📄 Wettekst
4 MEI 2007. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, beoogt de Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en Richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 76/914/EEG van de Raad (voortaan : « de Richtlijn ») om te zetten in Belgisch recht.
De Richtlijn 2003/59/EG strekt er toe de kwaliteit (« de vakbekwaamheid ») van de bestuurder in het goederen- en personenvervoer over de weg te garanderen door middel van een examen voor de toegang tot het beroep (« de basiskwalificatie ») en een systeem van opleiding tijdens de uitoefening van het beroep (« de nascholing »).
Tot op heden sturen de meeste Europese bestuurders van voertuigen bestemd voor goederen- en personenvervoer uitsluitend op basis van een rijbewijs, hetgeen steeds minder beantwoordt aan de toenemende eisen van de transportsector.
Omwille van de verkeersveiligheid alsook om oneerlijke concurrentie te voorkomen, groeide de noodzaak om vanuit Europees perspectief de vorming van de bus- en vrachtwagenchauffeurs te laten voldoen aan een gemeenschappelijk minimumniveau.
Met de Richtlijn 2003/59/EG had Europa precies deze doelstellingen in het vizier. Opdat daarbij rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften en mogelijkheden van elke lidstaat om te kunnen voorzien in een adequate vorming van bus- en vrachtwagenchauffeurs laat de Richtlijn een waaier van keuzemogelijkheden open. Het is aan iedere lidstaat om uit te maken welke van de geboden opties het meest beantwoorden aan hun nationale situatie.
Op die manier creëert de Richtlijn een Europees, gemeenschappelijk, geharmoniseerd en reglementair kader van professionele, initiële opleiding en nascholing van bestuurders van voor goederen- en personenvervoer bestemde voertuigen en breidt ze tevens de reeds bestaande beroepsopleiding - voorzien door de Verordening 3820/85/EEG - uit.
Onder de talrijke keuzemogelijkheden die de Richtlijn biedt, geeft België de voorkeur aan deze welke het meest schatplichtig zijn aan haar doelstellingen, met name niet enkel het bevorderen van de verkeersveiligheid, doch tevens het stimuleren van de tewerkstelling in de transportsector. Dit kan gerealiseerd worden door een aanvulling van de bestaande opleidingsmogelijkheden en -voorzieningen (in het kader van het behalen van het rijbewijs voor voertuigen van de categorieën C, C+E, D en D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E, voortaan : « voertuigen van groep 2 ») met de kwalitatieve garanties die de Richtlijn aanreikt, zodat de vakbekwaamheid verder kan uitgebouwd worden.
Bij de omzetting in België werd meer bepaald gekozen voor het verwerven van de basiskwalificatie zonder verplichte opleiding, op basis van enkel examens (art. 3, § 1, a) ii) van de Richtlijn). Het bewijs van vakbekwaamheid toont aan dat de bestuurder geslaagd is voor het examen basiskwalificatie en de vereiste nascholing heeft gevolgd.
Dit bewijs is vijf jaar geldig. Er werd voorzien in een regeling van verworven rechten voor de bestuurders die nu reeds goederen- of personenvervoer verrichten. Vervolgens werd gebruikt gemaakt van de mogelijkheid om bestuurders zonder basiskwalificatie vervoer te laten verrichten indien ze een alternerende opleiding volgen (art. 3, § 1, a), laatste alinea van de Richtlijn). Voorts werd er voor gekozen om geen versnelde opleiding te voorzien voor het behalen van de basiskwalificatie. Tot slot werd er voor geopteerd om van de mogelijkheden tot verlaging van de minimumleeftijd voor nationaal vervoer - geboden in artikel 5, §§ 2 en 3, van de Richtlijn - gebruik te maken. De mogelijkheid voorzien in artikel 5, § 3, a), ii), laatste zin werd echter niet benut.
Het ontwerp van koninklijk besluit vormt een aanvulling op de bestaande regeling in verband met het rijbewijs, zoals die is uitgewerkt in het
koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
14/07/2014
numac
2014000538
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
30/04/1998
numac
1998014078
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
09/09/1998
numac
1998014201
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs
sluiten betreffende het rijbewijs (voortaan : « koninklijk besluit betreffende het rijbewijs »). Het ontwerp dient bijgevolg samen te worden gelezen met dit koninklijk besluit.
De rechtsgrond voor de omzetting van de Richtlijn wordt gevormd door artikel 1 van de
wet van 18 februari 1969Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
18/02/1969
pub.
25/04/2012
numac
2012000279
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg. De rechtsgrond voor de retributies die zijn voorzien in artikel 55 wordt voorzien in artikel 27 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968.
Bespreking van het ontwerp Het ontwerp van koninklijk besluit is onderverdeeld in zeven titels.
TITEL I. - ALGEMEENHEDEN In een eerste, algemene titel worden de verschillende termen gedefinieerd die in het ontwerp worden gebruikt (artikel 2).
TITEL II. - DE VAKBEKWAAMHEID De tweede titel betreft de regeling met betrekking tot de vakbekwaamheid. HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied Vooreerst wordt het toepassingsgebied van deze titel bepaald. Eveneens wordt het in artikel 3 verplicht gesteld voor de desbetreffende bestuurders om, behoudens de uitzonderingen opgenomen in artikel 4, te beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid C, dan wel over een bewijs van vakbekwaamheid D. Voorts wordt in artikel 3 bepaald welke bestuurders in België een getuigschrift van basiskwalificatie C dan wel een getuigschrift van basiskwalificatie D moeten verwerven en welke hiervan desgevallend zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 5.
Tenslotte wordt in artikel 3 bepaald welke bestuurders in België een getuigschrift van nascholing kunnen en/of moeten verwerven.
Artikel 4 van het ontwerp somt vervolgens de verschillende vrijstellingen op van de vereiste van vakbekwaamheid.
