📄 Wettekst
20 JUNI 2008. - Decreet betreffende de administratieve personeelsleden van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hogescholen (1)
Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities Artikel 1.Dit decreet is van toepassing op : 1° de leden van het administratief personeel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hogescholen;2° de inrichtende machten van die instellingen. Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van dit decreet, moet worden verstaan onder : 1° Decreet van 5 augustus 1995 : het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen;2° Decreet van 25 juli 1996 : het decreet van 25 juli 1996 betreffende de opdrachten en betrekkingen in de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen;3° Decreet van 9 september 1996 : het decreet van 9 september 1996 betreffende de financiering van de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen;4°
Decreet van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
24/07/1997
pub.
06/11/1997
numac
1997029343
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap
type
decreet
prom.
24/07/1997
pub.
23/09/1997
numac
1997029337
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren
sluiten : het
decreet van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
24/07/1997
pub.
06/11/1997
numac
1997029343
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap
type
decreet
prom.
24/07/1997
pub.
23/09/1997
numac
1997029337
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren
sluiten dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;5°
Decreet van 20 december 2001Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
20/12/2001
pub.
03/05/2002
numac
2002029138
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (1)
type
decreet
prom.
20/12/2001
pub.
31/01/2002
numac
2002029065
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van de inspectiedienst van de Franse Gemeenschap voor het gewoon kleuteronderwijs, het gewoon lager onderwijs en het gewoon basisonderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap
type
decreet
prom.
20/12/2001
pub.
03/10/2002
numac
2002029435
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2002
sluiten : het
decreet van 20 december 2001Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
20/12/2001
pub.
03/05/2002
numac
2002029138
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (1)
type
decreet
prom.
20/12/2001
pub.
31/01/2002
numac
2002029065
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van de inspectiedienst van de Franse Gemeenschap voor het gewoon kleuteronderwijs, het gewoon lager onderwijs en het gewoon basisonderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap
type
decreet
prom.
20/12/2001
pub.
03/10/2002
numac
2002029435
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2002
sluiten tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten);6°
Decreet van 31 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
31/03/2004
pub.
18/06/2004
numac
2004029170
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten
type
decreet
prom.
31/03/2004
pub.
21/06/2004
numac
2004029168
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot wijziging van de decreten van 27 februari 2003 tot vaststelling van de academische graden uitgereikt door de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en tot vaststelling van de minimale uurregelingen en van 9 september 1996 betreffende de financiering van de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen
sluiten : het
decreet van 31 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
31/03/2004
pub.
18/06/2004
numac
2004029170
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten
type
decreet
prom.
31/03/2004
pub.
21/06/2004
numac
2004029168
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot wijziging van de decreten van 27 februari 2003 tot vaststelling van de academische graden uitgereikt door de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en tot vaststelling van de minimale uurregelingen en van 9 september 1996 betreffende de financiering van de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen
sluiten betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten;7°
Decreet van 12 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
12/05/2004
pub.
24/08/2004
numac
2004029246
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap
type
decreet
prom.
12/05/2004
pub.
23/06/2004
numac
2004029221
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet betreffende de vaststelling van de schaarste en bepaalde Commissies in het buitengewoon of door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs
sluiten : het
decreet van 12 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
12/05/2004
pub.
24/08/2004
numac
2004029246
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap
type
decreet
prom.
12/05/2004
pub.
23/06/2004
numac
2004029221
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet betreffende de vaststelling van de schaarste en bepaalde Commissies in het buitengewoon of door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs
sluiten tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap;8° De instelling : de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hogeschool;9° De instelling van de Franse Gemeenschap : de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogeschool;10° De officiële gesubsidieerde instelling : de instelling die door een gemeente, een provincie, de Franse Gemeenschapscommissie of een publiekrechtelijke rechtspersoon wordt georganiseerd;11° De vrije gesubsidieerde instelling : de instelling die door een privaatrechtelijke rechtspersoon wordt georganiseerd;12° De inrichtende macht : de inrichtende macht van een instelling zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;13° De raad : de raad van bestuur, zoals bedoeld in artikel 65, eerste lid van het decreet van 5 augustus 1995, voor de hogescholen van de Franse Gemeenschap, en het bestuursorgaan zoals bedoeld in artikel 69, eerste en tweede leden van hetzelfde decreet, voor de gesubsidieerde hogescholen;14° de paritaire commissie : naar gelang van de gevallen, de commissies bedoeld in de artikelen 171 en 247 van het
decreet van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
24/07/1997
pub.
06/11/1997
numac
1997029343
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap
type
decreet
prom.
24/07/1997
pub.
23/09/1997
numac
1997029337
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren
sluiten;15° de directeur : de directeurs-voorzitters van een hogeschool;16° niet statutaire personeelsleden : de personen bedoeld bij de overeenkomsten genomen met toepassing van artikel 18 van het decreet van het Waalse Gewest van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs en de commerciële sector, en bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen, alsook de personen die een ambt uitoefenen ten laste van de inrichtende macht, op voorwaarde dat die personen, in een instelling zoals bepaald in 9°, 10° en 11°, naar gelang van het geval, een ambt uitoefent dat gelijk is aan één van de in artikel 3 bedoelde ambten;17° verandering van affectatie : statutaire handeling waarbij een administratief personeelslid dat in vast verband benoemd of aangeworven is de mogelijkheid wordt geboden om een andere betrekking van hetzelfde ambt en hetzelfde niveau in een andere instelling binnen dezelfde inrichtende macht te bekomen;18° reaffectatie : statutaire handeling waarbij een administratief personeelslid dat in vast verband benoemd of aangeworven is en dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld is, de mogelijkheid wordt geboden om een andere betrekking van hetzelfde ambt en hetzelfde niveau in een andere instelling binnen dezelfde inrichtende macht te bekomen. § 2. Voor de toepassing van dit decreet, worden de termijnen berekend als volgt : 1° de dag die er het begin van uitmaakt, is niet inbegrepen;2° de dag die er het einde van uitmaakt, wordt in de termijn meegerekend. Als de dag van het einde van de termijn een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of een feestdag in de Franse Gemeenschap is, wordt die tot de eerstvolgende werkdag uitgesteld. § 3. Het gebruik, in het Frans, van mannelijke namen voor de verschillende titels en ambten is gemeenslachtig, opdat de tekst verstaanbaar zou zijn, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel. HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen Afdeling I. - Bekwaamheidsbewijzen en ambten
Art. 3.§ 1. De ambten die de leden van het administratief personeel van de instellingen kunnen uitoefenen, worden hierna bepaald en gerangschikt in ambten van niveau 1, niveau 2+, niveau 2 en niveau 3.
