← België

Decreet betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen

Kort samengevat

Dit decreet regelt de manier waarop de Vlaamse Gemeenschap de werking van hogescholen en universiteiten in Vlaanderen financiert. Het bepaalt de voorwaarden waaronder studenten meetellen voor deze financiering en welke uitgaven hiermee gedekt mogen worden.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
14 MAART 2008. - Decreet betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen (1) Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet betreffende de financiering van de werking van de hogescholen. HOOFDSTUK I. - Begrippenkader en toepassingsgebied Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. Art. 2.In dit decreet wordt verstaan onder : 1° Structuurdecreet : het decreet van 4 april 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 04/04/2003 pub. 14/08/2003 numac 2003035868 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen sluiten betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;2° associatie : een vereniging zonder winstoogmerk, als vermeld in titel I, hoofdstuk VI, van het Structuurdecreet;3° beursstudent : een student die een studietoelage ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/06/2007 pub. 19/07/2007 numac 2007036095 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap sluiten betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;4° creditbewijs : document of andere vorm van registratie waarin vastgelegd wordt dat een student een examen heeft afgelegd, en dat hij de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven;5° economische unie : overeenkomst over de financiële ondersteuning van een instelling van hoger onderwijs door een andere instelling van hoger onderwijs;6° Erkenningscommissie : de commissie, vermeld in artikel 9 van het Structuurdecreet;7° Flexibiliseringsdecreet : het decreet van 30 april 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/04/2004 pub. 12/10/2004 numac 2004036500 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen sluiten betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen;8° examencommissie : een commissie, als vermeld in titel III, hoofdstuk VI, afdeling 1, onderafdeling 3, van het Flexibiliseringsdecreet;9° financieringsboni : het extra puntengewicht voor beursstudenten, studenten met een functiebeperking, werkstudenten en voor opleidingen die stopgezet of afgebouwd worden;10° financieringspunten : het financieringsvolume, uitgedrukt in een aantal punten en berekend op basis van het aantal opgenomen studiepunten, het aantal verworven studiepunten en het aantal diploma's, en rekening houdend met het puntengewicht en de financieringsboni;11° gedelibereerde studiepunten : studiepunten waarvoor een student op basis van examens geen creditbewijs verworven heeft, maar waarvoor een examencommissie beslist heeft dat de bijbehorende opleidingsonderdelen niet hervat hoeven te worden.De examencommissie heeft verklaard dat de student geslaagd is voor het geheel van de opleidingsonderdelen in kwestie die hij tijdens de periode in kwestie heeft gevolgd; 12° generatiestudent : een student die zich, in een bepaald academiejaar, voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs.Het statuut van generatiestudent geldt voor dat volledige academiejaar; 13° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;14° herstructurering : onder herstructurering wordt begrepen : a) een fusie van twee of meer hogeronderwijsinstellingen tot een nieuwe hogeronderwijsinstelling;b) een combinatie van fusie en splitsing van hogeronderwijsinstellingen waarbij nieuwe hogeronderwijsinstellingen ontstaan;c) een overname van een hogeronderwijsinstelling door een andere hogeronderwijsinstelling;d) een overdracht van een of meer studiegebieden van een hogeronderwijsinstelling naar een andere instelling, waarbij deze laatste instelling onderwijsbevoegdheid heeft voor de overgedragen studiegebieden;15° Hoger Onderwijsregister : het register, vermeld in artikel 64 van het Structuurdecreet;16° Hogescholendecreet : het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;17° leerkrediet : het totale pakket van studiepunten dat een student gedurende zijn studieloopbaan kan inzetten voor een inschrijving onder diplomacontract in een initiële bachelor- of masteropleiding of een opleidingsonderdeel onder creditcontract en dat naargelang het aantal studiepunten waarvoor de student zich inschrijft en welke hij verwerft, kan evolueren;18° opgenomen studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student zich heeft ingeschreven in een bepaald academiejaar;19° student met een functiebeperking : een student die bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap een recht heeft geopend op een tegemoetkoming;20° Universiteitendecreet : het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;21° verworven studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen;22° werkstudent : een student die aan al de volgende voorwaarden beantwoordt : a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van tenminste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk;b) hij is nog niet in het bezit van een tweede cyclusdiploma of masterdiploma;c) hij is ingeschreven in een studietraject met specifieke onderwijs- en leervormen en met specifieke modaliteiten van begeleiding en aanbod, dat als zodanig geregistreerd is in het Hoger Onderwijsregister.De afzonderlijke registratie in het Hoger Onderwijsregister impliceert niet dat het hier een nieuwe opleiding betreft, zoals bepaald in artikel 60septies van het Structuurdecreet. Art. 3.De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op de hogescholen, vermeld in artikel 5 van het Structuurdecreet, met uitzondering van de Hogere Zeevaartschool, en op de universiteiten, vermeld in artikel 4 van hetzelfde decreet. De volgende bepalingen zijn van toepassing op de Hogere Zeevaartschool : 1° artikel 38;2° artikel 39, § 1;3° hoofdstuk IV. Art. 4.De bepalingen van dit decreet worden vóór 1 januari 2014 onderworpen aan een evaluatie. Deze evaluatie omvat ten minste de volgende elementen : 1° de impact (effecten) van de financieringsboni en het Aanmoedigingsfonds op : a) de instroom, doorstroom en uitstroom, meer in het bijzonder van de ondervertegenwoordigde groepen in de studentenpopulatie;b) het beleid van de instellingen ten opzichte van deze ondervertegenwoordigde groepen;2° de impact van het financieringsmechanisme op de verdeling van de werkingsuitkering over de hogescholen en universiteiten en op de interne allocatie van de middelen in de instellingen;3° de evolutie en de impact van de elementen die de onderzoekssokkel en het variabel onderzoeksdeel bepalen;4° de vergelijking tussen de puntengewichten in het financieringsmechanisme, in internationale modellen en in de interne allocatiemodellen van de instellingen;5° het rationalisatieproces en de resultaten en effecten hiervan. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop deze evaluatie wordt uitgevoerd. Zij bezorgt de resultaten van deze evaluatie na beraadslaging aan het Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs en aan het Vlaams Parlement. HOOFDSTUK II. - Werkingsuitkeringen Afdeling I. - Algemene bepalingen Art. 5.Binnen de perken en volgens de voorwaarden bepaald in dit decreet, draagt de Vlaamse Gemeenschap met jaarlijkse uitkeringen bij in de financiering van de werking van de hogescholen en van de universiteiten. Art. 6.§ 1. Die werkingsuitkeringen dragen bij in de dekking van de gewone uitgaven voor onderwijs, onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, de financiering van investeringen, de afbetaling van leningen en voor de administratie van de instelling, met inbegrip van de roerende uitrustingen. § 2. De hogescholen en de universiteiten kunnen de kosten die voortvloeien uit de samenwerkingsakkoorden, vermeld in de artikelen 94, 95 en 95bis, van het Structuurdecreet, of uit de deelneming aan de associaties, vermeld in titel I, hoofdstuk VI, van het Structuurdecreet, aanrekenen op de jaarlijkse werkingsuitkering. § 3. De uitgaven in verband met de sociale voorzieningen voor het personeel van de hogescholen en universiteiten, bezoldigd ten laste van de werkingsuitkering, kunnen aangerekend worden op de werkingsuitkering. § 4. Het universiteitsbestuur kan een bedrag uit het Bijzonder Onderzoeksfonds, dat krachtens artikel 168 van het Universiteitendecreet in elke universiteit werd ingesteld, bij het bedrag van de werkingsuitkering voegen voor de dekking van de gewone uitgaven, vermeld in § 1. De Vlaamse Regering kan een maximumpercentage vastleggen van de bijdrage van de Vlaamse Gemeenschap in het Bijzonder Onderzoeksfonds dat getransfereerd mag worden naar de werkingsuitkering. Afdeling II. - De financieringsvoorwaarden Art. 7.§ 1. Om in aanmerking te komen voor de financiering van een hogeschool of universiteit moet een student voldoen aan de volgende criteria : 1° inschrijving : studenten komen alleen in aanmerking als ze in het betreffende academiejaar met de instelling een diplomacontract of een creditcontract hebben gesloten en zijn ingeschreven voor : a) een of meer bachelor- of masteropleidingen, opgenomen in het Hoger Onderwijsregister;b) een of meer opleidingsonderdelen die behoren tot één of meer bachelor- of masteropleidingen;c) een schakelprogramma of een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding;2° nationaliteit : studenten komen alleen in aanmerking als ze aan een van de volgende voorwaarden beantwoorden : a) ze zijn onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;b) ze zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van onbeperkte duur in België, zoals bepaald bij de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/1980 pub. 20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 15/12/1980 pub. 12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;c) ze zijn slachtoffer van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;d) ze zijn student met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van bepaalde duur in België op basis van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/1980 pub. 20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 15/12/1980 pub. 12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;e) ze verblijven op 31 december van het betrokken academiejaar gedurende een onafgebroken periode van minstens twaalf maanden wettig in België, en dit wettig verblijf werd niet verleend om in België hoger onderwijs te volgen of te werken, noch werd het verleend in afwachting van een uitspraak in een asielprocedure om erkend te worden als vluchteling of als persoon die recht heeft op de subsidiaire bescherming, overeenkomstig de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/1980 pub. 20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 15/12/1980 pub. 12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;f) ze hebben op basis van de artikelen 10, 10bis, of 40 van de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/1980 pub. 20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 15/12/1980 pub. 12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de toelating gekregen om een persoon, zoals bedoeld in § 1 of § 2, 1° tot en met 7°, van onderhavig artikel, of een persoon die op 31 december van het betrokken academiejaar minstens twaalf maanden wettig verblijft in België om hoger onderwijs te volgen of te werken, te begeleiden of te vervoegen;g) ze zijn onderhorige van de landen die met België of de Vlaamse Gemeenschap een cultureel akkoord hebben gesloten, en ze hebben, binnen het kader en de grenzen van het cultureel akkoord, een studiebeurs gekregen van de Vlaamse Gemeenschap;h) ze zijn kandidaat vluchteling of hun ouders zijn kandidaat vluchteling en de student verblijft al van zijn minderjarigheid in België en heeft niet zelf een asielaanvraag ingediend.De asielaanvraag werd ontvankelijk verklaard voor 1 juni 2007 en hun procedure is nog lopende bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen, bij de Vaste Beroepsommissie voor Vluchtelingen, of bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; i) het zijn andere personen dan de personen vermeld in a) tot en met h), en andere personen dan de personen die ten laste zijn van de nationale kredieten voor ontwikkelingssamenwerking zonder dat : - het aantal studiepunten gegenereerd door die buitenlandse studenten onder diplomacontract, meer bedraagt dan 2 % van het totale aantal studiepunten voor de berekening van de onderwijssokkel, zoals bepaald in artikel 11, voor die hogeschool of universiteit; - het aantal financieringspunten gegenereerd door die buitenlandse studenten onder diplomacontract, meer bedraagt dan 2 % van het totale aantal financieringspunten, berekend zoals bepaald in artikel 14, § 2, in de hogeschool of universiteit. Voor de berekening van de financiering wordt rekening gehouden met de categorie waartoe de betrokkene behoort op het ogenblik van de inschrijving in het betreffende academiejaar; 3° leerkrediet : in een initiële bachelor- en masteropleiding komen studenten alleen in aanmerking als ze een positief leerkrediet hebben. § 2. In afwijking van § 1, 2°, wordt voor de transnationale Universiteit Limburg conform artikel 7 van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg, ondertekend in Maastricht op 18 januari 2001, enkel rekening gehouden met : 1° de studenten die de Belgische nationaliteit bezitten;2° de studenten met een andere nationaliteit dan de Belgische of de Nederlandse, die pro rata aangerekend worden aan elk van de verdragsluitende partijen volgens de aantallen studenten die respectievelijk de Nederlandse en de Belgische nationaliteit bezitten. Voor de bepaling van die aantallen wordt rekening gehouden met de nationaliteit van de betrokkenen op het ogenblik van de inschrijving voor het academiejaar in kwestie. Art. 8.