📄 Wettekst
21 JULI 2016. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Inleiding Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij ter ondertekening aan Uwe Majesteit voorleggen, heeft tot doel om tegemoet te komen aan de gevolgen van de vernietiging van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière door het arrest nr. 234.747 van 17 mei 2016 van de Raad van State.
In het eerder vermelde arrest heeft de Raad van State alle bepalingen van het bedoelde koninklijk besluit vernietigd om reden dat dit besluit niet kon worden aangenomen tijdens een periode van lopende zaken.
Inderdaad, volgens de Raad van State behoort het statuut, vastgesteld door het vermelde besluit, tot de categorie van de regeringszaken, zijnde die zaken die keuzes tot gevolg hebben waarvan het belang op het politieke niveau dusdanig is dat deze alleen kunnen gemaakt worden door een regering die de steun heeft van het Parlement en die deze steun riskeert te verliezen door de beslissing die werd genomen.
Na de inwerkingtreding van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1, op 1 augustus 2014, werd op 28 oktober 2014, omwille van de behoeften van de administratie, de aankondiging van een wervingsexamen voor de stagiairs van de buitenlandse carrière gepubliceerd.
Ten gevolge van deze procedure vatten 44 stagiairs hun stage aan op 1 maart 2016.
De vernietiging met terugwerkende kracht van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 doet afbreuk aan de wettelijkheid van de aanwerving van de vermelde stagiairs, net zoals zij de wettelijkheid van de tuchtprocedures en de maatregelen van inwendige orde, genomen in het belang van de dienst, gebaseerd op het door de Raad van State vernietigde koninklijk besluit, in het gedrang brengt.
In diezelfde context dient men eveneens aandacht te hebben voor de lopende procedure voor de bevordering van de ambtenaren van de consulaire carrière naar het niveau A van de buitenlandse carrière.
Omwille van de hierboven vermelde redenen en om de rechtszekerheid en de continuïteit van de openbare dienst te garanderen, bevat het ontwerp van koninklijk besluit dat wij ter ondertekening aan Uw handtekening voorleggen, dezelfde bepalingen als deze opgenomen in het àndertussen door de Raad van State vernietigde
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1. Aan dit ontwerp werd dan ook terugwerkende kracht verleend tot 1 augustus 2014 (datum van de inwerkingtreding van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1).
Hoewel de niet-terugwerkende kracht van wetten vermeld wordt als de algemene regel in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek omwille van de noodzakelijke bewaring van de rechtszekerheid, in die zin dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk dient te zijn, een regel die zich uitstrekt tot administratieve handelingen, kent dit principe eveneens beperkingen en uitzonderingen, namelijk wanneer de terugwerkende kracht van een handeling noodzakelijk is voor het behoud van de goede werking en/of de continuïteit van de openbare dienst (zie arresten van de Raad van State; Syndicat Libre de la fonction publique - Groupe II, nr. 171.007 van 10 mei 2007; LECOQ, nr. 78.994 van 26 februari 1999; RIJNKENS et consorts, nr. 225.923 van 19 december 2013;
WALDORF; nr. 212.155 van 21 maart 2011).
In dit geval en omwille van de redenen hierboven vermeld, is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat het koninklijk besluit voorgelegd aan Uwe Majesteit zijn gevolgen kan hebben vanaf 1 augustus 2014.
Voor het overige hernemen we hierna de tekst van het Verslag zoals dat aan Uwe Majesteit werd voorgelegd in het kader van de goedkeuring van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 2 oktober 2015 (wijziging die enkel het artikel 127/1 van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 betreft) : « Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij ter ondertekening aan Uwe Majesteit voorleggen, beoogt de vaststelling van een statuut voor de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière. Het huidige statuut voor de ambtenaren van de carrière Buitenlandse Dienst, de Kanselarijcarrière en de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking wordt geregeld door het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel. De laatste belangrijke aanpassingen aan dit statuut dateren al van 1999.
In het
koninklijk besluit van 9 juni 1999Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
09/06/1999
pub.
30/06/1999
numac
1999015140
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel
type
koninklijk besluit
prom.
09/06/1999
pub.
26/06/1999
numac
1999012496
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers
sluiten werd de carrière van de attachés internationale samenwerking opgericht en werden de nodige overgangsbepalingen voorzien om de coöperanten die onder het coöperantenstatuut van 10 april 1967 vielen, de mogelijkheid te geven te integreren in het Openbaar Ambt via de deelname aan een eenmalige aanwervingsprocedure. Sinds 2004 en zeker sinds de Copernicushervorming in hetzelfde jaar werden verschillende scenario's uitgewerkt voor een nieuwe loopbaan, met onder meer het voorstel van een eenheidsstatuut voor alle ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (dus ook met de ambtenaren van de carrière Hoofdbestuur erbij) en het voorstel van een verderzetting maar met een modernisering van de drie bestaande buitenlandse carrières. Geen van deze scenario's kon succesvol afgerond worden.
In 2007 werd er dan een ontwerp van koninklijk besluit voorgelegd door de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken, Karel De Gucht, met daarin als krachtlijnen o.m. een aanpassing van het bestaande statuut aan de nieuwe concepten die door de Copernicushervorming werden ingevoerd (nieuwe klassen en daaraan gekoppelde weddeschalen, gecertificeerde opleidingen en premies voor competentieontwikkeling).
Verder werden de statutaire bepalingen, daar waar mogelijk, gelijkgeschakeld met de nieuwe loopbaan niveau A van het Openbaar Ambt en werd een hervorming van de stage van de drie carrières voorgesteld met een eerste stagejaar op het hoofdbestuur en een tweede gedeelte van de stage op post. Daarnaast werd de consulaire carrière opgewaardeerd door de werving op niveau A (en niet langer op niveau C). Een nieuwe titel werd uitgewerkt inzake de tuchtregeling en de ordemaatregelen. Om verschillende redenen werd ook dit ontwerp niet succesvol afgerond.
