst van het voorliggend besluit dat daar waar de ambtenaren van de buitenlandse en van de consulaire carrière zich in gelijke situaties bevinden als de andere ambtenaren van het openbaar ambt, de bepalingen van toepassing op deze ambtenaren dat eveneens zijn op de ambtenaren van de buitenlandse carrière en van de consulaire carrière. Er zijn geen afwijkende bepalingen dan waar het nodig is rekening te houden met de bijzonderheden van deze bijzondere carrières. De Staatssecretaris bevoegd voor Ambtenarenzaken is overigens bijzonder waakzaam geweest ten aanzien van het naleven van de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie ten aanzien van de andere ambtenaren van het openbaar ambt.
- Bijzondere opmerkingen 1) De artikelen 26 en 27 werden herzien in die zin dat de stagiair ambtshalve op post zal worden gestuurd voor het tweede deel van de stage.De mogelijkheid van het uitsturen die voorheen voorzien werd, werd omgevormd in een verplichting tot uitsturen. 2) Betreffende afdeling 3 van hoofdstuk 2 van titel 3 werd inmiddels, wat de consulaire carrière betreft, een bepaling voorzien die het volgende oplegt voor de overgang van een ambtenaar van niveau C naar niveau A : - het slagen voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/03/2001 pub. 31/03/2001 numac 2001002020 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 sluiten tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd samengevat op 18 juli 1966; - het slagen voor het taalexamen betreffende de kennis van de Engelse taal, net als hetgeen voorzien is in artikel 9, § 1, 3° van het besluit. Het past te verwijzen naar de artikelen 111 en
- 3) Betreffende het artikel 137 (voorheen artikel 138) : rekening houdende met de aard en de omvang van de hervorming, werd de terugwerkende kracht weggelaten, waardoor het huidig besluit in werking treedt op de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad. Deze specifieke datum van inwerkingtreding werd gekozen om voor de hand liggende praktische redenen, met name met het oog op de betaling van de wedden. 4) Er werd rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State, met uitzondering van de bemerkingen geformuleerd ten aanzien van de volgende artikelen : 1° Artikel 32 (voorheen artikel 33) : Deze bepaling betreft wel degelijk de evaluatie.Inderdaad, deze bepaling werd voorzien in het licht van artikel 5, lid 1 en lid 2, 3° van het koninklijk besluit van 24 september 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten2 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt dat het volgende bepaalt : "De evaluatieperiode bedraagt één jaar, vanaf 1 januari tot 31 december. De evaluatieperiode begint echter : 1° (...) 2° (...) 3° op de dag zelf waarop het personeelslid van functie verandert. (...)" Op die manier wordt de aanstelling op post of bij het hoofdbestuur geïdentificeerd als een verandering van functie vanaf dewelke een nieuwe evaluatieperiode begint. Voor meer duidelijkheid, werd artikel 32 als volgt gewijzigd : "Voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, 3° van het koninklijk besluit van 24 september 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten2 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt is de aanstelling op post of op het hoofdbestuur een verandering van functie". Dezelfde rechtvaardiging geldt voor de benaming van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel
- 2° Artikel 37 (voorheen artikel 38) : de voorwaarde van het slagen voor een taalexamen betreffende de kennis van een vierde taal is een toelaatbaarheidsvereiste, zoals de klasse-anciënniteit dat is om bevorderd te kunnen worden.Het betreft in geen enkel geval een element voor de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten voor een bevordering. Alle talen, zijnde het Duits, het Arabisch, het Chinees, het Spaans, het Italiaans, het Japans, het Portugees en het Russisch, worden op gelijke voet behandeld. Enkel hetzelfde niveau van kennis is vereist, met name niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid. Dit taalexamen wordt georganiseerd door de Afgevaardigd Bestuurder van het Selectiebureau van de federale overheid, die het vereiste kennisniveau certifieert. De lijst met talen wordt vastgesteld door de minister of zijn afgevaardigde. 3° Artikel 59 (voorheen artikel 60) : Het artikel 59 bevestigt dat de ambtenaar op een leeftijd van volle 65 jaar ambtshalve op rust wordt gesteld.Het voorziet ook de mogelijkheid voor de ambtenaar om actief te blijven boven de leeftijd van 65 jaar mits toelating door de Minister op basis van een aanvraag van de betrokken ambtenaar (KB 11/09/2012) en na een met redenen omkleed advies van het Directiecomité, en dit voor een hernieuwbare termijn van maximaal één jaar. Het artikel past de algemene regeling van het Koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van de staat toe op het nieuwe en specifieke statuut van de buitenlandse carrière en laat het Directiecomité toe aanvullende voorwaarden te bepalen, met inbegrip van een eventuele leeftijdsgrens voor het actief blijven boven de gestelde pensioenleeftijd. Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige, en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Buitenlandse Zaken, D. REYNDERS De Minister van Ontwikkelingssamenwerking, J.-P. LABILLE Advies 56.257/4 van 21 mei 2014 van de Raad van State, afdeling Wetgeving, over een ontwerp van koninklijk besluit `tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière' Op 29 april 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière'. Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 21 mei
- De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Jacques Jaumotte en Bernard Blero, staatsraden, Marianne Dony, assessor, en Colette Gigot, griffier. Het verslag is uitgebracht door Yves Delval, auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Vandernoot. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 14 mei
- Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht van de Regering op het feit dat de ontstentenis van de controle die het Parlement krachtens de Grondwet moet kunnen uitoefenen, tot gevolg heeft dat de Regering niet over de volheid van haar bevoegdheid beschikt. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de Regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van een verordening noodzakelijk is. Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voormelde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten. Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen. Voorafgaande vormvereisten Krachtens artikel 6, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 "houdende het statuut van het rijkspersoneel", moet het voorliggende ontwerp, dat bijzondere bepalingen bevat tot uitvoering van dat statuut, voorafgaandelijk om advies worden voorgelegd aan het Directiecomité. Het advies van dat comité dat in de aanhef van het ontwerp wordt vermeld, is niet gevoegd bij de adviesaanvraag. De stellers van het ontwerp dienen bijgevolg erop toe te zien dat dit voorafgaand vormvereiste naar behoren wordt vervuld. Algemene opmerking De stellers van het ontwerp moeten in staat zijn om de aanpassingen die bij het ontwerp in het algemeen statuut worden aangebracht voor de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière in het licht van het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel te verantwoorden ten aanzien van het overige overheidspersoneel. Bijzondere opmerkingen Dispositief Artikel 1
- Wat onderdeel 8° betreft, behoort, in plaats van "arrêté de congé" te schrijven, in correct Frans de bijvoeglijke bepaling ofwel ingeleid te worden met het juiste voorzetsel "arrêté sur les congés", ofwel zonder voorzetsel, "arrêté congé", geschreven te worden.De eerste formule is het gebruikelijkst. De hele tekst behoort dienovereenkomstig te worden herzien.
- Met betrekking tot de definitie van "werkdagen" in punt 12°, heeft de staatssecretaris voor Ambtenarenzaken in zijn schrijven van 11 april 2014 gevraagd dat deze definitie zou worden overgenomen uit artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 28/11/1998 numac 1998002123 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen sluiten "betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen". Het is de afdeling Wetgeving niet duidelijk waarom geen gevolg gegeven is aan deze opmerking. Artikel 4 De Koning is niet gemachtigd om een beslissing te kwalificeren als maatregel van inwendige orde. Zulk een kwalificatie kan niet bindend zijn voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij de uitoefening van haar bevoegdheid om te oordelen of zo'n beslissing een bestuurshandeling uitmaakt die aangevochten kan worden in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De bepaling dient te vervallen. Artikel 6 In het derde lid is het begrip "kalenderdag" niet op zijn plaats. Aangezien het in casu om gewone dagen gaat, kan ermee worden volstaan om "dagen" te schrijven.
- Het ontwerp dat thans aan de afdeling Wetgeving is voorgelegd, is gedeeltelijk hernummerd ten opzichte van het eerder voorgelegde ontwerp.Er behoort bijgevolg geen melding te worden gemaakt van de artikelen 3 en 4, maar wel van de artikelen 4 en
- De stellers van het ontwerp behoren na te gaan of nog andere verwijzingen in het ontwerp moeten worden gecorrigeerd.
