← België

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 september 2007, gesloten in het Paritair Comi

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit verklaart een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) algemeen verbindend, die afspraken bevat over het nationaal akkoord 2007-2008 voor bedienden in de metaalfabrikatennijverheid. Het regelt voornamelijk de koopkracht en de aanwending van budgetten voor loonsverhogingen en verbetering van arbeidsvoorwaarden.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
18 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 september 2007, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, betreffende het nationaal akkoord 2007-2008 (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/12/1968 pub. 22/05/2009 numac 2009000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 24 september 2007, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, betreffende het nationaal akkoord 2007-2008. Art. 2.De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 18 september 2008. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en van Gelijke Kansen, Mevr. J. MILQUET _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/12/1968 pub. 22/05/2009 numac 2009000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid Collectieve arbeidsovereenkomst van 24 september 2007 Nationaal akkoord 2007-2008 (Overeenkomst geregistreerd op 29 november 2007 onder het nummer 85840/CO/111) Artikel 1.Toepassingsgebied Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en hun werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bedienden die behoren tot het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, met uitzondering van de bepalingen inzake de koopkracht (artikel 2), de functieclassificatie (artikelen 6 en 15), de syndicale waarborgen (artikel 12) en de syndicale delegatie (artikel 11), die enkel van toepassing zijn op de gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden. Art. 2.Koopkracht § 1. Enveloppe op ondernemingsvlak A. Voor de ondernemingen die geen eigen loonbarema toepassen of voor de ondernemingen die enkel de nationale minimum weddeschaal toepassen Met ingang van 1 juli 2007 wordt aan de ondernemingen een overdraagbaar budget van 0,70 pct. van de loonmassa van de bedienden ter beschikking gesteld. Over de aanwending ervan kan enkel op ondernemingsvlak onderhandeld worden. Voor de toepassing van dit punt wordt onder « loonmassa » begrepen : de totaliteit van de bruto wedden (met inbegrip van de eindejaarspremies, ploegenpremies, overloon, enz.) en bijhorende sociale lasten (sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever en andere sociale lasten) van de gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden. Deze enveloppe mag aangewend worden voor de financiering van bijkomende voordelen, loonsverhogingen of andere verbeteringen van de arbeidsvoorwaarden. De loonsverhogingen zijn eveneens van toepassing op de niet in procent uitgedrukte ploegen- en productiepremies, tenzij hierover op ondernemingsvlak andersluidende conventionele afspraken bestaan in een collectieve arbeidsovereenkomst of in het arbeidsreglement. Om na te gaan of de enveloppe van 0,70 pct. niet wordt overschreden, wordt volgende berekening gemaakt : - in de eerste plaats mag het recurrent effect op de gemiddelde maandloonkost van de gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden niet hoger zijn van 0,70 pct.; - in de tweede plaats mag de loonmassa voor de periode gaande van 1 januari 2007 tot 31 december 2008 ingevolge de toekenning van de enveloppe niet stijgen met meer dan 0,70 pct. B. Voor ondernemingen die een eigen loonbarema toepassen Met ingang van 1 juli 2007 wordt aan de ondernemingen een overdraagbaar budget van 0,35 pct. van de loonmassa van de bedienden ter beschikking gesteld. Over de aanwending ervan kan enkel op ondernemingsvlak onderhandeld worden. Voor de toepassing van dit punt wordt onder « loonmassa » begrepen : de totaliteit van de bruto wedden (met inbegrip van de eindejaarspremies, ploegenpremies, overloon, enz.) en bijhorende sociale lasten (sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever en andere sociale lasten) van de gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden. Deze enveloppe mag aangewend worden voor de financiering van bijkomende voordelen, loonsverhogingen of andere verbeteringen van de arbeidsvoorwaarden. De loonsverhogingen zijn eveneens van toepassing op de niet in procent uitgedrukte ploegen- en productiepremies, tenzij hierover op ondernemingsvlak andersluidende conventionele afspraken bestaan in een collectieve arbeidsovereenkomsten of in het arbeidsreglement. Om na te gaan of de enveloppe van 0,35 pct. niet wordt overschreden, wordt volgende berekening gemaakt : - in de eerste plaats mag het recurrent effect op de gemiddelde maandloonkost van de gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden niet hoger zijn dan 0,35 pct.; - in de tweede plaats mag de loonmassa voor de periode gaande van 1 januari 2007 tot 31 december 2008 ingevolge de toekenning van de enveloppe niet stijgen met meer dan 0,35 pct. C. Definitie van loonbarema Onder « loonbarema » wordt verstaan : a. hetzij een paritair afgesproken collectief systeem van periodieke automatische loonsverhogingen op basis van een vaste loonschaal, voor zover dit reeds bestond voor 1 januari 2007;b. hetzij een paritair afgesproken systeem van onbepaalde duur van periodieke automatische loonsverhogingen voor alle bedienden, voor zover dit reeds bestond voor 1 januari 2007.Dit systeem moet bevestigd worden door de betrokken partijen voor zover er geen collectieve arbeidsovereenkomst terzake bestaat op ondernemingsvlak; c. hetzij een collectief systeem dat op basis van het gebruik in de onderneming wordt toegepast, maar waarover geen paritaire afspraken bestaan, en dat voorziet in periodieke automatische loonsverhogingen op basis van een vaste loonschaal, voor zover dit reeds bestond voor 1 januari 2007;d. in de ondernemingen waar door feitelijke omstandigheden uit het verleden verschillende collectieve verloningsystemen bestaan, zal met deze verschillen rekening gehouden worden;e. indien er betwisting is omtrent het al dan niet bestaan van loonbarema's, wordt dit voorgelegd aan het gewestelijk verzoeningsbureau;f. als bijlage 1 bij deze collectieve arbeidsovereenkomst bevindt zich een checklist om vast te stellen of een verloningssysteem een loonbarema is in de zin van punten a, b of c hierboven. D. Bijkomende enveloppe voor ondernemingen die niet gebonden waren door de buiten paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de sociale programmatie 2005-2006 van 10 november 2005 Bijkomende enveloppe Aan de ondernemingen, die niet gebonden waren door de buiten paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de sociale programmatie 2005-2006 van 10 november 2005 wordt vanaf 1 juli 2007 een bijkomende enveloppe van 0,35 pct. van de loonmassa van de bedienden ter beschikking gesteld. Deze enveloppe komt bovenop de enveloppe voorzien