De wervingsambten zijn ambten van rang 1. De bevorderingsambten zijn ambten van rang 2.
De ambten van niveau 1 worden uitgeoefend door personeelsleden die houder zijn van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de derde graad.
De ambten van niveau 2+ worden uitgeoefend door personeeleden die houder zijn van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de eerste graad.
De ambten van niveau 2 worden uitgeoefend door de personeelsleden die houder zijn van het getuigschrift van het hoger secundair onderwijs.
De ambten van niveau 3 worden uitgeoefend door personeelsleden die houder zijn van het getuigschrift van het secundair onderwijs van de tweede graad.
Alle ambten van het administratief personeel kunnen voltijds of halftijds worden uitgeoefend. § 2. De ambten worden in de bijlage 1 bij dit decreet bepaald. § 3. Voor de toepassing van dit decreet, worden onder bekwaamheidsbewijzen van het hogere niveau van de derde graad verstaan : 1° de graden van doctor, arts, dierenarts of master, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op de academische graden;2° de andere graden van master, uitgereikt door het hoger onderwijs van het lange type, of door een examencommissie voor het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, samengesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 43 van het decreet van 5 augustus 1995;3° de graad van master die kunststudies van de tweede cyclus van het lange type bekrachtigt;4° de diploma's uitgereikt door de Koninklijke Militaire School op het einde van een tweede studiecyclus. Voor de toepassing van dit decreet, worden verstaan onder bekwaamheidsbewijzen van het hogere niveau van de eerste graad : 1° één van de diploma's die werden uitgereikt overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van het decreet van 5 augustus 1995;2° de graad van bachelor die de kunststudies van het korte type bekrachtigt;3° de graad van bachelor die kunststudies van de eerste cyclus van het lange type bekrachtigt. § 4. Worden eveneens in aanmerking genomen zoals de diploma's uitgereikt door het onderwijs met volledig leerplan : 1° de overeenstemmende diploma's uitgereikt door het onderwijs voor sociale promotie van het lange type krachtens artikel 62, eerste lid, 1°, van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie;2° de overeenstemmende diploma's uitgereikt door het onderwijs voor sociale promotie van het korte type krachtens artikel 45, eerste lid, 1°, van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie. § 5. De bekwaamheidsbewijzen bedoeld in § 1 kunnen ook buitenlandse bekwaamheidsbewijzen zijn die gelijkwaardig worden verklaard met toepassing van de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften of van artikel 36 van het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden, of ermee gelijkgesteld, met toepassing van artikel 4quater van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, het sociaal personeel van de inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en niet universitair hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap alsmede van de internaten die van deze inrichtingen afhangen. Art. 4.Het wekelijkse volume van de prestaties van de administratieve personeelsleden bedraagt 38 uren/week. HOOFDSTUK III. - Werving Afdeling I. - Oproep tot kandidaturen
Art. 5.De personeelsformatie van het administratief personeel wordt jaarlijks door de inrichtende macht vastgesteld, volgens dezelfde procedures als deze die bepaald zijn voor de bepaling van de personeelsformatie van het pedagogisch personeel.
Wanneer de inrichtende macht een betrekking van een ambt van het administratief personeel zoals bedoeld in artikel 3, § 2, wenst toe te kennen, maakt hij jaarlijks een oproep in het Belgisch Staatsblad bekend.
De oproep in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt in de loop van de maand maart voor de hogescholen van de Franse Gemeenschap, uiterlijk op 1 mei voor de gesubsidieerde hogescholen.
Alvorens een aanstelling of een aanwerving in tijdelijk verband te kunnen uitvoeren zoals bepaald in dit artikel en in artikel 8, § 1 en § 2, zal de inrichtende macht de aanvragen om reaffectatie behandelen van in vast verband benoemde of aangeworven personeelsleden die bij ontstentenis van betrekking ter beschikking worden gesteld in hetzelfde ambt of in een overeenstemmend ambt binnen een instelling bedoeld in artikel 2, 11° die onder dezelfde inrichtende macht ressorteert, alsook de aanvragen om verandering van affectatie ingediend door de personeelsleden die in vast verband benoemd of aangeworven worden in hetzelfde ambt of in een overeenstemmend ambt binnen een instelling bedoeld in artikel 2, 11° die onder dezelfde inrichtende macht ressorteert.
De overeenstemmende ambten bedoeld in het vorige lid worden in bijlage 2 bij dit decreet opgesomd. Art. 6.De in artikel 5 bedoelde oproep bepaalt : 1° het niveau van het bedoelde ambt, de aard van de opdracht, de omschrijving van het uit te oefenen ambt, alsook de plaats(en) waar dat ambt zal worden uitgeoefend;2° de in te dienen dossiers, die inzonderheid de documenten met betrekking tot de bekwaamheidsbewijzen en de nuttige ervaring, alsook het bewijs van verschillende beroepservaringen;3° de vorm en de termijn die vereist zijn voor de indiening van de dossiers bedoeld in 2°. Met de omschrijving van het ambt wordt de specificiteit van de in artikel 3, § 1, bedoelde bekwaamheidsbewijzen bepaald. Art. 7.Op straffe van nietigheid worden de kandidaturen ingediend bij de inrichtende macht bij een ter post aangetekend schrijven. Art. 8.§ 1. Wanneer een instelling een vervanging wenst uit te voeren, kan de inrichtende macht een persoon aanwerven in afwijking van de procedure bedoeld in artikel 5, tweede lid. De inrichtende macht moet bij voorrang een persoon aanwerven die zich kandidaat heeft gesteld voor een betrekking van hetzelfde ambt, overeenkomstig de in de artikelen 5 en 6 bedoelde oproep.
Die aanstelling of aanwerving in tijdelijk verband eindigt in de gevallen bepaald in artikel 56, 1° tot 7° en 9° tot 12°, in ieder geval op het einde van het lopende academiejaar. Die aanstelling of aanwerving kan geenszins leiden tot een aanstelling of aanwerving voor een onbepaalde tijd. § 2. Wanneer de instelling een betrekking wenst toe te kennen die vacant wordt na de bekendmaking van de oproep bedoeld in artikel 6, is de procedure bedoeld in het eerste lid van § 1 van toepassing.