Huidige ontwerp Zoals blijkt uit het voorgaande, is het idee om het statuut van de buitenlandse carrières te hervormen al behoorlijk oud. De drijfveren achter deze hervorming kunnen tot de volgende doelstellingen worden teruggebracht : - noodzaak om deze carrières en het personeelsbeleid flexibeler te maken en op een moderne leest te schoeien en zoveel mogelijk af te stemmen op de carrière van het Openbaar Ambt; - grondige hervorming van de Kanselarijcarrière.
Doelstelling van het nieuwe statuut is dus, zoals gezegd, een moderne en juridisch stevig onderbouwde regeling voor de nieuw op te richten buitenlandse en consulaire carrière uit te werken, gebaseerd op de huidige realiteit en waarbij toch de nodige rechtszekerheid wordt geboden aan de ambtenaren van de drie actueel bestaande buitenlandse loopbanen. De nieuwe loopbaan moet bijdragen tot een modernere en performantere administratie.
Het nieuwe statuut voorziet in de oprichting van een buitenlandse carrière in niveau A en een uitdovende consulaire carrière in niveau C (met het behoud van de mogelijkheid van de overgang van de consulaire carrière naar de nieuwe buitenlandse carrière), de integratie van de drie actueel bestaande buitenlandse loopbanen in respectievelijk het niveau A en het niveau C en dus de integratie van de drie actueel bestaande buitenlandse loopbanen in de buitenlandse carrière en de consulaire carrière.
Recent werden er ook een reeks belangrijke aanpassingen aangebracht aan het Openbaar Ambt en deze aanpassingen werden waar mogelijk in het ontwerp ingelast. Deze aanpassingen betreffen : - het opnemen van relevante bepalingen van de nieuwe geldelijke loopbaan in de nieuwe buitenlandse loopbaan en de nieuwe consulaire loopbaan; - de integratie van de 3 bestaande buitenlandse carrières in de nieuwe geldelijke loopbaan; - het aanpassen van het statuut aan het nieuwe evaluatiesysteem; - het aanpassen van het statuut aan de nieuwe bepalingen inzake de overgang naar het niveau A voor de ambtenaren van de consulaire carrière.
Artikelsgewijze bespreking In titel 1 `Definities en algemene bepalingen', worden na een definitie van de begrippen ( Hoofdstuk 1) die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van het koninklijk besluit, een reeks algemene bepalingen (Hoofdstuk 2) uiteengezet. Een aantal verplichtingen die reeds in het oude statuut werden opgesomd, blijven van toepassing. Zo zijn de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière ertoe gehouden de functies uit te oefenen die hen bij het hoofdbestuur of bij een post worden toevertrouwd (art. 4). De vrijheid van meningsuiting die erkend wordt in artikel 10 van het statuut van het Rijkspersoneel mag de internationale betrekkingen van België niet in het gedrang brengen (art. 5). In artikel 3 worden de bepalingen opgesomd uit het statuut van het Rijkspersoneel evenals van de bezoldigingsregeling die op hen van toepassing zijn.
Titel 2 gewijd aan 'de buitenlandse carrière' bevat acht hoofdstukken : - De werving - De stage - De benoeming en de indiensttreding als ambtenaar van de buitenlandse carrière - Hiërarchie, evaluatie en bevorderingen - Verlofregeling - Dienstactiviteit - Ordemaatregelen - Tuchtregeling In Hoofdstuk 1, afdelingen 1 en 2 worden voor de werving in de buitenlandse carrière respectievelijk de benoemingsvoorwaarden (art. 6) en de toelaatbaarheidsvereisten (art.7) opgelijst.
Op te merken valt dat één van de benoemingsvoorwaarden is dat de stagiair dient te slagen voor het taalexamen bedoeld in artikel 47, § 5 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken. Hij dient uiterlijk voor de aanvang van het tweede deel van de stage te voldoen aan deze voorwaarde. Daarnaast is één van de toelaatbaarheidsvereisten dat de kandidaat dient te slagen voor het taalexamen bedoeld in artikel 14, tweede lid van het
koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/03/2001
pub.
31/03/2001
numac
2001002020
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966
sluiten. De andere benoemingsvoorwaarden en toelaatbaarheidsvereisten zijn de eisen die gesteld worden om toe te treden tot het niveau A van het Rijkspersoneel.
In afdeling 3, gewijd aan de selectie, worden in onderafdeling 1, de vergelijkende selectie voor de toelating tot het 1e deel van de stage, alle praktische modaliteiten voor de organisatie van de vergelijkende selectie en eventueel voor de organisatie van een voorexamen uiteengezet (art. 8), evenals het programma van de vergelijkende selectie zelf (art. 9 en 10). Op te merken is dat hier het slagen in een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal wordt gevraagd en dat hiervoor het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen is gevraagd.
Onderafdeling 2 is gewijd aan het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage en de praktische modaliteiten, onder meer in geval van niet slagen voor dit examen.
Hoofdstuk 2 behandelt de stage. Bij de algemene bepalingen (Afdeling 1, art. 14 tot 20) worden de benoeming als stagiair, de eventuele opzegperiode bij eerdere werkgevers, het uitstel tot het aanvatten van de stage, de van toepassing zijnde weddeschaal en de op de stagiairs van toepassing zijnde regelgeving uiteengezet. De duur van de stage, de schorsing en de verlenging van de stage, de verwijzing naar een volgende stageperiode en de modaliteiten bij een eventueel ontslag komen ook aan bod. Artikel 20 voorziet dat de stagiair geen verlof wegens opdracht kan krijgen en dit omwille van het specifieke karakter van de stage.
