Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en d

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit zet een Europese Richtlijn om in Belgisch recht en regelt de vakbekwaamheid, opleiding en nascholing voor bestuurders van bepaalde voertuigen voor goederen- en personenvervoer. Het doel is de kwaliteit van deze bestuurders te garanderen en de verkeersveiligheid te verbeteren.

Wat het reguleert

  • De vakbekwaamheid van bestuurders in het goederen- en personenvervoer over de weg.
  • De basiskwalificatie (toegang tot het beroep) via een examen.
  • De nascholing (opleiding tijdens de uitoefening van het beroep).
  • De geldigheid en verlenging van het bewijs van vakbekwaamheid.

Wie het aanbelangt

  • Bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E (voertuigen van groep 2).
  • Ondernemingen die bestuurders in dienst hebben voor goederen- of personenvervoer.

Kernpunten

  • Bestuurders moeten beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid C of D, tenzij er een vrijstelling van toepassing is.
  • De basiskwalificatie wordt in België verworven zonder verplichte opleiding, enkel op basis van examens.
  • Het bewijs van vakbekwaamheid is vijf jaar geldig.
  • Een vrijstelling voor bestuurders die materieel of uitrusting vervoeren die zij voor hun werk nodig hebben, is beperkt tot voertuigen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 7,5 ton, op voorwaarde dat het rijden niet de voornaamste activiteit is.
Wettekst
Wettekst

4 MEI 2007. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E

§ 1

die hun gewone verblijfplaats hebben in België en die in België werken, moeten in België nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep 2.

§ 1

die hun gewone verblijfplaats hebben in België of die in België werken, kunnen in België nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep 2.

§ 1

die hun gewone verblijfplaats hebben in een andere Lidstaat van de Europese Unie of die werken in een andere Lidstaat van de Europese Unie, kunnen in die lidstaat nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep

  1. Art. 4.§
  2. De vereiste van vakbekwaamheid is niet van toepassing op bestuurders : 1° van voertuigen met een toegelaten maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur;2° van voertuigen in gebruik bij of onder controle van de strijdkrachten, de burgerbescherming, de brandweer en diensten verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde;3° van voertuigen die op de weg worden getest in verband met technische verbeteringen, reparatie, onderhoud, en nieuwe of omgebouwde voertuigen die nog niet in het verkeer zijn gebracht;4° van voertuigen die worden gebruikt bij noodtoestanden of worden ingezet voor reddingsoperaties;5° van voertuigen die worden gebruikt voor niet-commercieel goederen- en personenvervoer voor privé-doeleinden;6° van voertuigen of combinaties van voertuigen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 7,5 ton die worden gebruikt voor het vervoer van materiaal, apparatuur of machines die de bestuurder voor zijn werk nodig heeft en op voorwaarde dat dit vervoer niet de voornaamste activiteit van de bestuurder is. §
  3. Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid C voor een periode van ten hoogste één jaar voor vervoer binnen het Rijk, zijn bestuurders die houder zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid C. Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid D voor een periode van ten hoogste één jaar voor vervoer binnen het Rijk, zijn bestuurders die houder zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid D. §
  4. Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid zijn : 1° de bestuurders die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit het praktisch examen afleggen of met het oog daarop scholing volgen;2° de leerlingen van een rijschool die met bijstand van een instructeur een voertuig besturen dat bestemd is voor het onderricht;3° de bestuurders bedoeld in artikel 4, 4° en 8° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs;4° de kandidaten bedoeld in artikel 4, 5°, 6°, 7°, 9° en 15° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Art. 5.§
  5. Vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie C zijn bestuurders die : 1° houder zijn van een getuigschrift van basiskwalificatie C dat werd behaald in een andere Lidstaat van de Europese Unie;2° houder zijn of zijn geweest van een rijbewijs van groep C, mits dat uiterlijk op 9 september 2009 is afgegeven. §
  6. Vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie D zijn bestuurders die : 1° houder zijn van een getuigschrift van basiskwalificatie D dat werd behaald in een andere Lidstaat van de Europese Unie;2° houder zijn of zijn geweest van een rijbewijs van groep D, mits dat uiterlijk op 9 september 2008 is afgegeven. HOOFDSTUK
  7. - Het bewijs van vakbekwaamheid Afdeling
  8. - Algemene bepalingen Art. 6.§
  9. Vakbekwaam voor de groep C is de bestuurder die geslaagd is voor het examen basiskwalificatie, voor het gecombineerd examen of voor het aanvullend examen voor het besturen van een voertuig van groep C of die hiervan is vrijgesteld overeenkomstig artikel 5, § 1, 2° en die voldoet aan de bepalingen van dit besluit betreffende de nascholing. Vakbekwaam voor de groep D is de bestuurder die geslaagd is voor het examen basiskwalificatie, voor het gecombineerd examen of voor het aanvullend examen voor het besturen van een voertuig van groep D of die hiervan is vrijgesteld overeenkomstig artikel 5, § 2, 2° en die voldoet aan de bepalingen van dit besluit betreffende de nascholing. §
  10. Ten bewijze van het bezit van de vakbekwaamheid wordt op het document bedoeld in artikel 8, § 1, een communautaire code 95 aangebracht. Art. 7.§
  11. De minimumleeftijd voor het verkrijgen van een bewijs van vakbekwaamheid C is vastgesteld op 18 jaar. De minimumleeftijd voor het verkrijgen van een bewijs van vakbekwaamheid D is vastgesteld op 21 jaar. §
  12. Evenwel kan elke kandidaat van tenminste 18 jaar een bewijs van vakbekwaamheid D verkrijgen dat enkel geldig is voor geregeld vervoer binnen het Rijk waarvan het traject ten hoogste 50 kilometer bedraagt. Elke kandidaat van tenminste 20 jaar kan een bewijs van vakbekwaamheid D verkrijgen dat enkel geldig is voor personenvervoer binnen het Rijk. §
  13. Het loutere feit van het bereiken van de leeftijd van 20 jaar doet de voorwaarde vermeld in § 2, eerste lid vervallen. Het loutere feit van het bereiken van de leeftijd van 21 jaar doet de voorwaarde vermeld in § 2, tweede lid vervallen. §
  14. Indien een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid werd afgeleverd, kan het bewijs van vakbekwaamheid ten vroegste worden verkregen zes maanden na aflevering van dat voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid. Afdeling
  15. - Afgifte van het bewijs van vakbekwaamheid Art. 8.§
  16. De communautaire code 95, gevolgd door de vervaldatum van het bewijs van vakbekwaamheid, wordt op vertoon van een getuigschrift van basiskwalificatie C, van een getuigschrift van basiskwalificatie D, of van een document waaruit blijkt dat één van deze getuigschriften werd bekomen in een andere Lidstaat van de Europese Unie, opgenomen op : 1° het rijbewijs, achter de rijbewijscategorie waarvoor de vakbekwaamheid geldig is;2° het bestuurdersattest voor personen die goederenvervoer verrichten en die geen houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs;3° het daartoe bestemde certificaat voor de personen die personenvervoer verrichten en die geen Belgisch of Europees rijbewijs bezitten. Het model van dit certificaat wordt vastgelegd door de Minister. §
  17. De communautaire code 95 wordt opgenomen : 1° door de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs op het in § 1, 1° bepaalde document;2° door de Minister of door zijn gemachtigde op het in § 1, 2° en 3° bepaalde document. §
  18. De overheid bedoeld in § 2 gaat, alvorens een bewijs van vakbekwaamheid te verlenen, de geldigheid na van de getuigschriften van basiskwalificatie die werden behaald in een andere Lidstaat van de Europese Unie of van één van de documenten waaruit blijkt dat een dergelijk getuigschrift werd bekomen in een andere Lidstaat van de Europese Unie. De bestuurder levert in dit geval het bewijs dat hij overeenkomstig artikel 3, § 3 niet in België een getuigschrift van basiskwalificatie diende te bekomen. §
  19. In de gevallen bepaald in artikel 5, § 1, 2° en in artikel 5, § 2, 2° wordt de communautaire code 95 opgenomen op het in § 1 bepaalde document overeenkomstig de bepalingen van artikel
  20. §
  21. Na de verwerving van het bewijs van vakbekwaamheid worden per gevolgde nascholingsmodule van tenminste zeven uur, zeven kredietpunten toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel
  22. Kredietpunten die werden toegekend naar aanleiding van cursussen die meer dan vijf jaar geleden werden gevolgd, worden uit het kredietsaldo verwijderd. Afdeling
  23. - Geldigheid van het bewijs van vakbekwaamheid Art. 9.§
  24. De overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs brengt op het rijbewijs aan voor welke categorie het bewijs van vakbekwaamheid geldig is. De geldigheid wordt als volgt bepaald : 1° het bewijs van vakbekwaamheid C is geldig voor het besturen van voertuigen van de categorieën C en C+E en de subcategorieën C1 en C1+E indien de bestuurder over een rijbewijs beschikt, geldig voor deze categorieën;2° het bewijs van vakbekwaamheid D is geldig voor het besturen van voertuigen van de categorieën D en D+E en de subcategorieën D1 en D1+E indien de bestuurder over een rijbewijs beschikt, geldig voor deze categorieën. §
  25. Indien de houder van een bewijs van vakbekwaamheid een rijbewijs behaalt voor één van de categorieën waarvoor het bewijs van vakbekwaamheid geldig is, wordt dit door de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs aangebracht op het rijbewijs op het moment dat dit rijbewijs wordt afgeleverd. Art. 10.Het bewijs van vakbekwaamheid heeft een geldigheidsduur van vijf jaar en kan verlengd worden overeenkomstig de bepalingen van artikel
  26. In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid van de in artikel 5, § 1, 2° en artikel 5, § 2, 2° bedoelde bestuurders bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel
  27. Art. 11.Bestuurders die overeenkomstig artikel 5, § 1, 2° of artikel 5, § 2, 2° zijn vrijgesteld van het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie, maar die binnen de termijn bepaald in artikel 73 geen bewijs van vakbekwaamheid verkregen, kunnen het bewijs van vakbekwaamheid alsnog verkrijgen overeenkomstig de bepalingen van artikel
