📄 Wettekst
21 APRIL 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
Rechtsgrond Dit besluit is gebaseerd op: - het
decreet van 28 juni 2013Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
28/06/2013
pub.
19/07/2013
numac
2013035646
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het Protocol dat op 20 oktober 2010 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden werd ondertekend tot wijziging van het Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ter uitvoering van artikel 4, § 4, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten
type
decreet
prom.
28/06/2013
pub.
12/09/2013
numac
2013204905
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het landbouw- en visserijbeleid
sluiten betreffende het landbouw- en visserijbeleid, artikel 4, 1°, a), ingevoegd bij het decreet van 26 april 2019 en artikel 44, tweede lid.
Vormvereisten De volgende vormvereisten zijn vervuld: - De Europese Commissie heeft het Vlaams Strategisch Plan voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023 - 2027 goedgekeurd op 5 december 2022. - De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 3 december 2022. - De Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens heeft op 21 maart 2023 advies nr. 2023/034 gegeven. - De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft advies nr. 71/2023 gegeven op 21 maart 2023; - De Raad van State heeft advies 73.205/1 gegeven op 7 april 2023, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Initiatiefnemer Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw.
Na beraadslaging, DE VLAAMSE REGERING BESLUIT: HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Definities
Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder: 1° basisinkomenssteun: de basisinkomenssteun voor duurzaamheid, vermeld in artikel 16, lid 2, a), van verordening (EU) 2021/2115;2° berm: een strook grond, meestal een grasstrook, die de scheiding vormt tussen weginfrastructuur, zoals wegen, spoorwegen, fietspaden of trottoirs, aan de ene kant en een andere vaste grens, zoals een waterloop, een talud of een eigendomsgrens, aan de andere kant;3° besluit van 24 oktober 2014: het
besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
24/10/2014
pub.
08/12/2014
numac
2014036845
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
sluiten tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;4° besluit van 29 oktober 2021: het
besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2021Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
10/06/2022
numac
2022041385
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
23/06/2022
numac
2022032282
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
08/07/2022
numac
2022032313
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot wijziging van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot bepaling van de modaliteiten van de vereenvoudigde administratieve procedure van betaling van geldboetes ingesteld door de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
30/06/2022
numac
2022032326
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer
sluiten0 over de biologische productie en de etikettering van biologische producten;5° besluit van 21 april 2023: het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor subsidies voor de uitvoering van maatregelen met een gunstig effect op het milieu, het klimaat en de biodiversiteit;6° bevoegde entiteit: het Departement Landbouw en Visserij, vermeld in artikel 26, § 1, van het
besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
03/06/2005
pub.
22/09/2005
numac
2005036144
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie
sluiten met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;7° blijvende teelten: de teelten van gewassen die geen blijvend grasland zijn en die niet in de vruchtwisseling zijn opgenomen. Blijvende teelten nemen het land gedurende ten minste vijf jaar in beslag. Blijvende teelten zijn teelten die geregeld een oogst kunnen opleveren, met inbegrip van producten van kwekerijen en hakhout met korte omlooptijd; 8° blijvend grasland: land dat wordt gebruikt voor een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen en dat minimaal vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen;9° bomenrij: een lijnvormig vrijstaand landschapselement dat bestaat uit minstens drie bomen in één rij met maximaal twintig meter tussen de stammen;10° bouwland: a) land dat niet voldoet aan de definitie van blijvende teelten of blijvend grasland en dat voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of dat daarvoor beschikbaar is, maar braak ligt;b) land dat is braakgelegd overeenkomstig artikel 31 of 70 van verordening (EU) 2021/2115 of de GLMC-norm 8, vermeld in bijlage III bij verordening (EU) 2021/2115;11° braakliggend land: bouwland waarop geen landbouwproductie plaatsvindt, maar waarop een spontane vegetatie tot ontwikkeling komt of een maatregel wordt genomen om de biodiversiteitsvoordelen te vergroten en waarbij geen landbouwproducten worden geoogst;12° bufferstroken en akkerranden: onder bufferstroken en akkerranden vallen alle bufferstroken en akkerranden, met inbegrip van de bufferstroken langs waterlopen die vereist zijn in het kader van GLMC 4, RBE 1, RBE 2 of RBE 7 als bedoeld in bijlage III bij Verordening (EU) nr.2021/2115, en de akkerranden die beschermd zijn in het kader