§ 1. Het aantal opgenomen en verworven studiepunten van een student wordt berekend over een academiejaar. Het instellingsbestuur legt het tijdstip, eventueel per semester, vast tot waarop wijzigingen van of in een diplomacontract, die gevolgen hebben voor het aantal opgenomen studiepunten, mogelijk zijn. In ieder geval valt de uiterste datum voor wijzigingen vóór de start van de examens die betrekking hebben op de desbetreffende opgenomen studiepunten. Het instellingsbestuur legt tevens het tijdstip vast tot waarop het mogelijk is dat bij het voortijdig beëindigen van een opleiding de student uitgeschreven wordt voor het aantal opgenomen studiepunten. De uiterste datum van uitschrijving voor het aantal opgenomen studiepunten bij de voortijdige beëindiging van een opleiding valt voor de eerste examenperiode, vastgelegd voor de desbetreffende opleiding. Het instellingsbestuur maakt de regels daarvoor op duidelijke wijze kenbaar, ten minste één maand voor de start van de inschrijvingen. Uitschrijvingen voor opleidingsonderdelen door studenten onder creditcontract kunnen geen wijzigingen geven in het aantal opgenomen studiepunten. § 2. Voor de berekening van de financiering voor initiële bachelor- en masteropleidingen van een instelling komen enkel de opgenomen en verworven studiepunten in aanmerking waarvoor de student een toereikend leerkrediet heeft op het moment van de inschrijving. Afdeling III. - Het financieringsmechanisme Onderafdeling I. - De samenstelling van de enveloppe Art. 9.§ 1. De totale werkingsuitkering (Wtot) voor de hogescholen en de universiteiten is samengesteld uit de volgende componenten : 1° een onderwijssokkel voor de hogescholen en universiteiten (SOW);2° een variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen (VOWprof);3° een variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen (VOWac);4° een variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (VOWun);5° een onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun);6° een variabel onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun). § 2. Bij de universiteiten is de verhouding (sokkel onderwijs SOWun + variabel onderwijsdeel VOWun) ten opzichte van (sokkel onderzoek SOZun + variabel onderzoeksdeel SOZun) gelijk aan 55 %/45 %. Hierbij is de sokkel onderwijs SOWun gelijk aan de som van de onderwijssokkels van alle universiteiten, berekend overeenkomstig de bepalingen in artikel 13. § 3. Voor de componenten, vermeld in § 1, worden de volgende bedragen vastgelegd (uitgedrukt in euro) : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Van het bedrag VOWac is 60.379.868,14 euro, hierna het bedrag VOWhko genoemd, voorzien voor de academisch gerichte opleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten aan de hogescholen. Indien het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWac evolueert overeenkomstig de bepalingen vermeld artikel 10, dan wordt het bedrag VOWhko met hetzelfde percentage aangepast. Vanaf het begrotingsjaar 2011 : 1° kunnen de bedragen VOWun en VOZun afwijken van de bedragen, vermeld in het eerste lid, rekening houdend met de bepaling vermeld in § 2;2° kunnen de bedragen VOWprof, VOWac en VOWun afwijken van de bedragen, vastgelegd in het eerste lid, rekening houdend met de bepalingen, vermeld in artikel 10. Vanaf het begrotingsjaar 2014 tot en met het begrotingsjaar 2017 wordt het bedrag van de onderzoekssokkel SOZun jaarlijks met 1.250.000 euro verminderd. Dit bedrag wordt jaarlijks toegevoegd aan het bedrag van het variabel onderzoeksdeel VOZun. § 4. De volgende bedragen worden toegevoegd aan de totale werkingsuitkering (Wtot) van de hogescholen en universiteiten (uitgedrukt in k euro ) : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De volgende bedragen worden toegevoegd aan de totale werkingsuitkering van de hogescholen (uitgedrukt in euro) in het kader van de HOSP-middelen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 5. Vanaf het begrotingsjaar 2008 worden de bedragen, vermeld in § 3 en § 4, geïndexeerd aan de hand van de volgende formule : 1° 80 % van de bedragen volgen de evolutie van de gezondheidsindex;2° 20 % van de bedragen volgen 75 % van de evolutie van de gezondheidsindex. Art. 10.§ 1. In de begrotingsjaren 2011 tot en met 2014 volgen de bedragen voor de variabele onderwijsdelen VOWprof, VOWac en VOWun, vermeld in artikel 9, de evolutie van het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende onderwijsdeel. De bedragen voor de variabele onderwijsdelen VOWprof, VOWac en VOWun evolueren als volgt : 1° als het aantal opgenomen studiepunten in een variabel onderwijsdeel berekend voor het begrotingsjaar t, toeneemt met ten minste 2 % ten opzichte van de referentiepunten, vermeld in het tweede lid, dan neemt het bedrag voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in dat begrotingsjaar toe met 2 %;2° als het aantal opgenomen studiepunten in een variabel onderwijsdeel berekend voor het begrotingsjaar t, daalt met ten minste 2 % ten opzichte van de referentiepunten, vermeld in het tweede lid, dan vermindert het bedrag voor het desbetreffend variabel onderwijsdeel in dat begrotingsjaar met 2 %. Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in een variabel onderwijsdeel voor het begrotingsjaar t worden het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich ingeschreven hebben voor initiële bachelor- of masteropleidingen of voor basisopleidingen in afbouw binnen het desbetreffende variabel onderwijsdeel. Voor de overgangsjaren 2001-2002 tot en met 2004-2005 wordt het aantal opgenomen studiepunten vervangen door het aantal hoofdinschrijvingen voor de basisopleidingen in het desbetreffende academiejaar, vermenigvuldigd met een factor 57. De eerste referentiepunten in een variabel onderwijsdeel VOWprof, VOWac of VOWun zijn gelijk aan het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in de academiejaren 2001-2002 tot en met 2005-2006, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen in het voorgaande lid. Bij elke daling of stijging van het aantal opgenomen studiepunten met 2 % of meer in een variabel onderwijsdeel worden er nieuwe referentiepunten vastgelegd voor dat onderwijsdeel. De nieuwe referentiepunten zijn gelijk aan de vorige referentiepunten plus of min 2 %. In het variabel onderwijsdeel VOWac worden de opgenomen studiepunten gegenereerd in de academisch gerichte opleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten niet in aanmerking genomen voor de berekeningen vermeld in deze paragraaf. § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2015 evolueren de bedragen voor de variabele