In afdeling 2 wordt de organisatie van de stage besproken (art. 21 tot 27). Belangrijk element hierbij is dat de stage vierentwintig maanden duurt en opgesplitst wordt in twee delen, het eerste deel op het hoofdbestuur en het tweede deel van maximum twaalf maanden op post.
In afdeling 3, het eerste deel van de stage, (art. 23 tot 25) wordt er voorzien dat de hiërarchische meerdere, op regelmatige tijdstippen vastgesteld door de minister in functie van de duur van dit eerste deel, een beoordelingsverslag opstelt over de professionele bekwaamheden van de stagiair. Er is een beroepsprocedure voorzien indien deze beoordelingsverslagen niet in hun geheel gunstig zijn voor de stagiair.
In het tweede deel van de stage (Afdeling 4, art. 26 en 27) wordt er voorzien dat het posthoofd, op regelmatige tijdstippen die worden vastgelegd door de minister in functie van de duur van dit tweede deel, een beoordelingsverslag opstelt over de professionele bekwaamheden van de stagiair evenals een eindverslag uiterlijk vijfenveertig dagen voor het einde van de stage. Ook hier is een beroepsprocedure uitgewerkt wanneer het eindverslag niet in het geheel gunstig is voor de stagiair.
Hoofdstuk 3 regelt (art. 28 tot 30) de benoeming en indiensttreding als ambtenaar van de buitenlandse carrière. De benoeming in de buitenlandse carrière gebeurt in de klasse A2, daar waar dit voorheen de klasse A1 was. Voor de berekening van zijn anciënniteit in de weddeschaal en zijn rangschikking neemt de stagiair rang in op de datum waarop hij zijn stage heeft aangevat. Voorheen werd hij pas definitief benoemd na de proeftijd. De eed wordt afgelegd in de handen van de minister of van zijn afgevaardigde en is conform de bewoordingen van artikel 2 van het
decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten3.
Hoofdstuk 4 regelt de hiërarchie, de evaluatie en de bevorderingen in de buitenlandse carrière.
In de hiërarchie (Afdeling 1, art. 31) worden 4 klassen voorzien, genummerd van A2 tot A5 (hoogste klasse). Voor elke klasse wordt een andere titel voorzien : Ambassadesecretaris en Eerste Ambassadesecretaris voor A2, Ambassaderaad en Eerste Ambassaderaad voor A3, Gevolmachtigd Minister voor A4 en Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur voor A5. Telkens worden ook bijpassende weddeschalen voorzien. Ook worden er criteria opgesomd die zullen gebruikt worden bij de classificatie van functies uitgeoefend door de ambtenaren van de buitenlandse carrière. Afdeling 2 inzake evaluatie (art. 32 en 33) bepaalt dat een
aanstelling op post of bij het hoofdbestuur een verandering van functie is voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, 3°, van het
koninklijk besluit van 24 september 2013Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/09/2013
pub.
04/10/2013
numac
2013002046
bron
federale overheidsdienst personeel en organisatie
Koninklijk besluit betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt
sluiten betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt en voorziet in een schriftelijke procedure voor de evaluatie van de posthoofden. Verder is de evaluatie gelijk aan die voorzien voor de ambtenaren van het Rijkspersoneel. Afdeling 3 (art. 34 tot 40) legt de regels vast voor de bevorderingen.
Ook in deze loopbaan zijn er twee soorten bevorderingen, namelijk in de administratieve loopbaan de benoeming tot de hogere klasse en in de geldelijke loopbaan de toekenning van een hogere weddeschaal. In afwijking van het statuut van het Rijkspersoneel zijn de vereisten om in aanmerking te komen voor een bevordering tot de hogere klasse de volgende : 4 jaar klasseanciënniteit voor de bevordering van de klasse A2 naar A3, 6 jaar klasseanciënniteit voor de bevordering van de klasse A3 naar A4, 5 jaar klasseanciënniteit voor de bevordering van A4 naar A5. Voor de bevorderingen tot de klasse A3 wordt naast een klasse-anciënniteit van 4 jaar, ook vereist dat de ambtenaar van de klasse A2 slaagt in een taalexamen met betrekking tot een andere taal dan de Engelse, Franse of Nederlandse taal, van het niveau B1 voor de spreekvaardigheid en schrijfvaardigheid. De minister of zijn afgevaardigde stelt de lijst op van deze andere talen. Deze andere talen kunnen bijvoorbeeld de talen zijn die beschouwd worden als courante internationale talen : Arabisch, Chinees, Duits, Italiaans, Japans, Portugees, Russisch en Spaans.
Bovendien, inzake de procedure zullen de kandidaten voortaan moeten solliciteren voor een vacante betrekking en hun kandidatuur motiveren.
Ook de door het Directiecomité te volgen procedure wordt uiteengezet.
Deze bepalingen behoeven geen verdere commentaar daar ze gelijklopend zijn met de normale bevorderingsprocedure voor het Rijkspersoneel (art. 41 tot 44).
De bevordering in weddeschaal wordt gekoppeld aan de schaalanciënniteit en de beoordeling bij de evaluatie (art. 45 tot 48).
Hoofdstuk 5 (art. 49 tot 56) voorziet een specifieke verlofregeling voor de ambtenaren van de buitenlandse carrière op post. Hierbij wordt rekening gehouden met de rang van hardship van elke post. Elke post wordt door het Directiecomité gerangschikt volgens een schaal van 1 tot 7 in opklimmende volgorde van hardship en dit op basis van een vergelijkende analyse van een reeks criteria (o.m. klimaatomstandigheden, veiligheid, sociale isolatie, ...). Ook worden de verloven op post opgesomd waarop de ambtenaar recht heeft op basis van het verlofbesluit. De ambtenaar van de buitenlandse carrière die bij het hoofdbestuur in dienst is, geniet van hetzelfde stelsel als dat van toepassing op de Rijksambtenaren. De vrijstelling voor het uitoefenen van een opdracht van algemeen belang wordt maximaal één maal hernieuwd.
