📄 Wettekst
23 NOVEMBER 2012. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het
besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
07/12/2007
pub.
24/12/2007
numac
2007037220
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van diverse bepalingen van het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
12/11/2010
pub.
03/12/2010
numac
2010035925
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
De Vlaamse Regering, Gelet op het Gemeente
decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
15/07/2005
pub.
30/08/2005
numac
2005036021
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I
type
decreet
prom.
15/07/2005
pub.
31/08/2005
numac
2005036063
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Gemeentedecreet
type
decreet
prom.
15/07/2005
pub.
16/09/2005
numac
2005036093
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het onderwijs XV
type
decreet
prom.
15/07/2005
pub.
09/09/2005
numac
2005036055
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005
type
decreet
prom.
15/07/2005
pub.
29/08/2005
numac
2005036025
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de toevoeging van een derde lid aan artikel 157 en houdende wijziging van de artikelen 159 en 161 van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005
sluiten, artikel 116, § 1, gewijzigd bij het decreet van 23 januari 2009;
Gelet op het Provincie
decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
09/12/2005
pub.
29/12/2005
numac
2005036605
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Provinciedecreet
type
decreet
prom.
09/12/2005
pub.
12/01/2006
numac
2005036656
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse ombudsdienst
type
decreet
prom.
09/12/2005
pub.
02/02/2006
numac
2006035132
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs
sluiten, artikel 112, § 1, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009;
Gelet op het
decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
19/12/2008
pub.
24/12/2008
numac
2008036450
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, artikel 104 en 115, § 1 en § 2;
Gelet op het
besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
07/12/2007
pub.
24/12/2007
numac
2007037220
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
Gelet op het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
12/11/2010
pub.
03/12/2010
numac
2010035925
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
Gelet op protocol nr. 2012/ 1 van 18 juni 2012 van de eerste afdeling van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, onderafdeling Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap;
Gelet op het ongunstige advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 3 juli 2012;
Gelet op de beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, van 24 augustus 2012, om voorbij te gaan aan het ongunstige advies van de Inspectie van Financiën;
Gelet op advies nr. 52.150/3 van de Raad van State, gegeven op 23 oktober 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand;
Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het
besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
07/12/2007
pub.
24/12/2007
numac
2007037220
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn Artikel 1.In artikel 11, § 2, van het
besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
07/12/2007
pub.
24/12/2007
numac
2007037220
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt : « De lijst van erkende diploma's of getuigschriften per niveau wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden, vastgesteld.Alleen de erkende diploma's of getuigschriften op die lijst komen bij aanwerving in aanmerking. »; 2° in het derde lid worden de woorden « De raad » vervangen door de woorden « De aanstellende overheid.». Art. 2.Artikel 12 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 12.In afwijking van artikel 11, § 2, eerste lid, 1°, en 2°, a), kan de raad bepalen dat kandidaten die niet voldoen aan de diplomavereiste die als aanwervingsvoorwaarde geldt voor de functies van niveaus A, B en C, in aanmerking komen voor aanwerving. Die afwijking van de diplomavereiste is uitzonderlijk en op grond van vooraf vastgestelde, objectieve criteria, mogelijk als de functie noch op basis van de functiebeschrijving, noch krachtens een reglementering van de hogere overheid een diploma vergt.
Voor de toepassing van het eerste lid komt een kandidaat die niet over het vereiste diploma beschikt, in aanmerking als hij, ofwel : 1° voldoet aan een vereiste inzake relevante beroepservaring en slaagt voor een niveau- of capaciteitstest;2° beschikt over een op de functie afgestemd ervaringsbewijs, uitgereikt overeenkomstig de Vlaamse regelgeving over de titels van beroepsbekwaamheid;3° beschikt over een op de functie afgestemd attest van een beroepsopleiding die hij gevolgd heeft bij een door de Vlaamse Regering erkende instelling voor beroepsopleiding. In voorkomend geval beslist de aanstellende overheid voor de vacantverklaring van de functie of kandidaten die niet aan de diplomavereiste beantwoorden, in aanmerking komen voor aanwerving. ». Art. 3.In artikel 19, § 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt : « De niveau- of capaciteitstest, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1°, onderzoekt of de kandidaat in staat is te functioneren op het niveau waarin de functie is gesitueerd.»; 2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De kandidaat die een attest of getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij voor dezelfde of voor een vergelijkbare functie bij dezelfde of bij een andere overheid al eerder geslaagd is voor een niveau- of capaciteitstest als vermeld in het tweede lid, behoudt het gunstige resultaat daarvan en wordt vrijgesteld van een nieuwe deelname aan een niveau- of