onderwijsdelen VOWprof, VOWac en VOWun, vermeld in artikel 9, als volgt : 1° als het totale aantal financieringspunten voor een variabel onderwijsdeel, berekend voor het begrotingsjaar t overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel 14, § 2, toeneemt met ten minste 2 % ten opzichte van de referentiepunten, vermeld in het tweede lid, dan neemt het bedrag voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in dat begrotingsjaar toe met 2 %;2° als het totale aantal financieringspunten voor een variabel onderwijsdeel, berekend voor het begrotingsjaar t overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel 14, § 2, daalt met ten minste 2 % ten opzichte van de referentiepunten, vermeld in het tweede lid, dan vermindert het bedrag voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in dat begrotingsjaar met 2 %. De eerste referentiepunten zijn gelijk aan het totale aantal financieringspunten, berekend voor respectievelijk het variabel onderwijsdeel VOWprof, VOWac en VOWun voor het begrotingsjaar 2014, overeenkomstig de bepalingen in artikel 14, § 2. Bij elke daling of stijging van het aantal financieringspunten met 2 % of meer in een variabel onderwijsdeel worden er nieuwe referentiepunten vastgelegd voor dat onderwijsdeel. De nieuwe referentiepunten zijn gelijk aan de vorige referentiepunten plus of min 2 %. In het variabel onderwijsdeel VOWac worden de financieringspunten gegenereerd in de academisch gerichte opleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten niet in aanmerking genomen voor de berekeningen vermeld in deze paragraaf. § 3. Na elke stijging of daling van het bedrag van een variabel onderwijsdeel wordt dat bedrag vastgelegd en is het de vertrekbasis voor de toekomstige berekeningen. § 4. De Vlaamse Regering voert jaarlijks een analyse uit van de evolutie van het aantal financieringspunten in elk variabel onderwijsdeel en van de evolutie van de instroom, doorstroom en uitstroom. Voor zover de waarde van een financieringspunt in het desbetreffende variabele onderwijsdeel ten minste 2 % lager is dan de gemiddelde waarde per financieringspunt over de drie variabele onderwijsdelen heen, wordt de aanpassing van een variabel onderwijsdeel geannuleerd in het geval van een daling van het aantal financieringspunten in het betreffende onderwijsdeel met meer dan 2 %. Deze afwijking van § 1 geldt tot en met het begrotingsjaar 2013. De waarde van een financieringspunt in een variabel onderwijsdeel in het begrotingsjaar t is gelijk aan het bedrag van het betreffende variabel onderwijsdeel, vermeld in artikel 9, gedeeld door het totale aantal financieringspunten van dat variabel onderwijsdeel, berekend voor het begrotingsjaar t overeenkomstig de bepalingen in artikel 14, § 2. In het variabel onderwijsdeel VOWac is de waarde van een financieringspunt in het begrotingsjaar t gelijk aan het bedrag VOWac verminderd met het bedrag VOWhko en gedeeld door het totale aantal financieringspunten, met uitzondering van de financieringspunten gegenereerd in de academisch gerichte opleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten, in het variabel onderwijsdeel VOWac, berekend voor het begrotingsjaar t overeenkomstig de bepalingen in artikel 14, § 2. Onderafdeling II. - De onderwijssokkel Art. 11.§ 1. Voor de berekeningen van de onderwijssokkel wordt voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in een instelling (OSTPi) voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een initiële bachelor- of masteropleiding in de desbetreffende instelling. § 2. Als een instelling een opleiding afbouwt of stopzet, zoals vermeld in artikel 24, of in het kader van een herstructurering een of meer opleidingen overdraagt, zoals vermeld in artikel 25, dan wordt het aantal opgenomen studiepunten voor het berekenen van de onderwijssokkel berekend overeenkomstig de bepalingen vermeld in respectievelijk artikel 24 en artikel 25. § 3. Voor de berekeningen voor de onderwijssokkel worden de Universiteit Hasselt en de transnationale Universiteit Limburg als één universiteit beschouwd. Art. 12.Om voor een onderwijssokkel in het begrotingsjaar t in aanmerking te komen, moet een hogeschool of universiteit voldoen aan de minimale instellingsnorm, waarbij het aantal opgenomen studiepunten in de desbetreffende instelling OSTPi, berekend zoals bepaald in artikel 11, groter is dan of gelijk is aan 90.000. Art. 13.§ 1. Voor de berekening van de onderwijssokkel van een hogeschool of universiteit (SOWi) wordt het bedrag van de totale onderwijssokkel SOW, vermeld in artikel 9, en verminderd met de forfaitaire sokkel van de transnationale Universiteit Limburg/Universiteit Hasselt, vermeld in § 3, omgeslagen over de hogescholen en universiteiten die voldoen aan de minimale instellingsnorm op basis van het aantal opgenomen studiepunten, vermenigvuldigd met een gewichtsfactor, overeenkomstig de volgende formule : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld waarbij : 1° SOWi gelijk is aan de onderwijssokkel van instelling i;2° gOSTPi gelijk is aan het aantal opgenomen studiepunten OSTPi in instelling i, berekend overeenkomstig artikel 11 en vermenigvuldigd met de gewichtsfactor, vermeld in § 2;3° SOWa gelijk is aan de totale onderwijssokkel, vermeld in artikel 9, verminderd met het bedrag van de forfaitaire sokkel van de transnationale Universiteit Limburg/Universiteit Hasselt. De sommatie i loopt over alle instellingen die voldoen aan de minimale instellingsnorm. § 2. Per instelling wordt het aantal opgenomen studiepunten OSTPi vermenigvuldigd met de volgende gewichtsfactor : 1° het aantal opgenomen studiepunten dat kleiner is dan of gelijk is aan 360.000 : factor 3; 2° het aantal opgenomen studiepunten dat groter is dan 360.000 en kleiner is dan of gelijk is aan 720.000 : factor 2; 3° het aantal opgenomen studiepunten dat groter is dan 720.000 : factor 0. § 3. De onderwijssokkel van de transnationale Universiteit Limburg/Universiteit Hasselt, berekend overeenkomstig § 1, wordt verhoogd met een forfaitaire sokkel van 1.057.000 euro. Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt dit bedrag geïndexeerd volgens de bepalingen in artikel 9, § 5. Onderafdeling III. - Het variabel onderwijsdeel Art. 14.