in punten A of B van deze paragraaf. Onder « loonmassa » wordt begrepen : de totaliteit van de bruto wedden (met inbegrip van de eindejaarspremies, ploegenpremies, overloon, enz.) en bijhorende sociale lasten (sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever en andere sociale lasten) van de gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden. Deze bijkomende enveloppe mag aangewend worden voor de financiering van bijkomende voordelen, loonsverhogingen of andere verbeteringen van de arbeidsvoorwaarden. De loonsverhogingen zijn eveneens van toepassing op de niet in procent uitgedrukte ploegen- en productiepremies, tenzij hierover op ondernemingsvlak andersluidende conventionele afspraken bestaan in een collectieve arbeidsovereenkomst of in het arbeidsreglement. Om na te gaan of de bijkomende enveloppe van 0,35 pct. niet wordt overschreden, wordt volgende berekening gemaakt : - in de eerste plaats mag het recurrent effect op de gemiddelde maandloonkost van de gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden niet hoger zijn dan 0,35 pct.; - in de tweede plaats mag de loonmassa voor de periode gaande van 1 januari 2007 tot 31 december 2008 ingevolge de toekenning van de enveloppe niet stijgen met meer dan 0,35 pct. Toepassing van de bijkomende enveloppe voor ondernemingen bedoeld in artikel 4, § 2, B. en C. In ondernemingen bedoeld in artikel 4, § 2, B. en C. van onderhavige collectieve arbeidsovereen-komst waar het niveau van het aanvullend pensioen georganiseerd op hun vlak op 1 juli 2007 minstens evenwaardig is aan het niveau bepaald op sectorvlak (1 pct.) en die met ingang van 1 januari 2006 vrijwillig collectieve voordelen hebben toegekend die minstens gelijkwaardig zijn aan de in artikel 5 van de buiten paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de sociale programmatie 2005-2006 van 10 november 2005 bepaalde enveloppe van 0,35 pct., moet deze bijkomende enveloppe van 0,35 pct. niet toegepast worden. In ondernemingen bedoeld in artikel 4, § 2, B. en C. van onderhavige collectieve arbeidsovereen-komst waar het niveau van het aanvullend pensioen georganiseerd op hun vlak op 1 juli 2007 niet minstens evenwaardig is aan het niveau bepaald op sectorvlak (1 pct.) wordt met ingang van 1 juli 2007 de bijkomende enveloppe omgezet in een verhoging met 0,50 pct. van het aanvullend pensioen georganiseerd op hun vlak. Indien in deze ondernemingen met ingang van 1 januari 2006 vrijwillig collectieve voordelen werden toegekend die minstens gelijkwaardig zijn aan de in artikel 5 van de buiten paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de sociale programmatie 2005-2006, wordt de van toepassing zijnde enveloppe bedoeld onder A. of B. van deze paragraaf daarenboven verminderd met 0,35 pct. Toepassing van de bijkomende enveloppe voor ondernemingen bedoeld in artikel 4, § 2, A. In de ondernemingen bedoeld in artikel 4, § 2, A. van onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst, die met ingang van 1 januari 2006 vrijwillig een bijkomend aanvullend pensioen hebben ingericht conform artikel 4 van de buiten paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de sociale programmatie 2005-2006 van 10 november 2005 is de bijkomende enveloppe niet van toepassing. In ondernemingen bedoeld in artikel 4, § 2, A. van onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst die met ingang van 1 januari 2006 vrijwillig collectieve voordelen hebben toegekend die minstens gelijkwaardig zijn aan de in artikel 5 van de buiten paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de sociale programmatie 2005-2006 van 10 november 2005 bepaalde enveloppe van 0,35 pct., zonder echter een bijkomend aanvullend pensioen in te stellen conform artikel 4 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst wordt met ingang van 1 juli 2007 de bijkomende enveloppe omgezet in een verhoging met 0,50 pct. van het aanvullend pensioen. Daarenboven wordt de van toepassing zijnde enveloppe bedoeld onder A. of B. van deze paragraaf verminderd met 0,35 pct. In ondernemingen bedoeld in artikel 4, § 2, A. van onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst die met ingang van 1 januari 2006 geen vrijwillig collectieve voordelen hebben toegekend die minstens gelijkwaardig zijn aan de in artikel 5 van de buiten paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de sociale programmatie 2005-2006 van 10 november 2005 bepaalde enveloppe van 0,35 pct., noch een bijkomend aanvullend pensioen ingesteld hebben conform artikel 4 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst, wordt met ingang van 1 juli 2007 de bijkomende enveloppe omgezet in een verhoging met 0,50 pct. van het aanvullend pensioen. Verplichting van bewijsvoering Om van de vrijstelling en/of de vermindering te kunnen genieten moeten de bedoelde ondernemingen aan het nationaal paritair comité het bewijs voorleggen dat zij vrijwillig een bijkomend aanvullend pensioen hebben ingericht conform artikel 4 van genoemde collectieve arbeidsovereenkomst of vrijwillig collectieve voordelen hebben toegekend die minstens gelijkwaardig zijn aan de bepaalde enveloppe van 0,35 pct. van artikel 5 van genoemde collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de sociale programmatie 2005-2006 van 10 november 2005. Het nationaal paritair comité zal zich unaniem uitspreken over het geleverde bewijs. Zonder dit bewijs zullen de bedoelde ondernemingen de bijkomende enveloppe van 0,35 pct. moeten toepassen. E. Procedure voor onderhandeling over de ondernemingsenveloppe De procedure voor de ondernemingsonderhandelingen over de besteding van het overdraagbaar budget verloopt in 2 stappen : - Voorafgaandelijk en vóór 30 september 2007 moeten op ondernemingsvlak zowel de werkgever als alle in de vakbondsafvaardiging voor bedienden vertegenwoordigde vakbonden akkoord zijn om onderhandelingen te voeren over de besteding van het overdraagbaar budget van de enveloppe. Indien dit niet het geval is worden de effectieve bruto maandwedde van de bedienden verhoogd volgens de modaliteiten bepaald in punt F van deze paragraaf. In de multizetelondernemingen wordt de beslissing genomen op groepsniveau. Deze beslissing heeft niet alleen betrekking op het al dan niet onderhandelen, maar ook op het niveau waar deze onderhandelingen zullen gevoerd worden. - Indien besloten wordt tot ondernemingsoverleg over de besteding van het overdraagbaar budget van de enveloppe, moet dit overleg ten laatste op 31 oktober 2007 leiden tot een collectieve arbeidsovereenkomst. De afgesproken besteding van de enveloppe gaat in op 1 juli 2007. Indien er dan geen collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten, worden de effectieve bruto maandweddes van de bedienden verhoogd volgens de modaliteiten bepaald in punt F van deze paragraaf. - In ondernemingen zonder vakbondsafvaardiging voor bedienden dient een eventuele onderhandeling uit te monden in een collectieve arbeidsovereenkomst. F. Suppletieve regeling Indien geen ondernemingsoverleg wordt aangegaan omtrent de enveloppe of het