capaciteitstest.De raad bepaalt de maximale duur van de vrijstellingen. ». Art. 4.In artikel 20 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt het woord « erkend » opgeheven;2° het tweede lid wordt opgeheven. Art. 5.In artikel 24, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, wordt het woord « erkend » opgeheven. Art. 6.In artikel 28 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede « Ten minste 2 % van het totale aantal betrekkingen binnen het bestuur wordt vervuld door » vervangen door de zinsnede « Ten minste 2 % van het totale aantal personeelsleden binnen het bestuur, uitgedrukt in voltijds equivalenten, bestaat uit ». Art. 7.In artikel 29 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de zin « De raad bepaalt het aantal functies in overeenstemming met het percentage vermeld in artikel 28.» wordt vervangen door de zin « Het uitvoerend orgaan van het bestuur of, als hij daartoe gemachtigd is in het kader van het dagelijks personeelsbeheer, het hoofd van het personeel bepaalt het aantal voltijds equivalenten in overeenstemming met het percentage, vermeld in artikel 28. »; 2° de woorden « Hij kan bepalen » worden vervangen door de woorden « De raad kan bepalen ». Art. 8.Aan artikel 36, derde lid, van hetzelfde besluit wordt de volgende zin toegevoegd : « De aanstellende overheid hoort het personeelslid vooraf. ». Art. 9.Aan artikel 45, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt de volgende zin toegevoegd : « De evaluator ondertekent het evaluatieverslag en tekent, in voorkomend geval, voor kennisneming de opmerkingen van het personeelslid. ». Art. 10.In titel III van hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk V vervangen door wat volgt : « HOOFDSTUK V. - Specifieke bepalingen voor de evaluatie van de gemeentesecretaris, de adjunct-gemeentesecretaris, de financieel beheerder van de gemeente, de provinciegriffier en de financieel beheerde van de provincie en voor de evaluatie van de ombudsman van de gemeente en van de provincie » Art. 11.In hetzelfde besluit wordt een artikel 51bis ingevoegd, dat luidt als volgt : « Art. 51bis.Met behoud van de toepassing van artikel 115, tweede lid, van het Gemeentedecreet en van artikel 111, tweede lid, van het Provinciedecreet, bepaalt de raad voor de evaluatie van de ombudsman de volgende elementen : 1° de evaluatie tijdens de proeftijd;2° de duur van de evaluatieperiodes;3° de evaluatiecriteria;4° de evaluatieresultaten en de mogelijke gevolgen ervan. De evaluatiecriteria worden vastgesteld na overleg tussen de ombudsman en het college van burgemeester en schepenen of de deputatie en rekening houdend met de taken van de ombudsman zoals vastgesteld in het ombudsreglement.
De onafhankelijkheid waarmee de ombudsman de zaken die aan hem worden voorgelegd, behandelt, mag niet het voorwerp zijn van evaluatie. ». Art. 12.Aan artikel 52 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De raad regelt de wijze waarop de ombudsman tussentijds feedback krijgt van het college van burgemeester en schepenen of de deputatie over zijn wijze van functioneren. ». Art. 13.In artikel 58, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt tussen het woord « onbezoldigde » en het woord « afwezigheid » het woord « volledige » ingevoegd. Art. 14.In artikel 59 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt : « § 1. Onder overheid wordt in artikel 55 en 57 verstaan : 1° de provincies, de gemeenten en de OCMW's van België, de publiekrechtelijke verenigingen waarvan ze deel uitmaken en de instellingen die eronder ressorteren;2° de diensten en instellingen van de federale overheid, van de gemeenschappen en gewesten en de internationale instellingen waarvan ze lid zijn;3° de diensten en instellingen en de lokale overheden van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte;4° de gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen of de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding;5° de publiekrechtelijke en vrije universiteiten;6° elke andere instelling naar Belgisch recht of naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die beantwoordt aan collectieve behoeften van algemeen of lokaal belang en waarbij in de oprichting of bijzondere leiding ervan het overwicht van de overheid tot uiting komt.». Art. 15.In artikel 63 van hetzelfde besluit worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt : « 1° voor graden van rang Av als vermeld in artikel 7, tweede lid, ofwel : a)voor alle graden van die rang binnen het bestuur ofwel de functionele loopbaan A1a-A2a-A3a, ofwel de functionele loopbaan A1a-A1b-A2a; b) voor sommige graden van die rang binnen het bestuur de functionele loopbaan A1a-A2a-A3a en voor andere graden van die rang binnen het bestuur de functionele loopbaan A1a-A1b-A2a, op basis van een vergelijking van de functiebeschrijvingen : 1) A1a-A2a-A3a : van A1a naar A2a na vier jaar schaalanciënniteit in A1a en een gunstig evaluatieresultaat, en van A2a naar A3a na achttien jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in A1a en A2a en een gunstig evaluatieresultaat;2) A1a-A1b-A2a : van A1a naar A1b na vier jaar schaalanciënniteit in A1a en een gunstig evaluatieresultaat, en van A1b naar A2a na achttien jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in A1a en A1b en een gunstig evaluatieresultaat;2° voor graden van rang Avb als vermeld in artikel 7, tweede lid, ofwel : a) voor alle graden van die rang binnen het bestuur ofwel de functionele loopbaan A6a-A7a-A7b, ofwel de functionele loopbaan A6a-A6b-A7a;b) voor sommige graden van die rang binnen het bestuur de functionele loopbaan A6a-A7a-A7b en voor andere graden van die rang binnen het bestuur de functionele loopbaan A6a-A6b-A7a, op basis van een vergelijking van de functiebeschrijvingen : 1) A6a-A7a-A7b : van A6a naar A7a na vier jaar schaalanciënniteit in A6a en een gunstig evaluatieresultaat, en van A7a naar A7b na achttien jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in A6a en A7a en een gunstig evaluatieresultaat;2) A6a-A6b-A7a : van A6a naar A6b na vier jaar schaalanciënniteit in A6a en een gunstig evaluatieresultaat, en van A6b naar A7a na achttien jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in A6a en A6b en een gunstig evaluatieresultaat;». Art. 16.In artikel 65, 1°, van hetzelfde besluit wordt punt b) vervangen door wat volgt : « b) voor de begeleider in de erkende kinderdagverblijven en de begeleider in de initiatieven voor buitenschoolse kinderopvang in dit niveau : C1-C2 : van C1 naar C2 na vier jaar schaalanciënniteit in C1 en een gunstig evaluatieresultaat; ». Art. 17.Aan artikel 79, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende zinnen toegevoegd : « Het personeelslid dat heraangesteld wordt in een functie waarmee een andere functionele loopbaan met andere salarisschalen verbonden is, behoudt zijn schaalanciënniteit en wordt met die schaalanciënniteit ingeschaald in de overeenstemmende salarisschaal van de nieuwe functionele loopbaan. Het personeelslid dat als gevolg van die inschaling een lager jaarsalaris zou krijgen, behoudt zijn vorige jaarsalaris op persoonlijke titel zolang dat gunstiger is. ». Art. 18.Aan artikel 106, § 1, van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De raad kan bepalen dat het statutaire personeelslid op proef dat tijdens de proeftijd na aanwerving in totaal gedurende drie maanden afwezig is wegens ziekte of invaliditeit, ontslagen kan worden. ». Art. 19.In artikel 107 van hetzelfde besluit wordt het vierde lid opgeheven. Art. 20.Aan artikel 108, § 1, van hetzelfde besluit wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De raad stelt de regels vast voor het ontslag wegens ziekte of invaliditeit, vermeld in artikel 106, § 1, tweede lid, rekening houdend met de totale duur van de proeftijd. Het ontslag wordt met een aangetekende brief, die de datum van uitwerking vermeldt, betekend. » Art. 21.In artikel 112, vijfde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « Het hoofd van het personeel » vervangen door de zinsnede « Het uitvoerend orgaan van het bestuur of, als hij daartoe door de raad in het kader van het dagelijks personeelsbeheer gemachtigd is, het hoofd van het personeel, ». Art. 22.Artikel 113 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 113.Voor de toekenning van periodieke salarisverhogingen komen alleen de werkelijke diensten in statutair of contractueel verband in aanmerking die het personeelslid als titularis van een bezoldigde betrekking heeft geleverd in dienst van : 1° de provincies, de gemeenten en de OCMW's van België, de publiekrechtelijke verenigingen waarvan ze deel uitmaken en de instellingen die eronder ressorteren;2° de diensten en instellingen van de federale overheid, van de gemeenschappen en gewesten en de internationale instellingen waarvan ze lid zijn;3° de diensten en instellingen en de lokale overheden van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte;4° de gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen of de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding;5° de publiekrechtelijke en vrije universiteiten;6° elke andere instelling naar Belgisch recht of naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die beantwoordt aan collectieve behoeften van algemeen of lokaal belang, en waarbij in de oprichting of bijzondere leiding ervan het overwicht van de overheid tot uiting komt.». Art. 23.Artikel 114 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 114.Voor de toepassing van artikel 113 wordt onder werkelijke diensten verstaan : alle diensten die recht geven op een salaris of die bij ontstentenis van een salaris krachtens de rechtspositieregeling toch in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van het salaris. ». Art. 24.In artikel 117, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « Het hoofd van het personeel » vervangen door de zinsnede « Het uitvoerend orgaan van het bestuur of, als hij daartoe door de raad in het kader van het dagelijks personeelsbeheer gemachtigd is, het hoofd van het personeel, ». Art. 25.Aan artikel 121 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt : « De minimale salarisverhoging, vermeld in paragraaf 1 en 2, is een integraal onderdeel van het jaarsalaris. ». Art. 26.Aan artikel 122 van hetzelfde besluit, vervangen bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 januari 2009Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/01/2009
pub.
29/01/2009
numac
2009035059
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten, en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2009, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 2. De raad kan bepalen dat het jaarsalaris van de gemeentesecretaris die met toepassing van artikel 75 en 271 van het
decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
19/12/2008
pub.
24/12/2008
numac
2008036450
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ook de functie van OCMW-secretaris uitoefent, verhoogd wordt met maximaal 30 %. De raad bepaalt welk percentage van toepassing is. ». Art. 27.Aan artikel 124 van hetzelfde besluit, vervangen bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 januari 2009Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/01/2009
pub.
29/01/2009
numac
2009035059
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2009, wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De raad kan bepalen dat het jaarsalaris van de financieel beheerder van de gemeente die met toepassing van artikel 75 en 271 van het
decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
19/12/2008
pub.
