← België

Decreet over het jeugd- en kinderrechtenbeleid en de ondersteuning van het jeugdwerk

Kort samengevat

Dit decreet regelt het beleid voor jeugd en kinderrechten en de ondersteuning van jeugdwerk in Vlaanderen. Het stelt een kader vast voor de Vlaamse Regering om een jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan op te stellen en uit te voeren.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
23 NOVEMBER 2023. - Decreet over het jeugd- en kinderrechtenbeleid en de ondersteuning van het jeugdwerk (1) Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: DECREET over het jeugd- en kinderrechtenbeleid en de ondersteuning van het jeugdwerk HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid. Art. 2.Dit decreet wordt aangehaald als: het Jeugddecreet van 23 november 2023. Art. 3.In dit decreet wordt verstaan onder: 1° aanspreekpunt integriteit: de persoon of de personen die binnen een of meer verenigingen het aanspreekpunt vormen voor gevallen van grensoverschrijdend gedrag waarbij de individuele fysieke, psychische en seksuele integriteit van personen wordt geschaad;2° administratie: de administratieve entiteit van de Vlaamse administratieve diensten die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het jeugdbeleid, vermeld in artikel 4, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen;3° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);4° beoordelingscommissie: een beoordelingscommissie als vermeld in artikel 26;5° bovenlokaal: het lokale gemeentelijke belang overstijgend en niet gericht op de gehele Vlaamse Gemeenschap;6° feitelijke vereniging: een vereniging zoals bedoeld in artikel 1:6, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019;7° gelijkekansenbeleid: het beleid dat gericht is op de bewerkstelliging van gelijke kansen door het ondernemen van prioritaire activiteiten, vermeld in artikel 6, § 2, 1° tot en met 6°, van het decreet van 10 juli 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 10/07/2008 pub. 23/09/2008 numac 2008203387 bron vlaamse overheid Decreet houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid sluiten houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid;8° geprofessionaliseerd jeugdwerk: de jeugdwerkinitiatieven die minstens één halftijdse equivalent als jeugdwerker tewerkstellen;9° gezondheidsindex: de gezondheidsindex, vermeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen;10° integriteitsbeleid: een geheel van beleidsinstrumenten op organisatieniveau met de volgende doelstellingen: a) de bewaring en de bevordering van de individuele fysieke, psychische en seksuele integriteit van personen;b) de bevordering van de integriteit van de organisatie in haar geheel en het integer handelen van haar jeugdwerkers;11° intergemeentelijk samenwerkingsverband: een vereniging met rechtspersoonlijkheid als vermeld in artikel 396, § 1, van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen sluiten over het lokaal bestuur;12° jeugd: personen tot en met dertig jaar, of een deel van die bevolkingsgroep;13° jeugd- en kinderrechtenbeleid: de integrale en geïntegreerde visie en de daarop gebaseerde systematische en planmatige maatregelen van een overheid die een waarneembaar effect beogen op de jeugd, met bijzondere aandacht voor de kinderrechten, als ethisch en wettelijk kader;14° jeugdraad: een adviesorgaan dat wordt opgericht om de betrokkenheid en de inspraak van de jeugd te verzekeren;15° jeugdwerk: het sociaal-cultureel werk op basis van niet-commerciële doelen voor of door de jeugd van drie tot en met dertig jaar, in de vrije tijd, onder educatieve begeleiding en ter bevordering van de algemene en integrale ontwikkeling van de jeugd, die daaraan deelneemt op vrijwillige basis;16° jeugdwerker: elke persoon die verantwoordelijkheid op zich neemt in jeugdwerk en aantoonbare ervaring heeft, of inspanningen levert op het vlak van scholing of vorming over jeugdwerk;17° kinderen en jongeren met een handicap: kinderen en de jongeren die worden geconfronteerd met een langdurig en belangrijk participatieprobleem dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij de uitvoering van activiteiten en persoonlijke en externe factoren;18° kinderen en jongeren in een maatschappelijk kwetsbare positie: de kinderen en de jongeren die door hun afkomst, hun thuissituatie of hun statuut een groter risico op achterstelling of uitsluiting lopen;19° kinderrechten: alle fundamentele rechten van kinderen die zijn vastgelegd in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, de Grondwet en de Europese, regionale en internationale verdragen waarvan België partij is;20° lokaal bestuur: gemeente als vermeld in het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen sluiten over het lokaal bestuur;21° ontvankelijkheidscriteria: de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn opdat een aanvraag verder behandeld kan worden;22° politieke partij: een vereniging van natuurlijke personen, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, die aan al de volgende voorwaarden voldoet: a) ze neemt deel aan de door de Grondwet, de wet en het decreet bepaalde verkiezingen;b) ze stelt conform de wettelijke en decretale bepalingen over de verkiezingen van het Vlaams Parlement, de Kamer van volksvertegenwoordigers of het Europees Parlement kandidaten voor;c) ze beoogt binnen de grenzen van de Grondwet, de wet en het decreet de volkswil te beïnvloeden op de wijze die is bepaald in haar statuten of haar programma;23° projectsubsidie: een subsidie die toegekend wordt om de specifieke kosten te ondersteunen die voortvloeien uit een activiteit die qua opzet of doelstelling en in de tijd kan worden afgebakend;24° provincie: een van de provincies van het Nederlandse taalgebied;25° subsidievereisten: de vereisten waaraan een subsidieontvanger moet voldoen om de toegekende subsidie te kunnen behouden;26° subsidievoorwaarden: de voorwaarden die bepalen of een aanvraag al dan niet in aanmerking komt voor een subsidie;27° Verdrag inzake de Rechten van het Kind: het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, aangenomen in New York op 20 november 1989, en de bijbehorende facultatieve protocollen zoals goedgekeurd door het Vlaams Parlement;28° vereniging: een organisatie met rechtspersoonlijkheid in een van de volgende vormen: a) een vereniging zonder winstoogmerk;b) een stichting;c) een coöperatieve vennootschap met erkenning als sociale onderneming die het doel om rechtstreeks vermogensvoordelen uit te keren of te bezorgen aan haar vennoten, statutair uitsluit;29° werkingssubsidie: een subsidie die toegekend wordt om de personeels- en werkingskosten te ondersteunen die voortvloeien uit een structurele werking die een continu en permanent karakter vertoont. HOOFDSTUK 2. - Instrumenten Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid Art. 4.Uiterlijk een jaar na het begin van elke regeerperiode legt de Vlaamse Regering een Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan voor aan het Vlaams Parlement. Het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan legt het jeugd- en kinderrechtenbeleid van de Vlaamse Regering vast. Het geeft voor de lopende beleidsperiode en binnen een algehele visie op de jeugd en het jeugd- en kinderrechtenbeleid, de prioritaire, transversale doelstellingen van de Vlaamse Regering aan en ook de resultaatsindicatoren. Binnen een half jaar na