Het betreft meer bepaald de vrijstellingen die worden voorzien in artikel 2 van de Richtlijn (artikel 4, § 1 van het ontwerp), de vrijstellingen voor houders van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid die een alternerende beroepsopleiding volgen (artikel 4, § 2 van het ontwerp) en de vrijstellingen voorzien voor bestuurders die het praktisch examen afleggen of de bestuurders die een bepaalde scholing volgen (artikel 4, § 3 van het ontwerp). Hiermee worden zowel de leerlingen van een rijschool bedoeld, als tevens de bestuurders die een opleiding volgen binnen een onderneming voor openbaar vervoer of binnen het leger. Verder vallen ook de kandidaten die een opleiding volgen georganiseerd door « l'Office communautaire et régional de la Formation professionnelle et de l'Emploi », de « Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding », het « Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle » en het « Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft », door de lokale of federale politie of door de derde graad van het secundair beroepsonderwijs en het onderwijs voor sociale promotie onder deze vrijstelling.
De vrijstellingen die worden opgesomd in artikel 4, § 1 van het ontwerp werden nagenoeg allen integraal en tekstueel overgenomen uit artikel 2 van de Richtlijn. Voornamelijk vanuit de sector en tevens vanwege het Waals Gewest groeide echter de bezorgdheid omtrent de onzekerheid die er bestond over de interpretatie en de toepassing van de vrijstelling zoals geformuleerd in artikel 2, g) van de Richtlijn.
Artikel 2, g) van de Richtlijn stelt : « Deze richtlijn is niet van toepassing op bestuurders van voertuigen die materieel of uitrusting vervoeren die de bestuurder voor zijn werk nodig heeft, mits het rijden met het voertuig niet de voornaamste activiteit van de bestuurder is. ».
Een duidelijkere en meer afgebakende omschrijving van deze uitzondering - die rekening houdt met de doelstellingen van de Richtlijn - diende zich aan.
Meer bepaald verwijst de Richtlijn heel duidelijk in overweging drie naar het feit dat de communautaire regeling dient te worden uitgebreid tot alle bestuurders ongeacht of ze voertuigen besturen als zelfstandige dan wel in loondienst, voor eigen rekening dan wel voor rekening van derden.
Verder stipuleert de Richtlijn in overweging vijf dat de verplichting tot basiskwalificatie en nascholing ten doel heeft de verkeersveiligheid en de veiligheid van de bestuurder te verbeteren, ook tijdens de handelingen die de bestuurder verricht terwijl het voertuig stilstaat.
In overweging zes tenslotte heeft de Richtlijn oog voor het voorkomen van ongelijke concurrentievoorwaarden en legt ze de verplichting op niet alleen aan de onderdanen van de lidstaten maar ook aan de bestuurders uit derde landen, die in dienst zijn van of werken voor een in een lidstaat gevestigde onderneming.
Rekening houdend met deze overwegingen dient artikel 2, g) van de Richtlijn limitatief geïnterpreteerd te worden, met name moet tegelijk aan drie voorwaarden worden voldaan om onder de uitzondering te kunnen vallen : 1. De bestuurder moet materieel of uitrusting vervoeren;2. De bestuurder moet dit (zelf) voor zijn werk nodig hebben;3. Met het voertuig rijden mag niet de voornaamste activiteit van de bestuurder zijn. De sector heeft er verder op gewezen dat twee derde van het goederenvervoer gebeurt door bestuurders die rijden voor eigen vervoer. Aangezien precies deze groep van chauffeurs in aanmerking komen om te voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, g) van de Richtlijn, bestond dus het risico dat een groot deel van deze bestuurders aan de vakbekwaamheid zouden ontsnappen, hetgeen niet in overeenstemming was met een coherent veiligheidsbeleid, noch met de vereiste van gelijke eisen van vakbekwaamheid en nascholing voor alle chauffeurs die over een rijbewijs van de groep C beschikken.
Het merendeel van deze niet-professionele vrachtwagenbestuurders rijdt bovendien met een vrachtwagen met een toegelaten maximummassa van meer dan 7,5 ton en heeft doorgaans weinig rijervaring.
Het is daarom dat er voor werd geopteerd om de vrijstelling van artikel 2, g) van de Richtlijn te beperken tot bestuurders van voertuigen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 7,5 ton.
Deze specificatie van de uitzondering voorzien in artikel 2, g) van de Richtlijn wordt overigens gesterkt door een andere Europese regelgeving : de Verordening nr. 561/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad. Deze Verordening stelt immers in artikel 13, 1, d) het volgende : « Mits geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen [...], mag elke lidstaat [...] uitzonderingen toestaan [...], en deze uitzonderingen laten afhangen van bijzondere voorwaarden, voor vervoer dat wordt verricht met : [...] d) voertuigen of combinaties van voertuigen met een toegestane maximummassa van 7,5 ton, die worden gebruikt : [...] - voor het dragen van materiaal, apparatuur of machines die de bestuurder beroepshalve gebruikt. ».
Bijgevolg werd de formulering van de vrijstelling van artikel 2, g) van de Richtlijn aangepast en beschrijft artikel 4, § 1, 6° van het ontwerp deze als volgt : « De vereiste van vakbekwaamheid is niet van toepassing op bestuurders van voertuigen of combinaties van voertuigen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 7,5 ton die worden gebruikt voor het vervoer van materiaal, apparatuur of machines die de bestuurder voor zijn werk nodig heeft en op voorwaarde dat dit vervoer niet de voornaamste activiteit van de bestuurder is. ».
Hiermee wordt gevolg gegeven aan de vereisten van de Richtlijn zonder af te wijken van haar geest en wordt tevens tegemoetgekomen aan de bezorgdheid die er wat dit betreft bestond binnen de sector en die voornamelijk berust was op overwegingen van verkeersveiligheid.
Artikel 5 betreft tenslotte de vrijstellingen van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie C of D. HOOFDSTUK 2. - Het bewijs van vakbekwaamheid In hoofdstuk 2 wordt bepaald wanneer, door wie en op welke wijze het bewijs van vakbekwaamheid kan worden verleend (artikelen 6 t.e.m. 8).