  28. Afdeling
  29. - Verlenging van de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid Art. 12.De overheid bedoeld in artikel 8, § 2 verleent of verlengt het bewijs van vakbekwaamheid op basis van de getuigschriften van nascholing, afgeleverd door een opleidingscentrum in één van de Lidstaten van de Europese Unie of door de bevoegde autoriteiten van één van de Lidstaten van de Europese Unie. De betrokkene levert in dit geval het bewijs dat hij overeenkomstig artikel 3, § 4, derde lid dit getuigschrift van nascholing in een andere lidstaat van de Europese Unie kon bekomen. Art. 13.§
  30. De geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid wordt, ook wanneer de geldigheidsduur ervan verstreken is, verlengd voor een periode van vijf jaar door de overheid bedoeld in artikel 8, § 2 indien de bestuurder aantoont dat hij ten minste 35 kredietpunten heeft verworven door het volgen van naschoolse vorming binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de verlenging. Op het ogenblik van de verlenging worden 35 kredietpunten in mindering gebracht op het kredietpuntensaldo. §
  31. De geldigheidsduur van het oorspronkelijke bewijs van vakbekwaamheid van de bestuurder die slaagt voor het examen bedoeld in artikel 43 van dit besluit, wordt verlengd zodanig dat de geldigheidsduur van het oorspronkelijke bewijs van vakbekwaamheid wordt afgestemd op de geldigheidsduur van het aanvullende bewijs van vakbekwaamheid. §
  32. De verlenging van de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid wordt toegekend voor elke categorie waarvoor de bestuurder over een getuigschrift van basiskwalificatie beschikt of daarvan overeenkomstig artikel 5 is vrijgesteld. HOOFDSTUK
  33. - Het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid Afdeling
  34. - Algemene bepalingen Art. 14.Een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid kan worden verkregen door de kandidaat die een alternerende beroepsopleiding wegvervoer volgt in een door de Minister erkend centrum voor alternerende beroepsopleiding. Het model van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid wordt vastgelegd door de Minister. Art. 15.De minimumleeftijd voor het verkrijgen van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid is vastgesteld op 18 jaar. Afdeling
  35. - Afgifte van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid Art. 16.Het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid wordt afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs tegen overlegging van een aanvraagformulier om een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid. Art. 17.Het centrum voor alternerende beroepsopleiding attesteert dat de aanvrager ingeschreven is in dat centrum door afgifte van een aanvraagformulier om een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid. Art. 18.Het model van het aanvraagformulier om een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid wordt vastgelegd door de Minister. Afdeling
  36. - Geldigheid van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid Art. 19.De overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs brengt op het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid aan voor welke categorie het geldig is. Het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid is geldig voor de categorie of subcategorie van voertuigen voor goederen- en personenvervoer over de weg waarin de opleiding voorziet. Art. 20.§
  37. De geldigheidsduur van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid wordt vermeld op het document bedoeld in artikel
  38. Het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid is geldig voor een duur van één jaar. §
  39. De geldigheidsduur van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid kan niet worden verlengd. §
  40. Indien de houder van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid vervallen verklaard is van het recht om een voertuig van de categorie of subcategorie te besturen waarvoor het document is geldig verklaard, wordt de geldigheid van het document opgeschort tot het einde van de vervalperiode en, in voorkomend geval, tot het slagen voor de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd. Bij teruggave van het document, overeenkomstig artikel 69 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, verlengt de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs de geldigheid van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid met een termijn die gelijk is aan de periode gedurende dewelke de geldigheid van het document opgeschort is geweest. TITEL III. - EXAMENS HOOFDSTUK
  41. - Algemene bepaling Art. 21.§
  42. Voor het verkrijgen van een rijbewijs voor het besturen van voertuigen van groep 2 dient de kandidaat te slagen voor een theorie- en een praktijkexamen georganiseerd door een erkende exameninstelling overeenkomstig de bepalingen van deze titel. Voor het verkrijgen van een getuigschrift van basiskwalificatie voor het besturen van voertuigen van groep 2 dient de kandidaat te slagen in een theorie- en een praktijkexamen georganiseerd door een erkende exameninstelling overeenkomstig de bepalingen van deze titel. De hiervoor bedoelde examens met het oog op het behalen van een rijbewijs kunnen worden gecombineerd met de examens met het oog op het bewijs van het behalen van een bewijs van basiskwalificatie. In de gevallen bedoeld in artikel 26, § 3 kan een getuigschrift van basiskwalificatie worden behaald door het afleggen van een aanvullend examen in de zin van artikel
  43. §
  44. Elk examencentrum of elke exameninstelling maakt de gegevens met betrekking tot de resultaten van de in § 1 vermelde examens op elektronische wijze over aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer volgens de modaliteiten bepaald door de Minister. De in het eerste lid bedoelde gegevens kunnen het voorwerp uitmaken van een verwerking met het oog op de doelstellingen die worden vermeld in artikel 75 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. §
  45. De Minister bepaalt de organisatie van de examens, na advies van een commissie van deskundigen. HOOFDSTUK
  46. - Exameninstellingen Art. 22.De Minister erkent de exameninstellingen die de examens organiseren. De erkenning wordt verleend voor een periode van vijf jaar. Deze erkenning kan worden vernieuwd voor een periode van vijf jaar; hiertoe dient telkens een nieuwe aanvraag tot erkenning te worden ingediend. Art. 23.§
  47. Om te worden erkend, dient de kandidaat-exameninstelling te voldoen aan de volgende algemene voorwaarden : 1° elke kandidaat-exameninstelling dient te beschikken over een gepaste infrastructuur, inzonderheid lokalen en terreinen buiten het verkeer, alsook het materiaal dat nodig is om de theoretische en de praktische examens bedoeld in deze titel af te nemen.Indien de kandidaat-exameninstelling beroep doet op een examencentrum, moet elk van haar centra aan deze voorwaarden voldoen; 2° elke kandidaat-exameninstelling, uitgezonderd de onderwijsinstellingen, verbindt zich ertoe om binnen de drie jaar na de erkenning ISO 9000 gecertificeerd te zijn;3° elke kandidaat-exameninstelling, met uitzondering van deze die door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie zijn belast met de organisatie van het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer en van de openbare centra voor beroepsopleiding, verbindt zich ertoe elk van de in deze titel vermelde examens minstens één maal per maand voor elk van de categorieën bepaald in artikel 3, § 1 te organiseren, alsook telkens er 25 inschrijvingen zijn voor één van deze examens.Indien de exameninstelling beroep doet op examencentra, dient zij zich daartoe voor elk centrum te verbinden; 4° elke kandidaat-exameninstelling, met uitzondering van deze die door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie zijn belast met de organisatie van het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer en van de openbare centra voor beroepsopleiding, verbindt zich ertoe alle examens bedoeld in deze titel te organiseren;5° elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich ertoe dat de examens bedoeld in deze titel, uitgezonderd de computergestuurde examens, worden afgenomen door erkende examinatoren;6° elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich ertoe binnen het kader van de haar gegeven erkenning de meest recente versie van de door de International Test Commission, uitgegeven « Internationale richtlijnen voor het gebruik van de tests » toe te passen.Elke exameninstelling verbindt zich er eveneens