Besluit van het verenigd college houdende uitvoering van de ordonnantie van 21 juni 2012 betreffende de promotie van de gezondheid bij de sportbeoefen
Kort samengevat
Dit besluit regelt de uitvoering van de ordonnantie van 21 juni 2012, die zich richt op de bevordering van gezondheid bij sportbeoefening, het verbieden van doping en de preventie ervan. Het specificeert procedures voor dopingcontroles, therapeutische uitzonderingen en de omgang met persoonsgegevens.
Wat het reguleert
- De vaststelling van de verboden lijst van stoffen en methoden.
- De uitwisseling en bescherming van informatie en gegevens verkregen tijdens antidopingactiviteiten.
- De procedures voor het aanvragen en toekennen van toestemmingen voor gebruik wegens therapeutische noodzaak (TTN).
- De samenstelling, taken en werking van de Commissie voor de toestemming voor gebruik wegens therapeutische noodzaak (CTTN).
Wie het aanbelangt
- Sporters, in het bijzonder elitesporters van nationaal niveau, die verboden stoffen of methoden willen gebruiken om therapeutische redenen.
- Controleartsen, laboratoria, de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en andere antidopingorganisaties.
Kernpunten
- De Leden van het Verenigd College stellen de verboden lijst en de bijwerking ervan vast.
- Informatie verkregen en verwerkt krachtens dit besluit mag enkel worden meegedeeld aan specifieke bestemmelingen en voor zover strikt noodzakelijk voor de beschreven doeleinden.
- Elke sporter die verboden methodes of stoffen wenst te gebruiken wegens therapeutische noodzaak, moet een aanvraag indienen bij de CTTN.
- De CTTN bestaat uit twee kamers (Franstalig en Nederlandstalig), elk met drie werkende en twee plaatsvervangende leden, die medische diploma's en ervaring in sportgeneeskunde moeten hebben en voor vier jaar worden aangesteld.
Wettekst
lege houdende uitvoering van de ordonnantie van 21 juni 2012 betreffende de promotie van de gezondheid bij de sportbeoefening, het dopingverbod en de preventie ervan Het Verenigd College, Gelet op de
§ 3
, blijft onder de rechtstreekse observatie van de controlearts of, in voorkomend geval, van de daartoe aangewezen chaperon(s), vanaf de overhandiging van het oproepingsformulier aan de sporter tot de ondertekening van het proces-verbaal van controle. De controlearts neemt elk incident dat de controle in twijfel kan brengen en dat hij vastgesteld heeft, in het proces-verbaal van controle op. In geval van toepassing van het vorige lid, schrijft de controlearts eveneens in het proces-verbaal als hij vindt dat de controle kan worden gehandhaafd en voert hij in voorkomend geval, de controle uit. Als dit niet zo is en als het incident aan de sporter toe te schrijven is, stelt deze laatste zich bloot aan de gevolgen van een dopingfeit, in de zin van artikel 8, § 1, 3° of 5°, van de ordonnantie of van een vaststelling van een gemiste dopingtest. §
- Elke sporter opgeroepen voor een dopingcontrole meldt zich, overeenkomstig § 3, aan op de plaats en het uur vermeld op het oproepingsformulier. Met de eventuele hulp van de chaperons die hem vergezellen, kijkt de controlearts, door middel van een officieel document, de identiteit van de sporter na, en, in voorkomend geval, van de persoon die hem vergezelt. Onverminderd § 4, tweede en derde lid, indien de sporter zich niet op de plaats en uur vermeld op het oproepingsformulier meldt of indien hij de controleprocedure onderbreekt, wordt de controleprocedure, voor zover mogelijk, buiten de termijn op hem toegepast. §
- Elke sporter opgeroepen voor
§ 3
, kan vragen aan de controlearts dat de dopingcontrole wordt uitgevoerd in aanwezigheid van een persoon naar keuze, voor zover dit het normale verloop van de monsterneming niet stoort. Als de controlearts niet op dit verzoek ingaat, dan neemt hij de redenen voor die weigering in het proces-verbaal van controle op. Elke sporter met een handicap opgeroepen voor
§ 3
, kan vragen dat de controleprocedure wordt uitgevoerd in aanwezigheid en met de eventuele bijstand van een persoon naar keuze. De controlearts gaat automatisch op dit verzoek in. Elke minderjarige of niet juridisch bekwame sporter, opgeroepen voor
§ 3
, wordt tijdens de controleprocedure vergezeld door één van zijn wettelijke vertegenwoordigers of door een persoon die behoorlijk door deze wordt gemachtigd. Onverminderd de vorige leden, verleent de controlearts toegang tot het controlelokaal of de plaats waarin de controle wordt uitgevoerd, enkel aan de volgende personen : 1° de gecontroleerde sporter;2° de persoon die door de sporter wordt gekozen om hem te begeleiden;3° een wettelijke vertegenwoordiger of een persoon die door deze behoorlijk gemachtigd is, als de gecontroleerde sporter minderjarig of niet juridisch bekwaam is;4° de eventueel aangestelde chaperons, voor zover zij van hetzelfde geslacht als de gecontroleerde sporter zijn;5° een afgevaardigde geneesheer van de nationale of internationale sportvereniging waarvan de gecontroleerde sporter lid is. § 7. Onverminderd de inachtneming van § 4, eerste lid, kan de controlearts de sporter toestaan de dopingcontrolepost enkel om één van de uitzonderlijke redenen bedoeld in § 3, 7de lid, 6°, respectievelijk voor de controles buiten en binnen wedstrijdverband, te verlaten. De controlearts vermeldt in het proces-verbaal van controle het uur van het vertrek uit de controlepost en het uur van de terugkeer van de sporter naar de controlepost alsmede de uitzonderlijke reden waarom de sporter werd toegestaan de dopingcontrolepost te verlaten. Bij toepassing van het eerste lid kan de sporter niet urineren vooraleer hij naar de dopingcontrolepost terugkomt. § 8. Indien de controlearts, om de een of andere reden, vaststelt dat de controle voorzien in het opdrachtenblad niet kon worden uitgevoerd, vermeldt hij er de redenen van in het proces-verbaal van controle. In dit geval zendt de controlearts het proces-verbaal van controle onverwijld aan de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie over. De NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie stuurt onverwijld een afschrift van het proces-verbaal van controle naar de betrokken sporter en naar de nationale of internationale sportvereniging waarvan hij lid is. De sporter beschikt over vijftien dagen om zijn argumenten te laten gelden en om, in voorkomend geval, te vragen om door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie te worden gehoord. Bij gebreke aan uitleg of als de argumenten van de sporter onvoldoende of niet afdoend worden geacht, stelt de sporter zich bloot aan de toepassing van de gevolgen bedoeld in § 4, derde lid. Art. 24.