← België

Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het regelgevende deel van Boek I van het Waalse Milieuwetboek wat betreft milieudelinquentie

In het kort

Dit besluit van de Waalse Regering wijzigt het regelgevende deel van Boek I van het Waalse Milieuwetboek en heeft betrekking op de opsporing, vaststelling, vervolging en beteugeling van milieuovertredingen en schadevergoedingsmaatregelen. Het introduceert nieuwe regels voor het beheer van een centraal bestand inzake milieudelicten en de coördinatie van het repressieve milieubeleid.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
2 JUNI 2022. - Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het regelgevende deel van Boek I van het Waalse Milieuwetboek wat betreft milieudelinquentie De Waalse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, zoals gewijzigd, inzonderheid op artikel 20 Gelet op het decreetgevend gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek, de artikelen D.141, § 1, eerste lid, 8°, D.144, D.145, § 2, D.146,- D.148, D. 149, § 3, tweede lid 2, D.151, D.152, D.154, D.155, D.156, D.157, D.159, § 2, D.160, D.162, eerste lid, 2°, en tweede lid, D.163, D.164, D.165, D.166, § 3, tweede lid, D.169, D.170, D.172, D.174, § 5, D.177, D.185, D.187, D.189, D.191, D.192, § 2, D.194, D.195, D.197, D.198, D.200, D.201, D.202, D. 203, D.204, D.205, § 1, eerste lid, D.207, tweede lid, D.208, § 2, D.209, D.212, D.214, eerste lid, D.217, eerste lid, 2° en D.221, laatst gewijzigd bij het decreet van 6 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten3 Gelet op het Waalse Dierenwelzijnwetboek, artikel D.6, § 1, gewijzigd bij het decreet van 24 november 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten6; Gelet op het regelgevende deel van Boek I van het Milieuwetboek; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 14 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten8 betreffende de administratieve inbeslagneming van dieren, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 7 februari 2019; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 12 februari 2021; Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 15 juli 2021; Gelet op het rapport van 15 juni 2021 opgesteld overeenkomstig artikel 3, 2°, van het decreet van 11 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/04/2014 pub. 06/06/2014 numac 2014203532 bron waalse overheidsdienst Decreet houdende uitvoering van de resoluties van de Vrouwenconferentie van de Verenigde Naties die in september 1995 in Peking heeft plaatsgehad en tot integratie van de genderdimensie in het geheel van de gewestelijke beleidslijnen sluiten houdende uitvoering van de resoluties van de Vrouwenconferentie van de Verenigde Naties die in september 1995 in Peking heeft plaatsgehad en tot integratie van de genderdimensie in het geheel van de gewestelijke beleidslijnen; Gelet op het advies nr. 169/2021 van de Gegevensbeschermingsautoriteit, gegeven op 4 oktober 2021; Gelet op het advies nr. 169/2021 van de Gegevensbeschermingsautoriteit, gegeven op 4 oktober 2021; Gelet op het advies van het Controleorgaan op de Politionele Informatie van 5 oktober 2021; Gelet op het advies van het College van de procureurs-generaal uitgebracht krachtens artikel D.192, § 2, eerste lid, van Boek I van het Waalse Milieuwetboek, van 24 januari 2022; Gelet op het advies nr. 71.231/4 van de Raad van State, gegeven op 27 april 2022, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Minister van Leefmilieu en Dierenwelzijn, Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Wijziging in het regelgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek Artikel 1.Deel VIII in het regelgevende deel van Boek I van het Milieuwetboek, ingevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 5 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt vervangen door wat volgt: "Deel VIII. - Opsporing, vaststelling, vervolging en beteugeling van milieuovertredingen en schadevergoedingsmaatregelen Titel 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Begripsomschrijvingen en berekening van de termijnen Art. R.87. § 1. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder: 1° Administratie: de Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu; 2° de plaatselijk vaststellende beambte : elk overeenkomstig de artikelen D.149 en D.152 aangewezen vaststellende beambte; 3° het centraal bestand: het centraal bestand inzake milieudelicten, aangelegd krachtens de artikelen D.144 en D.145 ; 4° de opvangplaats : de gepaste opvangplaats bedoeld in artikel D.170, § 1; 5° de Minister: de Minister die voor Leefmilieu bevoegd is ;6° de Eenheid Dierenwelzijn : de Eenheid bestaande uit de gewestelijke vaststellende beambten van de dienst Politie en Controle van de Waalse Overheidsdienst, Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu aangewezen door de Directeur-generaal om specifiek overtredingen inzake dierenwelzijn te onderzoeken en te controleren. § 1. De door de Regering overeenkomstig de artikelen D.169, § 4, eerste, derde, vierde, vijfde en zevende lid, D.185, § 1, eerste lid, D.185, § 2, D.187, eerste lid, D.189, § 1, eerste lid, D.191, eerste en tweede lid, D.195, § 1, vierde lid, D.202, § 2, tweede lid, D.209, derde lid, 1°, D.212, eerste lid, D.214, eerste lid en D.217, eerste lid, 2°, aangewezen persoon is de directeur-generaal van de Administratie of diens afgevaardigde. De dienst die door de Regering wordt aangewezen overeenkomstig de artikelen D.143, § 1, eerste lid, D.145, § 2, tweede lid, 5°, D.169, § 1, eerste lid, 7°, en D.197, § 3, derde lid, is de Administratie. Art. R.88. De wijzen van verzending die een vaste datum in de zin van de artikelen D.207, D.208 en D.209 verlenen, zijn: 1° het bij ter post aangetekend schrijven;2° verzendingen door particuliere bedrijven die het tijdstip van verzending kunnen bevestigen;3° de indiening van een akte tegen gedagtekend ontvangstbewijs; HOOFDSTUK 2. - Coördinatie van het repressieve milieubeleid Afdeling 1. - Coördinatievergaderingen Art. R.89. Naast de personen bedoeld in artikel D.143, § 1, 1° tot 3°, worden ook de volgende personen uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen voor de gecoördineerde uitvoering van het repressieve milieubeleid 1° de Minister van Leefmilieu of diens vertegenwoordiger;2° de Minister die bevoegd is voor natuur of diens vertegenwoordiger;3° de Minister bevoegd voor landbouw of diens vertegenwoordiger;4° de Minister bevoegd voor dierenwelzijn of diens vertegenwoordiger;5° de Minister bevoegd voor bossen of diens vertegenwoordiger. Afdeling 2. - Het centraal bestand en de toezending van informatie Art. R.90. De Administratie zorgt voor het beheer en de werking van het centraal register. Voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde opdrachten wijst de directeur-generaal van de Administratie een of meer personen binnen de Administratie aan als operatoren. Een van deze operatoren wordt ook aangewezen als contactpersoon voor het gebruik van het centrale register. Art. R.91. § 1. Onverminderd artikel