De artikelen 57 tot 60 sommen de omstandigheden op waarin de ambtenaar zich in dienstactiviteit bevindt. Artikel 59 behandelt het pensioen.
De ambtenaar wordt van rechtswege gepensioneerd wanneer hij de volle leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Het in dienst houden boven de leeftijd van 65 jaar kan toegelaten worden door de minister op verzoek van de ambtenaar en na een gemotiveerd advies van het Directiecomité.
De periode waarin betrokkene in dienst wordt gehouden is vastgesteld voor een maximale duur van één jaar. Deze kan worden hernieuwd. Ook wordt hier voorzien dat een ambtenaar die minstens 15 jaar dienstactiviteit telt, na zijn oppensioenstelling de eretitel van zijn laatst uitgeoefende functie kan voeren.
De hoofdstukken 7 en 8 voorzien respectievelijk in een regeling voor het treffen van ordemaatregelen (art. 61 tot 73) en in een tuchtregeling (art. 74 tot 100). In vergelijking met het statuut van 1956 zijn deze hoofdstukken zeer uitgebreid en worden de procedures tot in detail omschreven. De ervaring heeft geleerd dat er nood is aan een degelijke juridische onderbouw voor deze regelingen. De tucht- en ordemaatregelen hebben hetzelfde doel. Beiden zijn gericht op de goede werking van de dienst en beogen een verstoring van de goede werking te verhelpen. De ordemaatregelen beogen enkel de goede materiële organisatie en werking van de dienst en, in tegenstelling tot de tuchtmaatregel, voorzien zij niet in de bestraffing van de verantwoordelijke ambtenaar.
Bij de ordemaatregelen (hoofdstuk 7, art. 61 tot en met 73) wordt er voorzien in de terugkeer naar het hoofdbestuur, die kan worden opgelegd aan de ambtenaren op post en in een preventieve schorsing die kan worden opgelegd aan zowel de ambtenaren op het hoofdbestuur als de ambtenaren op post. De bevoegde overheden, de procedure en de modaliteiten voor de terugroeping naar het hoofdbestuur zijn dezelfde als voor de preventieve schorsing. Wanneer de ambtenaar het voorwerp is van een strafrechtelijke procedure of van een tuchtprocedure, dan kan de wedde worden verminderd. De nodige garanties worden geboden i.v.m. de rechten van de verdediging en voor elke stap in de procedure dienen strikte termijnen in acht genomen te worden. De preventieve schorsing mag, behoudens strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging, ten hoogste zes maanden bedragen. De preventieve schorsing is immers slechts een voorlopige bewarende ordemaatregel die binnen deze termijn moet worden gevolgd door een definitief standpunt van het bestuur.
Hoofdstuk 8 (art. 74 tot 100) voorziet in een tuchtregeling. Qua structuur wordt dit hoofdstuk onderverdeeld in 6 afdelingen, waarbij de afdeling `Tuchtprocedure en beroep' nog eens onderverdeeld wordt in 4 onderafdelingen.
In afdeling 1, `Tuchtfeiten' (art. 74), wordt het tuchtfeit omschreven als `elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt in het bijzonder aan een van de plichten bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, § 1, 10 en 12 van het statuut van het Rijkspersoneel of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt'.
In afdeling 2, `Tuchtstraffen'(art. 75 tot 80), wordt een opsomming gemaakt van de tuchtstraffen. In het statuut van 1956 werden vijf tuchtstraffen voorzien, namelijk de terechtwijzing, de blaam, de tuchtschorsing, de terugzetting en de afzetting. Daar komen de inhouding van wedde, de verplaatsing bij tuchtmaatregel, de lagere inschaling en het ontslag van ambtswege bij. Door deze uitbreiding van het arsenaal tuchtstraffen zal een meer genuanceerd beleid in de toekomst mogelijk zijn. Verder worden in deze afdeling de modaliteiten voor elk van deze tuchtstraffen uitgewerkt.
In afdeling 3, `Tuchtoverheid'(art. 81 en 82), wordt er bepaald dat de drie zwaarste straffen, namelijk de terugzetting in klasse, het ontslag van ambtswege en de afzetting door de Koning worden opgelegd.
De andere tuchtstraffen worden door de Minister uitgesproken. Afdeling 4, `Tuchtprocedure en beroep'(art. 83 tot 99), wordt
opgesplitst in 4 onderafdelingen die achtereenvolgens het formuleren van het voorlopig strafvoorstel, het formuleren van het definitief strafvoorstel, het opleggen van de tuchtstraf en de samenloop van tuchtfeiten behandelen.
In onderafdeling 1 (art. 83 tot 88) wordt stap voor stap de procedure uiteengezet die aanvangt met de hiërarchische meerdere die het tuchtonderzoek voert tot het formuleren door deze laatste van een gemotiveerd voorlopig voorstel van tuchtstraf aan het Directiecomité en de betrokken ambtenaar.
In onderafdeling 2 (art. 89 tot 95) wordt op gedetailleerde wijze het verdere verloop van de procedure omschreven. Binnen een termijn van één maand vanaf de kennisgeving van het voorlopig voorstel van tuchtstraf formuleert het Directiecomité een definitief voorstel van tuchtstraf. Deze termijn kan op gemotiveerde wijze verlengd worden. De ambtenaar kan tegen het definitief voorstel een beroep indienen bij de bevoegde raad van beroep.
In onderafdeling 3 (art. 96 en 97) worden een aantal principes opgesomd waarmee de bevoegde overheid rekening moet houden na het advies van de raad van beroep.