Die aanstelling of aanwerving kan geenszins leiden tot een aanstelling of aanwerving voor een onbepaalde tijd.
De instelling kan echter een betrekking krachtens het eerste lid slechts gedurende hoogstens twee academiejaren toekennen.
Indien datzelfde personeelslid in hetzelfde ambt tijdelijk aangesteld is, moet elke nieuwe aanstelling op het einde van de periode bedoeld in het vorige lid de artikelen 5 en 6 naleven. Art. 9.Voor de instellingen van de Franse Gemeenschap, worden de personeelsleden door de Regering op de voordracht van de Raad in tijdelijk verband aangesteld.
Voor de gesubsidieerde instellingen, worden de personeelsleden, naar gelang van het geval, door de inrichtende macht in tijdelijk verband aangesteld of aangeworven, op de voordracht van ofwel het bestuur ofwel de Raad. Afdeling II. - Aanstelling of aanwerving in tijdelijk verband
Art. 10.§ 1. Niemand kan in tijdelijk verband worden aangesteld of aangeworven indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet op het ogenblik van de aanstelling of aanwerving in tijdelijk verband : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, tenzij de Regering een afwijking toestaat;2° een gedrag hebben dat beantwoordt aan de eisen van het ambt;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° aan de dienstplichtwetten hebben voldaan;5° houder zijn van één van de bekwaamheidsbewijzen voor het toe te kennen ambt dat in artikel 3 vermeld is;6° de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling in acht nemen;7° zijn kandidatuur hebben ingediend in de vorm en binnen de termijn die bij de oproep tot kandidaturen vermeld zijn;8° niet het voorwerp uitmaken van een schorsing bij tuchtmaatregel of een op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel in een ambt van administratief personeelslid binnen de betrokken inrichtende macht, en niet het voorwerp uitmaken van een onverenigbaarheidsvaststelling bedoeld, naar gelang van het geval, in artikel 73 of in artikel 106;9° niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een afzetting of een afdanking om een dringende reden als administratief personeelslid binnen de betrokken inrichtende macht. § 2. Elke aanstelling of aanwerving in tijdelijk verband wordt schriftelijk uitgevoerd en vermeldt ten minste : 1° de identiteit van de inrichtende macht;2° de identiteit van het personeelslid;3° het niveau van het ambt, de aard van het ambt, de omschrijving van het uit te oefenen ambt, alsook de plaats(en) waar dat ambt zal worden uitgeoefend;4° de datum van indiensttreding;5° de datum waarop de aanstelling of de aanwerving eindigt voor de aanstellingen of aanwervingen voor een bepaalde tijd;6° of de betrekking vacant werd verklaard overeenkomstig de oproep bedoeld in artikel 5;7° als het gaat om een vervanging overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 8, § 1, de naam van de titularis;8° in voorkomend geval, de verplichtingen bedoeld, naar gelang van het geval, in de artikelen 98, derde lid, of 138, en de onverenigbaarheden bedoeld, naar gelang van het geval, in de artikelen 108 of 139. De inrichtende macht reikt het tijdelijk personeelslid een schriftstuk uit dat de vermeldingen bepaald in het eerste lid opneemt. Als er geen schriftstuk is, wordt het personeelslid geacht aangesteld of aangeworven te zijn in het ambt en de opdracht die het werkelijk bekleedt. Het wordt, naar gelang van het geval, geacht aangesteld of aangeworven te zijn in tijdelijk verband voor een bepaalde tijd of voor een onbepaalde tijd. § 3. Bij zijn indiensttreding, legt het personeelslid de eed af in handen van de directeur-voorzitter.
De eed wordt uitgesproken in de vorm bepaald door artikel 2 van het
decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
20/07/1831
pub.
07/02/2013
numac
2013000079
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Decreet op de drukpers
type
decreet
prom.
20/07/1831
pub.
26/07/2012
numac
2012000423
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten.
Daar wordt akte van aan het personeelslid gegeven. Art. 11.De eerste aanstelling of de eerste aanwerving in tijdelijk verband die met inachtneming van artikel 5 wordt uitgevoerd, eindigt uiterlijk op het einde van het academiejaar. Art. 12.§ 1. Uiterlijk op het einde van de eerste week van de maand mei, maakt de inrichtende macht of de directeur-voorzitter een verslag op over de wijze waarop het in tijdelijk verband aangestelde of aangeworven personeelslid zijn taak heeft uitgeoefend.
Het model van het verslag wordt, voor de instellingen van de Franse Gemeenschap, door de Regering vastgesteld, en, voor de gesubsidieerde instellingen, door de in de artikelen 129 en 155 bedoelde paritaire commissies.
Het verslag wordt op dezelfde dag geviseerd en gedateerd door de betrokkene, die er een afschrift van ontvangt en een schriftelijk antwoord kan bijvoegen.
Het verslag heeft, naargelang van het geval, betrekking op één van de volgende meldingen « voldeed », « voldeed gedeeltelijk », « voldeed niet ». § 2. Wanneer het verslag, voor een betrekking bedoeld in artikel 5, tweede lid, de melding « niet voldeed » draagt, kan het personeelslid, binnen de vijf werkdagen volgend op de datum bepaald in § 1, derde lid, een schriftelijk bezwaar indienen bij de directeur, die er de ontvangst van meldt en het onmiddellijk aan de bevoegde raad van beroep meedeelt. Deze brengt zijn advies uit binnen een maximumtermijn van één maand vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift.
De inrichtende macht neemt haar beslissing binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van het advies van de raad van beroep. De oorspronkelijke beslissing wordt behouden of gewijzigd. In alle gevallen moet die beslissing met redenen worden omkleed. § 3. Als er geen verslag is, dan wordt het personeelslid geacht een verslag met de melding « voldeed » te hebben gekregen. Art. 13.Wanneer het verslag de melding « voldeed » krijgt, kan de aanstelling of de aanwerving in tijdelijk verband voor het volgende academiejaar worden verlengd.
Wanneer het verslag de melding « niet voldeed » krijgt, kan de aanstelling of aanwerving in tijdelijk verband niet worden verlengd voor het volgende academiejaar.