toe bij het organiseren van de tests op PC de meest recente versie toe te passen van de specifieke bepalingen die voor testgebruikers zijn voorzien in de « International Guidelines on Computer-Based and Internet Delivered Testing » door de International Test Commission; 7° elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich ertoe jaarlijks een activiteitenverslag op te stellen en dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar over te maken aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.De Minister bepaalt de onderwerpen die daarin aan bod moeten komen; 8° elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich ertoe voor de examenstof waarvoor de Minister of zijn gemachtigde een lijst met mogelijke vragen heeft opgesteld, de vragen enkel te putten uit deze lijst op de wijze door de Minister bepaald;9° elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich er toe deel te nemen aan de vergaderingen die de Minister of zijn gemachtigde organiseert;10° elke kandidaat-exameninstelling verbindt zich ertoe de instructies van de Minister of zijn gemachtigde in uitvoering van de bepalingen van dit besluit, uit te voeren;11° elke kandidaat-exameninstelling levert aan de Minister of zijn gemachtigde al dan niet periodiek en al dan niet nominatief alle informatie en statistieken met betrekking tot de uitoefening van haar opdracht.De informatie en statistieken kunnen vrij gebruikt en gepubliceerd worden door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. §
  48. Opdat de erkenning kan worden vernieuwd dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden : 1° de exameninstelling levert het bewijs dat ze blijvend voldoet aan de voorwaarden vermeld in § 1 en § 3;2° de exameninstelling, uitgezonderd de onderwijsinstellingen, levert een geldig bewijs van een ISO-9000 certificatie;3° de exameninstelling heeft jaarlijks een activiteitenverslag opgesteld en heeft dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar overgemaakt aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. §
  49. De door de Minister of zijn gemachtigde aangewezen personen of organismen, belast met de inspectie en de controle bedoeld in artikel 53 kunnen de examens bijwonen en hebben het recht om er controle uit te oefenen op de ingezette middelen en het goede verloop ervan. Op eenvoudig verzoek van de controlerende instantie deelt de exameninstelling hiertoe de plaats, de datum en het uur van de geplande examens mee. Art. 24.§
  50. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer volgens de modaliteiten bepaald door de Minister. Bij de aanvraag tot erkenning moet minstens de volgende informatie worden meegedeeld : 1° de kennis met betrekking tot de examenstof opgenomen in de bijlage bij dit besluit en in bijlagen 4 en 5 bij het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs met betrekking tot de categorieën van voertuigen van groep 2;2° de maatregelen die de exameninstelling reeds heeft genomen op het moment van de aanvraag en nog zal nemen om binnen de drie jaar ISO 9000 gecertificeerd te zijn.Deze verplichting geldt niet voor de onderwijsinstellingen; 3° de informatie waaruit blijkt dat voldaan is aan elk van de in artikel 23, § 1 vermelde voorwaarden. §
  51. Bij de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning dient minstens de informatie te worden meegedeeld waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 23, § 2 vermelde voorwaarden is voldaan. §
  52. De Minister kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de aanvraag tot erkenning of de aanvraag tot verlenging van de erkenning dient te voldoen. §
  53. De Minister verleent een erkenningsnummer aan elke erkende exameninstelling. Art. 25.§
  54. De examinatoren belast met de in deze titel bepaalde examens worden aangeworven en bezoldigd door de in dit hoofdstuk bedoelde exameninstellingen. Ze zijn door de Minister of zijn gemachtigde erkend en voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 26, § 2 en § 3 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. §
  55. De Minister kan, na de betrokkene en desgevallend de directeur van de exameninstelling te hebben gehoord, de erkenning van de examinator opschorten voor een termijn van acht dagen tot een jaar, of ze intrekken wegens het niet naleven van de bepalingen van dit besluit. HOOFDSTUK
  56. - Examens Afdeling
  57. - Algemene bepalingen Art. 26.§
  58. Elke kandidaat-bestuurder legt de hierna bepaalde examens af in de voor hem toegankelijke exameninstelling van zijn keuze. §
  59. De kandidaat voor het theoretisch examen rijbewijs geldig voor de voertuigen van groep 2 dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. De kandidaat voor het praktisch examen rijbewijs geldig voor de voertuigen van groep 2 dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. De kandidaat voor het theoretisch examen basiskwalificatie dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel
  60. De kandidaat voor het praktisch examen basiskwalificatie dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 32, 33 en
  61. De kandidaat voor het gecombineerd theoretisch examen dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel
  62. De kandidaat voor het gecombineerd praktisch examen dient te voldoen aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 39, 40 en 41 van dit besluit. §
  63. De bestuurder die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid C, kan een bewijs van vakbekwaamheid D verkrijgen door het afleggen van een aanvullend examen zoals bepaald in artikel
  64. De bestuurder die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid D, kan een bewijs van vakbekwaamheid C verkrijgen door het afleggen van een aanvullend examen zoals bepaald in artikel
  65. §
  66. Elke kandidaat voor het examen basiskwalificatie, voor het gecombineerd examen of voor het aanvullend examen basiskwalificatie, zoals bepaald in dit hoofdstuk, moet voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° de kandidaat moet een rijbewijs voorleggen dat geldig is voor : - de categorie B wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C of D of voor de subcategorie C1 of D1;deze bepaling is niet van toepassing op de kandidaat bedoeld in artikel 4, 7° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs; - het besturen van het overeenstemmend trekkend voertuig wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C+E of D+E of voor de subcategorie C1+E of D1+E; deze bepaling is niet van toepassing op de kandidaat bedoeld in artikel 4, 7° en 15° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Het rijbewijs mag evenwel vervangen worden door een attest afgegeven door de griffier van de rechtbank waar het rijbewijs bewaard wordt in toepassing van artikel 69 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs; 2° de kandidaat mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig van groep 2 te besturen en moet geslaagd zijn voor de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;3° de kandidaat moet voldoen aan de bepalingen van artikel 42 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Art. 27.§
  67. De kandidaat die noch het Frans, noch het Nederlands, noch het Duits machtig is, mag de theoretische examens afleggen, bijgestaan door een tolk die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door de exameninstelling en door de kandidaat wordt vergoed. Deze examens mogen derwijze georganiseerd worden dat meerdere kandidaten die eenzelfde taal of idioom spreken en verstaan, kunnen samengebracht worden. Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben. De Minister of zijn gemachtigde kan van deze bepaling afwijken voor de exameninstellingen die hem een onderling afgesproken beurtregeling of werkverdeling per taalrol voorleggen waaraan hij zijn goedkeuring verleent. §
  68. De kandidaat die noch het Frans, noch het Nederlands, noch het Duits machtig is, kan zich voor de praktische examens op eigen kosten laten bijstaan door een tolk gekozen uit de beëdigde vertalers. §
  69. De kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad van alfabetisme ontoereikend is, kunnen, op hun verzoek, de theoretische examens afleggen in een speciale zitting waarvan de nadere regels goedgekeurd zijn door de Minister of zijn gemachtigde. Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben. De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in één van deze gevallen bevindt door het overleggen van een getuigschrift of attest van een psychisch-medisch-sociaal centrum, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering. §
