📄 Wettekst
12 DECEMBER 2013. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van de gezoneerde gewestelijke stedenbouwkundige verordening en de samenstelling van het aanvraagdossier voor een stedenbouwkundig attest en vergunning voor de perimeter van de Wetstraat en haar omgeving
De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Gelet op het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening en meer in het bijzonder de artikels 88, 89, 97, 124 en 199;
Gelet op het besluit van 21 november 2006 van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot goedkeuring van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening;
Gelet op de 69 bezwaren en opmerkingen over het ontwerp van GSV 1, geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek dat plaatsvond van 19/03/2012 tot 18/04/2012;
Gelet op de adviezen die de adviesorganen op volgende data hebben uitgebracht : - de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie : op 08/03/2012; - de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : op 27/04/2012; - de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : op 23/03/2012; - de Gewestelijke Mobiliteitscommissie : op 23/03/2012; - de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen : op 23/03/2012; - de Adviesraad voor Huisvesting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : op 27/04/2012;
Overwegende dat, van rechtswege, de adviezen die buiten de termijnen, werden uitgebracht, geacht worden gunstig te zijn;
Gelet op de mededeling van 19 juli 2012 van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om een impactstudie over het ontwerp van GGSV 1 te lanceren;
Gelet op de uitgevoerde impactstudie;
Gelet op het besluit van 28/02/2013 van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat het ontwerp van gezoneerde gewestelijke stedenbouwkundige verordening goedkeurt voor de perimeter van de Wetstraat en zijn omgeving, genoemd het ontwerp van GGSV 2;
Gelet op de 12 bezwaren en opmerkingen, geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek dat plaatsvond van 18/03/2013 tot 16/04/2013;
Gelet op de adviezen die de adviesorganen op volgende data hebben uitgebracht : - de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie : op 18/04/2013; - de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : op 16/04/2013; - de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : op 15/04/2013; - de Gewestelijke Mobiliteitscommissie : op 16/04/2013; - de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen : op 15/04/2013; - de Adviesraad voor Huisvesting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : op 09/04/2013;
Overwegende dat, van rechtswege, de adviezen die buiten de termijnen, werden uitgebracht, geacht worden gunstig te zijn;
Gelet op het advies van de overlegcommissie dat werd uitgebracht op 02/07/2013;
Gelet op het advise 53.980/4 van de Raad van State, gegeven op 2 oktober 2013, in toepassing van artikel 84, § 1, 1ste alinea, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
A. Context 1. Uitdagingen van het Stadsproject Wet Overwegende dat de globale uitdaging van de herontwikkeling van de Europese wijk in zijn geheel, zoals gedefinieerd in het richtschema voor de Europese wijk, aangenomen door de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in april 2008, berust op het welslagen van de transformatie van deze wijk in een dichte en gemengde « stadswijk »; Dat de nagestreefde doelstelling bestaat uit de versterking van de grootste kern van Europese en internationale tewerkstelling in het Gewest, evenals de herontwikkeling van een veelzijdige woonbuurt met lokale handelszaken en voorzieningen;
Dat de gemengde functies zich zullen ontwikkelen in een omgeving die bestaat uit gebruiksvriendelijke openbare plaatsen, openbare parken die goed toegankelijk zijn vanuit de naburige wijken en culturele voorzieningen die ruim aanwezig zijn in dit gedeelte van het gewestelijk grondgebied;
Dat het Stadsproject Wet is ontworpen als een toonaangevend project dat deze transformatie mogelijk maakt door het accent te leggen op : - de verdichting van de wijk en de introductie van gemengde stedelijke functies; - de architecturale vrijheid in het ontwerp van nieuwe bouwwerken, waarbij de coherentie van het Stadsproject Wet in zijn geheel wordt gewaarborgd; - de overgang van een « corridor » naar een open en levendige straat, die gepaard gaat met de vermindering van het aantal rijstroken voor het autoverkeer, de aanleg van voetgangersdoorgangen die aansluiten op de naburige wijken, naast elkaar liggende benedenverdiepingen met handelszaken en voorzieningen, en de aanleg van « pocket parks »; 2. Perimeter van de Gezoneerde Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening; Overwegende dat de perimeter van de Gezoneerde Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening van het Stadsproject Wet zich bevindt in een grotere perimeter, namelijk hefboomgebied 7 « Europa » van het GewOP, dat zelf binnen een grotere perimeter ligt, waarvoor het richtschema voor de Europese wijk werd opgesteld;
Overwegende dat het Stadsproject Wet op een structurele historische as ligt, die de Vijfhoek, het Jubelpark en de Tervurenlaan met elkaar verbindt;
Overwegende dat het van belang is om de perimeter van het Stadsproject Wet te herwaarderen, rekening houdend met zijn gewestelijke ligging alsook met zijn bevoorrechte positie aan de rand van de Vijfhoek en met de centrale ligging in het infrastructuurnetwerk van het openbaar vervoer;
Overwegende dat de perimeter van het Stadsproject Wet op de scharnier tussen twee verschillende stadsweefsels ligt, namelijk het rechthoekige raster van de Leopoldwijk in het zuiden en het oudere stadsweefsel van de gemeente Sint-Joost-ten-Node in het noorden;
Overwegende dat Europese instellingen als de Europese Commissie, de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad hun zetel gevestigd hebben in de Wetstraat;
Overwegende dat de perimeter gekenmerkt wordt door de topografie van een vallei;
Overwegende dat de Kunstlaan deel uitmaakt van de kleine ring, dat deze een structurerende as is waarlangs verschillende torengebouwen zijn opgetrokken - van de Rogiertoren tot de Madoutoren en van de Zuidertoren tot de toren van The Hotel;
Overwegende dat het oosten van de perimeter zich op het laagste punt van de vallei bevindt en gekenmerkt wordt door een opeenvolging van parken en open ruimtes langs de Etterbeeksesteenweg en door de aanwezigheid van woonwijken;
Overwegende dat het richtschema van de Europese Wijk voorstelt om de Etterbeeksesteenweg in te richten als stadsboulevard; dat dit de afbraak veronderstelt van de afdekplaat boven de steenweg die momenteel gebruikt wordt als parking; dat het omwille van de samenhang in de behandeling van de openbare ruimte, noodzakelijk is gebleken om deze afdekplaat op te nemen binnen de perimeter; 3. Verplichtingen betreffende het onroerende erfgoed Overwegende dat de perimeter van het Stadsproject Wet bestaat uit : - gebouwen die ingeschreven zijn in de inventaris van het onroerende erfgoed van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : het gebouw aan de Jozef II-straat 15 en 15a, het gebouw aan de Guimardstraat 14 en 16 (behalve de gevels), het gebouw aan deAarlenstraat 118, het gebouw op de hoek van de Wetstraat 81a en de Trierstraat 65-67, en het gebouw aan de Wetstraat 91 (behalve de gevels); - gebouwen die ingeschreven zijn op de bewaarlijst : het gebouw aan de Wetstraat 65; - beschermde gebouwen : het gebouw aan de Wetstraat 70, het gebouw aan de Wetstraat 78, de gevel van het gebouw aan de Wetstraat 91, de gevels van de gebouwen aan de Guimardstraat 14 en 16, het gebouw op de hoek van de Nijverheidsstraat en de Guimardstraat 18;