§ 1. Vóór elke urine- of bloedmonsterneming heeft de controlearts een gesprek met de gecontroleerde sporter over, onder meer de acute of chronische pathologieën waaronder hij lijdt, en over de geneesmiddelen die hij neemt, de medische hulpmiddelen die hij gebruikt of de bijzondere voeding die hij volgt, al dan niet op medisch voorschrift. In het proces-verbaal neemt de controlearts een uitgebreide lijst op met de geneesmiddelen die de sporter heeft genomen, de medische hulpmiddelen die hij heeft gebruikt en de bijzondere voeding die hij heeft gevolgd binnen 7 dagen voorafgaand aan de controle. Na het in het eerste lid bedoelde gesprek maar vóór elk urine- of bloedmonsterneming stelt de controlearts aan de gecontroleerde sporter voor om uitsluitend mineraalwater te drinken, zonder dat deze hydratatie te buitensporig zou zijn. Het in het vorige lid bedoelde mineraalwater wordt door de organisator van de manifestatie, wedstrijd of training, onder een beveiligde verpakking, ter beschikking gesteld. De dopingcontrole wordt zo uitgevoerd dat de integriteit, de veiligheid en de identiteit van de monsters alsmede de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de waardigheid van de gecontroleerde personen worden gewaarborgd. Het materieel voor de dopingcontrole is voor eenmalig gebruik. Alleen de verpakkingen die door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie worden bezorgd, worden gebruikt voor de monsterneming. § 2. De controlearts stelt de controleprocedure in het proces-verbaal van controle vast, dat gevoegd is bij het antidopingcontroleformulier, waarvan het model door de Leden van het Verenigd College wordt vastgelegd in overeenstemming met de vereisten van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken. Dit tweetalige dopingcontroleformulier wordt voorzien van een Engelse vertaling. Ter informatie van de sporter legt het dopingcontroleformulier uit hoe zijn persoonlijke gegevens, alsook zijn medische gegevens, zullen worden behandeld en verduidelijkt het dat hij over een recht van toegang en verbetering van deze gegevens beschikt. Naast de informatie bedoeld in artikel 17, § 3, van de ordonnantie, vermeldt de controlearts eveneens in het proces-verbaal :
- a)de voor- en achternaam van de controlearts;
- b)in voorkomend geval, de voor- en achternaam (namen) van de aangestelde chaperon(
- s)die tijdens de controle aanwezig is (zijn);
- c)in voorkomend geval, de voor- en achternaam (namen) en de contactgegevens van de trainer en/of de arts van de sporter;
- d)de geboortedatum en de contactgegevens van de sporter;
- e)het geslacht van de sporter;
- f)de eventuele geneesmiddelen en de voedingssupplementen die de sporter in de laatste 7 dagen genomen heeft alsook de transfusies die in de 3 laatste maanden gebeurd zijn;
- g)het codenummer van het overeenstemmende monster;
- h)het soort genomen urine- of bloedmonsters, met de eventuele vermelding, in het tweede geval, dat deze voor analyse- en controledoeleinden in het kader van het biologisch paspoort van de sporter werden genomen;
- i)het tijdstip van aankomst van de sporter aan de controlepost alsook het tijdstip waarop de controle is beëindigd;
- j)alle vaststellingen die de controlearts tijdens de controleprocedure heeft kunnen doen, alsook elk eventueel incident. § 3. De controlearts neemt alle noodzakelijke maatregelen om fraude te voorkomen. Van die maatregelen wordt eventueel melding gemaakt in het proces-verbaal van controle. De controlearts, eventueel bijgestaan door één of meer chaperons, neemt alle gepaste maatregelen om het plegen van bedrog of de poging daartoe bij om het even welk onderdeel van de dopingcontrole, in de zin van artikel 8, 5°, van de ordonnantie te voorkomen. Al deze maatregelen worden eventueel in het proces-verbaal van controle opgenomen. Het is de gecontroleerde sporter verboden alsook om het even wie toegestaan door de controlearts aanwezig te zijn in het controlelokaal of in het lokaal waarin de controle wordt uitgevoerd, het verloop van de dopingcontrole te filmen, fotograferen of op om het even welke drager te zetten. De niet-naleving van het vorige lid wordt door de controlearts in het proces-verbaal van controle vastgesteld. § 4. Op het einde van de controle wordt het proces-verbaal van controle ondertekend door de betrokken sporter, de controlearts en, in voorkomend geval, de chaperon en alle personen die de controle hebben bijgewoond, overeenkomstig artikel 24, § 6. Door het proces-verbaal van controle te ondertekenen, bevestigt de sporter dat de procedure in overeenstemming met de ordonnantie en dit besluit verlopen is. Elke onregelmatigheid die door de sporter of, in voorkomend geval, de chaperon of de personen bedoeld in artikel 24, § 6, wordt ingeroepen, wordt in het proces-verbaal van controle opgenomen. Het proces-verbaal wordt in vier exemplaren opgesteld, waarvan één exemplaar bestemd is voor de sporter, één voor het laboratorium, één voor de sportvereniging waarbij de sporter aangesloten is, en één voor de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Het voor het laboratorium bestemde exemplaar bevat geen enkele vermelding waardoor de sporter zou kunnen worden geïdentificeerd. Het voor de sportvereniging bestemde exemplaar bevat geen enkele vermelding van de geneesmiddelen, de medische hulpmiddelen en de bijzondere voeding van de sporter of van de bloedtransfusies. Indien de sporter of, als hij minderjarig of niet juridisch bekwaam is, zijn wettelijke vertegenwoordiger of een andere persoon behoorlijk gemachtigd door deze, het proces-verbaal weigert te ondertekenen, stelt de betrokken sporter zich bloot aan de vaststelling van het in artikel 8, 5°, van de ordonnantie bedoelde dopingfeit. Ter informatie van de sporter legt het door de Leden van het Verenigd College vastgestelde model uit hoe zijn persoonlijke gegevens, alsook zijn medische gegevens, zullen worden behandeld en verduidelijkt het dat hij over een recht van toegang en verbetering van deze gegevens beschikt. Art. 25.§ 1. De controleprocedure voor de urinemonsterneming verloopt, behoudens toepassing van § 2 en § 3, op de volgende manier en in de volgende orde : 1° de sporter kiest een opvangbeker uit een partij, opent die, vergewist zich ervan dat hij leeg en proper is, en vult hem met een voldoende volume voor de analyse, onder het visuele toezicht van de controlearts of van een chaperon, voor zover deze laatste van hetzelfde geslacht als de sporter is;2° indien het volume urine voldoende is, kiest de sporter een analysekit uit een partij van verzegelde kits, die bestaat uit twee flesjes met hetzelfde codenummer, gevolgd door de letter "A" voor het eerste flesje, en de letter "B", voor het tweede flesje.Het tweede flesje is het reservemonster voor de eventuele tegenexpertise. 3° De sporter opent de kit en kijkt na of de flesjes leeg en proper zijn;hij giet het minimumvolume urine noodzakelijk voor de analyse, ten minste 30 ml, in het flesje B, dan het overblijvend volume, ten minste 60 ml, in het flesje A; 4° hij behoudt enkele urinedruppels en giet hierna de resthoeveelheid in de opvangbeker;5° hij verzegelt vervolgens de flesjes A en B volgens de richtlijnen van de controlearts, die nagaat, voor de ogen van de sporter, of de monsters correct zijn verzegeld;6° de controlearts meet de soortelijke dichtheid van de urine die in de opvangbeker overblijft door middel van colorimetrische banden, met inachtneming van de gestelde termijn voor het lezen;7° Indien uit het lezen blijkt dat het monster niet de soortelijke dichtheid heeft die voor de analyse noodzakelijk is, kan de controlearts een nieuwe urinemonsterneming eisen;met inachtneming van de in 1° tot 5° bedoelde procedure; 8° in het geval bedoeld in 7°, zullen de twee monsters naar het laboratorium voor een vergelijkende analyse worden gestuurd en de controlearts schrijft in het proces-verbaal van controle dat het monster gelijktijdig met het tweede monster, waarvan hij alleen het codenummer vermeldt, moet worden geanalyseerd;9° na toepassing van de stappen bepaald in 1° tot 6°, of, in voorkomend geval, in 1° tot 8° kijkt de controlearts na of het codenummer dat op de flesjes A en B vermeld