Verder worden zowel de geldigheid en de geldigheidsduur (artikelen 9 t.e.m. 11) als de verlenging van de geldigheidsduur van het bewijs van vakbekwaamheid bepaald (artikelen 12 en 13).
Het bewijs van vakbekwaamheid C is meer bepaald geldig gedurende een periode van vijf jaar voor het verrichten van goederenvervoer, terwijl het bewijs van vakbekwaamheid D gedurende een zelfde periode geldig is voor het verrichten van personenvervoer.
Het getuigschrift van nascholing is steeds geldig voor zowel het goederen- als het personenvervoer en verlengt de vakbekwaamheid indien ten minste 35 uur naschoolse vorming werd gevolgd binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de verlenging van de vakbekwaamheid. HOOFDSTUK 3. - Het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid Het derde hoofdstuk behandelt het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid dat toelaat dat een bestuurder - die een alternerende beroepsopleiding volgt voor het besturen van een voertuig van groep 2, overeenkomstig art. 3, § 1, a), laatste alinea van de Richtlijn - vervoer kan verrichten zonder dat hij beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid.
In dit hoofdstuk wordt bepaald onder welke voorwaarden, op welke wijze en door wie het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid kan worden verleend (artikelen 14 t.e.m. 18). Verder worden zowel de geldigheid als de geldigheidsduur van het voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid bepaald (artikelen 19 en 20).
TITEL III. - EXAMENS De derde titel behandelt de examens die men dient af te leggen voor het bekomen van een rijbewijs en/of een getuigschrift van basiskwalificatie voor het besturen van voertuigen van groep 2. HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Voor het verkrijgen van een rijbewijs voor voertuigen van groep 2 dient de kandidaat-bestuurder te slagen in een theorie- en een praktijkexamen. Voor het verkrijgen van een getuigschrift van basiskwalificatie voor voertuigen van groep 2 dient de kandidaat-bestuurder eveneens te slagen voor een theorie- en een praktijkexamen. De examens tot het verkrijgen van een rijbewijs en tot het verkrijgen van een getuigschrift van basiskwalificatie kunnen bovendien gecombineerd worden. Indien een bestuurder reeds beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid C dient hij niet het volledige examen af te leggen om het bewijs van vakbekwaamheid D te verkrijgen.
Hij kan in dit geval een aanvullend examen afleggen. Hetzelfde geldt indien de bestuurder reeds beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid D en hij een bewijs van vakbekwaamheid C wenst te bekomen (artikel 21). HOOFDSTUK 2. - Exameninstellingen Artikel 22 stelt dat de Minister de instellingen - die de examens bepaald in het voorgaande hoofdstuk organiseren - erkent en artikel 23 bepaalt de voorwaarden voor de erkenning en de verlenging van de erkenning van deze exameninstellingen. Artikel 24 betreft de erkenningsaanvraag en artikel 25 tenslotte omvat enkele bepalingen betreffende de examinator.
Het ontwerp wijkt hier af van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs in die zin dat wordt voorzien in een open markt voor de afname van de examens rijbewijs en vakbekwaamheid betreffende de voertuigen van groep 2, waar voorheen de examens rijbewijs voor alle categorieën van voertuigen bijna uitsluitend plaatsvonden binnen de erkende examencentra van de Groepering van erkende ondernemingen voor autokeuring en rijbewijs (voortaan : « GOCA »). De uitgewerkte regeling biedt meer bepaald aan eenieder de mogelijkheid een erkenning aan te vragen om de examens rijbewijs en vakbekwaamheid voor voertuigen van groep 2 te organiseren vermits aan bepaalde minimumvoorwaarden wordt voldaan. De examens rijbewijs voor voertuigen van groep 2 zullen dus niet meer (uitsluitend) plaatsvinden binnen de examencentra van GOCA. HOOFDSTUK 3. - Examens Het derde hoofdstuk omvat de materiële regeling met betrekking tot de verschillende soorten examens. De uitgewerkte regeling stemt zowel wat betreft de vorm als wat betreft de inhoud in grote mate overeen met de regelingen die zijn voorzien in het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.
Artikelen 26 en 27 bevatten een aantal bepalingen die gelden voor alle types van examens voor het besturen van voertuigen van groep 2.
Artikel 28 verwijst naar het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs voor de materiële regeling van het examen rijbewijs voor voertuigen van groep 2.
Artikelen 29 en 30 regelen het theoretisch examen basiskwalificatie voor voertuigen van groep 2 en artikelen 31 t.e.m. 35 het praktisch examen basiskwalificatie voor voertuigen van groep 2.
Verder bepalen de artikelen 36 en 37 de inhoudelijke regeling van het gecombineerd theoretisch examen voor voertuigen van groep 2 en de artikelen 38 t.e.m. 42 deze van het gecombineerd praktisch examen voor voertuigen van groep 2.
Tenslotte wordt in artikel 43 de regeling opgenomen van het aanvullend examen basiskwalificatie voor voertuigen van groep 2. HOOFDSTUK 4. - Beroep in geval van niet slagen voor het praktisch examen Artikel 44 voorziet de mogelijkheid tot het indienen van een beroep in geval van twee mislukkingen voor hetzelfde type praktisch examen. Er zal daartoe beroep worden gedaan op de beroepscommissie zoals deze werd opgericht op basis van artikel 47 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.
TITEL IV. - DE NASCHOLING De vierde titel behandelt de nascholing die de bestuurders dienen te volgen voor de verlenging van het bewijs van vakbekwaamheid.
Artikel 45 bepaalt in het algemeen wat de nascholing inhoudt.
Artikel 46 stelt dat de Minister de opleidingscentra - die de nascholing organiseren - erkent en artikel 47 bepaalt de voorwaarden voor de erkenning en de verlenging van de erkenning van deze opleidingscentra. Artikel 48 betreft tenslotte de erkenningsaanvraag.
De erkenningsvoorwaarde betreffende de verplichte certificatie van de opleidingscentra opgenomen in artikel 47, § 1, 2° van het ontwerp vermeldt meerdere mogelijke kwaliteitsnormen.