Overwegende dat in de onmiddellijke nabijheid van het gebied : - de Frère-Orbansquare beschermd is als landschap; - de Sint-Jozefkerk en de gebouwen aan weerszijden van de Sint-Jozefkerk beschermd zijn als monument; - de gebouwen aan de Wetenschapsstraat 27 tot 35 als geheel ingeschreven zijn op de bewaarlijst; 4. Principes van stedelijke compositie Overwegende dat het Stadsproject Wet ontworpen werd met als voornaamste doel om verbindingen tot stand te brengen tussen de wijken aan weerszijden van de Wetstraat en dit door de aanleg van doorgangen en vrije ruimtes; Dat de realisatie van die vrije ruimtes mogelijk gemaakt wordt door de verhoging van de hoogte van de bouwwerken;
Overwegende dat de as van de Wetstraat in het Stadsproject Wet wordt omschreven als een bijzondere belevenis in het stadsweefsel van de aangrenzende wijken;
Overwegende dat het bijgevolg van belang is om verschillende stedenbouwkundige benaderingen aan te nemen al naargelang het de Wetstraat betreft, die wordt behandeld als « open straat » of de andere straten van de perimeter, waarvan het bouwfront binnen de perimeter wordt behandeld als « open huizenblok »;
Overwegende dat de principes van de « open straat » en van het « open huizenblok » een verschillend antwoord bieden op de behandeling van het bouwfront en zijn opening naar het binnengebied van het huizenblok;
Dat dit verschil zich vertaalt, enerzijds voor de Wetstraat, in een bouwgebied met drie bouwlijnen zoals bepaald in het Stadsproject Wet alsook in een uitbreiding van de straatruimte naar het binnengebied van het huizenblok, en anderzijds voor de andere straten van de perimeter, in het behoud van de historische stedelijke structuur en in punctuele doorbraken naar het binnengebied van het huizenblok;
Overwegende dat de stedelijke huizenblokken die onder deze verordening vallen, deel uitmaken van diverse types stedelijk weefsel en stedelijke omgeving waarbij de grondslag wordt gelegd voor de Wetstraat als bijzondere belevenis van het type « open straat »;
Overwegende dat de perimeter een variatie van types en afmetingen van terreinen bevat, en dat het bijgevolg van belang is regels op te stellen die rekening houden met de specifieke types en afmetingen van de terreinen;
B. Motivatie Overwegende dat de resultaten van de impactstudie hebben geleid tot het wijzigen van het oorspronkelijk ontwerp van verordening te wijzigen;
Dat verder het eerste advies van de overlegcommissie ook heeft geoordeeld dat de terugsprongen langs de Wetstraat symmetrisch moesten gemaakt worden, met een terugsprong van 22m voor de hoge bouwwerken en van 8m voor de lage en middelhoge bouwwerken;
Dat bijgevolg het ontwerp van GGSV 1 gewijzigd werd om het advies van de overlegcommissie en de meerderheid van de resultaten van de impactstudie te integreren;
Overwegende dat de overlegcommissie haar tweede advies heeft gegeven op 2 juli 2013, dat dit een gunstig advies is mits precieze voorwaarden; dat het advies van de overlegcommissie eveneens een bijkomende nota van het BIM alsook een minderheidsnota van de Stad Brussel bevat;
Overwegende dat overeenkomstig artikel 89 van het Brussels wetboek voor ruimtelijke ordening, wanneer de regering afwijkt van het advies van de overlegcommissie, zij er de redenen van zal motiveren;
Dat het besluit dus niet de aanpassingen aan het ontwerp van GGSV motiveert wanneer de Regering gevolg geeft aan de aanbevelingen van de bezwaren en aan het advies van de overlegcommissie;
Overwegende dat de regering op de volgende wijze antwoordt op de adviezen en bezwaren;
I. ANTWOORDEN OP DE BEZWAREN EN ADVIEZEN I.1. OVERWEGINGEN VAN ALGEMENE AARD Overwegende dat een reclamant van oordeel is dat de GGSV een plan of programma zou zijn en aan een milieueffectenonderzoek zou moeten worden onderworpen, conform de Europese Richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's;
Dat sommige leden van de GOC zich afvragen waarom er geen effectenonderzoek in de zin van de Europese Richtlijn 2001/42 werd uitgevoerd;
Overwegende dat, in tegenstelling tot wat deze reclamanten beweren, de GGSV geen « plan » of « programma » is in de zin van genoemde Richtlijn 2001/42;
Dat deze richtlijn alleen geldt voor plannen en programma's - zonder dat daarbij de vraag wordt gesteld of deze worden « voorgeschreven » door de binnenlandse wetgeving (HJEU, 22 maart 2012, IEB en consoorten) - die betrekking hebben op documenten die de bodembestemming regelen;
Dat een stedenbouwkundige verordening enkel als doelstelling heeft om voor een bepaalde perimeter regels te bepalen voor de bebouwingen en hun onmiddellijke omgeving, zonder ruimtelijke planning;
Dat het GGSV-ontwerp de regels onder Titel I van de GSV vervangt, die evenmin een plan of een programma is, en bijgevolg geen aanleiding gegeven heeft tot een effectenstudie;
Dat de perimeter waarop de GGSV betrekking heeft, al onder een plan van aanleg valt, het GBP - dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een beoordeling van de milieueffecten - via een milieueffectenrapport - wat het mogelijk heeft gemaakt na te gaan wat de gevolgen zouden zijn van de inschrijving van heel de perimeter als administratiegebied dat aan weerszijden grenst aan een structurerende as, met name de Wetstraat;
Dat de GGSV niet tot gevolg heeft - noch kan hebben - dat de zonering van het GBP gewijzigd wordt noch dat de gekozen bodembestemmingen en het stedenbouwkundig statuut van de Wetstraat op de helling gezet worden;
Dat de uitvaardiging van bouwregels die van toepassing zijn op een gegeven perimeter, niet het planningsproces vervangt dat heeft geleid tot de goedkeuring van het GBP;
Dat de recente verandering van het GBP in het « demografische GBP » - met name met het oog op een meer uitgesproken aanwezigheid van huisvesting in administratiegebieden - bovendien ook het voorwerp heeft uitgemaakt van een milieueffectenrapport;
Dat Richtlijn 2001/42 dus ten volle nageleefd is;
Overwegende dat de GOC vreest dat een geleidelijke uitvoering mettertijd tot lastige stedenbouwkundige toestanden leidt, zoals onvolledige bouwfronten en stadskankers; dat ze zich afvraagt of de GGSV geen regels betreffende de voorlopige ruimtelijke ordening kan bevatten om de overgang van de wijk naar een nieuwe stadsvorm te begeleiden;
Overwegende dat de GGSV, die de concepten van het Stadsproject Wet vertaalt, strekt tot de begeleiding van een ontwikkelingsproces dat zich over vele jaren uitstrekt;
Dat het geen vaste en vooraf bepaalde vorm betreft;
Dat elke aanvraag zal worden getoetst aan de goede plaatselijke aanleg;
Dat bovendien het naast-elkaar-plaatsen en het op elkaar afstemmen van de verschillende gebouwen uit uiteenlopende periodes, vaak voorkomen in stadsontwikkeling;
Overwegende dat het behoort tot de essentie van een nieuwe stedenbouwkundige reglementering dat deze pas volledig en geheel tot uitdrukking komt nadat er een zekere tijd verstreken is, naarmate er nieuwe vastgoedprojecten de kop opsteken en verwezenlijkt worden;
Dat het bestaan van deze « vertraagde uitwerking » eigen is aan iedere nieuwe reglementering en geen reden is om geen nieuwe stedenbouwkundige regels goed te keuren;