is, hetzelfde is als het nummer dat op de verzendingstas staat;10° de controlearts schrijft hetzelfde codenummer, zoals bedoeld in 9°, op het proces-verbaal van controle in;11° de sporter kijkt na of het codenummer dat vermeld is op de flesjes A en B en op de verzendingstas hetzelfde is als het codenummer dat op het proces-verbaal van controle vermeld is.12° de sporter doet, onder toezicht van de controlearts, beide flesjes A en B in de verzendingstas en verzegelt deze;13° de controlearts verwijdert, voor de ogen van de sporter, de overblijvende urine die niet voor het analyselaboratorium bestemd is;14° de sporter of, als hij minderjarig of niet juridisch bekwaam is, zijn wettelijke vertegenwoordiger, of een andere persoon behoorlijk gemachtigd door deze, bevestigt, door het proces-verbaal van controle te ondertekenen, dat de procedure overeenkomstig deze paragraaf verlopen is, onder voorbehoud, in voorkomend geval, van elke onregelmatigheid of opmerking die de sporter of de andere persoon die eventueel de controle heeft bijgewoond, zou wensen te formuleren, en die in dit geval in het proces-verbaal van controle zal worden opgenomen. § 2. Indien er geen urine geproduceerd is of indien de hoeveelheid urine bepaald in § 1, 1°, niet bereikt is, blijft de sporter onder het visuele toezicht van de controlearts of, in voorkomend geval, van de chaperon die hem bijstaat, totdat de voorgeschreven hoeveelheid bereikt is, volgens de procedure bedoeld in § 3. In het geval bedoeld in het vorige lid, wordt mineraalwater onder beveiligde verpakking ter beschikking gesteld van de sporter door de organisator van de manifestatie, de wedstrijd of de training. § 3. Indien de sporter een onvoldoende hoeveelheid urine produceert, wordt de procedure voor de gedeeltelijke monsterneming toegepast, in de volgende orde : 1° de sporter kiest een analysekit uit een partij van verzegelde kitten, opent die en kijkt na of de flesjes A en B leeg en proper zijn;2° hij giet in het A-flesje de urine die zich in de opvangbeker bevindt, onder het visuele toezicht van de controlearts, of van een chaperon, voor zover deze laatste van hetzelfde geslacht als de sporter is;3° de sporter kiest een kit voor gedeeltelijke monsterneming uit een partij van verzegelde kitten;hij opent die en sluit het A-flesje met behulp van een afsluitdop die zich in de gekozen kit voor gedeeltelijke monsterneming bevindt; 4° De sporter kijkt na of er geen lekken zijn;5° de sporter plaatst het A-flesje in de analysekit, sluit deze en plaatst de aldus gesloten kit in de daartoe bepaalde tas voor gedeeltelijke monsterneming;6° de sporter maakt de beschermingskleefstrip van het zakje los en verzegelt dit;7° de controlearts kijkt na of het codenummer op de verwijderbare strip en dat op het zakje dezelfde zijn;8° de controlearts neemt in het proces-verbaal van controle het in 7° bedoelde codenummer op, alsook zijn initialen en deze van de gecontroleerde sporter.9° de controlearts bewaart de tas voor de gedeeltelijke monsterneming totdat de sporter opnieuw zou kunnen urineren;10° wanneer de sporter in staat is om een bijkomend monster af te staan, wordt de procedure voor de monsterneming, beschreven in § 1, herhaald totdat een toereikend volume is afgestaan, door het oorspronkelijke monster met de bijkomende monsters te mengen;11° zodra de controlearts vindt dat aan de vereisten betreffende de hoeveelheid urine noodzakelijk voor de analyse wordt voldaan, kijkt de sporter, onder het toezicht van de controlearts, na of de tas intact is en of het nummer van zijn verwijderbare strip overeenstemt met het nummer dat op het zakje en in het proces-verbaal van controle opgenomen is;12° de sporter opent het verzegelde zakje alsook het A-flesje, voorzien van zijn voorlopige afsluitdop;13° hij neemt onder toezicht van de controlearts het flesje A en voegt de urine die het inhoudt aan het tweede monster toe in de opvangbeker, om beide opgevangen monsters te mengen;14° indien de aldus bekomen hoeveelheid gemengde urine nog lager is dan 90 ml, wordt de in de punten 1° tot 13° beschreven procedure herhaald totdat de vereiste hoeveelheid van 90 ml urine bereikt wordt;15° indien de hoeveelheid van 90 ml urine bereikt is, dan is de in § 1, 2° tot 14°, bedoelde procedure van toepassing. Art. 26.De controleprocedure voor de bloedmonsterneming verloopt op de volgende manier en in de volgende orde : 1° de sporter kiest een bloedafnameset uit een partij, opent die en vergewist zich ervan dat hij leeg en proper is.2° hij gaat na of het codenummer vermeld op de proefbuisjes hetzelfde is;3° De controlearts kijkt na of de sporter in comfortabele omstandigheden is opgesteld en vraagt hem om in een normale zittende positie te blijven, met de voeten op de grond, tijdens ten minste 10 minuten voor de monsterneming;4° de controlearts ontsmet de huid van de sporter met steriele ontsmettende watten op een plaats die geen negatieve gevolgen kan hebben op de sporter of zijn sportprestaties;er wordt, indien nodig, een knelband aangelegd; 5° Hij vangt het bloedmonster in het afnamebuisje op vanuit een oppervlakkige ader;6° de hoeveelheid afgenomen bloed moet toereikend zijn om te beantwoorden aan de analysenormen van het door het WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratorium;7° als de hoeveelheid afgenomen bloed niet voldoende is, zoals bepaald in 6°, herhaalt de controlearts de procedure, maar hij mag niet meer dan drie pogingen uitvoeren.8° als de controlearts de geschikte hoeveelheid na drie pogingen niet kan krijgen, onderbreekt hij de bloedafname en vermeldt hij dit nauwkeurig in het proces-verbaal van controle;9° de controlearts legt een verband aan op de punctieplaats;10° de controlearts werpt op een geschikte wijze de uitrusting voor de bloedafname weg die niet noodzakelijk is om de fase van de bloedafname aan te vullen;11° de sporter verzegelt zijn monster in de bloedafnameset volgens de richtlijnen van de controlearts;deze controleert, voor de ogen van de sporter, dat het monster op voldoende wijze is verzegeld; 12° Vooraleer ze naar een door het WADA geaccrediteerd of goedgekeurd laboratorium worden gestuurd, worden de monsters, met name voor het transport, in een bewaarsysteem geplaatst dat de bloedmonsters op lage temperatuur kan houden zonder ze te bevriezen.13° de sporter of, als hij minderjarig of niet- juridisch bekwaam is, zijn wettelijke vertegenwoordiger, of een andere persoon behoorlijk gemachtigd door deze, bevestigt, door het proces-verbaal van controle te ondertekenen, dat de procedure overeenkomstig deze paragraaf verlopen is, onder voorbehoud, in voorkomend geval, van elke onregelmatigheid of opmerking die de sporter of de andere persoon die eventueel de controle heeft bijgewoond, zou wensen te formuleren, en die in dit geval in het proces-verbaal van controle zal worden opgenomen. Art. 27.S 1. De controleprocedure uitgevoerd door middel van het biologisch paspoort van de sporter, overeenkomstig artikelen 23/1 en 23/2 van de ordonnantie, wordt verwezenlijkt op basis van bloedmonsters die genomen werden volgens de in artikel 26 bedoelde procedure. Voor de afname meldt de controlearts aan de sporter dat zijn bloedmonsters in het kader van het biologisch paspoort van de sporter zullen worden geanalyseerd en gecontroleerd. Onverminderd de inachtneming van het eerste lid ziet de controlearts er bovendien op toe dat het bloedmonster niet