  70. De kandidaten die ten minste vijfmaal niet slaagden voor één van de hierna vermelde theoretische examens kunnen eveneens, op hun verzoek, dit examen in een speciale zitting afleggen. Het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben. Afdeling
  71. - Examen Rijbewijs Art. 28.Het theoretisch examen rijbewijs en het praktisch examen rijbewijs verlopen overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, uitgezonderd de bepalingen vervat in Titel III, Hoofdstuk IV, Afdelingen 1 en 2, uitgezonderd de paragrafen 3 en 5 van artikel 32 en uitgezonderd artikel 48 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Afdeling
  72. - Examen basiskwalificatie Onderafdeling
  73. - Theoretisch examen basiskwalificatie Art. 29.Het theoretisch examen basiskwalificatie bepaald in artikel 21, § 1, tweede lid heeft betrekking op de stof die in de bijlage bij dit besluit wordt opgesomd. Het theorie-examen basiskwalificatie bestaat uit drie delen : 1° 100 vragen waarbij uit meerdere antwoorden kan worden gekozen, dan wel vragen waarop één antwoord moet worden gegeven, of een combinatie van de twee systemen.Deze proef duurt 100 minuten; 2° casestudy's.Deze proef duurt 80 minuten; 3° een mondelinge proef.Deze proef duurt 60 minuten. Het theoretisch examen basiskwalificatie wordt beoordeeld en verbeterd op de wijze bepaald door de Minister. De kandidaten beschikken over minstens vier uren om het theorie-examen af te leggen. De inschrijving voor het theoretisch examen basiskwalificatie gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde. Art. 30.§
  74. De minimumleeftijd om deel te nemen aan het theoretisch examen basiskwalificatie is de leeftijd bepaald in artikel 32 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. §
  75. Om toegelaten te worden tot het theoretisch examen basiskwalificatie voor het behalen van het getuigschrift van basiskwalificatie geldig voor voertuigen van groep 2, moet de kandidaat - naast de voorwaarden gesteld in artikel 26, § 4 - tevens voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voorleggen indien hij een onderdaan is van de Europese Unie;2° een document voorleggen waaruit blijkt dat hij in dienst is van of werkt voor een onderneming die gevestigd is in het Rijk indien hij een onderdaan is van een derde land. §
  76. De aangestelde van de exameninstelling bevestigt het slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie op het attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie. Het model van het attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie wordt door de Minister vastgelegd. Onderafdeling
  77. - Praktisch examen basiskwalificatie Art. 31.Het praktisch examen basiskwalificatie bepaald in artikel 21, § 1, tweede lid heeft betrekking op de stof die in de bijlage bij dit besluit wordt opgesomd. Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de groep C indien een bewijs van vakbekwaamheid C wordt aangevraagd. Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de groep D indien een bewijs van vakbekwaamheid D wordt aangevraagd. Het examen wordt beoordeeld op de door de Minister bepaalde wijze. De inschrijving voor het praktisch examen basiskwalificatie gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde. Art. 32.Om toegelaten te worden tot het praktisch examen basiskwalificatie moet de kandidaat geslaagd zijn voor het theoretisch examen basiskwalificatie. De geldigheidsduur van het theoretisch examen is beperkt tot drie jaar. Art. 33.Om toegelaten te worden tot het praktisch examen basiskwalificatie met het oog op het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E legt de kandidaat voor : 1° het document vereist door artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs indien het onderdanen van de Europese Unie betreft;2° een document waaruit blijkt dat de kandidaat in dienst is van of werkt voor een onderneming die gevestigd is in het Rijk indien het onderdanen van een derde land betreft;3° de documenten om te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 26, § 4;4° een attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie;5° het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs waarvoor voor het behalen ervan dit attest reeds voorgelegd werd;6° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;7° het inschrijvingsbewijs van het voertuig en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;8° het groene keuringsbewijs van het voertuig, als dit onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;9° in voorkomend geval, het Belgisch of Europees rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktisch examen wordt afgelegd alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs waarvan de begeleider houder is. Art. 34.De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C+E biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 6 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 5 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C1 biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 9 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie C die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie C1+E biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 10 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D+E biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 8 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D1 biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 11 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. De kandidaat voor het getuigschrift van basiskwalificatie D die beschikt over een rijbewijs geldig voor de categorie D1+E biedt zich in de exameninstelling of het examencentrum aan met een voertuig, overeenkomstig artikel 38, § 12 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Art. 35.§
  78. Het praktisch examen basiskwalificatie bestaat uit twee delen : 1° een rijtest op de openbare weg van minstens 90 minuten.Evenwel kan een test op een speciaal terrein of in een hoogwaardige simulator, onder de voorwaarden bepaald door de Minister, voor maximaal 30 minuten worden meegeteld voor het bereiken van de vereiste duur van 90 minuten; 2° een praktische test die ten minste de punten 1.4, 1.5, 1.6, 3.2, 3.3 en 3.5 van de bijlage bij dit besluit bestrijkt. Deze test duurt ten minste 30 minuten. §
  79. Tijdens de proef op de openbare weg neemt de examinator plaats in het voertuig. Indien de bestuurder nog niet over een rijbewijs beschikt, moet, naast de examinator, de instructeur van de rijschool of de begeleider bij de scholing in het voertuig plaatsnemen. Indien het voertuig bestemd is voor het vervoer van ten hoogste twee personen, de bestuurder inbegrepen, neemt alleen de examinator in het voertuig plaats. Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in artikel 27, § 2 mogen enkel de door de Minister of zijn gemachtigde aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen. §
  80. De examinator beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt of in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider. §
  81. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruit volgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria vastgesteld door de Minister. §
  82. De examinator bevestigt het slagen van de kandidaat voor het praktisch examen door aflevering van een getuigschrift van basiskwalificatie met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan. Het model van het getuigschrift van basiskwalificatie wordt door de Minister vastgelegd. Afdeling
  83. - Gecombineerd examen Onderafdeling
  84. - Gecombineerd theoretisch examen Art. 36.Het gecombineerd theoretisch examen bepaald in artikel 21, § 1, derde lid heeft betrekking op de stof die in de bijlage bij dit besluit en in bijlage 4 bij het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs wordt opgesomd. Het gecombineerd theoretisch examen bestaat uit drie delen : 1° 100 vragen waarbij uit meerdere antwoorden kan worden gekozen, dan wel vragen waarop één antwoord moet worden gegeven, of een combinatie van de twee systemen.Deze proef duurt 100 minuten; 2° casestudy's.Deze proef duurt 80 minuten; 3° een mondelinge proef.Deze proef duurt 60 minuten. Het gecombineerd theoretisch examen wordt beoordeeld en verbeterd op de wijze door de Minister bepaald. De kandidaten beschikken over minstens vier uren om het theorie-examen af te leggen. De inschrijving voor het gecombineerd theoretisch examen gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde. Art. 37.§