24/12/2008
numac
2008036450
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ook de functie van financieel beheerder van het OCMW uitoefent, verhoogd wordt met maximaal 30 %. De raad bepaalt welk percentage van toepassing is, met dien verstande dat het percentage niet hoger mag zijn dan het percentage dat in voorkomend geval is vastgesteld voor de verhoging van het jaarsalaris van de gemeentesecretaris die ook de functie van OCMW-secretaris uitoefent. ». Art. 28.In artikel 135, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 januari 2009Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/01/2009
pub.
29/01/2009
numac
2009035059
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten, wordt punt 1° vervangen door wat volgt : « 1° het forfaitaire gedeelte : a) het forfaitaire gedeelte bedraagt voor het jaar 2011 349,73 euro;b) vanaf 2012 wordt het forfaitaire gedeelte dat toegekend is tijdens het vorige jaar, telkens vermeerderd met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het vorige jaar en de teller gelijk is aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het in aanmerking te nemen jaar.Het resultaat daarvan wordt berekend tot op twee decimalen nauwkeurig; c) het bedrag dat het resultaat is van de berekening, vermeld in punt b), wordt verhoogd met 698,74 euro;d) voor het jaar 2012 wordt het bedrag dat het resultaat is van de berekening, vermeld in punt c), voor alle personeelsleden verhoogd met 100 euro;e) vanaf het jaar 2013 wordt het bedrag dat het resultaat is van de berekening, vermeld in punt c), voor alle personeelsleden verhoogd met 200 euro;». Art. 29.In artikel 139, § 1, van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt : « Als berekeningsbasis voor de toeslag geldt het bruto-uursalaris, eventueel verhoogd met de haard- of standplaatstoelage, de toelage voor het waarnemen van een hogere functie, de gegarandeerde salarisverhoging na bevordering, de toelage voor opdrachthouderschap of de mandaattoelage. ». Art. 30.In artikel 141, § 2, van hetzelfde besluit wordt het derde lid vervangen door wat volgt : « Als berekeningsbasis voor het overloon geldt het bruto-uursalaris, eventueel verhoogd met de haard- of standplaatstoelage, de toelage voor het waarnemen van een hogere functie, de gegarandeerde salarisverhoging na bevordering, de toelage voor opdrachthouderschap of de mandaattoelage. ». Art. 31.In artikel 142 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt : « Als berekeningsbasis voor de toeslag geldt het bruto-uursalaris, eventueel verhoogd met de haard- of standplaatstoelage, de toelage voor het waarnemen van een hogere functie, de gegarandeerde salarisverhoging na bevordering, de toelage voor opdrachthouderschap of de mandaattoelage.»; 2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « De raad kan bepalen dat de verstoringstoelage wordt of kan worden omgezet in inhaalrust.»; 3° het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt : « De verstoringstoelage kan gecumuleerd worden met de toeslag voor onregelmatige prestaties, vermeld in artikel 139, en met de toeslag voor overuren, vermeld in artikel 141.». Art. 32.Artikel 151 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 151.De toelage voor het opdrachthouderschap die de raad met toepassing van artikel 94 instelt, is gelijk aan een van de volgende bedragen : 1° maximaal 5 % van het geïndexeerde jaarsalaris van het personeelslid;2° het geïndexeerde bedrag van de minimale salarisverhoging, vermeld in artikel 121, § 1, eerste lid, 1° tot en met 4°, dat overeenkomt met het niveau van de functie die de opdrachthouder bekleedt. Voor alle gevallen van opdrachthouderschap bepaalt de raad het bedrag van de toelage hetzij op de wijze bepaald in het eerste lid, 1°, hetzij op de wijze bepaald in het eerste lid, 2°. Bij de keuze voor de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, bepaalt de raad het percentage dat van toepassing is. De toelage wordt maandelijks samen met het salaris betaald.
Opdrachthouders in een lopende opdracht, die als gevolg van de plaatselijke uitvoering van de bepalingen van het eerste en het tweede lid een lagere opdrachthouderstoelage zouden krijgen, behouden hun toelage op persoonlijke titel voor de verdere duur van hun lopende opdracht. ». Art. 33.Artikel 164 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 164.Een maandelijkse fietsvergoeding kan worden toegekend aan het personeelslid dat de verplaatsing van en naar het werk volledig of gedeeltelijk met de fiets aflegt.
De raad bepaalt het bedrag dat per kilometer wordt toegekend. Dat bedrag is minimaal gelijk aan 0,15 euro per kilometer en maximaal gelijk aan het bedrag dat op grond van de fiscale wetgeving en socialezekerheidswetgeving is vrijgesteld van belasting en sociale bijdragen. ». Art. 34.In artikel 164, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « kan worden » vervangen door het woord « wordt ». Art. 35.In artikel 165 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede « Het personeelslid dat minstens 66 % arbeidsongeschikt is, » vervangen door de zinsnede « Het personeelslid dat aan de voorwaarden voldoet voor de toekenning van een parkeerkaart door de bevoegde hogere overheid, ». Art. 36.Artikel 215 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 215.Het personeelslid krijgt, maximaal tien keer per jaar, dienstvrijstelling op de dag waarop het bloed, plasma of bloedplaatjes geeft. De dienstvrijstelling geldt voor de tijd die nodig is voor de gift, waarin inbegrepen de tijd die naargelang het geval nodig is voor de verplaatsing naar en van het afnamecentrum. ». Art. 37.In artikel 219 van hetzelfde besluit, vervangen bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 januari 2009Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/01/2009
pub.