D.145 stelt de Minister de minimale inhoud van het protocol vast voor wat betreft de technische methoden voor het gebruik en de overdracht van gegevens binnen het centraal bestand, met inbegrip van de methoden voor de verbetering van gegevens, overeenkomstig de IT-ontwikkelingen van het centraal bestand. De inhoud van lid 1 maakt het mogelijk de traceerbaarheid van raadplegingen in het kader van een bestand in elektronische vorm te garanderen. Naast de informatie bedoeld in artikel D.145, § 2, alinea 3°, wordt in het bestand ook de voorafgaande reden voor de raadpleging vermeld. Het in lid 2 bedoelde bestand is toegankelijk voor de in artikel R.90, lid 2, bedoelde operatoren. De persoon van wie de gegevens zijn geraadpleegd, de gegevensbeschermingsautoriteit en de Procureur des Konings kunnen op eerste verzoek inzage krijgen in de inhoud van dit bestand. § 2. Elk protocol vermeldt in zijn inleiding de verplichting tot eerbiediging van met name: 1° de bepalingen van Verordening (EG) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens; 2° de bepalingen van de wet van 30 juli 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/2018 pub. 05/09/2018 numac 2018040581 bron federale overheidsdienst justitie, federale overheidsdienst binnenlandse zaken en ministerie van landsverdediging 30 JULI 2018 - Wet betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens type wet prom. 30/07/2018 pub. 30/03/2021 numac 2021030655 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens 3° de bepalingen met betrekking tot boek I van het Milieuwetboek, en meer bepaald tot artikel D.19 en de artikelen D.138 en volgende; 4° de geheimhouding van de inlichtingen bedoeld in artikel 28quinquies van het Wetboek van Strafvordering en het onderzoek bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering. Art. R.92. De in artikel D.145 bedoelde referentiebronnen verstrekken de Administratie de in artikel D.144, § 1 bedoelde gegevens. Deze overmaking is gemaakt hetzij : 1° door middel van rechtstreekse inschrijving in het centraal bestand ;2° door overmaking van ruwe gegevens die rechtstreeks in het centraal bestand kunnen worden opgenomen;3° door de overmaking van gedigitaliseerde gegevens die binnen het centraal register toegankelijk kunnen worden gemaakt. Afhankelijk van de vaststelling en ontwikkeling van technische protocollen kan de Minister de in het eerste lid bedoelde wijzen van overmaking afschaffen, wijzigen of aanvullen. Art. R.93. § 1. Wanneer de eerste registratie van een overtreder in het centraal bestand plaatsvindt wanneer een waarschuwing of een proces-verbaal wordt opgenomen, wordt de overtreder daarvan in kennis gesteld door middel van een informatie die bij de schriftelijke waarschuwing respectievelijk het proces-verbaal wordt gevoegd wanneer dit wordt toegezonden. Wanneer de in het eerste lid bedoelde eerste registratie plaatsvindt bij de invoeging van een ander dan het in artikel D.144, § 1, eerste lid, bedoeld gegeven, wordt hij daarvan binnen tien dagen na de registratie in kennis gesteld door middel van een brief die deze gegevens bevat. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt door de Administratie verstrekt. De Minister kan een model van inlichtingen opstellen dat de inhoud van artikel D.144, § 3, bevat. Art. R.94. Elke persoon die optreedt als administratieve ondersteuning voor een persoon die rechtstreeks recht heeft op toegang tot het centraal bestand overeenkomstig artikel D.144, § 2, kan een verzoek om toegang tot het centraal bestand indienen. Dit verzoek wordt gericht aan de directeur-generaal van de Administratie, hetzij uitsluitend door de rechtstreeks gemachtigde persoon, hetzij gezamenlijk door de persoon die om toegang verzoekt en de rechtstreeks gemachtigde persoon. De in lid 1 bedoelde aanvraag moet bevatten : 1° de volledige identiteit en de contactgegevens van de persoon die toegang vraagt tot het centraal bestand;2° de volledige identiteit en de contactgegevens van de persoon die gemachtigd is om toezicht te houden op de persoon die toegang vraagt;3° een nauwkeurige omschrijving van de opdrachten die worden uitgevoerd door de personen bedoeld in 1° en 2° ;4° de verbintenis van de persoon die om toegang verzoekt om de gegevens uit het centraal bestand uitsluitend in het kader van zijn opdrachten te raadplegen en te gebruiken, en om deze toegang niet langer te gebruiken wanneer zijn functie wordt beëindigd;5° de verbintenis van de persoon die rechtstreeks gemachtigd is en van de persoon die toegang vraagt om de Administratie in kennis te stellen van elke wijziging in hun respectieve functies;6° een formele verbintenis van de persoon voor wie toegang tot het centraal bestand wordt gevraagd om de vertrouwelijkheid van de informatie te eerbiedigen;7° de handtekening van de rechtstreeks gemachtigde en die van de persoon die om toegang verzoekt. De directeur-generaal van de Administratie deelt zijn beslissing binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag mee. Indien binnen deze termijn geen antwoord is ontvangen, kan een nieuwe aanvraag worden ingediend. Wanneer de directeur-generaal van de Administratie toegang tot het centraal bestand verleent, stelt hij de in artikel R.90, lid 2, bedoelde operatoren daarvan in kennis, zodat de toegang zo spoedig mogelijk operationeel wordt. De directeur-generaal van de Administratie kan de toegang tot het centraal bestand van een naar behoren gemachtigde persoon schorsen wanneer die persoon langer dan een maand afwezig is. Overeenkomstig de verbintenis bedoeld in paragraaf 2, 4°, staakt de persoon die toegang heeft op grond van deze bepaling en die ofwel niet langer dezelfde functie uitoefent als die op grond waarvan hij toegang heeft verkregen, ofwel gedurende een periode van meer dan een maand afwezig is, onmiddellijk elk gebruik of elke raadpleging van het centraal bestand. De betrokken persoon en zijn of haar hiërarchische meerdere stellen de directeur-generaal van de Administratie of de operator rechtstreeks per e-mail van deze wijzigingen in kennis. Lid 6 is eveneens van toepassing wanneer de nieuwe functies van de betrokkene persoon rechtvaardigen dat onder dezelfde voorwaarden toegang wordt verleend. In dat geval moet overeenkomstig dit artikel een nieuwe aanvraag worden ingediend. Art. R.95. Wanneer de procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar voornemens is, op eigen initiatief of op verzoek van een personeelslid, bepaalde gegevens in het centraal bestand ontoegankelijk te maken, stelt hij de directeur-generaal van de administratie en de operator hiervan in kennis. De in lid 1 bedoelde informatie bevat : 1° de precieze identificatie van de gegevens die ontoegankelijk moeten worden gemaakt voor alle personen die toegang hebben tot het centraal bestand;2° de identificatie, in voorkomend geval, van de personeelsleden of andere personen die verder toegang kunnen hebben tot de betrokken gegevens;3° de periode gedurende dewelke deze gegevens ontoegankelijk worden gemaakt. Binnen vierentwintig uur na ontvangst van de