- In onderdeel 2° dienen de woorden "van dit besluit" te vervallen. Dezelfde opmerking geldt voor de rest van het ontwerp. Artikelen 26 en 27 De criteria op grond waarvan de stagiair gedurende het tweede deel van de stage al dan niet naar het buitenland gestuurd kan worden, zijn voor de afdeling Wetgeving niet duidelijk. Het verslag aan de Koning dient op dat punt te worden aangevuld en de bepaling behoort desgevallend te worden herzien. Artikel 27 In het ontworpen artikel 27, § 3, tweede lid, en § 4, tweede lid, wordt voor de berekening van de termijn de "theorie van de verzending" gehanteerd. Deze theorie is reeds meermaals afgekeurd door het Grondwettelijk Hof.
- 4 JULI
- - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de Grondwet, de artikelen 37 en 107, tweede lid; Gelet op het koninklijk besluit van 15 juli 1920 betreffende de inrichting van het Diplomatiek Korps; Gelet op het koninklijk besluit van 15 juli 1920 houdende nieuwe inrichting van het consulair korps; Gelet op het koninklijk besluit van 16 augustus 1923 betreffende de inrichting van het korps der kanseliers, de dragomannen en tolken; Gelet op het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel; Gelet op het koninklijk besluit van 4 februari 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/02/1999 pub. 26/02/1999 numac 1999015048 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Koninklijk besluit tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière Buitenlandse Dienst en van de Kanselarijcarrière van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking sluiten tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière Buitenlandse Dienst en van de kanselarijcarrière van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; Gelet op het koninklijk besluit van 4 augustus 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/08/1999 pub. 31/08/1999 numac 1999015218 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Koninklijk besluit tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking sluiten tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking; Gelet op het advies van het Directiecomité, gegeven op 6 september 2013 en 21 maart 2014; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 3 september 2013 en 26 maart 2014; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 30 september 2013 en 2 april 2014; Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken, gegeven op 12 november 2013 en 11 april 2014; Gelet op de protocollen van onderhandelingen 18/1 en 19/1 van het Sectorcomité VII Buitenlandse Zaken, gesloten op 29 november 2013 en 7 april 2014; Gelet op artikel 8, § 1, 4° van de wet van 15 december 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging, is dit besluit vrijgesteld van een regelgevingsimpactanalyse omdat het bepalingen van autoregulering betreft; Gelet op het advies nr. 56.257/4 van de Raad van State, gegeven op 21 mei 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Ontwikkelingssamenwerking en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : TITEL
- - Definities en
HOOFDSTUK
- - Definities Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "de FOD" : de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;2° "een post" : een ambassade, een permanente vertegenwoordiging, een consulaat-generaal, een consulaat, een vice-consulaat of een consulair agentschap;3° "het statuut van het Rijkspersoneel" : het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;4° "de minister" : de Minister van Buitenlandse Zaken;5° "de afgevaardigd bestuurder" : de Afgevaardigd Bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid;6° "de voorzitter" : de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD;7° "de stafdirecteur" : de Stafdirecteur van de Stafdirectie Personeel en Organisatie van de FOD;8° "het verlofbesluit" : het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 28/11/1998 numac 1998002123 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen sluiten betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen;9° "de bezoldigingsregeling" : het koninklijk besluit van 25 oktober 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten3 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;10° "de klasse" : een groepering van functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden;11° "de functie" : het geheel van taken en verantwoordelijkheden die de ambtenaar op zich dient te nemen;12° "werkdagen" : alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en feestdagen. HOOFDSTUK
- -
Art. 2.§ 1.
Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van : 1° de buitenlandse carrière;2° de consulaire carrière. §
- Het gebruik van de mannelijke vorm in dit besluit is gemeenslachtig. Art. 3.De ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière zijn onderworpen : 1° aan de bepalingen van het statuut van het Rijkspersoneel, met uitzondering van de artikelen 3 tot en met 6 bis, 14, 14bis, 15 tot en met 19, 20 tot en met 26, 27 tot en met 39, 45 tot en met 48, 49 tot en met 52, 56 tot en met 62, 70 tot en met 76, 77 tot en met 81 bis, 94, 103, 107, 116 en 117;2° aan de bezoldigingsregeling, met uitzondering van de artikelen 5 tot en met 7, 8, lid 1, 13, § 3, 20 tot en met 28, 30 tot en met 62;3° aan de uitvoeringsbesluiten van het statuut van het Rijkspersoneel, opgesomd in bijlage 1;4° aan de besluiten opgesomd in bijlage
- De bepalingen van de artikelen 8, 9, 10 en 13 van het statuut van het Rijkspersoneel en van het artikel 74 zijn van toepassing zelfs wanneer de ambtenaar van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière voltijds met verlof, in disponibiliteit of in non-activiteit is. Art. 4.De ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière zijn er toe gehouden de functies uit te oefenen die hen bij het hoofdbestuur of bij een post worden toevertrouwd. Art. 5.De vrijheid van meningsuiting die erkend wordt in artikel 10 van het statuut van het Rijkspersoneel mag de internationale betrekkingen van België niet in het gedrang brengen. TITEL
- - Buitenlandse carrière HOOFDSTUK
- - De werving Afdeling
- - Benoemingsvoorwaarden Art. 6.Niemand kan tot ambtenaar van de buitenlandse carrière worden benoemd indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de in artikel 7 gestelde toelaatbaarheidsvereisten vervullen;2° slagen voor de selectie, voorzien in de artikelen 8 tot en met 13;3° met goed gevolg de stage, voorzien in de artikelen 14 tot en met 27, volbrengen;4° slagen voor het taalexamen bedoeld in artikel 47, § 5 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
- Aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 4° moet voldaan zijn uiterlijk voor de aanvang van het tweede deel van de stage. De stagiair die voor de aanvang van het tweede deel van de stage niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 4°, wordt ontslagen met naleving van een opzegtermijn van drie maanden, die ingaat op de eerste dag volgend op de laatste dag van het eerste deel van de stage. Afdeling
- - De toelaatbaarheidsvereisten Art. 7.§
- De toelaatbaarheidsvereisten zijn de volgende : 1° Belg zijn;2° een gedrag hebben dat overeenstemt met de eisen van de functie;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;5° zich persoonlijk niet bevinden in een toestand van belangenconflict;6° houder zijn van één der diploma's of studiegetuigschriften die toegang geven tot het niveau A van de Rijksbesturen;7° geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/03/2001 pub. 31/03/2001 numac 2001002020 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 sluiten tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli
- §
- Een afwijking van de in de paragraaf 1, 6°, bedoelde diplomavoorwaarde kan door de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken worden toegestaan : 1° hetzij voor de kandidaten die houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift van een lager niveau, in geval van schaarste op de arbeidsmarkt, na advies van de afgevaardigd bestuurder;2° hetzij, op voorstel van de minister, voor de kandidaten die houder zijn van een attest dat getuigt van generieke competenties die buiten diploma zijn verworven en toegang geeft tot het niveau A.Dit getuigschrift wordt uitgereikt door het Selectiebureau van de Federale Overheid en zijn geldigheidsduur wordt bepaald op vijf jaar vanaf de datum van zijn aflevering. §
- Wanneer die voorwaarde gewettigd is wegens de behoeften van de dienst, kan de minister, na advies van de afgevaardigd bestuurder, het bezit voorschrijven van bijzondere diploma's of studiegetuigschriften, die krachtens de reglementering in aanmerking komen voor de betrekkingen van niveau A in de Rijksbesturen. §
