← België

Koninklijk besluit betreffende het vervoer van zaken over de weg

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit regelt het wegvervoer van zaken en is een uitvoering van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg, alsook van diverse Europese verordeningen en richtlijnen. Het heeft als doel de regelgeving te verbeteren, aan te passen aan Europese bepalingen, en het systeem van vervoervergunningen te vereenvoudigen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
7 MEI 2002. - Koninklijk besluit betreffende het vervoer van zaken over de weg VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat, na overleg in de Ministerraad, aan Uwe Majesteit ter ondertekening wordt voorgelegd, werd genomen ter uitvoering van : 1. de verordening (EEG) nr.881/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van één of meer lidstaten; 2. de verordening (EEG) nr.3118/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten tot het binnenlands goederenvervoer over de weg in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn; 3. de richtlijn 92/106/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten;4. de richtlijn 96/26/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers, gewijzigd door de richtlijn 98/76/EG van 1 oktober 1998;5. de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten betreffende het vervoer van zaken over de weg. Dit ontwerp is één van de twee koninklijke uitvoeringsbesluiten van de voornoemde wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten. Het tweede uitvoeringsbesluit is het koninklijk besluit van 19 juli 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/07/2000 pub. 26/07/2000 numac 2000014182 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg sluiten betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige overtredingen inzake het vervoer over de weg. Dit laatste K.B. wordt door onderhavig ontwerp gewijzigd. I. ACTUELE SITUATIE De regelgeving betreffende het vervoer van zaken over de weg is nodeloos ingewikkeld geworden omdat zij uit twee verschillende luiken bestaat : - het eerste luik heeft uitsluitend betrekking op de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep, nl. het K.B. van 18.3.1991 en het M.B. van 19.3.1991; - het tweede luik handelt hoofdzakelijk over de vervoervergunningen (toegang tot de markt) en deels over de toegang tot het beroep, nl. de wet van 1 augustus 1960, het K.B. van 25.11.1992 en het M.B. van 26.11.1992. Dit tweede luik omvat ook twee verordeningen van de Europese Unie die eveneens handelen over de vervoervergunningen, nl. de verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad van 26.3.1992 en de verordening (EEG) nr. 3118/93 van de Raad van 25.10.1993. II. ONTWERP VAN NIEUWE REGLEMENTERING Samengevat zijn de voornaamste wijzigingen die worden aangebracht door de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten en dientengevolge door dit ontwerp van koninklijk besluit, de volgende : 1. verbetering van de structuur van de reglementering;2. aanpassing aan de reglementaire bepalingen van de Europese Unie;3. deregulering van de verhuring van bedrijfsvoertuigen;4. betere controle van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep;5. vereenvoudiging van het systeem van de vervoervergunningen;6. oprichting van een raadgevend orgaan en van een overlegorgaan. III. BESPREKING VAN DE ARTIKELEN TITEL I. - Algemeenheden Artikel 1 geeft de definities die noodzakelijk zijn voor een juiste interpretatie van het koninklijk besluit. Andere, dikwijls meer fundamentele begrippen, worden gedefinieerd in artikel 2 van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten; zij worden hier niet meer hernomen. Art. 2 somt tien soorten van vervoer op waarop de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten en haar uitvoeringsbesluiten niet van toepassing is. Het gaat hier hoofdzakelijk om transporten die de concurrentie weinig kunnen verstoren omdat zij een geringe economische weerslag hebben (in de zin van de richtlijn 96/26/EG van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg), wegens de geringe tonnage van de voertuigen, de aard van de vervoerde zaken of de korte afstand die wordt afgelegd. Dit is het geval voor bepaalde nationale transporten zoals, bijvoorbeeld, transport van strooizout, vervoer van waarden, lijkenvervoer, enz. Het betreft eveneens het nationaal en internationaal vervoer dat is vrijgesteld van elke vervoervergunning krachtens de eerste richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1962 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor bepaalde soorten goederenvervoer over de weg; dit is met name het geval voor het vervoer van post in het kader van een openbare dienst. Art. 3.De uitzonderingen die in art. 2 worden vermeld, zijn niet van toepassing op de vrachtbrieven in het internationaal vervoer. Het gebruik van deze documenten wordt immers voorgeschreven door hoofdstuk III van het "Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg", beter gekend onder de afkorting "CMR", dat door België werd geratificeerd. Het CMR is niet van toepassing op het postvervoer noch op het lijkenvervoer. Het is evenmin van toepassing op verhuizingen, maar het onderhavige ontwerp voorziet daarvoor in een specifieke vrachtbrief. TITEL II. - Ondernemingen gevestigd in België Toegang tot het beroep en uitoefening van het beroep Art. 4.Artikel 8 van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten beschrijft de voorwaarde van betrouwbaarheid op precieze wijze. De Koning zal enkel vaststellen : - de bewijsmiddelen waarmee de betrouwbaarheid wordt aangetoond : de paragrafen 1 tot 4 van artikel 4 van onderhavig ontwerp; - de maximumtermijn waarna de betrouwbaarheid opnieuw moet worden onderzocht, alsook de termijn die wordt toegekend aan de onderneming om het vereiste bewijs voor te leggen : in § 5 (respectievelijk de alinea's 1, 2 en 3); - de in