Dat het nodig is te zorgen voor een proces van harmonieuze overgang tussen de bestaande feitelijke toestand en de geplande toestand, niet zozeer door middel van overgangsrechtsregels, die door hun algemene en abstracte karakter onmogelijk aangepast kunnen zijn aan de verscheidenheid van de projecten, maar door voorwaarden te koppelen aan de toekomstige stedenbouwkundige vergunningen en de inachtneming van de goede plaatselijke aanleg te garanderen;
Overwegende dat een GGSV niet alleen verschilt van een plan van aanleg, aangezien ze beide een andere functie vervullen, maar er ook hiërarchisch aan ondergeschikt is, zodat een GGSV geen van kracht zijnd BBP kan opheffen (artikel 94 van het BWRO);
Overwegende dat de GOC voorstelt om een evolutieve werkmaquette van de perimeter te maken, op schaalgrootte 1/400e, die als presentatie- en beoordelingshulpmiddel moet dienen bij aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen; dat de aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen vergezeld zouden moeten zijn van een maquette op dezelfde schaalgrootte zodat de afgevaardigde ambtenaar een duidelijk totaaloverzicht behoudt;
Overwegende dat de suggestie van de GOC om een maquette te maken, pertinent is, maar niet moet worden vertaald in een wijziging van de bepalingen in de GGSV;
I.1.a. Het gekozen verordenend instrument : een GGSV Overwegende dat de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (ESRBHG) het innoverende karakter van het gekozen instrument benadrukt en tevreden is met de vereenvoudiging na de impactstudie; dat de Raad toch de aandacht vestigt op de complexer wordende hiërarchie en normen als gevolg van de goedkeuring van de GGSV;
Overwegende dat de aanneming van een GGSV niet zal leiden tot complexere juridische ordonnanties en regels, van toepassing op ontwerpen die binnen de perimeter van de nieuwe verordening zullen ontstaan; dat de GGSV immers gewoon in de plaats moet komen van Titel I van de GSV om deze te vervangen binnen de perimeter waarop de zonale verordening van toepassing is; dat dus geen voorschriften worden toegevoegd, maar dat bestaande voorschriften door andere worden vervangen;
Overwegende dat de GOC erop wijst dat de GGSV de uitvoering van de projecten niet mag afremmen; dat de GOC echter vaststelt dat de GGSV in een vereenvoudiging van de procedures kadert, in die zin dat het systematisch inroepen van afwijkingen op Titel I van de GSV vermeden wordt;
Overwegende dat de GGSV geen « rem » vormt voor de initiatieven van opdrachtgevers, aangezien deze voorschriften bevat die een materie regelen - natuurlijk op een andere manier - die momenteel al geregeld wordt in Titel I van de GSV;
Overwegende dat de GOC van mening is dat het, voor een langetermijnvisie, wenselijk is om BBP's per huizenblokkengroep op te stellen liever dan één BBP voor de hele perimeter van de Wetstraat; dat één BBP per huizenblokkengroep volgens de Commissie minder tijd en middelen zou kosten, wat een situatie zou vermijden die al te sterk aan de strikte reglementering van de GGSV onderworpen is; en dat er in dat geval toegezien moet worden op een harmonieuze inrichting van straten die ook in aangrenzende BBP's lopen om de coherentie en eenheid in dezelfde straat te behouden;
Overwegende dat de KCML het met de GOC eens is om verschillende BBP's (bijvoorbeeld één per huizenblok) op te stellen; dat de Commissie vraagt om geraadpleegd te worden bij de beslissende opstellingsfase van de BBP's, in het bijzonder bij de plannen voor de huizenblokken A, B, I en J;
Dat de kwestie van de aanneming van BBP's « per huizenblokkengroep » los staat van de procedure tot uitwerking van een gezoneerde stedenbouwkundige verordening; dat het bovendien moeilijk in te denken is dat het systematisch terugvallen op BBP's noodzakelijk een tijdswinst zal opleveren en coherentie zal garanderen en bovendien zal zorgen voor meer soepelheid dan de toepassing van een gezoneerde stedenbouwkundige verordening; dat BBP's en GGSV 's een andere logica volgen en hun eigen bijzonderheden hebben gekoppeld aan de functies die ze vervullen;
Overwegende dat een reclamant vraagt om het GBP aan te passen op het moment dat de GGSV wordt goedgekeurd, om te verzekeren dat de toename van de kantooroppervlakte in de perimeter van de Wetstraat gecompenseerd wordt door een grotere gemengdheid in de rest van de wijk;
Overwegende dat de GGSV geen instrument is voor het beheer van de ruimtelijke ordening en dus geen wettelijke bepalingen kan bieden voor het evenwicht waarnaar wordt gestreefd qua gemengd karakter; dat de suggestie om parallel de voorschriften van het GBP aan te passen om beter te voldoen aan deze doelstelling, werd gevolgd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.; dat bij de recente aanneming van wijzigingen aan het GBP de voorschriften met betrekking tot het administratiegebied werden gewijzigd en daarbij inderdaad de aanwezigheid van huisvesting werd bevestigd en deze bestemming op gelijke voet werd geplaatst met kantoren; dat de Regering hierdoor duidelijk heeft aangegeven dat het haar bedoeling is dat er in administratiegebieden projecten ontwikkeld worden die ook woningen omvatten;
Overwegende dat een reclamante de gewestelijke overheid naar de stand van zaken vraagt m.b.t. de opstellingsprocedure van een bijzonder bestemmingsplan waarvan de perimeter deel uitmaakt van het tweede ontwerp van GGSV;
Dat de procedure voor de aanneming van een BBP door het Gewest voor de perimeter waarop de GGSV betrekking heeft, vorderingen maakt, overeenkomstig de beginselen die de Regering had vastgelegd in haar besluit tot vastlegging van de beginselen die moeten worden in acht genomen door de inhoud van dit toekomstig bijzonder plan;
Dat die reclamante ook vragen heeft bij de gevolgen van die verordening, opperend dat de effecten daarvan in de tijd beperkt zouden blijven en dat sommige bepalingen in tegenspraak dreigen te zijn met het toekomstige BBP;
Overwegende dat, in geval van tegenstrijdigheid tussen een plan en een verordening, overeenkomstig art. 94 van het BWRO de voorschriften van het plan voorrang hebben op die van de verordening;
I.1.b. De effecten analyseren en beoordelen Overwegende dat de GOC, de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gewestelijke Milieuraad en de KCML tevreden zijn over de kwaliteit van de impactstudie waarin vernieuwende aspecten - die veel verder reiken dan wat in het BWRO gevraagd wordt, zoals licht- en windanalyses - op een zeer doelgerichte manier onderzocht werden;
Overwegende dat in diezelfde lijn meerdere interveniënten het waarderen dat de Regering een impactstudie liet uitvoeren waarin die vernieuwende aspecten geanalyseerd konden worden; dat die reclamanten daarom vragen om deze nieuwe aspecten op te nemen in de wettelijk verplichte effectenstudies;
Overwegende dat, in tegenstelling tot wat bepaalde reclamanten beweren, de « vernieuwend » geachte aspecten van de impactstudie in principe niet ontbreken in effectenstudies die uitgevoerd worden voor particuliere en openbare projecten; dat desgevallend de bestekken met betrekking tot deze studies gepreciseerd moeten worden wat betreft deze aspecten;
Dat de GOC en meerdere reclamanten echter betreuren dat bepaalde aspecten niet onderzocht werden, zoals de mobiliteit, het sociaaleconomische luik of de koolstofbalans; dat sommige leden van de GOC eisen dat er voor elk project een koolstofbalans wordt opgesteld wanneer de stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd;
Dat andere reclamanten vragen om maatregelen in te voeren met de bedoeling eventuele negatieve effecten op dat vlak te vermijden en te compenseren;