§ 1. Voor de berekening van het variabel onderwijsdeel van een hogeschool of universiteit (VOWi) worden de bedragen, vermeld in artikel 9, omgeslagen over de verschillende hogescholen of universiteiten op basis van het aantal financieringspunten overeenkomstig de volgende formule : 1° voor de hogescholen VOWi = VOWi-prof + VOWi-ac + VOWi-hko waarbij : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld waarbij : a) VOWi gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor hogeschool i;b) VOWi-prof gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen in hogeschool i;c) VOWi-ac gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen, met uitzondering van de academisch gerichte opleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten, in hogeschool i;d) VOWi-hko gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten in hogeschool i;e) FPi-prof gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de professioneel gerichte opleidingen in hogeschool i;f) VOWprof gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel 9;g) FPi-ac gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de academisch gerichte opleidingen, met uitzondering van de opleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten in hogeschool i;h) VOWac gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel 9;i) FPi-hko gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de academisch gerichte opleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten in hogeschool i;j) VOWhko gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten in de hogescholen, vermeld in artikel 9. De sommatie i loopt over het aantal hogescholen die respectievelijk professioneel of academisch gerichte opleidingen aanbieden; 2° voor de universiteiten Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld waarbij : a) VOWi-un gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i;b) FPi-un gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i;c) VOWun gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten, vermeld in artikel 9. De sommatie i loopt over het aantal universiteiten. § 2. De financieringspunten, vermeld in § 1, worden als volgt berekend : FPi = FPi-input + FPi-output + FPi-diploma + FPi-credit; waarbij : a) FPi gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i;b) FPi-input gelijk is aan het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i, zoals bepaald in artikel 15;c) FPi-output gelijk is aan het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i, zoals bepaald in artikel 16;d) FPi-diploma gelijk is aan het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i, zoals bepaald in artikel 17;e) FPi-credit gelijk is aan het aantal financieringspunten in instelling i, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten door studenten onder creditcontract, zoals bepaald in artikel 20. Art. 15.§ 1. Het aantal financieringspunten FPi-input in het begrotingsjaar t is gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten per opleiding, zoals bepaald in § 2, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 en het overeenkomstige puntengewicht, zoals bepaald in artikel 23. § 2. Voor de berekening van het aantal opgenomen studiepunten per opleiding wordt het aantal studiepunten in aanmerking genomen waarvoor een student onder diplomacontract zich heeft ingeschreven voor een initiële bacheloropleiding tot op het ogenblik dat de student 60 studiepunten heeft verzameld in één en dezelfde bacheloropleiding. Voor de vaststelling van die eerste 60 studiepunten in één en dezelfde bacheloropleiding worden de volgende studiepunten in aanmerking genomen : 1° het aantal studiepunten waarvoor de student een creditbewijs ontvangen heeft in de desbetreffende bacheloropleiding;2° het aantal studiepunten waarvoor de student in de desbetreffende bacheloropleiding een vrijstelling heeft gekregen voor een opleidingsonderdeel. § 3. Met behoud van de toepassing van de bepalingen in artikel 8 behoudt een instelling het aantal opgenomen studiepunten door een generatiestudent als die student zich heroriënteert door in de loop van hetzelfde academiejaar te veranderen van opleiding en instelling, tenzij de uitschrijving plaatsvindt voor de start van het academiejaar. § 4. Het aantal opgenomen studiepunten, berekend overeenkomstig § 2, door een beursstudent, door een student met een functiebeperking en door een werkstudent wordt vermenigvuldigd met een factor 1,5. In het geval dat een student beantwoordt aan meer dan één categorie van studentenkenmerken, vermeld in het eerste lid, dan wordt het aantal opgenomen studiepunten van de student verhoogd met de helft van het aantal opgenomen studiepunten van die student voor elke categorie van studentenkenmerken van toepassing op de betreffende student. Art. 16.§ 1. Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-output wordt in aanmerking genomen : 1° voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële bacheloropleidingen (FPi-output-initieel) en in de bachelor-na-bacheloropleidingen (FPi-output-banaba);2° voor de academisch gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële bachelor- en masteropleidingen, in de schakelprogramma's en in de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding (FPi-output-initieel);3° voor de academisch gerichte opleidingen in de universiteiten : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële bachelor- en masteropleidingen, in de schakelprogramma's en in de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding (FPi-output-initieel) en het aantal gegenereerde studiepunten in de opleiding huisartsgeneeskunde, zoals bepaald in § 5. § 2. Het aantal financieringspunten FPi-output in het begrotingsjaar t is gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal verworven studiepunten per opleiding, zoals bepaald in § 3, en het aantal gegenereerde studiepunten, zoals bepaald in § 5, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 en het overeenkomstige puntengewicht, zoals bepaald in artikel 23. § 3. Voor de vaststelling van het aantal verworven studiepunten per opleiding wordt het aantal studiepunten in aanmerking genomen waarvoor een student onder diplomacontract een creditbewijs ontvangen heeft : 1° voor de berekening van FPi-output-initieel : a) in een initiële bacheloropleiding de studiepunten die niet op basis van inputfinanciering, zoals vermeld in artikel 15, worden gefinancierd;b) in een initiële masteropleiding;c) in een schakelprogramma;d) in een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding;2° voor de berekening van FPi-output-banaba : in een bachelor-na-bacheloropleiding vermenigvuldigd met een factor 0,5. § 4. Het aantal verworven studiepunten FPi-output-initieel berekend zoals bepaald in § 3, door een beursstudent, door een student met een functiebeperking of door een werkstudent wordt vermenigvuldigd met een factor 1,5. In het geval dat een student beantwoordt aan meer dan één categorie van studentenkenmerken, vermeld in het eerste lid, dan wordt het aantal verworven studiepunten van de student verhoogd met de helft van het aantal verworven studiepunten van die student voor elke categorie van studentenkenmerken van toepassing op de betreffende student. § 5. Elk met succes voltooide opleiding in de huisartsgeneeskunde genereert 120 studiepunten als aan elk van de volgende voorwaarden voldaan is : 1° de opleiding voldoet aan de voorschriften van de Europese richtlijn 2005/36/EG van 7 september 2005;2° er is een formele evaluatie van de leerresultaten;3° er vindt om de acht jaar een externe beoordeling plaats van de kwaliteit van de academische vorming in relatie tot de gehele opleiding, gecoördineerd door de Vlaamse Interuniversitaire Raad volgens het protocol waarvan sprake in artikel 93 van het Structuurdecreet. § 6. Bij de initiële masteropleidingen van 120 studiepunten in de studiegebieden Wetenschappen en Biomedische wetenschappen wordt gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf het academiejaar 2007-2008, het aantal door een student verworven studiepunten dat in aanmerking komt voor financiering beperkt tot 60 voor de gehele masteropleiding. Art. 17.