art. 8, § 5, 2°, al. 2, van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten bedoelde deler : in § 6. Art. 5 bepaalt de bewijsmiddelen waarmee de voorwaarde van vakbekwaamheid wordt aangetoond (§ 1). Aangezien de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten niet heeft voorzien in de mogelijkheid om het getuigschrift van vakbekwaamheid te bekomen op grond van beroepservaring, maar enkel door het slagen voor een examen, beoogt § 2 van art. 5 het misbruik te voorkomen dat een Belg, die heeft deelgenomen aan het bestuur van een vervoeronderneming, aan de overheid van een vreemde Staat een bewijs van vakbekwaamheid zou vragen op grond van zijn ervaring in België en vervolgens dat bewijs zou doen gelden voor een Belgische onderneming. Art. 6 bepaalt het model van het toekomstig getuigschrift van vakbekwaamheid, overeenkomstig de bijlage II van de voormelde richtlijn 98/76/EG. Art. 7 geeft een lijst van de materies van de cursussen en examens vakbekwaamheid. Het betreft de lijst die is vastgesteld door de voormelde richtlijn 98/76/EG. Art. 8.In het art. 11, § 1, 1°, van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten wordt nader bepaald dat de cursussen worden georganiseerd door de Minister of door de door de Koning erkende instellingen. Art. 8 van het ontwerp voorziet in feite dat de Koning deze instellingen zal erkennen bij afzonderlijk koninklijk besluit dat op 1 januari 2003 in werking zal treden, zelfde datum van inwerkingtreding als dit besluit. Art. 9 vertrouwt de praktische regeling van de cursussen toe aan de Minister. Art. 10 preciseert dat het examen vakbekwaamheid bestaat uit een schriftelijke proef - deels theorie, deels oefeningen - en uit een mondelinge proef. De weging van de punten, alsook de vereisten om voor het examen te slagen, zijn conform de bepalingen van de voornoemde richtlijn 98/76/EG. Paragraaf 5, al. 2, maakt het de examencommissie mogelijk om te delibereren en om bepaalde kandidaten die aan de voorwaarde voldoen alsnog op te vissen. Art. 11, § 1, bepaalt de vergoedingen voor de prestaties van de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie. Paragraaf 2 geeft de Minister de macht om de andere modaliteiten van de organisatie van de examens te bepalen. Art. 12 stelt de minimumvereisten vast die de houder van een getuigschrift of bewijs van vakbekwaamheid moet vervullen opdat zou kunnen worden aangenomen dat hij daadwerkelijk en permanent de vervoerwerkzaamheden van een onderneming leidt. Paragraaf 3 bepaalt de maximumtermijn waarna de voorwaarde van vakbekwaamheid opnieuw moet worden onderzocht. Art. 13 bepaalt de termijn die de vervoerder krijgt om aan de Minister of zijn gemachtigde te melden dat één van de personen die werden aangewezen om de vervoerwerkzaamheden van de onderneming te leiden, deze onderneming heeft verlaten, overleden is of onbekwaam geworden is om zijn functie uit te oefenen, alsook de termijn om dan zijn situatie te regulariseren. Art. 14 bepaalt het bedrag van borgtocht die wordt vereist van de vervoerders om aan te tonen dat zij voldoen aan de voorwaarde van financiële draagkracht. Het weerhouden bedrag is het minimumbedrag dat bepaald wordt in de voornoemde richtlijn (inzake de toegang tot het beroep). Art. 15 bepaalt welke borgen deze borgtocht mogen stellen. Art. 16 machtigt de Minister om de modellen van de borgstellingsbewijzen vast te stellen. Art. 17 bepaalt de bestemming van de borgtocht : het waarborgen van welbepaalde schulden van de vervoeronderneming. De bestemming van de borgtocht werd in het verleden dikwijls op verschillende wijzen geïnterpreteerd. Teneinde voortaan elke betwisting te voorkomen, preciseert onderhavig ontwerp voor welke schuldvorderingen aanspraak kan worden gemaakt op de borgtocht. Aldus garandeert de borgtocht volgens artikel 17, § 1, 1°, de schulden die voortvloeien uit de levering van bepaalde materiële goederen en diensten die als onontbeerlijk worden beschouwd voor de uitvoering van vervoer van zaken tegen vergoeding over de weg, alsook voor de ledige ritten in verband met dit vervoer. De voorgestelde lijst, die noodzakelijkerwijs arbitrair is door haar beperkt karakter, moet echter wel als volledig worden beschouwd. Wat de in de punten a) en b) bedoelde leveringen van materiële goederen en diensten betreft, maakt het bij ontstentenis van uitdrukkelijke beperkingen weinig verschil uit of de betrokken goederen rechtstreeks door de leverancier werden gefactureerd, dan wel of zij werden aangekocht door middel van een magnetische betaalkaart. Overeenkomstig artikel 17, § 1, 2° strekt de borg o.a. tot dekking van de schulden die voortvloeien uit de vervoerovereenkomsten, zowel hoofdovereenkomsten als overeenkomsten van onderaanneming, gesloten door de onderneming. Overeenkomsten van onderaanneming worden in de praktijk veelvuldig gesloten, zodat men de onderaannemers heeft willen beschermen. Om deze manifeste wil tot bescherming niet uit te hollen, wordt benadrukt dat niet zozeer de relatie hoofdvervoerder-opdrachtgever maar wel de relatie hoofdvervoerder-onderaannemer van tel is. Wanneer een hoofdvervoerder transporten aan onderaannemers toevertrouwt, is het de bedoeling dat deze onderaannemers een beroep moeten kunnen doen op de borgtocht van de hoofdvervoerder, zelfs in de hypothese dat deze laatste zou beschikken over een vergunning van vervoercommissionair, [hoewel dit in se niet verplicht is (zie art. 20, § 2 van het K.B. van 18 juli 1975)]. Bovendien mag de overeenkomst niet gekwalificeerd worden als een arbeidsovereenkomst indien de onderaannemer veelvuldig, zelfs uitsluitend, rijdt voor één cliënt/hoofdvervoerder. De financiële en economische organisatie van het werk wordt immers door de onderaannemer gedaan zodat hij wel degelijk aanspraak kan maken op de borgtocht. Immers bekleedt een onderaannemer daadwerkelijk het statuut van zelfstandig beroepsgoederenvervoerder aangezien