- Bij het organiseren van een vergelijkende selectie stelt de afgevaardigd bestuurder de datum vast waarop de kandidaat moet voldoen aan de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften. De afgevaardigd bestuurder gaat de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften na. Zodra de afgevaardigd bestuurder, in de loop van een vergelijkende selectie, vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften, sluit hij deze van de vergelijkende selectie uit en geeft hij hem kennis van zijn beslissing. Afdeling
- - De selectie Onderafdeling
- - De vergelijkende selectie voor de toelating tot het eerste deel van de stage Art. 8.§
- Voor de werving in de buitenlandse carrière organiseert de afgevaardigd bestuurder, op verzoek van de minister, een vergelijkende selectie die leidt tot een rangschikking van de geslaagden. §
- De afgevaardigd bestuurder kondigt de organisatie van een vergelijkende selectie aan door ten minste een bericht in het Belgisch Staatsblad. Het bericht vermeldt : 1° de uiterste datum voor kandidatuurstelling;2° de samenstelling van een reserve van geslaagden, de duur en de omvang ervan;3° de toelaatbaarheidsvereisten;4° het volledige programma van de vergelijkende selectie;5° de benoemingsvoorwaarden. De minister of zijn afgevaardigde bepaalt de omvang van de reserve van geslaagden. De kandidaat beschikt over ten minste eenentwintig dagen, vanaf de datum van bekendmaking van het bericht in het Belgisch Staatsblad, om zich kandidaat te stellen. §
- Na het afsluiten van de inschrijvingen, kan de minister, op voorstel van de afgevaardigd bestuurder, wanneer deze oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten het rechtvaardigt, aan het programma van de vergelijkende selectie een voorexamen toevoegen. Het bericht in het Belgisch Staatsblad bedoeld in paragraaf 2 vermeldt de mogelijke organisatie van het voorexamen. Het programma van de vergelijkende selectie vermeldt de aard van het voorexamen en, in voorkomend geval, de materie waarop het betrekking zal hebben. Tot de vergelijkende selectie wordt enkel de kandidaat toegelaten die bij het voorexamen vijftig procent van de punten heeft behaald. Voor de rangschikking van de geslaagden bij de vergelijkende selectie wordt geen rekening gehouden met de behaalde resultaten op het voorexamen. Art. 9.§
- Het programma van de vergelijkende selectie omvat : 1° een proef met betrekking tot de generieke bekwaamheden die vereist zijn voor het uitoefenen van de functie en die ten minste een schriftelijke proef omvat bestaande uit de samenvatting van en de kritische commentaar op een voordracht;2° een mondelinge proef die moet toelaten de belangstelling te beoordelen die de kandidaat heeft voor de verdediging van de Belgische belangen in het buitenland en de opdrachten van de FOD;3° een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal, waarvan het niveau overeenstemt met het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid. De generieke bekwaamheden bedoeld in het eerste lid, 1° zijn de volgende : 1° het beheren van informatie;2° het beheren van taken;3° het leidinggeven;4° de interpersoonlijke relaties. §
- Het programma van de vergelijkende selectie wordt vastgesteld door de afgevaardigd bestuurder, na overleg met de minister of zijn afgevaardigde. Art. 10.§
- De afgevaardigd bestuurder bepaalt de volgorde van de proeven. De afgevaardigd bestuurder bepaalt het aantal punten dat aan de vergelijkende selectie in zijn geheel en aan elk van de proeven wordt toegekend. Tot de volgende proef wordt enkel de kandidaat toegelaten die bij de vorige proef minimum vijftig procent van de punten behaalde. Om voor de vergelijkende selectie te slagen, moet de kandidaat in totaal zestig procent van de punten halen voor het geheel van de proeven. §
- Na het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie ontvangt iedere kandidaat bericht van zijn resultaat. §
- De geslaagde voor een vergelijkende selectie zoals voorzien in artikel 8, behoudt het voordeel van zijn slagen gedurende een jaar vanaf de datum van het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie. De afgevaardigd bestuurder kan de geldigheid van de wervingsreserves, op degelijk gemotiveerd verzoek van de minister of zijn afgevaardigde, één keer verlengen met een periode van maximaal een jaar. Indien het gedurende deze periode nodig is aan te werven, dan worden de geslaagden die aan de gestelde voorwaarden voldoen, in de volgorde van hun rangschikking tot de stage toegelaten. De rangschikking wordt bepaald op basis van de punten die behaald werden bij de proeven, bedoeld in artikel 9, § 1, eerste lid, 1° en 2°. Onder de geslaagden van twee of meer vergelijkende selecties, wordt voorrang verleend aan de geslaagde van de vergelijkende selectie waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten. §
- De leden van de jury worden door de afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde aangeduid, in overleg met de minister of zijn afgevaardigde. Onderafdeling
- - Examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage Art. 11.Het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage omvat een proef waarvan de inhoud door de minister of zijn afgevaardigde wordt bepaald. Deze proef handelt over de tijdens de stage verworven kennis inzake de materies die vastgelegd worden in het stageplan. Art. 12.§
- Om voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage te slagen, moet de stagiair zestig procent van de punten behalen. §
- De leden van de jury worden door de minister of zijn afgevaardigde aangeduid. Art. 13.De stagiair die niet geslaagd is voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage, kan een tweede maal deelnemen aan dit examen. Een nieuw examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage wordt georganiseerd in de loop van de derde maand die volgt op het einde van het eerste deel van de stage. De stagiair blijft aangesteld bij het hoofdbestuur tot het slagen voor dit examen. De stagiair, die definitief niet geslaagd is voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage, wordt ontslagen met naleving van een opzegtermijn van drie maanden, die ingaat op de dag van de betekening van de beslissing. HOOFDSTUK
- - De stage Afdeling
- -
Art. 14.§ 1.
De minister laat de geslaagden toe tot het eerste deel van de stage in de volgorde van rangschikking van de vergelijkende selectie en benoemt hen in de hoedanigheid van stagiair. Zij worden in die hoedanigheid in dienst geroepen met het genot van al hun administratieve en geldelijke rechten, uiterlijk de eerste dag van de derde maand volgend op die van de toelaatbaarheidsverklaring. Wanneer een geslaagde een opzegperiode moet volbrengen in toepassing van de toepasselijke bepalingen in een Staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat of bij een instelling van de Europese Gemeenschappen of een instelling die opgericht werd door of krachtens een van de verdragen welke ze regelen, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegtermijn verstrijkt. Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve toestand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden. §
- De geslaagde die niet tot de stage wordt opgeroepen, wordt in de reserve gehouden in zijn oorspronkelijke rangschikking. De geslaagde die een betrekking aanvaardt, is gehouden deze op te nemen. Diegene die, na aanvaarding, weigert om de stage aan te vangen, wordt definitief geschrapt van de reserve van geslaagden. De geslaagde, die voorlopig geen gevolg wenst te geven aan een verzoek tot het aanvatten van de stage, krijgt uitstel. Tijdens dit uitstel, waarvan de duur de geldigheidsdatum van de reserve niet mag overschrijden, verliest hij het voordeel van zijn plaats in de rangschikking. Met zijn kandidatuur wordt geen rekening meer gehouden tenzij op zijn verzoek. Art. 15.De stagiair heeft niet de hoedanigheid van ambtenaar van de buitenlandse carrière in de zin van dit besluit. De bepalingen van dit besluit en van de besluiten die het wijzigen of aanvullen, gelden voor hem slechts in zoverre zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard. Art. 16.Gedurende de stageperiode verkrijgt de stagiair de weddeschaal NA
- Art. 17.Zijn van toepassing op de stagiair : 1° de bepalingen van de artikelen 7 tot en met 13, 14ter, 33bis, 99, 100, tweede lid, 101, eerste lid, 112, 113, eerste lid, 1° en 2° van het statuut van het Rijkspersoneel;2° de bepalingen van de artikelen 4 tot en met 5, 49 tot en met 55, § 1, 56 en 61 tot en met
- Art. 18.§