het begin van de regeerperiode selecteert de Vlaamse Regering op basis van een omgevingsanalyse minimaal drie en maximaal vijf prioritaire, transversale doelstellingen voor kinderen en jongeren. Het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan, vermeld in het eerste lid, beschrijft de wijze waarop: 1° de Vlaamse Regering binnen haar bevoegdheden de beginselen, vermeld in artikel 2, 3, 6 en 12 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, en de volgende beleidsdoelstellingen uitvoert: a) gelijke kansen creëren en borgen voor alle kinderen en jongeren;b) brede ontwikkelingskansen creëren en borgen voor kinderen en jongeren;c) digitale, fysieke en mentale ruimte creëren voor kinderen en jongeren;d) de formele en informele betrokkenheid van kinderen en jongeren bij de samenleving verhogen;2° de Vlaamse Regering invulling geeft aan kinderrechten en in het bijzonder aan de slotbeschouwingen van het Comité voor de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties, geformuleerd naar aanleiding van het rapport dat door België is ingediend conform artikel 44 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind;3° de Vlaamse Regering uitvoering geeft aan de doelstellingen die zijn bepaald ter uitvoering van het eerste lid. De Vlaamse Regering keurt het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan, vermeld in het eerste en tweede lid, goed na inspraak van de jeugd, waarbij ten minste de volgende actoren betrokken worden: 1° de verenigingen die op basis van dit decreet worden gesubsidieerd;2° andere verenigingen dan de verenigingen, vermeld in punt 1°, voor of door kinderen en jongeren, die door hun omvang, opzet of inhoud relevantie hebben voor de Vlaamse Gemeenschap;3° deskundigen op het gebied van de jeugd- of kinderrechten;4° vertegenwoordigers van lokale besturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie. De Vlaamse Regering bezorgt een tussentijds rapport over de uitvoering van het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan, vermeld in het eerste en tweede lid, na het tweede jaar van uitvoering, en een eindrapport in het laatste jaar van uitvoering aan het Vlaams Parlement en de Kinderrechtencommissaris, vermeld in artikel 3 van het decreet van 15 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/07/1997 pub. 25/11/1997 numac 1997036327 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en van instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1992 type decreet prom. 15/07/1997 pub. 29/08/1997 numac 1997036027 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot wijziging van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap type decreet prom. 15/07/1997 pub. 17/09/1997 numac 1997036107 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende oprichting van een Gezins- en Welzijnsraad en van een adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden type decreet prom. 15/07/1997 pub. 07/10/1997 numac 1997036194 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instelling van het kindeffectrapport en de toetsing van het regeringsbeleid aan de naleving van de rechten van het kind sluiten houdende oprichting van een Kinderrechtencommissariaat en instelling van het ambt van Kinderrechtencommissaris en houdende oprichting van een Commissie van toezicht met betrekking tot voorzieningen voor vrijheidsbenemende opvang van kinderen en jongeren. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan, vermeld in het eerste en tweede lid, en van de verslaggeving, vermeld in het vierde lid. Art. 5.Er wordt een horizontaal overleg jeugd- en kinderrechtenbeleid georganiseerd over het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleid. Dat overleg bestaat minstens uit de aanspreekpunten jeugd- en kinderrechtenbeleid, vermeld in artikel 6, en de verenigingen, vermeld in artikel 9 tot en met 13. Alle Vlaamse ministers organiseren jaarlijks voor hun eigen bevoegdheden, ter voorbereiding van de beleidsnota en de beleids- en begrotingstoelichting, een verticaal overleg jeugd- en kinderrechtenbeleid. De Vlaamse Regering bepaalt de taakstelling, de organisatie en de aanvullende samenstelling van het horizontaal en verticaal overleg jeugd- en kinderrechtenbeleid, vermeld in het eerste en tweede lid, nader. Art. 6.De leidend ambtenaren van alle departementen en van de intern en extern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst, wijzen een personeelslid aan als aanspreekpunt jeugd- en kinderrechtenbeleid. De aanspreekpunten jeugd- en kinderrechtenbeleid, vermeld in het eerste lid, hebben de volgende taken: 1° een bijdrage leveren om het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan, vermeld in artikel 4, voor te bereiden;2° zorgen voor de monitoring van en verslaggeving over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan, vermeld in artikel 4;3° de effecten op kinderen en jongeren en hun rechten inschatten van het beleid dat door hun departement of agentschap wordt voorbereid of uitgevoerd;4° zorgen voor de monitoring van en verslaggeving over de uitvoering van andere initiatieven van de Vlaamse Regering om het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleid uit te voeren;5° bijdragen en deelnemen aan het horizontaal overleg jeugd- en kinderrechtenbeleid en aan het verticaal overleg jeugd- en kinderrechtenbeleid, vermeld in artikel 5, van het beleidsdomein waarvoor het aanspreekpunt is aangewezen. De Vlaamse Regering kan de taakstelling en de organisatie van de aanspreekpunten jeugd- en kinderrechtenbeleid, vermeld in het tweede lid, nader bepalen. Art. 7.Bij elk ontwerp van decreet dat wordt ingediend bij het Vlaams Parlement, wordt een kind- en jongereneffectrapport, afgekort JoKER, gevoegd, als de voorgenomen beslissing het belang van personen jonger dan 25 jaar rechtstreeks raakt. Het JoKER is een openbaar document dat ten minste de volgende informatie bevat: 1° een beschrijving van het effect van de voorgenomen beslissing op de situatie van het kind of de jongere;2° een beschrijving van het effect op de situatie van het kind of de jongere zonder de voorgenomen beslissing;3° alternatieven voor de voorgestelde beslissing, inzonderheid een beschrijving van de beoogde maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen van de beslissing voor de situatie van het kind of de jongere te vermijden, te beperken en zo mogelijk te verhelpen. De Vlaamse Regering bepaalt de opmaak en de inhoud van het JoKER, vermeld in het tweede lid, nader. Art. 8.In dit artikel wordt verstaan onder staat van de jeugd: een wetenschappelijk onderbouwd rapport over de leefwereld van de jeugd, waarin ook longitudinale ontwikkelingen worden gesignaleerd. De Vlaamse Regering maakt een staat van de jeugd bekend. De staat van de jeugd verschijnt ten minste om de vijf jaar en maakt deel uit van de omgevingsanalyse, vermeld in artikel 4, eerste lid. HOOFDSTUK 3. - Vlaamse jeugdraad en intermediaire organisaties Afdeling 1. - Vlaamse jeugdraad Art. 9.