Wanneer het personeelslid een verslag krijgt met de melding « voldeed gedeeltelijk », kan zijn aanstelling of aanwerving in tijdelijk verband worden verlengd voor hoogstens één academiejaar. Op het einde van dat academiejaar, kan het personeelslid alleen een verslag krijgen met de melding « voldeed » of met de melding « voldeed niet ». Afdeling III. - Benoeming of aanwerving in vast verband
Art. 14.Na een academiejaar volgend op de eerste aanstelling of de eerste aanwerving in tijdelijk verband, wordt het personeelslid een tijdelijk personeelslid voor een onbepaalde tijd, indien het een verslag met de melding « voldeed » heeft gekregen op het einde van het betrokken academiejaar, voor zover de betrekking toe te kennen was overeenkomstig artikel 5, tweede lid, voor het betrokken academiejaar. Art. 15.Geen tijdelijk personeelslid voor een onbepaalde tijd kan door de inrichtende macht in vast verband worden benoemd of aangeworven, indien het, bij de benoeming of aanstelling in vast verband, niet voldoet aan één van de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, tenzij de Regering een afwijking toestaat;2° een gedrag hebben dat beantwoordt aan de eisen van het ambt;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° aan de dienstplichtwetten hebben voldaan;5° houder zijn van één van de bekwaamheidsbewijzen voor het toe te kennen ambt dat in artikel 3 vermeld is;6° de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling in acht nemen;7° dat ambt als hoofdambt bekleden;8° niet het voorwerp uitmaken van een schorsing bij tuchtmaatregel of een op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel in een ambt van administratief personeelslid binnen de betrokken inrichtende macht;9° niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een afzetting of een afdanking om een dringende reden als administratief personeelslid, ongeacht de inrichtende macht. De inrichtende macht benoemt of werft in vast verband het personeelslid aan dat voor een onbepaalde tijd in tijdelijk verband wordt aangesteld of aangeworven en dat, voor het betrokken ambt, de grootste dienstanciënniteit telt, berekend overeenkomstig artikel 32, § 4.
Bij gelijke dienstanciënniteit, benoemt of werft de inrichtende macht in vast verband het personeelslid aan dat voor een onbepaalde tijd in tijdelijk verband wordt aangesteld of aangeworven en dat, voor het betrokken ambt, de grootste ambtsanciënniteit telt, berekend overeenkomstig artikel 32, § 5.
Bij gelijke ambtsanciënniteit, heeft het oudste personeelslid de voorrang.
Voor de door de Franse Gemeenschap georganiseerde instellingen, worden de personeelsleden door de Regering op de voordracht van de Raad in vast verband benoemd.
Voor de gesubsidieerde instellingen, worden de personeelsleden, naar gelang van het geval, door de inrichtende macht in vast verband aangeworven of benoemd, op de voordracht van de directie of de Raad. Afdeling IV. - Bevordering
Art. 16.De ambten van rang 2 kunnen alleen door in vast verband benoemde of aangeworven personeelsleden worden uitgeoefend. Art. 17.Niemand kan in vast verband worden benoemd of aangeworven in een ambt van rang 2 indien hij op het ogenblik van de benoeming of aanwerving in vast verband niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° in vast verband benoemd of aangeworven zijn in het overeenstemmende ambt van rang 1;2° dat ambt gedurende ten minste vier jaar vanaf de datum van de benoeming of aanwerving in vast verband hebben uitgeoefend. Art. 18.De betrekkingen van rang 2 die door de inrichtende macht vacant worden verklaard, worden bij voorrang toegekend door middel van een interne oproep gericht tot de personeelsleden van de betrokken instelling die in vast verband benoemd of aangeworven zijn in een overeenstemmend ambt van rang 1.
Naar aanleiding van de oproep bedoeld in artikel 6, maakt de inrichtende macht een oproep bekend voor de reaffectaties en veranderingen van affectatie voor elke betrekking die nog toe te kennen is na toepassing van het eerste lid. Art. 19.§ 1. Het aantal betrekkingseenheden van personeelsleden die een ambt van rang 2 uitoefenen, kan niet hoger zijn dan 1/3 van het totaal aantal betrekkingen van het betrokken niveau. § 2. In afwijking van § 1, kan een personeelslid een ambt in rang 2 uitoefenen, wanneer het totaal aantal betrekkingseenheden van het betrokken niveau hoogstens twee eenheden bedraagt. § 3. In het totaal aantal betrekkingseenheden bedoeld in de §§ 1 en 2 wordt (worden) het personeelslid (de personeelsleden) dat(die) een ambt van rang 2 uitoefent(nen) en dat (die) een verandering van affectatie in de betrokken instelling heeft(hebben) verkregen, niet meegerekend. HOOFDSTUK IV. - Administratieve standen Afdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 20.Het personeelslid bevindt zich geheel of gedeeltelijk in één van de volgende administratieve standen : 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit;3° terbeschikkingstelling. Het tijdelijk administratief personeelslid kan alleen « in dienstactiviteit zijn ». Afdeling II. - Dienstactiviteit
Art. 21.Het personeelslid wordt altijd geacht in dienstactiviteit te zijn, tenzij uitdrukkelijk wordt bepaald dat het zich in een andere administratieve stand bevindt. Art. 22.Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft het personeelslid in dienstactiviteit recht op wedde en op verhoging in wedde. Art. 23.De Regering stelt de regeling voor de jaarlijkse vakantie van de personeelsleden vast.