minder dan twee uren na het einde van de training, wedstrijd of, in voorkomend geval, van de sportmanifestatie, wordt genomen. Na de afname vermeldt de controlearts in het proces-verbaal van controle dat de bloedmonsters voor analyse- en controledoeleinden in het kader van het biologisch paspoort van de sporter werden genomen. § 2. De procedureregels bedoeld in artikel 23/2, § 2, van de ordonnantie, voor het opmaken, het beheer en de opvolging van het biologisch paspoort, zijn de volgende : 1° het biologisch paspoort kan enkel door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie worden opgesteld, beheerd en aangewend met inachtneming van de voorwaarden bepaald in artikel 23/1 van de ordonnantie;2° het biologisch paspoort kan enkel worden opgesteld en/of beheerd en/of aangewend door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie voor ten minste één van de doeleinden bedoeld in artikel 23/1, tweede lid, b), of artikel 23/2, § 1, derde lid van de ordonnantie;3° Onverminderd 1° en 2°, bepaalt elke overeenkomst, afgesloten in toepassing van artikel 23/2, § 1, tweede lid, van de ordonnantie, onder meer de antidopingorganisatie verantwoordelijk voor het biologisch paspoort, de nadere regels betreffende het beheer en de aanwending ervan, alsook de verdeling van de beheers- en gebruikskosten;4° Bij het opstellen van een biologisch paspoort door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, geeft deze aan de betrokken elitesporter van nationaal niveau, per aangetekend schrijven en per elektronische post ten minste kennis van de volgende elementen :
- a)het feit dat een biologisch paspoort van de elitesporter wordt opgesteld;
- b)de mogelijke doeleinden van de verwerking van de gegevens van het biologisch paspoort alsook de maximale bewaartermijn van deze gegevens, overeenkomstig de bijlage;
- c)de antidopingorganisatie verantwoordelijk voor het beheer en de opvolging van het biologisch paspoort;
- d)de mogelijkheid voor de betrokken elitesporter van nationaal niveau om, binnen 15 dagen volgend op de kennisgeving, het opstellen van het biologisch paspoort te betwisten en te vragen om te worden gehoord met eigen middelen door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, eventueel in de aanwezigheid van een advocaat en/of een arts naar keuze.5° indien de elitesporter het opstellen van het biologisch paspoort wenst te betwisten, overeenkomstig 4°, d), geeft de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kennis van haar beslissing aan de betrokken elitesporter van nationaal niveau.
- a)na ontvangst van zijn betwisting en zijn eventuele verhoor;
- b)na overleg met de betrokken sportvereniging en, in voorkomend geval, met het WADA; § 3. Voor de toepassing van artikel 23/2, § 2, derde lid, van de ordonnantie, kunnen de Leden van het Verenigd College een instantie voor het beheer van het paspoort van de elitesporter aanduiden die ermee belast wordt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bij te staan bij het opmaken, het beheer en de opvolging van het biologisch paspoort. Art. 28.Het nemen van monsters van andere lichaamsvloeistoffen of van de bevoorrading van de sporter wordt mutatis mutandis uitgevoerd volgens dezelfde regels als het nemen van urinemonsters, en gebeurt als volgt : 1° de monsters worden in geschikte verpakkingen geplaatst en verzegeld; 2° er kunnen monsternemingen worden uitgevoerd met het oog op eventuele bijkomende en toekomstige analyses, overeenkomstig artikelen 6.2 en 6.5 van de Code; 3° de verpakking wordt verzegeld in aanwezigheid van de betrokken sporter;4° op elke verpakking wordt een codenummer genoteerd, waarvan de sporter in kennis wordt gesteld, en dat in het proces-verbaal wordt opgenomen. Art. 29.Indien, bij de controle, twijfels ontstaan over de afkomst, de authenticiteit of de integriteit van een monster, wordt een nieuw monster genomen. Elke weigering van de sporter of, als hij minderjarig en niet juridisch bekwaam is, van zijn wettelijke vertegenwoordiger of van de persoon behoorlijk gemachtigd door deze, om zich aan een nieuwe monsterneming te onderwerpen, wordt met controleweigering gelijkgesteld, wat wordt beschouwd als een dopingfeit, zoals bedoeld in artikel 8, § 1, 3°, van de ordonnantie. Afdeling 5. - Onderzoeken Art. 30.Met inachtneming en in het kader van de onderzoeksbevoegdheid van de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, zoals bedoeld in artikel 23/1 van de ordonnantie, zijn de volgende bijkomende modaliteiten van toepassing : 1° het openen van elke onderzoeksprocedure heeft tot mogelijke doelstellingen hetzij een mogelijke overtreding van de antidopingregels of een mogelijke deelname aan een overtreding van de antidopingregels uit te sluiten, hetzij bewijzen te verzamelen met het oog op het openen van een procedure wegens overtreding van de antidopingregels, overeenkomstig artikel 50;2° het openen van de in artikel 23/1, tweede lid, a), van de ordonnantie bedoelde onderzoeksprocedure die betrekking heeft op één of meer mogelijke overtredingen van de antidopingregels bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie, berust op betrouwbare informatie die door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie werd nagegaan en vergeleken.3° de bronnen waarbij de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie inlichtingen kan inwinnen, overeenkomstig artikel 23/1, tweede lid, a), van de ordonnantie, zijn onder meer de sporters, de begeleiders, de controleartsen, de chaperons, de door het WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratoria, de sportverenigingen, andere antidopingorganisaties, de media, andere openbare instellingen, het WADA. 4° overeenkomstig artikel 12.3.3 van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken wordt elk onderzoek op billijke en onpartijdige wijze, belastend en ontlastend gevoerd. 5° overeenkomstig artikel 12.3.4 van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken, en onverminderd de punten 1° tot 4°, maakt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gebruik van alle nuttige en beschikbare informatie, met name deze komende van het ADAMS-systeem, om haar onderzoeken te voeren; 6° de evaluatie van de inlichtingen en bewijzen geïdentificeerd gedurende de onderzoeken, de conclusies, de verbanden, en de resultaten van de onderzoeken moeten schriftelijk door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie worden gerapporteerd;7° alle informatie en inlichtingen worden vertrouwelijk verkregen en verwerkt door het personeel van de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie dat de onderzoeksbevoegdheid uitoefent;8° met inachtneming van de punten 1° tot 7°, werkt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie nauwgezet met het WADA en de andere antidopingorganisaties; 9° voor de toepassing van artikel 23/1, tweede lid, b), van de ordonnantie en overeenkomstig artikel 12.2.2 van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken, op aanvraag van het WADA, zal de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie het WADA bijkomende informatie over de omstandigheden van de afwijkende analyseresultaten, de atypische analyseresultaten en de afwijkende paspoortresultaten meedelen; 10° voor de toepassing van artikel 23/1, c), van de ordonnantie, en overeenkomstig artikel 12.1.1, b), van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken, stelt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een onderzoek in en onderzoekt in alle vertrouwelijkheid elk analytisch of niet-analytisch gegeven als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de antidopingregels niet nageleefd werden. 