Onderafdeling 4 (art. 98) stelt dat wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, dit slechts aanleiding kan geven tot één tuchtprocedure (en dus ook maar één tuchtstraf) en dat wanneer in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd, een nieuwe procedure kan worden begonnen zonder dat de lopende procedure wordt onderbroken. Afdeling 5, `Verjaring van de tuchtvordering `(art. 99), behoeft geen
verdere commentaar. Basisprincipe blijft hier dat er geen tuchtrechtelijke vervolging meer kan ingesteld worden na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. Afdeling 6, `Uitwissing van de tuchtstraf' (art. 100), behoeft ook
geen verdere commentaar daar het de gebruikelijke ambtshalve uitwissing betreft van de straffen, uiteraard met uitzondering van het ontslag van ambtswege en de afzetting.
Titel 3, `Consulaire carrière'(art. 101 tot 111), heeft dezelfde structuur meegekregen als de buitenlandse carrière en behandelt na de algemene bepalingen achtereenvolgens de hiërarchie, de evaluatie en de bevorderingen.
In Hoofdstuk 1, `Algemene bepalingen' (art. 101 en 102), wordt er gezegd dat er geen selecties meer worden georganiseerd voor de consulaire carrière en dat de artikelen 49 tot en met 100 - verlofregeling, ordemaatregelen en tuchtprocedure - ook op de ambtenaren van de consulaire carrière van toepassing zijn.
In Hoofdstuk 2, `Hiërarchie, evaluatie en bevorderingen', wordt in afdeling 1 de hiërarchie overlopen, beginnende met de graad van Administratief assistent (C1) bij de indiensttreding, via Administratief assistent Consulaire Zaken (C2) tot Administratief Hoofd Consulaire zaken (C3 tot C5). Afdeling 3 in verband met de bevorderingen wordt opgesplitst in 4
onderafdelingen : de algemene bepalingen, mededeling van de beslissingen tot bevordering, voorwaarden voor de bevordering in weddeschaal en bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière (art. 105 tot 111).
Ook in de consulaire carrière zijn er 2 soorten bevorderingen mogelijk, namelijk de bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière en de bevordering in weddeschaal. De voorwaarden voor bevordering in weddeschaal behoeven geen commentaar; deze voorwaarden zijn gelijklopend met wat voorzien wordt in het nieuwe koninklijk besluit betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. Om te kunnen worden bevorderd tot het niveau A van de buitenlandse carrière moet de ambtenaar van de consulaire carrière slagen in een reeks proeven. Om te kunnen deelnemen aan deze proeven moet de ambtenaar van de consulaire carrière eerst voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden; 2° bij zijn laatste evaluatie de vermelding "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen en behouden; 3° geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het
koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/03/2001
pub.
31/03/2001
numac
2001002020
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966
sluiten tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966. Er zijn vier reeksen van proeven voorzien.De eerste reeks proeven beogen een evaluatie van het vermogen van de ambtenaar om in het niveau A te functioneren; de tweede reeks omvat 4 proeven die een evaluatie beogen van de verwerving van kennis. De kandidaten die houder zijn van een master of van een ander diploma dat toegang verleent tot het niveau A, worden beschouwd als geslaagden van de proeven van deze reeks. De derde reeks proeven tenslotte bestaat uit het opmaken van een schriftelijk verslag over een casus en een mondelinge proef over een aangelegenheid die verband houdt met een functie van de buitenlandse carrière. De vierde reeks bestaat uit een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal, waarvan het niveau overeenstemt met het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid.
In titel 4 ' Integratiebepalingen, overgangs-, opheffings- en slotbepalingen' behandelen 5 hoofdstukken achtereenvolgens de integratie in de buitenlandse carrière, de integratie in de consulaire carrière, de opheffingsbepalingen, de overgangsbepalingen en de slotbepalingen.
In Hoofdstuk 1, `Integratie in de buitenlandse carrière' (art. 112 tot 125), wordt bepaald dat de definitief benoemde ambtenaren van de carrière buitenlandse dienst, de definitief benoemde ambtenaren van de kanselarijcarrière van de eerste of van de tweede administratieve klasse evenals de definitief benoemde ambtenaren van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking, geïntegreerd worden in de buitenlandse carrière. In de tabel opgenomen in artikel 112, § 2 wordt, op basis van hun administratieve klasse onder het statuut van 1956, de integratie verricht in de klasse in de nieuwe buitenlandse carrière. Verder wordt er gesteld dat de anciënniteit die verworven werd in de respectieve carrières geacht wordt verworven te zijn in de nieuwe carrière en wordt elke bestaande weddeschaal omgeschakeld naar de weddeschalen van het nieuwe koninklijk besluit betreffende de geldelijke loopbaan. Hierbij wordt er telkens over gewaakt dat de meest gunstige weddeschaal van toepassing is.
In Hoofdstuk 2 (art. 116 tot 119) worden dezelfde regelingen getroffen, maar voor de ambtenaren van de kanselarijcarrière. De ambtenaren die definitief benoemd werden op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit en behoren tot de derde of vierde klasse van de kanselarijcarrière behoren tot de consulaire carrière.
De opheffingsbepalingen (Hoofdstuk 3, art. 120 tot 125) behoeven geen commentaar, aangezien de bindende kracht van de vermelde regelingen wordt opgeheven vanaf de inwerkingtreding van de opheffingsbepalingen.
In Hoofdstuk 4 (art. 126 tot 136) worden de overgangsbepalingen opgesomd. Deze bepalingen regelen de overgang van de oude naar de nieuwe regeling voor de stages, de beroepen inzake stages, de vergelijkende selecties, de reeds samengestelde reserves, de ambtenaren van de consulaire carrière die reeds houder zijn van brevetten, de procedures inzake bevorderingen, tucht- en ordemaatregelen en de pensionering. Verder wordt in de artikelen 130 tot en met 134 de inwerkingtreding van artikel 37 m.b.t. de voorwaarden verbonden aan de klasse-anciënniteit voor de bevordering tot de klasse A3, gefaseerd in de tijd om pas op 1 januari 2020 volledig in werking te treden.