- Voor de berekening van de duur van de stage worden alle perioden waarin de stagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen. Zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is, hebben perioden van afwezigheid gedurende de stage een schorsing van die laatste tot gevolg, van zodra ze, in één of verschillende malen, dertig werkdagen overschrijden. Komen voor de berekening van deze afwezigheidsdagen niet in aanmerking : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de verloven toegestaan met toepassing van de artikelen 81, § 1 en § 2 en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;3° de verloven bedoeld in de artikelen 14, 15 en 20 van het verlofbesluit. §
- In geval van schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair en zijn administratieve stand wordt vastgesteld overeenkomstig de reglementaire bepalingen die op hem van toepassing zijn. §
- Na afloop van een afwezigheid die een schorsing van de stage tot gevolg heeft gehad tijdens het eerste deel van deze stage, beslist de voorzitter of zijn afgevaardigde, na overleg met de stafdirecteur, of het noodzakelijk is dat de stagiair tijdens de voor de stage vastgestelde periode zijn opleiding voltooit of om deze vorming te verdagen naar de volgende stageperiode. In dit geval behoudt de stagiair, in de tussentijd, de hoedanigheid van stagiair. §
- De stagiair die verwezen wordt naar de volgende stageperiode omwille van een onderbreking van zijn opleiding wegens ziekte of gebrekkigheid, wordt, van zodra zijn afwezigheid een einde neemt, in dienstactiviteit gehouden. Art. 19.§
- De stagiair kan gedurende de stage ontslagen worden wegens beroepsongeschiktheid met naleving van een opzegtermijn van drie maanden. §
- Elke zware fout begaan tijdens de stage kan aanleiding geven tot een ontslag zonder opzegtermijn voor de stagiair. De betrokkene moet voorafgaand gehoord of ondervraagd worden door de voorzitter of zijn afgevaardigde. §
- Het ontslag, bedoeld in paragrafen 1 en 2, wordt uitgesproken door de minister of zijn afgevaardigde op gemotiveerd voorstel van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie. Art. 20.Gedurende de stage kan de stagiair geen verlof wegens opdracht krijgen overeenkomstig de artikelen 95 tot en met 112 van het verlofbesluit. Afdeling
- - Organisatie van de stage Art. 21.§
- De minister neemt de nodige schikkingen voor : 1° de organisatie van de stage;2° het opstellen van het stageplan;3° het vaststellen van de evaluatiecriteria voor de beoordeling tijdens de stage;4° het vaststellen van de evaluatiecriteria voor de vergelijkende selectie zoals voorzien in artikel 8 en het examen zoals voorzien in artikel
- §
- De stage wordt geplaatst onder de verantwoordelijkheid van de stafdirecteur of zijn afgevaardigde. Art. 22.De stage duurt vierentwintig maanden. In de gevallen voorzien in artikel 18 doch met uitzondering van de verwijzing naar de volgende stageperiode voorzien in paragraaf 3 van dat artikel, kan de stage verlengd worden. Afdeling
- - Het eerste deel van de stage Art. 23.In de periode voorafgaand aan het examen voorzien in artikel 11, verricht de stagiair zijn stage op het hoofdbestuur. De directe hiërarchische meerdere stelt op regelmatige tijdstippen die worden vastgelegd door de minister in functie van de duur van deze periode, een beoordelingsverslag op over de professionele bekwaamheden van de stagiair. Elk verslag wordt naar de stafdirecteur of zijn afgevaardigde gestuurd en medegedeeld aan de stagiair. De stagiair kan hierop zijn opmerkingen maken. De verslagen en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen. Art. 24.Wanneer de verslagen vermeld in artikel 23 in het geheel gunstig zijn voor de stagiair, geeft de voorzitter of zijn afgevaardigde de stagiair de toelating om zich aan te bieden voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage. Art. 25.§
- Wanneer de verslagen vermeld in artikel 23 niet in het geheel gunstig zijn voor de stagiair, dan vat de stafdirecteur of zijn afgevaardigde de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie. Te dien einde maakt hij een verslag op. Dit verslag wordt aan de stagiair meegedeeld en deze kan hierop zijn opmerkingen maken. Het verslag en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen. §
- Nadat de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie alle nuttige informatie heeft ingewonnen, in het bijzonder bij de betrokken directe hiërarchische meerderen, nodigt zij de stagiair uit om te worden gehoord alvorens een beslissing te nemen. De stagiair verschijnt in persoon; hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Deze persoon mag geen deel uitmaken van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie. Wanneer de stagiair, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldig excuus niet verschijnt, neemt de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie een beslissing. De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie spreekt zich uit op grond van het in paragraaf 1 bedoelde verslag van de stafdirecteur of zijn afgevaardigde, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt. §
- De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie beslist om de stagiair toelating te geven om zich aan te bieden bij het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage of legt aan de minister of zijn afgevaardigde een gemotiveerd voorstel tot ontslag voor. Afdeling
- - Het tweede deel van de stage Art. 26.Na geslaagd te zijn voor het examen, voorzien in artikel 11, wordt de stagiair voor maximum twaalf maanden op post gestuurd om zich vertrouwd te maken met de verschillende onderwerpen die deel uitmaken van het stageprogramma en het functioneren op een post. Art. 27.§
- Gedurende deze periode stelt het posthoofd op regelmatige tijdstippen die worden vastgelegd door de minister in functie van de duur van deze periode, een beoordelingsverslag over de professionele bekwaamheden van de stagiair op. Elk verslag wordt naar de stafdirecteur of zijn afgevaardigde gestuurd en medegedeeld aan de stagiair. De stagiair mag hierop zijn opmerkingen maken. De verslagen en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen. §
- Ten laatste vijfenveertig dagen voor het einde van de stage, laat het posthoofd een eindverslag toekomen aan de stafdirecteur of zijn afgevaardigde, dat hij eveneens aan de stagiair meedeelt. De stagiair kan hierop zijn opmerkingen maken binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de dag van het ontvangen van het eindverslag. Het verslag en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen. §
- In de loop van de laatste stagemaand vat de stafdirecteur of zijn afgevaardigde de voorzitter of zijn afgevaardigde met het eindverslag. Wanneer dit eindverslag in het geheel gunstig is voor de stagiair, stelt de minister of zijn afgevaardigde de stagiair voor voor benoeming. Wanneer dit eindverslag niet in het geheel gunstig is voor de stagiair, dan vat de voorzitter of zijn afgevaardigde de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie. §
- Nadat de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie alle nuttige informatie heeft ingewonnen, nodigt zij de stagiair uit om te worden gehoord alvorens een beslissing te nemen. De stagiair verschijnt in eigen persoon; hij kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze. Deze persoon mag geen deel uitmaken van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie. Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair zonder geldig excuus niet verschijnt, neemt de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie een beslissing. De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie spreekt zich uit op grond van het eindverslag, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt. §
- De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie beslist ofwel dat de stagiair geschikt is voor benoeming ofwel legt zij aan de minister of zijn afgevaardigde een gemotiveerd voorstel van ontslag voor. HOOFDSTUK
- - De benoeming en de indiensttreding als ambtenaar van de buitenlandse carrière Afdeling
- - De benoeming als ambtenaar van de buitenlandse carrière Art. 28.§
- De stagiair die aan de benoemingsvoorwaarden opgesomd in artikel 6 voldoet, wordt door Ons, op voorstel van de minister, benoemd als ambtenaar van de buitenlandse carrière in de klasse A
- De stagiair die op het einde van zijn stage niet voldoet aan de benoemingsvoorwaarden voorzien in artikel 6, verliest ambtshalve en zonder vooropzeg zijn hoedanigheid van stagiair. Op het ogenblik van hun benoeming worden de stagiairs alfabetisch gerangschikt. §
- Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en voor zijn rangschikking neemt de stagiair zijn rang in op de datum waarop hij zijn stage heeft aangevat. Afdeling
- - De indiensttreding Art. 29.De stagiair legt de eed af bij zijn benoeming als ambtenaar van de buitenlandse carrière. Hij wordt geacht in dienst te treden in die hoedanigheid vanaf het moment van zijn eedaflegging. Indien hij weigert de eed af te leggen, wordt zijn benoeming als onbestaande beschouwd. Art. 30.De eed wordt afgelegd in de handen van de minister of van zijn afgevaardigde. HOOFDSTUK