De personeelsleden hebben recht op minstens tweeëndertig werkdagen vakantie per academiejaar. Art. 24.§ 1. Het in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid dat zich in dienstactiviteit bevindt, krijgt de volgende verloven : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° het omstandigheidsverlof en het verlof voor persoonlijke aangelegenheid;3° opvangverlof met het oog op adoptie en pleegvoogdij;4° verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;5° verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;6° verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen;7° verlof voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de Civiele Bescherming of van taken van openbaar nut op grond van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, 8° voor syndicale activiteit;9° verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid;10° voor onderbreking van de beroepsloopbaan;11° een politiek verlof;12° moederschapsrust;13° voor borstvoedingspauzes;14° om een ander ambt uit te oefenen in het onderwijs buiten de universiteit. § 2. Het tijdelijk administratief personeelslid krijgt de volgende verloven : 1° jaarlijks vakantieverlof;2° omstandigheidsverlof en verlof voor persoonlijke aangelegenheid;3° wegens ziekte of gebrekkigheid;4° opvang met het oog op adoptie of pleegvoogdij;5° onderbreking van de beroepsloopbaan;6° moederschapsrust;7° voor borstvoedingspauzes. Afdeling III. - Non-activiteit
Art. 25.Het personeelslid bevindt zich in de stand non-activiteit : a) wanneer het onder de door de Regering te bepalen voorwaarden sommige militaire prestaties in vredestijd verricht, of bij de civiele bescherming is ingedeeld, of met taken ten algemenen nutte belast is bij toepassing van de wet houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;b) wanneer schorsing bij tuchtmaatregel of op non-activiteitsstelling bij tuchtmaatregel op hem is toegepast;c) wanneer het om gezinsredenen van zijn inrichtende macht toelating heeft gekregen tijdens een langdurige periode afwezig te zijn. Art. 26.Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling, heeft het personeelslid in de stand non-activiteit geen recht op wedde. Art. 27.Niemand kan op non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de vereisten voldoet om in ruste te worden gesteld. Afdeling IV. - Terbeschikkingstelling
Art. 28.Het personeelslid kan ter beschikking worden gesteld : a) wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;b) wegens ontstentenis van betrekking;c) wegens ziekte of gebrekkigheid waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheid dan voor verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;d) wegens persoonlijke aangelegenheden. Art. 29.Niemand kan ter beschikking worden gesteld of gehouden waanneer hij aan de voorwaarden voldoet om een rustpensioen te genieten. Art. 30.Wedden kunnen worden uitgekeerd aan ter beschikking gestelde personeelsleden.
Het wachtgeld, de uitkeringen en vergoedingen, die eventueel aan deze personeelsleden worden toegekend, zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling welke geldt voor de bezoldiging van de personeelsleden in actieve dienst. Art. 31.§ 1. Het in vast verband benoemde of aangeworven administratief personeelslid kan door de inrichtende macht ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking in het belang van de dienst als gevolg van een voorstel tot terbeschikkingstelling bij ontstentenis van betrekking in het belang van de dienst, geformuleerd volgens door de Regering nader te bepalen regels. De duur van de terbeschikkingstelling bij ontstentenis van betrekking in het belang van de dienst kan, in één of meer perioden, niet langer zijn dan zes maanden over de gehele loopbaan van het administratief personeelslid.
Er kan echter van de in het eerste lid bedoelde beperking worden afgeweken opdat de terbeschikkingstelling bij ontstentenis van betrekking in het belang van de dienst die in de loop van een academiejaar werd uitgesproken ten aanzien van een personeelslid zou worden verlengd tot het einde van het lopende academiejaar. In het geval van een gesubsidieerde instelling, wordt de afwijking door de inrichtende macht aan de toestemming van de Regering onderworpen.
Gedurende de periode van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking in het belang van de dienst, ontvangt het administratief personeelslid een wachtgeld dat gelijk is aan 75 % van zijn laatste activiteitswedde.
Een administratief personeelslid kan niet ter beschikking worden gesteld bij ontstentenis van betrekking in het belang van de dienst indien voor de feiten waarvoor die maatregel wordt genomen een tuchtsanctie of een procedure voor de vaststelling van een onverenigbaarheid wordt toegepast of indien tegen het personeelslid, voor die feiten, een strafvervolging wordt ingesteld. § 2. Alvorens een voorstel tot terbeschikkingstelling bij ontstentenis van betrekking in het belang van de dienst wordt genomen, moet het administratief personeelslid uitgenodigd zijn door de inrichtende macht gehoord te worden. De oproeping voor de hoorzitting alsook de redenen waarom de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking in het belang van de dienst wordt genomen, moeten aan het personeelslid minstens vijf werkdagen vóór de hoorzitting worden meegedeeld ofwel bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs. Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden van het onderwijs van het betrokken net, in dienstactiviteit of met rust, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid zich niet voor de hoorzitting aanmeldt of er niet vertegenwoordigd wordt.
Als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger echter de overmacht inroept om zijn afwezigheid bij de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid opgeroepen voor een nieuwe hoorzitting die overeenkomstig het eerste lid wordt meegedeeld.
In dat geval, ook al is het administratief personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet bij de hoorzitting aanwezig, wordt de procedure geldig voortgezet.
Het administratief personeelslid ten laste waarvan een voorstel tot terbeschikkingstelling bij ontstentenis van betrekking in het belang van de dienst wordt geformuleerd, kan, binnen de tien dagen na de kennisgeving van het voorstel, een beroep indienen bij de raad van beroep.
Deze brengt een met redenen omkleed advies uit binnen een termijn van hoogstens drie maanden.
Binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van het advies van de raad van beroep, deelt de inrichtende macht haar beslissing aan de verzoeker mee, waarbij de terbeschikkingstelling uitwerking heeft met ingang van de derde werkdag volgend op de mededeling ervan. § 3. Indien het administratief personeelslid geen beroep vóór de raad van beroep heeft ingediend binnen de vereiste termijn bepaald in § 2, wordt het voorstel tot terbeschikkingstelling bij ontstentenis van betrekking in het belang van de dienst die aan het personeelslid werd meegedeeld met toepassing van diezelfde § 2 definitief. Die beslissing heeft uitwerking met ingang van de derde werkdag volgend op de mededeling door de inrichtende macht aan het personeelslid. Art. 32.§ 1. Ter beschikking bij ontstentenis van betrekking wordt gesteld, het in vast verband benoemde of aangeworven personeelslid waarvan de betrekking afgeschaft wordt.
De wedde van het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld bij ontstentenis van betrekking wordt door de Franse Gemeenschap uitbetaald.
De dotatie die, krachtens de bepalingen van de voormelde wet van 29 mei 1959, aan de instelling wordt betaald, wordt verminderd met het equivalent van het wachtgeld dat door het personeelslid wordt ontvangen.
Het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld bij ontstentenis van betrekking blijft ter beschikking van de instelling om opdrachten uit te oefenen in verband met het ambt waarin het in vast verband werd benoemd of aangeworven, in verhouding tot het wachtgeld dat het ontvangt.
Het personeelslid ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan zijn laatste activiteitswedde gedurende twee academiejaren.
Vanaf het derde academiejaar, wordt het wachtgeld elk jaar met 10 pct verminderd, waarbij het niet lager kan zijn dan zoveel keer één dertigste van de wedde die het personeelslid dienstjaren telt op de datum van zijn terbeschikkingstelling.
Die vermindering kan niet tot gevolg hebben dat het wachtgeld herleid wordt tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het betrokken personeelslid recht zou hebben indien het het stelsel van de sociale zekerheid van de betrokken werknemers zou genieten.