De slotbepaling (art. 137 en 138) regelt de inwerkingtreding en de uitvoering van dit besluit. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 37, dat in werking treedt op 1 januari 2020. De minister bevoegd voor Buitenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. » Opmerkingen van de Raad van State In het licht van het advies van de Raad van State en gelet op de gemaakte opmerkingen, worden hierna enkele nadere verduidelijkingen geformuleerd.
Voorafgaande opmerking Er wordt verwezen naar de door de steller van het ontwerp aangebrachte verduidelijkingen als antwoord op de opmerkingen van de Raad van State, afdeling wetgeving, in het advies 56.257/4 van 21 mei 2014 bij een ontwerp dat resulteerde in het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1.
Deze verduidelijkingen maken deel uit van het Verslag aan de Koning, zoals dit werd gepubliceerd samen met het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière, in het Staatsblad van 22 juli 2016, p. 54.793 en volgende.
Voorafgaande vormvereisten Om tegemoet te komen aan de opmerking van de Raad van State, afdeling wetgeving, werd een nieuw onderhandelingsprotocol van het Sectorcomité VII - Buitenlandse zaken afgesloten op 8 juli 2016. Het betreft het protocol van onderhandelingen 24/1.
Wij hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Buitenlandse Zaken, D. REYNDERS De Minister van Ontwikkelingssamenwerking, A. DE CROO
ADVIES 59.493/4 VAN 27 JUNI 2016 OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `TOT VASTSTELLING VAN HET STATUUT VAN DE AMBTENAREN VAN DE BUITENLANDSE CARRIERE EN DE CONSULAIRE CARRIERE' Op 30 mei 2016 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse en Europese Zaken, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière'.
Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 27 juni 2016. De kamer was samengesteld uit Pierre LIENARDY, kamervoorzitter, Martine BAGUET en Bernard BLERO, staatsraden, en Colette GIGOT, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Stéphane TELLIER, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine BAGUET. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 27 juni 2016.
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Voorafgaande opmerking De voorliggende adviesaanvraag volgt op de vernietiging van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 `tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière' bij arrest nr. 234.747 van de Raad van State van 17 mei 2016 (1).
Als gevolg van die vernietiging wil de adviesaanvrager een nieuw koninklijk besluit `tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière' uitvaardigen, dat het voorliggende ontwerp vormt. Zoals hij in het verslag aan de Koning vermeldt, zijn de bepalingen van het ontworpen koninklijk besluit identiek aan de bepalingen van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1, uitgezonderd artikel 137 betreffende de inwerkingtreding van de tekst (2).
Wat de inhoud betreft, kan worden verwezen naar de opmerkingen in advies 56.257/4, op 21 mei 2014 gegeven over een ontwerp dat ontstaan heeft gegeven aan het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1.
Voorafgaande vormvereisten In de bijlagen bij de adviesaanvraag bevindt zich "Protocol nr. 23/1 betreffende de onderhandelingen die op dinsdag 17 mei 2016 werden gevoerd in het sectorcomité VII - Buitenlandse Zaken" betreffende het ontwerp van koninklijk besluit, ondertekend door de overheid en de representatieve vakorganisaties.
Luidens de notulen van de vergadering van het sectorcomité heeft een vakorganisatie verklaard het niet eens te zijn met het ontwerp, waarbij ze stelt dat "[w]at de procedure betreft (...) artikel 27 tweede en derde lid van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel niet nageleefd [worden]". Ze preciseert dat ze "[z]elfs in geval van dringendheid (...) gezien de tussenliggende feestdag amper twee werkdagen de tijd gekregen [heeft] om deze onderhandeling op zo'n belangrijk KB voor te bereiden". Ze wil niettemin "procedureel meegaand zijn in het belang van de rechtszekerheid (...)".
Artikel 27 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 luidt als volgt : "Art. 27.De oproepingen met de dagorde worden door de secretaris ten minste tien werkdagen vóór de datum van de vergadering toegezonden aan de leden van de afvaardiging van de overheid en aan de vakorganisaties. De postdatum geldt als bewijs van de verzending.
In dringende gevallen, waarover de voorzitter oordeelt, kan hij de termijn verminderen tot drie werkdagen, zonder dat zulks noodzakelijkerwijze de toepassing van artikel 25, derde lid, tot gevolg heeft.
Bij elke oproeping wordt de documentatie gevoegd die voor de onderhandeling nodig is".
De vergadering van sectorcomité VII heeft op dinsdag 17 mei 2016 plaatsgevonden. Maandag 16 mei 2016 was een feestdag.
Op de vraag wanneer de oproeping, bedoeld in artikel 27 is verzonden, heeft de gemachtigde van de minister de e-mail met de oproeping bezorgd die aan de vakorganisaties is toegestuurd. Die e-mail is op woensdag 11 mei 2016 om 15.57 uur verzonden.
Gelet op de hierboven vermelde feestdag, op het uur waarop die e-mail is verzonden en op de regels voor de berekening van de termijnen luidens welke de eerste dag van een termijn ingaat op de dag na de verzending, moet, tenzij ervan wordt uitgegaan dat zaterdag een werkdag is, worden vastgesteld dat de vakbondsafgevaardigden niet hebben beschikt over drie volledige werkdagen om het ontwerp van koninklijk besluit te onderzoeken.
Daaruit volgt dat het voorafgaand vormvereiste niet op regelmatige wijze vervuld is, aangezien het protocol van akkoord is ondertekend na afloop van een vergadering die, gelet op artikel 27, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 september 1984, niet regelmatig is gehouden.