informatie van de procureur des Konings maken de in artikel R.90 bedoelde operatoren de betrokken gegevens ontoegankelijk in overeenstemming met de aanvraag. Een maand voor de door de procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar overeenkomstig het tweede lid, 3°, vastgestelde termijn, stelt de directeur-generaal van de administratie of de gemachtigde operator de procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar ervan in kennis dat de betrokken gegevens binnenkort toegankelijk zullen worden gemaakt. De procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar kan verzoeken om verlenging van de maatregel met een door hem te bepalen termijn. Bij gebreke van een dergelijke aanvraag worden de gegevens toegankelijk gemaakt de dag na de geplande termijn. Wanneer de in dit artikel bedoelde gegevens weer toegankelijk worden, wordt in het centraal bestand vermeld dat de toegang tot die gegevens gedurende een beperkte periode beperkt is geweest. Mits zij daartoe vooraf toestemming hebben gekregen van de procureur des Konings of van de sanctionerende ambtenaar, behouden de betrokkenen van de ontoegankelijk gemaakte gegevens de mogelijkheid van toegang tot hun gegevens overeenkomstig artikel R.98. Indien de procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar van oordeel is dat de persoon op wie de ontoegankelijk gemaakte informatie betrekking heeft, geen toegang meer kan krijgen tot die informatie, stelt de directeur-generaal van de administratie hem binnen zeven dagen in kennis van de beperking van zijn toegangsrecht, tenzij de procureur des Konings of de sanctionerende ambtenaar van oordeel is en met redenen omkleedt dat die informatie afbreuk kan doen aan het lopende onderzoek Art. R.96. De automatische verwijdering van gegevens uit het centraal bestand overeenkomstig artikel D.144, § 1, vijfde lid, geschiedt in één keer voor alle gegevens waarop dezelfde inbreukcyclus betrekking heeft, wanneer de laatste gegevens die in het kader van hetzelfde dossier zijn verkregen tien jaar oud zijn, en vormt een afsluiting van de zaak of een document waaruit de uitvoering van een beslissing van de rechter of van een sanctionerende ambtenaar blijkt. Art. R.97. Voor de toepassing van dit deel wordt een bekeuring als foutief beschouwd indien zij is afgegeven aan een overtreder die onjuist is geïdentificeerd, hetzij : 1° wegens een materiële vergissing bij het lezen of begrijpen van zijn identificatiedocumenten ;2° ten gevolge van een materiële vergissing bij het lezen of het begrijpen van een nummerplaat van een voertuig. Wanneer een persoon die toegang heeft tot het centraal bestand, de in lid 1 bedoelde vergissing opmerkt, stelt hij de ambtenaar die het proces-verbaal heeft opgemaakt of diens hiërarchieke meerdere hiervan in kennis. De ambtenaar of zijn hiërarchische meerdere stelt een van de in artikel R.90 bedoelde operatoren op de hoogte. In dat geval wordt het onjuiste proces-verbaal uit het centraal bestand geschrapt voor wat betreft de persoon die ten onrechte is geïdentificeerd. Het wordt echter op dezelfde wijze opnieuw ingevoerd met betrekking tot de persoon die nu correct is geïdentificeerd. De ambtenaar stelt een nieuw verslag op met de informatie over deze correcties. Dit is bij het opnieuw geplaatste proces-verbaal gevoegd. Wanneer de ten onrechte geïdentificeerde persoon in overeenstemming met artikel R.93 op de hoogte is gebracht van het effect van de registratie van het onjuiste proces-verbaal, wordt hij of zij op de hoogte gebracht van de materiële fout en wordt het onjuiste proces-verbaal uit het centraal bestand verwijderd. Art. R.98. § 1. Elke persoon kan, zonder dat hij enig bijzonder belang hoeft aan te tonen, verzoeken om toegang tot de hem betreffende gegevens in het centraal bestand. Daartoe zendt hij een uitdrukkelijke aanvraag, per aangetekende brief, aan de Directeur-generaal van de Administratie of rechtstreeks aan de aangegeven operator. De in lid 1 bedoelde aanvraag bevat een kopie van een identiteitsbewijs en de contactgegevens van de persoon die om toegang tot zijn gegevens verzoekt. Een voogd of ouder kan verzoeken om toegang tot gegevens over de persoon die onder voogdij staat of over het betrokken kind in het centraal bestand. Daartoe moet de aanvrager aantonen dat hij de ouderlijke macht heeft of dat hij momenteel als voogd is aangesteld, en moet hij de aanvraag uitdrukkelijk per aangetekend schrijven richten aan de directeur-generaal van de Administratie of aan de aangegeven operator. De in lid 3 bedoelde aanvraag moet bevatten : 1° een kopie van het identiteitsbewijs van de aanvrager ;2° de contactgegevens van de persoon die toegang vraagt tot deze gegevens, met name het postadres en het e-mailadres;3° het document waaruit blijkt dat de aanvrager de voogd of de verwant is van de persoon van wie hij de gegevens in het centraal bestand wenst te raadplegen. Wanneer de directeur-generaal van de Administratie het verzoek ontvangt, stelt hij de in artikel R.90, lid 2, bedoelde operatoren daarvan in kennis. Binnen tien dagen na ontvangst van de informatie van de directeur-generaal van de administratie zenden de exploitanten de aanvrager de lijst van de gevraagde gegevens in het centraal bestand toe, alsmede een kopie van elk gegeven. § 2. Elke persoon, ongeacht of zij al dan niet overeenkomstig paragraaf 1 toegang heeft gehad tot haar eigen gegevens, kan verzoeken dat haar gegevens worden rechtgezet. Zij kan ook verzoeken dat zijn gegevens worden gewist onder de in artikel D.144, § 1, vijfde lid, genoemde voorwaarden. Daartoe dienen zij een uitdrukkelijke aanvraag, per aangetekende brief, te richten aan de directeur-generaal van de Administratie of rechtstreeks aan de betrokken operator. De in lid 1 bedoelde aanvraag moet bevatten : 1° een kopie van het identiteitsbewijs en de contactgegevens van de persoon die de rechtzetting van zijn gegevens vraagt;2° de identificatie van de gegevens die het voorwerp uitmaken van de aanvraag tot rechtzetting ;3° elk nuttig element dat de rechtzetting van de gegevens rechtvaardigt. De Directeur-generaal van de Administratie controleert de aanvraag tot rechtzetting uitsluitend ten aanzien van de documenten waarop de vermeende onjuistheid is gebaseerd en de in artikel D.144, § 1, vijfde lid, bedoelde termijn. Hij deelt zijn antwoord mee binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag om rechtzetting. Indien binnen deze termijn geen antwoord is ontvangen, kan een nieuwe aanvraag worden ingediend. Wanneer de directeur-generaal van de Administratie rechtzetting van de gegevens in kwestie nodig en passend acht, verzoekt hij een van de operatoren de referentiebronnen waarop de gegevens in kwestie betrekking hebben, daarvan in kennis te stellen volgens de in het protocol vastgelegde procedures. De referentiebronnen rectificeren vervolgens de gegevens binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag tot rechtzetting en stellen de Administratie daarvan in kennis. De inhoud van het centraal bestand bevat een verklaring dat de betrokken