  85. De minimumleeftijd om deel te nemen aan het gecombineerd theoretisch examen is de leeftijd bepaald in artikel 32 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. §
  86. Om toegelaten te worden tot het gecombineerd theoretisch examen, moet de kandidaat voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° het document vereist door artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voorleggen;2° voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 26, §
  87. §
  88. De examinator of de aangestelde van het examencentrum bevestigt het slagen voor het gecombineerde theoretisch examen op de aanvraag om een rijbewijs of op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs en op het attest van slagen voor het theoretisch examen basiskwalificatie zoals bedoeld in artikel 30, §
  89. Onderafdeling
  90. - Gecombineerd praktisch examen Art. 38.Het gecombineerd praktisch examen bepaald in artikel 21, § 1, derde lid heeft betrekking op de stof die in de bijlage bij dit besluit en bijlage 5 bij het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs wordt opgesomd. Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de categorie of subcategorie waarvoor het rijbewijs en het bewijs van vakbekwaamheid worden aangevraagd. De inschrijving voor het gecombineerd praktisch examen gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde. Het gecombineerd praktisch examen wordt beoordeeld op de wijze door de Minister bepaald. Art. 39.Om toegelaten te worden tot het gecombineerd praktisch examen moet de kandidaat geslaagd zijn voor het gecombineerd theoretisch examen vermeld in artikel
  91. De geldigheidsduur van het gecombineerd theoretisch examen is beperkt tot drie jaar. Art. 40.Om toegelaten te worden tot het gecombineerd praktisch examen legt de kandidaat voor : 1° het document vereist door artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs;2° het hierna opgesomde document dat op de kandidaat van toepassing is : a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van slagen voor het theoretisch examen is aangebracht. In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool voor; b) het nog geldig voorlopig rijbewijs. Het voorlopig rijbewijs is, in voorkomend geval, vervolledigd met de vermelding dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 2° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs gevolgd zijn;c) een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° of 15° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs bedoelde opleiding gevolgd heeft;3° de documenten om te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 26, § 4;4° het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs waarvoor voor het behalen ervan dit attest reeds voorgelegd werd;5° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;6° het inschrijvingsbewijs van het voertuig en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;7° het groene keuringsbewijs van het voertuig, als dit onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;8° in voorkomend geval, het Belgisch of Europees rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktisch examen wordt afgelegd alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs waarvan de begeleider houder is. Art. 41.De kandidaat voor het gecombineerd praktisch examen legt dat examen af met een voertuig, overeenkomstig artikel 38 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Art. 42.§
  92. Het gecombineerd praktisch examen bestaat uit drie delen : 1° een rijtest op de openbare weg van minstens 90 minuten.Evenwel kan een test op een speciaal terrein of in een hoogwaardige simulator, onder de voorwaarden bepaald door de Minister, voor maximaal 30 minuten worden meegeteld voor het bereiken van de vereiste duur van 90 minuten; 2° een praktische test die ten minste de punten 1.4, 1.5, 1.6, 3.2, 3.3 en 3.5 van de bijlage bij dit besluit bestrijkt. Deze test duurt ten minste 30 minuten; 3° een proef op een terrein buiten het verkeer zoals bedoeld in artikel 39, § 1, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Deze proef duurt minstens 15 minuten voor de categorieën C en D en de subcategorieën C1 en D
  93. Deze proef duurt minstens 30 minuten voor de categorie C+E en de subcategorie C1+E. Deze proef duurt minstens 25 minuten voor de categorie D+E en de subcategorie D1+E. §
  94. Tijdens de proef op de openbare weg moet de examinator plaatsnemen in het voertuig. Indien de bestuurder nog niet over een rijbewijs beschikt, moet, naast de examinator, de instructeur van de rijschool of de begeleider bij de scholing in het voertuig plaatsnemen. Indien het voertuig bestemd is voor het vervoer van ten hoogste twee personen, de bestuurder inbegrepen, neemt alleen de examinator in het voertuig plaats. Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in artikel 27, § 2 mogen enkel de door de Minister of zijn gemachtigde aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen. §
  95. De examinator beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt of in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider. §
  96. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruit volgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria bepaald door de Minister. §
  97. De examinator bevestigt het slagen van de kandidaat voor het gecombineerd praktisch examen enerzijds, door aflevering van een getuigschrift van basiskwalificatie en anderzijds, op de aanvraag om een rijbewijs, beide met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan. In voorkomend geval vermeldt hij dat het examen werd afgelegd met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 13 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. In het geval bedoeld in artikel 44 wordt het slagen voor het praktisch examen vermeld op de aanvraag om een rijbewijs door de overheid bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Na een eerste of een tweede niet geslaagd praktisch examen, brengt de examinator op het voorlopig rijbewijs de vermelding "niet geslaagd" aan, de datum van het examen, zijn naam, zijn handtekening en de stempel van de exameninstelling. Afdeling
  98. - Aanvullend examen basiskwalificatie Art. 43.De in artikel 26, § 3 bedoelde bestuurders kunnen een aanvullend examen afleggen. Het aanvullend theoretisch examen is beperkt tot de in de bijlage bij dit besluit genoemde onderwerpen betreffende de voertuigen waarop de nieuwe basiskwalificatie betrekking heeft. Dit examen verloopt overeenkomstig artikel 29, lid 2 en 3 en artikel
  99. Het aanvullend praktisch examen dient te worden afgelegd overeenkomstig de artikelen 31 tot en met
  100. HOOFDSTUK
  101. - Beroep in geval van niet slagen voor het praktisch examen Art. 44.§
  102. Na twee mislukkingen voor hetzelfde type praktisch examen vermeld in dit besluit, kan tegen die tweede beslissing beroep worden ingediend bij de commissie bedoeld in artikel 47 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Dit beroep moet ingediend worden binnen de 15 dagen te rekenen vanaf de datum van het mislukken. Dit beroep wordt, bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van de beroepscommissie. De in artikel 61 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voorgeschreven retributie moet betaald worden op de erin vastgestelde wijze. Zij wordt slechts op beslissing van de beroepscommissie terugbetaald. Het beroep, ondertekend door de kandidaat, vermeldt de naam, voornaam en geboortedatum van deze laatste, alsmede de exameninstelling waar het examen werd afgenomen en de datum daarvan. Het is met redenen omkleed door feiten die alleen betrekking hebben op de personen en de omstandigheden van plaats, tijd en procedure waaronder het examen werd afgelegd. §
  103. De beroepscommissie verricht alle bijkomende onderzoeken die zij nodig acht. Zij beslist dat de kandidaat geslaagd is voor het examen of bevestigt de mislukking. Zij kan, in voorkomend geval, de verzoeker machtigen een nieuw examen af te leggen na afloop van de geldigheidsduur van het voorlopig rijbewijs waarvan de verzoeker houder was; zij bepaalt onder welke voorwaarden het examen plaats heeft. TITEL IV. - DE NASCHOLING HOOFDSTUK
  104. - Algemene bepaling Art. 45.§
  105. De nascholing waarvan sprake in artikel 3, § 4 houdt het volgen in van lessen in een opleidingscentrum. Aan de bestuurder die een nascholingsmodule van ten minste zeven uur heeft gevolgd, wordt door het opleidingscentrum een getuigschrift van nascholing afgeleverd. Het model van het in lid 1 bedoelde getuigschrift van nascholing wordt door de Minister bepaald. De nascholing kan ten dele worden gegeven met behulp van hoogwaardige simulatoren. §