van GLMC 8, RBE 3 of RBE 4 als bedoeld in die bijlage, met een minimumbreedte van minstens 1 meter. Bufferstroken en akkerranden moeten ofwel bedekt zijn door de ontwikkeling van een spontane vegetatie, ofwel door de inzaai van een gewas, zonder dat er landbouwproductie op mag plaatsvinden. Als de bufferstroken of akkerranden kunnen worden onderscheiden van de aangrenzende teelt, mogen ze worden begraasd of gemaaid; 13° conditionaliteit: beheerseisen die voortvloeien uit Europese verordeningen en richtlijnen over klimaat en milieu, volksgezondheid, gezondheid van planten en dierenwelzijn, en normen voor het in goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) houden van landbouwgrond volgens de thema's klimaatverandering, water, bodem, biodiversiteit en landschap, vermeld in bijlage III van verordening (EU) 2021/2115;14° controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten: het controleorgaan dat erkend is conform artikel 24 en 25 van het besluit van 29 oktober 2021;15°
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten: het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;16° e-loket: het elektronische loket dat wordt ontwikkeld en beheerd door de bevoegde entiteit;17° e-loketgebruiker: de fysieke persoon die als landbouwer, als persoon die deel uitmaakt van de landbouwer of als gevolmachtigde van de landbouwer het e-loket gebruikt;18° gedelegeerde verordening (EU) 2022/126: gedelegeerde Verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC);19° gedelegeerde verordening (EU) 2022/1172: gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties;20° grassen of andere kruidachtige voedergewassen: alle kruidachtige planten die in België traditioneel in natuurlijk grasland voorkomen of normaliter in zaadmengsels voor grasland worden opgenomen, ongeacht of het grasland in kwestie voor het weiden van dieren wordt gebruikt;21° groep van bomen: bomen in groep met overlappende kruinen en vrijstaand.Een groep van bomen heeft een maximale oppervlakte van 0,30 hectare; 22° haag of heg: een rij bomen of struiken die vlak naast elkaar staan en aaneengesloten zijn.Een haag of heg is overal minder dan twee meter breed; 23° hakhout met korte omlooptijd: meerjarige dicht bij elkaar staande houtgewassen van boomsoorten van de gecombineerde nomenclatuurcode van de Europese Unie GN-code 0602 90 41, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 10 van verordening (EEG) nr.2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, waarvan de wortelstokken of stronken na de oogst in de grond blijven en die in het daaropvolgende seizoen nieuwe scheuten vormen. Hakhout met korte omlooptijd heeft een maximale omlooptijd van acht jaar; 24° herverdelende inkomenssteun: de aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid, vermeld in artikel 29 van Verordening (EU) 2021/2115;25° hoofdteelt: de teelt die volgens de gangbare teeltpraktijk op een perceel overwegend aanwezig is van 15 mei tot en met 31 augustus;26° hoogstamboomgaard: een perceel landbouwgrond met hoogstamfruitbomen;27° houtkant: een uitgestrekte en aaneengesloten vegetatiestrook, vrijstaand van andere landschapselementen, die bestaat uit struiken of uit bomen.Een houtkant is maximaal tien meter breed; 28° kleibodem: bodem die op grond van de bodemkaart gekarakteriseerd wordt met de codes U (zware klei) of E (klei), zoals vermeld in het Compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, goedgekeurd bij het
ministerieel besluit van 12 oktober 2017Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
12/10/2017
pub.
20/11/2017
numac
2017040791
bron
vlaamse overheid
Ministerieel besluit houdende vaststelling van nadere regels voor de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die in het Vlaamse Gewest door of op initiatief van lokale besturen worden uitgevoerd
sluiten houdende de goedkeuring van het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming (BOC), versie 2.1, of vergelijkbare bodems in de zeepolders of in de bodemstaalanalyse met de codes 50 (klei), 60 (lichte polder) of 70 (polder); 29°
koninklijk besluit van 20 mei 2022Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
10/06/2022
numac
2022041385
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
23/06/2022
numac
2022032282
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
08/07/2022
numac
2022032313
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot wijziging van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot bepaling van de modaliteiten van de vereenvoudigde administratieve procedure van betaling van geldboetes ingesteld door de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
30/06/2022
numac
2022032326
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer
sluiten: het
koninklijk besluit van 20 mei 2022Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
10/06/2022
numac
2022041385
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
23/06/2022
numac
2022032282
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
08/07/2022
numac
2022032313
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot wijziging van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot bepaling van de modaliteiten van de vereenvoudigde administratieve procedure van betaling van geldboetes ingesteld door de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle
type
koninklijk besluit
prom.