29/01/2009
numac
2009035059
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten, en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De raad kan bepalen dat het jaarsalaris van de OCMW-secretaris die met toepassing van artikel 76 en 271 van het Gemeente
decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
15/07/2005
pub.
30/08/2005
numac
2005036021
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I
type
decreet
prom.
15/07/2005
pub.
31/08/2005
numac
2005036063
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Gemeentedecreet
type
decreet
prom.
15/07/2005
pub.
16/09/2005
numac
2005036093
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het onderwijs XV
type
decreet
prom.
15/07/2005
pub.
09/09/2005
numac
2005036055
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005
type
decreet
prom.
15/07/2005
pub.
29/08/2005
numac
2005036025
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de toevoeging van een derde lid aan artikel 157 en houdende wijziging van de artikelen 159 en 161 van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005
sluiten ook de functie van gemeentesecretaris uitoefent, verhoogd wordt met maximaal 30 %.De raad bepaalt welk percentage van toepassing is. »; 2° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De raad kan bepalen dat het jaarsalaris van de financieel beheerder van het OCMW die met toepassing van artikel 76 en artikel 271 van het Gemeentedecreet ook de functie van financieel beheerder van de gemeente uitoefent, verhoogd wordt met maximaal 30 %.De raad bepaalt welk percentage van toepassing is, met dien verstande dat het percentage niet hoger mag zijn dan het percentage dat in voorkomend geval is vastgesteld voor de verhoging van het jaarsalaris van de OCMW-secretaris die ook de functie van gemeentesecretaris uitoefent. ». HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
12/11/2010
pub.
03/12/2010
numac
2010035925
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn Art. 38.In artikel 23 van het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
12/11/2010
pub.
03/12/2010
numac
2010035925
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt de zinsnede « Ten minste 2 % van het totale aantal betrekkingen binnen het OCMW wordt vervuld door » vervangen door de zinsnede « Ten minste 2 % van het totale aantal personeelsleden binnen het bestuur, uitgedrukt in voltijds equivalenten, bestaat uit ». Art. 39.In artikel 24 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de zin « De raad bepaalt het aantal functies in overeenstemming met het percentage vermeld in artikel 23.» wordt vervangen door de zin « Het uitvoerend orgaan van het bestuur of, als hij daartoe gemachtigd is in het kader van het dagelijks personeelsbeheer, het hoofd van het personeel bepaalt het aantal voltijds equivalenten in overeenstemming met het percentage, vermeld in artikel 23. »; 2° de woorden « Hij kan bepalen » worden vervangen door de woorden « De raad kan bepalen ». Art. 40.In artikel 31, § 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt : « Alleen de diploma's of getuigschriften, vermeld op de lijst van erkende diploma's of getuigschriften per niveau die vastgesteld is ter uitvoering van artikel 11 van het
besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
07/12/2007
pub.
24/12/2007
numac
2007037220
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, komen bij aanwerving in aanmerking.»; 2° in het derde lid worden de woorden « De raad » vervangen door de woorden « De aanstellende overheid.»; 3° het vierde lid wordt opgeheven. Art. 41.Artikel 32 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 32.In afwijking van artikel 31, § 2, eerste lid, 1°, en 2°, a), kan de raad bepalen dat kandidaten die niet voldoen aan de diplomavereiste die als aanwervingsvoorwaarde geldt voor de functies van niveau A, B en C, in aanmerking komen voor aanwerving. Die afwijking van de diplomavereiste is uitzonderlijk en op grond van vooraf vastgestelde, objectieve criteria, mogelijk als de functie noch op basis van de functiebeschrijving, noch krachtens een reglementering van de hogere overheid een diploma vergt.