§ 1. Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma wordt in aanmerking genomen : 1° voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële bacheloropleidingen (FPi-diploma-initieel) en in de bachelor-na-bacheloropleidingen (FPi-diploma-banaba);2° voor de academisch gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële masteropleidingen (FPi-diploma-initieel);3° voor de academisch gerichte opleidingen in de universiteiten : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële masteropleidingen (FPi-diploma-initieel). § 2. Het aantal financieringspunten FPi-diploma in het begrotingsjaar t is gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal uitgereikte diploma's per opleiding, zoals bepaald in § 3, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 en het overeenkomstige puntengewicht, zoals bepaald in artikel 23, en een factor 30. § 3. Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma's per opleiding komen in aanmerking : 1° voor de berekening van FPi-diploma-initieel : a) voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal uitgereikte initiële bachelordiploma's;b) voor de academisch gerichte opleidingen in de hogescholen en in de universiteiten : het aantal uitgereikte initiële masterdiploma's;2° voor de berekening van FPi-diploma-banaba : het aantal uitgereikte diploma's van bachelor-na-bacheloropleidingen, vermenigvuldigd met een factor 0,5. § 4. Alleen de diploma's, uitgereikt aan studenten die voor minstens de helft van de studiepunten van de desbetreffende opleiding een creditbewijs ontvangen hebben in de instelling die het diploma uitreikt, worden in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma. In afwijking van de bepaling in het eerste lid komen diploma's van professioneel gerichte bacheloropleidingen, uitgereikt aan studenten die reeds een diploma behaald hebben in het hoger beroepsonderwijs, in aanmerking voor de diplomabonus van 30 studiepunten, zoals bedoeld in § 2 van dit artikel. De diploma's uitgereikt aan studenten die zich een tweede maal ingeschreven hebben voor een bachelor- of masteropleiding en die al in het bezit zijn van een diploma voor die opleiding, worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma. § 5. Het aantal uitgereikte diploma's FPi-diploma-initieel, berekend zoals bepaald in § 3, aan beursstudenten, aan studenten met een functiebeperking en aan werkstudenten wordt vermenigvuldigd met een factor 1,5. In het geval dat een student beantwoordt aan meer dan één categorie van studentenkenmerken, vermeld in het eerste lid, dan wordt de diplomabonus van de student verhoogd met de helft van die diplomabonus voor elke categorie van studentenkenmerken van toepassing op de betreffende student. Art. 18.De Vlaamse Regering kan beslissen om vanaf het academiejaar 2009-2010 voor andere categorieën van studenten met een functiebeperking dan de categorie vermeld in artikel 2, 19°, een financieringsbonus in te voeren voor de berekening van de financieringspunten FPi-input, FPi-output en FPi-diploma. De studenten met een functiebeperking behorende tot deze categorieën hebben extra faciliteiten nodig om aan het leerproces te kunnen deelnemen. De hoogte van de financieringsbonus ligt tussen 1,1 en 1,5. De Vlaamse Regering baseert haar beslissing op de resultaten van onderzoek, waaruit blijkt dat de functiebeperkingen op een betrouwbare en eenduidige wijze te diagnosticeren zijn. Voor wat betreft het vaststellen van de hoogte van de financieringsbonus baseert de Vlaamse Regering haar beslissing op de resultaten van onderzoek, dat op basis van de benodigde extra faciliteiten aangeeft welke financieringsbonus verantwoord en noodzakelijk is. Art. 19.De Vlaamse Regering kan vanaf het begrotingsjaar 2011 een bedrag van ten hoogste 1 % voorafnemen van het bedrag van de totale werkingsuitkering, vermeld in artikel 9, voor de bijkomende financiering van bachelor-na-bacheloropleidingen en voor de financiering van master-na-masteropleidingen. Dit bedrag wordt verdeeld over de in aanmerking komende opleidingen op basis van het aantal verworven studiepunten en het aantal uitgereikte diploma's. De Erkenningscommissie beoordeelt op een vergelijkende wijze de ingediende aanvragen van de instellingen die voor één of meerdere van hun bachelor-na-bacheloropleidingen of master-na-masteropleidingen in aanmerking willen komen voor de financiering bedoeld in het eerste lid. De Erkenningscommissie voert deze beoordeling uit aan de hand van de volgende criteria : 1° de maatschappelijke meerwaarde, zoals de behoeften op de arbeidsmarkt;2° de wetenschappelijke relevantie als het gaat om master-na-masteropleidingen;3° de kwaliteit van de opleidingen zoals die blijkt uit de visitatierapporten. Op basis van de vergelijkende beoordeling stelt de Erkenningscommissie een lijst voor van de in aanmerking komende bachelor-na-bacheloropleidingen en een lijst van de in aanmerking komende master-na-masteropleidingen. Het instellingsbestuur dient vóór 1 januari 2010 bij de Erkenningscommissie een aanvraag in voor de volledige financiering van een bachelor-na-bacheloropleiding en voor de gedeeltelijke financiering van een master-na-masteropleiding. De Erkenningscommissie bepaalt de vorm en de inhoud van het dossier dat bij de aanvraag gevoegd moet worden. De Erkenningscommissie maakt haar voorstel van lijst bekend ten laatste op 1 juni 2010. Op basis van de voorstellen van de Erkenningscommissie, het beschikbare budget en de gemiddelde bezettingsgraad van de opleidingen tijdens de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 als t het jaartal is van het eerste begrotingsjaar van de periode van vijf jaar, stelt de Vlaamse Regering de definitieve lijst vast. De Vlaamse Regering herziet om de vijf jaar de lijsten op basis van nieuwe aanvragen en een evaluatie van de gefinancierde opleidingen. Art. 20.Het aantal financieringspunten FPi-credit in het begrotingsjaar t is gelijk aan het gemiddelde aantal gewogen studiepunten waarvoor studenten die met de instelling een creditcontract gesloten hebben, een creditbewijs behaald hebben over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2. De