Voor de toepassing van die paragraaf dient onder dienstjaren te worden verstaan, deze die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen. § 2. De inrichtende macht stelt een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid ter beschikking bij ontstentenis van betrekking pas nadat ze, in de hierna bepaalde volgorde, een einde heeft gemaakt aan de dienstprestaties van de personeelsleden die in tijdelijk verband hetzelfde ambt uitoefenen binnen de instelling, met inachtneming van hun dienstanciënniteit. § 3. Indien de inrichtende macht, na de handeling vermeld in de vorige paragraaf, nog één personeelslid onder deze die hetzelfde ambt uitoefenen, ter beschikking bij ontstentenis van betrekking moet stellen, doet ze dit met inachtneming van de dienstanciënniteit.
Het in vast verband benoemde of aangeworven personeelslid dat de kleinste dienstanciënniteit voor het betrokken ambt telt, verliest zijn betrekking. § 4. De dienstanciënniteit bedoeld in § 2 wordt berekend op de volgende wijze : 1° a) alle diensten die als tijdelijk administratief personeelslid werden gepresteerd binnen de betrokken inrichtende macht, komen in aanmerking voor een anciënniteit die gelijk is aan het aantal dagen, berekend van het begin tot het einde van de gepresteerde diensten;b) de diensten die door de niet statutaire personeelsleden zoals bepaald in artikel 2 werden gepresteerd, worden gelijkgesteld met de diensten bedoeld in a), op voorwaarde dat het betrokken niet statutair personeelslid houder is van het bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 3.Voor de eerste 1200 dagen, wordt een verminderingscoëfficiënt van 0,3 toegepast; 2° de diensten die als in vast verband benoemd of aangeworven administratief personeelslid werkelijk werden gepresteerd binnen de betrokken inrichtende macht, in een ambt met volledige prestaties, worden per kalendermaand berekend, waarbij deze die niet de hele maand dekken, niet in aanmerking worden genomen;3° de diensten die werkelijk werden gepresteerd in een ambt met onvolledige prestaties dat ten minste de helft van het vereiste aantal uren van het ambt met volledige prestaties telt, worden in aanmerking genomen in dezelfde verhouding als de diensten gepresteerd in een ambt met volledige prestaties;4° het aantal dagen gepresteerd in een ambt met onvolledige prestaties dat dit aantal uren niet telt, wordt met de helft verminderd;5° één maand bestaat uit dertig dagen;6° de duur van de diensten die werkelijk werden gepresteerd in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten met volledige of onvolledige prestaties kan nooit langer zijn dan de duur van de diensten die werden gepresteerd in een ambt met volledige prestaties dat gedurende dezelfde periode werd uitgeoefend;7° het jaarlijks vakantieverlof, het omstandigheidsverlof en het verlof voor persoonlijke aangelegenheid, de moederschapsrust en het verlof voor opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij worden in aanmerking genomen voor de berekening van de dienstanciënniteit. Voor de tijdelijke personeelsleden en de niet statutaire personeelsleden, worden de verlofdagen alleen gedurende de activiteitsperiode in aanmerking genomen. § 5. Voor de toepassing van de §§ 2 en 3, bij gelijke dienstanciënniteit, wordt eerst het personeelslid dat de kleinste ambtsanciënniteit telt ter beschikking gesteld bij ontstentenis van betrekking.
De ambtsanciënniteit wordt berekend op dezelfde wijze als in § 4.
Worden echter alleen in aanmerking genomen, de diensten die in het betrokken ambt werden gepresteerd.
Bij gelijke ambtsanciënniteit, wordt eerst het jongste personeelslid ter beschikking gesteld bij ontstentenis van betrekking. § 6. Wanneer een personeelslid ter beschikking wordt gesteld bij ontstentenis van betrekking en een betrekking van hetzelfde niveau en hetzelfde ambt vacant wordt, moet de inrichtende macht die bij voorrang aan dat personeelslid toekennen alvorens die betrekking vacant te verklaren zoals bepaald in artikel 5, tweede lid. HOOFDSTUK V. - Preventieve schorsing : administratieve maatregel Afdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 33.De preventieve schorsing bepaald in dit hoofdstuk is een zuiver administratieve maatregel die geen sanctiekarakter heeft.
Ze wordt uitgesproken door de inrichtende macht en wordt met redenen omkleed. Zij heeft voor gevolg het personeelslid van zijn ambt te ontheffen.
Tijdens de duur van de preventieve schorsing blijft het personeelslid in de administratieve stand dienstactiviteit. Afdeling II. - Preventieve schorsing van de in vast verband benoemde
of aangeworven personeelsleden Art. 34.§ 1. Wanneer het belang van de dienst of van het onderwijs zulks vereist, kan een procedure voor preventieve schorsing worden ingesteld ten aanzien van een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid : 1° indien het strafrechtelijk vervolgd wordt;2° zodra een tuchtvordering tegen hem door de inrichtende macht wordt ingesteld;3° zodra de inrichtende macht hem, bij een ter post aangetekend schrijven, kennis geeft van de vaststelling van een onverenigbaarheid. § 2. Voordat een maatregel tot preventieve schorsing wordt getroffen, moet het personeelslid uitgenodigd zijn om gehoord te worden door de inrichtende macht.
De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen tot staving van de preventieve schorsing van het personeelslid worden drie werkdagen voor de hoorzitting, ofwel bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, dat drie werkdagen na de datum van zijn verzending uitwerking heeft, ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs, dat uitwerking heeft op de datum die op dat ontvangstbewijs vermeld staat, meegedeeld.
Gedurende de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in dienstactiviteit zijn of in ruste gesteld zijn uit het onderwijs van het betrokken net, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie.
Binnen de tien werkdagen die volgen op de dag bepaald voor de hoorzitting, en ook al zijn het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet bij de hoorzitting verschenen zonder dat ze een overmacht hebben kunnen inroepen die hun afwezigheid bij de hoorzitting kan rechtvaardigen, geeft de inrichtende macht aan betrokkene bij een ter post aangetekend schrijven van zijn beslissing kennis.
Als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger de overmacht kunnen inroepen om hun afwezigheid bij de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid opgeroepen voor een nieuwe hoorzitting, meegedeeld overeenkomstig het tweede lid.
In dat geval, en ook al zijn het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet bij de hoorzitting verschenen, wordt de beslissing aan het personeelslid meegedeeld bij een ter post aangetekend schrijven binnen de tien werkdagen volgend op de dag van de hoorzitting.