11° voor de toepassing van artikel 23/1, tweede lid, c), van de ordonnantie, stelt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie automatisch een onderzoek in wanneer het proces-verbaal van controle aangeeft dat een sporter een monsterneming heeft vermeden, geweigerd of gemist, dat de sporter het proces-verbaal, of het deel van het antidopingformulier over de kennisgeving van de controle, heeft geweigerd te onderteken of dat hij, op welke manier ook, het goede verloop van de individuele controleprocedure verhinderd heeft; 12° Bij toepassing van het punt 10° of 11°, overeenkomstig artikel 12.3.2 van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken, informeert de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie het WADA over het instellen van een onderzoek en houdt het op de hoogte van de opvolging ervan, op zijn aanvraag. 13° Bij toepassing van artikel 23/1, tweede lid,
- b)tot d), van de ordonnantie, geeft de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, per aangetekende brief, aan de betrokken sporter, zijn wettelijke vertegenwoordiger of de betrokken begeleider, kennis van het openen van een onderzoek tegen hem.14° de in 13° bedoelde kennisgeving omvat :
- a)een korte beschrijving van de feiten die voor het openen van een onderzoek in acht worden genomen;
- b)de vermelding van de legale grondslag en de procedure die van toepassing is voor het openen van het onderzoek;
- c)de vermelding van de beweerde overtreding van de antidopingregel;
- d)de verplichting om zich ter beschikking van de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie te houden met het oog op een eventuele oproeping voor een verhoor, met de mogelijkheid om zich bij het verhoor door een advocaat en/of een arts te laten bijstaan of vertegenwoordigen.
- e)overeenkomstig artikel 12.3.5 van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken, de vermelding dat, indien de betrokken persoon niet samenwerkt met het oog op het goede verloop van het onderzoek, de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie ertoe kan worden gebracht om een procedure wegens overtreding van de in artikel 6, 5°, van de ordonnantie bedoelde antidopingregel op te starten. 15° binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de in 14° bedoelde kennisgeving, deelt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, per aangetekende brief, de betrokken sporter, zijn wettelijke vertegenwoordiger, indien hij minderjarig is, of de betrokken begeleider, de conclusies van haar onderzoek mee alsook haar beslissing om het dossier af te sluiten of over te maken aan de bevoegde sportvereniging of aan de gerechtelijke overheden, met het oog op de toepassing van respectievelijk artikel 30 of 35 van de ordonnantie; 16° overeenkomstig artikel 12.4.3,
- a)en b), van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken, betekent de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie het WADA en de betrokken internationale sportvereniging, per elektronische post, elke beslissing om het dossier af te sluiten, genomen in toepassing van 15°, om hen de mogelijkheid te geven in beroep te gaan tegen deze beslissing. 17° indien de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie haar beslissing binnen de in 15° bedoelde termijn niet heeft meegedeeld, wordt het dossier als afgesloten geacht door een beslissing wegens gebrek aan vaststelling van een overtreding van de antidopingregels; 18° Bij toepassing van het punt 17° en overeenkomstig artikel 12.4.1 van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken, kan het WADA in beroep gaan bij het Hof van Arbitrage voor Sport tegen de in 17° bedoelde beslissing. 19° het overmaken van een onderzoeksdossier door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie aan een sportvereniging voor de toepassing van artikel 30 van de ordonnantie :
- a)wordt voorafgegaan door een oproeping van de sporter of de betrokken begeleider voor een verhoor, eventueel in aanwezigheid van een advocaat en/of een arts naar keuze;
- b)berust op een geschrift, onderbouwd door bewijselementen geoorloofd door de Code en in het Belgische recht;
- c)wordt gemotiveerd in feite en in rechte;20° het beroep doen op de politie door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, om politiehandelingen te stellen, berust op betrouwbare informatie en/of inlichtingen die door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie werden nagegaan en vergeleken.21° het overmaken van een onderzoeksdossier door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie aan de gerechtelijke overheden, met het oog op het eventuele openen van een strafdossier tegen een sporter of een begeleider, voor de toepassing van artikel 35 van de ordonnantie :
- a)wordt voorafgegaan door een oproeping van de sporter of de betrokken begeleider voor een verhoor, eventueel in aanwezigheid van een advocaat en/of een arts naar keuze;
- b)berust op een geschrift, onderbouwd door bewijselementen geoorloofd door de Code en in het Belgische recht;
- c)wordt gemotiveerd in feite en in rechte;22° de in 19°, a), en 21°, a), bedoelde oproepingen worden gericht aan de sporter of de betrokken begeleider ten minste 15 dagen vóór het verhoor, met de vermelding van :
- a)het voorwerp ervan en het instellen van een onderzoek tegen de sporter of de betrokken begeleider;
- b)een samenvatting van de feiten die de sporter of de betrokken begeleider worden verweten;
- c)de beweerde overtreding(
- en)van de antidopingregel(
- s)zoals bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie;
- d)in voorkomend geval,
- c)de beweerde overtreding(
- en)van de antidopingregel(
- s)zoals bedoeld in artikel 35 van de ordonnantie;
- e)de datum van het verhoor;
- f)het recht om door een advocaat en/of een arts, gekozen door de sporter of de betrokken begeleider, te worden bijgestaan of vertegenwoordigd;
- g)dat, in geval van verzuim, het onderzoeksdossier automatisch aan de betrokken sportvereniging of de gerechtelijke overheden wordt overgemaakt;23° na het in 19°, a), of 21°, b), bedoelde verhoor, of, indien de sporter of de betrokken begeleider het verhoor niet heeft bijgewoond, na de dag waarop het verhoor was voorzien, ontvangt de sporter of de betrokken begeleider een kennisgeving, die naargelang het geval, de volgende elementen vermeldt :
- a)indien het verhoor heeft plaatsgevonden, het afsluiten van het onderzoeksdossier of het overmaken ervan aan de betrokken sportvereniging of aan de gerechtelijke overheden, met vermelding van de beweerde overtreding(
- en)van de antidopingregel(
- s)zoals bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie, en, in voorkomend geval, in artikel 35 van de ordonnantie;
- a)indien het verhoor niet heeft plaatsgevonden, het overmaken van het onderzoeksdossier aan de betrokken sportvereniging of aan de gerechtelijke overheden, met vermelding van de beweerde overtreding(
- en)van de antidopingregel(
- s)zoals bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie, en, in voorkomend geval, in artikel 35 van de ordonnantie; Afdeling 6. - Kennisgevingsprocedure inzake verboden samenwerking Art. 31.Met inachtneming en in het kader van de toepassing van artikel 8, 10°, van de ordonnantie, zijn de nadere regels van de procedure van kennisgeving de volgende : 1° de kennisgeving bedoeld in artikel 8, § 2, vierde lid en vijfde lid, van de ordonnantie, vermelden de volgende elementen :