hij dient te beantwoorden aan de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep en moet beschikken over de vereiste vergunningen om bezoldigd vervoer voor rekening van derden -in casu voor de hoofdvervoerder - te verrichten. Art. 18 schrijft de regels voor inzake de aanspraak op de borgtocht. Art. 19 bepaalt de verplichtingen van de betrokken partijen in geval van afneming op de borgtocht en in geval van vermindering of opzegging van de borgtocht. Art. 20 vermeldt de voorschriften inzake de bevrijding van de borg. Het is van belang om enerzijds de borgtochtovereenkomst die wordt bewezen aan de hand van het in artikel 15 bedoelde document - waaruit de verplichtingen van de borg voortvloeien ten opzichte van de eventuele schuldeisers - niet te verwarren met anderzijds de overeenkomst of de verzekeringspolis die wordt afgesloten tussen de vervoeronderneming en de borg en waaruit wederzijdse verplichtingen tussen deze partijen voortvloeien. De opmerking bij dit artikel door de Raad van State wijst op zulke verwarring. Om dienaangaande elk misverstand uit te sluiten, werden de woorden "jegens de eventuele schuldeisers" ingevoegd in de tekst van artikel 20. TITEL III. - Vervoervergunningen De art. 21 en 22 sommen de voorwaarden op waaraan men moet voldoen om enerzijds een vergunning nationaal vervoer (art. 21), en anderzijds een vergunning communautair vervoer (art. 22) te verkrijgen. Het enige onderscheid is dat voor het verkrijgen van een vergunning nationaal vervoer het bezit van een getuigschrift van vakbekwaamheid voor nationaal vervoer (getuigschrift dat in België niet meer wordt afgegeven sedert april 1991) volstaat, terwijl voor het verkrijgen van een vergunning communautair vervoer, een getuigschrift van vakbekwaamheid voor internationaal vervoer vereist is. Art. 23 houdt in dat de in België gevestigde ondernemingen vrijgesteld worden van een vergunning nationaal of communautair vervoer voor internationaal gecombineerd vervoer. Deze vrijstelling wordt toegekend overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn 92/106/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 7 december 1992 die wordt vermeld in de inleiding van dit verslag. Terwijl deze richtlijn enkel van toepassing is op het gecombineerd vervoer tussen de lid-staten van de Europese Unie, breidt onderhavig ontwerp de vrijmaking van elke contingentering en van elke vergunning uit tot al het internationaal gecombineerd vervoer. De art. 24 en 25 sommen de gevallen op waarin de vergunningen nationaal en communautair vervoer moeten worden geweigerd aan de in België gevestigde ondernemingen. Deze artikelen bepalen eveneens de modaliteiten van weigering. Art. 26 somt nauwkeurig de omstandigheden op die tot de intrekking van diezelfde vergunningen leiden of tot de beperking van het aantal kopieën ervan. In twee gevallen waar een subjectievere beoordeling mogelijk is, met name : - wanneer de persoon die theoretisch zijn vakbekwaamheid doet gelden, de vervoerwerkzaamheden onvoldoende leidt; - wanneer de onderneming geen reële bedrijfszetel meer heeft in België, zoals bepaald in artikel 2, 11° van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten, kan de intrekkingsbeslissing worden aangevochten bij de Minister of zijn gemachtigde (art. 26, § 7). De nieuwe beoordeling gebeurt echter pas na gemotiveerd advies van de Commissie goederenvervoer over de weg, zoals voorgeschreven in art. 39, § 2, 4°, van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten. Dergelijk beroep is niet mogelijk indien blijkt dat de persoon die zijn vakbekwaamheid doet gelden voor een onderneming, die onderneming in het geheel niet heeft geleid. De art. 27, 28 en 29 bepalen de wijze waarop de in art. 26 bedoelde intrekkingen gebeuren. De art. 30 tot 32 bepalen de geldigheidsvoorwaarden van de vergunningen nationaal en communautair vervoer. Overeenkomstig art. 6 van voornoemde verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, bepaalt art. 32 dat de vergunning communautair vervoer geldig is voor een duur van 5 jaar; voortaan heeft ook de vergunning nationaal vervoer diezelfde geldigheidsduur. De praktijk leert dat intrekkingsbeslissingen bijna nooit effect hebben : de vervoerders verzuimen hun vergunningen terug te zenden - zelfs al worden zij daarvoor geverbaliseerd - of zenden een attest van aangifte van verlies van hun documenten in. In die omstandigheden moet de overheid, op gevaar van ridiculisering van de reglementering door de ondernemingen, adequaat kunnen reageren. Paragraaf 2 van art. 32 voorziet daarom de kopieën van de vergunningen slechts voor de duur van één jaar geldig te maken. Voor de ondernemingen die in regel zijn, verloopt de jaarlijkse vernieuwing van de kopieën van de vergunningen weliswaar "automatisch", d.w.z. zonder verzoek van de vervoerders. Overeenkomstig art. 22, § 1, 8° van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten "bepaalt de Koning (...) het bedrag van de te innen retributies ten bate van de erkende instellingen als tegenprestatie voor de diensten verleend in het kader van de vervaardiging en de uitgifte van de vervoervergunningen". Ter uitvoering van deze bepaling stelt art. 33 het bedrag vast dat moet worden betaald per kopie van de vergunning nationaal of communautair vervoer, ten bate van de v.z.w. Instituut voor Wegtransport. Art. 34 omvat een soepele regeling voor de vervanging van de tijdelijk buiten gebruik gestelde voertuigen. Art. 35 bepaalt de bekendmaking van de afgifte en de schrapping van de vergunningen nationaal en communautair vervoer. Deze bekendmaking, voorzien onder drie verschillende vormen, is onontbeerlijk omdat art. 37 van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten de "medeverantwoordelijkheid" heeft ingevoerd : de opdrachtgever, de verlader en de tussenpersoon in het goederenvervoer, kunnen gestraft worden zoals de vervoerder, meer bepaald wanneer die geen