gegevens zijn rechtgezet. Art. R.99. De informatie tussen vaststellende beambten betreffende een strafbaar feit waarvoor een van hen uit hoofde van zijn functie, zijn prioriteiten of een overeenkomstig artikel D.143, § 2 gesloten protocol niet verantwoordelijk is, wordt verstrekt in een van de in artikel D.141, § 2, derde lid, bedoelde formulieren of via het centraal bestand volgens de in het in artikel D.143, § 2 bedoelde samenwerkingsprotocol vastgelegde procedures. De in lid 1 bedoelde informatie bevat : 1° de precieze identiteit van de geïdentificeerde persoon of een vermelding dat hij niet kan worden geïdentificeerd ;2° de geconstateerde overtredingen en hun precieze locatie;3° elk nuttig element dat een ander personeelslid in staat stelt een controle uit te voeren of te zoeken om het genoemde strafbare feit vast te stellen. Art. R.100. § 1. Het uittreksel uit het centraal bestand bedoeld in artikel D.144, § 2, is dertig dagen geldig. § 2. Het in artikel D.144, § 2, bedoelde uittreksel uit het centraal bestand bevat ten minste de volgende gegevens: 1° de datum van vervaardiging;2° de naam, voornaam en rijksregisternummer van de aanvrager;3° het al dan niet bestaan van een geldend verbod op het houden van dieren, de betrokken dieren of hun aantal;4° het al dan niet bestaan van een lopende intrekking van een vergunning voor het houden van dieren. § 3. Om een dier aan te kopen of te adopteren, moeten personen die niet in Wallonië gedomicilieerd zijn en die overeenkomstig artikel D.144, § 2, tweede lid, een uittreksel uit het centraal bestand moeten voorleggen, een aanvraag per aangetekend schrijven richten aan de directeur-generaal van de Administratie. De directeur-generaal van de Administratie zendt het uittreksel uit het centraal bestand binnen vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager toe. Titel 2. - Verschillende interveniënten in het kader van de milieudelicten HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Art. R.101. De overeenkomstig de artikelen D.146, D.149 en D.152 aangewezen vaststellende beambten, de overeenkomstig artikel D.148 aangewezen deskundigen en de overeenkomstig de artikelen D.156 en D.157 aangewezen sanctionerende ambtenaren maken van de hun ter beschikking gestelde middelen en prerogatieven een strikt gebruik in het kader van hun opdracht. Zij verkrijgen geen voordelen voor zichzelf of voor een derde die niet van hen zijn. Hun gedrag laat zich nooit leiden door persoonlijke of familiebelangen, filosofische of religieuze overtuigingen of politieke druk. De in lid 1 bedoelde personen onthouden zich van iedere willekeurige handeling waardoor personen worden benadeeld, alsmede van iedere voorkeursbehandeling om welke reden dan ook. Zij moeten objectief zijn en vermijden dat de onpartijdigheid die de burgers van hen verwachten, wordt ondermijnd door de wijze waarop zij optreden of door het doel van hun optreden. Zij vermijden elke handeling of houding die deze onpartijdigheid kan ondermijnen. De in lid 1 bedoelde personen mogen alleen beroepsactiviteiten uitoefenen indien deze hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet in gevaar brengen. Anders mogen zij op geen enkele wijze deelnemen aan het beheer van een dossier dat verband kan houden met hun beroepsactiviteiten. Zij mogen niet deelnemen aan de besluitvorming in een dossier waarin zij reeds eerder zijn opgetreden in een andere hoedanigheid of waarin zij een direct of indirect belang hebben. De krachtens de artikelen D.146, D.149, D.152 en D.157 aangewezen vaststellende beambten en de krachtens artikel D.148 aangewezen deskundigen mogen hun functie niet uitoefenen ten aanzien van personen met wie zij verwant zijn tot in de tweede graad van het bloedverwantschap of het huwelijk. HOOFDSTUK 2. - De vaststellende beambten, deskundigen en speciale onderzoekseenheid Afdeling 1. - Gewestelijke vaststellende beambten Art. R.102. § 1. Het "Département de la Police et des Contrôles" (Departement Handhaving en Controles) van de Administratie ziet toe op en controleert de naleving van de in artikel D.138 bedoelde wetgeving en de uitvoeringsbesluiten daarvan. Hij onderzoekt en stelt strafbare feiten vast die verband houden met deze wetten, met uitzondering van 1° de jachtwet van 28 februari 1882;2° de wet van 12 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/07/1973 pub. 24/08/2010 numac 2010000473 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het natuurbehoud Duitse vertaling van de federale versie sluiten op het natuurbehoud;3° het Boswetboek;4° het decreet van 27 maart 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/03/2014 pub. 04/06/2014 numac 2014203411 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de riviervisserij, het visbeleid en de visserijstructuren sluiten betreffende de riviervisserij, het visbeleid en de visserijstructuren;5° het decreet van 2 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten4 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;6° het decreet van 20 mei 2020Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten5 betreffende de toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik. Het in lid 1 bedoelde Departement ziet tevens toe op en controleert de naleving van de Europese milieuverordeningen en -besluiten betreffende de in of krachtens artikel D.184 bedoelde bepalingen, alsmede de bescherming en het welzijn van dieren en de landbouw. Het Departement onderzoekt en stelt de overtredingen van deze bepalingen vast. In het kader van zijn opdrachten worden het in lid 1 bedoelde Departement en de overeenkomstig lid 4 aangewezen personeelsleden de "Milieupolitie" genoemd. Onverminderd lid 4 worden de personeelsleden die zijn aangesteld voor de functie van "SOS Environnement-Natuur" wacht gelijkgesteld met de personeelsleden van het "Département de la Police et des Contrôles". § 2. Het Departement Natuur en Bossen van de Administratie ziet toe op en controleert de naleving van de bepalingen van de hierna volgende wetten en besluiten, alsmede van hun uitvoeringsbesluiten, en onderzoekt en stelt de inbreuken op deze bepalingen vast: 1° de jachtwet van 28 februari 1882;2° de wet van 12 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/07/1973 pub. 24/08/2010 numac 2010000473 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het natuurbehoud Duitse vertaling van de federale versie sluiten op het natuurbehoud;3° het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, uitsluitend met betrekking tot artikel 7;4° het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning 5° het Milieuwetboek, met inbegrip van Boek I en van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt;6° het Boswetboek;7° het decreet van 10 juli 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 10/07/2013 pub. 05/09/2013 numac 2013204849 bron waalse overheidsdienst Decreet tot vaststelling van een kader ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden en tot wijziging van Boek I van het Milieuwetboek, Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw sluiten