- a)de identiteit van de betrokken begeleider;
- b)de overtreding(
- en)van de antidopingregels die hem verweten wordt/worden;
- c)de data en de eventuele referenties van de aangehaalde veroordeling of schorsing;
- d)de periode van de aangehaalde schorsing of veroordeling;
- e)de vermelding van de mogelijkheid om de vaststelling van verboden samenwerking te betwisten binnen 15 dagen na de kennisgeving, en om, in voorkomend geval, door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie te worden gehoord, eventueel in aanwezigheid van een advocaat;
- f)de vermelding van de mogelijke gevolgen van de verboden samenwerking voor de sporter;2° Naast de in 1° bedoelde elementen, wijst de kennisgeving bedoeld in artikel 8, § 2, vierde lid, van de ordonnantie, eveneens op de mogelijkheid voor de sporter om aan te tonen dat de verweten samenwerking niet professioneel of sportgerelateerd is.In dit geval kan er geen verboden samenwerking vanwege de sporter worden vastgesteld. 3° na het eventuele gevraagde verhoor of na het verstrijken van de in 1°, e), bedoelde termijn, stuurt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie naar de sporter of de andere persoon en de betrokken begeleider een kennisgeving met vermelding van, naargelang het geval :
- a)het afsluiten van het dossier, op grond van de rechtsmiddelen die in acht werden genomen;
- b)het overmaken van het dossier aan de betrokken sportvereniging, met het oog op de toepassing van artikel 30 van de ordonnantie;
- c)het eventuele overmaken van het dossier aan de gerechtelijke overheden, met het oog op de toepassing van artikel 35 van de ordonnantie;4° Voor de toepassing van artikel 8, § 2, vijfde lid, van de ordonnantie, informeert de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie het WADA en de betrokken sportvereniging, per elektronische post, over :
- a)de gevoerde procedure en de uitgevoerde kennisgevingen;
- b)de identiteit van de betrokken sporter en de andere persoon en van de betrokken begeleider;
- c)de data en de eventuele referenties van de aangehaalde veroordeling of schorsing;
- d)de data van de periode van de aangehaalde schorsing of veroordeling;
- e)de eventuele antwoorden gegeven als gevolg van de kennisgevingen;
- f)haar beslissing om het dossier af te sluiten of over te maken aan de betrokken sportvereniging, met het oog op de toepassing van artikel 30 van de ordonnantie. Afdeling 5. - Analyse van de monsters Art. 32.§ 1. Nadat de controle is uitgevoerd, naargelang het geval, overeenkomstig artikelen 25 tot 28, bewaart de controlearts de verzegelde monsters totdat ze aan de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie worden gestuurd. Voor de monsters worden gestuurd, vergewist de controlearts zich ervan dat de monsters goed verpakt zijn voor hun vervoer en hun opslag, om te vermijden dat ze beschadigd zouden kunnen worden. De NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie neemt de nodige maatregelen voor de bewaring van de monsters gestuurd door de controlearts, tot ze met het oog op analyse aan het geaccrediteerde of door het WADA goedgekeurde laboratorium worden overhandigd. Indien er twijfels bestaan over de integriteit, de identificatie of de authenticiteit van één of meer monsters, kan de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie beslissen om het betrokken monster / de betrokken monsters ongeldig te verklaren. In het geval bedoeld in het vorige lid, voor zover het/de ongeldig verklaarde monster(
- s)de identificatie van de gecontroleerde sporter zonder enige twijfel mogelijk maakt, geeft de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie aan de betrokken sporter, per brief, kennis van deze ongeldigverklaring. § 2. De NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie overhandigt de verzegelde urinemonsters of, in voorkomend geval, de monsters van andere lichaamsvloeistoffen of van de bevoorrading van de sporter, tegen ontvangstbewijs, aan één van de door het WADA geaccrediteerd of goedgekeurde laboratoria, ten laatste binnen een termijn van 72 uren te rekenen vanaf de monsterneming. De NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie overhandigt de verzegelde bloedmonsters, tegen ontvangstbewijs, aan een door het WADA geaccrediteerd of goedgekeurd laboratorium, ten laatste binnen een termijn van 12 uren, te rekenen vanaf de monsterneming. De NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie overhandigt de verzegelde monsters die genomen werden in het kader van de controleprocedure uitgevoerd in het kader van het biologisch paspoort van de sporter, tegen ontvangstbewijs, aan een door het WADA geaccrediteerd of goedgekeurd laboratorium, ten laatste binnen een termijn van 36 uren, te rekenen vanaf de monsterneming. Het door het WADA geaccrediteerd of goedgekeurde laboratorium onderzoekt onverwijld het A-monster en neemt onmiddellijk de maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bewaring van het B-monster met het oog op een mogelijke bijkomende analyse en de mogelijke toepassing van artikel 20, vierde lid en vijfde lid. Art. 33.§ 1. Het door het WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratorium maakt het analyserapport bedoeld in artikel 19 van de ordonnantie, per elektronische post, aan de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie over binnen 15 werkdagen volgend op de ontvangst van het monster. Binnen de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zijn enkel de ambtenaren die gezondheidswerkers zijn, bevoegd voor de behandeling van het in het eerste lid bedoelde rapport. De in het eerste lid bedoelde termijn wordt geschorst tijdens de sluitingsperiodes van het door het WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratorium. Als de controleprocedure gedurende een internationale wedstrijd of manifestatie georganiseerd door een internationale sportvereniging plaatsvond, deelt het door het WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratorium eveneens de betrokken internationale sportvereniging elk afwijkend analyseresultaat mee. Het analyserapport vermeldt : 1° de datum en het uur waarop de monsters werden ontvangen;2° het codenummer van de monsters;3° een korte beschrijving van de staat waarin de monsters werden overhandigd;4° een korte beschrijving van het uiterlijke aspect van de verpakking en van de zegels;5° de vaststellingen in verband met het volume en de staat van het A-monster;6° de resultaten van de analyse en de conclusies ervan;7° de plaats waar het B-monster wordt bewaard alsook de bewaarvoorwaarden. § 2. De afschriften van de rapporten en de documentatiedossiers in verband met elke uitgevoerde analyse worden bewaard door het door het WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratorium voor een periode van tien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop ze werden opgesteld. § 3. Overeenkomstig en voor de eventuele toepassing van artikel 20, vierde en vijfde lid, bewaart het door het door WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratorium de monsters tijdens een periode van tien jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de monsters, overeenkomstig de bijlage. Afdeling 6. - Gevolgen van de analyse en kennisgeving van de resultaten Art. 34.