De steller van het ontwerp moet erop toezien dat dat vormvereiste naar behoren wordt vervuld.
De Griffier, De Voorzitter, C. Gigot. P. Liénardy. _______ Nota's (1) RvS 17 mei 2016, nr.234.747, de Crombrugghe de Picquendaele. (2) Er moet worden opgemerkt dat het ontworpen koninklijk besluit ook een artikel 127/1 bevat dat identiek is aan het artikel 127/1 dat in het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 is ingevoegd bij een koninklijk besluit van 2 oktober 2015 `tot wijziging van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière', waarover in advies 58.091/4 van 16 september 2015 geen enkele opmerking is gemaakt.
21 JULI 2016. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de Grondwet, de artikelen 37 en 107, tweede lid;
Gelet op het koninklijk besluit van 15 juli 1920 betreffende de inrichting van het Diplomatiek Korps;
Gelet op het koninklijk besluit van 15 juli 1920 houdende nieuwe inrichting van het consulair korps;
Gelet op het koninklijk besluit van 16 augustus 1923 betreffende de inrichting van het korps der kanseliers, de dragomannen en tolken;
Gelet op het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel;
Gelet op het
koninklijk besluit van 4 februari 1999Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
04/02/1999
pub.
26/02/1999
numac
1999015048
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière Buitenlandse Dienst en van de Kanselarijcarrière van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
sluiten tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière Buitenlandse Dienst en van de Kanselarijcarrière van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
Gelet op het
koninklijk besluit van 4 augustus 1999Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
04/08/1999
pub.
31/08/1999
numac
1999015218
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking
Koninklijk besluit tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking
sluiten tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking;
Gelet op het advies van het Directiecomité, gegeven op 25 maart 2016;
Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 18 april 2016;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 4 mei 2016;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister belast met Ambtenarenzaken, gegeven op 12 mei 2016;
Gelet op de protocollen van onderhandelingen 23/1 en 24/1 van het Sectorcomité VII Buitenlandse Zaken, gesloten op 17 mei 2016 en 8 juli 2016;
Gelet op artikel 8, § 1, 4° van de
wet van 15 december 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/12/2013
pub.
31/12/2013
numac
2013021138
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging
sluiten houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging, is dit besluit vrijgesteld van een regelgevingsimpactanalyse omdat het bepalingen van autoregulering betreft;
Gelet op het advies nr. 59.493/4 van de Raad van State, gegeven op 27 juni 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 234.747 van 17 mei 2016 is overgegaan tot de vernietiging van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en van de consulaire carrière;
Overwegende dat de vernietiging door het
arrest van 17 mei 2016Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten2 van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en van de consulaire carrière elke wettelijke basis wegneemt voor de procedures die werden opgestart na de inwerkingtreding van het vermelde
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1;
Overwegende dat, meer in het bijzonder, op basis van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 44 stagiairs van de buitenlandse carrière in functie zijn getreden op 1 maart 2016;
Overwegende dat tuchtstraffen werden uitgesproken en ordemaatregelen werden genomen in het belang van de dienst op basis van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1;
Dat nog steeds tuchtprocedures en ordemaatregelen hangende zijn op basis van het vermelde koninklijk besluit;
Overwegende dat op basis van de bepalingen van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 een bevorderingsprocedure lopende is van ambtenaren van de consulaire carrière naar het niveau A van de buitenlandse carrière;
Overwegende dat de rechtszekerheid dient te worden gegarandeerd en de continuïteit van de openbare dienst moet worden verzekerd;
Overwegende, bijgevolg, dat het dan ook van belang is om de bepalingen van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 te hernemen in het kader van het voorliggende koninklijk besluit en dit te laten terugwerken tot op 1 augustus 2014 om te verhinderen dat afbreuk wordt gedaan aan de rechtszekerheid, de goede werking en de continuïteit van de openbare dienst;
Overwegende dat het feit dat het voorliggende besluit de bepalingen van het
koninklijk besluit van 4 juli 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten1 herneemt, bijgevolg geen afbreuk doet aan de rechtszekerheid die vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en gekend kan zijn in die zin dat iedereen redelijkerwijze de gevolgen van een handeling kan voorzien wanneer deze wordt gesteld;
Op de voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Ontwikkelingssamenwerking en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : TITEL 1. - Definities en algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Definities Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "de FOD" : de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;2° "een post" : een ambassade, een permanente vertegenwoordiging, een consulaat-generaal, een consulaat, een vice-consulaat of een consulair agentschap;3° "het statuut van het Rijkspersoneel" : het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;4° "de minister" : de Minister van Buitenlandse Zaken;5° "de afgevaardigd bestuurder" : de Afgevaardigd Bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid;6° "de voorzitter" : de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD;7° "de stafdirecteur" : de Stafdirecteur van de Stafdirectie Personeel en Organisatie van de FOD;8° "het verlofbesluit" : het
koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen;9° "de bezoldigingsregeling" : het
koninklijk besluit van 25 oktober 2013Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten0 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;10° "de klasse" : een groepering van functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden;11° "de functie" : het geheel van taken en verantwoordelijkheden die de ambtenaar op zich dient te nemen;12° "werkdagen" : alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en feestdagen. HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen Art. 2.§ 1. Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van : 1° de buitenlandse carrière;2° de consulaire carrière. § 2. Het gebruik van de mannelijke vorm in dit besluit is gemeenslachtig. Art. 3.De ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière zijn onderworpen : 1° aan de bepalingen van het statuut van het Rijkspersoneel, met uitzondering van de artikelen 3 tot en met 6 bis, 14, 14bis, 15 tot en met 19, 20 tot en met 26, 27 tot en met 39, 45 tot en met 48, 49 tot en met 52, 56 tot en met 62, 70 tot en met 76, 77 tot en met 81 bis, 94, 103, 107, 116 en 117;2° aan de bezoldigingsregeling, met uitzondering van de artikelen 5 tot en met 7, 8, lid 1, 13, § 3, 20 tot en met 28, 30 tot en met 62;3° aan de uitvoeringsbesluiten van het statuut van het Rijkspersoneel, opgesomd in bijlage 1;4° aan de besluiten opgesomd in bijlage 2. De bepalingen van de artikelen 8, 9, 10 en 13 van het statuut van het Rijkspersoneel en van het artikel 74 zijn van toepassing zelfs wanneer de ambtenaar van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière voltijds met verlof, in disponibiliteit of in non-activiteit is. Art. 4.De ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière zijn er toe gehouden de functies uit te oefenen die hen bij het hoofdbestuur of bij een post worden toevertrouwd. Art. 5.De vrijheid van meningsuiting die erkend wordt in artikel 10 van het statuut van het Rijkspersoneel mag de internationale betrekkingen van België niet in het gedrang brengen.