§ 1. De Vlaamse Regering richt een Vlaamse jeugdraad op. De Vlaamse jeugdraad heeft als doel op eigen initiatief of op verzoek van de Vlaamse Regering of van het Vlaams Parlement advies uit te brengen over alle aangelegenheden die de jeugd betreffen. De Vlaamse jeugdraad heeft ook als doel om de jeugd te vertegenwoordigen. De Vlaamse Regering is verplicht advies te vragen over de ontwerpen van decreet en reglementaire ontwerpen van besluit van de Vlaamse Regering die het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan, vermeld in artikel 4, uitvoeren. De adviezen zijn niet bindend. De adviezen, vermeld in het tweede lid, worden verstrekt binnen dertig dagen na de datum waarop de Vlaamse jeugdraad de adviesaanvraag heeft ontvangen. In geval van spoed, die met redenen wordt omkleed, kan de Vlaamse Regering of het Vlaams Parlement de voormelde termijn inkorten zonder dat hij minder dan tien werkdagen mag bedragen. Als die termijn verstreken is zonder dat het advies is uitgebracht, wordt de adviesverplichting geacht te zijn vervuld. In het derde lid wordt verstaan onder werkdag: alle andere dagen dan wettelijke en decretale feestdagen, zondagen en zaterdagen. De Vlaamse jeugdraad keurt de adviezen met een tweederdemeerderheid van de aanwezigen goed. Op de vergadering waarin over de adviezen wordt gestemd, is ten minste de helft van de leden aanwezig. Als het voormelde quorum niet wordt bereikt, beslist de Vlaamse jeugdraad, ongeacht het aantal aanwezigen, tijdens de eerstvolgende vergadering over de uitgestelde punten. De adviezen geven ook de minderheidsstandpunten weer, als twee leden daarom vragen. De Vlaamse Regering geeft duiding en toelichting aan de Vlaamse jeugdraad over haar beslissing over de adviezen die betrekking hebben op de bevoegdheden van de Vlaamse overheid. § 2. De Vlaamse jeugdraad bestaat uit ten minste 16 en ten hoogste 24 leden, waarvan minstens een derde jonger is dan 25 jaar bij het begin van het mandaat. Ten hoogste twee derde van de leden zijn personen van hetzelfde geslacht. Het lidmaatschap van de Vlaamse jeugdraad is onverenigbaar met: 1° een mandaat in het Europees Parlement, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement;2° het ambt van minister, staatssecretaris en hun kabinetsleden;3° het statuut van personeelslid van de Vlaamse administratie;4° het statuut van personeelslid van de vereniging, vermeld in artikel 10, eerste lid;5° het lidmaatschap van beoordelingscommissies die opgericht zijn conform artikel 26. De Vlaamse jeugdraad wordt elke drie jaar verkozen. Voor de voormelde verkiezing organiseert de vereniging, vermeld in artikel 10, eerste lid, een publieke oproep tot kandidaatstelling. Minstens de helft en ten hoogste 60% van de leden wordt gekozen uit de kandidaten, die voorgedragen zijn door de verenigingen, vermeld in artikel 31 tot en met 35 en de politieke jongerenbewegingen, vermeld in artikel 46. De Vlaamse jeugdraad kan ook leden coöpteren. § 3. De Vlaamse jeugdraad legt aan de Vlaamse Regering een voorstel voor over de wijze waarop de Vlaamse jeugdraad verkozen wordt en over de wijze waarop de Vlaamse jeugdraad werkt. Op basis van dat voorstel beslist de Vlaamse Regering over het kies- en huishoudelijk reglement. § 4. De Vlaamse Regering verstrekt de Vlaamse jeugdraad, op zijn verzoek, alle informatie die hij nodig heeft om zijn taak te kunnen volbrengen. Afdeling 2. - Intermediaire organisaties Art. 10.De Vlaamse Regering subsidieert een vereniging die al de volgende opdrachten heeft: 1° de praktijkontwikkeling: een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de verenigingen die op basis van dit decreet worden gesubsidieerd, op basis van evaluatie, praktijkgericht onderzoek en kennisontwikkeling;2° de praktijkondersteuning: als antwoord op praktijkvragen een actieve dienstverlening leveren met het oog op deskundigheidsbevordering, kwaliteitsbevordering, relevante maatschappelijke en sectorgebonden evoluties, innovatie, professionalisering en een duurzame ontwikkeling van de verenigingen die op basis van dit decreet worden gesubsidieerd.De vereniging begeleidt de verenigingen bij de uitbouw van hun jeugdwerkpraktijk; 3° het informeren van en over de verenigingen die op basis van dit decreet worden gesubsidieerd: het organiseren en coördineren van activiteiten die de kennis over de verenigingen bevorderen, die relevante thema's onder de aandacht brengen en die de praktijkgemeenschap versterken en promoten;4° de Vlaamse jeugdraad, vermeld in artikel 9, ondersteunen;5° het realiseren van jeugdinformatie in samenwerking met andere verenigingen die jeugd informeren. De vereniging, vermeld in het eerste lid, stelt haar terreinkennis en specifieke expertise ter beschikking aan de Vlaamse Gemeenschap met het oog op beleidsvoorbereiding, beleidsontwikkeling en beleidsevaluatie. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd toe te treden tot een vereniging als vermeld in het eerste lid. De wijze van participatie van de Vlaamse Gemeenschap wordt vastgelegd in de statuten van de vereniging. Die statuten en ook alle latere statutenwijzigingen worden onmiddellijk meegedeeld aan het Vlaams Parlement nadat ze zijn goedgekeurd. Art. 11.De Vlaamse Regering subsidieert een vereniging die al de volgende opdrachten heeft: 1° de kennis over kinderrechten op nationaal en internationaal niveau verhogen en toegankelijk maken.Om de voormelde opdracht te realiseren, voert ze de volgende taken uit: a) actief samenwerken met nationale en internationale actoren inzake de kinderrechten;b) actief een bijdrage leveren tot het stimuleren, het voeren of het ontsluiten van wetenschappelijk onderzoek over kinderrechten voor publieke en private actoren;c) initiatieven nemen en advies verlenen over de omzetting en toepasbaarheid van de wetenschappelijke inzichten over de kinderrechten;2° een rapport van niet-gouvernementele organisaties over de wijze waarop in Vlaanderen invulling gegeven wordt aan de kinderrechten, voorbereiden, opstellen en verspreiden;3° kinderen en jongeren informeren, in samenwerking met publieke en private actoren inzake de kinderrechten, over kinderrechten en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind in het bijzonder en over de toepassing en de betekenis ervan in specifieke contexten. De vereniging benadert kinderrechten op interdisciplinaire wijze, op basis van wetenschappelijke, praktijk- en ervaringskennis. De vereniging stelt haar kennis en specifieke expertise ter beschikking aan de Vlaamse Gemeenschap met het oog op beleidsvoorbereiding, beleidsontwikkeling en beleidsevaluatie. Art. 12.De Vlaamse Regering subsidieert een vereniging als ondersteuningsorganisatie voor de participatie van kinderen en jongeren aan het lokaal jeugdbeleid, voor lokale jeugdambtenaren en voor schepenen bevoegd voor jeugd. De voormelde vereniging heeft al de volgende opdrachten: 1° de praktijkontwikkeling: een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het lokaal jeugdbeleid, op basis van evaluatie, praktijkgericht onderzoek en kennisontwikkeling;het bekendmaken van de prioriteiten van het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan, vermeld in artikel 4, bij lokale jeugdambtenaren en schepenen bevoegd voor jeugd met als doel lokale besturen aan te moedigen hierop in te spelen in het lokaal beleid; 2° de praktijkondersteuning: als antwoord op praktijkvragen een actieve dienstverlening leveren met het oog op deskundigheidsbevordering, kwaliteitsbevordering, relevante maatschappelijke en sectorgebonden evoluties, innovatie, professionalisering en een duurzame ontwikkeling van het veld.De vereniging begeleidt de participatie van kinderen en jongeren aan het lokaal jeugdbeleid, lokale jeugdambtenaren en schepenen, bevoegd voor jeugd, bij de uitbouw van hun praktijk; 3° het informeren van kinderen en