Voor de toepassing van het eerste lid komt een kandidaat die niet over het vereiste diploma beschikt, in aanmerking als hij, ofwel : 1° voldoet aan een vereiste inzake relevante beroepservaring en slaagt voor een niveau- of capaciteitstest;2° beschikt over een op de functie afgestemd ervaringsbewijs, uitgereikt overeenkomstig de Vlaamse regelgeving over de titels van beroepsbekwaamheid;3° beschikt over een op de functie afgestemd attest van een beroepsopleiding die hij gevolgd heeft bij een door de Vlaamse Regering erkende instelling voor beroepsopleiding. In voorkomend geval beslist de aanstellende overheid voor de vacantverklaring van de functie of kandidaten die niet aan de diplomavereiste beantwoorden, in aanmerking komen voor aanwerving. ». Art. 42.In artikel 38, § 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt : « De niveau- of capaciteitstest, vermeld in artikel 32, tweede lid, 1°, onderzoekt of de kandidaat in staat is te functioneren op het niveau waarin de functie is gesitueerd.»; 2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De kandidaat die een attest of getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij voor dezelfde of voor een vergelijkbare functie bij dezelfde of bij een andere overheid al eerder geslaagd is voor een niveau- of capaciteitstest als vermeld in het tweede lid, behoudt het gunstige resultaat daarvan en wordt vrijgesteld van een nieuwe deelname aan een niveau- of capaciteitstest.De raad bepaalt de maximale duur van de vrijstellingen. ». Art. 43.In artikel 39 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt het woord « erkend » opgeheven;2° het tweede lid wordt opgeheven. Art. 44.In artikel 43, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het woord « erkend » opgeheven. Art. 45.In artikel 57 van hetzelfde besluit worden punt 1° en punt 2° vervangen door wat volgt : « 1° voor graden van rang Av als vermeld in artikel 7, tweede lid, ofwel : a) voor alle graden van die rang binnen het bestuur ofwel de functionele loopbaan A1a-A2a-A3a, ofwel de functionele loopbaan A1a-A1b-A2a;b) voor sommige graden van die rang binnen het bestuur de functionele loopbaan A1a-A2a-A3a en voor andere graden van die rang binnen het bestuur de functionele loopbaan A1a-A1b-A2a, op basis van een vergelijking van de functiebeschrijvingen : 1) A1a-A2a-A3a : van A1a naar A2a na vier jaar schaalanciënniteit in A1a en een gunstig evaluatieresultaat, en van A2a naar A3a na achttien jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in A1a en A2a en een gunstig evaluatieresultaat;2) A1a-A1b-A2a : van A1a naar A1b na vier jaar schaalanciënniteit in A1a en een gunstig evaluatieresultaat, en van A1b naar A2a na achttien jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in A1a en A1b en een gunstig evaluatieresultaat;2° voor graden van rang Avb als vermeld in artikel 7, tweede lid, ofwel : a) voor alle graden van die rang binnen het bestuur, ofwel de functionele loopbaan A6a-A7a-A7b, ofwel de functionele loopbaan A6a-A6b-A7a;b) voor sommige graden van die rang binnen het bestuur de functionele loopbaan A6a-A7a-A7b en voor andere graden van die rang binnen het bestuur, de functionele loopbaan A6a-A6b-A7a, op basis van een vergelijking van de functiebeschrijvingen : 1) A6a-A7a-A7b : van A6a naar A7a na vier jaar schaalanciënniteit in A6a en een gunstig evaluatieresultaat, en van A7a naar A7b na achttien jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in A6a en A7a en een gunstig evaluatieresultaat;2) A6a-A6b-A7a : van A6a naar A6b na vier jaar schaalanciënniteit in A6a en een gunstig evaluatieresultaat, en van A6b naar A7a na achttien jaar gecumuleerde schaalanciënniteit in A6a en A6b en een gunstig evaluatieresultaat;». Art. 46.Aan artikel 71, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de volgende zin toegevoegd : « Het personeelslid dat als gevolg van die inschaling een lager jaarsalaris zou krijgen, behoudt zijn vorige jaarsalaris op persoonlijke titel zolang dat gunstiger is. ». Art. 47.Aan artikel 74, § 1, van hetzelfde besluit wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De raad kan bepalen dat het statutaire personeelslid op proef dat tijdens de proeftijd na aanwerving in totaal gedurende drie maanden afwezig is wegens ziekte of invaliditeit, ontslagen kan worden. In voorkomend geval stelt de raad de regels vast voor het ontslag wegens ziekte of invaliditeit, rekening houdend met de totale duur van de proeftijd. Het ontslag wordt met een aangetekende brief, die de datum van uitwerking vermeldt, betekend ». Art. 48.Artikel 79 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 79.Voor de toekenning van periodieke salarisverhogingen komen alleen de werkelijke diensten in statutair of contractueel verband in aanmerking die het personeelslid als titularis van een bezoldigde betrekking heeft geleverd in dienst van : 1° de provincies, de gemeenten en de OCMW's van België, de publiekrechtelijke verenigingen waarvan ze deel uitmaken en de instellingen die eronder ressorteren;2° de diensten en instellingen van de federale overheid, van de gemeenschappen en gewesten en de internationale instellingen waarvan ze lid zijn;3° de diensten en instellingen en de lokale overheden van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte;4° de gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen of de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding;5° de publiekrechtelijke en vrije universiteiten;6° elke andere instelling naar Belgisch recht of naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die beantwoordt aan collectieve behoeften van algemeen of lokaal belang, en waarbij in de oprichting of bijzondere leiding ervan het overwicht van de overheid tot uiting komt.». Art. 49.Artikel 80 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 80.Voor de toepassing van artikel 113 wordt onder werkelijke diensten verstaan : alle diensten die recht geven op een salaris of die bij ontstentenis van een salaris krachtens de rechtspositieregeling toch in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van het salaris. ». Art. 50.Aan artikel 87 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt : « De minimale salarisverhoging, vermeld in paragraaf 1 en 2, is een integraal onderdeel van het jaarsalaris. ». Art. 51.In artikel 98, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt punt 