overleg op ondernemingsvlak niet uitmondt in een collectieve arbeidsovereenkomst voor 31 oktober 2007, worden vanaf 1 juli 2007 alle effectieve bruto maandweddes van de bedienden verhoogd met 0,7 pct. in de ondernemingen bedoeld in punt A van deze paragraaf, of met 0,35 pct. in de ondernemingen bedoeld in punt B van deze paragraaf en in voorkomend geval met de bijkomende 0,35 pct. in de ondernemingen bedoeld in punt D van deze paragraaf. Deze weddeverhogingen zijn eveneens van toepassing op de niet in procent uitgedrukte ploegen- en productiepremies, tenzij hierover op ondernemingsvlak andersluidende conventionele afspraken bestaan in een collectieve arbeidsovereenkomsten of in het arbeidsreglement. § 2. Weddeverhoging A. Voor de ondernemingen die geen eigen loonbarema toepassen of voor de ondernemingen die enkel de nationale minimum weddeschaal toepassen Op 1 oktober 2008 worden alle effectieve bruto maandweddes van de bedienden verhoogd met 0,4 pct., weliswaar te verhogen of te verminderen met het verschil tussen de som van de reële indexeringen en de verwachte inflatie van 3,9 pct. tijdens 2007 en 2008. Indien dit saldo nul of negatief is, wordt er op 1 oktober 2008 geen loonsverhoging toegepast. Indien dit saldo 0,4 pct. overschrijdt, wordt vanaf 1 oktober 2008 het deel dat de 0,4 pct. overschrijdt, gebruikt voor een verhoging van de bijdrage aan het sectoraal aanvullend pensioenstelsel met maximum 0,2 pct., verhoogd met een coëfficiënt van 1,5. Het eventuele saldo, na aanwending van het deel voor het sectoraal aanvullend pensioenstelsel, zoals beschreven in voorgaande alinea, zal op 1 oktober 2008 aangewend worden voor een verhoging van de effectieve bruto maandweddes van de bedienden. In ondernemingen waar het niveau van het aanvullend pensioen op ondernemingsvlak op 1 oktober 2008 minstens evenwaardig is aan het niveau bepaald op sectorvlak kan het volledige saldo aangewend worden voor een verhoging van de brutomaandweddes van de bedienden, conform de bepalingen van artikel 4, § 4, C van onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst. Deze weddeverhogingen zijn eveneens van toepassing op de niet in procent uitgedrukte ploegen- en productiepremies, tenzij hierover op ondernemingsvlak andersluidende conventionele afspraken bestaan in een collectieve arbeidsovereenkomst of in het arbeidsreglement. De weddeverhoging en de verhoging van de bijdrage aan het sectoraal aanvullend pensioenstelsel, alsmede de verdere modaliteiten, zullen in voorkomend geval worden opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst te sluiten vóór 31 oktober 2008. B. Voor ondernemingen die een eigen loonbarema toepassen Op 1 oktober 2008 worden alle effectieve bruto maandweddes van de bedienden verhoogd met 0,25 pct., weliswaar te verhogen of te verminderen met het verschil tussen de som van de reële indexeringen en de verwachte inflatie van 3,9 pct. tijdens 2007 en 2008. Indien dit saldo nul of negatief is, wordt er op 1 oktober 2008 geen loonsverhoging toegepast. Indien dit saldo 0,25 pct. overschrijdt, wordt vanaf 1 oktober 2008 het deel dat de 0,25 pct. overschrijdt, gebruikt voor een verhoging van de bijdrage aan het sectoraal aanvullend pensioenstelsel met maximum 0,2 pct., verhoogd met een coëfficiënt van 1,5. Het eventuele saldo, na aanwending van het deel voor het sectoraal aanvullend pensioenstelsel, zoals beschreven in voorgaande alinea, zal op 1 oktober 2008 aangewend worden voor een verhoging van de effectieve bruto maandweddes van de bedienden. In ondernemingen waar het niveau van het aanvullend pensioen op ondernemingsvlak op 1 oktober 2008 minstens evenwaardig is aan het niveau bepaald op sectorvlak kan het volledige saldo aangewend worden voor een verhoging van de brutomaandweddes van de bedienden, conform de bepalingen van artikel 4, § 4, C. van onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst. De weddeverhogingen zijn eveneens van toepassing op de niet in procent uitgedrukte ploegen- en productiepremies, tenzij hierover op ondernemingsvlak andersluidende conventionele afspraken bestaan in een collectieve arbeidsovereenkomst of in het arbeidsreglement. De weddeverhoging en de verhoging van de bijdrage aan het sectoraal aanvullend pensioenstelsel, alsmede de verdere modaliteiten, zullen in voorkomend geval worden opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst te sluiten vóór 31 oktober 2008. Art. 3.Uitzonderingen Het artikel 2 hierboven is niet van toepassing op de ondernemingen die reeds door een akkoord gedekt zijn voor de jaren 2007 en 2008. De gewestelijke verzoeningscomités zijn bevoegd om de eventuele toepassingmoeilijkheden te regelen. Deze bepalingen zijn evenmin van toepassing op de ondernemingen die zich in de economische onmogelijkheid bevinden deze voordelen toe te passen. De gewestelijke verzoeningscomités zijn belast met de bepaling van de ondernemingen die zich volledig of gedeeltelijk in deze toestand bevinden. Zij dienen daarbij rekening te houden met duidelijk aanwijsbare feiten en de toestand van de onderneming. Ondernemingen getroffen door een ingrijpende reorganisatie en/of herstructurering kunnen zich tot de gewestelijke verzoeningscomités wenden om, op aanwijsbare feiten, een afwijking of een herschikking van deze voordelen te bekomen. Art. 4.Aanvullend pensioen § 1. Principe Aan alle werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bedienden (met inbegrip van de kaderleden) wordt op 1 juli 2007 een collectieve pensioentoezegging verzekerd, die voorziet in een toelage ten laste van de onderneming die minstens 1 pct. bedraagt van het aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven bruto jaarloon van de bediende. Deze pensioentoelage wordt uitsluitend gebruikt voor de aanleg van een rustpensioen of -kapitaal en de terugbetaling van de reserves bij eerder overlijden. Vanaf 1 januari 2008 zal deze collectieve pensioentoezegging 1,1 pct. bedragen. Vanaf 1 oktober 2008 wordt deze pensioentoezegging in voorkomend geval verhoogd met maximum 0,3 pct., conform artikel 2, § 2, A, 3e alinea en artikel 2, § 2, B, 3e alinea van deze collectieve arbeidsovereenkomst. § 2. Realisering van de collectieve pensioentoezegging Voor de realisering van deze collectieve pensioentoezegging worden 3 types van ondernemingen onderscheiden. A. Ondernemingen waar vóór 11 juni 2001 voor het geheel of een deel van de bedoelde bedienden nog geen aanvullend pensioenstelsel op ondernemingsvlak bestond, alsook ondernemingen waar vóór 11 juni 2001 voor de bedoelde bedienden wel een aanvullend pensioenstelsel op ondernemingsvlak bestond, maar waar dit ondernemingsstelsel na deze datum werd opgeheven, en nieuwe ondernemingen opgericht vanaf 11 juni 2001, realiseren deze collectieve pensioentoezegging via de door de sector aangeduide pensioeninstelling « Gemeenschappelijke Verzekeringskas Integrale » of via de mogelijkheid tot opting out, conform de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 januari 2007, tot wijziging en vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 maart 