Overwegende dat enkele leden van de Gewestelijke Milieuraad om een studie vragen die de « koolstofbalans » van het tweede ontwerp van GGSV opmaakt en dat andere leden van de Raad een dergelijke studie niet echt noodzakelijk achten, maar van oordeel zijn dat een grondig onderzoek van de sociaaleconomische effecten van het volledige ontwerp meer aangewezen is;
Overwegende dat de impactstudie inderdaad het luik 'mobiliteit' niet heeft geanalyseerd, omdat het ontwerp van verordening enkel betrekking heeft op bouwregels en niet op het meer globale beheer van de mobiliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat hiervoor andere instrumenten zijn voorzien (GewOP, GemOP, Titel VIII van de GSV, IRIS II-plan, parkeerplan, plan voor de beperking van het aantal parkeerplaatsen op de openbare weg, ...); dat het beheer van de verkeersregeling in de Wetstraat niet afhangt van de aanneming van een stedenbouwkundige verordening, maar van politieke beslissingen die nodig zijn op gewestelijke schaal of nog daarboven (automatisering van de metro, uitvoering van het GEN-plan, invoering van een eventuele stadstol);
Dat het sociaal-economische aspect evenmin moest worden behandeld op het moment van de aanneming van een stedenbouwkundige verordening die, per definitie, niet de ruimtelijke bestemming en dus het type toelaatbare economische activiteiten zou kunnen vastleggen binnen de perimeter van de verordening; dat dit aspect onderworpen had moeten worden aan een analyse in het kader van de goedkeuring van het GBP en vervolgens nogmaals toen het gewijzigd werd door het demografische GBP;
Dat de opmaak van een koolstofbalans in het kader van een eenvoudige stedenbouwkundige verordening nauwelijks zin had, vermits deze balans essentieel afhankelijk is van de aard, de omvang en het aantal projecten die binnen de verordeningsperimeter worden gerealiseerd; dat het heel goed denkbaar is dat bij het onderzoek van de aanvragen tot een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning in verband met deze projecten er bijzondere aandacht zal worden besteed aan dit specifieke thema (met name in geval van afbraak en herbouw);
Overwegende dat de Gewestelijke Milieuraad betreurt dat de impactstudie niet reglementair omkaderd is, aangezien dit een bepaalde rechtsonzekerheid met zich mee kan brengen;
Overwegende, wat betreft het ontbreken van 'verordenende' omkadering van de impactstudie, dat enkel kan worden vastgesteld dat de bepalingen van het BWRO geen milieueffectenbeoordeling opleggen bij de aanneming van stedenbouwkundige verordeningen;
Overwegende dat de ESRBHG betreurt dat hij over geen tabel beschikte die samenvat wat het tweede ontwerp van GGSV wel en niet heeft overgenomen uit de impactstudie;
Overwegende dat tijdens de overlegcommissie een tabel aan de deelnemers werd uitgedeeld met een overzicht van de punten waarop het tweede GGSV -ontwerp de besluiten van de impactstudie had weerhouden en die welke niet werden gewijzigd, zodat de deelnemers een beter inzicht hadden in de evolutie van de tekst;
Dat de Gewestelijke Milieuraad het jammer vindt dat in het tweede ontwerp van GGSV onvoldoende verantwoord wordt waarom bepaalde conclusies van de impactstudie niet gevolgd werden;
Dat de KCML betreurt dat bepaalde aanbevelingen uit de impactstudie betreffende de verbetering van het stedelijk silhouet en de perspectieven te summier in het tweede ontwerp van GGSV werden overgenomen;
Overwegende dat talrijke aanbevelingen van de impactstudie in het tweede GGSV-ontwerp werden opgenomen, meer bepaald de uitbreiding van de vrije ruimte, de invoering van lokaliseringsprincipes van de vrije ruimten, de invoering van een laag bouwprofiel op de rooilijn van de Wetstraat, de invoering van het begrip « gemiddelde hoogte » voor de middelgrote bouwwerken, het behoud van de bebouwde hoeken van de huizenblokken, een betere naleving van de rooilijnen, een grote insprong in het huizenblok B aan de kant van de Etterbeeksesteenweg, de verlaging van het aantal hoge bouwwerken, een bepaalde sierlijkheid van de hoge bouwwerken, een minimale afstand tussen de hoge bouwwerken, een maximale hoogte van de hoge bouwwerken, afhankelijk van hun ligging, in de eerste plaats voor hoogste torengebouwen aan de kant van de Kunstlaan, een verbod om hoge bouwwerken op te richten op de aslijn van de dwarsstraten ten noorden van de Wetstraat, de vermindering van de biotoopcoëfficiënt per oppervlak tot een geschiktere drempel, de creatie van evaluatietools voor wind en licht;
I.1.c. Het gemengde karakter van de functies Overwegende dat de GOC benadrukt dat de leefkwaliteit voor de toekomstige inwoners en gebruikers van de wijk behouden moet worden en vragen heeft bij de manier waarop de gemengdheid binnen het project verdeeld zal worden; dat de Commissie vraagt om de wens van gemengdheid op te nemen in het demografische GBP om de realisatie ervan te verzekeren;
Dat de GOC meent dat het interessant zou zijn om, naast het niveau van het huizenblok, het terrein of de perimeter, ook rekening te houden met een straatniveau om te vermijden dat monofunctionele straten met gemengde huizenblokken kunnen samenvallen;
Overwegende dat de Economische en Sociale Raad waardeert dat de Regering een gemengdheid van functies wil invoeren in de wijk, dat hij echter van mening is dat een drempel van 12,5 % voor woningen niet volstaat en dat, parallel daarmee, het maximum van 82,5 % voor administratieve functies te hoog is;
Overwegende dat een interveniënt van oordeel is dat de opstelling van een GGSV in plaats van een BBP de gemengdheid van functies, zoals voorzien in het PGB-besluit, niet kan waarborgen en dat deze reclamant daarom vraagt om de gemengdheid op te nemen in de overwegingen van het tweede ontwerp van GGSV, opdat de afgevaardigde ambtenaar over een juridische referentie beschikt bij de beoordeling van de goede plaatselijke ordening;
Overwegende dat een reclamant meent dat de in het ontwerp van SPW voorgestelde gemengdheid van functies lang niet toereikend is en dat hij vraagt om de verhouding tussen de functies in respectievelijk 70 % voor woningen en 30 % voor kantoren te wijzigen;
Overwegende dat de GGSV niet wettelijk geschikt is om binnen de perimeter waarop zij betrekking heeft, de functies te verdelen; dat deze verdeling al is uitgevoerd door de bijzondere voorschriften van het GBP, die nog zullen worden gepreciseerd door de voorschriften van een toekomstig BBP; dat dat niet belet dat de autoriteiten die bevoegd zijn voor de afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen, bij de beoordeling van de goede plaatselijke aanleg, ongetwijfeld de gemengdheid van functies en een significante aanwezigheid van woningen voor ogen zullen houden;
Dat er overigens uitdrukkelijk herinnerd werd aan het beginsel van een gemengdheid en evenwichtige verdeling van functies in de motivering die voorafging aan het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering waarin de perimeter van gewestelijk belang van de Wetstraat en haar omgeving werd goedgekeurd;
Dat de kritiek met betrekking tot het percentage dat moet worden toegewezen aan kantoren en woningen derhalve geen betrekking heeft op de ontwerpverordening, maar eerder op de beginselen die zijn vastgelegd door de Regering in het kader van de aannemingsprocedure van het BBP;
Dat de klachten met betrekking tot deze verdeling van functies derhalve in dat kader moeten worden onderzocht;