§ 1. Indien het resultaat van de analyse negatief is, worden de gecontroleerde sporter en zijn sportvereniging per aangetekende brief en beveiligde elektronische post, ervan op de hoogte gebracht binnen vijf werkdagen na de ontvangst van het in artikel 33 bedoelde analyserapport door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Bij de kennisgeving worden eveneens de gecontroleerde sporter en zijn sportvereniging herinnerd aan de eventuele toekomstige toepassing van artikel 20, vierde en vijfde lid. § 2. Indien het resultaat van de analyse afwijkend is, worden de gecontroleerde sporter en zijn sportvereniging, per aangetekende brief en, in voorkomend geval, per elektronische post, ervan op de hoogte gebracht binnen drie werkdagen na de ontvangst van het in artikel 33 bedoelde analyserapport door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Naast deze informatie, omvat de in het vorige lid bedoelde kennisgeving eveneens : 1° een verwijzing naar de tekst van artikel 8, § 1, 1° en 2°, en artikel 23/2, § 1, derde lid, van de ordonnantie;2° de eventuele gevolgen van de overtreding van artikel 8, § 1, 1° en 2°, van de ordonnantie;3° het recht van de sporter om een afschrift van het dossier opgemaakt in het kader van de individuele controleprocedure te krijgen.Dit dossier omvat :
- a)de datum waarop het dossier werd geopend;
- b)een inventaris van de stukken, met vermelding van de datum waarop ze bij het dossier werden gevoegd;
- c)de identiteit en het adres van de sporter of de begeleider;
- d)een afschrift van het dopingcontroleformulier;
- e)een afschrift van het proces-verbaal van controle;
- f)een afschrift van het analyserapport van het laboratorium met, in voorkomend geval, alle bijkomende informatie overgemaakt door het door het WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratorium;
- g)een afschrift van de aangetekende brief en, in voorkomend geval, van de e-mail, die de sporter op de hoogte brengt van het afwijkende analyseresultaat;
- h)in voorkomend geval, een afschrift van de aangetekende brief of van de fax waarmee de sporter de analyse van het B-monster heeft aangevraagd;
- i)in voorkomend geval, een afschrift van elk stuk dat nuttig zou kunnen zijn voor de behandeling van het dossier.4° het recht van de sporter om een analyse van het B-monster aan te vragen, overeenkomstig artikel 36;5° in voorkomend geval, de datum en het uur vastgelegd door het geaccrediteerde of door het WADA goedgekeurde laboratorium voor de analyse van het B-monster;6° een afschrift van de tekst van artikel 9, § 3 en § 4, dat de breedtesporters herinnert aan het recht om een TTN op retroactieve wijzen en met terugwerkende kracht aan te vragen. § 3. Indien de analyse de aanwezigheid van een verboden stof aantoont waarvan de productie uitsluitend endogeen zou kunnen zijn, wordt het analyseresultaat als atypisch aangeduid in het analyserapport. In dat geval, overeenkomstig artikel 7.4 van de Code, gaat de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie na : 1° of een TTN toegekend werd;2° of een afwijking van de Internationale Standaard voor laboratoria het atypische resultaat heeft veroorzaakt. Indien dit het geval is, brengt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de betrokken sporter ervan op de hoogte en besluit tot een negatief analyseresultaat, overeenkomstig § 1. Indien het niet het geval is, vraagt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie aan het door het WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratorium om één of meer bijkomende analyses uit te voeren om de oorsprong van de verboden stof aanwezig in het lichaam van de gecontroleerde sporter te bepalen. Het atypische analyseresultaat wordt enkel aan de gecontroleerde sporter meegedeeld indien : 1° het B-monster moet worden geanalyseerd.In dat geval kan de sporter vragen aanwezig te zijn of vertegenwoordigd te worden bij de opening van het B-monster, overeenkomstig de bepalingen van artikel 35, § 2, tweede lid; 2° de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, voordat het resultaat als negatief of afwijkend wordt beschouwd, ertoe gehouden is de lijst met de atypisch gecontroleerde sporters mee te delen, overeenkomstig artikel 7.4.1, b), van de Code. Na de noodzakelijke aanvullende analyses wordt het atypische analyseresultaat ofwel als negatief, ofwel als afwijkend beschouwd, indien wordt aangetoond dat de verboden stof niet volledig endogeen is. De procedure wordt dan voortgezet overeenkomstig § 1 en § 2 van dit artikel. § 4. Als de gecontroleerde sporter een elitesporter van nationaal niveau is en als het analyseresultaat van het A-monster afwijkend is, deelt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, per elektronische post en via het ADAMS-systeem, aan de internationale sportvereniging van de gecontroleerde sporter de volgende informatie mee : 1° de voor- en achternaam van de gecontroleerde sporter;2° de nationaliteit van de gecontroleerde sporter;3° de betrokken sport en sportdiscipline;4° het feit dat de controle binnen of buiten wedstrijdverband werd uitgevoerd;5° de datum en het uur van de monsterneming;6° het type monsterneming (urinemonster, bloedmonster), met, in voorkomend geval, de vermelding dat deze in het kader van het biologisch paspoort van de sporter werd uitgevoerd, overeenkomstig artikel 23/2 van de ordonnantie;7° het door het laboratorium meegedeelde analyseresultaat. Art. 35.§ 1. Bij mededeling van een afwijkend analyseresultaat kan de gecontroleerde sporter, binnen vijf werkdagen na deze mededeling, per aangetekende brief of per elektronische post, aan de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vragen om het B-monster te laten analyseren door het door het WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratorium dat het eerste analyserapport heeft opgesteld. De sporter kan eveneens vragen om door de controlearts die de controle heeft uitgevoerd, te worden gehoord, eventueel in aanwezigheid van zijn arts of advocaat. De kennisgeving van het afwijkend analyseresultaat wordt geacht door de betrokken sporter te worden ontvangen op de eerste werkdag volgend op die waarop het aangetekend schrijven wordt aangeboden bij de wettelijke of gekozen woonplaats van de sporter, indien zijn woonplaats zich in België bevindt. De kennisgeving van het afwijkend analyseresultaat wordt geacht door de betrokken sporter te worden ontvangen, behalve indien de sporter het tegenovergestelde bewijst, op de derde werkdag volgend op die waarop het aangetekend schrijven wordt aangeboden bij de diensten van de post, wanneer de wettelijke of gekozen woonplaats van de sporter zich in een andere staat dan België bevindt. § 2. Indien de gecontroleerde sporter, binnen de termijnen en volgens de voorwaarden bepaald in § 1, vraagt dat er een tegenexpertise wordt uitgevoerd, belast de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de werkdag die volgt op de ontvangst van de aanvraag van de sporter, het door het WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratorium, dat de eerste analyse heeft gedaan, met het uitvoeren van de analyse van het B-monster. De sporter kan vragen aanwezig te zijn of vertegenwoordigd te worden bij de opening van het B-monster. § 3. Het laboratorium belast met de tegenexpertise analyseert het B-monster op de dag en op het uur die aan de sporter