jongeren, jeugdambtenaren en schepenen bevoegd voor jeugd en het informeren over het lokaal jeugdbeleid: activiteiten organiseren en coördineren die de kennis over het lokaal jeugdbeleid bevorderen, die relevante thema's over lokaal jeugdbeleid onder de aandacht brengen en die de praktijkgemeenschap versterken en promoten. De vereniging, vermeld in het eerste lid, stelt haar terreinkennis en specifieke expertise ter beschikking aan de Vlaamse Gemeenschap met het oog op beleidsvoorbereiding, beleidsontwikkeling en beleidsevaluatie. De vereniging, vermeld in het eerste lid, is een ledenorganisatie die openstaat voor alle lokale besturen uit het Nederlandse taalgebied en voor de lokale besturen uit het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Ten minste de helft van de som van de lokale besturen uit het Nederlandse taalgebied en de lokale besturen uit het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, is lid van de ondersteuningsorganisatie. De Vlaamse Gemeenschapscommissie kan lid worden. Art. 13.De Vlaamse Regering subsidieert de vereniging zonder winstoogmerk JINT - Coördinatieorgaan voor internationale jongerenwerking, dat al de volgende opdrachten heeft: 1° de Europese programma's inzake jeugd uitvoeren conform artikel 2, 26), van verordening (EU) 2021/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs en opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) Nr.4288/2013 en artikel 23 van verordening (EU) 2021/888 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van het programma "Europees Solidariteitskorps" en tot intrekking van Verordeningen (EU) 2018/1475 en (EU) nr. 375/2014, en de verordeningen die in de plaats treden; 2° de Europese en internationale uitwisseling en samenwerking van, voor en door de jeugd en jeugdwerkers bevorderen;3° door Europese en internationale uitwisseling en samenwerking de volgende doelstellingen nastreven: a) de reflectie over de jeugd, het jeugdwerk en het jeugd- en kinderrechtenbeleid met en door alle betrokken actoren bevorderen;b) de ontwikkeling van de jeugdwerkpraktijk stimuleren en ondersteunen;c) de ontwikkeling en uitvoering van het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleid en de wisselwerking met de Europese beleidskaders ondersteunen. Als uit de periodieke evaluatie, vermeld in artikel 29, blijkt dat de vereniging zonder winstoogmerk JINT - Coördinatieorgaan voor internationale jongerenwerking de opdrachten, vermeld in het eerste lid, niet realiseert, of niet langer voldoet aan de algemene subsidievoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 1, of aan de specifieke subsidievoorwaarden vermeld in artikel 14, kan de Vlaamse Regering een andere vereniging, die voldoet aan de bovenvermelde voorwaarden, aanwijzen om de opdrachten, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, uit te voeren. De vereniging zonder winstoogmerk JINT - Coördinatieorgaan voor internationale jongerenwerking stelt haar kennis en specifieke expertise ter beschikking aan de Vlaamse Gemeenschap met het oog op beleidsvoorbereiding, beleidsontwikkeling en beleidsevaluatie. Art. 14.De verenigingen, vermeld in artikel 10 tot en met 13, voldoen aan al de volgende voorwaarden: 1° ze nemen in hun bestuursorganen op een evenwichtige wijze representatieve partners en specialisten op, die een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan de werking van de vereniging;2° ze bezorgen vijfjaarlijks aan de administratie een beleidsnota die de algemene vergadering heeft goedgekeurd.Voor verenigingen die niet over een algemene vergadering beschikken, wordt de beleidsnota goedgekeurd door het bestuursorgaan; 3° ze leveren aanwijsbare inspanningen om bij de samenstelling van de raad van bestuur een gelijkekansenbeleid te voeren;4° ze leveren aanwijsbare inspanningen om bij de samenstelling van het personeelsbestand een gelijkekansenbeleid te voeren;5° de duur van de mandaten van hun bestuur en van hun directie die met het dagelijks bestuur is belast, bedraagt maximaal vijf jaar. Art. 15.De Vlaamse Regering wijst om de vijf jaar de verenigingen aan die de opdrachten, vermeld in artikel 10 tot en met 12, uitvoeren. Verenigingen kunnen zich voor maximaal een van de drie subsidievormen, vermeld in artikel 10 tot en met 12, kandidaat stellen. Bij de kandidaatstelling toont de vereniging aan dat ze over de nodige expertise beschikt om de subsidievorm waarvoor ze zich kandidaat stelt, uit te voeren. Ze doet dat via de beleidsnota die wordt ingediend conform artikel 16. De beslissing over de aanwijzing gebeurt samen met de beslissing over het bedrag van de werkingssubsidie. Art. 16.§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag dat aan die vereniging wordt toegekend als werkingssubsidie op basis van al de volgende elementen: 1° een beleidsnota die een vereniging als vermeld in artikel 10 tot en met 13, opstelt voor de volgende vijfjarige beleidsperiode;2° de beschikbare informatie over de werking van die vereniging in de voorbije beleidsperiode. De beleidsnota, vermeld in het eerste lid, 1°, beschrijft de wijze waarop de vereniging invulling geeft aan de opdrachten, vermeld in artikel 10, 11, 12 of 13, en op welke wijze ze een bijdrage levert aan de realisatie van de prioritaire doelstellingen van het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan, vermeld in artikel 4. De werkingssubsidie wordt toegekend in de vorm van een vijfjaarlijks financieringsbudget. De beleidsnota, vermeld in het eerste lid, 1°, komt tot stand na een democratisch proces in de vereniging en een bevraging van de doelgroep. In de voormelde beleidsnota worden de inspanningen gedocumenteerd die in dat verband zijn verricht, en ook de resultaten van het voormelde proces. § 2. Binnen de perken van het krediet dat goedgekeurd is door de Vlaamse decreetgever, kan de Vlaamse Regering: 1° de hoogte van het jaarlijks toe te kennen subsidiebedrag aanpassen aan de evolutie van de gezondheidsindex of aan de verplichtingen voor de werkgevers, opgenomen in de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten die tussentijds gesloten zijn tussen de erkende vakbonden en werkgeversfederaties en die geregistreerd zijn door de bevoegde overheid;2° het jaarlijks toe te kennen subsidiebedrag verminderen als de kredieten die daarvoor zijn opgenomen in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap dat noodzakelijk maken. § 3. De Vlaamse Regering kan de regels voor de procedure om de subsidieaanvraag in te dienen en te behandelen nader bepalen, met inbegrip van regels voor de totstandkoming, de indiening, de inhoud en de beoordeling van de beleidsnota's, vermeld in paragraaf 1. Art. 17.Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 4, afdeling 1, 2 en 3, sluit de Vlaamse Regering met elke vereniging, vermeld in artikel 10 tot en met 13, een overeenkomst voor vijf jaar. De overeenkomst regelt de samenwerking tussen de Vlaamse Regering en de vereniging en het toezicht op de aanwending van middelen die ter beschikking worden gesteld. In de overeenkomst worden ten minste de strategische en operationele doelstellingen en de bijbehorende resultaats-en inspanningsindicatoren bepaald, worden de inspanningen vastgelegd die de vereniging levert voor het gelijkekansenbeleid en voor het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan, en wordt het subsidiebedrag opgenomen. De Vlaamse Regering kan de regels voor de totstandkoming, de inhoud en de naleving van de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, nader bepalen. Art. 18.Aan de verenigingen, vermeld in artikel 10 tot en met 13, kan de Vlaamse Regering binnen de voorwaarden die ze vaststelt, infrastructuur ter beschikking stellen. De voormelde terbeschikkingstelling is onderworpen aan een overeenkomst die de voorwaarden van de terbeschikkingstelling regelt. De Vlaamse Regering dient de voormelde overeenkomst na de goedkeuring ervan onmiddellijk in bij het Vlaams Parlement. De terbeschikkingstelling geldt tot wederopzegging, zonder dat daaruit enige eis tot schadeloosstelling kan worden gesteld. HOOFDSTUK 4. - Algemene subsidievoorwaarden, subsidievereisten en subsidieregels Afdeling 1. - Subsidievoorwaarden Art. 19.Een aanvrager kan een subsidie krijgen in het kader van dit decreet als hij voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° de aanvrager is een vereniging;2° in zijn werking aanvaardt de aanvrager de principes en de regels van de democratie, onderschrijft hij ook het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en draagt hij ze uit;3° de aanvrager heeft zijn zetel in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;4° de aanvrager zorgt ervoor dat alle gegevens die verband houden met de er kennings- en subsidiëringsvoorwaarden op de zetel voorhanden zijn in het Nederlands en hij stelt die ter beschikking voor toezicht door de administratie;5° de aanvrager draagt de bevoegdheden die wettelijk toekomen aan de algemene vergadering of aan het bestuursorgaan, niet over aan een derde;6° de aanvrager beheert op zelfstandige wijze de financiën en bepaalt het eigen beleid.De naleving van de voormelde voorwaarde blijkt uit de volgende elementen: a) de vereniging beschikt over een eigen secretariaat dat duidelijk kan worden onderscheiden van elke andere rechtspersoon.Het secretariaat van de vereniging bevindt zich op de zetel van de vereniging; b) de vereniging is werkgever en opdrachtgever van haar personeel;c) de vereniging bepaalt haar programmering zelf en voert die zelf uit;d) de vereniging beschikt over een eigen bankrekening;e) de vereniging organiseert activiteiten of verleent diensten in eigen naam;7° de aanvrager erkent het belang van het gebruik van het Nederlands bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. Art. 20.Een vereniging komt in aanmerking voor een werkingssubsidie als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° ze voert een integriteitsbeleid.De Vlaamse Regering bepaalt wat onder het voormelde voeren van een integriteitsbeleid moet worden verstaan; 2° ze organiseert een aanspreekpunt integriteit.De Vlaamse Regering bepaalt wat het uitvoeren van de taken van het aanspreekpunt integriteit inhoudt en stelt de wijze vast waarop de organisatie aantoont op welke wijze de voormelde taken worden uitgevoerd; 3° ze maakt het integriteitsbeleid, vermeld in punt 1°, en het aanspreekpunt integriteit, vermeld in punt 2°, publiek bekend. Een vereniging komt in aanmerking voor een projectsubsidie als ze de grondslagen van het integriteitsbeleid, vermeld in artikel 3, 10°, onderschrijft. Art. 21.De Vlaamse Regering kan de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 19 en 20, nader bepalen. Art. 22.In afwijking van artikel 19, 1°, komen ook feitelijke verenigingen in aanmerking voor de toekenning van subsidies voor experimentele projecten op een terrein als vermeld in artikel 39, eerste lid, 4°. In afwijking van artikel 19, 1°, komen ook feitelijke verenigingen in aanmerking voor de toekenning van projectsubsidies voor vrijwillig jeugdwerk met kinderen en jongeren met een handicap als vermeld in artikel 44. In afwijking van artikel 19, 1°, komen alleen intergemeentelijke samenwerkingsverbanden in aanmerking voor de toekenning van werkingssubsidies als vermeld in artikel 38. In afwijking van artikel 19, 1°, komt alleen de Vlaamse Gemeenschapscommissie in aanmerking voor de toekenning van subsidies als vermeld in artikel 47. De werkingssubsidies die worden toegekend aan verenigingen als vermeld in artikel 31 tot en met 35, en de projectsubsidies, vermeld in artikel 43, kunnen niet gecumuleerd worden. De begunstigde of zijn deelwerkingen kunnen alleen op basis van één van deze artikelen middelen ontvangen. Verenigingen die activiteiten uitoefenen die gericht zijn op de hele Vlaamse Gemeenschap, komen alleen in aanmerking voor subsidiëring als vermeld in artikel 31 tot en met 33, of artikel 39, eerste lid, 1° tot en met 3°. Verenigingen die activiteiten uitoefenen die niet gericht zijn op de hele Vlaamse Gemeenschap, komen alleen in aanmerking voor subsidiëring als vermeld in artikel 34, 35, 38, 39, eerste lid, 4°, 43 en 44. Afdeling 2. - Subsidievereisten Art. 23.In dit artikel wordt verstaan onder: 1° financiële verantwoording: een verantwoording waarbij wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt om de activiteiten uit te voeren waarvoor de subsidie is toegekend en welke opbrengsten de begunstigde in het kader van de voormelde activiteit heeft verworven uit de activiteiten zelf of uit andere bronnen;2° functionele verantwoording: een verantwoording waarbij wordt aangetoond op welke wijze de activiteit is uitgevoerd waarvoor de subsidie is toegekend. Vanaf het ogenblik dat hij erkend wordt of een belofte van subsidiëring ontvangt, voldoet de begunstigde aan al de volgende vereisten: 1° meewerken aan onderzoek, met inbegrip van het verzamelen van data over de werking van de begunstigde, dat door of namens de Vlaamse Regering wordt georganiseerd met het oog op het voeren van een jeugd- en kinderrechtenbeleid;2° het logo van de Vlaamse Gemeenschap opnemen op alle informatiedragers die betrekking hebben op initiatieven die gesubsidieerd worden in het kader van dit decreet;3° een functionele en een financiële verantwoording van het gebruik van de subsidie indienen die zijn goedgekeurd door de algemene vergadering van de vereniging.De functionele verantwoording bestaat uit een werkingsverslag. De financiële verantwoording bestaat uit een financieel verslag; 4° een boekhouding voeren en die zo organiseren dat het gebruik van de subsidies op elk ogenblik financieel kan worden gecontroleerd;5° toestaan dat de administratie en het Rekenhof de werking en de boekhouding, zo nodig ter plaatse, onderzoeken;6° jaarlijks de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten openbaar maken via een fysiek of digitaal medium. Voor verenigingen die niet over een algemene vergadering beschikken, wordt de functionele en financiële verantwoording, vermeld in het tweede lid, 3°, goedgekeurd door het bestuursorgaan. De verenigingen die op basis van dit decreet een werkingssubsidie ontvangen, dienen jaarlijks, samen met de financiële verantwoording, vermeld in het tweede lid, 3°, bij de administratie een verslag in van een bedrijfsrevisor die lid is van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren of van een externe accountant die geen andere opdrachten vervult voor de vereniging. Bij verenigingen die op basis van dit decreet een werkingssubsidie ontvangen, wordt minstens een keer tijdens de periode waarop de subsidie betrekking heeft, een plaatsbezoek georganiseerd. Tijdens het plaatsbezoek wordt de realisatie van de activiteiten waarvoor de subsidie is toegekend, besproken aan de hand van de informatie uit de functionele en financiële