I.d. De mobiliteit Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie (GMC) vraagt om de noodzaak om simultaan rekening te houden met de mobiliteit en de ruimtelijke ordening, conform het mobiliteitsplan IRIS 2, op te nemen in de uiteenzetting van de redenen, en de nodige middelen te definieren om het openbaarvervoeraanbod aan te passen en af te stemmen op de nieuwe vraag en op de toename van het voetgangers- en fietsverkeer;
Dat de Commissie haar verzoek herhaalt om kennis te nemen van de mobiliteitsstudie die Beliris voor de Europese wijk uitvoerde;
Dat de GMC erop aandringt dat de automatisering van de metro moet voorafgaan aan of samenvallen met de verdichting, mogelijk gemaakt door de GGSV, en dat de nodige budgetten voorzien moeten worden;
Dat de GMC vraagt om de eventuele aanpassing van het metrostation Maalbeek aan een grotere reizigersstroom te onderzoeken, aangezien de capaciteit van dit station beperkt is door de breedte van de perrons en de inrichting van de toegangen;
Overwegende dat de GMC vragen heeft over de vastlegging van de rooilijn - in de toekomstige BBP's - ter hoogte van het metrostation Maalbeek dat toegankelijk moet blijven en een echte openbare ruimte moet zijn;
Overwegende dat de Economische en Sociale Raad om een effectenstudie m.b.t. de inperking van het aantal rijstroken in de Wetstraat verzoekt;
Overwegende dat de Gewestelijke Milieuraad vraagt erop toe te zien dat de manier waarop de gebouwen uitgevoerd worden, geen hypotheek legt op de mogelijkheid om het verkeer in de Wetstraat in te perken, ook al vragen de maatregelen voor de realisatie daarvan, zoals voorzien in de Beliris-studie (met name de voltooiing van het GEN en de invoering van het rekeningrijden) een zekere tijd;
Overwegende dat een reclamant aangeeft dat de GGSV pas nieuwe effecten kan genereren nadat het verkeersprobleem is opgelost, wat de invoering van rekeningrijden en de start van het GEN impliceert;
Dat diezelfde reclamant vraagt om de inperking tot drie rijstroken in de Wetstraat te combineren met de aanleg van twee fietspaden op de rijweg en niet langer op de trottoirs, zoals dat momenteel het geval is;
Overwegende dat een reclamant vaststelt dat in de mobiliteitsstudie van Beliris voorzien wordt om een deel van het verkeer niet langer langs het Schumanplein te laten rijden, maar af te leiden naar de Etterbeeksesteenweg, wat indruist tegen het richtschema waarin de versterking van de woonfunctie op de Etterbeeksesteenweg beoogd wordt;
Overwegende dat een interveniënte achter de basisprincipes van het stedenbouwproject van winnaar Christian de Portzamparc blijft staan; dat ze herinnert aan het belang van een verbetering van de luchtkwaliteit, de mobiliteit en van de bereikbaarheid met het openbaar vervoer vanuit het hele grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat ze meent dat de afzonderlijke opstelling van stedenbouwregels niet toelaat om de ambitieuze doelstellingen van het SPW waar te maken en dat ze garanties op dat vlak verwacht;
Overwegende dat de uitdagingen van de mobiliteit ter hoogte van de volledige wijk en, ruimer, ter hoogte van het Gewest, veel verder reiken dan het toepassingsgebied van een stedenbouwkundige verordening;
Dat het niet van redelijkheid zou getuigen om de inwerkingtreding van deze verordening afhankelijk te maken van een geheel van maatregelen die het gewestelijke grondgebied meer in zijn geheel zou regelen (automatisering van de metro en aanleg van het station Maalbeek, GEN, eventuele invoering van een stadstol, beperking van het aantal rijstroken in de Wetstraat);
Dat de GGSV enkel en alleen als functie heeft regels vast te leggen voor het optrekken van gebouwen en de aanleg van hun onmiddellijke omgeving, in plaats van wat momenteel Titel I van de GSV voorziet;
I.1.e. De verdichting, voorgesteld in het SPW-programma Overwegende dat de Gewestelijke Milieuraad en een reclamant vragen om het ontwerp van GGSV bij te werken op basis van de gewijzigde vastgoedstrategie aangekondigd door de Europese Commissie; dat het niet-uitvoeren van deze actualisering volgens hen het gevaar inhoudt dat de oppervlakte voorzien voor de gebouwen van de Europese Commissie wordt ingenomen door privépromotoren, zonder compensatie voor de gemeenschap van de vele externaliteiten die een dergelijk verdichtingsproject met zich meebrengt;
Overwegende dat de Economische en Sociale Raad vragen heeft bij de sociaaleconomische effecten van het tweede ontwerp van GGSV op de hele kantoorsector, maar ook op de financiën van het Gewest en de betrokken gemeentes; dat de Raad enerzijds vaststelt dat, volgens het laatste Overzicht van het kantorenpark van de GOMB, de kantoorleegstand in de aangrenzende Leopoldwijk boven het gemiddelde ligt, en dat de eigenaars in de Wetzone anderzijds niet zullen nalaten om een aanmoediging van de overheid te vragen;
Overwegende dat een reclamant van oordeel is dat de beoogde dichtheid in het tweede ontwerp van GGSV niet in verhouding staat tot de bestaande bebouwing en dat ze uitsluitend voor vastgoedpromotoren bedoeld is;
Dat diezelfde reclamant meent dat de koerswijziging en het gebrek aan transparantie vanwege de Europese Commissie m.b.t. de kantoornoden (plaats en aantal) het democratische debat bij de overheden en de inwoners vertekenen;
Overwegende dat de wording en goedkeuring van een stedenbouwkundige verordening niet afhankelijk zijn van en niet worden gedicteerd door het vastgoedbeleid van een van de eigenaars van onroerende goederen in de perimeter waarop de verordening betrekking heeft;
Overwegende dat de GGSV alleszins enkel het vermogen heeft om via de samenvoeging van de verschillende regels die ze noemt, 'geschikte' volumes te bepalen en geen volumes die nog helemaal moeten worden gebouwd; dat het bestaan van een dergelijke verordening dus niet als gevolg heeft om de eigenaars te dwingen tot de ontwikkeling van nieuwe ontwerpen, maar deze alleen maar mogelijk maakt; dat het juist eigen is aan een verordening om een reeks mogelijkheden te creëren en niet om de vastgoedeigenaars te dwingen de mogelijkheden uit te voeren;
Dat de goedkeuring van de GGSV op zich derhalve niet tot gevolg zal hebben dat het kantooraanbod in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zal toenemen; dat alleen projecten ter realisatie van nieuwe kantooroppervlakte dit tot gevolg hebben;
Overwegende dat wat betreft de bebouwingsdichtheid, de GGSV opnieuw enkel bepaalt welke volumes bebouwd kunnen worden, zonder de eigenaars het subjectieve recht te geven deze volumes volledig gevuld te zien worden; dat het bestaan van een stedenbouwkundige verordening niet tot gevolg heeft dat de autoriteiten die instaan voor de afgifte van stedenbouwkundige vergunningen worden beroofd van hun beoordelingsbevoegdheid, met name wat betreft het behoud van een goede plaatselijke aanleg;
I.1.f. Verloop van het openbaar onderzoek Overwegende dat een reclamant betreurt dat het openbaar onderzoek van de GGSV grotendeels tijdens de schoolvakantie plaatsvond en dat er geen enkele presentatie in de Europese wijk georganiseerd werd; dat die reclamant vraagt om het openbaar onderzoek over te doen en vast te koppelen aan een presentatie in de wijk, op een fatsoenlijk uur voor de inwoners;
Dat meerdere interveniënten betreuren dat het openbaar onderzoek samenviel met de paasvakantie en dat niet iedereen zich tijdens een schoolvakantie kan vrijmaken;
Overwegende dat het openbaar onderzoek plaatsvond conform de regels, bepaald in de artikelen 6 en 92 van het BWRO, die onder meer verduidelijken dat minstens de helft van de duur van het onderzoek dient te gebeuren buiten de periode van de paasvakantie;