TITEL 2. - Buitenlandse carrière HOOFDSTUK 1. - De werving Afdeling 1. - Benoemingsvoorwaarden
Art. 6.Niemand kan tot ambtenaar van de buitenlandse carrière worden benoemd indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de in artikel 7 gestelde toelaatbaarheidsvereisten vervullen;2° slagen voor de selectie, voorzien in de artikelen 8 tot en met 13;3° met goed gevolg de stage, voorzien in de artikelen 14 tot en met 27, volbrengen;4° slagen voor het taalexamen bedoeld in artikel 47, § 5 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966. Aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 4° moet voldaan zijn uiterlijk voor de aanvang van het tweede deel van de stage.
De stagiair die voor de aanvang van het tweede deel van de stage niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 4°, wordt ontslagen met naleving van een opzegtermijn van drie maanden, die ingaat op de eerste dag volgend op de laatste dag van het eerste deel van de stage. Afdeling 2. - De toelaatbaarheidsvereisten
Art. 7.§ 1. De toelaatbaarheidsvereisten zijn de volgende : 1° Belg zijn;2° een gedrag hebben dat overeenstemt met de eisen van de functie;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;5° zich persoonlijk niet bevinden in een toestand van belangenconflict;6° houder zijn van één der diploma's of studiegetuigschriften die toegang geven tot het niveau A van de Rijksbesturen;7° geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het
koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/03/2001
pub.
31/03/2001
numac
2001002020
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966
sluiten tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1966. § 2. Een afwijking van de in de paragraaf 1, 6°, bedoelde diplomavoorwaarde kan door de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken worden toegestaan : 1° hetzij voor de kandidaten die houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift van een lager niveau, in geval van schaarste op de arbeidsmarkt, na advies van de afgevaardigd bestuurder;2° hetzij, op voorstel van de minister, voor de kandidaten die houder zijn van een attest dat getuigt van generieke competenties die buiten diploma zijn verworven en toegang geeft tot het niveau A.Dit getuigschrift wordt uitgereikt door het Selectiebureau van de Federale Overheid en zijn geldigheidsduur wordt bepaald op vijf jaar vanaf de datum van zijn aflevering. § 3. Wanneer die voorwaarde gewettigd is wegens de behoeften van de dienst, kan de minister, na advies van de afgevaardigd bestuurder, het bezit voorschrijven van bijzondere diploma's of studiegetuigschriften, die krachtens de reglementering in aanmerking komen voor de betrekkingen van niveau A in de Rijksbesturen. § 4. Bij het organiseren van een vergelijkende selectie stelt de afgevaardigd bestuurder de datum vast waarop de kandidaat moet voldoen aan de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften.
De afgevaardigd bestuurder gaat de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften na.
Zodra de afgevaardigd bestuurder, in de loop van een vergelijkende selectie, vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften, sluit hij deze van de vergelijkende selectie uit en geeft hij hem kennis van zijn beslissing. Afdeling 3. - De selectie
Onderafdeling 1. - De vergelijkende selectie voor de toelating tot het eerste deel van de stage Art. 8.§ 1. Voor de werving in de buitenlandse carrière organiseert de afgevaardigd bestuurder, op verzoek van de minister, een vergelijkende selectie die leidt tot een rangschikking van de geslaagden. § 2. De afgevaardigd bestuurder kondigt de organisatie van een vergelijkende selectie aan door ten minste een bericht in het Belgisch Staatsblad.
Het bericht vermeldt : 1° de uiterste datum voor kandidatuurstelling;2° de samenstelling van een reserve van geslaagden, de duur en de omvang ervan;3° de toelaatbaarheidsvereisten;4° het volledige programma van de vergelijkende selectie;5° de benoemingsvoorwaarden. De minister of zijn afgevaardigde bepaalt de omvang van de reserve van geslaagden.
De kandidaat beschikt over ten minste eenentwintig dagen, vanaf de datum van bekendmaking van het bericht in het Belgisch Staatsblad, om zich kandidaat te stellen. § 3. Na het afsluiten van de inschrijvingen, kan de minister, op voorstel van de afgevaardigd bestuurder, wanneer deze oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten het rechtvaardigt, aan het programma van de vergelijkende selectie een voorexamen toevoegen.
Het bericht in het Belgisch Staatsblad bedoeld in paragraaf 2 vermeldt de mogelijke organisatie van het voorexamen.
Het programma van de vergelijkende selectie vermeldt de aard van het voorexamen en, in voorkomend geval, de materie waarop het betrekking zal hebben.
Tot de vergelijkende selectie wordt enkel de kandidaat toegelaten die bij het voorexamen vijftig procent van de punten heeft behaald.
Voor de rangsch …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.