- - Hiërarchie, evaluatie en bevorderingen Afdeling
- - Hiërarchie Art. 31.§
- De buitenlandse carrière maakt deel uit van het niveau A van het Rijkspersoneel, zoals bepaald in artikel 3 van het statuut van het Rijkspersoneel. §
- De buitenlandse carrière bevat vier klassen, genummerd van A2 tot A5 die de hoogste is. De ambtenaar treedt in dienst in de klasse A2 en wordt bekleed met de weddeschaal NA
- §
- De ambtenaar benoemd in de klasse A2 en bekleed met de weddeschaal NA21 of NA22, draagt de titel van Ambassadesecretaris. De ambtenaar benoemd in de klasse A2 en bekleed met de weddeschaal NA23, NA24 of NA25, draagt de titel van Eerste Ambassadesecretaris. De ambtenaar benoemd in de klasse A3 en bekleed met de weddeschaal NA31 of NA32, draagt de titel van Ambassaderaad. De ambtenaar benoemd in de klasse A3 en bekleed met de weddeschaal NA33, NA34 of NA35, draagt de titel van Eerste Ambassaderaad. De ambtenaar benoemd in de klasse A4 draagt de titel van Gevolmachtigd Minister. De ambtenaar benoemd in de klasse A5 draagt de titel van Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur. §
- De weddeschalen zijn diegene die vastgesteld zijn in artikel 8, tweede tot en met vijfde lid van de bezoldigingsregeling en in bijlage I van de bezoldigingsregeling. §
- De functies uitgeoefend door de ambtenaren van de buitenlandse carrière worden geclassificeerd door de minister met toepassing van de volgende criteria : 1° de complexiteit van de taken die uit de functie voortvloeien;2° de weerslag van de functie op de internationale relaties van België;3° het niveau van representatie die uit de functie voortvloeit;4° het belang van de budgettaire middelen van de Belgische Staat die in het kader van de functie geëngageerd of beheerd worden, in het bijzonder op het gebied van ontwikkelingssamenwerking;5° het aantal en het niveau van de personeelsleden waarvan de ambtenaar van de buitenlandse carrière het beheer verzekert. Afdeling
- - Evaluatie Art. 32.Voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, 3°, van het koninklijk besluit van 24 september 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 24/12/2013 numac 2013024436 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen inzake landbouw sluiten2 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt is de aanstelling op post of op het hoofdbestuur een verandering van functie. Art. 33.Voor de ambtenaren van de buitenlandse carrière die hoofd van een post zijn, vinden de volgende gesprekken plaats door middel van een schriftelijk overleg : 1° het functiegesprek;2° het planningsgesprek;3° in voorkomend geval, het functioneringsgesprek;4° het evaluatiegesprek. Afdeling
- - Bevorderingen Onderafdeling
- -
Art. 34
.Er zijn twee soorten bevorderingen : 1° wat de administratieve loopbaan betreft, is de bevordering de benoeming van de ambtenaar tot de hogere klasse;2° wat de geldelijke loopbaan betreft, is de bevordering de toekenning aan de ambtenaar in zijn klasse van de weddeschaal hoger dan die welke hij genoot;ze wordt "bevordering in weddeschaal" genoemd. Art. 35.De bevordering tot de hogere klasse is afhankelijk van de vacature van een betrekking en wordt verleend na met redenen omkleed advies van het Directiecomité. De bevordering tot de hogere klasse wordt door Ons verleend. De bevordering in weddeschaal wordt door de minister of zijn afgevaardigde verleend. Art. 36.Om een bevordering of een bevordering in weddeschaal te bekomen, moet de ambtenaar zich bevinden in een administratieve stand waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden. Bovendien mag hij geen vermelding "onvoldoende" hebben gekregen op het einde van zijn evaluatie. Onderafdeling
- - Voorwaarden voor bevordering tot de hogere klasse Art. 37.Kan worden bevorderd tot de klasse A3, de ambtenaar van de klasse A2 : 1° die een klasse-anciënniteit van vier jaar heeft;2° die slaagt in een taalexamen met betrekking tot de kennis van een andere taal dan de Engelse, Franse of Nederlandse taal waarvan het niveau overeenstemt met het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid. De minister of zijn afgevaardigde stelt de lijst van andere talen bedoeld in lid 1, 2° vast. Art. 38.Kan worden bevorderd tot de klasse A4, de ambtenaar van de klasse A3 die een klasse-anciënniteit van vijf jaar heeft. Art. 39.Kan worden bevorderd tot de klasse A5, de ambtenaar van de klasse A4 die een klasse-anciënniteit van vijf jaar heeft. Art. 40.De bevordering heeft plaats in de eerste weddeschaal van de hogere klasse. In afwijking van het eerste lid krijgt de ambtenaar die bevorderd is naar de hogere weddeschaal en bezoldigd is in de weddeschaal bedoeld in de eerste kolom van onderstaande tabel de weddeschaal van zijn klasse vermeld in de tweede kolom : Kolom 1 Kolom 2 Colonne 1 Colonne 2 NA23 NA32 NA23 NA32 NA24 NA33 NA24 NA33 NA25 NA34 NA25 NA34 NA34 NA42 NA34 NA42 NA35 NA43 NA35 NA43 NA43 NA52 NA43 NA52 NA44 NA53 NA44 NA53 Onderafdeling
- - Bevorderingsprocedure tot de hogere klasse Art. 41.§
- De vacature van een door bevordering tot de hogere klasse te begeven betrekking wordt ter kennis gebracht van de bevorderbare ambtenaren door middel van een bekendmaking van vacante betrekking. De bekendmaking van vacante betrekking bevat de elementen betreffende de vacante functies toegankelijk voor de ambtenaren van de bedoelde klasse om de kandidaten toe te laten te solliciteren met kennis van zaken. De bekendmaking van vacante betrekking wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De ambtenaren, worden, ten informatieve titel, op de hoogte gebracht van deze publicatie per mail of, bij gebreke hiervan, per brief. §
- Er wordt alleen rekening gehouden met de titels en verdiensten van de ambtenaren die hun kandidatuur, vergezeld van een motivering, hebben ingediend per aangetekend schrijven, via een gelijkgestelde elektronische procedure of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont, binnen een termijn van twintig werkdagen die ingaat op de eerste werkdag volgend op de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad. Wanneer de eerste of de laatste dag van de termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de volgende werkdag. Het is de ambtenaar toegelaten bij voorbaat naar elke betrekking te dingen die tijdens zijn afwezigheid vacant zou worden verklaard. De geldigheid van een dergelijke sollicitatie is beperkt tot twee maanden. Art. 42.Het Directiecomité doet een voorlopig voorstel van rangschikking gebaseerd op de titels en verdiensten van de ambtenaren en hun geschiktheid om de vacante betrekking waar te nemen. Art. 43.§
- Het voorlopig voorstel van rangschikking dat is opgemaakt voor elke vacante betrekking wordt schriftelijk ter kennis gebracht van alle kandidaten die hun kandidatuur geldig hebben ingediend. Deze betekening bevat ten minste de volgende gegevens : 1° de rangschikking van de kandidaten;2° het meedelen aan de ambtenaar die zich benadeeld zou achten van de mogelijkheid om binnen twintig dagen na de kennisgeving een bezwaarschrift in te dienen bij de voorzitter en om te verzoeken eventueel door het Directiecomité gehoord te worden;3° het gedeelte van de notulen van de zitting van het Directiecomité betreffende het voorstel van rangschikking. Deze betekening gebeurt met naleving van het vertrouwelijk karakter van de feiten die op andere ambtenaren betrekking zouden hebben. §
- Er wordt alleen rekening gehouden met de bezwaarschriften die de ambtenaren hebben ingediend per aangetekend schrijven, via een gelijkgestelde elektronische procedure of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont. Indien de ambtenaar vraagt gehoord te worden, verschijnt hij in persoon, zonder financiële last voor de FOD. Hij mag zich niet laten bijstaan. Indien de ambtenaar, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldig excuus, niet verschijnt, wordt de procedure van zijn kant als afgesloten beschouwd. Het Directiecomité spreekt zich uit, op grond van het schriftelijk bezwaarschrift, zelfs indien de ambtenaar een geldig excuus kan inroepen, zodra het bezwaarschrift het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt. §