tot invoering van een kader om te komen tot een pesticidengebruik dat verenigbaar is met duurzame ontwikkeling en tot wijziging van Boek I van het Milieuwetboek, Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw ;8° het decreet van 27 maart 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/03/2014 pub. 04/06/2014 numac 2014203411 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de riviervisserij, het visbeleid en de visserijstructuren sluiten betreffende de riviervisserij, het visbeleid en de visserijstructuren;9° het decreet van 2 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten4 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;10° het decreet van 20 mei 2020Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten5 betreffende de toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik.11° het Waalse Dierenwelzijnwetboek, met betrekking tot dieren van wilde diersoorten, ook wanneer deze in gevangenschap geboren of gefokt zijn, met uitzondering van hoofdstuk 8 betreffende proefdieren. Het in lid 1 bedoelde Departement is ook verantwoordelijk voor het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten bedoeld in artikel 63, derde lid, van de wet van 12 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/07/1973 pub. 24/08/2010 numac 2010000473 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het natuurbehoud Duitse vertaling van de federale versie sluiten op het natuurbehoud. Het Departement onderzoekt en stelt de overtredingen van deze bepalingen vast. § 3 De in bijlage VIII genoemde diensten van de Administratie zien toe op en controleren de naleving van de in bijlage VIII genoemde wetgeving of bepalingen en hun uitvoeringsbesluiten, en onderzoeken en stellen inbreuken op deze bepalingen vast. § 4. De directeur-generaal van de Administratie wijst onder de personeelsleden van de in de §§ 1 tot 3 bedoelde diensten de regionale vaststellende beambten bij naam aan. Na hun benoeming en beëdiging hebben deze personeelsleden de hoedanigheid van agent van de gerechtelijke politie. De in lid 1 bedoelde aanwijzing vermeldt de rechterlijke hoedanigheid van de agent en de aangelegenheden waarvoor hij krachtens dit artikel bevoegd is. De Minister kan een model voor het verstrekken van opdrachten vaststellen. Art. R.103. Het lid van het statutair of contractueel personeel van de Waalse overheidsdiensten die boswachter is in toepassing van artikel 56 van het Boswetboek van 15 juli 2008, alsook de houtvesters, directeurs en de inspecteur-generaal, hebben de hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in artikel R.102, § 2. Zij worden dienovereenkomstig aangesteld en leggen de eed af. Art. R.104. De personeelsleden van het "Département de la Police et des Contrôles" die door de directeur-generaal worden aangewezen om hun taak op te nemen in de speciale onderzoekseenheid, hebben de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in artikel R.102, § 1. Zij worden dienovereenkomstig aangesteld en beëdigd. Art. R.105. § 1. Om hun hoedanigheid te bewijzen, moeten de overeenkomstig deze afdeling aangestelde vaststellende beambten een legitimatiekaart bij zich hebben waarvan de gegevens ten minste in bijlage IX, deel 1, zijn vermeld. § 2. Bij de uitoefening van hun taak kunnen de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten onderscheidingstekens dragen. De Minister kan een lijst van deze onderscheidingstekens opstellen. § 1. De houder van een legitimatiekaart mag deze slechts in de uitoefening van zijn functie gebruiken. Hij kan deze spontaan overhandigen aan eenieder tot wie hij zich in de uitoefening van zijn ambt richt. Hij moet het op verzoek overleggen. Het feit dat de legitimatiekaart niet door de houder wordt overgelegd, doet niet af aan de geldigheid van de door de houder genomen maatregelen. § 4. De legitimatiekaart wordt zo spoedig mogelijk aan de directeur-generaal van de Administratie of zijn afgevaardigde teruggegeven wanneer : 1° de kaart versleten is ;2° één of meerdere gegevens gewijzigd zijn of indien de gelijkenis op de foto niet meer voldoende treffend is ;3° de houder definitief zijn functie verlaat. De reden voor het terugsturen van de kaart wordt vermeld in een brief die de kaart vergezelt en die vervolgens wordt vernietigd. Wanneer de houder geschorst of uit zijn functie ontheven wordt, trekt de directeur-generaal van de Administratie of zijn afgevaardigde de legitimatiekaart tijdelijk in. De kaart wordt aan de houder teruggegeven zodra hij zijn werkzaamheden hervat. Verlies, diefstal of vernietiging van de kaart moet onmiddellijk aan de directeur-generaal van de Administratie of zijn afgevaardigde worden gemeld. Verlies en diefstal worden door de kaarthouder bij de politie aangegeven. Indien de kaart na hernieuwing wordt teruggevonden, wordt zij onmiddellijk aan de directeur-generaal van de Administratie of zijn afgevaardigde teruggezonden, met vermelding van de reden van terugzending. De kaart wordt dan vernietigd. Afdeling 2. - Gemeentelijke vaststellende beambten Art. R.106. § 1. De beslissing van de gemeenteraad om overeenkomstig artikel D.149 een vaststellende beambte aan te wijzen, wordt aan de Administratie toegezonden met gebruikmaking van het formulier in bijlage X. Een kopie van de eed is bijgevoegd. De beëindiging van de functie van de in lid 1 bedoelde vaststellende beambte wordt onverwijld ter kennis van de Administratie gebracht met gebruikmaking van het formulier in bijlage X. § 2. De in de eerste paragraaf bedoelde stukken worden toegezonden in een van de in artikel D.141, § 2, derde lid, bedoelde vormen. Art. R.107. § 1. De Regering kan, binnen de grenzen van de beschikbare kredieten, een subsidie van ten hoogste 8.000 euro toekennen voor de aanwerving of de verdere aanwerving van een vaststellende beambte bedoeld in artikel D.151. Indien de beschikbare begrotingskredieten de subsidiëring van het maximale forfaitaire bedrag van één vaststellende beambte voor alle gemeenten die daarom verzoeken, niet toelaten, wordt het bedrag van de in lid 1 bedoelde subsidie naar evenredigheid verlaagd om alle gemeenten die om deze subsidie hebben verzocht, in staat te stellen ervan te profiteren. In afwijking van het eerste lid kan de Minister, binnen de grenzen van de beschikbare begrotingskredieten, een subsidie verlenen voor de volledige kostprijs van de aanwerving van een vaststellende beambte wanneer, wegens het gebruik van talen, de toepassing van deel VIII van boek I van het Milieuwetboek niet uitsluitend door regionale vaststellende beambten kan worden verzekerd. § 2. De toekenning van de subsidie is onderworpen aan de volgende voorwaarden: 1° de gemeente of de vereniging van gemeenten neemt binnen zes maanden na de beslissing tot toekenning van de subsidie de vaststellende beambte in dienst of verklaart dat de vaststellende beambte in dienst zal blijven;2° de gemeente beschikt over een plan ter bestrijding van milieucriminaliteit of een lokaal plan voor openbare netheid waarin de prioriteiten en de methodologie zijn opgenomen, alsook een beschrijving