verantwoording, vermeld in het tweede lid, 3°, van de voorgaande jaren. Op het einde van de twee boekjaren vóór het jaar waarop de werkingssubsidie betrekking heeft, heeft de vereniging een positief eigen vermogen. Als dat niet het geval is, legt de vereniging, samen met het financieel verslag, vermeld in het tweede lid, 3°, een financieel plan ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voor. In het voormelde financieel plan wordt aangetoond op welke manier een positief eigen vermogen wordt gerealiseerd. Als er geen financieel plan wordt voorgelegd, of als het financieel plan niet voldoet, kunnen de erkenning en de subsidiëring worden stopgezet. Art. 24.De Vlaamse Regering kan de subsidievereisten, vermeld in artikel 23, en de regels voor het moment en de wijze waarop de subsidievereisten worden gecontroleerd, nader bepalen. Afdeling 3. - Beoordeling van subsidieaanvragen Art. 25.Om de hoogte van de subsidiebedragen voor de verenigingen, vermeld in artikel 10 tot en met 13, te bepalen, om de hoogte van de variabele werkingssubsidies vermeld in artikel 36, tweede tot en met vierde lid, te bepalen, en om de hoogte van de projectsubsidies, vermeld in artikel 39, 41, 43 en 44, te bepalen, worden, rekening houdend met de specificiteit van de organisatie en de subsidievorm, de volgende beoordelingscriteria toegepast: 1° profilering en positionering;2° langetermijnvisie;3° inhoudelijk concept en concrete uitwerking;4° samenwerking en netwerking met andere actoren in binnen- of buitenland;5° haalbaarheid;6° bereik;7° gelijkekansenbeleid;8° financiële onderbouw van de werking;9° transparantie die wordt verschaft over de relatie van de initiatieven van de vereniging die voor subsidiëring worden voorgesteld enerzijds met andere initiatieven van die vereniging anderzijds, en de wijze waarop die initiatieven gefinancierd worden;10° geografische spreiding. Als de vereniging al wordt gesubsidieerd op basis van dit decreet, wordt ook rekening gehouden met de wijze waarop de vereniging invulling heeft gegeven aan de verplichtingen die ze moet naleven in het kader van die subsidiëring. Art. 26.Voor de advisering over de toekenning van variabele werkingssubsidies aan de verenigingen, vermeld in artikel 36, tweede tot en met vierde lid, en de toekenning van projectsubsidies, vermeld in artikel 39, stelt de Vlaamse Regering een of meer beoordelingscommissies samen met personen die aanwijsbaar over de nodige expertise beschikken. Een beoordelingscommissie als vermeld in het eerste lid kan alle initiatieven nemen die nodig zijn voor het uitvoeren van de opdracht, vermeld in het eerste lid. De leden van een beoordelingscommissie als vermeld in het eerste lid ont- vangen een vergoeding voor hun werkzaamheden en verplaatsingen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten van de voormelde vergoedingen. Het lidmaatschap van een beoordelingscommissie als vermeld in het eerste lid is niet verenigbaar met: 1° de hoedanigheid van lid van de Vlaamse jeugdraad, personeelslid of lid van de raad van bestuur van de vereniging, vermeld in artikel 15, eerste lid;2° de hoedanigheid van personeelslid of lid van de raad van bestuur van een organisatie waarvan de beleidsnota, vermeld in artikel 37, § 1, of de subsidieaanvraag moet worden behandeld door de beoordelingscommissie. Een lid van een beoordelingscommissie als vermeld in het eerste lid, wordt aangesteld voor vijf jaar. Dat mandaat kan maar één keer verlengd worden. Het lidmaatschap van dezelfde commissie kan maximaal tien jaar bedragen. De Vlaamse Regering bepaalt de vereiste expertise van de personen, vermeld in het eerste lid, en de samenstelling, de werking, de besluitvorming, en de ondersteuning van de beoordelingscommissies, vermeld in het eerste lid, nader. Art. 27.Een vereniging die op basis van dit decreet een werkingssubsidie ontvangt, kan een reserve aanleggen met eigen inkomsten en subsidies. Ten laste van de subsidie kan jaarlijks maximaal 10% van het voor dat jaar toegekende subsidiebedrag gereserveerd worden. Als de vereniging op het einde van de vijfjarige beleidsperiode nog beschikt over een reserve, kan ze die reserve overdragen naar de volgende beleidsperiode op voorwaarde dat, ten opzichte van de bestaande reserve bij het begin van de beleidsperiode, de aangroei niet meer bedraagt dan 20% van de gemiddelde jaarlijkse kosten berekend over de beleidsperiode. De Vlaamse Regering kan een afwijking toestaan van het bepaalde percentage, op voorwaarde dat de vereniging daartoe aan de administratie een gemotiveerd bestedingsplan bezorgt voor de te veel opgebouwde reserve of voor de gehele reserve. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de voormelde reservevorming nader. Art. 28.De verenigingen waarvan wordt vastgesteld dat ze aan alle voorwaarden voldoen voor de toekenning van een werkingssubsidie, vermeld in artikel 10 tot en met 13 en artikel 36, ontvangen per semester een voorschot van 45% van het subsidiebedrag dat voor dat jaar toegekend wordt. Het saldo wordt uitbetaald voor 30 september van het volgende jaar. Afdeling 4. - Sancties bij niet-naleving van erkennings- of subsidievoorwaarden, of subsidievereisten Art. 29.§ 1. Er wordt periodiek geëvalueerd of de erkende en gesubsidieerde verenigingen voldoen aan: 1° de erkenningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2 en 3;2° de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 19 en 20;3° de subsidievereisten, vermeld in artikel 23;4° de bepalingen in de overeenkomst die de Vlaamse Regering heeft gesloten met de gesubsidieerde vereniging, vermeld in artikel 17 en 37, § 7. Als blijkt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden of bepalingen, bedoeld in het eerste lid, wordt de erkenning ingetrokken, of de subsidiëring stopgezet vanaf het moment van die vaststelling. § 2. In de volgende gevallen wordt het teveel aan toegekende subsidie ingehouden van het nog uit te keren saldo van de subsidie en wordt het eventueel daarna nog resterende bedrag in mindering gebracht op de nog uit te betalen subsidies, tot maximaal het bedrag van de subsidie die toegekend is voor dat werkingsjaar: 1° uit de bewijsstukken over het vorige jaar blijkt dat de uitgekeerde voorschotten op de subsidies hoger zijn dan de door de begunstigde verantwoorde uitgaven;2° er is niet voldaan aan de bepalingen in de overeenkomst die de Vlaamse Regering heeft gesloten met de gesubsidieerde vereniging, vermeld in artikel 17 en 37, § 7;3° de som van de voorschotten die uitbetaald wordt aan de vereniging, is hoger dan de subsidie die toegekend wordt voor het jaar in kwestie. § 3. In de gevallen, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt het standpunt van de administratie schriftelijk meegedeeld aan de begunstigde. Daarbij wordt de begunstigde uitgenodigd om zijn eventuele bezwaren bekend te maken aan de administratie. Na de indiening van dat bezwaarschrift wordt een beslissing genomen en meegedeeld aan de begunstigde. Als de begunstigde niet akkoord gaat met de beslissing, kan hij beroep indienen bij de Vlaamse Regering. § 4. De Vlaamse Regering kan de regels voor de periodieke evaluatie, de bezwaarprocedure, vermeld in dit artikel, en de termijnen nader bepalen. HOOFDSTUK 5. - Werkingssubsidies Afdeling 1. - Erkenning Art. 30.Vijfjaarlijks kunnen verenigingen, vermeld in artikel 31 tot en met 35, een erkenningsaanvraag indienen. De