De erkenningsvoorwaarde betreffende de verplichte certificatie van de exameninstellingen opgenomen in artikel 23, § 1, 2° van het ontwerp vermeldt daarentegen slechts de ISO 9000 certificatie.
Dit onderscheid wordt verantwoord door het feit dat er specifieke kwaliteitsnormen bestaan die enkel gelden voor het gedeelte « opleiding ». Voor de opleidingscentra werden daarom meerdere vormen van certificering opgesomd, te meer opdat het potentieel aan opleidingscentra maximaal benut zou kunnen worden.
De vernieuwing van de erkenning kan zowel bij de opleidingscentra als bij de exameninstellingen enkel worden toegestaan indien de vereiste certificatie werd behaald.
TITEL V. - ALTERNERENDE BEROEPSOPLEIDING De vijfde titel behandelt de alternerende beroepsopleiding waarmee het in hoofdstuk 3 van titel 2 bedoelde voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid verband houdt. HOOFDSTUK 1. - Centra voor de alternerende beroepsopleiding Artikel 49 stelt dat de Minister de centra die de alternerende beroepsopleiding organiseren, erkent en artikel 50 bepaalt de voorwaarden voor de erkenning en de verlenging van de erkenning van deze centra voor alternerende beroepsopleiding. Artikel 51 betreft tenslotte de erkenningsaanvraag. HOOFDSTUK 2. - Alternerende beroepsopleiding wegvervoer Artikel 52 bepaalt de voorwaarden waaraan de alternerende beroepsopleiding wegvervoer op basis van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid is onderworpen, meer bepaald met betrekking tot de kandidaat zelf, het voertuig en de begeleider alsook met betrekking tot de duurtijd en het programma van de alternerende beroepsopleiding.
TITEL VI. - ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1. - Inspectie en controle Artikel 53 bevat vooreerst bepalingen omtrent de inspectie en controle van de centra voor alternerende beroepsopleiding, de exameninstellingen en de opleidingscentra. Artikel 54 voert verder de mogelijkheid in voor de Minister tot tijdelijke, gehele of gedeeltelijke opschorting of tot intrekking van de erkenning van deze centra en instellingen. HOOFDSTUK 2. - Retributies In artikel 55 wordt een aantal retributies in het leven geroepen. Deze retributies betreffen enerzijds de aanvragen tot erkenning als centrum voor alternerende beroepsopleiding, als exameninstelling of als opleidingscentrum. Anderzijds betreffen ze het gebruiksrecht van de lijsten met mogelijke vragen voor de verschillende examens.
TITEL VII. - Slotbepalingen HOOFDSTUK 1. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen De wijzigings- en opheffingsbepalingen opgenomen in de artikelen 56 t.e.m. 71 betreffen wijzigingen aan het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs en de wijzigings- en opheffingsbepalingen opgenomen in artikel 72 betreffen wijzigingen aan het
koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
01/12/1975
pub.
14/07/2014
numac
2014000537
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
Met de artikelen 56 t.e.m. 66 alsook artikel 71 van het ontwerp wordt het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs op verschillende punten in coherentie gebracht met de nieuwe regeling betreffende de vakbekwaamheid voorzien in voorliggend ontwerp.
Daarnaast werd in artikel 67 van het ontwerp voorzien in een toevoeging van de vakbekwaamheidsgegevens aan het centraal bestand van de rijbewijzen, dat werd opgericht in artikel 74 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs.
In navolging van het advies nr. 09/2007 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van 21 maart 2007, werden, naast artikel 74, ook de artikelen 75 t.e.m. 77 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs door voorliggend ontwerp aangevuld (artikelen 67 t.e.m. 70 van het ontwerp).
Meer bepaald werden de doelstellingen bepaald waarvoor de vakbekwaamheidsgegevens mogen worden aangewend (artikel 75 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs). Verder werden de personen of instellingen aan wie de gegevens mogen worden doorgegeven, vastgelegd (artikel 76 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs). Tenslotte werd ook de bewaarduur van de gegevens bepaald (artikel 77 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs).
Tenslotte werd met artikel 72 van het ontwerp, artikel 8.2. van het
koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
01/12/1975
pub.
14/07/2014
numac
2014000537
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, dat de vereiste minimumleeftijd van bepaalde bestuurders regelt, in overeenstemming gebracht met de vakbekwaamheid voorzien in voorliggend ontwerp. HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen Artikel 73 regelt de overgangsbepalingen voorzien voor de bestuurders die beschikken over verworven rechten, meer bepaald deze die houder zijn of geweest zijn van een Belgisch of een Europees rijbewijs groep D afgegeven uiterlijk op 9 september 2008 of van een Belgisch of een Europees rijbewijs groep C afgegeven uiterlijk op 9 september 2009. De overgangsbepalingen gelden respectievelijk tot 10 september 2015 en 10 september 2016.
In artikel 74 worden - overeenkomstig artikel 14, tweede lid van de Richtlijn - bestuurders van voertuigen van groep C tot 10 september 2009 vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie C. Verder voorziet artikel 75 in een overgangsregeling betreffende de goedkeuring van de opleidingsprogramma's van de opleidingscentra en de centra voor alternerende beroepsopleiding.
Tenslotte bepaalt artikel 76 dat de erkenningen van de exameninstellingen, van de opleidingscentra en van de centra voor alternerende beroepsopleiding reeds kunnen worden ingediend vanaf 1 januari 2008. Zij hebben evenwel pas uitwerking vanaf 10 september 2008, behoudens deze verleend aan de exameninstellingen voor het gedeelte van de examinering van de bestuurders van voertuigen van groep C, welke pas uitwerking hebben vanaf 10 september 2009. HOOFDSTUK 3. - Inwerkingtreding Artikel 77 bepaalt dat het ontwerp in werking treedt op 10 september 2008 met uitzondering van de overgangsbepaling voorzien in artikel 76, die reeds op 1 januari 2008 in werking treedt.