van de prioritaire opdrachten van de vaststellende beambte voor wie zij de subsidie aanvraagt, en voegt dit plan bij haar aanvraag;3° de gemeente voert ten minste twee sensibiliseringscampagnes voor het milieu uit tijdens het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; 4° de gemeente is ondertekenaar van het samenwerkingsprotocol bedoeld in artikel D.143, § 2 ; 5° de gesubsidieerde vaststellende beambte oefent zijn functie daadwerkelijk voltijds uit.Zo nodig kan de subsidie worden toegekend indien twee vaststellende beambten hun taken halftijds verrichten, op voorwaarde dat de verrichte taken daadwerkelijk voltijdse arbeid vormen; 6° de gesubsidieerde vaststellende beambte moet ten minste acht dagen per volle maand veldonderzoek verrichten, ongeacht de vakantieperiodes. § 3. De subsidieaanvraag voor de aanwerving of de verdere aanwerving van een of meer vaststellende beambten wordt door het gemeentebestuur of de vereniging van gemeenten gericht aan de directeur-generaal van de Administratie. Het aanvraagdossier bevat: 1° een afschrift van de beraadslagging van de gemeenteraad van de betrokken gemeente of vereniging van gemeenten om een of meer vaststellende beambten in dienst te nemen; 2° een kopie van het diploma bedoeld in artikel D.149, § 1, tweede lid, 2° en van het document waaruit blijkt dat de opleiding bedoeld in artikel D.149, § 1, tweede lid, 3° is voltooid voor de vaststellende beambte voor wie de subsidie wordt aangevraagd; 3° elk document dat bewijst dat aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden is voldaan. § 4. De subsidie wordt aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar uitbetaald naar rato van de gepresteerde maanden, met een maximum van twaalf prestatiemaanden. Een maand wordt geacht te zijn gepresteerd zodra het gesubsidieerde personeelslid ten minste één dag in die maand heeft gewerkt. Indien tijdens de door de subsidie gedekte periode de prestaties van de vaststellende beambte voor wie de subsidie wordt aangevraagd, om welke reden dan ook, worden onderbroken, wordt het bedrag van de subsidie berekend pro rata van de maanden die overeenkomstig lid 2 werkelijk geacht worden te zijn gepresteerd. Om voor de betaling van de subsidie in aanmerking te komen, moet de gemeente of de vereniging van gemeenten de volgende documenten overleggen 1° een schuldvorderingsverklaring vergezeld van een bewijs van de loonkosten van de vaststellende beambte ;2° een bewijs van tewerkstelling met vermelding van het arbeidsregime, de begindatum en eventueel de einddatum van de tewerkstelling van de vaststellende beambte;3° een activiteitenverslag met : a) details van de door de vaststellende beambte uitgevoerde opdrachten ;b) het aantal uitgevoerde controlecampagnes, de beschrijving ervan met een tijdschema van de prestaties en de verantwoording van de naleving van paragraaf 3, 5° ;c) het aantal gegeven waarschuwingen ;d) het aantal opgestelde processen-verbaal;e) de aangelegenheden en de wetgeving waarop de waarschuwingen en processen-verbaal betrekking hebben;f) een beschrijving van de door de gemeente of vereniging van gemeenten georganiseerde sensibiliseringsactiviteiten op milieugebied;g) alle andere door de gemeente of vereniging van gemeenten relevant geachte informatie. Het gemeentecollege of de vereniging van gemeente richt de aanvraag tot uitbetaling van de subsidie per aangetekend schrijven samen met de stukken bedoeld in het vierde lid aan de Directeur generaal van de Administratie uiterlijk 1 maart van het jaar volgend op het voor subsidie in aanmerking komende kalenderjaar. Elk verzoek om betaling dat na 1 maart wordt verzonden, wordt als nietig beschouwd. § 5. Het bedrag van de subsidie bedoeld in paragraaf 1 kan worden verhoogd met een forfaitair bedrag van 2.000 euro indien de gemeente het bewijs levert dat zij ook beschikt over een milieuadviseur bedoeld in artikel D.5-1, een referentiepersoon dierenwelzijn bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 3 september 2020Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten9 tot vaststelling van een steunregeling voor gemeenten in het kader van het dierenwelzijn en over een gemeentelijke of provinciale sanctionerende ambtenaar. § 6. Met het oog op de controle van de subsidie kan de Administratie de gemeente verzoeken om overlegging van elk document dat nuttig is om de realiteit van de door de vaststellende beambte verleende prestaties na te gaan en om kruiscontroles van de informatie mogelijk te maken. De gemeente beschikt over een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de aanvraag van de administratie om de gevraagde documenten te verstrekken. Indien de documenten niet binnen deze termijn worden verstrekt, zal de subsidieaanvraag als nietig worden beschouwd. Art. R.108. § 1. Om hun hoedanigheid te bewijzen, moeten de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten een legitimatiekaart bij zich hebben waarop de in bijlage IX, deel 2, vermelde minimuminformatie staat. § 2. Bij de uitoefening van hun taken kunnen de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten onderscheidingstekens dragen. De Minister en de Minister bevoegd voor de plaatselijke besturen kunnen een lijst van onderscheidingstekens opstellen. § 3. De houder van een kaart mag deze slechts in de uitoefening van zijn functie gebruiken. Hij kan de kaart spontaan aan iedere persoon vertonen tot wie hij zich wendt in de uitoefening van zijn ambt. Hij legt ze voor wanneer hem daarom wordt verzocht. Het feit dat de legitimatiekaart niet door de houder wordt overgelegd, doet niet af aan de geldigheid van de door de houder ondernomen acties. § 4. De identificatiekaart wordt zo spoedig mogelijk aan de burgemeester van de gemeente in kwestie terugbezorgd indien: 1° de kaart versleten is;2° één of meerdere gegevens gewijzigd zijn of indien de gelijkenis op de foto niet meer voldoende treffend is ;3° de houder zijn ambt definitief neerlegt. De reden voor de teruggave van de kaart wordt vermeld in een brief die de kaart vergezelt en die vervolgens wordt vernietigd. Wanneer de houder geschorst of uit zijn ambt ontzet is, trekt de burgemeester van de betrokken gemeente of zijn afgevaardigde hem tijdelijk de legitimatiekaart in. De kaart wordt aan de houder teruggegeven zodra deze weer in zijn ambt treedt. Verlies, diefstal of vernieling van de kaart moet onmiddellijk aan de burgemeester van de betrokken gemeente of zijn afgevaardigde worden gemeld. Verlies en diefstal zijn het onderwerp van een klacht die door de kaarthouder bij een politiedienst wordt ingediend. Indien de kaart wordt teruggevonden nadat zij is vernieuwd, wordt zij onmiddellijk teruggezonden aan de burgemeester van de betrokken gemeente of aan diens gemachtigde, met vermelding van de reden van terugzending. De kaart wordt dan vernietigd. Afdeling 3. - Vaststellende beambten van de instellingen van openbaar nut en van de intercommunales Art. R.109. § 1. Wanneer een instelling van openbaar nut of een intercommunale overweegt een van haar gemachtigden aan te wijzen