vereniging dient vóór 1 juni van het jaar dat voorafgaat aan het eerste jaar van erkenning, een aanvraag in waarin ze expliciet aangeeft of ze een erken ning vraagt als landelijk georganiseerde jeugdvereniging, vermeld in artikel 31, als vereniging informatie en participatie, vermeld in artikel 32, als cultuureducatieve vereniging, vermeld in artikel 33, als geprofessionaliseerde jeugdvereniging met kinderen en jongeren met een handicap, vermeld in artikel 34, of als geprofessionaliseerde jeugdvereniging met kinderen en jongeren in een maatschappelijk kwetsbare positie, vermeld in artikel 35. In de erkenningsaanvraag, vermeld in het tweede lid, toont de vereniging aan dat ze op het moment van de aanvraag voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° de algemene subsidievoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 1; 2° de specifieke subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 31, 32, 33, 34 of 35;3° de vereniging heeft op het einde van de twee boekjaren vóór het jaar waarin de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 30, wordt ingediend, een positief eigen vermogen.Als dat niet het geval is, legt de vereniging, samen met de erkenningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, een financieel plan ter goed- keuring aan de Vlaamse Regering voor. In het voormelde financieel plan wordt aangetoond op welke manier een positief eigen vermogen wordt gerealiseerd. Als er geen financieel plan wordt voorgelegd of als het financieel plan niet voldoet, wordt de vereniging niet erkend. Een aanvraag is onontvankelijk als ze niet tijdig of onvolledig is ingediend conform het tweede en derde lid. Een onvolledige aanvraag kan worden vervolledigd. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de termijn waarin, en de wijze waarop een erkenningsaanvraag ingediend, vervolledigd, behandeld, en beoordeeld wordt. De erkenning als landelijk georganiseerde jeugdvereniging, vermeld in artikel 31, vereniging informatie en participatie, vermeld in artikel 32, cultuureducatieve vereniging, vermeld in artikel 33, geprofessionaliseerde jeugdvereniging met kinderen en jongeren met een handicap, vermeld in artikel 34, en een geprofessionaliseerde jeugdvereniging met kinderen en jongeren in een maatschappelijk kwetsbare positie, vermeld in artikel 35, wordt door de Vlaamse Regering toegekend voor zolang de verenigingen voldoen aan de algemene subsidievoorwaarden, ver- meld in hoofdstuk 4, afdeling 1, en de specifieke voorwaarden, vermeld in afdeling 2 of 3 van dit hoofdstuk. Afdeling 2. - Landelijk georganiseerde jeugdverenigingen, verenigingen informatie en participatie en cultuureducatieve verenigingen Art. 31.§ 1. Een vereniging kan worden erkend als landelijk georganiseerde jeugdvereniging als ze aan jeugdwerk doet met deelnemers uit minstens vier provincies of uit drie provincies en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. De naleving van de voormelde voorwaarde blijkt uit haar activiteiten. Voor de toepassing van paragraaf 2 tot en met 6 wordt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gelijkgesteld met een provincie. § 2. Een vereniging kan worden erkend als landelijk georganiseerde jeugdvereniging als de vereniging jaarlijks minstens zes keer een van de volgende modules realiseert: 1° begeleiding van lokale jeugdwerkinitiatieven;2° activiteitenaanbod voor de jeugd;3° vorming van jeugdwerkers. De module, vermeld in het eerste lid, 1°, kan ten hoogste drie keer voor de erkenning in aanmerking worden genomen. De module, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt ten minste één keer voor de erkenning in aanmerking genomen. De module, vermeld in het eerste lid, 3°, kan met digitale initiatieven worden gerealiseerd, behalve als de ingebrachte initiatieven betrekking hebben op kadervorming als vermeld in hoofdstuk 7. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor het vervullen van de modules, vermeld in dit artikel, nader bepalen. § 3. In deze paragraaf wordt verstaan onder lokaal jeugdwerkinitiatief: een werking die zoals blijkt uit haar doelstellingen en handelingen aan jeugdwerk doet en waarbij het merendeel van de deelnemers uit een of een beperkt aantal aangrenzende gemeenten komt. Uitzondering daarop vormen de jeugdwerkinitiatieven van districtsraden, Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Met toepassing van dit decreet worden ze beschouwd als lokale jeugdwerkinitiatieven, met dien verstande dat elk van de voornoemde besturen maar een keer wordt meegeteld met het oog op het behalen van de erkenningsnorm. Een landelijk georganiseerde jeugdvereniging die de module, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, realiseert, begeleidt in ten minste vier provincies telkens ten minste twee actieve lokale jeugdwerkinitiatieven met een totaal van minstens tien actieve lokale jeugdwerkinitiatieven. De landelijk georganiseerde jeugdvereniging kan aantonen dat ze de lokale jeugdwerkinitiatieven die voor erkenning worden ingebracht, in de loop van het vorige kalenderjaar effectief begeleid heeft. Een begeleiding als vermeld in het derde lid, bestaat per kalenderjaar en per lokale werking minimaal uit een van de volgende vormen: 1° begeleiding en coaching op maat: een specifiek inhoudelijk aanbod voor een lokaal jeugdwerkinitiatief of een coaching op maat, bijgewoond door minstens een jeugdwerker van dat lokale jeugdwerkinitiatief.De begeleiding of coaching op maat duurt minimaal twee uur. De begeleiding en coaching op maat kan met digitale activiteiten worden gerealiseerd; 2° intervisietraject: een specifieke overlegvorm met verschillende lokale jeugdwerkinitiatieven die lid zijn van de vereniging.Tijdens de intervisiemomenten worden concrete werkproblemen samen verhelderd en wordt gezocht naar oplossingen. Een lokaal jeugdwerkinitiatief neemt deel aan minimaal drie sessies van twee uur. Een aanbod met dezelfde jeugdwerkers op dezelfde dag en op dezelfde plaats geldt als een sessie. Een vereniging die lokale jeugdwerkinitiatieven begeleidt, maakt de voorwaarden bekend waaronder lokale jeugdwerkinitiatieven lid kunnen worden van de vereniging, en maakt ook bekend wat het aanbod is van de vereniging voor lokale jeugdwerkinitiatieven. De landelijk georganiseerde jeugdvereniging laat de lokale jeugdwerkinitiatieven vrij toetreden op voorwaarde dat ze jaarlijks een eigen bijdrage aan de landelijk georganiseerde jeugdvereniging betalen. Het is ook mogelijk dat de lokale jeugdwerkinitiatieven deelwerkingen zijn van de landelijk georganiseerde jeugdvereniging. Als de module, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, verschillende keren wordt gerealiseerd, wordt het aantal actieve lokale jeugdverenigingen in evenredige mate vermeerderd. De provinciale spreiding wordt aangetoond per keer dat de module wordt gerealiseerd. § 4. Een landelijk georganiseerde jeugdvereniging die de module, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, realiseert, organiseert op jaarbasis minstens 1250 deelnemersuren vormende, ontspannende of informatieve initiatieven voor de jeugd waaraan deelgenomen wordt op vrijwillige basis. De initiatieven duren ten minste twee uur per dag. Ten hoogste tien uur per dag wordt in aanmerking genomen. De landelijk georganiseerde jeugdvereniging realiseert minstens tien initiatieven als vermeld in het eerste lid, met minstens vier deelnemers