houder is van de vereiste vervoervergunning; deze personen moeten vóór het transport nagaan of de vervoerder op dit vlak in regel is. Art. 36 verplicht de vervoerders statistische gegevens te verschaffen over hun vervoeractiviteiten. Art. 37 geeft bepaalde machten aan de Minister, deze subdelegatie is voorzien in art. 22, § 2, van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten. Art. 38 tot 40 handelen over de vergunning communautair vervoer die in België wordt geëist van de vervoerders die gevestigd zijn in de andere lidstaten van de Europese Unie, alsook in Ijsland, Noorwegen en Liechtenstein (= Europese Economische Ruimte). De art. 38 en 39 betreffen de vrijstellingen van vergunning communautair vervoer : - voor de voertuigen met gering laadvermogen, conform de bijlage bij de "Eerste richtlijn", punt 3, gewijzigd door art. 13 van de voornoemde verordening (EEG) nr. 881/92; - in het kader van het internationaal gecombineerd vervoer, conform de bepalingen van de voornoemde richtlijn 92/106/EEG. Wat de vergunning communautair vervoer betreft die wordt geëist van de in de E.E.R. gevestigde vervoerders, verwijst art. 40 naar het model vastgesteld door de voornoemde verordening (EEG) nr. 881/92. De art. 41 tot 48 handelen over de vergunningen internationaal vervoer die in België worden geëist van de buiten de E.E.R. gevestigde vervoerders (Europese Unie + ISL + N + FL). Art. 41 somt de met de vergunningen internationaal vervoer gelijkgestelde documenten op. Art. 42 geeft enkel de gevallen weer waarin, bij gebrek aan wederkerigheid, een vergunning internationaal vervoer ook vereist is : - voor de aanhangwagens; - voor het vervoer voor eigen rekening, op grond van de internationale akkoorden. Dit geldt ook voor de transporten die, bij wijze van uitzondering, niet onderworpen zijn aan de vergunning internationaal vervoer. Art. 43 bepaalt dat de bestuurder die zich beroept op een vrijstelling van vergunning internationaal vervoer, het bewijs ervan moet leveren. Art. 44 bepaalt de criteria voor de weigering en de intrekking van die vergunningen. De art. 45 en 46 bepalen de voorwaarden van hun geldigheid. Art. 47 voorziet in twee soorten van vergunningen internationaal vervoer volgens het aantal ritten die ermee gedaan kunnen worden. Art. 48 laat het aan de Minister over om de wijze van afgifte en het model van deze vergunningen internationaal vervoer te bepalen, op grond van art. 22, § 2 van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten. De art. 49 tot 55 gaan over de cabotagevergunningen waarvan sprake is in art. 21 van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten. De vervoerders die gevestigd zijn buiten de E.E.R. (Europese Unie + ISL + N + FL) mogen met deze vergunningen transporten verrichten waarvan de laad- en losplaats zich beide bevinden op het Belgische grondgebied. Dit hoofdstuk is vrij theoretisch omdat het handelt over een vervoervergunning die momenteel nog niet bestaat. Op dit ogenblik mogen alleen de in de E.E.R. gevestigde vervoerders cabotagevervoer verrichten in België maar men kan zich indenken dat de vervoerders van sommige extra-communautaire landen op een dag cabotage zullen mogen verrichten in België met of zonder cabotagevergunning (cf. art. 50) op grond van de communautaire regelgeving of op grond van bilaterale of multilaterale akkoorden en in het bijzonder op voorwaarde van wederkerigheid. TITEL IV. - Vrachtbrieven Art. 56 en 57. Art. 23 van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten schrijft voor dat een vrachtbrief moet worden opgemaakt voor elke zending. Er zouden verschillende modellen van vrachtbrieven komen volgens het soort van transport. De aan de Koning verleende machten (art. 24 van de wet) worden overgedragen aan de Minister door art. 57 van dit ontwerp. Om voor de hand liggende praktische redenen preciseert art. 56 niettemin dat het vervoer verricht met een in het buitenland, d.w.z. buiten België, ingeschreven voertuig, niet noodzakelijkerwijs onderworpen is aan een model van vrachtbrief dat conform het model is dat door de Minister is vastgesteld, voor zover de betrokken vervoerders maar een vrachtbrief hebben die wordt beschreven in de art. 5 en 6 van het zogenaamde « C.M.R. » -Verdrag. TITEL V. - Controle Art. 58 wijst de ambtenaren aan die de naleving van de reglementering betreffende het vervoer van zaken moeten controleren, overeenkomstig art. 25, lid 1, van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten. Art. 59 wijst de overheid aan die belast is met de mededeling aan en de ontvangst vanwege de andere lidstaten van de Europese Unie (of van de E.E.R.) van de door de communautaire regelgeving inzake het vervoer van zaken over de weg voorgeschreven inlichtingen betreffende de door de vervoerondernemingen begane inbreuken. TITEL VI. - Commissie goederenvervoer over de weg Art. 60 bepaalt de samenstelling van de Commissie goederenvervoer over de weg. Art. 61, § 1 handelt over de vergoeding van de kosten van de leden van voornoemde commissie en de door haar geraadpleegde personen. § 2 belast de Minister ermee de werking van deze commissie te bepalen. TITEL VII. - Overlegcomité goederenvervoer over de weg Art. 62 bepaalt de samenstelling van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg. Wat het punt 2° van dit artikel betreft is er reden om op te merken dat bij het ter sprake brengen van het samenstel van problemen die verband houden met de naleving van de regelgevingen in het Overlegcomité, overeenkomstig het Actieplan met betrekking tot de samenwerking tussen de verschillende controlediensten d.d. 20 november 2001, een vertegenwoordiger aanwezig zal zijn van elk van de volgende departementen : Sociale Zaken, Tewerkstelling, Financiën, Binnenlandse Zaken en Justitie. Art. 63 belast de Minister ermee de werking van voornoemd comité te bepalen. TITEL VIII. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen De artikelen 64, 65 en 66 werden ingevoegd in dit ontwerp ingevolge de opmerking van de Raad van State over het artikel 37 dat eveneens werd gewijzigd. Voor de vergunningen nationaal vervoer en voor de vergunningen communautair vervoer moet een zegelrecht van 5 euro worden betaald. Dit recht is verschuldigd overeenkomstig artikel 8, 16°, a) van het Wetboek der zegelrechten, op grond waarvan de akten afgeleverd aan particulieren "om tot titel te strekken van een machtiging (...) welke ter uitvoering van wetten of reglementen van publiek of administratief recht wordt verleend, tot het uitoefenen van een beroepsbedrijvigheid (...)", aan het zegelrecht worden onderworpen. Het is de bedoeling om af te zien van het gebruik van fiscale plakzegels en om een systeem van uitgestelde betaling in speciën in te voeren : de bedragen die overeenstemmen met de zegelrechten zullen door de vervoerondernemingen worden gestort op de rekening van het Bestuur van het Vervoer te Land dat, binnen de maand na het verstrijken van elk burgerlijk kwartaal, het totaalbedrag van de in het verlopen kwartaal invorderbare zegelrechten zal overschrijven op de rekening van het bevoegde zegel- of registratiekantoor van het Ministerie van Financiën. Deze betaling in speciën door driemaandelijkse overschrijvingen op basis van periodieke aangiften, impliceert een drievoudige wijziging van het besluit van de Regent van 18 september 1947 betreffende de uitvoering van het Wetboek der zegelrechten : de artikelen 1 en 26 worden gewijzigd terwijl een artikel 26bis wordt ingevoegd, ten einde te voorzien in een afwijking van het voorschrift om fiscale plakzegels te gebruiken en in de wijze van uitvoering van die afwijking. Art. 67 - In samenhang met dit ontwerp, is het koninklijk besluit van 19 juli 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/07/2000 pub. 26/07/2000 numac 2000014182 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg sluiten betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg, het tweede uitvoeringsbesluit van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten betreffende het vervoer van zaken over de weg. De opheffing van de wet van 1 augustus 1960 betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding en haar "vervanging" door de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten leiden tot bepaalde wijzigingen van de art. 2 en 3 van het K.B. van 19 juli 2000. Deze gelegenheid werd aangegrepen om : a) bepaalde zaken te verbeteren of bij te werken op het gebied van het personenvervoer over de weg : - in art.2, 1°, e (ex-art. 2, 1° b) wordt nu verwezen naar de verordening (EG) nr. 2121/98 van 02-10-1998, vermits de verordening (EEG) nr. 1839/92 werd opgeheven sinds 31-12-1999; - in art. 2, 1°, g (ex-art. 2, 1°, g) worden de art. 60 en 61 van het reglement bij het besluit van de Regent van 20-09-1947 niet meer vermeld. Deze twee zaken worden thans vermeld in art. 2, 1°, h. - in art. 2, 1°, h (ex-art. 2, 1°, g) is er sprake van een onmiddellijke inning van 500 EUR (in plaats van 250 EUR) voor ongeregeld vervoer zonder rittenblad of zonder (geldige) bijzondere vergunning wanneer het voertuig ingeschreven is buiten de Europese Unie; ex- art. 2, 1°, g deed een onaanvaardbare discriminatie ontstaan ten overstaan van de voertuigen ingeschreven in België of in de Europese Unie, waarvoor een onmiddellijke inning van 500 EUR bestaat. b) deze artikelen te herstructureren door de hergroepering van de bepalingen die respectievelijk betrekking hebben op het vervoer van zaken over de weg, op het vervoer van personen over de weg en op de sociale reglementering op het gebied van vervoer over de weg (rij- en rusttijden;gebruik van de tachygraaf). Art. 68 heft op : a) het koninklijk besluit van 18 maart 1991, dit is het deel "toegang tot het beroep" van de vigerende reglementering;b) het koninklijk besluit van 25 november 1992, dit is het deel "uitoefening van het beroep" van de huidige reglementering;c) de koninklijke besluiten van 3 maart 1966, 15 juni 1966, 7 juli 1967 : sedert de liberalisering van de prijsvorming op Europees niveau in 1990, is het behoud van verplichte tariefsystemen (EGKS-tarief) of van type-overeenkomsten samen met referentietarieven (vervoer van stortgoederen), niet meer raadzaam. In tegenstelling tot de vigerende reglementering (koninklijk besluit van 25 november 1992 betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding, art. 3, § 1, 4° en 5°), is er in art. 2 van dit ontwerp geen sprake meer van een vrijstelling (soorten van transport die niet onder de toepassing vallen van de reglementering) voor "het vervoer van zaken verricht binnen het gebied van de havens (...), noch voor "het vervoer van vuilnis verricht voor de uitvoering van een openbare dienst". Bijgevolg wordt in art. 69 aan de betrokken ondernemingen voldoende tijd gegeven om hun situatie te regulariseren. Art. 70 bepaalt dat de bestaande borgstellingsbewijzen gelijkgesteld worden met de bewijzen die krachtens dit ontwerp moeten worden opgemaakt. Deze gelijkstelling heeft betrekking op alle aspecten van de borgtocht, d.w.z. zowel op het bedrag als op de gevolgen ervan. Krachtens de huidige reglementering (K.B. van 25-11-1992 houdende algemeen reglement betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding, art. 12) moeten de vervoerondernemingen retributies betalen aan de v.z.w. Instituut voor Wegtransport (I.W.T.) voor elke algemene vergunning voor nationaal vervoer die zij bezitten. Vanaf de inwerkingtreding van dit ontwerp zullen die vergunningen niet langer afgegeven worden. Art. 71 wil voorkomen dat de betrokken vervoerders tweemaal retributies zouden betalen aan het I.W.T. en houdt de vrijstelling in van betaling voor de eerste afgifte van elke kopie van de nieuwe vervoervergunningen. Art. 72 bepaalt dat de vervoervergunning wordt geweigerd aan iedere vervoerder die bij de inwerkingtreding van