Overwegende dat de GOC betreurt dat het eindrapport niet in elektronische vorm beschikbaar gesteld werd; dat ze voorstelt om bepaalde titels van de GGSV beter te illustreren opdat ze begrijpelijker zouden zijn voor het grote publiek;
Overwegende dat de klachten die verband houden met het feit dat er geen informatiesessie is gehouden in de Europese wijk of dat het eindrapport van de impactstudie niet ter beschikking is gesteld in elektronische vorm, geen grondslag hebben, aangezien geen enkele bepaling in de wet- of regelgeving dit verplicht stelt;
Overwegende dat, wat betreft het beter illustreren van de GGSV, overwogen zal worden de beschikkingen voor te stellen op een website, naar het voorbeeld van de website die gemaakt is voor de GSV, waarop schema's gegeven worden bij wijze van voorbeeld zonder dat deze echter regelgevende waarde hebben;
I.1.g. Stedenbouwkundige lasten Overwegende dat een reclamant verklaart dat de stedenbouwkundige lasten opgelegd in het ontwerp van besluit betreffende de stedenbouwkundige lasten, door de Regering in een eerste lezing goedgekeurd op 21 maart 2013, helemaal niet overeenstemmen met de effecten van de GGSV op de Brusselse grondprijzen, noch op de mobiliteit, en dat de reclamant daarom van oordeel is dat de GGSV een cadeau is voor promotoren actief in de wijk, ten koste van de gemeenschap;
Overwegende dat, volgens de Gewestelijke Milieuraad, de financiële verhoging bedoeld als sanctie voor de niet-naleving van de norm, in het ontwerp van besluit betreffende de stedenbouwkundige lasten belachelijk is in verhouding tot de gerealiseerde meerwaarde en weinig kans maakt het beoogde ontradingseffect te sorteren; dat de Raad van oordeel is dat de sanctie pas echt kan afschrikken als het bedrag van de stedenbouwkundige lasten bepaald zou worden op basis van sociaal-economische effectenstudies opdat het bedrag van de lasten beter zou overeenstemmen met de werkelijke gevolgen van de projecten;
Overwegende dat een reclamant zich afvraagt of de Europese Commissie de mogelijkheid om bijkomende kantoren op haar terrein te bouwen, zal compenseren met de betaling van stedenbouwkundige lasten;
Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat de stedenbouwkundige lasten besteed moeten worden aan de bouw van middelgrote woningen en aan de nodige voorzieningen voor de verdichting uitgevoerd in de zone;
Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie voorstelt om de stedenbouwkundige lasten op nieuwe bouwwerken te gebruiken voor de herinrichting van het metrostation Maalbeek; Overwegende dat de stedenbouwkundige lasten, die worden opgelegd bij de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot de uit te voeren projecten binnen de perimeter van de GGSV, bepaald zullen worden met respect voor de regels die worden bepaald in artikel 100 van het BWRO en het nieuwe besluit dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering binnenkort wil aannemen;
Dat de stedenbouwkundige verordening geen bepalingen kan bevatten met betrekking tot de stedenbouwkundige lasten;
Dat de kritiek met betrekking tot dit besluit los blijft staan van de inhoud van de GGSV, waarbij eraan herinnerd wordt dat deze wettelijk gezien, in tegenstelling tot het BBP, geen bepalingen kan bevatten die de stedenbouwkundige lasten vastleggen die zullen worden opgelegd in het kader van het Stadsproject Wet;
Dat het is de overheid die de stedenbouwkundige lasten ontvangt, die de bestemming ervan bepaald;
I.2. OVERWEGINGEN BETREFFENDE DE SPECIFICIEKE BEPALINGEN VAN DE GGSV Overwegende dat een reclamant een aantal opmerkingen formuleert over de redactionele kwaliteit van de tekst en de vertaling ervan in het Nederlands;
Overwegende dat het geheel van de opmerkingen met betrekking tot de redactiekwaliteit van de Nederlandse vertaling pertinent werden bevonden en in de tekst van de toekomstige verordening dienen te worden opgenomen;
Overwegende dat in artikel 1, § 1 de perimeter van de GGSV gewijzigd werd ter hoogte van de Etterbeeksesteenweg en een reclamant vraagt om de redenen daarvoor toe te lichten in punt 2 van de overwegingen van het BBHR;
Overwegende dat het aangewezen is in punt 2 van de overwegingen uit te leggen waarom de Kunstlaan en de Etterbeeksesteenweg nu opgenomen zijn in de perimeter van de verordening;
Dat het, met het oog op een coherente behandeling van de openbare ruimte, nodig is gebleken de perimeter van de draagplaat boven de Etterbeeksesteenweg, die momenteel dienst doet als parking, op te nemen;
Overwegende dat in het richtschema van de Europese Wijk wordt voorgesteld de Etterbeeksesteenweg in te richten als stadsboulevard; dat daartoe de draagplaat boven de steenweg, die momenteel gebruikt wordt als parking, moet worden gesloopt;
Dat de perimeter wat betreft de Kunstlaan tevens werd uitgebreid op dezelfde manier, zodanig dat hij zich op de as van deze weg bevindt;
Overwegende dat de G.O.C. het op prijs stelt dat nieuwe termen in artikel 1, § 3, gedefinieerd werden, hoewel ze voorstelt om dat artikel uit te breiden met de volgende definitie van de term « pocket park » : « een toegankelijke ruimte voor openheid en verlenging tussen de gebouwen, gedeeltelijk of volledig vergroend en een mogelijke bron voor het creëren van een buurtgevoel »;
Overwegende dat het begrip « pocket park » niet voorkomt in de regelgevende tekst en er derhalve geen reden is om dit begrip te definiëren;
Overwegende dat de term 'pocket park' in een verklarende brochure beter op zijn plaats zou zijn;
Overwegende dat een interveniënt meent dat, in artikel 1, § 3, punt 30, de strikte definiëring van het begrip « terrein » strijdig kan zijn met de in het SPW vooropgestelde doelstelling om percelen te groeperen, in die zin dat een perceelgroepering waarin meerdere eigenaars aanwezig zijn niet als terrein erkend kan worden en dat hij voorstelt om deze definitie, net als in het GBP, te schrappen en de gebruikelijke betekenis van het woord toe te passen;
Dat hij van mening is dat de concessie op de draagplaat bestemd als parking, boven de Etterbeeksesteenweg, niet als terrein omschreven kan worden;
Overwegende dat een andere reclamant van mening is dat de definitie van het begrip terrein in artikel 1, § 3, punt 30, als volgt aangepast dient te worden : « eigenaars of houders van zakelijke rechten » opdat het parkeerdek over de Etterbeeksesteenweg als terrein beschouwd kan worden;
Dat de tekst van de definitie van het begrip 'terrein' in overeenstemming daarmee zou moeten worden aangepast om de mogelijkheden qua perceelgroepering door verschillende eigenaars van aan elkaar grenzende gronden niet uit te sluiten;
Dat met betrekking tot parking boven de Etterbeeksesteenweg elke dubbelzinnigheid zou moeten worden weggewerkt met betrekking tot het feit of ze al dan niet in de berekening van de grondinname moet worden meegeteld;
Overwegende dat een interveniënt van mening is dat de beschrijving van de regel op de gemiddelde hoogte verwarrend is in die zin dat de definitie naar bouwvolumes verwijst en dat hij bovendien vraagt om de minimale hoogte van hoge bouwwerken op 55 m in plaats van op 77 m vast te stellen;
Overwegende dat in het Stadsproject Wet in de hele perimeter wordt gestreefd naar een dynamische variatie wat betreft de bouwhoogten, met het oog op een zo gunstig mogelijke lichtinval in de straten en de huizenblokken; dat deze variatie bijdraagt de het creëren van een gediversifieerd stedelijk landschap en dat op die manier de architecturen onderling op elkaar kunnen inspelen; dat deze schaalsprongen interessant zijn en bijdragen tot de coherentie van de stadsvorm; dat deze variatie van hoogtes in het tweede ontwerp van GGSV is vertaald in een onderscheid lage, middelhoge en hoge bouwwerken, zoals gedefinieerd in artikel 1; dat deze drie bouwprofielen een schaalsprong inhouden tussen de maximumhoogte van 55 m voor middelhoge bouwwerken en de minimumhoogte van 77 m voor hoge bouwwerken;