Indien deze beslissing leidt tot de preventieve schorsing van het personeelslid, heeft ze uitwerking met ingang van de derde werkdag volgend op de datum van verzending ervan. § 3. In afwijking van het eerste lid van § 2, kan het personeelslid onmiddellijk uit zijn ambt worden verwijderd wegens een ernstige tekortkoming waarvoor het op heterdaad betrapt is of wanneer de grieven die hem worden verweten zo zwaar zijn dat het, in het belang van de instelling, wenselijk is dat het personeelslid niet meer in de school aanwezig is.
Binnen de tien werkdagen die volgen op de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke verwijdering werd getroffen, moet de procedure tot preventieve schorsing worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Zo niet, dan eindigt de maatregel tot onmiddellijke verwijdering op het einde van voormelde termijn en kan het personeelslid uit de instelling wegens dezelfde ernstige tekortkoming of dezelfde grieven pas opnieuw worden verwijderd mits naleving van de procedure voor de preventieve schorsing zoals inzonderheid bedoeld in § 2 van dit artikel.
Het onmiddellijk verwijderde personeelslid blijft in dienstactiviteit. § 4. In het kader van een tuchtvordering of in het kader van de vaststelling van een onverenigbaarheid, kan de duur van de preventieve schorsing niet langer zijn dan één jaar, en, in het kader van een tuchtvordering, eindigt in ieder geval : 1° na zes maanden, indien geen voorstel tot tuchtstraf werd uitgesproken en aan het personeelslid binnen die termijn meegedeeld;2° de derde werkdag die volgt op de mededeling van het voorstel bedoeld in artikel 44, § 3, indien dat voorstel de terechtwijzing, de berisping of de afhouding op de wedde is;3° voor een voorstel tot tuchtstraf, anders dan deze die bedoeld zijn in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling van de tuchtstraf aan het personeelslid, indien dat lid geen beroep tegen dat voorstel heeft ingediend;4° voor een voorstel tot tuchtstraf, anders dan deze die bedoeld zijn in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling aan de inrichtende macht van het advies van de raad van beroep over het voorstel tot tuchtstraf uitgesproken ten aanzien van het personeelslid;5° de dag waarop de tuchtstraf uitwerking heeft. In het kader van een strafvervolging, is de duur van de preventieve schorsing niet tot één jaar beperkt.
Wanneer een tuchtvordering ingesteld wordt of voortgezet wordt na een gerechtelijke beslissing tot strafveroordeling, dan begint de termijn van één jaar bedoeld in het eerste lid pas na de uitspraak van de definitieve veroordeling te lopen. § 5. In het kader van een tuchtvordering, moet de preventieve schorsing door de inrichtende macht om de drie maanden met ingang van de uitwerking schriftelijk worden bevestigd.
Vóór elke beslissing tot bevestiging van een preventieve schorsing, moet het personeelslid uitgenodigd zijn om gehoord te worden.
Van die beslissing wordt aan betrokkene bij een ter post aangetekend schrijven kennis gegeven.
Wordt de preventieve schorsing binnen de vereiste termijn niet bevestigd, dan kan het betrokken personeelslid zijn ambt opnieuw uitoefenen nadat het de inrichtende macht daarvan, bij aangetekend schrijven, op de hoogte heeft gebracht, ten minste tien werkdagen voordat het opnieuw gaat werken.
Na ontvangst van die kennisgeving, kan de inrichtende macht het behoud van de preventieve schorsing volgens de in het tweede lid bepaalde procedure bevestigen. Art. 35.Ieder preventief geschorst personeelslid behoudt zijn recht op de wedde.
In afwijking van het eerste lid, wordt de wedde van ieder preventief geschorst personeelslid : 1° dat verdacht of beklaagd wordt in het kader van een strafvervolging;2° tegen wie een niet definitieve veroordeling tot straf is uitgesproken tegen welke het personeelslid gebruik heeft gemaakt van zijn gewone beroepsrechten;3° tegen wie een tuchtvordering werd ingesteld of voortgezet na een definitieve veroordeling tot straf;4° tegen wie een tuchtvordering werd ingesteld wegens een ernstige tekortkoming waarvoor het op heterdaad betrapt is of waarvoor bewijskrachtige aanwijzingen voorhanden zijn en die ter beoordeling van de inrichtende macht staat;5° tegen wie een beslissing tot tuchtsanctie bedoeld in artikel 43, 4° of 6°, wordt genomen, tegen welke het personeelslid een beroep heeft ingediend, overeenkomstig artikel 44, § 3, op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld. Deze weddevermindering kan niet tot gevolg hebben dat de wedde verminderd wordt tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij het voordeel zou genieten van het stelsel van sociale zekerheid voor werknemers.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1° en 2°, heeft die weddevermindering uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het personeelslid verdacht of beklaagd wordt of waarop een niet definitieve veroordeling tegen hem is uitgesproken.
Voor de toepassing van het tweede lid, 3°, wordt die reeds krachtens het tweede lid, 1° of 2° verrichte weddevermindering behouden na de definitieve veroordeling indien de inrichtende macht aan het personeelslid haar voornemen meedeelt om de tuchtvordering in te stellen of voort te zetten.
Voor de toepassing van het tweede lid, 4°, heeft de weddevermindering uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop aan het personeelslid door de inrichtende macht kennis wordt gegeven van de toepassing van dat tweede lid, 4°.
Voor de toepassing van het tweede lid, 5°, heeft die weddevermindering uitwerking met ingang van de dag waarop het voorstel tot tuchtsanctie aan het personeelslid voorgelegd of meegedeeld wordt. Art. 36.Op het einde van de tuchtvordering of de strafrechtelijke vordering, wordt de maatregel tot weddevermindering ingetrokken, behalve indien : 1° de inrichtende macht het personeelslid één van de sancties bepaald in artikel 43, 4° of 6° van dit decreet oplegt;2° artikel 60, 2°, b) of 4° wordt toegepast;3° tegen het personeelslid een definitieve veroordeling tot straf, die al dan niet wordt gevolgd door een tuchtvordering, wordt uitgesproken. Wanneer de maatregel tot weddevermindering met toepassing van het eerste lid wordt ingetrokken, ontvangt het personeelslid het aanvankelijk afgehouden aanvullend bedrag van zijn wedde, vermeerderd met de verwijlintresten, berekend volgens de wettelijke rentevoet en verschuldigd sedert de eerste dag waarop de vermindering werd verricht.