Dit artikel bepaalt in het tweede lid dat enkele van de wijzigings- en opheffingsbepalingen pas in werking treden vanaf 10 september 2009 voor bestuurders van groep C. HOOFDSTUK 4. - Uitvoering Artikel 78 belast de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Landsverdediging en de Minister bevoegd voor het wegverkeer met de uitvoering van dit besluit.
Dit is het voorwerp van besluit dat aan de handtekening van Uwe Majesteit wordt voorgelegd.
We hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL De Minister van Landsverdediging, A. FLAHAUT De Minister van Mobiliteit, R. LANDUYT
ADVIES NR. 09/2007 VAN 21 MAART 2007 VAN DE COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER Betreft : Ontwerp van koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens ('WVP'), inzonderheid artikel 29;
Gelet op de adviesaanvraag vanwege de heer Michel Damar, Voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer d.d. 21 februari 2007;
Gelet op het verslag van Mevr. Vanderdonckt;
Brengt op 21 maart 2007 volgend advies uit : A. INLEIDING 1. Op 21 februari 2007 heeft de Voorzitter van het directiecomité van de FOD Mobiliteit en Vervoer, namens de Minister, de Commissie verzocht om bij hoogdringendheid advies uit te brengen inzake het ontwerp van koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E (hierna het ontwerp kb) : 2.'...Dit besluit zet de Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en de Richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 76/914/EEG van de Raad, om in Belgisch recht. Deze adviesaanvraag vindt plaats in het kader van het advies nr. 42.014/4 van de Raad van State gegeven op 15 januari 2007, waarin de Raad de opmerking maakt dat voormeld ontwerp ter fine van advies moet worden voorgelegd aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, krachtens artikel 9, § 2, tweede lid, b) en 3 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens...' 3. De hoogdringendheid van de aanvraag wordt afdoende gemotiveerd.De Commissie zal hiernavolgend dan ook bij hoogdringendheid advies uitbrengen inzake het ontwerp kb, rekening houdend met de informatie waarover ze beschikt.
B. TOEPASSELIJKE WETGEVING 4. Vooreerst kan worden verwezen naar de Richtlijn 2003/59/EG, welke door het ontwerp kb wordt omgezet.5. Vervolgens is het
koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
14/07/2014
numac
2014000538
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
30/04/1998
numac
1998014078
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
09/09/1998
numac
1998014201
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs
sluiten betreffende het rijbewijs (hierna het kb betreffende het rijbewijs) van belang, aangezien het ontwerp kb hiermee samen moet worden gelezen.6. Tenslotte is het WVP van toepassing, aangezien er sprake is van een verwerking van persoonsgegevens : meer bepaald wordt door artikel 67 van het ontwerp kb een uitbreiding aangebracht aan artikel 74 van het kb betreffende het rijbewijs.Artikel 74 van het kb betreffende het rijbewijs voorzag binnen het toenmalige Ministerie van Verkeer en Infrastructuur (nu FOD Mobiliteit en Vervoer) in de oprichting van een centraal bestand met persoonsgegevens, aan welk bestand nu via het ontwerp kb een punt 9° wordt toegevoegd. De Commissie heeft inzake het kb betreffende het rijbewijs een advies nr. 24/97 van 11 september 1997 uitgebracht.
C. ONDERZOEK VAN DE ADVIESAANVRAAG C. 1. Achtergrond bij het ontwerp kb 7. Het ontwerp kb beoogt de Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr.3820/85 van de Raad en Richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 76/914/EEG van de Raad (voortaan : « de Richtlijn ») om te zetten in Belgisch recht. 8. De Richtlijn 2003/59/EG strekt er toe de kwaliteit (« de vakbekwaamheid ») van de bestuurder in het goederen- en personenvervoer over de weg te garanderen door middel van een examen voor de toegang tot het beroep (« de basiskwalificatie ») en een systeem van opleiding tijdens de uitoefening van het beroep (« de nascholing »).Tot op heden sturen de meeste Europese bestuurders van voertuigen bestemd voor goederen- en personenvervoer uitsluitend op basis van een rijbewijs, hetgeen steeds minder beantwoordt aan de toenemende eisen van de transportsector. 9. Omwille van de verkeersveiligheid alsook om oneerlijke concurrentie te voorkomen, groeide de noodzaak om vanuit Europees perspectief de vorming van de bus- en vrachtwagenchauffeurs te laten voldoen aan een gemeenschappelijk minimumniveau.Met de Richtlijn 2003/59/EG had Europa precies deze doelstellingen in het vizier. Opdat daarbij rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften en mogelijkheden van elke lidstaat om te kunnen voorzien in een adequate vorming van bus- en vrachtwagenchauffeurs laat de Richtlijn een waaier van keuzemogelijkheden open. Het is aan iedere lidstaat om uit te maken welke van de geboden opties het meest beantwoorden aan hun nationale situatie. Op die manier creëert de Richtlijn een Europees, gemeenschappelijk, geharmoniseerd en reglementair kader van professionele, initiële opleiding en nascholing van bestuurders van voor goederen- en personenvervoer bestemde voertuigen en breidt ze tevens de reeds bestaande beroepsopleiding - voorzien door de Verordening 3820/85/EEG - uit. 10. Onder de talrijke keuzemogelijkheden die de Richtlijn biedt, geeft België de voorkeur aan deze welke het meest schatplichtig zijn aan haar doelstellingen, met name niet enkel het bevorderen van de verkeersveiligheid, doch tevens het stimuleren van de tewerkstelling in de transportsector.Dit kan gerealiseerd worden door een aanvulling van de bestaande opleidingsmogelijkheden en -voorzieningen (in het kader van het behalen van het rijbewijs voor voertuigen van de categorieën C, C+E, D en D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E, voortaan : « voertuigen van groep 2 ») met de kwalitatieve garanties die de Richtlijn aanreikt, zodat de vakbekwaamheid verder kan uitgebouwd worden. 11. Bij de omzetting in België werd meer bepaald gekozen voor het verwerven van de basiskwalificatie zonder verplichte opleiding, op basis van enkel examens (art.3, § 1, a) ii) van de Richtlijn). Het bewijs van vakbekwaamheid toont aan dat de bestuurder geslaagd is voor het examen basiskwalificatie en de vereiste nascholing heeft gevolgd.