  106. Elk opleidingscentrum maakt de gegevens met betrekking tot de georganiseerde nascholing en de deelnemers aan deze cursussen op elektronische wijze over aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, volgens de modaliteiten bepaald door de Minister. De in het eerste lid bedoelde gegevens kunnen het voorwerp uitmaken van een verwerking met het oog op de doelstellingen die worden vermeld in artikel 75 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. §
  107. Voor elke nascholingscursus worden per gevolgde module van ten minste zeven uur, zeven kredietpunten toegekend. HOOFDSTUK
  108. - Opleidingscentra Art. 46.De Minister erkent de opleidingscentra die de nascholing organiseren. Een erkenning kan worden verleend voor alle aspecten van de nascholing. Evenwel kan een deelerkenning worden verkregen beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het goederenvervoer. Eveneens kan een deelerkenning worden verkregen beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het personenvervoer. De erkenning wordt verleend voor een periode van vijf jaar. Deze erkenning kan worden vernieuwd voor een periode van vijf jaar; hiertoe dient telkens een nieuwe aanvraag tot erkenning te worden ingediend. Art. 47.§
  109. Om te worden erkend dient het kandidaat-opleidingscentrum te voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° elk kandidaat-opleidingscentrum dient te beschikken over een gepaste infrastructuur, inzonderheid lokalen en gronden, alsook het lesmateriaal dat nodig is om de nascholingscursussen te verstrekken;2° elk kandidaat-opleidingscentrum, uitgezonderd de onderwijsinstellingen, verbindt zich er toe om binnen een termijn van drie jaar na de erkenning een Q*for-, ISO- of CEDEO-certificaat, een EFQM-erkenning of andere certificaten of erkenningen die door de Minister aanvaard worden, te bekomen;3° elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich ertoe jaarlijks een activiteitenverslag op te stellen en dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar over te maken aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.De Minister bepaalt de onderwerpen die daarin aan bod moeten komen; 4° elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich ertoe een modulair opgebouwd opleidingsprogramma aan te bieden waarin de voor de gevraagde erkenning of deelerkenning van toepassing zijnde onderwerpen uit de bijlage bij dit besluit behandeld worden.Elke module omvat minstens zeven uren nascholing. Dit programma moet initieel de goedkeuring ontvangen van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. Indien de gevraagde erkenning zich beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het goederenvervoer moet uit dit opleidingsprogramma blijken dat onderwerpen uit de bijlage bij dit besluit die betrekking hebben op het goederenvervoer, onderwezen worden. Indien de gevraagde erkenning zich beperkt tot de aspecten van de nascholing met betrekking tot het personenvervoer moet uit dit opleidingsprogramma blijken dat onderwerpen uit de bijlage bij dit besluit die betrekking hebben op het personenvervoer onderwezen worden; 5° elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich er toe op de door de Minister bepaalde wijze elke wijziging aan het programma binnen een termijn van dertig kalenderdagen voor goedkeuring mee te delen aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, die binnen een termijn van zestig dagen de wijzigingen goed- of afkeurt;6° elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich er toe dat de nascholing wordt gegeven conform het goedgekeurde opleidingsprogramma;7° elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich er toe dat de instructeurs op de hoogte zijn en rekening houden met de meest recente ontwikkelingen in de beroepsopleidingsvoorschriften en -eisen en dat ze didactisch en pedagogisch onderlegd zijn;8° elk kandidaat-opleidingscentrum verbindt zich er toe dat de instructeurs van het praktijkgedeelte van de opleiding minstens zeven jaar beschikken over het rijbewijs voor de betrokken categorie of subcategorie;9° elk kandidaat-opleidingscentrum, met uitzondering van deze die door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie zijn belast met de organisatie van het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer alsook van de openbare centra voor beroepsopleiding, verbindt er zich toe bij de inschrijving voor de nascholing binnen de twee maanden de opleiding te organiseren, ongeacht het aantal inschrijvingen. §
  110. Opdat de erkenning kan worden vernieuwd, dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden : 1° het opleidingscentrum levert het bewijs dat het blijvend voldoet aan de voorwaarden vermeld in § 1, 4 en 5;2° het opleidingscentrum, uitgezonderd de onderwijsinstellingen, levert het bewijs te beschikken over een Q*for-, ISO- of CEDEO-certificaat, een EFQM-erkenning of andere certificaten of erkenningen die door de Minister aanvaard worden;3° het opleidingscentrum heeft jaarlijks een activiteitenverslag opgesteld en heeft dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar overgemaakt aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. §
  111. Bij gebrek aan beslissing met betrekking tot de goedkeuring van het opleidingsprogramma binnen zestig dagen na ontvangst ervan, wordt de goedkeuring ervan geacht te zijn verleend. §
  112. De door de Minister of zijn gemachtigde aangewezen personen of organismen, belast met de inspectie en de controle bedoeld in artikel 53, kunnen de nascholing bijwonen en hebben het recht om er controle uit te oefenen op de ingezette middelen en het goede verloop van de opleidingen. Op eenvoudig verzoek van de controlerende instantie deelt het opleidingscentrum hiertoe de plaats, de datum en het uur van de geplande nascholing mee. Art. 48.§
  113. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer volgens de modaliteiten bepaald door de Minister. Bij de aanvraag moet minstens de volgende informatie worden meegedeeld : 1° de maatregelen die het opleidingscentrum reeds heeft genomen op het moment van de aanvraag en nog zal nemen om binnen drie jaar het bewijs te leveren dat een Q*for-, een ISO-, een CEDEO-certificaat, een EFQM-erkenning of een ander certificaat of erkenning die door de Minister is aanvaard, is verkregen.Deze verplichting geldt niet voor de onderwijsinstellingen; 2° de kennis met betrekking tot de stof opgenomen in de bijlage bij dit besluit;3° informatie over de cursusruimten en het lesmateriaal.Deze informatie omvat voor de opleidingen « rationeel rijden » eveneens de informatie met betrekking tot de voor de praktijklessen beschikbare middelen en het gebruikte wagenpark; 4° de voorwaarden voor deelname aan de cursussen, onder meer het vereiste aantal deelnemers;5° de informatie waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 47, § 1 vermelde voorwaarden is voldaan. §
  114. Bij de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning dient minstens de informatie te worden meegedeeld waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 47, § 2 vermelde voorwaarden is voldaan. §
  115. De Minister kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de aanvraag tot erkenning of de aanvraag tot verlenging van de erkenning dient te voldoen. §
  116. De Minister verleent een erkenningsnummer aan elk erkend opleidingscentrum. TITEL V. - ALTERNERENDE BEROEPSOPLEIDING HOOFDSTUK
  117. - Centra voor alternerende beroepsopleiding Art. 49.De Minister erkent de centra voor alternerende beroepsopleiding. De erkenning wordt verleend voor een periode van vijf jaar. Deze erkenning kan worden vernieuwd voor een periode van vijf jaar; hiertoe dient telkens een nieuwe aanvraag tot erkenning te worden ingediend. Art. 50.§