per initiatief. Een meerdaags verblijf geldt als een initiatief. Ook een activiteitenreeks wordt beschouwd als een initiatief. De initiatieven hebben pedagogische doelstellingen en verlopen onder begeleiding en via een interactief proces. Een aanbod met dezelfde deelnemers, op dezelfde dag en op dezelfde plaats geldt als een initiatief als vermeld in het eerste lid. De deelnemers komen uit ten minste vier provincies. Voor elk van die vier provincies geldt dat inwoners uit die provincie samen ten minste 175 deelnemersuren realiseren. Voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad volstaan zestig deelnemersuren. Als de module, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, verschillende keren wordt gerealiseerd, wordt het aantal deelnemersuren in evenredige mate vermeerderd. De provinciale spreiding wordt aangetoond per keer dat de module wordt gerealiseerd. Het minimale aantal initiatieven, vermeld in het tweede lid, stijgt niet. § 5. Een landelijk georganiseerde jeugdvereniging die de module, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°, realiseert, presteert op jaarbasis minstens 75 vormingsuren die gespreid zijn over minstens tien vormingsinitiatieven op jaarbasis. Een meerdaags verblijf geldt als een initiatief. Ook een vormingsreeks geldt als een initiatief. De initiatieven duren ten minste twee uur per dag, met per initiatief minstens vier deelnemers. Ten hoogste tien uur per dag wordt in aanmerking genomen. De initiatieven hebben een duidelijk vormend karakter voor de betrokken, eventueel toekomstige, jeugdwerkers. Ze zijn interactief opgebouwd en verlopen onder pedagogische begeleiding. Een aanbod met dezelfde deelnemers, op dezelfde dag en op dezelfde plaats geldt als een initiatief als vermeld in het eerste lid. De deelnemers komen uit ten minste vier provincies. Voor elk van die vier provincies geldt dat inwoners uit die provincie samen ten minste 75 deelnemersuren realiseren. Voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad volstaan 25 deelnemersuren. Als de module, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°, verschillende keren wordt gerealiseerd, wordt het aantal vormingsuren in evenredige mate vermeerderd. De provinciale spreiding wordt aangetoond per keer dat de module wordt gerealiseerd. Het minimale aantal initiatieven, vermeld in het eerste lid, stijgt niet. § 6. De initiatieven, vermeld in paragraaf 4 en 5, voldoen aan al de volgende voorwaarden: 1° ze beantwoorden aan de doelstellingen van de landelijk georganiseerde jeugdvereniging, vermeld in de statuten;2° het aanbod is gedifferentieerd en wordt gekenmerkt door een pedagogische aanpak die blijkt uit de voorbereiding, het programma en de voortgangscontrole;3° elke begeleider is minstens zestien jaar oud;4° per vijftien deelnemers is er ten minste een begeleider aanwezig. Art. 32.§ 1. Een vereniging die een of meer van de volgende doelstellingen vervult, kan worden erkend als vereniging informatie en participatie: 1° een kwaliteitsvol informatieaanbod voor of over de jeugd of over kinderrechten maken of overbrengen;2° participatieprocessen van de jeugd in het beleid van overheden, instellingen of organisaties begeleiden, met als doel de jeugd te betrekken bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van het beleid van overheden, instellingen of organisaties;3° mediaproductie door en over de jeugd begeleiden. De verenigingen die erkend zijn of structureel gesubsidieerd worden in het beleidsdomein onderwijs en vorming, komen niet in aanmerking voor de werkingssubsidies, vermeld in dit artikel. § 2. Een vereniging kan worden erkend als vereniging informatie en participatie als de vereniging jaarlijks minstens zes keer een van de volgende modules realiseert: 1° informeren van de jeugd in de vrije tijd;2° informeren van de jeugd buiten de vrije tijd of informeren over de jeugd of over de kinderrechten;3° aanmaken van informatieproducten voor of over de jeugd of over de kinderrechten;4° vorming van jeugdwerkers of jeugdredacties;5° begeleiding van beleidsparticipatieprocessen als vermeld in paragraaf 7, eerste lid;6° mediaproductie in de vrije tijd door en over de jeugd;7° beantwoorden van vragen van of over de jeugd of over kinderrechten. De modules, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 5° en 7°, kunnen elk maximaal drie keer voor erkenning in aanmerking genomen worden. De module, vermeld in het eerste lid, 6°, wordt minstens één keer gecombineerd met de module, vermeld in het eerste lid, 4°. In die combinatie komen alleen initiatieven in aanmerking waarbij jeugdredacties worden gevormd om de module, vermeld in het eerste lid, 4°, te realiseren. Als de module, vermeld in het eerste lid, 1°, drie keer wordt gerealiseerd, wordt die module ten minste één keer gecombineerd met de module, vermeld in het eerste lid, 4°. In die combinatie komen alleen initiatieven in aanmerking waarbij jeugdwerkers worden gevormd om de module, vermeld in het eerste lid, 4°, te realiseren. De module, vermeld in het eerste lid, 4°, kan met digitale initiatieven worden gerealiseerd, behalve als de ingebrachte initiatieven betrekking hebben op kadervorming als vermeld in hoofdstuk 7. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor het vervullen van de modules, vermeld in dit artikel, nader bepalen. § 3. Een vereniging informatie en participatie die de module, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, realiseert, organiseert op jaarbasis minstens 1250 deelnemersuren vormende of informatieve initiatieven voor de jeugd in de vrije tijd waaraan deelgenomen wordt op vrijwillige basis. De vereniging informatie en participatie realiseert minstens tien initiatieven met minstens vier deelnemers per initiatief. De initiatieven hebben pedagogische doelstellingen en verlopen onder begeleiding. De initiatieven duren ten minste een uur per dag. Ten hoogste acht uur per dag wordt in aanmerking genomen. Een aanbod met dezelfde deelnemers, op dezelfde dag en op dezelfde plaats geldt als een initiatief. Een meerdaags verblijf geldt als een initiatief. Ook een activiteitenreeks wordt beschouwd als een initiatief. De activiteiten worden gerealiseerd met deelnemers uit ten minste drie provincies. Daarbij wordt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gelijkgesteld met een provincie. Voor elk van die drie provincies geldt dat inwoners uit die provincie samen ten minste 175 deelnemersuren realiseren. Voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad volstaan zestig deelnemersuren. Als de module, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, verschillende keren wordt gerealiseerd, wordt het aantal deelnemersuren in evenredige mate vermeerderd. Het minimale aantal initiatieven als vermeld in het eerste lid, stijgt niet. De provinciale spreiding wordt aangetoond per keer dat de module wordt gerealiseerd. § 4. Een vereniging informatie en participatie die de module, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, realiseert, organiseert op jaarbasis minstens 1250 deelnemersuren vormende of informatieve initiatieven voor de jeugd buiten de vrije tijd of over de jeugd of over de kinderrechten. De vereniging informatie en participatie realiseert minstens tien initiatieven met minstens vier deelnemers per initiatief. De initiatieven hebben pedagogische doelstellin …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.