Dit bewijs is vijf jaar geldig. Er werd voorzien in een regeling van verworven rechten voor de bestuurders die nu reeds goederen- of personenvervoer verrichten. Vervolgens werd gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bestuurders zonder basiskwalificaties vervoer te laten verrichten indien ze een alternerende opleiding volgen (art. 3, § 1, a), laatste alinea van de Richtlijn). Voorts werd er voor gekozen om geen versnelde opleiding te voorzien voor het behalen van de basiskwalificatie. Tot slot werd er voor geopteerd om van de mogelijkheden tot verlaging van de minimumleeftijd voor nationaal vervoer - geboden in artikel 5, §§ 2 en 3, van de Richtlijn - gebruik te maken. De mogelijkheid voorzien in artikel 5, § 3, a), ii), laatste zin werd echter niet benut. 12. Het ontwerp van koninklijk besluit vormt een aanvulling op de bestaande regeling in verband met het rijbewijs, zoals die is uitgewerkt in het
koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
14/07/2014
numac
2014000538
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
30/04/1998
numac
1998014078
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
09/09/1998
numac
1998014201
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs
sluiten betreffende het rijbewijs.Het ontwerp dient bijgevolg samen te worden gelezen met dit koninklijk besluit.
C. 2. Artikelsgewijze bespreking 13. Hiernavolgend doet de Commissie een analyse van de artikelen van het ontwerp.Enkel de voor de WVP relevante artikelen worden in aanmerking genomen.
Artikel 67 14. Dit artikel voorziet in de toevoeging aan artikel 74 van het kb betreffende het rijbewijs van een punt 9, luidende : de gegevens betreffende het bewijs van vakbekwaamheid bedoeld in het koninklijk besluit van ...betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E.' 15. Concreet betreft het hier de gegevens waaruit blijkt dat een bepaalde persoon de vakbekwaamheidsproef met vrucht heeft afgelegd; dit gegeven wordt derhalve gekoppeld aan punt 1° van artikel 74 van het kb betreffende het rijbewijs : de identiteit van de persoon (naam, voornamen, adres, land van verblijf, geboorteplaats en -datum, geslacht, nationaliteit, NIS-code van de gemeente, alsook het identificatienummer bij het rijksregister). Hier dient evenwel te worden opgemerkt dat artikel 74, 1° van het kb betreffende het rijbewijs momenteel enkel deze koppeling voorziet voor de gegevens bedoeld in 2° tot 7°. Het ontwerp kb zou dan ook moeten voorzien in de toevoeging van punt 9° in voormelde opsomming. 16. Daarenboven dient te worden genoteerd dat in het kb betreffende het rijbewijs, in de artikelen 75, 76 en 77, uitdrukkelijk de doelstellingen waarvoor de gegevens in het centraal bestand mogen worden aangewend, de personen of instellingen aan wie ze mogen worden doorgegeven, en de bewaarduur ervan worden bepaald.17. Dit ontbreekt evenwel in het ontwerp kb voor de gegevens betreffende het bewijs van vakbekwaamheid (het nieuwe in artikel 74 van het kb betreffende het rijbewijs in te voegen 9°).Derhalve zou het ontwerp kb tevens moeten voorzien in een toevoeging/aanvulling van de artikelen 75, 76 en 77 voor wat betreft het nieuwe punt 9°. 18. Een toevoeging aan artikel 75 van het kb betreffende het rijbewijs lijkt misschien niet noodzakelijk, in zoverre het gebruik van de gegevens uit 9° kadert binnen de actueel in artikel 75 opgenomen doelstellingen.Indien niet, dringt een aanvulling zich hier op. 19. Artikel 76 van het kb betreffende het rijbewijs dient zeker aangevuld te worden indien men een bepaalde verspreiding van deze gegevens voor ogen heeft.Indien niet, kunnen de gegevens van 9° momenteel enkel worden overgemaakt aan de overheden/instellingen voorzien in 1° en 2° van het kb betreffende het rijbewijs : de gerechtelijke overheden en de ambtenaren van het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur, belast met de controle van de overheden bedoeld in artikel 7, van de examencentra en van de rijscholen. 20. In artikel 77 van het kb betreffende het rijbewijs wordt tenslotte de bewaarduur van de in artikel 74 vermelde gegevens in de centrale databank bepaald.Het ontwerp kb voorziet actueel geen bewaarduur van de gegevens onder 9°. Hier dient derhalve termijn te worden bepaald.
OM DEZE REDENEN, 21. Brengt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een positief advies uit inzake het ontwerp van koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E, evenwel mits in acht name van de opmerkingen onder de punten 15 tot en met 20. De administrateur, (get.) Jo BARET. De ondervoorzitter, (get.) Willem DEBEUCKELAERE.
4 MEI 2007. - Koninklijk Besluit betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op artikel 1, eerste lid van de
wet van 18 februari 1969Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
18/02/1969
pub.
25/04/2012
numac
2012000279
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1985, 21 juni 1985, 28 juli 1987 en 15 mei 2006;
Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 1985, 20 juli 1991, 5 augustus 2003 en 20 juli 2005, op artikel 21, gewijzigd bij de wetten van 9 juli 1976 en 18 juli 1990, op artikel 23, gewijzigd bij de wetten van 9 juli 1976, 29 februari 1984, 18 juli 1990 en 7 februari 2003, op artikel 26, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en op artikel 27, vervangen bij de wet van 9 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 18 juli 1990;
Gelet op het
koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
01/12/1975
pub.