dit ontwerp nog achterstallige retributies verschuldigd is aan de Staat (retributies waarvan de reglementaire basis voor de heffing werd opgeheven bij K.B. van 7 april 1995) of aan het I.W.T. Art. 73 wijzigt art. 2, 9° van het koninklijk besluit van 25 november 1992 houdende algemeen reglement betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding. Deze wijziging heeft als enige bedoeling de deregulering van de verhuring van bedrijfsvoertuigen versneld te kunnen doorvoeren; deze deregulering vloeit voor uit het toepassingsgebied van dit ontwerp. De intentie bestaat er immers in de nieuwe reglementering in twee fases in werking te doen treden, meer bepaald : - op 1 juni 2002, voor wat betreft de afschaffing van de vervoervergunningen voor de verhuring van bedrijfsvoertuigen enerzijds en voor de getrokken voertuigen (aanhangwagens en opleggers) anderzijds; - op 1 januari 2003, voor alle andere bepalingen. Hierbij wordt verwezen naar de commentaar bij art. 75 en 76. Art. 74 voorziet dat de vervoervergunningen die werden afgegeven krachtens de wet van 1 augustus 1960 tot uiterlijk 31 december 2003 geldig blijven, dit betekent tot maximum één jaar na de datum van inwerkingtreding van de nieuwe reglementering. De vervoervergunningen die in de loop van het jaar 2003 vervallen, zullen welteverstaan niet meer geldig zijn na hun vervaldatum. Het betreft een bepaling die erop gericht is elke onderbreking te vermijden in de afgifte van de vervoervergunningen waarover de wegvervoerders dienen te beschikken. Dit neemt niet weg dat zodra het huidige ontwerp zal gepubliceerd zijn de administratie de nodige initiatieven zal nemen om de betrokken sector te sensibiliseren. Zij zal de vervoerondernemingen duidelijk inlichten over de nieuwe wettelijke en reglementaire bepalingen en zal er in het bijzonder op aandringen het bedrag van hun borgtocht vóór 1 januari 2003 aan te passen. Art. 75 bepaalt vooreerst dat alle artikelen van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten die nog niet in werking zijn getreden op 1 januari 2003 van kracht zullen worden. In afwijking daarvan wordt in art. 75, lid 2 echter voorzien in een vervroegde inwerkingtreding van art. 42 van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten die de wet van 1 augustus 1960 opheft, zij het uitsluitend voor de bepaling die de verplichting over een vervoervergunning te beschikken uitbreidt tot de getrokken voertuigen. Het koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten moet dan uiteraard op hetzelfde ogenblik als de wet van kracht worden. Daarom stelt art. 76 vooreerst dat het koninklijk besluit dat uitvoering geeft aan de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten op 1 januari 2003 zal in werking treden. Daarna wordt echter onmiddellijk gepreciseerd dat in afwijking daarvan art. 73 (dat de verhuring van bedrijfsvoertuigen dereguleert) en het art. 75, lid 2 (dat de vergunningsplicht op de getrokken voertuigen afschaft) reeds op 1 juni 2002 zullen in werking treden. Art. 77 - Uitvoeringsbepaling. IV. VEREISTE ADVIEZEN Zoals voorgeschreven, werden de gewestregeringen betrokken bij de opstelling van het ontwerp van koninklijk besluit. Bovendien werd de tekst ook voor advies voorgelegd aan de Ministerraad en aan de Raad van State. Het voorgelegde ontwerp houdt in de ruimste mate rekening met het advies van deze organen. Het advies van de Raad van State kon echter niet worden gevolgd wat volgende artikelen betreft : Titel I. Er werd prioriteit gegeven aan een optimale leesbaarheid van het koninklijk besluit. Deze bezorgdheid rechtvaardigt het behoud van de onderverdeling van de eerste titel in twee hoofdstukken ondanks het geringe aantal artikelen. Overigens maakt die onderverdeling het mogelijk om het parallellisme met de structuur van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten te handhaven. Art. 8 Net als de Ministerraad bij zijn eerste onderzoek van het ontwerp van koninklijk besluit, heeft de Raad van State opgemerkt dat gezien de formulering van artikel 11 van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten, geen alleenrecht aan de v.z.w. Instituut voor Wegtransport kan worden toegestaan voor het organiseren van voorbereidende cursussen op het examen van vakbekwaamheid. Er werd gevolg gegeven aan die opmerking middels : 1° een ontwerp tot wijziging van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten.Na een gunstig advies van de drie gewestregeringen te hebben gekregen, werd dit ontwerp aan de Raad van State voorgelegd op 15 februari 2002. Dit college werd verzocht binnen de maand zijn advies te geven. 2° een ontwerp tot wijziging van onderhavig koninklijk besluit. In afwachting, zal een afzonderlijk koninklijk besluit de erkenning voorzien, op 1 januari 2003, van de instellingen belast met het organiseren van de cursussen van vakbekwaamheid. Art. 15.(opmerking 1) Het is juist dat artikel 3, § 3, e) van de richtlijn 96/26/EG - betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen- en personenvervoer over de weg - bepaalt dat de voorschriften inzake financiële draagkracht slechts van toepassing zijn op de ondernemingen die vanaf 1 januari 1990 gemachtigd zijn het beroep van wegvervoerder uit te oefenen. Evenwel heeft de richtlijn 98/76/EG, die de voornoemde richtlijn 96/26/EG heeft gewijzigd, een punt 3 toegevoegd aan artikel 5 van de laatstgenoemde richtlijn. Dit punt bepaalt in hoofdzaak dat de ondernemingen die gemachtigd waren het beroep van wegvervoerder uit te oefenen vóór 1 oktober 1999, ten laatste op 1 oktober 2001 moeten voldoen aan artikel 3, § 3 van de richtlijn (bepalingen die gaan over de voorwaarde van financiële draagkracht). Alhoewel artikel 3, § 3, e) van de richtlijn 96/26/EG niet is opgeheven, is het niettemin sedertdien zinledig geworden. Art. 18. In geval van faillissement van de vervoeronderneming lijkt het logisch en billijk om in artikel 18, § 3, lid 2 van het ontwerp voorrang te geven aan de schuldeisers die vóór de faillietverklaring stappen hebben ondernomen om een vonnis te bekomen dat gewag maakt van het bestaan en de opeisbaarheid van de ingeroepen schuldvordering. Art. 23.