studiepunten waarvoor studenten onder creditcontract een creditbewijs behaald hebben in een instelling, worden verdeeld over de studiegebieden waarvoor de instelling onderwijsbevoegdheid heeft pro rata het aantal financieringspunten FPi-output in de studiegebieden en vermenigvuldigd met het puntengewicht van het betreffende studiegebied, zoals vastgelegd in artikel 23. Art. 21.Als een instelling een initiële bachelor- of masteropleiding afbouwt of stopzet, zoals vermeld in artikel 24, of in het kader van een herstructurering een of meer opleidingen overdraagt, zoals vermeld in artikel 25, dan wordt het aantal financieringspunten voor die opleiding berekend overeenkomstig de bepalingen vermeld in respectievelijk artikel 24 en artikel 25. Art. 22.De totale omvang van de middelen die gegenereerd worden door de toepassing van de voorschriften inzake financieringsboni voor beursstudenten, werkstudenten en studenten met een functiebeperking kan : 1° in het onderwijsvariabel deel voor de professionele opleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 15 % van het totaal VOWprof;2° in het onderwijsvariabel deel voor de academische opleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 10 % van het totaal VOWac;3° in het onderwijsvariabel deel voor de academische opleidingen aan de universiteiten niet meer bedragen dan 8 % van het totaal VOWun. Vanaf het begrotingsjaar 2010 wordt het percentage, vastgelegd voor de academische opleidingen in punt 3°, opgetrokken tot 10 %. Indien het aandeel van die middelen de in het eerste lid genoemde percentages overschrijdt dan worden de extra puntengewichten proportioneel verminderd voor de berekening van de werkingsuitkeringen van het desbetreffende begrotingsjaar. Voor de berekening van de financieringspunten in het kader van de evolutie van de bedragen voor de variabele onderwijsdelen VOWprof, VOWac en VOWun, zoals bedoeld in artikel 10 van dit decreet, is deze proportionele vermindering van de extra puntengewichten niet van toepassing. Art. 23.§ 1. Voor de berekening van het aantal financieringspunten wordt het puntengewicht van de studiegebieden als volgt vastgelegd : 1° voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2° voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3° voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 2.Opleidingen die over de studiegebieden heen gerangschikt worden, worden voor de bepaling van het puntengewicht gerangschikt in het studiegebied met het laagste puntengewicht dat in de combinatie voorkomt. § 3. In afwijking van § 1, 2°, bedraagt het puntengewicht voor de academisch gerichte opleidingen in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde voor de berekening van de financieringspunten voor het begrotingsjaar 2008 1,0333 en voor het begrotingsjaar 2009 1,0666. § 4. In de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunst wordt een bijkomend puntengewicht toegekend overeenkomstig het volgende schema : 1° studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst : a) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de beeldende kunsten en van de academische bachelor- en masteropleiding in het productdesign samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel 15, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel 16, § 3, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 24 000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2;b) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de audiovisuele kunsten samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel 15, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel 16, § 3, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 18 000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2;c) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de conservatie en de restauratie samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel 15, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel 16, § 3, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 6 000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2;2° studiegebied Muziek en podiumkunsten : a) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de muziek en van de academische bachelor- en masteropleiding in het drama samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel 15, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel 16, § 3, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 27 000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 3;b) voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding in de musical wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel 15, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel 16, § 3, 1°, a), in een hogeschool, met een maximum van 2400 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 3;c) voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding in de dans wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel 15, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel 16, § 3, 1°, a), in een hogeschool, met een maximum van 1 500 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 4. Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma-initieel, vermeld in artikel 17, is voor de opleidingen vermeld in het eerste lid, het puntengewicht gelijk aan de som van het puntengewicht van het studiegebied waaronder deze opleiding ressorteert, vermeld in § 1, en het bijkomende puntengewicht voor deze opleiding, vermeld in het eerste lid. Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-input, vermeld in artikel 15, en het aantal financieringspunten FPi-output, vermeld in artikel 16, is voor de opleidingen vermeld in het eerste lid, het puntengewicht voor de berekening van de bijkomende financieringspunten gegenereerd door de financieringsboni voor beursstudenten, studenten met een functiebeperking en werkstudenten gelijk aan de som van het puntengewicht van het studiegebied waaronder deze opleiding ressorteert, vermeld in § 1, en het bijkomende puntengewicht voor deze opleiding, vermeld in het eerste lid. Bij een herstructurering, vermeld in artikel 2, 14°, kan de Vlaamse Regering de aantallen wijzigen die zijn vastgelegd in deze paragraaf. In voorkomend geval kan de Vlaamse Regering bepalen dat de maximale aantallen gelden per vestigingsplaats. § 5. Voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen is het puntengewicht van de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding en van de schakelprogramma's gelijk aan het puntengewicht van het studiegebied waaronder het programma valt. Voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten is het puntengewicht van de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding en van de schakelprogramma's gelijk aan 1 in die studiegebieden waar het puntengewicht overeenkomstig § 1, 3°, gelijk is aan 1. Voor de voorbereidingsprogramma's en schakelprogramma's die ressorteren onder de andere studiegebieden is het puntengewicht gelijk aan 2. Onderafdeling IV. - Herstructurering van het opleidingenaanbod Art. 24.