20/05/2022
pub.
30/06/2022
numac
2022032326
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer
sluiten betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels;30° kwekerijen: arealen met jonge houtachtige planten in de openlucht bestemd om later te worden verplant voor de kweek van: a) wijnstokken en moederplanten;b) vruchtbomen en kleinfruitgewassen;c) siergewassen;d) voor de verkoop bestemde bosplanten, exclusief de bosboomkwekerijen die in het bos liggen en die bestemd zijn om aan de eigen behoefte van het bedrijf te voldoen;e) bomen en heesters om tuinen, parken, straten en bermen te beplanten, namelijk haagplanten, rozen en andere sierheesters, sierconiferen en ook onderstammen en jonge zaailingen ervan;31° landbouwactiviteit: a) het telen van landbouwproducten en de eerste verwerking hiervan tot landbouwproduct;b) het melken van dieren en de eerste verwerking hiervan tot landbouwproduct;c) het fokken van dieren voor landbouwdoeleinden;d) het houden van dieren voor landbouwdoeleinden, exclusief paarden voor sport -en recreatiedoeleinden;e) onderhoud van landbouwareaal als vermeld in artikel 6;32° landbouwareaal: areaal van bouwland, blijvend grasland en blijvende teelten ook als boslandbouwsystemen zich op dat areaal bevinden als vermeld in artikel 2, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor subsidies voor de aanplant en het onderhoud van boslandbouwsystemen;33° landbouwer: een landbouwer als vermeld in artikel 3, 1), van verordening (EU) 2021/2115;34° landbouwperceel: een landbouwperceel is een door de landbouwer aangegeven stuk grond dat aaneengesloten is en niet meer dan één enkele teelt omvat en indien van toepassing, dat wordt begrensd door een agromilieu- en klimaatmaatregel of beheerovereenkomst of ecoregeling;35° landbouwproducten: de producten, vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van Europese Unie, met inbegrip van katoen en hakhout met korte omlooptijd, exclusief visserijproducten;36° landschapselement: een lijn- of puntvormig element in het landschap zoals gedefinieerd in artikel 2, 6° van het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten; 37° leembodem: bodem die op grond van de bodemkaart gekarakteriseerd wordt met de codes A (leem), zoals vermeld in het Compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, goedgekeurd bij het
ministerieel besluit van 12 oktober 2017Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
12/10/2017
pub.
20/11/2017
numac
2017040791
bron
vlaamse overheid
Ministerieel besluit houdende vaststelling van nadere regels voor de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die in het Vlaamse Gewest door of op initiatief van lokale besturen worden uitgevoerd
sluiten houdende goedkeuring van het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming (BOC), versie 2.1, of in de bodemstaalanalyse met de codes 35 (lichte leem), 40 (leem) of 45 (zware leem), of een combinatie van code U, E, A; 38° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw;39°
ministerieel besluit van 13 juli 2015Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
13/07/2015
pub.
19/08/2015
numac
2015035999
bron
vlaamse overheid
Ministerieel besluit houdende uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, wat betreft de specifieke regels voor vergroening binnen de rechtstreekse betalingen
sluiten: het
ministerieel besluit van 13 juli 2015Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
13/07/2015
pub.
19/08/2015
numac
2015035999
bron
vlaamse overheid
Ministerieel besluit houdende uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, wat betreft de specifieke regels voor vergroening binnen de rechtstreekse betalingen
sluiten houdende uitvoering van het
besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
24/10/2014
pub.