Overwegende dat een interveniënt vraagt om in artikel 1, § 3, punt 20, de definitie van de hoogte van hoge bouwwerken te verduidelijken en uit te leggen dat deze hoogte gemeten wordt vanaf het niveau van het trottoir in de Wetstraat voor het betrokken terrein;
Overwegende dat een reclamante meent dat de bijkomende definities die aan het tweede ontwerp van verordening toegevoegd werden de tekst begrijpelijker maken, maar dat ze toch opmerkingen heeft bij drie van die definities : 1° het begrip « vrije ruimte » zou duidelijker gedefinieerd moeten worden en vermelden dat dit zowel om achteruitbouwstroken, doorgangsgebieden, zones voor open ruimtes en zones voor koeren en tuinen kan gaan;dat de definitie van de « achteruitbouwstrook » ook zou moeten vermelden dat deze strook een vrije ruimte vormt; 2° het begrip « bouwlijn » maakt het niet mogelijk om het referentiële gevelvlak te bepalen wanneer er geen hoofdvlak bestaat en wanneer de gevels uit in- en uitspringende volumes bestaan;3° het begrip « doorgangsgebied » geeft niet aan of die doorgang openbaar of privaat van aard is; Overwegende dat het de voorkeur verdient om de autoriteiten die bevoegd zijn voor de afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen, te laten bepalen welk het referentiele gevelvlak is, met name wanneer de gevels uit in- en uitspringende volumens bestaan;
Overwegende dat de inhoud van een stedenbouwkundige verordening op juridisch vlak beperkt is tot de bepalingen met betrekking tot de aanleg van de doorgangsgebieden en dat bepalingen betreffende het statuut (privaat/openbaar) van deze doorgangsgebieden bijgevolg niet het voorwerp van een stedenbouwkundige verordening kunnen uitmaken;
Dat de bepalingen van artikel 15 van de ontwerpverordening derhalve uitsluitend betrekking hebben op de wijze van aanleg en niet op het openbare of private karakter van de bedoelde zones;
Overwegende dat een ander interveniënte vraagt om artikel 1, § 3, punt 20, anders te definiëren en de referentiehoogte voor de berekening van de hoogte van bouwwerken te preciseren; dat de reclamante zich afvraagt of deze wordt berekend op basis van de bouwlengte van de constructie, de lengte van het perceel of terrein of volgens de totale straatlengte;
Overwegende dat inderdaad ten behoeve van de duidelijkheid en de leesbaarheid, deze definities van artikel 1, meer bepaald de begrippen « hoogte van het bouwwerk », « achteruitbouwstrook », « rooilijn », en « bouwlijn » dienen te worden verduidelijkt;
Overwegende dat deze reclamante betreurt dat het begrip grondinname geen rekening houdt met de bouwdieptes en aangebouwde bouwwerken, dat ze vreest dat de toepassing van dit voorschrift nadelig kan zijn voor het binnenterrein van de huizenblokken omdat de grondinname niet tegenover de rooilijn gedefinieerd wordt; dat de reclamante daarin een mogelijke tegenstrijdigheid met het algemene voorschrift 0.6 van het GBP ziet;
Overwegende dat dit bezwaar geen rekening houdt met het feit dat het begrip « binnenterrein van een huizenblok » - in de zin van het algemene voorschrift 0.6 - gedefinieerd is in het glossarium van het GBP als « ruimte achter de bouwdiepte zoals die is bepaald bij bijzonder bestemmingsplan of bij ontstentenis daarvan, bij gewestelijke of gemeentelijke stedenbouwkundige verordening »; dat er in dit geval geen BBP bestaat en dat het bovendien de bedoeling is dat de GGSV bovendien Titel I van de GSV integraal vervangt, met inbegrip van de regels betreffende de bouwdiepte van mandelige bebouwing; dat de GGSV derhalve andere beginselen bevat wat betreft de plaatsing van de bouwwerken; Overwegende dat het ontwerp van GGSV, mits bepaalde voorwaarden worden nageleefd, de bebouwing toestaat van de volledige terreindiepte;
Overwegende dat bijgevolg het begrip van aantasting van « het binnenterrein van het huizenblok », in de zin van de woordenlijst van het GBP, niet voorkomt in het ontwerp van GGSV;
Overwegende dat de GOC vreest dat de eventuele verdwijning van bebouwde hoeken die de herkenbare grenzen van de huizenblokken aangeven de structuur van de ruimte vernietigt en dat ze vraagt erop toe te zien dat de in een huizenblok gecreëerde openingen geen hinder voor de gebruikers met zich meebrengen; dat de Commissie wenst dat dergelijke problemen geval per geval onderzocht worden in de BBP's;
Overwegende dat in tegenstelling tot wat de GOC beweert, artikel 4 van het tweede ontwerp van GGSV bepaalt dat de bouwwerken langs de andere straten dan de Wetstraat zodanig ingeplant worden dat de integriteit van de contouren van het huizenblok behouden blijft en de hoeken hun bebouwde karakter behouden, en inspringingen slechts punctueel toegelaten zijn;
Overwegende dat een interveniënt waardeert dat de topografische analyse van de impactstudie van invloed was op het tweede ontwerp van GGSV voor wat de diversiteit in de hoogtes betreft, wat een betere aansluiting met de bestaande gebouwen mogelijk maakt;
Overwegende dat een reclamant erop wijst dat de topografische analyse heeft aangetoond dat de hoogste bouwwerken bij voorkeur langs de kleine ring en niet in de Maalbeekvallei worden opgetrokken, wat volgens hem impliceert dat er meer aandacht besteed wordt aan de natuurlijke lichtomstandigheden in het Maalbeekpark;
Overwegende dat artikel 10 van het tweede ontwerp van GGSV, dat de hoogte en de breedte van de hoge bouwwerken bepaalt, in het algemeen de aanbevelingen van de impactstudie volgt, met name dat de hoogste constructies op de heuveltoppen komen en niet in de Maalbeekvallei;
Overwegende dat een aanvullende studie van de natuurlijke verlichting plaatsvond overeenkomstig de 3D-modellering van het tweede GGSV -ontwerp;
Dat deze studie besluit dat de zeer ongunstige globale impact van het eerste GGSV-ontwerp op het Maalbeekpark kon worden beperkt dankzij de verbeteringen aan het tweede ontwerp van GGSV en, in het bijzonder, door de invoering van een achteruitbouwstrook op het huizenblok B tegenover dit park, zodat een aanvaardbare lichtinval behouden bleef voor deze groene ruimte;
Dat de aanvullende daglichtstudie bovendien aantoont dat de varianten van het tweede ontwerp van GGSV waarin de maximale bouwhoogte in huizenblok 2 gewijzigd wordt, geen significante verandering van de gevolgen voor het daglicht inhouden;
Overwegende dat er zich al in de stadsvorm van Atelier Christian de Portzamparc een heel hoog gebouw bevond in huizenblok B en dat de impactstudie het heeft mogelijk gemaakt de inplanting en het bouwprofiel daarvan nauwkeurig te bepalen teneinde een betere integratie in de bestaande bebouwde omgeving te garanderen;
Overwegende dat een interveniënte betreurt dat het tweede ontwerp van GGSV niet systematisch objectieve criteria aanreikt om na te gaan of projecten overeenstemmen met de bepalingen van de verordening, bijvoorbeeld wat de bebouwbare oppervlakte betreft, wat een correcte beoordeling van de economische haalbaarheid van haar project in de weg staat; dat ze om bijkomende aanwijzingen hieromtrent vraagt;