14/07/2014
numac
2014000537
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, inzonderheid op artikel 8.2, 1°, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 maart 1987 en 23 maart 1998, op artikel 8.2, 2°, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 september 1991 en 23 maart 1998 en op artikel 59.2, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 september 1991, 29 mei 1996, 23 maart 1998, 14 mei 2002 en 22 maart 2004;
Gelet op het
koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
14/07/2014
numac
2014000538
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
30/04/1998
numac
1998014078
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
09/09/1998
numac
1998014201
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs
sluiten betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 mei 1999, 20 juli 2000, 14 december 2001, 5 september 2002, 29 september 2003, 22 maart 2004, 15 juli 2004, 17 maart 2005, 20 juli 2005, 30 september 2005, 8 maart 2006, 24 april 2006, 10 juli 2006, 1 september 2006 en 28 december 2006;
Gelet op de omstandigheid dat de Gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 december 2006;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 8 december 2006;
Gelet op het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
Gelet op het advies 42.014/4 van de Raad van State, gegeven op 15 januari 2007 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Minister van Mobiliteit en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers;
Hebben Wij besloten en besluiten Wij : TITEL I. - ALGEMEENHEDEN Artikel 1.Dit besluit zet de richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en Richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 76/914/EEG van de Raad om in Belgisch recht. Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° « wet » : de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968;2° « koninklijk besluit betreffende het rijbewijs » : het
koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
14/07/2014
numac
2014000538
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
30/04/1998
numac
1998014078
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
type
koninklijk besluit
prom.
23/03/1998
pub.
09/09/1998
numac
1998014201
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs
sluiten betreffende het rijbewijs;3° « Minister » : de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;4° « motorvoertuig » : elk zichzelf over de weg voortbewegend voertuig uitgerust met een motor anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen.Worden niet beschouwd als motorvoertuig, rijwielen waaraan een elektrische hulpmotor is bevestigd die slechts kan werken als de pedalen worden gebruikt en waarvan het vermogen niet hoger mag zijn dan 0,3 kW; 5° « auto » : elk motorvoertuig, bromfietsen en motorrijwielen uitgezonderd, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg, of om voertuigen voor het vervoer van personen of goederen over de weg voort te trekken.Deze term omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische leiding en niet rijden op spoorstaven; hij heeft geen betrekking op landbouw- en bosbouwtrekkers; 6° « motorvoertuigen categorie C » : andere voertuigen dan die van categorie D, met een maximale toegelaten massa van meer dan 3 500 kg; aan de voertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 750 kg bedraagt; 7° « motorvoertuigen categorie C+E » : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;8° « motorvoertuigen categorie C1 » : andere voertuigen dan die van categorie D, waarvan de maximale toegelaten massa meer dan 3 500 kg, doch ten hoogste 7 500 kg bedraagt;aan de voertuigen van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg; 9° « motorvoertuigen categorie C1+E » : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van subcategorie C1 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12.000 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt; 10° « motorvoertuigen categorie D » : voertuigen bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend;aan de voertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg. De voertuigen met vouwbalg omschreven in artikel 1, § 2, 9 van het
koninklijk besluit van 15 maart 1968Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
15/03/1968
pub.
16/03/2005
numac
2005000019
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de motorvoertuigen en hun aanhangwagens moeten voldoen. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
15/03/1968
pub.
03/06/2014
numac
2014014295
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de voertuigen, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, behoren eveneens tot deze categorie; 11° « motorvoertuigen categorie D+E » : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;12° « motorvoertuigen categorie D1 » : voertuigen bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht doch niet meer dan zestien zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend;aan de voertuigen van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg; 13° « motorvoertuigen categorie D1+E » : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van subcategorie D1 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12 000 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt en de aanhangwagen niet wordt gebruikt om personen te vervoeren;14° « voertuigen van groep C » : de motorvoertuigen van de categorieën C en C+E en de subcategorieën C1 en C1+E;15° « voertuigen van groep D » : de motorvoertuigen van de categorieën D en D+E en de subcategorieën D1 en D1+E;16° « voertuigen van groep 2 » : de motorvoertuigen van groep C en groep D;17° « geregeld vervoer » : vervoer van personen met een bepaalde regelmaat en langs een bepaalde reisweg, waarbij op vooraf vastgestelde stopplaatsen reizigers mogen worden opgenomen of mogen worden afgezet.Geregeld vervoer is voor iedereen toegankelijk, ongeacht, in voorkomend geval, de verplichting om de reis te boeken.
De aanpassing van de organisatie van het vervoer aan de wisselende behoeften van de gebruikers doet aan het geregelde karakter van de bijzondere vorm van het vervoer geen afbreuk; 18° « gewone verblijfplaats » : de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont. De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een andere Staat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst; 19° « voorlopig rijbewijs » : het voorlopig rijbewijs model 3, zoals bedoeld in de artikelen 6 tot 9 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, geldig gemaakt voor een voertuig van groep 2;20° « aanvraag om een rijbewijs » : het document bedoeld in artikel 17 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs;21° « Europees rijbewijs » : elk rijbewijs bedoeld bij artikel 23, § 2, 1° van de wet, afgegeven door een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte;22° « alternerende beroepsopleiding wegvervoer » : opleiding tot bestuurders van voor goederen- en/of personenvervoer bestemde voertuigen met een minimumduur van 6 maanden die gestructureerde opleidingsperioden in een bedrijf en in een erkend centrum voor alternerende beroepsopleidingen omvat en die erkend is overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de gemeenschappen, de gewesten of overeenkomstig de
wet van 19 juli 1983Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/07/1983
pub.