als vaststellende beambten in de zin van artikel D.152, dient zij bij de Minister een verzoek in bij aangetekend schrijven. Dit verzoek bevat: 1° de naam of firmanaam van de instelling van openbaar nut of van de intercommunale, de rechtsvorm ervan, het adres van de zetel en de naam, voornaam, adres en hoedanigheid van de persoon van wie de benoeming wordt overwogen;2° de identificatie van het maatschappelijk doel van de instelling van openbaar nut of intercommunale;3° elk element dat toelaat om vast te stellen dat het maatschappelijk doel bedoeld in 2° verenigbaar is met opdrachten van controle, onderzoek naar inbreuken en vaststelling van deze inbreuken op het gebied van het milieu of het dierenwelzijn;4° het bewijs dat de bedoelde beambte geen strafrechtelijke veroordeling voor een misdaad, wanmisdrijf of overtreding van de eerste of tweede categorie heeft opgelopen;5° het bewijs dat de betrokken beambte houder is van een diploma van hoger middelbaar onderwijs of van lager middelbaar onderwijs en vijf jaar ervaring heeft in de dienst van de administratie, van een gemeente of van een intercommunale;6° de omvang van de voor de betrokken beambte aangevraagde materiële en territoriale bevoegdheid, alsmede elk element dat dit verzoek kan rechtvaardigen;7° de verbintenis van de betrokken beambte om de opleidingen te volgen waarin dit deel voorziet; 8° een verzoek en een motivering om de ambtenaar bevoegd te maken voor andere wetgeving dan die bedoeld in artikel R.111. § 2. De Minister neemt zijn beslissing binnen de negentig dagen na ontvangst van de aanvraag. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de instelling van openbaar nut of de intercommunale, met een afschrift voor de Administratie. In geval van een gunstige beslissing als bedoeld in het eerste lid en voor zover hij niet is vrijgesteld omdat hij reeds eerder een dergelijke opleiding heeft gevolgd, volgt de beambte op wie het overeenkomstig lid 1 ingediende verzoek betrekking heeft, de in artikel R.129 bedoelde opleidingen. Na afloop van de opleidingen, wanneer deze met succes zijn afgerond, zendt de instelling van openbaar nut of de intercommunale de Minister een afschrift van het in dit kader afgegeven certificaat van voltooiing. Binnen twintig dagen na ontvangst van het attest bedoeld in het tweede lid bevestigt de Minister de aanwijzing van de beambte als vaststellende beambte overeenkomstig artikel D.152. Naast de uitdrukkelijke aanwijzing worden in de beslissing de voorwaarden voor interventie overeenkomstig de artikelen R.111 en R.112 vastgesteld. Art. R. 110. De Koninklijke Schenking volgt de procedure bedoeld in artikel R.109 om de benoeming van de vaststellende beambten voor te stellen. Art. R.111. § 1. In de aanwijzingsbeslissing, bedoeld in artikel R.109, bepaalt de Minister de omvang van de bevoegdheden van de aangewezen vaststellende beambte. Daartoe kan hij hem de bevoegdheid verlenen om toezicht te houden op en controle uit te oefenen op de naleving van sommige of alle bepalingen van de volgende wetten en decreten, alsmede van de uitvoeringsbesluiten daarvan, en om schendingen van deze bepalingen te onderzoeken en vast te stellen: 1° de wet van 28 december 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging;2° de wet van 18 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten betreffende de bestrijding van de geluidshinder;3° het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;4° het Milieuwetboek, met inbegrip van Boek I en van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt;5° het Waalse Dierenwelzijnwetboek met uitzondering van hoofdstuk VIII ervan;6° het decreet van 1 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten0 betreffende bodembeheer en bodemsanering;7° het decreet van 17 januari 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten1 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging gebonden aan het verkeer van de voertuigen;8° het decreet van 31 januari 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten2 betreffende de kwaliteit van de binnenlucht. Op uitdrukkelijk verzoek van de instelling aan de Minister, en wanneer het maatschappelijk doel van de instelling van openbaar nut of de intercommunale dit rechtvaardigt, kan de Minister van Leefmilieu de beambte bevoegd verklaren voor andere wetgeving, vermeld in artikel D.138 en niet bedoeld in het eerste lid. Hij kan nooit de bevoegdheid verlenen voor de jachtwet van 28 februari 1882 en voor het bosbouwwetboek. § 2. Onverminderd § 1 bepaalt de Minister in zijn aanwijzingsbeslissing de territoriale reikwijdte van de bevoegdheid van de overeenkomstig de in deze paragraaf vastgelegde regels aangewezen vaststellende beambte. Wanneer de instelling van openbaar belang in het kader van haar in haar maatschappelijk doel omschreven activiteiten binnen één gemeente optreedt, is de territoriale reikwijdte van de aangewezen vaststellende beambte beperkt tot uitsluitend deze gemeente. Wanneer de interventie plaatsvindt op het grondgebied van verschillende gemeenten binnen dezelfde provincie, is de territoriale reikwijdte van de aangewezen vaststellende beambte beperkt tot de gehele provincie. Wanneer de interventie plaatsvindt binnen verschillende gemeenten uit verschillende provincies, is de territoriale reikwijdte van de aangewezen vaststellende beambte het hele grondgebied van het Waalse Gewest. De territoriale reikwijdte van een vaststellende beambte van een intercommunale is beperkt tot het grondgebied van de gemeenten van deze intercommunale. Art. R.112. De in artikel D.152 bedoelde instelling van openbaar nut stelt de overeenkomstig artikel D.152 aangewezen vaststellende beambte in de gelegenheid zijn standpunt kenbaar te maken voordat een beslissing tot beëindiging van zijn functie wordt genomen. De beëindiging van de functie van de overeenkomstig artikel D.152 aangewezen vaststellende beambte wordt onverwijld ter kennis van de Administratie gebracht met gebruikmaking van het formulier in bijlage X. Het in het tweede lid bedoelde stuk wordt toegezonden in een van de in artikel D.141, § 2, derde lid, bedoelde vormen. Art. R.113. § 1. De Regering kan een subsidie verlenen voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van een beambte als bedoeld in artikel D.152. Deze subsidie kan slechts worden toegekend aan één vaststellende beambte, aangeworven op basis van een voltijds equivalent, per intercommunale of per instelling van openbaar nut. § 2. Binnen de perken van de beschikbare kredieten wordt het bedrag van de jaarlijkse subsidie forfaitair op maximum 5000 euro per jaar en per beambte vastgelegd. Indien de beschikbare begrotingskredieten de subsidiëring van het maximumaantal vaststellende beambten voor alle intercommunales en instellingen van openbaar nut die erom verzoeken, niet toelaten, wordt het bedrag van de subsidie proportioneel verminderd om alle intercommunales en instellingen van openbaar nut die om de subsidie verzoeken, in staat te stellen ervan te profiteren. § 3. De toekenning van de subsidie is onderworpen aan de