(opmerking 1) Art. 23, § 1 is een correcte omzetting van de richtlijn 92/106/EEG van 7 december 1992. Dit neemt niet weg dat de auteurs van het ontwerp even verwonderd zijn als de Raad van State. Het zeer onpraktische besluit is dat bij gebrek aan een vervoervergunning, het bewijs dat de onderneming voldoet aan de voorwaarden van toegang tot het beroep wordt geleverd door raadpleging van haar dossier bij het bevoegde Bestuur of door een onderzoek achteraf op de zetel van de onderneming. Art. 26.(opmerking 2) Een vervoervergunning die onleesbaar is geworden, heeft vanzelfsprekend geen waarde meer. Het is dan aan de vervoeronderneming om onmiddellijk de vervanging te vragen. Indien de vervoerder zich desondanks niet heeft geschikt naar deze overduidelijke regel en een dergelijke vergunning wordt getoond bij een controle, dient de bevoegde ambtenaar dit waardeloze document onmiddellijk af te nemen. Art. 29. De juridische grondslag van art. 29 is het art. 22, § 1, 6°, van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten, volgens welk de Koning met betrekking tot de vervoervergunning bepaalt : (...) « 6° de regels en de wijze van weigering en intrekking van de vervoervergunningen ». Deze wettelijke bepaling is de grondslag van alle bepalingen van het koninklijk besluit die het hebben over de weigering van de vervoervergunningen (titel III, hoofdstuk III, afdeling 2) en over hun intrekking (titel III, hoofdstuk III, afdeling 3). Overigens stelt de memorie van toelichting als commentaar bij het art. 22, § 1, 6° van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten heel uitdrukkelijk : « Het is de bedoeling de Koning de macht te geven : (...) - om een termijn te bepalen gedurende dewelke ingetrokken vergunningen niet opnieuw uitgereikt kunnen worden. » Art. 33. De inning van retributies ten gunste van een erkende instelling - overeenkomstig artikel 29, § 2 van het ministerieel besluit is dit momenteel de v.z.w. Instituut voor Wegtransport - is verantwoord door de bijdragen en diensten van louter technische en logistieke aard die dat instituut verleent in het kader van de vervaardiging en de uitgifte van de vervoervergunningen, zoals wordt verduidelijkt in de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten (art. 22, § 1, 8°). Het erkende organisme verzekert eveneens de technische en logistieke opvolging van de bilaterale en multilaterale akkoorden die België inzake het vervoer van goederen over de weg heeft gesloten. Hierbij dient men zich te realiseren dat de bilaterale vervoervergunningen een exponentiële groei hebben gekend ten gevolge van de veranderingen in de geopolitieke structuren die in de voorbije twaalf jaar binnen Europa zijn opgetreden. Overigens is in diezelfde periode het contingent van de multilaterale vergunningen die de Europese Conferentie van Ministers van Transport (ECMT) aan België heeft toegekend van 67 tot 581 gestegen. Het instituut levert tenslotte een technische en logistieke bijdrage tot het systeem van verdeling van de "ecopunten" die sinds 1993 vereist zijn om het Oostenrijkse grondgebied te transiteren. Samengevat kan worden gesteld dat, wat ook het beoogde domein weze, het erkende organisme geen enkele beslissing neemt in de plaats van de bij de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten en de door dit ontwerp van koninklijk besluit aangewezen autoriteiten, doch de nodige bijdragen en assistentie verleent. Art. 38. - De bovenvermelde richtlijn 96/26/EG zegt in artikel 2, § 1 : « Deze richtlijn is niet van toepassing op ondernemingen die het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg uitoefenen met motorvoertuigen of samenstellen van voertuigen met een maximaal toegestaan gewicht van ten hoogste 3,5 ton. De lidstaten kunnen deze drempel echter voor alle vervoercategorieën of voor een gedeelte daarvan verlagen. » - Op grond van de tweede alinea van die bepaling stelt artikel 2, 1° van het ontwerp van koninklijk besluit dat de wet en haar uitvoeringsbesluit, wat de Belgische vervoerders betreft, onder andere niet van toepassing zijn op « het vervoer van zaken verricht met een motorvoertuig of een sleep waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 1 500 kg bedraagt ». - Derhalve is het logisch te eisen dat de transporten die worden verricht met voertuigen waarvan de maximale toegelaten massa 1 500 kg overschrijdt, gebeuren onder dekking van een vervoervergunning, als bewijs van naleving van de toegangsvoorwaarden tot het beroep - vergunning die moet kunnen worden voorgelegd bij een controle op de weg. - Aangezien er daarentegen op dit gebied geen eenvormigheid is in de verschillende lidstaten van de Europese Unie, kan de Belgische wet uiteraard geen gelijkaardige drempel opleggen aan de buitenlandse vervoerders. De enige mogelijke drempelwaarde die op hen kan worden toegepast, is deze van de Eerste richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1962 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor bepaalde soorten goederenvervoer over de weg, met name een toegestaan totaalgewicht van 6 ton of een toegestaan laadvermogen van 3,5 ton. Art. 62. Punt 3° van het artikel 62 werd gewijzigd om de samenstelling van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg te verduidelijken, wat betreft de vertegenwoordiging van de sector van het wegvervoer. Een verdere verfijning, door de vaststelling van het aantal of van de benoemingswijze van de vertegenwoordigers, zoals voorgesteld door de Raad van State, is echter niet nodig. Immers, in tegenstelling tot de Commissie goederenvervoer over de weg, waarvan sprake is in artikel 61 van het ontwerp van koninklijk besluit, is het