- Indien, ingevolge het onderzoek van het bezwaarschrift, het Directiecomité de oorspronkelijke rangschikking niet verandert, wordt deze beslissing enkel aan de kandidaat die het bezwaarschrift heeft ingediend, ter kennis gebracht. Indien het Directiecomité daarentegen een nieuwe rangschikking opmaakt, wordt deze, volgens de in paragraaf 1 bedoelde procedure, aan alle kandidaten die geldig hun kandidatuur hebben ingediend, ter kennis gebracht. Indien een ambtenaar zich benadeeld acht, kan hij een bezwaarschrift indienen volgens de in paragraaf 2 bedoelde procedure. De ambtenaar die werd gehoord overeenkomstig paragraaf 2, mag niet vragen opnieuw gehoord te worden. Ten gevolge van een nieuwe beraadslaging brengt het Directiecomité de definitieve rangschikking ter kennis van alle kandidaten die hun kandidatuur geldig ingediend hebben en bezorgt die aan de minister. §
- Indien de minister niet kan instemmen met het definitieve voorstel van het Directiecomité en indien hij een andere kandidaat voordraagt, moet zijn voorstel met bijzondere redenen omkleed zijn. Onderafdeling
- - Mededeling van de beslissingen tot bevordering Art. 44.De beslissingen tot bevordering worden meegedeeld door de Stafdirectie Personeel en Organisatie van de FOD aan alle ambtenaren die zich kandidaat gesteld hebben overeenkomstig artikel 41, § 2, eerste lid. Onderafdeling
- - Voorwaarden voor bevordering in weddeschaal Art. 45.De ambtenaar wordt van de eerste naar de tweede weddeschaal van zijn klasse bevorderd op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de twee volgende voorwaarden vervult : 1° ten minste drie jaar schaalanciënniteit tellen;2° drie keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" of de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen. Art. 46.In afwijking van artikel 45 wordt de ambtenaar van de eerste naar de tweede weddeschaal van zijn klasse bevorderd op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de drie volgende voorwaarden vervult : 1° ten minste twee jaar schaalanciënniteit tellen;2° twee keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" hebben gekregen;3° de vermelding "te verbeteren" noch de vermelding "onvoldoende" in zijn weddeschaal hebben gekregen. Art. 47.De ambtenaar wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn klasse is op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de twee volgende voorwaarden vervult : 1° ten minste vijf jaar schaalanciënniteit tellen;2° vijf keer in zijn weddeschaal een van de volgende vermeldingen "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen. Art. 48.In afwijking van artikel 47 wordt de ambtenaar bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn klasse is op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de drie volgende voorwaarden vervult : 1° ten minste vier jaar schaalanciënniteit tellen;2° vier keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" hebben gekregen;3° de vermelding "te verbeteren" noch de vermelding "onvoldoende" in zijn weddeschaal hebben gekregen. HOOFDSTUK
- - Verlofregeling Afdeling
- - Verlofregeling op post Art. 49.De ambtenaar mag zijn jurisdictie niet verlaten zonder toestemming. Art. 50.Het jaarlijks vakantieverlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Het wordt genomen naar keuze van de ambtenaar met inachtneming van de behoeften van de dienst. Indien het verlof gesplitst wordt en indien de ambtenaar dit vraagt, omvat het een doorlopende periode van ten minste twee weken. Het jaarlijks vakantieverlof kan tot 31 december van het jaar daarop worden overgedragen, volgens de door de voorzitter bepaalde voorwaarden. Art. 51.§
- Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks vakantieverlof. Het jaarlijks vakantieverlof wordt ook in evenredige mate verminderd wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt, zijn ambt definitief neerlegt of tijdens het jaar de afwezigheden heeft verkregen waarbij de ambtenaar in de administratieve stand disponibiliteit is geplaatst. Indien het aldus berekende aantal vakantiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijke hogere eenheid. §
- Indien de ambtenaar door de behoeften van de dienst zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen nemen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt, dan heeft hij recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde van de ambtenaar die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen. Indien de ambtenaar zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar verliest en hij door zijn vertrek met onmiddellijke ingang zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen nemen, dan heeft hij eveneens recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde van de ambtenaar die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen. Voor de toepassing van deze paragraaf is de wedde die in aanmerking dient te worden genomen deze die verschuldigd is voor volledige prestaties, in voorkomend geval aangevuld met de weddensupplementen die voor de berekening van het rustpensioen in aanmerking worden genomen. §
- Het jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra de ambtenaar een verlof wegens ziekte bekomt of in disponibiliteit wegens ziekte wordt geplaatst. Art. 52.§
- De jaarlijkse verlofregeling op post wordt bepaald door de rang van hardship die aan elke post wordt toegekend. De rang van hardship drukt de moeilijkheidsgraad uit van het leven op een post. §
- De rang van hardship van de posten wordt jaarlijks bepaald door het Directiecomité van de FOD, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zouden vereisen dat de rang van hardship wordt herzien voor de jaarlijkse vervaldatum. §
- Elke post wordt gerangschikt volgens een schaal van 1 tot 7, in opklimmende volgorde van hardship, op basis van een vergelijkende analyse van de volgende criteria : de klimaatomstandigheden, het sociale isolement, de veiligheid, de sanitaire toestand en de leefmilieusituatie voor zover deze nadelige gevolgen kan hebben voor de gezondheid, de toegankelijkheid, de kwaliteit van de gezondheidszorgen en de kwaliteit van materiële voorzieningen zoals huisvesting en de aanvoer van primaire consumptiegoederen. Art. 53.Overeenkomstig de rangschikking opgenomen in artikel 52, heeft de ambtenaar recht op de volgende jaarlijkse verlofregeling : 1° eenendertig werkdagen verlof voor de posten gerangschikt in de rangen van hardship 1 en 2;2° achtendertig werkdagen verlof voor de posten gerangschikt in de rangen van hardship 3 en 4;3° vijfenveertig werkdagen verlof voor de posten gerangschikt in de rangen hardship 5, 6 en
- Het jaarlijks vakantieverlof op post kan tot 31 december van het jaar daarop worden overgedragen, volgens de door de voorzitter bepaalde voorwaarden. Art. 54.De ambtenaar op post geniet de verloven bedoeld in de artikelen 11 tot en met 12, § 1, eerste lid, tweede lid, 6° en derde lid, §§ 2 en 3, 15, 20, 24 tot en met 34, 36 tot en met 42, 44 tot en met 48quater, 55 tot en met 60 van het verlofbesluit. Afdeling
- - Verlofregeling op het hoofdbestuur Art. 55.§
- De ambtenaar die bij het hoofdbestuur in dienst is, geniet, wat het verlof betreft, dezelfde regeling als die van toepassing op de rijksambtenaren. §
- De vrijstelling voor het vervullen van een opdracht van algemeen belang, voorzien in artikel 100 van het verlofbesluit, kan maximaal één maal worden hernieuwd. Afdeling
- - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 56.Het jaarlijks vakantieverlof, op post of bij het hoofdbestuur, wordt in evenredige mate verminderd wanneer de ambtenaar aangesteld wordt op post of opnieuw aangesteld wordt op het hoofdbestuur in de loop van het jaar. HOOFDSTUK
- - Dienstactiviteit en pensioen Art. 57.De ambtenaar is in dienstactiviteit : 1° wanneer hij een functie bij een post of op het hoofdbestuur uitoefent of wanneer de minister hem met een opdracht belast heeft;2° wanneer hij ter beschikking van de minister of het regeringslid bevoegd voor Buitenlandse Handel of Ontwikkelingssamenwerking wordt gesteld. Art. 58.De ambtenaar die in dienstactiviteit is bij een post, voert de titel van de functies die hij uitoefent. Art. 59.De ambtenaar wordt op een leeftijd van volle 65 jaar ambtshalve op rust gesteld. Het in activiteit blijven boven de leeftijd van 65 jaar kan door de minister worden toegelaten op aanvraag van de ambtenaar en na een met redenen omkleed advies van het Directiecomité. De periode van in activiteit blijven wordt bepaald voor een maximumduur van één jaar. Deze kan worden hernieuwd. Art. 60.De ambtenaar die minstens vijftien jaar dienstactiviteit telt, kan door het besluit waarbij hij uit zijn functies wordt ontslagen, gemachtigd worden, naar zijn keuze, de eretitel te voeren van de laatste functie die hij heeft uitgeoefend, hetzij in het buitenland, hetzij op het hoofdbestuur. Deze machtiging kan bij koninklijk besluit ingetrokken worden, op het met redenen omkleed voorstel van de minister. HOOFDSTUK
- - Ordemaatregelen Afdeling
- - Preventieve schorsing Art. 61.§
- Als het belang van de dienst het vereist, kan de ambtenaar bij het hoofdbestuur of op post preventief worden geschorst bij wijze van ordemaatregel. §