werden meegedeeld, in toepassing van artikel 34, § 2, tweede lid, 5°. In afwezigheid van de sporter kan een onafhankelijke getuige bij de analyse van het B-monster aanwezig zijn. Na de analyse van het B-monster stelt het door het WADA geaccrediteerde of goedgekeurde laboratorium een analyserapport op dat mutatis mutandis dezelfde elementen dan deze bedoeld in artikel 34, § 1, vijfde lid, bevat. Dit analyserapport wordt naar de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gestuurd binnen tien werkdagen volgend op de ontvangst van de aanvraag tot analyse van het B-monster. § 4. De gecontroleerde sporter wordt op de hoogte gebracht van het analyseresultaat van het B-monster binnen drie werkdagen na de ontvangst van het analyserapport door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. § 5. Wanneer het definitieve resultaat van de analyse van de monsters van de gecontroleerde sporter afwijkend is, informeert de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie onverwijld, per brief en via het ADAMS-systeem, de nationale of internationale sportvereniging waaronder de sporter ressorteert en het WADA. De NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie delen hen eveneens de volgende informatie mee :
- a)de voor- en achternaam van de sporter;
- b)de nationaliteit van de sporter;
- c)de betrokken sport en discipline;
- d)het feit dat de controle binnen of buiten wedstrijdverband werd uitgevoerd;
- e)de datum van de monsterneming;
- f)het type monsterneming (urinemonster, bloedmonster), met, in voorkomend geval, de vermelding dat deze in het kader van het biologisch paspoort van de sporter werd uitgevoerd, overeenkomstig artikel 23/2 van de ordonnantie;
- g)het door het laboratorium meegedeelde analyseresultaat. § 6. Bij de toepassing van de controleprocedure uitgevoerd door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in het kader van het biologisch paspoort, deelt de NADO eveneens de betrokken elitesporter van nationaal niveau de volgende elementen mee :
- a)een herinnering dat een biologisch paspoort voor hem werd opgesteld en wordt gehanteerd;
- b)welke antidopingorganisatie verantwoordelijk is voor het beheer en de opvolging van het biologisch paspoort;
- c)de datum of de data waarop de controleprocedure(
- s)door middel van het biologisch paspoort werd(
- en)uitgevoerd;
- d)het resultaat van de betrokken controle en :
- i)indien het resultaat afwijkend is, de mogelijkheid voor de sporter om alle rechtsmiddelen te laten gelden binnen 15 dagen volgend op de kennisgeving, en om, in voorkomend geval, te vragen gehoord te worden door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, eventueel in aanwezigheid van een arts of een advocaat;
- ii)indien het resultaat negatief is, de vermelding dat er geen procedure wegens overtreding van de antidopingregels wordt opgestart. Als het resultaat atypisch is, is de in artikel 34, § 3, bedoelde procedure mutatis mutandis van toepassing. In dit geval, stuurt de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een tweede kennisgeving naar de betrokken elitesporter van nationaal niveau na het verstrijken van de termijn van 15 dagen of na de ontvangst van de rechtsmiddelen en/of na het eventuele verhoor van de betrokken elitesporter van nationaal niveau. Deze kennisgeving omvat de gemotiveerde beslissing om ofwel het dossier af te sluiten, ofwel het dossier aan de betrokken sportvereniging over te maken met het oog op de toepassing van artikel 30 van de ordonnantie. § 7. Elk resultaat van een analyse uitgevoerd door een door het WADA erkend laboratorium wordt erkend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. HOOFDSTUK 4. - Verblijfsgegevens van de elitesporters Art. 36.§ 1. Na elektronische raadpleging van de sportverenigingen die in de hoogste nationale klasse of categorie spelen, stelt de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de lijst vast van de elitesporters van nationaal niveau die deel uitmaken van de doelgroep van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de zin van artikel 2, 62°, van de ordonnantie, binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit. Deze lijst wordt regelmatig bijgewerkt, als gevolg van dezelfde raadplegingen. § 2. Overeenkomstig artikel I.6.2 van de Internationale Standaard voor dopingtests en onderzoeken werken de sportverenigingen en de sportkringen die hen samenstellen zo veel mogelijk met de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie samen. Ze delen haar, per elektronische post, spontaan en onverwijld en, in voorkomend geval, in overleg met de betrokken elitesporter, mee dat deze laatste in de in artikel 2, 62°, van de ordonnantie bedoelde doelgroep van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, zou moeten worden opgenomen. Elke beslissing om een elitesporter van nationaal niveau in de doelgroep van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie op te nemen wordt door de NADO van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie aan de betrokken sporter per aangetekende brief, en in voorkomend geval, per elektronische post, meegedeeld. Behoudens toepassing van het beroep bepaald in artikel 45 heeft elke in het vorige lid bedoelde beslissing uitwerking 20 dagen na de kennisgeving aan de betrokken elitesporter. De kennisgeving van de in het eerste lid bedoelde beslissing verduidelijkt onder meer de volgende elementen : 1° de categorie A, B, C of D, waartoe de elitesporter behoort;2° de omvang en de omschrijving van de verplichtingen inzake de verblijfsgegevens en TTN's, overeenkomstig respectievelijk artikelen 10 en 26 van de ordonnantie;3° de begindatum van zijn verplichtingen;4° de redenen waarom er een einde wordt gebracht aan de verplichtingen inzake de verblijfsgegevens, namelijk de terugtrekking van de sporter of het verlies van zijn hoedanigheid van elitesporter in de zin van artikel 2, 19°, van de ordonnantie;5° de procedure die van toepassing is in geval van terugtrekking uit de sportwereld, zoals voorzien in artikel 39;6° de mogelijke gevolgen voor de betrokken elitesporter van een overtreding van zijn verplichtingen inzake verblijfsgegevens en/of TTN's; Een afschrift van de kennisgeving van de beslissing bedoeld in het eerste lid, wordt op dezelfde dag gericht aan de sportvereniging en, in voorkomend geval, aan de sportkring die tot de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie behoort en die in de hoogste nationale klasse of categorie speelt, waaronder de betrokken elitesporter ressorteert, wegens zijn sportlidmaatschap. De kennisgeving van de in het eerste lid bedoelde beslissing wordt geacht door de betrokken elitesporter te worden ontvangen op de eerste werkdag volgend op die waarop het aangetekend schrijven wordt aangeboden bij de wettelijke of gekozen woonplaats van de sporter, indien zijn woonplaats zich in België bevindt. De kennisgeving van de in het eerste lid bedoelde beslissing wordt geacht door de betrokken elitesporter te worden ontvangen, behalve indien de sporter het tegenovergestelde bewijst, op de derde werkdag volgend op die waarop het aangetekend schrijven wordt aangeboden bij de diensten van de post, wanneer de wettelijke of gekozen woonplaats van de sporter zich in een andere staat dan België bevindt. § 3. Onverminderd artikel 26, § 8, van de ordonnantie en overeenkomstig artikel 5.6 van de Code en artikel 4.8.6 van de Internationale Standaard voor