Overlegcomité geen raadgevend orgaan maar een overlegforum waar niets wordt beslist middels stemming. Het aantal en de aanstelling van de deelnemers is veranderlijk, naar gelang van de aard van het aangesneden onderwerp. Titel VIII, hoofdstuk III. - De algemene vergunningen voor nationaal vervoer zullen niet ineens ongeldig worden op het ogenblik van de inwerkingtreding van het nieuwe koninklijk besluit. Art. 74 voorziet inderdaad terzake een overgangsbepaling van een jaar. - Vanaf de datum van inwerkingtreding moet de onderneming, telkens wanneer de administratie erom verzoekt en minstens eenmaal om de 5 jaar, het bewijs leveren dat zij nog altijd voldoet aan de voorwaarden van betrouwbaarheid (art. 4, § 5 van het koninklijk besluit) en van vakbekwaamheid (art. 12, § 3 van het K.B.). Ingevolge het borgtochtsysteem van de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten zal de voorwaarde van financiële draagkracht in feite permanent worden gecontroleerd. - In de praktijk zal het Bestuur dat bevoegd is voor de uitvoering van die bepalingen, gespreid over de vijf jaren die volgen op de inwerkingtreding van de nieuwe reglementering, een recent bewijs van goed zedelijk gedrag vragen aan alle personen die moeten aantonen dat ze betrouwbaar zijn; ook zal het in dezelfde periode nagaan of de personen die hun getuigschrift van vakbekwaamheid aanwenden voor een vervoeronderneming, er de daadwerkelijke leiding verrichten. Die controles zullen om de 5 jaar worden herhaald. - In die omstandigheden werd, voor de duidelijkheid van het ontwerp, artikel 67 geschrapt onder de overgangsbepalingen. Art. 68.(art. 70 geworden) De Raad van State lijkt uit de lezing van dit artikel te hebben begrepen dat de op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe reglementering bestaande borgtochten onveranderd zouden voortbestaan en dat zij zonder aanpassing zouden blijven volstaan opdat de betrokken vervoerondernemingen zouden voldoen aan de voorwaarde van financiële draagkracht. Deze interpretatie is echter niet hetgeen de auteurs van het ontwerp hebben beoogd : de in dit artikel bedoelde gelijkstelling betekent dat de « oude » borgtochten inderdaad wel blijven bestaan, maar die continuïteit belet geenszins dat de bedragen moeten worden verhoogd indien zij lager zijn dan de vereiste nieuwe bedragen of dat zij mogen worden verminderd in het tegengestelde geval. Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT De Minister van Financiën, D. REYNDERS MINISTERIE VAN VERKEER EN INFRASTRUCTUUR 7 MEI 2002. - Koninklijk besluit betreffende het vervoer van zaken over de weg ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg type wet prom. 03/05/1999 pub. 04/05/1999 numac 1999021210 bron diensten van de eerste minister Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen sluiten betreffende het vervoer van zaken over de weg; Gelet op het Wetboek der zegelrechten, inzonderheid op het artikel 2, tweede lid; Gelet op het besluit van de Regent van 18 september 1947 betreffende de uitvoering van het Wetboek der zegelrechten; Gelet op het koninklijk besluit van 3 maart 1966 tot vaststelling van een typeovereenkomst voor het vervoer van bepaalde stortgoederen en producten met kipwagens tegen vergoeding, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 1968; Gelet op het koninklijk besluit van 15 juni 1966 betreffende de prijzen en voorwaarden van het vervoer met motorvoertuigen tegen vergoeding van producten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal toepasselijk is, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 juli 1967, 21 juni 1968, 15 april 1976 en 27 september 1983; Gelet op het koninklijk besluit van 7 juli 1967 betreffende de controle en het openbaar maken van prijzen en voorwaarden van het vervoer met motorvoertuigen tegen vergoeding van producten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal toepasselijk is, tussen landen van de Benelux Economische Unie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 1968; Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 november 1992 houdende algemeen reglement betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding en bij het koninklijk besluit van 7 april 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg en het koninklijk besluit van 25 november 1992 houdende algemeen reglement betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding; Gelet op het koninklijk besluit van 25 november 1992 houdende algemeen reglement betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 april 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg en het koninklijk besluit van 25 november 1992 houdende algemeen reglement betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding; Gelet op het koninklijk besluit van 19 juli 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/07/2000 pub. 26/07/2000 numac 2000014182 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg sluiten betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige overtredingen inzake het vervoer over de weg, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2001 tot invoering van de euro in de besluiten betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg, het wegverkeer en de A.D.R.; Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 25 februari 2002; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 11 april 2002; Gelet op de beraadslaging van de Ministerraad, op 25 maart 2002; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 5 december 2001, bij toepassing van artikel 84, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer en Onze Minister van Financiën en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : TITEL I. - Algemeenheden HOOFDSTUK I. - Definities Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° « beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg » : de activiteit …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.