2002, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, houdende uitvoering van artikel 4, §§ 1 en 5 van de collectieve arbeids overeenkomst van 11 juni 2001Relevante gevonden documenten type overeenkomst prom. 11/06/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001022389 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten betreffende het nationaal akkoord 2001-2002 en geregistreerd onder het nummer 82045/CO/209. B. Ondernemingen zonder syndicale delegatie die in uitvoering van artikel 2, § 3 van het nationaal akkoord 1999-2000, geregistreerd onder het nummer 51355/COF/209, een door het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid goedgekeurd extralegaal pensioenstelsel hebben ingevoerd, realiseren deze pensioentoezegging op hun eigen vlak conform de bepalingen van artikel 3 van de collectieve arbeids overeenkomst van 17 december 2001Relevante gevonden documenten type overeenkomst prom. 17/12/2001 pub. 11/04/2002 numac 2002022054 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen type overeenkomst prom. 17/12/2001 pub. 23/02/2002 numac 2002022044 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, houdende uitvoering van artikel 4, §§ 2, 3 en 4 van de collectieve arbeids overeenkomst van 11 juni 2001Relevante gevonden documenten type overeenkomst prom. 11/06/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001022389 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten betreffende het nationaal akkoord 2001-2002, geregistreerd onder het nummer 60649/CO/209 en algemeen verbindend verklaard door het koninklijk besluit van 30 september 2002. C. Ondernemingen waar vóór 11 juni 2001 voor het geheel of een deel van de bedoelde bedienden reeds een evenwaardig aanvullend pensioenstelsel op ondernemingsvlak bestond en als dusdanig ook erkend werden door het paritair comité realiseren deze pensioentoezegging op hun eigen vlak conform de bepalingen van artikel 4 van de collectieve arbeids overeenkomst van 17 december 2001Relevante gevonden documenten type overeenkomst prom. 17/12/2001 pub. 11/04/2002 numac 2002022054 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen type overeenkomst prom. 17/12/2001 pub. 23/02/2002 numac 2002022044 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, houdende uitvoering van artikel 4, §§ 2, 3 en 4 van de collectieve arbeids overeenkomst van 11 juni 2001Relevante gevonden documenten type overeenkomst prom. 11/06/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001022389 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten betreffende het nationaal akkoord 2001-2002, geregistreerd onder het nummer 60649/CO/209 en algemeen verbindend verklaard door het koninklijk besluit van 30 september 2002. § 3. Bijzondere bepalingen voor ondernemingen bedoeld in § 2, A. A. De jaarlijkse bijdrage aan het sectorplan voor aanvullend pensioen voorzien in artikel 5, § 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 januari 2007 wordt vanaf 1 juli 2007 verhoogd tot 1 pct. Vanaf 1 januari 2008 wordt deze bijdrage verhoogd met 0,1 pct. en zal ze 1,1 pct. bedragen. Vanaf 1 oktober 2008 wordt deze bijdrage in voorkomend geval verhoogd met maximum 0,3 pct. conform artikel 2, § 2, A., 3e alinea en artikel 2, § 2, B., 3e alinea van deze collectieve arbeidsovereenkomst. B. Het sectoraal pensioenreglement bedoeld in artikel 4 van de genoemde collectieve arbeidsovereenkomst van 18 januari 2007 en de technische nota bedoeld in artikel 6, § 3 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst worden gewijzigd. Het gewijzigd pensioenreglement en de gewijzigde technische nota worden opgenomen als bijlage 2 en bijlage 2bis bij onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst. C. De bijdrage aan het sectoraal aanvullend pensioenstelsel wordt verhoogd tot 1 pct. in ondernemingen die niet gebonden waren door de buiten paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de sociale programmatie 2005-2006 van 10 november 2005 en die niet vrijwillig artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de sociale programmatie 2005-2006 van 10 november 2005 hebben toegepast (bijkomend aanvullend pensioen). D. Om de samenstelling van dit aanvullend pensioen te berekenen dient rekening gehouden te worden met het sectoraal aanvullend pensioen ten belope van 0,5 pct. van de bruto jaarwedde ingesteld in uitvoering van artikel 4, §§ 1 en 5 van de collectieve arbeids overeenkomst van 11 juni 2001Relevante gevonden documenten type overeenkomst prom. 11/06/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001022389 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten betreffende het nationaal akkoord 2001-2002 en van de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 januari 2007 tot uitvoering ervan en het bijkomend aanvullend pensioen ten belope van 0,5 pct. van de bruto jaarwedde, ingesteld in uitvoering van artikel 4 van de buiten paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de sociale programmatie 2005-2006 van 10 november 2005. Teneinde voor de aangeslotenen de zaken te vereenvoudigen worden de verworven reserves van deze beide stelsels samengevoegd vanaf 1 juli 2007. Daartoe zullen de verworven reserves van de ondernemingstelsels overgedragen worden naar het sectoraal aanvullend pensioenstelsel ingesteld in uitvoering van artikel 4, §§ 1 en 5 van de collectieve arbeids overeenkomst van 11 juni 2001Relevante gevonden documenten type overeenkomst prom. 11/06/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001022389 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten betreffende het nationaal akkoord 2001-2002 en van de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 januari 2007 tot uitvoering ervan, met name de door de sector aangeduide pensioeninstelling « Gemeenschappelijke Verzekeringskas Integrale » of, in geval van opting out, de pensioeninstelling die door de onderneming gekozen werd om conform hoofdstuk VII van de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 januari 2007 de pensioentoezegging te realiseren. Het pensioenreglement zal, indien nodig, dan in die zin aangepast worden. § 4. Bijzondere bepalingen voor ondernemingen bedoeld in § 2, B. en C. A. Het aanvullend pensioen dat op ondernemingsvlak werd ingesteld vóór 11 juni 2001 moet gelden voor alle bedienden en moet te allen tijde evenwaardig zijn aan de bijdrage ten laste van de onderneming van het aanvullend pensioen ingesteld op sectorvlak overeenkomstig § 3, A. hierboven. Indien het ondernemingsstelsel van het type « vaste prestaties » is, moet de verworven reserve gefinancierd door de onderneming op ieder ogenblik minstens gelijk zijn aan de verworven reserve die zou bekomen worden door de kapitalisatie van een toelage ten laste van de onderneming van tenminste het sectoraal bepaalde percentage van het aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven bruto jaarloon van de aangeslotene, aan de actualisatievoet die gebruikt wordt voor de bepaling van de verworven reserves. De evenwaardigheid dient aangetoond te worden door aan de inrichter, de Vereniging zonder