§ 1. Als een instelling een initiële bachelor- of masteropleiding afbouwt of stopzet vanaf of in het academiejaar t-1/t, dan gelden de volgende bepalingen voor de berekening van de werkingsuitkering : 1° voor de berekening van de onderwijssokkel wordt gedurende een periode die gelijk is aan het dubbele van de studieduur van die opleiding het aantal opgenomen studiepunten, berekend voor het begrotingsjaar t+1, in aanmerking genomen.Na afloop van die periode worden de aldus bevroren opgenomen studiepunten jaarlijks verminderd met 20 %; 2° voor de berekening van het variabel onderwijsdeel wordt gedurende een periode die gelijk is aan het dubbele van de studieduur van deze opleiding het aantal financieringspunten voor die opleiding, berekend voor het begrotingsjaar t+1, in aanmerking genomen.Na afloop van die periode worden de aldus bevroren financieringspunten jaarlijks verminderd met 20 %. Bij de vaststelling van de studieduur, vermeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van een modeltraject van 60 studiepunten per academiejaar. § 2. Op voorwaarde dat de Vlaamse Regering een sociaal plan heeft goedgekeurd voor de opleiding die afgebouwd of stopgezet wordt, ontvangt de instelling hiervoor een bonus : het aantal financieringspunten voor die opleiding, berekend zoals bepaald in § 1, 2°, wordt vermenigvuldigd met een factor 1,5. Het sociaal plan voorziet voor de personeelsleden die hun opdracht of een deel van hun opdracht in de betreffende opleiding vervulden in : 1° professionele omscholing;2° begeleiding en outplacement;3° mogelijkheden tot mobiliteit;4° de mogelijkheid om een opdracht aan een andere onderwijsinstelling uit te oefenen, overeenkomstig artikel 95, § 2, van het Structuurdecreet. § 3. In afwijking van § 1 kan de Vlaamse Regering de financieringsduur van een stopgezette opleiding of een opleiding in afbouw verlengen. § 4. De bepalingen in § 1, § 2 en § 3, zijn niet van toepassing op : 1° de opleidingen die geschrapt worden uit het Hoger Onderwijsregister, overeenkomstig artikel 56, § 2, van het Structuurdecreet;2° de opleidingen die afgebouwd worden parallel met de uitbouw van een nieuwe opleiding, zoals bepaald in artikel 61, § 1, van het Structuurdecreet;3° de opleidingen die afgebouwd worden in het kader van een uitwisseling van opleidingen, zoals bepaald in artikel 63 van het Structuurdecreet. § 5. De hogescholen en universiteiten delen jaarlijks voor 1 mei de opleidingen die ze het daaropvolgende academiejaar willen afbouwen of stopzetten, mee aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. § 6. Bij de afbouw of bij het stopzetten van een opleiding nemen de instellingsbesturen de nodige maatregelen zodat de studenten hun opleiding kunnen voltooien binnen een redelijke termijn. § 7. Een stopgezette opleiding wordt geschrapt uit het Hoger Onderwijsregister. Art. 25.§ 1. Als in het kader van een herstructurering een instelling vanaf het academiejaar t-1/t één of meer van haar opleidingen overdraagt of haar onderwijsbevoegdheid in een of meer studiegebieden geheel overdraagt aan een andere instelling die deze opleiding of opleidingen krachtens het Structuurdecreet aanbiedt of die krachtens het Structuurdecreet onderwijsbevoegdheid heeft in dezelfde studiegebieden, dan gelden de volgende bepalingen voor de berekening van de werkingsuitkeringen : 1° voor de berekening van de onderwijssokkel wordt het aantal opgenomen studiepunten in de overgedragen opleiding(en), berekend voor het begrotingsjaar t+1 gedurende een periode die gelijk is aan het dubbele van de studieduur van die opleiding toegevoegd aan het aantal opgenomen studiepunten van de ontvangende instelling;2° voor de berekening van het variabel onderwijsdeel wordt het aantal financieringspunten in de overgedragen opleiding(en), berekend voor het begrotingsjaar t+1, gedurende een periode die gelijk is aan het dubbele van de studieduur van die opleiding, toegevoegd aan het aantal financieringspunten van de ontvangende instelling;3° voor de berekening van het variabel onderwijsdeel van de ontvangende instelling wordt het aantal financieringspunten van de overgedragen opleiding(en) van de relevante academiejaren geacht behoord te hebben tot de ontvangende instelling;4° de ontvangende instelling draagt de kosten van het personeel verbonden aan de overgedragen opleidingen of de ontvangende instelling neemt de personeelsleden verbonden aan deze instelling over.De personeelsleden van de overgedragen opleidingen die door de ontvangende instelling overgenomen zijn, behouden alle rechten en verplichtingen die zij genoten bij hun instelling van oorsprong en het arbeidsrechtelijk en sociaalrechtelijk statuut dat daarbij op hen van toepassing was. Indien de overdragende en ontvangende instelling een verschillende rechtspersoonlijkheid bezitten, krijgen de personeelsleden van de overdragende instelling de kans om binnen de twaalf maanden na overdracht toe te treden tot het arbeidsrechtelijk statuut van de overnemende instelling; 5° de betrokken instellingen sluiten een overeenkomst waarin ten minste de volgende zaken zijn opgenomen : a) de datum waarop de overdracht ingaat;b) de lijst van de personeelsleden bedoeld in 4°;c) het bedrag van de werkingsuitkering van de begrotingsjaren t-1 en t dat de overdragende instelling doorstort aan de ontvangende instelling;d) de lijst van activa die de overdragende instelling overdraagt aan de ontvangende instelling en de balanswaarde ervan;e) de lijst van de schulden die de ontvangende instelling overneemt van de overdragende instelling. § 2. Een opleiding die overgedragen wordt naar een andere instelling wordt uit het Hoger Onderwijsregister geschrapt bij de instelling die de opleiding overdraagt. Een instelling die een studiegebied overdraagt naar een andere instelling verliest de onderwijsbevoegdheid voor het betreffende studiegebied. § 3. De hogescholen en universiteiten delen jaarlijks voor 1 mei de opleidingen of studiegebieden die ze het daaropvolgende academiejaar willen overdragen, mee aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. § 4. Als een overgedragen opleiding, waarbij de onderwijssokkel en het variabel onderwijsdeel berekend worden overeenkomstig de bepalingen vermeld in § 1, opnieuw naar een andere hogeronderwijsinstelling overgedragen wordt, dan zijn de bepalingen van § 1, 1° en 2°, niet van toepassing bij deze nieuwe overdracht. Art. 26.§ 1. Bij een herstructurering, vermeld in artikel 2, 14°, kan de som van de onderwijssokkels gedurende een periode van vijf jaar niet lager zijn dan de som van de onderwijssokkels van …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.