volgende voorwaarden: 1° de intercommunale of de instelling van openbaar nut werft een beambte aan binnen zes maanden na de beslissing tot toekenning van de subsidie of verklaart dat de beambte binnen diezelfde termijn in dienst zal blijven; 2° de intercommunale of de instelling van openbaar nut voegt bij de subsidieaanvraag een plan voor de preventie en de opsporing van strafbare feiten die onder de bevoegdheid van de vaststellende beambte vallen, zoals bepaald in artikel D.152. Dit plan bevat de prioriteiten en de methodologie, alsmede een beschrijving van de prioritaire taken van de vaststellende beambte waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; 3° de vaststellende beambte oefent zijn functie daadwerkelijk op voltijdse basis uit;4° de vaststellende beambte voert minstens acht dagen terreininspecties uit per volledige gewerkte maand. § 4. De aanvraag voor een subsidie voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van een beambte wordt door de intercommunale of de instelling van openbaar nut gericht aan de directeur-generaal van de Administratie. Het aanvraagdossier bevat: 1° een afschrift van de beraadslaging van de intercommunale of de instelling van openbaar nut die beslist over de indienstneming van een voltijdse beambte; 2° een afschrift van het diploma bedoeld in artikel D.152, § 1, tweede lid, 2° en van het document waaruit blijkt dat de opleiding bedoeld in artikel D.152, § 1, tweede lid, 3°, werd voltooid; 3° elk document dat bewijst dat aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden is voldaan. § 5. De subsidie wordt uitbetaald aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar, naar rato van de gepresteerde maanden, met een maximum van twaalf dienstmaanden. Een maand wordt geacht te zijn gepresteerd zodra de gesubsidieerde vaststellende beambte ten minste één dag in die maand werkt. Indien tijdens de door de subsidie gedekte periode de diensten van de vaststellende beambte voor wie de subsidie wordt aangevraagd, om welke reden ook, worden onderbroken, wordt het bedrag van de subsidie berekend pro rata van de maanden die overeenkomstig lid 2 werkelijk als gepresteerd worden beschouwd. Om voor de afrekening van de subsidie in aanmerking te komen, moet de intercommunale of de instelling van openbaar nut de volgende documenten voorleggen: 1° een aangifte van schuldvordering vergezeld van een bewijs van de loonkosten van de vaststellende beambte;2° een bewijs van tewerkstelling met vermelding van het arbeidsregime, de begindatum en eventueel de einddatum van de tewerkstelling van de vaststellende beambte;3° een activiteitenverslag met: a) bijzonderheden over de door de vaststellende beambte uitgevoerde opdrachten;b) het aantal uitgevoerde controlecampagnes, de beschrijving ervan met een tijdschema van de geleverde prestaties en de verantwoording van de naleving van paragraaf 3, 5° ;c) het aantal gegeven waarschuwingen;d) het aantal gesloten transacties;e) het aantal uitgevaardigde dwangsommen;f) de aangelegenheden en de wetgeving waarop de waarschuwingen en de notulen betrekking hebben;g) alle andere door de intercommunale of de instelling van openbaar nut relevant geachte informatie. De intercommunale of de instelling van openbaar nut zendt de aanvraag tot vereffening van de subsidie, samen met de documenten bedoeld in lid 4, per aangetekend schrijven aan de directeur-generaal van de Administratie, uiterlijk op 1 maart volgend op het kalenderjaar waarvoor de subsidie werd toegekend. Elk verzoek om betaling dat na 1 maart wordt verzonden, wordt als nietig beschouwd. § 6. Met het oog op de controle van de subsidie kan de Administratie aan de intercommunale of aan de instelling van openbaar nut vragen om elk document voor te leggen dat nuttig is om de realiteit van de prestaties van de gesubsidieerde vaststellende beambte na te gaan en dat het mogelijk maakt de inlichtingen te vergelijken. De intercommunale of de instelling van openbaar nut beschikt over een termijn van één maand vanaf de ontvangst van het verzoek van de Administratie om de gevraagde documenten mee te delen. Indien de documenten niet binnen de gestelde termijn worden ingediend, wordt de subsidieaanvraag als nietig beschouwd. Art. R.114. § 1. Om hun hoedanigheid te bewijzen, moeten de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten een legitimatiekaart bij zich hebben waarop de in bijlage IX, deel 3, vermelde minimuminformatie staat. § 2. Bij de uitoefening van hun taken kunnen de overeenkomstig deze afdeling aangewezen vaststellende beambten onderscheidingstekens dragen. De Minister kan de lijst van de onderscheidingstekens bepalen. § 3. De houder van een kaart mag deze slechts in de uitoefening van zijn functie gebruiken. Hij kan de kaart spontaan aan iedere persoon vertonen tot wie hij zich wendt in de uitoefening van zijn ambt. Hij legt ze in ieder geval voor wanneer hem daarom wordt verzocht. Het feit dat de legitimatiekaart niet door de houder wordt overgelegd, doet niet af aan de geldigheid van de door de houder ondernomen acties. § 4. De identificatiekaart wordt zo spoedig mogelijk aan de instelling van openbaar nut of aan de intercommunale terugbezorgd indien: 1° de kaart versleten is;2° één of meerdere gegevens gewijzigd zijn of indien de gelijkenis op de foto niet meer voldoende treffend is ;3° de houder zijn ambt definitief neerlegt. De reden voor de teruggave van de kaart wordt vermeld in een brief en de kaart wordt vervolgens vernietigd. Wanneer de houder geschorst of uit zijn ambt ontzet is, trekt de instelling van openbaar nut of de intercommunale hem tijdelijk de legitimatiekaart in. De kaart wordt aan de houder teruggegeven zodra deze weer in zijn ambt treedt. Het verlies, de diefstal of de vernietiging van de kaart moet onmiddellijk worden gemeld aan de instelling van openbaar nut of aan de intercommunale. Verlies en diefstal zijn het onderwerp van een klacht die door de kaarthouder bij een politiedienst wordt ingediend. Indien de kaart wordt teruggevonden nadat zij is vernieuwd, wordt zij onmiddellijk teruggezonden aan de instelling van openbaar nut of aan de intercommunale met vermelding van de reden van terugzending. De kaart wordt dan vernietigd. Afdeling. 4. - Deskundigen Art. R. 115. Een specifiek examen of een specifieke test kan aan een deskundige worden toegewezen wanneer een bijzondere behoefte wordt vastgesteld of wanneer het examen of de test een hoog niveau van technische bekwaamheid op een bepaald gebied vereist. Een of meer deskundigen kunnen, binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden, worden aangewezen door : 1° de Minister van Leefmilieu : 2° de Minister bevoegd voor het Natuurbehoud;3° de Minister bevoegd voor Landbouw;4° de Minister bevoegd voor het Dierenwelzijn. Onder dezelfde voorwaarden als in lid 1 kan de directeur-generaal van de Administratie de benoeming van een of meerdere deskundigen aan de betrokken Minister voorstellen. Wanneer het door het onderzoek of de controle bestreken gebi …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.