Winstoogmerk « Aanvullend Pensioen Bedienden Metaal », Diamant Building, A. Reyerslaan 80, te 1030 Brussel te zenden : - ofwel een verklaring van de aangewezen actuaris van de pensioeninstelling die het betrokken ondernemingsplan beheert, waarin hij verklaart dat « het ondernemingsreglement ingevoerd werd vóór 11 juni 2001 voor alle bedienden, en dat de verworven reserves op ieder ogenblik voldoen aan de voorwaarden van evenwaardigheid met het sectorale pensioenstelsel voorzien in artikel 4, § 4, A. van de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 september 2007 »; - ofwel een kopie van het ondernemingspensioenreglement van het aanvullend pensioen ingesteld op ondernemingsvlak vóór 11 juni 2001. Zonder dergelijk bewijs van evenwaardigheid wordt de onderneming geacht te behoren tot de ondernemingen vallend onder § 2, A. van dit artikel. B. Indien het niveau van het aanvullend pensioen op ondernemingsvlak op 1 januari 2008 minstens evenwaardig is aan het niveau bepaald op sectorvlak (minimum 1,1 pct.), kan de verhoging van de bijdrage voor het aanvullend pensioen met 0,1 pct., zoals voorzien in § 1 hierboven, omgezet worden in een enveloppe van 0,075 pct. die kan opgenomen worden in de enveloppe-onderhandelingen, zoals voorzien in artikel 2, § 1. Een eventuele invulling van dit deel van de enveloppe kan pas in werking treden vanaf 1 januari 2008. Indien geen ondernemingsoverleg wordt aangegaan omtrent de enveloppe of het overleg op ondernemingsvlak niet uitmondt in een collectieve arbeidsovereenkomst voor 31 oktober 2007, wordt vanaf 1 januari 2008 het aanvullend pensioen op ondernemingsvlak verhoogd met 0,1 pct. C. Indien het niveau van het aanvullend pensioen op ondernemingsvlak op 1 oktober 2008 minstens evenwaardig is aan het niveau bepaald op sectorvlak (minimum 1,1 pct. + de eventuele verhoging voorzien in dit artikel 2, § 2, A., 3e alinea en dit artikel 2, § 2, B., 3e alinea), kan de verhoging van de bijdrage voor het aanvullend pensioen, zoals voorzien in § 1, op 1 oktober 2008 omgezet worden in een loonsverhoging die overeenkomst met het saldo dat de 0,4 pct. of de 0,25 pct. overschrijdt, zoals bepaald in artikel 2, § 2, A, 3e alinea en dit artikel 2, § 2, B., 3e alinea, zonder de verhoging met de coëfficiënt van 1,5. § 5. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de uitbreiding van het sectoraal aanvullend pensioenstelsel tot de kaderleden A. Vanaf 1 juli 2007 wordt het toepassingsgebied van het sectorale pensioenstelsel uitgebreid tot alle werknemers met inbegrip van de kaderleden. In artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 januari 2007, tot wijziging en vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 maart 2002, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, houdende uitvoering van artikel 4, §§ 1 en 5 van de collectieve arbeids overeenkomst van 11 juni 2001Relevante gevonden documenten type overeenkomst prom. 11/06/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001022389 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten betreffende het nationaal akkoord 2001-2002 en geregistreerd onder het nummer 82045/CO/209, wordt een 3e paragraaf toegevoegd : « § 3. Vanaf 1 juli 2007 wordt onder « bedienden » verstaan : alle werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bedienden, met inbegrip van de kaderleden. » B. Kaderleden op wie binnen de onderneming een collectieve pensioentoezegging van toepassing is, die vóór 31 december 2006 met toepassing van de in de wetgeving betreffende de aanvullende pensioenen voorziene inspraakregels ingevoerd werd, en die evenwaardig is aan de sectortoezegging, dienen niet deel te nemen aan de sectorale toezegging. De evenwaardigheid houdt in dat : - het ondernemingsstelsel geldt voor alle kaderleden van de onderneming; - de ondernemingspensioentoezegging voorziet in een toelage van de onderneming die op elk moment minstens het percentage van het aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven bruto jaarloon van de aangeslotene ten laste van de onderneming bedraagt, zoals bepaald in § 3, A. van dit artikel; - deze pensioentoelage gebruikt wordt voor de aanleg van een rustpensioen of - kapitaal en de terugbetaling van de reserves bij eerder overlijden; - indien het ondernemingsstelsel van het type « vaste prestaties » is : de verworven reserve gefinancierd door de onderneming is op ieder ogenblik minstens gelijk aan de verworven reserve die zou bekomen worden door de kapitalisatie van een toelage ten laste van de onderneming gelijk aan de percentages van het aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven bruto jaarloon van de aangeslotene, zoals opgenomen in § 1 hierboven, aan de actualisatievoet die gebruikt wordt voor de bepaling van de verworven reserves. De evenwaardigheid dient aangetoond te worden door vóór 31 december 2007 aan de inrichter, de Vereniging zonder Winstoogmerk « Aanvullend Pensioen Bedienden Metaal », Diamant Building, A Reyerslaan 80, te 1030 Brussel te zenden : - ofwel een verklaring van de aangewezen actuaris van de pensioeninstelling die het betrokken ondernemingsplan beheert, waarin hij verklaart dat « het ondernemingsreglement ingevoerd werd vóór 31 december 2006, en dat de verworven reserves op ieder ogenblik voldoen aan de voorwaarden van evenwaardigheid met het sectorale pensioenstelsel voorzien in artikel 4, § 5, B. van de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 september 2007 »; - Ofwel een kopie van het ondernemingspensioenreglement. Zonder dergelijk bewijs van evenwaardigheid worden de kaderleden van deze onderneming geacht te behoren tot het sectoraal pensioenstelsel voor de ondernemingen vallend onder § 2, A. van dit artikel. Ondernemingstelsels voor kaderleden van vóór 31 december 2006 die na deze datum werden opgeheven behoren eveneens tot de ondernemingen vallend onder § 2, A. van dit artikel. Art. 5.Gewaarborgde minimum maandweddes De gewaarborgde minimum maandweddes van de bedienden worden op 1 juli 2007 vastgelegd zoals vermeld in de bijlag 3 van deze collectieve arbeidsovereenkomst. Vanaf 1 oktober 2008 worden deze gewaarborgde minimum maandweddes verhoogd met 13,17 EUR. De gewaarborgde minimum maandweddes worden gekoppeld aan de evolutie van de index, zoals bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op 1 september 1997 in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid. Art. 6.Nationale minimum weddeschaal § 1. Motivatie De ondertekenende partijen nemen kennis van de « Nota aan de voorzitters van de paritaire comités en aan de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties » met betrekking tot de leeftijdsgebonden barema's van de Minister van Werk van 16 februari 2007. § 2. Onmiddellijke en definitieve afschaffing van de loonbarema's gebaseerd op leeftijd : - De nationale minimum weddeschaal die op basis van een leeftijdscriterium evolueert, wordt afgeschaft en vanaf 1 juli 2007 vervangen door een nieuwe nationale minimum weddeschaal op basis van de beroepsloopbaan, zoals opgenomen als bijlage 4 bij onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst. - De ondernemingsbarema's die op basis van een leeftijdscriterium evolueren worden afgeschaft en vervangen vanaf 1 oktober 2007. - Ondernemingen worden aanbevolen om op hun vlak te kiezen voor een onmiddellijke en definitieve bedrijfsregeling die niet meer gebaseerd is op leeftijd. Indien deze bestaande bedrijfsregeling paritair werd afgesproken, kunnen zij voor 1 oktober 2007 een nieuwe bedrijfsregeling afspreken met de vakbondsafvaardiging voor bedienden. Doen zij dit niet dan vallen ze onder de overgangsmaatregel zoals bepaald in § 3. § 3. Overgangsmaatregel Bij wijze van overgang tot 31 december 2008, wordt de bestaande nationale minimum weddeschaal op basis van leeftijd, zoals ingesteld door de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 april 1993, vanaf 1 juli 2007 vervangen door een nieuwe nationale minimum weddeschaal op basis van de beroepsloopbaan, zoals opgenomen als bijlage 4 bij onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst. Bij wijze van overgang tot 31 december 2008, wordt in de ondernemingsbarema's die op basis van een leeftijdscriterium evolueren, binnen dezelfde loonschaal, vanaf 1 juli 2007, het leeftijdscriterium vervangen door het criterium beroepsloopbaan, volgens de principes zoals hieronder beschreven. Onder « beroepsloopbaan » wordt verstaan : het beroepsverleden van de betrokken bediende binnen of buiten de sector als werknemer of als zelfstandige, waarbij ook rekening gehouden zal worden met gelijkstellingen voor periodes van schorsingen van de arbeidsovereenkomst, periodes van werkloosheid en van ziekte en studies. Deeltijdse arbeid wordt gelijkgesteld met voltijdse arbeid voor de berekening van de beroepsloopbaan. De nuttige beroepsloopbaan voor de functies opgenomen in de nationale minimum weddeschaal begint te lopen vanaf de leeftijd van 21 jaar. Bedienden die in 2007 reeds een loonsverhoging ontvangen hebben door toepassing van deze intussen afgeschafte barema's, kunnen pas aanspraak maken op een loonsverhoging door toepassing van deze nieuwe barema's vanaf 2008. § 4. Nieuwe regeling vanaf 1 januari 2009. De overgangsmaatregel van toepassing tot 31 december 2008 zoals opgenomen in de vorige § wordt vanaf 1 januari 2009 vervangen door een nieuwe regeling. De sociale partners van de sector of in de onderneming zullen, ieder op hun vlak, besprekingen voeren tijdens de duurtijd van deze nationaal akkoord teneinde te komen tot een definitieve en duurzame oplossing die moet ingaan vanaf 1 januari 2009, waarbij de sociale en budgettaire neutraliteit zal gerespecteerd worden. § 5. Evaluatie De sociale partners zullen op sectorvlak in de loop van het 4e kwartaal 2008 de toepassing van dit artikel in de sector en op ondernemingsvlak evalueren en zullen de nodige maatregelen nemen om de sluitende overgang tussen de overgangsmaatregel en de nieuwe regeling te realiseren. Art. 7.Opleiding § 1. Bijdrage risicogroepen De bijdrage bestemd voor risicogroepen, geïnd door de VZW « Paritair instituut voor de naschoolse opleiding van de Metaalverwerkende nijverheid - bedienden », afgekort « INOM-bedienden », wordt voor de duur van dit akkoord bepaald op 0,10 pct. Teneinde de inning te vereenvoudigen wordt het bedrag ervan forfaitair vastgesteld. De forfaitaire werkgeversbijdrage ten belope van 32,50 EUR per bediende per jaar aan de VZW « INOM-bedienden » bestemd voor de risicogroepen, wordt voor het jaar 2007 behouden. Voor het jaar 2008 wordt deze forfaitaire bijdrage verhoogd tot 34 EUR. De opbrengst van de aldus door de VZW « INOM-bedienden » geïnde bijdrage voor risicogroepen zal integraal doorgestort worden aan de paritaire opleidingsfondsen voor de bedienden die op provinciaal of subgewestelijk vlak bestaan. De opleidingsfondsen zullen deze middelen aanwenden voor de opleiding en tewerkstelling van risicogroepen. De inningsmodaliteiten worden in een aparte collectieve arbeidsovereenkomst opgenomen. § 2. Bijdrage VZW « INOM bedienden » De forfaitaire werkgeversbijdrage ten belope van 24,79 EUR per bediende per jaar aan de VZW « INOM-bedienden » bestemd voor de opleiding van bedienden, wordt vanaf het jaar 2007 gebracht op 26 EUR per bediende per jaar. Vanaf 2008 zal deze bijdrage gebracht worden op 27,50 EUR per bediende per jaar. Van deze forfaitaire bijdrage van 26 EUR in 2007 en 27,50 EUR in 2008 zullen 16,11 EUR tussen de Beheerscomités bevoegd voor het Nederlandstalig en het Franstalig landsgedeelte verdeeld worden volgens de geldende criteria. De opbrengst van de overige 9,89 EUR in 2007 en 11,39 EUR in 2008 zal verdeeld worden tussen de paritaire opleidingsfondsen voor de bedienden die op provinciaal of subgewestelijk vlak bestaan op basis van het aantal bedienden. § 3. Opleidingsengagement De ondertekenende partijen onderschrijven de noodzaak van permanente vorming als middel tot verhoging van de competentie van de bedienden, en bijgevolg van de ondernemingen. In de ondernemingen die onder het toepassingsgebied van deze collectieve arbeidsovereenkomst vallen, zal vanaf 1 januari 2007 1,05 pct. van het geheel van de jaarlijks door de totaliteit van de bedienden gepresteerde uren besteed worden aan beroepsopleiding van de bedienden. Dit opleidingengagement wordt vanaf 1 januari 2008 verhoogd tot 1,20 pct. Onder « beroepsopleiding » wordt verstaan : vorming die de kwalificatie van de bediende bevordert en beantwoordt aan de noden van de onderneming, inclusief on-the-job-training. Deze beroepsopleiding dient tijdens de werkuren te gebeuren. Daarbij wordt aanbevolen dat de vorming zo maximaal mogelijk op alle categorieën van bedienden zou slaan. In een aparte collectieve arbeidsovereenkomst zal gepreciseerd worden welke opleidingen in aanmerking komen voor de berekening van dit opleidingsengagement, rekening houdende met de definitie in de vernieuwde sociale balans. De op ondernemingsvlak reeds bestaande inspanningen inzake beroepsopleiding voor bedienden kunnen in aanmerking genomen worden voor de berekening van de bovengenoemde 1,05 pct. in 2007 en 1,20 pct. in 2008. Dit engagement zal jaarlijks op ondernemingsvlak geëvalueerd worden door de ondernemingsraad of, bij ontstentenis, door de syndicale delegatie voor bedienden. Tegelijkertijd zullen eveneens de vooruitzichten inzake beroepsopleiding besproken worden. Deze evaluatie en bespreking gebeurt ter gelegenheid van de jaarlijkse inlichtingen, zoals voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972, houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden. Om de realisatie van het opleidingsengagement te meten zal in de loop van het 2e kwartaal van 2008 een centraal gecoördineerde enquête georganiseerd worden bij de ondernemingen, inclusief deze zonder syndicale delegatie voor bedienden. Ondernemingen die niet antwoorden op deze enquête kunnen geen beroep doen op de financiële tussenkomsten van de paritaire opleidingsinstanties van de sector, volgens de modaliteiten vastgelegd door de raad van bestuur van de paritaire opleidingsinstanties. § 4. Opleidingsplannen Vanaf 1 januari 2008 