Overwegende dat artikel 12 van het tweede GGSV -ontwerp duidelijk de grondinname bepaalt van al de terreinen binnen de perimeter; dat er verwarring mogelijk is omtrent de terreinen tussen 2 000 m² en 15 000 m² en dat de opmaak van artikel 12 moet worden verbeterd om de draagwijdte van de verschillende bepalingen van het artikel te verduidelijken en om voor elk terrein een correcte evaluatie van de haalbaarheid mogelijk te maken;
Overwegende dat een interveniënte vraagt om in artikel 4, § 2, lid 3 te verduidelijken of « de bestaande hoek van de Etterbeeksesteenweg met de Jozef II-straat » de hoek is tussen de rooilijnen, de trottoirs, of de assen van de respectieve straten;
Overwegende dat de tekst van artikel 4, § 2, lid 3 op dit punt dient te worden verduidelijkt;
Dat diezelfde reclamant wijzigingen voorstelt aan de redactionele kwaliteit van de tekst : Overwegende inderdaad dat de termen « onbebouwbare grondinname » in het tweede ontwerp van GGSV niet werden gedefinieerd, zodat verkieslijk is om de opmaak te wijzigen van de artikelen 4, § 2, lid 3, en 12, § 4 en 5;
Overwegende dat een reclamante diverse opmerkingen heeft over ondergrondse constructies en de regels die daarop van toepassing zijn, en de auteurs van de verordening vraagt om expliciet de regels te bevestigen die zijn afgeleid van de voorschriften van het tweede ontwerp van GGSV; Overwegende dat die reclamante de verordening uitgebreid wil zien met de berekeningsregels voor de oppervlaktes vermeld in het tweede ontwerp van GGSV;
Overwegende dat een interveniënt meent dat, in artikel 1, § 3, punt 20, het referentiepeil voor de berekening van de gemiddelde hoogte, in het geval van een noord-zuidgericht doorlopend perceel, gelijk zou moeten zijn aan het trottoirpeil in de Wetstraat ter hoogte van het betreffende terrein;
Overwegende het niveauverschil tussen de Wetstraat en de J. de Lalaingstraat enerzijds, en de Jozef II-straat anderzijds, tegenover de huizenblokken A en B, van ongeveer 8 m, wat overeenkomt met de hoogte van twee gebouwde verdiepingen; dat omwille van de duidelijkheid de referentiehoogte dient te worden vermeld om de hoogte van een gemiddelde constructie te meten;
Overwegende dat diezelfde interveniënt vraagt om in artikel 24 te preciseren dat de voorschriften voor uitspringende elementen alleen van toepassing zijn op bouwlijnen tegen de rooilijn en niet op gevels gebouwd in de opgelegde achteruitbouwstrook achter de rooilijn;
Overwegende, inderdaad, dat de uitsprongen enkel aan de rooilijnen en aan de bouwlijnen dienen te worden gereglementeerd;
Overwegende dat de tekst van artikel 24 op dit punt dient te worden verduidelijkt;
I.2.a. De specifieke bepalingen voor vrije ruimtes Overwegende dat de GOC opmerkt dat het tweede ontwerp van GGSV beter in overeenstemming is met het SPW, meer bepaald dankzij een betere aanduiding, op het plan, van de vermazing en de noord-zuidverbinding, dat de Commissie zich evenwel afvraagt of het mogelijk is om via de voorschriften een nauwkeuriger omschrijving te geven van de voetgangersoversteekplaatsen en de continuïteit van de aanplantingen, net als een nog duidelijker tekening van de structurering en lokalisatie van de vrije ruimtes;
Overwegende dat de Commissie de aandacht vestigt op het beheer van de open ruimtes en doorgangsgebieden op het vlak van veiligheid en onderhoud; dat ze meent dat die beschouwing een plaats in de verordening zou moeten krijgen, vooral omdat het om de toegang tot zowel openbare als private (erfdienstbaarheden) ruimtes kan gaan;
Overwegende dat de inhoud van een stedenbouwkundige verordening op juridisch vlak beperkt is tot de bepalingen met betrekking tot de aanleg van de vrije ruimten en dat bepalingen betreffende de toegankelijkheid van deze vrije ruimten bijgevolg niet het voorwerp van een stedenbouwkundige verordening kunnen uitmaken;
Overwegende dat het ontwerp van zonale gewestelijke stedenbouwkundige verordening de verwezenlijking van doorgangsgebieden aanmoedigt, maar ze niet oplegt, en evenmin de exacte plaats en de minimumoppervlakte van deze zondes bepaalt;
Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie (GMC) achter de voorschriften van de verordening staat die de toegankelijkheid van open ruimtes en doorgangsgebieden voor personen met verminderde mobiliteit verbeteren, en dat ze ook prijs stelt op de betere comfortvoorwaarden opgelegd voor die doorgangen, namelijk een minimumbreedte van 6 meter en een vrije hoogte van 12 meter;
Dat ze herinnert aan het nut om bepaalde dwarsverbindingen ook voor fietsers toegankelijk te maken;
Overwegende dat de definitie van in artikel 1, punt 32, van 'doorgangsgebied' het gebruik ervan door fietsers omvat;
Overwegende dat de GMC ingenomen is met de nieuwe noodzaak om doorgangsgebieden in te planten in het verlengde van de assen van de dwarsstraten op de Wetstraat, in het geval van noord-zuidgerichte doorlopende percelen; Overwegende dat de KCML vraagt om de toegang tot vrije ruimtes voor het publiek op te nemen in het ontwerp van besluit, en dat minstens in de vorm van aanbevelingen, aangezien artikel 13, § 2, lid 2, geen enkele garantie op dat vlak omvat;
Overwegende dat een reclamante verzoekt om richtlijnen voor de herinrichting van toekomstige openbare infrastructuren (pleinen, trottoirs, fietspaden, herwaardering van straten enz.) op te nemen in het ontwerp van GGSV, aangezien deze op privépercelen uitgevoerd zullen moeten worden;
Overwegende dat de bepalingen i.v.m. de aanleg in de GGSV zijn opgenomen (zie artikelen 13 tot 17, evenals het feit dat de naleving van een biotoopcoëfficiënt per oppervlak wordt opgelegd);
Overwegende dat elk type van vrije ruimte wordt gedefinieerd en dat de evaluatie van de aanleg van de vrije ruimten zal gebeuren tijdens de behandeling van de vergunningsaanvragen;
Overwegende dat aanvullende richtlijnen voor de aanleg en het beheer van toekomstige openbare infrastructuren (pleinen, trottoirs, fietspaden, herwaardering van straten enz.) zullen worden bestudeerd in het kader van de uitwerking van het BBP;
Dat er bij het opstellen van dit BBP ook rekening zal worden gehouden met de uitwerking van een totaalvisie voor het ontwerp en het beheer van de vrije ruimten;
Overwegende dat diezelfde reclamante vaststelt dat de open ruimtes en doorgangsgebieden voornamelijk voor een publiek gebruik bestemd zijn; dat ze niet wil instaan voor het beheer en onderhoud van die openbare ruimtes; dat ze daarom een gedeeld beheer van die ruimtes voorstelt om problemen te vermijden met de aansprakelijkheid betreffende de « beheersmodaliteiten van open ruimtes en doorgangsgebieden » bedoeld in artikel 27;
Dat die reclamante opmerkt dat de doorgangsgebieden op haar terreinen zo nodig beveiligd moeten kunnen worden (manifestatie, 's nachts enz.);
Overwegende dat een interveniënt vaststelt dat het ontbreekt aan een globaal plan en aan kwaliteitscriteria met betrekking tot de kwaliteit en het gebruik van de open ruimtes om de coherentie ervan te verzekeren en dat hij vraagt om de aanbevelingen te volgen van punt 12.5 van de impactstudie betreffende het uitwerken van een totaalvisie voor het ontwerp en beheer van de vrije ruimtes en doorgangsgebieden;
Overwegende dat het GGSV -ontwerp een aantal lokalisatieprincipes formuleert die van toepassing zijn op het geheel van de vrije ruimten; dat deze regels verschillend worden toegepast naargelang van de oppervlakte van het terrein, de ligging ervan in een huizenblok en de straat het ligt;
Overwegende dat de onderliggende concepten van het Stadsproject Wet die zijn van een 'open straat' en van een 'open huizenblok'; dat het principe van de opening van de binnenterreinen van huizenblok …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.