De bedragen die door het personeelslid gedurende de preventieve schorsing werden ontvangen, blijven hem vervallen.
Indien de wedde van het personeelslid werd verminderd met toepassing van artikel 35, tweede lid, 4° of 5° en indien op het einde van de tuchtvordering een sanctie tot tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een duur die korter is dan de duur van de maatregel tot weddevermindering, dan wordt deze ingetrokken voor de periode die langer is dan de duur van de tuchtschorsing en geniet het personeelslid in dat geval het aanvullend deel van zijn wedde, ten onrechte afgehouden gedurende deze periode, vermeerderd met de verwijlintresten, berekend volgens de wettelijke rentevoet en verschuldigd sedert de dag waarop de vermindering werd verricht.
Hert vierde lid is niet van toepassing in het kader van een tuchtvordering die na een definitieve veroordeling tot straf werd ingesteld of voortgezet. Art. 37.Voor de gesubsidieerde instellingen wordt de preventieve schorsing ter kennis van de Regering gebracht, opdat die maatregel onmiddellijk zou worden uitgevoerd. Afdeling III. - Preventieve schorsing van de in tijdelijk verband
benoemde of aangeworven personeelsleden Art. 38.§ 1. Wanneer het belang van de dienst of van het onderwijs zulks vereist, kan een procedure voor preventieve schorsing worden ingesteld ten aanzien van een in tijdelijk verband benoemd of aangeworven personeelslid : 1° indien het strafrechtelijk vervolgd wordt;2° zodra de inrichtende macht hem, bij een ter post aangetekend schrijven, kennis geeft van de vaststelling van een onverenigbaarheid overeenkomstig, naar gelang van het geval, de artikelen 73 tot 76, 106 tot 110 of 139 tot 141. § 2. Voordat een maatregel tot preventieve schorsing wordt getroffen, moet het personeelslid uitgenodigd zijn om gehoord te worden door de inrichtende macht.
De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen tot staving van de preventieve schorsing van het personeelslid worden ten minste drie werkdagen voor de hoorzitting, ofwel bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, dat drie werkdagen na de datum van zijn verzending uitwerking heeft, ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs, dat uitwerking heeft op de datum die op dat ontvangstbewijs vermeld staat, meegedeeld.
Gedurende de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in dienstactiviteit zijn of in ruste gesteld zijn uit het onderwijs van het betrokken net, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie.
Binnen de tien werkdagen die volgen op de dag bepaald voor de hoorzitting, en ook al zijn het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet bij de hoorzitting verschenen zonder dat ze een overmacht hebben kunnen inroepen die hun afwezigheid bij de hoorzitting kan rechtvaardigen, geeft de inrichtende macht aan betrokkene bij een ter post aangetekend schrijven van zijn beslissing kennis.
Als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger de overmacht kunnen inroepen om hun afwezigheid bij de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid door de inrichtende macht opgeroepen voor een nieuwe hoorzitting, meegedeeld overeenkomstig het tweede lid.
In dat geval, en ook al zijn het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet bij de hoorzitting verschenen, wordt de beslissing van de inrichtende macht aan het personeelslid meegedeeld bij een ter post aangetekend schrijven binnen de tien werkdagen volgend op de dag van de hoorzitting.
Indien deze beslissing leidt tot de preventieve schorsing van het personeelslid, heeft ze uitwerking met ingang van de derde werkdag volgend op de datum van verzending ervan. § 3. In afwijking van het eerste lid van § 2, kan het personeelslid onmiddellijk uit zijn ambt worden verwijderd wegens een ernstige tekortkoming waarvoor hij op heterdaad betrapt is of wanneer de grieven die hem worden verweten zo zwaar zijn dat het, in het belang van de instelling, wenselijk is dat het personeelslid niet meer in de school aanwezig is.
Binnen de tien werkdagen die volgen op de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke verwijdering werd getroffen, moet de procedure tot preventieve schorsing worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Zo niet, dan eindigt de maatregel tot onmiddellijke verwijdering op het einde van voormelde termijn en kan het personeelslid uit de instelling wegens dezelfde ernstige tekortkoming of dezelfde grieven pas opnieuw worden verwijderd mits naleving van de procedure voor de preventieve schorsing zoals inzonderheid bedoeld in § 2 van dit artikel.
Het onmiddellijk verwijderde personeelslid blijft in dienstactiviteit. § 4. In het kader van de vaststelling van een onverenigbaarheid, kan de duur van de preventieve schorsing niet langer zijn dan zes maanden; in het kader van een strafvervolging, wordt de duur van de preventieve schorsing niet tot zes maanden beperkt. § 5. Onverminderd de toepassing van artikel 42, kan de duur van de preventieve schorsing niet langer zijn dan zes maanden in het kader van de vaststelling van een onverenigbaarheid; in het kader van een strafvervolging, wordt de duur van de preventieve schorsing niet tot zes maanden beperkt. Art. 39.Ieder preventief geschorst personeelslid behoudt zijn recht op de wedde.
In afwijking van het eerste lid, wordt de wedde van ieder preventief geschorst personeelslid : 1° dat verdacht of beklaagd wordt in het kader van een strafvervolging;2° tegen wie een niet definitieve veroordeling tot straf is uitgesproken tegen welke het personeelslid gebruik heeft gemaakt van zijn gewone beroepsrechten; op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld.
Deze weddevermindering kan niet tot gevolg hebben dat de wedde verminderd wordt tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij het voordeel zou genieten van het stelsel van sociale zekerheid voor werknemers.
Die weddevermindering heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het personeelslid verdacht of beklaagd wordt of waarop een niet definitieve veroordeling tegen hem is uitgesproken. Art. 40.Op het einde van de strafrechtelijke vordering, wordt de maatregel tot weddevermindering ingetrokken, behalve indien : 1° artikel 56, 2°, b) of 5° wordt toegepast;2° tegen het personeelslid een definitieve veroordeling tot straf, die al dan niet wordt gevolgd door een tuchtvordering, wordt uitgesproken. Wanneer de maatregel tot weddevermindering met toepassing van het eerste lid wordt ingetrokken, ontvangt het personeelslid het aanvankelijk afgehouden aanvullend bedrag van zijn wedde, vermeerderd met de verwijlintresten, berekend volgens de wettelijke rentevoet en verschuldigd sedert de eerste dag waarop de vermindering werd verricht.
De bedragen die door het p …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.