1°, vervangen door wat volgt : « 1° het forfaitaire gedeelte : a) het forfaitaire gedeelte bedraagt voor het jaar 2011 349,73 euro;b) vanaf 2012 wordt het forfaitaire gedeelte dat toegekend is tijdens het vorige jaar, telkens vermeerderd met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het vorige jaar en de teller gelijk is aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het in aanmerking te nemen jaar.Het resultaat daarvan wordt berekend tot op twee decimalen nauwkeurig; c) het bedrag dat het resultaat is van de berekening, vermeld in punt b), wordt verhoogd met 698,74 euro;d) voor het jaar 2012 wordt het bedrag dat het resultaat is van de berekening, vermeld in punt c), voor alle personeelsleden verhoogd met 100 euro;e) vanaf het jaar 2013 wordt het bedrag dat het resultaat is van de berekening, vermeld in punt c), voor alle personeelsleden verhoogd met 200 euro;». Art. 52.In artikel 102, § 1, van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt : « Als berekeningsbasis voor de toeslag geldt het bruto-uursalaris, eventueel verhoogd met de haard- of standplaatstoelage, de toelage voor het waarnemen van een hogere functie, de gegarandeerde salarisverhoging na bevordering, de toelage voor opdrachthouderschap of de mandaattoelage. ». Art. 53.In artikel 105, § 2, van hetzelfde besluit wordt het derde lid vervangen door wat volgt : « Als berekeningsbasis voor de toeslag geldt het bruto-uursalaris, eventueel verhoogd met de haard- of standplaatstoelage, de toelage voor het waarnemen van een hogere functie, de gegarandeerde salarisverhoging na bevordering, de toelage voor opdrachthouderschap of de mandaattoelage. ». Art. 54.In artikel 106 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt : « Als berekeningsbasis voor de toeslag geldt het bruto-uursalaris, eventueel verhoogd met de haard- of standplaatstoelage, de toelage voor het waarnemen van een hogere functie, de gegarandeerde salarisverhoging na bevordering, de toelage voor opdrachthouderschap of de mandaattoelage.»; 2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « De raad kan bepalen dat de verstoringstoelage wordt of kan worden omgezet in inhaalrust.»; 3° het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt : « De verstoringstoelage kan gecumuleerd worden met de toeslag voor onregelmatige prestaties, vermeld in artikel 102 en met de toeslag voor overuren, vermeld in artikel 105.». Art. 55.In artikel 114, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° tussen de woorden « regels voor het opdrachthouderschap » en het woord « vast » worden de woorden « en voor de toelage voor opdrachthouderschap » ingevoegd;2° de zin « De toelage is gelijk aan de toelage die het personeelslid zou ontvangen als het een functie van de naasthogere graad, zoals vastgesteld in artikel 7, zou waarnemen.» wordt opgeheven. Art. 56.In artikel 128 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede « Het personeelslid dat minstens 66 % arbeidsongeschikt is, » vervangen door de zinsnede « Het personeelslid dat aan de voorwaarden voldoet voor de toekenning van een parkeerkaart door de bevoegde hogere overheid, ». HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen Art. 57.Bijlage I bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
07/12/2007
pub.
24/12/2007
numac
2007037220
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt opgeheven. Art. 58.Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van : 1° artikel 16, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2011;2° artikel 25, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2008;3° artikel 33, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2010;4° artikel 34, dat in werking treedt op 1 januari 2013;5° artikel 50, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2011. Art. 59.De Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 23 november 2012.
De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, G. BOURGEOIS
Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het
besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
07/12/2007
pub.
24/12/2007
numac
2007037220
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van diverse bepalingen van het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
12/11/2010
pub.
03/12/2010
numac
2010035925
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Dames en heren, Bijgaand besluit van de Vlaamse Regering wijzigt, zoals het opschrift aangeeft, twee bestaande besluiten van de Vlaamse Regering met betrekking tot, ondermeer, de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeenten en provincies enerzijds en van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn anderzijds. Het betreft : 1° het
besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
07/12/2007
pub.
24/12/2007
numac
2007037220
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;2° het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
12/11/2010
pub.
03/12/2010
numac
2010035925
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. De wijziging daarvan op basis van een evaluatie was in het vooruitzicht gesteld in de beleidsbrieven Binnenlands Bestuur 2010-2011 en 2011-2012. 1. Algemene toelichting 1.1. Beleidskader De principes voor de bijsturing van het
besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
07/12/2007
pub.
24/12/2007
numac
2007037220
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, werden als volgt omschreven in de beleidsbrief Binnenlands Bestuur 2010-2011 : - vereenvoudiging en/of verduidelijking; - efficiëntieverbetering; - geen detailregelgeving of overregulering, maar 'minimale voorwaarden'; - geen tabularasa en behoud van de interne consistentie van het besluit.
Inhoudelijke bijsturingen blijven : - in lijn met de principes van het 'nieuwe overheidsmanagement'; - budgettair neutraal of beperkt, rekening houdend met de huidige budgettaire en financieel-economische context voor de overheden; - in overeenstemming met de decretale bevoegdheidsregels; - in overeenstemming met de algemene concepten die aan het rechtspositiebesluit van 7 december 2007 ten grondslag liggen (bv. maximale gelijkschakeling statutair en contractueel personeel).
In eerste instantie werden daartoe de technische onvolkomenheden en de eventuele inhoudelijk-beleidsmatige knelpunten die als een constante naar voor kwamen uit de plaatselijke uitvoeringspraktijk geïnventariseerd.