- Deze preventieve schorsing kan voor de ambtenaren op post worden gevolgd door een terugroeping naar het hoofdbestuur. Art. 62.De preventieve schorsing wordt, op gemotiveerd voorstel van de voorzitter of zijn afgevaardigde, opgelegd door de overheid die de ambtenaar heeft aangesteld bij een post of bij het hoofdbestuur. Art. 63.De overheid bevoegd voor het uitspreken van de preventieve schorsing kan de wedde verminderen en kan aan de ambtenaar het recht ontzeggen aanspraak te maken op bevordering en bevordering in weddeschaal in de volgende gevallen : 1° wanneer de ambtenaar het voorwerp is van een strafrechtelijke procedure;2° wanneer de ambtenaar het voorwerp is van een tuchtprocedure. De inhouding van wedde kan niet meer bedragen dan één vijfde van het verschuldigde nettoloon. Art. 64.§
- De preventieve schorsing kan pas worden voorgesteld nadat de ambtenaar de mogelijkheid heeft gekregen om door de voorzitter of zijn afgevaardigde te worden gehoord in zijn middelen van verdediging over de hem ten laste gelegde feiten. §
- In geval van hoogdringendheid kan de voorzitter de ambtenaar onmiddellijk preventief schorsen vooraleer de ambtenaar te horen. De kennisgeving van de preventieve schorsing bevat ook de oproep voor het verhoor, waarvan de inhoud overeenstemt met het artikel
- Art. 65.De ambtenaar wordt opgeroepen voor het verhoor per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, door overhandiging tegen ontvangstbewijs van de oproepingsbrief of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont, binnen een termijn van minimum vijftien dagen na het ontvangen van de oproepingsbrief. De oproep vermeldt : 1° de ten laste gelegde feiten;2° het voornemen om aan de bevoegde overheid voor te stellen een preventieve schorsing uit te spreken;3° plaats, dag en uur van het verhoor;4° het recht op bijstand door een raadsman naar keuze;5° het recht om een schriftelijk verweer in te dienen tot op de dag voor het verhoor;6° het recht om tot uiterlijk drie dagen voor het verhoor de stukken te deponeren die hij wenst toe te voegen aan het dossier. Het dossier dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de feiten die de mogelijke preventieve schorsing verantwoorden, wordt als bijlage gevoegd bij deze oproep. Art. 66.De ambtenaar verschijnt persoonlijk. Hij mag worden bijgestaan door een raadsman naar zijn keuze. Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de ambtenaar, zonder geldig excuus, niet persoonlijk verschijnt, doet de voorzitter of zijn afgevaardigde uitspraak op grond van de stukken van het dossier, waaronder het eventueel ingediende schriftelijk verweer. Hetzelfde geldt zodra de zaak voor de tweede maal ter zitting komt, zelfs indien de ambtenaar een geldige reden kan aanvoeren om niet in persoon te verschijnen. Art. 67.Binnen de zeven dagen na het verhoor worden de notulen opgemaakt. Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont. De ambtenaar wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van vijftien dagen na het ontvangen van de notulen, zijn opmerkingen kenbaar te maken. Het niet meedelen van de opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor. Art. 68.§
- Binnen een termijn van ten hoogste zes weken vanaf de oproep voor het verhoor, beslist de bevoegde overheid over de preventieve schorsing en de modaliteiten ervan. §
- De beslissing tot preventieve schorsing wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont. Art. 69.De preventieve schorsing gaat in op de dag van de kennisgeving. Art. 70.Binnen een termijn van tien dagen vanaf de dag na de kennisgeving kan de ambtenaar een beroep instellen tegen de preventieve schorsing bij de bevoegde raad van beroep overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 82 en volgende van het statuut van het Rijkspersoneel. Is het advies van de raad van beroep ongunstig voor de ambtenaar, dan blijft de preventieve schorsing gehandhaafd. Is het advies van de raad van beroep gunstig, dan beslist de bevoegde overheid definitief. Art. 71.Behoudens strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging mag de preventieve schorsing ten hoogste zes maanden bedragen. Bij strafrechtelijk onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging mag de schorsing in het belang van de dienst maximum gelden voor de duur van het onderzoek en/of de vervolging. Indien de overheid in kennis wordt gesteld van de in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke uitspraak, de minnelijke schikking of de seponering, beslist zij om de preventieve schorsing of te heffen of te behouden voor de duur van de tuchtprocedure. Art. 72.Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van wedde, geen tuchtstraf oplegt of een andere tuchtstraf oplegt dan de inhouding van wedde, de schorsing, het ambtshalve ontslag of de afzetting, wordt de preventieve schorsing ingetrokken en wordt de ingehouden wedde uitbetaald. Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van wedde, de tuchtstraf inhouding van salaris, schorsing, ontslag van ambtswege of afzetting oplegt, heeft de tuchtstraf uitwerking met ingang van de dag waarop de preventieve schorsing is ingegaan. In dit geval wordt het bedrag van de tijdens de preventieve schorsing ingehouden wedde, in mindering gebracht van het bedrag van het weddenverlies verbonden aan de tuchtstraf. Indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddenverlies verbonden aan de tuchtstraf, betaalt de overheid het verschil uit. Afdeling
- - Terugroeping naar het hoofdbestuur Art. 73.Wanneer het belang van de dienst het vereist, kan de ambtenaar op post bij wijze van ordemaatregel naar het hoofdbestuur worden teruggeroepen. Deze terugroeping naar het hoofdbestuur kan worden gevolgd door een preventieve schorsing. De bevoegde overheden, de procedure en de modaliteiten voor de terugroeping naar het hoofdbestuur zijn dezelfde als voor de preventieve schorsing. HOOFDSTUK
- - Tuchtregeling Afdeling
- - Tuchtfeiten Art. 74.Elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt en in het bijzonder aan één van de plichten bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, § 1, 10 en 12 van het statuut van het Rijkspersoneel of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, is een tuchtfeit en kan aanleiding geven tot één van de tuchtstraffen vermeld in artikel 75, onverminderd de toepassing van de strafwetten. Afdeling
- - Tuchtstraffen Art. 75.Uitsluitend de volgende tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken : 1° de terechtwijzing;2° de blaam;3° de inhouding van wedde;4° de verplaatsing bij tuchtmaatregel;5° de tuchtschorsing;6° de lagere inschaling;7° de terugzetting in klasse;8° het ontslag van ambtswege;9° de afzetting. Art. 76.De inhouding van wedde mag een periode van één maand niet overschrijden. De inhouding van wedde mag niet hoger liggen dan één vijfde van het verschuldigde nettoloon. Art. 77.De bij tuchtmaatregel verplaatste ambtenaar kan op zijn aanvraag geen nieuwe aanwijzing noch een overplaatsing bekomen gedurende de termijn die voor de uitwissing van zijn tuchtstraf is bepaald. Art. 78.De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een periode van ten minste één maand en ten hoogste drie maanden. De tuchtschorsing plaatst de ambtenaar ambtshalve in de administratieve stand non-activiteit. Gedurende de periodes van de tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden. Gedurende de periodes van de tuchtschorsing kan er hem geen hogere inhouding van wedde worden opgelegd dan één vijfde van het verschuldigde nettoloon. Art. 79.De lagere inschaling wordt opgelegd door de toekenning van een lagere weddeschaal in dezelfde klasse. Art. 80.De terugzetting in klasse wordt opgelegd door de toekenning van een lagere klasse. De ambtenaar neemt in de nieuwe klasse rang in op de datum waarop deze toekenning uitwerking heeft. Afdeling
- - Tuchtoverheid Art. 81.De tuchtstraf wordt uitgesproken door de minister, met uitzondering van de terugzetting in klasse, het ontslag van ambtswege en de afzetting die door Ons worden opgelegd. Art. 82.De tuchtstraf wordt uitgesproken na een voorlopig voorstel van de bevoegde hiërarchische meerdere. De minister wijst de bevoegde hiërarchische meerdere aan. Afdeling
- - Tuchtprocedure en beroep Onderafdeling
- - Het formuleren van het voorlopig strafvoorstel Art. 83.De hiërarchische meerdere voert het tuchtonderzoek. Als het tuchtonderzoek is afgerond, stelt de hiërarchische meerdere een tuchtverslag op dat de ten laste gelegde feiten vermeldt. Hij stelt een tuchtdossier samen dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten. Art. 84.Een voorlopig voorstel van tuchtstraf kan pas worden geformuleerd nadat de ambtenaar de mogelijkheid heeft gekregen om door de hiërarchische meerdere te worden gehoord in zijn middelen van verdediging tegen de feiten die hem ten laste worden gelegd. De ambtenaar mag zich te allen tijde laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze. Art. 85.§