07/09/2011
numac
2011000526
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten op het leerlingwezen uitgeoefend door werknemers in loondienst, met inbegrip van de beroepsopleidingen binnen het onderwijs;23° « centrum voor alternerende beroepsopleiding » : centrum dat alternerende beroepsopleidingen wegvervoer organiseert en erkend is door de Minister overeenkomstig Hoofdstuk 1 van Titel V van dit besluit;24° « voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid » : document dat wordt afgeleverd aan de kandidaat die een alternerende beroepsopleiding wegvervoer volgt in een door de Minister erkend centrum voor alternerende beroepsopleiding;25° « bewijs van vakbekwaamheid C » : bewijs van vakbekwaamheid geldig voor het besturen van voertuigen van groep C;26° « bewijs van vakbekwaamheid D » : bewijs van vakbekwaamheid geldig voor het besturen van voertuigen van groep D;27° « getuigschrift van basiskwalificatie C » : bewijs van slagen voor het examen basiskwalificatie, het aanvullend examen of het deel basiskwalificatie van het gecombineerd examen voor het besturen van een voertuig van groep C;28° « getuigschrift van basiskwalificatie D » : bewijs van slagen voor het examen basiskwalificatie, het aanvullend examen of het deel basiskwalificatie van het gecombineerd examen voor het besturen van een voertuig van groep D;29° « getuigschrift van nascholing » : bewijs dat nascholing werd gevolgd in een opleidingscentrum;30° « exameninstelling » : instelling die het examen rijbewijs, het examen basiskwalificatie, het gecombineerd examen en het aanvullend examen organiseert voor het besturen van de voertuigen van groep 2 en die erkend is overeenkomstig Hoofdstuk 2 van Titel III van dit besluit;31° « examencentrum » : centrum dat deel uitmaakt van een exameninstelling;32° « opleidingscentrum » : centrum dat nascholingscursussen aanbiedt en erkend is overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 van Titel IV van dit besluit;33° « onderwijsinstellingen » : de overeenkomstig de toepasselijke wetgeving en geldende kwaliteitsnormen van de gemeenschappen georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstellingen;34° « code 95 » : de communautaire code opgenomen in bijlage 7 bij het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs die overeenstemt met het bewijs van vakbekwaamheid;35° « bestuurdersattest » : het attest in de zin van Verordening (EEG) nr.881/92 van de Raad van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een Lidstaat of over het grondgebied van een of meer lidstaten.
TITEL II. - DE VAKBEKWAAMHEID HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied Art. 3.§ 1. Deze titel is van toepassing op het vervoer binnen het Rijk over de openbare weg, met voertuigen waarvoor een rijbewijs van een van de categorieën C, C+E, D, D+E of de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E of een als gelijkwaardig erkend rijbewijs, vereist is, door : 1° De onderdanen van de Europese Unie;2° De onderdanen van een derde land die in dienst zijn van of werken voor een onderneming die gevestigd is in één van de Lidstaten van de Europese Unie. § 2. De personen bedoeld in § 1 moeten, behoudens de vrijstellingen vermeld in artikel 4, beschikken over een geldig bewijs van vakbekwaamheid C voor het besturen van een voertuig van groep C en over een geldig bewijs van vakbekwaamheid D voor het besturen van een voertuig van groep D, afgeleverd door een van de lidstaten van de Europese Unie. § 3. Moeten, behoudens de vrijstellingen bepaald in artikel 5, in België een getuigschrift van basiskwalificatie C voor het besturen van een voertuig van groep C dan wel een getuigschrift van basiskwalificatie D voor het besturen van een voertuig van groep D verwerven : 1° Bestuurders die onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Unie en die hun gewone verblijfplaats hebben in België;2° Bestuurders die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Unie en die in dienst zijn van of werken voor een onderneming die in België gevestigd is, of die beschikken over een Belgische werkvergunning. § 4. De bestuurders vermeld in § 1 die hun gewone verblijfplaats hebben in België en die in België werken, moeten in België nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep 2.
De bestuurders vermeld in § 1 die hun gewone verblijfplaats hebben in België of die in België werken, kunnen in België nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep 2.
De bestuurders vermeld in § 1 die hun gewone verblijfplaats hebben in een andere Lidstaat van de Europese Unie of die werken in een andere Lidstaat van de Europese Unie, kunnen in die lidstaat nascholing volgen voor het besturen van een voertuig van groep 2. Art. 4.§ 1. De vereiste van vakbekwaamheid is niet van toepassing op bestuurders : 1° van voertuigen met een toegelaten maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur;2° van voertuigen in gebruik bij of onder controle van de strijdkrachten, de burgerbescherming, de brandweer en diensten verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde;3° van voertuigen die op de weg worden getest in verband met technische verbeteringen, reparatie, onderhoud, en nieuwe of omgebouwde voertuigen die nog niet in het verkeer zijn gebracht;4° van voertuigen die worden gebruikt bij noodtoestanden of worden ingezet voor reddingsoperaties;5° van voertuigen die worden gebruikt voor niet-commercieel goederen- en personenvervoer voor privé-doeleinden;6° van voertuigen of combinaties van voertuigen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 7,5 ton die worden gebruikt voor het vervoer van materiaal, apparatuur of machines die de bestuurder voor zijn werk nodig heeft en op voorwaarde dat dit vervoer niet de voornaamste activiteit van de bestuurder is. § 2. Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid C voor een periode van ten hoogste één jaar voor vervoer binnen het Rijk, zijn bestuurders die houder zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid C. Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid D voor een periode van ten hoogste één jaar voor vervoer binnen het Rijk, zijn bestuurders die houder zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid D. § 3. Vrijgesteld van de verplichting tot het beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid zijn : 1° de bestuurders die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit het praktisch examen afleggen of met het oog daarop scholing volgen;2° de leerlingen van een rijschool die met bijstand van een instructeur een voertuig besturen dat bestemd is voor het onderricht;3° de bestuurders bedoeld in artikel 4, 4° en 8° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs;4° de kandidaten bedoeld in artikel 4, 5°, 6°, 7°, 9° en 15° van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. Art. 5.§ 1. Vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie C zijn bestuurders die : 1° houder zijn van een getuigschrift van basiskwalificatie C dat werd behaald in een andere Lidstaat van de Europese Unie;2° houder zijn of zijn geweest van een rijbewijs van groep C, mits dat uiterlijk op 9 september 2009 is afgegeven. § 2. Vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van een getuigschrift van basiskwalificatie D zijn bestuurders die : 1° houder zijn van een getuigschrift van basiskwalificatie …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.