zijn alle ondernemingen die een ondernemingsraad hebben opgericht of, bij ontstentenis, een comité bescherming en preventie op het werk, er toe gehouden om een globaal opleidingsplan op te stellen, dat ter informatie en voor advies voorgelegd zal worden aan de ondernemingsraad. In ondernemingen zonder ondernemingsraad maar enkel met een comité bescherming en preventie op het werk wordt dit opleidingsplan voor advies voorgelegd aan de syndicale delegatie voor bedienden. Tegen 31 maart van elk jaar moet het plan definitief zijn opgemaakt. Indien het boekhoudkundig jaar niet samenvalt met het kalenderjaar, gebeurt dit binnen de 3 maanden na het einde van het boekhoudkundig jaar. In het 4e kwartaal van 2008 wordt deze methode voor het eerst geëvalueerd op sectoraal vlak. Deze evaluatie wordt herhaald in het 4e kwartaal van 2010. Alsdan wordt paritair beslist de methode te handhaven, dan wel te wijzigen. Onder « opleidingsplan » wordt verstaan : een globaal overzicht van enerzijds de opleidingsbehoeften in de onderneming en anderzijds de wijze waarop er zal aan tegemoet gekomen worden. Bij de opmaak van het opleidingsplan zullen de opleidingsbehoeften in alle afdelingen en personeelsgroepen onderzocht worden. Jaarlijks wordt de uitvoering van het opleidingsplan gerapporteerd aan de Ondernemingsraad, bij ontstentenis aan de syndicale delegatie voor bedienden. De ondertekenende partijen kunnen voor einde 2007 de nadere modaliteiten bepalen. § 5. Opleidings-CV Vanaf 1 januari 2008 houdt elke onderneming, in het belang van de permanente vorming en van de verworven beroepservaring voor de verdere loopbaan, van elke bediende een « opleidings CV » bij. Dit opleidings-CV is een inventaris van de door de bediende uitgeoefende functies en gevolgde opleidingen tijdens zijn loopbaan in betrokken onderneming (ook de informele opleidingen, werkplekleren, taakverbreding, en dergelijke) en de opleidingen op eigen initiatief van de bediende. Deze inventaris wordt gevalideerd door de werkgever en de bediende in een gemeenschappelijk document, waarvan de bediende bij uitdiensttreding of op zijn vraag een uittreksel dient te krijgen. Sectoraal zal een suppletief en eenvoudig model vastgelegd worden in een collectieve arbeidsovereenkomst te sluiten tegen 31 december 2007. Art. 8.Brugpensioen § 1. De brugpensioenleeftijd, zoals voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, wordt, binnen de wettelijke mogelijkheden, op 58 jaar gebracht voor de periode gaande van 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2009. § 2. De brugpensioenleeftijd wordt, binnen de wettelijke mogelijkheden, verlaagd tot 56 jaar voor bedienden die een beroepsverleden van 33 jaar als werknemer kunnen aantonen waarvan 20 jaar arbeid met nachtprestaties in de zin van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46, gesloten in de Nationale Arbeidsraad voor de periode gaande van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008. § 3. De leeftijd voor het halftijds brugpensioen, zoals voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 55, gesloten in de Nationale Arbeidsraad wordt, binnen de wettelijke mogelijkheden, bepaald op 55 jaar voor de periode gaande van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008. § 4. Partijen wijzen erop dat in het kader van de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 de mogelijkheid werd gecreëerd om bedienden van 56 jaar en meer met een beroepsverleden van minstens 40 jaar op brugpensioen te stellen. Art. 9.Tijdskrediet § 1. Partijen bevestigen de sectorale procedure voor de ondernemingen tot uitbreiding van de wettelijke mogelijkheden van het tijdskrediet zoals deze voorzien is in artikel 8 van het nationaal akkoord 2001-2002 van 11 juni 2001, geregistreerd onder het nummer 57918/CO/209 en gewijzigd door de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 december 2002 (registratienummer 64996/CO/209), van 16 juli 2003 (registratienummer 68059/CO/209) en van 13 november 2003 (registratienummer 69371/CO/209). § 2. Aan het bovengenoemd artikel 8 van het Nationaal akkoord 2001-2002 van 11 juni 2001 wordt het volgende toegevoegd : « De weigering van de werkgever van de aanvraag tot uitbreiding van de rechten op tijdskrediet dient door hem te worden toegelicht bij de syndicale delegatie voor bedienden of, bij ontstentenis, bij de bedienden. » Art. 10.Vervoerskosten § 1. Plafond Het plafond voor de tussenkomst van de werkgever in het privé-vervoer, ingesteld door artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 15 februari 1973 inzake de tussenkomst in de vervoerskosten van bedienden, wordt verhoogd tot 3.400 EUR vanaf 1 januari 2008. § 2. Fietsvergoeding Artikel 9, § 1 van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst wordt aangevuld met volgende alinea : « Voor de bedienden echter die zich, voor een gedeelte of de ganse afstand, met de fiets verplaatsen wordt vanaf 1 juli 2007 de tussenkomst van de werkgever in de vervoerkosten geregeld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II - Vervoer per spoor (NMBS). » Art. 11.Syndicale delegatie Artikel 6, 2e alinea van de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 februari 1996 betreffende het statuut van de syndicale afvaardiging wordt vervangen door volgende alinea : « Nochtans zal er in de ondernemingen welke doorgaans tussen 20 en 50 bedienden, beoogd in onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst, tewerkstellen, een vakbondsafvaardiging worden ingesteld, indien minstens de helft van de bedienden, beoogd in onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst, hierom vragen. Deze aanvraag gebeurt per aangetekend schrijven aan de onderneming. In geval van onenigheid over het feit of de meerderheid van de bedienden wel degelijk om de oprichting van een vakbondsafvaardiging vraagt, wordt de voorzitter van het gewestelijk verzoeningsbureau gevraagd vast te stellen of die meerderheid inderdaad is bereikt bij het bediendepersoneel van de onderneming. Zonodig kan hij binnen de maand na de aanvraag een geheime stemming onder de bedienden organiseren. » . Art. 12.Syndicale waarborgen De jaarlijkse bijdragen aan het « Fonds voor syndicale waarborgen » en het « Speciaal Fonds voor bedienden », waarvan sprake in de artikels 5 en 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 april 1985 en 14 april 1986 met betrekking tot het « Fonds voor syndicale waarborgen » en het « Speciaal Fonds voor bedienden », algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 7 mei 1986, worden vanaf het jaar 2007 als volgt verhoogd : - voor ondernemingen van 100 en meer bedienden : van 62 EUR naar 66 EUR; - voor ondernemingen met minder dan 100 bedienden : van 38 EUR naar 40 EUR. Vanaf het jaar 2008 worden de bijdragen als volgt verhoogd : - voor ondernemingen van 100 en meer bedienden : van 66 EUR naar 69,5 EUR; - voor ondernemingen met minder dan 100 bedienden : van 40 EUR naar 42 EUR. Het bedrag van deze bijdrage aan het « Fonds voor syndicale waarborgen » en het « Speciaal Fonds voor bedienden » dat de 30 EUR