De beleidsbrief 2011-2012 bepaalde dat een ontwerp van bijsturing aan de sociale partners van het comité C1 zou worden bezorgd voor het einde van 2011. De leden van het comité C1 konden overigens ook zelf wijzigingsvoorstellen aanbrengen.
Naast het bovengeschetste raamkader, heeft de feitelijke context waarin de wijziging van het besluit van 7 december 2007 tot stand is gekomen, een niet onbelangrijke impact gehad op de inhoud ervan. Het gaat om de volgende factoren en omstandigheden.
De stroom adviesvragen over bepalingen van het rechtspositiebesluit gemeente- en provinciepersoneel van 7 december 2007, die de uitvoeringsjaren 2008 en 2009 kenmerkte, kwam in de loop van 2010 tot stilstand. Op dat vlak was er rust ingetreden en de besturen waren aan de slag gegaan met de nieuwe rechtspositieregeling.
Het sectoraal akkoord 2008-2013 liep nog en loopt nog steeds.
Enerzijds vroegen enkele maatregelen daarin om uitvoering, anderzijds was het niet de bedoeling dat akkoord te doorkruisen.
De maatregel in genoemd sectoraal akkoord over de functionele loopbaan van de begeleiders kinderopvang krijgt een vertaling in het voorliggende wijzigingsbesluit.
De partners van het comité C1 kwamen ook overeen dat de raden in de toekomst zelf het bedrag van de fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer zouden kunnen bepalen tussen 0,15 euro (15 cent) en het bedrag dat op grond van de fiscale wetgeving en de socialezekerheidswetgeving fiscaal en sociaalrechtelijk vrijgesteld is van belasting en sociale bijdragen. Die afspraak werd al bekendgemaakt in de omzendbrief BB 2010/01 van 20 januari 2010 - Verhoging van het bedrag van de fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer. Het besluit wordt aan die afspraak aangepast. Bovendien zal de fietsvergoeding, ter ondersteuning van het lokale en Vlaamse duurzaamheidsbeleid op het vlak van mobiliteit, met ingang van 1 januari 2013 een verplicht karakter hebben.
Het wijzigingsbesluit vermijdt zoveel mogelijk de aspecten van de rechtspositieregeling die het voorwerp zouden kunnen zijn van nieuwe sectorale onderhandelingen in verband met de primaire arbeidsvoorwaarden.
Daar komt bij dat de plaatselijke uitvoering van bovengenoemd rechtspositiebesluit van het OCMW-personeel van 12 november 2010 nog niet voltooid was en is. Hoewel wijzigingen aan het besluit rechtspositieregeling gemeente- en provinciepersoneel van 7 december 2007 automatisch leiden tot wijziging van het besluit rechtspositieregeling OCMW-personeel, was het niet opportuun de OCMW's al meteen te confronteren met fundamentele ingrepen daarin. 1.2. Beperkte inhoudelijke draagwijdte De wijzigingen bestaan tegen die achtergrond en ook rekening houdend met de timing vooral uit opschoningsinitiatieven. Dat wil zeggen : wijzigingen naar aanleiding van wetgevingstechnische knelpunten als onduidelijkheid of ontoereikendheid van de oorspronkelijke tekst of strijdigheid van de bestaande tekst met nieuwe, hogere wetgeving. In die wijzigingen staan duidelijkheid en gebruiksgemak van de wetgeving voorop. Een aantal opschoningsinitiatieven heeft wel inhoudelijke aspecten of consequenties.
Daarnaast worden een paar inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd, die een antwoord bieden op signalen uit het werkveld (de gemeente- of provinciebesturen zelf, de Vereniging van de Vlaamse Steden en Gemeenten, de Vereniging van de Vlaamse Provincies, de vakorganisaties, sociale secretariaten of consultants). Een enkele wijziging werd aangebracht op voorstel van de Vlaamse overheid zelf.
De toetsing van het geheel gebeurde zowel door de overheidsdelegatie van het comité C1 voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, onderafdeling Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap, als door de vertegenwoordigers van de werkgevers en de vakorganisaties (cfr. infra). 1.3. Betrokkenheid Comité C1 Het wijzigingsbesluit kwam tot stand met betrokkenheid van de werkgeversorganisaties en de vakorganisaties in het comité C1 in het kader van de door de Vlaamse Regering, vakbonden en werkgeversorganisaties goedgekeurde samenwerkingsovereenkomst van 29 februari 2008 over de voorbereiding van de werkzaamheden binnen het Comité C1. Midden januari 2012 werden de wijzigingsvoorstellen aan de sociale partners voorgelegd en werd hen gevraagd daarover een standpunt in te nemen, wijzigingen te suggereren of eventueel extra voorstellen aan te brengen. De partners van het comité C1 gaven hun eerste feedback in de voorvergadering van 21 maart 2012. De laatste voorvergadering en ook de formele slotvergadering van het comité C1 vond plaats op 27 april 2012. Hun standpunten zijn terug te vinden in het eindverslag 2012/1 van de voorvergaderingen en in het protocol 2012/1 van 18 juni 2012 van het comité C1. 1.4. …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.