  118. Om te worden erkend, dient het centrum voor alternerende beroepsopleiding te voldoen aan volgende voorwaarden : 1° elk kandidaat-centrum voor alternerende beroepsopleiding beschikt over een erkenning overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de gemeenschappen, de gewesten of overeenkomstig de wet van 19 juli 1983Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/07/1983 pub. 07/09/2011 numac 2011000526 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op het leerlingwezen uitgeoefend door werknemers in loondienst, met inbegrip van de beroepsopleidingen binnen het onderwijs;2° elk kandidaat-centrum voor alternerende beroepsopleiding verbindt zich ertoe een alternerende beroepsopleiding wegvervoer aan te bieden met een minimumduur van zes maanden, waarin onderwerpen uit de bijlage bij dit besluit onderwezen worden. Indien het een alternerende beroepsopleiding goederenvervoer betreft, moet uit het opleidingsprogramma blijken dat onderwerpen uit de bijlage bij dit besluit die betrekking hebben op het goederenvervoer onderwezen worden. Indien het een alternerende beroepsopleiding personenvervoer betreft, moet uit het opleidingsprogramma blijken dat onderwerpen uit de bijlage bij dit besluit die betrekking hebben op het personenvervoer onderwezen worden; 3° elk kandidaat-centrum voor alternerende beroepsopleiding verbindt zich er toe jaarlijks een activiteitenverslag op te stellen en dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar over te maken aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.De Minister bepaalt de onderwerpen die daarin aan bod moeten komen; 4° elk kandidaat-centrum voor alternerende beroepsopleiding verbindt zich er toe initieel het programma van de alternerende beroepsopleiding wegvervoer voor goedkeuring voor te leggen aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;5° elk kandidaat-centrum voor alternerende beroepsopleiding verbindt zich er toe op de door de Minister bepaalde wijze elke wijziging aan het opleidingsprogramma binnen een termijn van dertig kalenderdagen voor goedkeuring mee te delen aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, die binnen een termijn van zestig dagen de wijzigingen goed- of afkeurt. §
  119. Opdat de erkenning kan worden vernieuwd, dient te worden voldaan aan volgende voorwaarden : 1° het centrum voor alternerende beroepsopleiding levert het bewijs dat het blijvend voldoet aan de voorwaarden vermeld in § 1, 4 en 5;2° het centrum voor alternerende beroepsopleiding levert het bewijs te beschikken over een erkenning overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de gemeenschappen, de gewesten of overeenkomstig de wet van 19 juli 1983Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/07/1983 pub. 07/09/2011 numac 2011000526 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op het leerlingwezen uitgeoefend door werknemers in loondienst, met inbegrip van de beroepsopleidingen binnen het onderwijs;3° het erkend centrum voor alternerende beroepsopleiding heeft jaarlijks een activiteitenverslag opgesteld en heeft dit uiterlijk tegen 31 maart van het daaropvolgend jaar overgemaakt aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. §
  120. Bij gebrek aan beslissing met betrekking tot de goedkeuring van het opleidingsprogramma binnen zestig dagen na ontvangst ervan, wordt de goedkeuring ervan geacht te zijn verleend. §
  121. De door de Minister of zijn gemachtigde aangewezen personen of organismen, belast met de inspectie en de controle bedoeld in artikel 53, kunnen de alternerende beroepsopleiding wegvervoer bijwonen en hebben het recht om er controle uit te oefenen op de ingezette middelen en het goede verloop van de opleidingen. Op eenvoudig verzoek van de controlerende instantie deelt het centrum voor alternerende beroepsopleiding hiertoe de plaats, de datum en het uur van de geplande opleiding mee. Art. 51.§
  122. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer volgens de modaliteiten bepaald door de Minister. Bij de aanvraag moet minstens de volgende informatie worden meegedeeld : 1° het bewijs dat het centrum erkend is overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de gemeenschappen, de gewesten, of de wet van 19 juli 1983Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/07/1983 pub. 07/09/2011 numac 2011000526 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op het leerlingwezen uitgeoefend door werknemers in loondienst of het koninklijk besluit nr.495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, met inbegrip van de beroepsopleidingen binnen het onderwijs; 2° het bewijs dat het centrum voor alternerende beroepsopleiding een alternerende beroepsopleiding wegvervoer aanbiedt;3° het bewijs dat de alternerende beroepsopleiding wegvervoer conform is aan de bepalingen van dit besluit;4° de informatie waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 50, § 1 vermelde voorwaarden is voldaan. §
  123. Bij de aanvraag tot vernieuwing van de erkenning dient minstens de informatie te worden meegedeeld waaruit blijkt dat aan elk van de in artikel 50, § 2 vermelde voorwaarden is voldaan. §
  124. De Minister kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de aanvraag tot erkenning of de aanvraag tot verlenging van de erkenning dient te voldoen. §
  125. De Minister verleent een erkenningsnummer aan elk erkend centrum voor alternerende beroepsopleiding. HOOFDSTUK
  126. - Alternerende beroepsopleiding wegvervoer Art. 52.§
  127. De alternerende beroepsopleiding wegvervoer op basis van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid is aan de volgende voorwaarden onderworpen : 1° De kandidaat : a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;b) moet beantwoorden aan de in artikel 26, § 4 bepaalde algemene voorwaarden voor de toelating tot het examen basiskwalificatie, tot het gecombineerd examen of tot het aanvullend examen basiskwalificatie;c) mag geen houder geweest zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid, geldig voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen;d) moet houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een nog geldig voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid;e) moet, indien hij niet beschikt over het vereiste rijbewijs, vergezeld zijn van een begeleider die beantwoordt aan de in 3° voorgeschreven voorwaarden en die vermeld is op het voorlopige rijbewijs.2° Het voertuig : a) moet behoren tot de categorie of subcategorie van voertuigen waarvoor het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid geldig is verklaard;b) moet voorzien zijn van rechtse buitenspiegels zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van rechts;c) mag geen andere personen vervoeren dan deze bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs;d) mag in commercieel verband geen goederen vervoeren indien het voorlopig rijbewijs geldig is verklaard voor de categorieën D of D+E of de subcategorieën D1 of D1+E indien de kandidaat niet beschikt over het rijbewijs dat geldig is voor de desbetreffende categorie;e) moet op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats uitgerust zijn met het teken "L", waarvan het model is bepaald door de Minister, indien de kandidaat niet beschikt over het rijbewijs van de categorie of subcategorie waarvoor het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid geldig is verklaard;f) mag geen aanhangwagen trekken als het voorlopig rijbewijs geldig verklaard is voor de categorie C of D of voor de subcategorie C1 of D1.3° De begeleider : a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;b) moet beschikken over een geldig bewijs van vakbekwaamheid of daarvan zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 73;c) moet op de datum van de afgifte van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid geldig voor de categorie C of C+E of voor de subcategorie C1 of C1+E de leeftijd van 24 jaar hebben bereikt en op de datum van de afgifte van het voorlopig rijbewijs van vakbekwaamheid geldig voor de categorie D of D+E of voor de subcategorie D1 of D1+E de leeftijd van 27 jaar;d) moet sedert ten minste zes jaar houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een Belgisch of Europees rijbewijs geldig om het voertuig te besturen aan boord waarvan hij de kandidaat vergezelt.De bestuurder die overeenkomstig artikel 44, § 5 of artikel 45 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, enkel een speciaal aan zijn handicap aangepast voertuig mag besturen, mag niet als begeleider bij de scholing optreden; e) mag niet vervallen zijn of geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen.Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten en op voorwaarde dat er voldaan is aan de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd; f) moet vooraan in het voertuig plaatsnemen. §
  128. De alternerende beroepsopleiding op basis van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid heeft een duur van minimaal 6 maanden en maximaal 12 maanden. §
  129. Het programma van de alternerende beroepsopleiding heeft betrekking op de stof die in de bijlage bij dit besluit wordt opgesomd en wordt voorafgaandelijk goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde. De Minister kan voorzien in nadere modaliteiten van goedkeuri

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.