overschrijdt voor ondernemingen van 100 en meer bedienden en de 13 EUR voor ondernemingen met minder dan 100 bedienden, komt niet in aanmerking voor de berekening van de afhoudingen wegens het uitbreken van onregelmatige stakingen, zoals bepaald in het artikel 8 van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst. Art. 13.Werkzekerheid § 1. Principe In geen enkele onderneming zal overgegaan worden tot meervoudig ontslag vooraleer andere tewerkstellingsbehoudende maatregelen uitgeput zijn. § 2. Definitie Onder « meervoudig ontslag » wordt verstaan : elk ontslag, met uitzondering van ontslag om dringende redenen, dat in de loop van een periode van zestig kalenderdagen een aantal bedienden treft dat ten minste 10 pct. bedraagt van het gemiddelde bediendebestand onder arbeidsovereenkomst in de loop van het kalenderjaar dat het ontslag voorafgaat, met een minimum van 3 bedienden voor ondernemingen met minder dan 30 bedienden. Ook ontslagen ingevolge een sluiting vallen onder toepassing van deze definitie. § 3. Procedure Wanneer zich echter onvoorzienbare en onvoorziene economische en/of financiële omstandigheden zouden voordoen, zal de volgende overlegprocedure worden nageleefd : - Wanneer de werkgever voornemens is over te gaan tot ontslag van meerdere bedienden, dat als meervoudig ontslag kan worden beschouwd, licht hij voorafgaandelijk de ondernemingsraad, of, bij ontstentenis, de syndicale delegatie voor bedienden in. - In geval er geen ondernemingsraad of syndicale delegatie voor bedienden bestaat, licht hij voorafgaandelijk, schriftelijk en tegelijkertijd zowel de betrokken bedienden in, alsook de voorzitter van het gewestelijk verzoeningsbureau. - Binnen de vijftien kalenderdagen na de informatie aan de bediendevertegenwoordigers, dienen partijen op ondernemingsvlak de besprekingen te starten over de maatregelen die ter zake kunnen worden genomen. - Indien dit overleg niet tot een oplossing leidt, dan wordt binnen de vijftien kalenderdagen na het vaststellen van een niet-akkoord op ondernemingsvlak, beroep gedaan op het gewestelijk verzoeningsbureau. - In geval er geen ondernemingsraad of syndicale delegatie voor bedienden bestaat in de onderneming, kan, binnen de vijftien kalenderdagen na de informatie aan de betrokken bedienden en voorzitter van het gewestelijk verzoeningsbureau, dezelfde overlegprocedure worden ingeleid op initiatief van de vakbondsorganisaties die de bedienden vertegenwoordigen. § 4. Sanctie Wanneer de procedure niet conform zou zijn nageleefd, zal een bijdrage van 1.870 EUR per ontslagen bediende gestort worden aan het regionaal paritair opleidingsfonds van de provincie waar de onderneming gelegen is : - voor Antwerpen : Vormingsinitiatief voor bedienden van de Antwerpse Metaalverwerkende nijverheid (VIBAM); - voor Limburg : Limburgs Instituut voor de Opleiding van bedienden in de metaalverwerkende nijverheid (LIMOB); - voor Waals Brabant, Brussel en Vlaams Brabant : Opleidings- en Tewerkstellingsfonds voor de bedienden van de metaalverwerkende nijverheid van Brabant (OBMB-FEMB); - voor Henegouwen en Namen : Centre de Perfectionnement Employés Hainaut Namur (CPEHN); - voor Luik/Luxemburg : Centre de Formation et de Perfectionnement Employés Liège Luxembourg (CFPE); - voor Oost- en West-Vlaanderen : VORMETAL-Oost en West-Vlaanderen. In geval van betwisting wordt beroep gedaan op het gewestelijk verzoeningsbureau op vraag van de meest gerede partij. De afwezigheid van een werkgever op de in deze procedure voorziene bijeenkomst van het gewestelijk verzoeningsbureau wordt beschouwd als een niet-naleving van de bovenstaande procedure. De werkgever kan zich hiervoor laten vertegenwoordigen door een bevoegde afgevaardigde behorende tot zijn onderneming. De sanctie is eveneens van toepassing op de werkgever die een unaniem advies van het gewestelijk verzoeningsbureau niet toepast. Art. 14.Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur en voor uitzendarbeid. Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur en arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid die worden omgezet in arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur vanaf 1 september 2007, nemen de volledige in de betrokken onderneming opgebouwde anciënniteit over. Indien het jaarloon van de bediende lager is dan het plafond voorzien in artikel 67, § 2 van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten en indien de totale duur van de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur en/of arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid minimum 6 maanden bedraagt, kan de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur geen proefperiode voorzien. Indien het jaarloon van de bediende lager is dan het plafond voorzien in artikel 67, § 2 van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten en indien de totale duur van de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur en/of arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid minder dan 6 maanden bedraagt, kan de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur een proefperiode voorzien waarvan de duur gelijk is aan maximaal 6 maanden verminderd met de duur van de hogergenoemde opeenvolgende arbeidsovereenkomsten. Zo er na deze vermindering een proefperiode overblijft van minder dan 1 maand zal de arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur geen proefperiode meer voorzien. Indien het jaarloon van de bediende hoger is dan het plafond voorzien in artikel 67, § 2 van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten en indien de totale duur van de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur en/of arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid minder dan 12 maanden bedraagt, kan de arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur een proefperiode voorzien waarvan de duur gelijk is aan maximaal 12 maanden verminderd met de duur van de hogergenoemde opeenvolgende arbeidsovereenkomsten. Zo na deze aftrek er een proefperiode overblijft van minder dan 1 maand zal de arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur geen proefperiode meer voorzien. Worden enkel in aanmerking genomen, arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur en arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid die begonnen zijn na 1 januari 2007. Arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur of arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid worden als opeenvolgend beschouwd als de onderbrekingen tussen de periodes van tewerkstelling niet meer dan 3 maanden bedragen. Art. 15.Sectorale functieclassificatie en de facultatieve classificatiemethode Partijen zullen zo spoedig mogelijk een timing vastleggen om de besprekingen verder te zetten om voor 1 januari 2009 te komen tot een sectorale functieclassificatie en een facultatieve classificatiemethode voor de ondernemingen. Art. 16.Diversiteit Tijdens de duurtijd van dit Nationaal akkoord zal in een paritaire werkgroep de problematiek van de diversiteit o …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.