- Vóór het verhoor wordt de ambtenaar op de hoogte gebracht van het tuchtverslag en wordt hem en desgevallend zijn raadsman een kopie van het tuchtdossier bezorgd. §
- De hiërarchische meerdere kan ambtshalve of op verzoek van de ambtenaar getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van de betrokkene en desgevallend van zijn raadsman. §
- De verhoren, alsook de zittingen waarop de getuigen worden gehoord zijn niet openbaar, tenzij de betrokken ambtenaar er zelf om verzoekt. De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord. Art. 86.§
- De hiërarchische meerdere roept de ambtenaar ten minste eenentwintig dagen voor het verhoor op om door hem te worden gehoord per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont. De oproep vermeldt : 1° de ten laste gelegde feiten;2° het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen;3° plaats, dag en uur van het verhoor;4° het recht op bijstand door een raadsman van zijn keuze;5° het recht van de ambtenaar om de openbaarheid van het verhoor te vragen;6° het recht om het horen van getuigen te vragen;7° het recht om een schriftelijk verweer in te dienen tot op de dag voor het verhoor. Het tuchtverslag en het tuchtdossier worden als bijlage gevoegd bij de oproepingsbrief. §
- Aan de ambtenaar wordt gemeld dat indien er getuigen moeten worden gehoord, deze tien dagen voor het verhoor moeten worden meegedeeld aan de hiërarchische meerdere, met het oog op de oproep. Tevens wordt gemeld dat in dat geval moet worden aangeduid welke getuigen moeten worden gehoord en waarover zij dienen te getuigen. Bovendien wordt aan de ambtenaar ook gemeld dat hij verzocht wordt binnen dezelfde termijn van tien dagen voor het verhoor bij de hiërarchische meerdere de stukken te deponeren die hij wenst toe te voegen aan het dossier. Indien de hiërarchische meerdere getuigen oproept, worden de namen en het onderwerp van de getuigenissen in de oproepingsbrief aan de ambtenaar meegedeeld. §
- Op gemotiveerde vraag van de ambtenaar kan uitstel van het verhoor worden verleend. Het organiseren van een uitgesteld verhoor of van een verhoor in voortzetting is, behalve de melding aan de ambtenaar, niet onderworpen aan de vormvereisten van de eerste oproep. Art. 87.§
- Binnen de tien dagen na het verhoor worden hiervan de notulen opgemaakt. De hiërarchische meerdere kan zich bij het verhoor laten bijstaan door een secretaris door hem aangeduid. Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont. De ambtenaar wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken. Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor. §
- Binnen de tien dagen na het verhoor van de getuige worden de notulen van dit verhoor opgemaakt. Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de getuige overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas indien het om een ambtenaar op post gaat, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont. De getuige wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken. Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor. Art. 88.Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn voor het meedelen van de opmerkingen op de notulen van het verhoor formuleert de hiërarchische meerdere een gemotiveerd voorlopig voorstel van tuchtstraf en brengt hij dit voorlopig voorstel ter kennis van het Directiecomité en van de ambtenaar per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont. De kennisgeving van het dossier geldt als aanhangigmaking bij het Directiecomité. Onderafdeling
- - Het formuleren van het definitief strafvoorstel Art. 89.Een definitief voorstel van tuchtstraf kan niet worden geformuleerd dan nadat de ambtenaar de mogelijkheid heeft gekregen om door het Directiecomité te worden gehoord over zijn middelen van verdediging tegen de feiten die hem ten laste worden gelegd. De ambtenaar mag zich te allen tijde laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze. Art. 90.§
- Het Directiecomité roept de ambtenaar ten minste eenentwintig dagen voor het verhoor op om door hem te worden gehoord per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont. De oproep vermeldt : 1° de ten laste gelegde feiten;2° de door de hiërarchische meerdere voorlopig voorgestelde tuchtstraf;3° plaats, dag en uur van het verhoor;4° het recht op bijstand door een raadsman van zijn keuze;5° het recht van de ambtenaar om de openbaarheid van het verhoor te vragen;6° het recht om het horen van getuigen te vragen;7° het recht om een schriftelijk verweer in te dienen tot op de dag voor het verhoor. §
- Aan de ambtenaar wordt gemeld dat indien er getuigen moeten worden gehoord, deze tien dagen voor het verhoor moeten worden meegedeeld aan het Directiecomité, met het oog op de oproep. Tevens wordt gemeld dat in dat geval moet worden aangeduid welke getuigen moeten worden gehoord en waarover zij dienen te getuigen. Bovendien wordt aan de ambtenaar ook gemeld dat hij verzocht wordt binnen dezelfde termijn van tien dagen voor het verhoor bij het Directiecomité de stukken neer te leggen die hij wenst toe te voegen aan het dossier. Indien het Directiecomité getuigen oproept, worden de namen en het onderwerp van de getuigenissen aan de ambtenaar meegedeeld in de oproepingsbrief. §
- Op gemotiveerde vraag van de ambtenaar kan uitstel van het verhoor verleend worden. Het organiseren van een uitgesteld verhoor of van een verhoor in voortzetting is, behalve de melding aan de ambtenaar, niet onderworpen aan de vormvereisten van de eerste oproep. Art. 91.§
- Het Directiecomité kan ambtshalve of op verzoek van de ambtenaar getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van de betrokkene en desgevallend van zijn raadsman. §
- De verhoren, alsook de zittingen waarop de getuigen worden gehoord, zijn niet openbaar, tenzij de betrokken ambtenaar er zelf om verzoekt. De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord. Art. 92.§
- Binnen de tien dagen na het verhoor worden hiervan de notulen opgemaakt. De ambtenaar wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken. Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont. Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor. §
- Binnen de tien dagen na het verhoor van de getuige worden de notulen van dit verhoor opgemaakt. Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de getuige overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas indien het om een ambtenaar op post gaat, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont. De getuige wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken. Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor. Art. 93.Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de ambtenaar, zonder geldig excuus, niet persoonlijk verschijnt, spreekt het Directiecomité zich uit op grond van de stukken van het dossier, waaronder het eventueel ingediende schriftelijk verweer. Hetzelfde geldt zodra de zaak het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt, zelfs indien de ambtenaar een geldige reden kan aanvoeren om niet in persoon te verschijnen. Art. 94.Kan geen zitting hebben noch deelnemen aan de beraadslaging van het Directiecomité, de ambtenaar tegen wie de tuchtvordering is ingezet of elke ambtenaar die heeft deelgenomen aan het instellen van de tuchtvordering of die in welke hoedanigheid ook aan de tuchtprocedure heeft deelgenomen. Art. 95.§
- Binnen een termijn van één maand vanaf de kennisgeving van het voorlopig voorstel van tuchtstraf, formuleert het Directiecomité een definitief voorstel van tuchtstraf. Deze termijn van één maand kan op gemotiveerde wijze verlengd worden. De leden van het Directiecomité die niet permanent aanwezig waren tijdens het geheel van de verhoren, mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen en aan de stemming over het definitief voorstel van tuchtstraf. §
- Het definitief voorstel van tuchtstraf wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont. §
- Binnen twintig dagen vanaf de dag na de kennisgeving van het definitieve voorstel van tuchtstraf, kan de ambtenaar tegen dit voorstel een beroep indienen bij de bevoegde raad van beroep conform de artikelen 82 en volgende van het statuut van het Rijkspersoneel. Onderafdeling
- - Beslissing van de bevoegde overheid Art. 96.De bevoegde overheid kan geen zwaardere tuchtstraf uitspreken dan die welke definitief is voorgesteld. Ze kan slechts de feiten in aanmerking nemen die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben. Een