08/12/2014
numac
2014036845
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
sluiten tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, wat betreft de specifieke regels voor vergroening binnen de rechtstreekse betalingen;40° nateelt: de teelt die na de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde kalenderjaar ingezaaid wordt;41° Natura 2000-gebied: een gebied dat als speciale beschermingszone is aangeduid conform artikel 36bis van het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten;42° natuurlijke graslanden: gronden met ruige grassen, grassen met een belangrijke aanwezigheid van mossen, kruidachtige gewassen of andere weinig voedzame grassoorten, of ouder weidegras met een zekere graad van spontane ontwikkeling van kruidachtige gewassen;43° overmacht en uitzonderlijke omstandigheden: de gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden, vermeld in artikel 3 van verordening (EU) 2021/2116;44° poel: een geïsoleerd watervlak in een natuurlijke laagte of in een uitgraving dat het grootste deel van het jaar met water gevuld is en niet verbonden is met waterlopen.Een poel heeft een maximale oppervlakte van 0,10 hectare; 45° reserve: de enveloppe die conform artikel 26 van verordening (EU) 2021/2115 als regionale reserve beschikbaar is voor toewijzing aan de landbouwers;46° sloot: een waterloop in een natuurlijke of aangelegde laagte, van maximaal zes meter breed en geschikt voor afvoer van water.Waterlopen met uitsluitend betonnen wanden worden niet als sloot beschouwd; 47° subsidiabele hectare: een subsidiale hectare vermeld in artikel 5;48° uiterste indieningsdatum: de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag;49° uiterste wijzigingsdatum: de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag;50° uitvoeringsverordening (EU) 2022/1317: uitvoeringsverordening (EU) 2022/1317 van de Commissie van 27 juli 2022 tot vaststelling van afwijkingen van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de toepassing van de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van grond (GLMC-normen) 7 en 8 voor claimjaar 2023;51° verordening (EU) nr.1307/2013: verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) 73/2009 van de Raad; 52° verordening (EU) 2021/2115: verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr.1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013; 53° verordening (EU) 2021/2116: verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr.1306/2013; 54° verzamelaanvraag: aanvraagsysteem dat het geospatiale en diergebonden aanvraagsysteem omvat, vermeld in artikel 65, lid 4, a), van verordening (EU) 2021/2116;55° werkdag: een dag die geen zaterdag, zondag, wettelijke of Vlaamse decretale feestdag is. Afdeling 2. - Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 2.Berichten ter uitvoering van dit besluit worden op elektronische wijze uitgewisseld. De bevoegde entiteit bepaalt de te volgen elektronische procedure en maakt die bekend. De bevoegde entiteit kan daarbij beperkingen en technische eisen opleggen.
Het tijdstip van verzending en ontvangst van berichten die op elektronische wijze worden uitgewisseld, wordt bepaald conform artikel II.23 van het Bestuurs
decreet van 7 december 2018Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
07/12/2018
pub.
19/12/2018
numac
2018032457
bron
vlaamse overheid
Bestuursdecreet
sluiten.
Als voor bepaalde berichten, als bedoeld in het eerste lid, bepaald is dat ze voor een bepaalde datum meegedeeld of ingediend moeten worden bij de bevoegde entiteit, moeten de berichten uiterlijk op die datum ontvangen zijn door de bevoegde entiteit, waarbij het tijdstip wordt bepaald zoals vastgelegd in het tweede lid.
Voor elektronische verzendingen uitgaande van de bevoegde entiteit geldt de dag na de dag van verzending als aanvangspunt van de termijnen die worden opgelegd in het kader van procedures in uitvoering van dit besluit.
In afwijking van het eerste lid mogen de bezwaren, vermeld in artikel 97, ook op papier ingediend worden. Terugvorderingen worden ook op papier verstuurd door de bevoegde entiteit. Bij verzendingen op papier die uitgaan van de bevoegde entiteit, geldt de dag na de dag van verzending als startdatum van de termijnen die worden opgelegd in het kader van de procedures ter uitvoering van dit besluit.
De minister kan bepalen in welke andere gevallen uitwisseling op papier mogelijk is en welk tijdstip daarbij als tijdstip van ontvangst geldt. Art. 3.De steunaanvragen en betalingsaanvragen die in het kader van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan worden ingediend, verlopen via de verzamelaanvraag met inachtneming van de regels over de werking van de verzamelaanvraag, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2. De steunaanvraag geldt als betalingsaanvraag. De aanvraag, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend door de landbouwer die de percelen in eigen gebruik heeft en over een genotrecht voor de percelen in kwestie beschikt zoals bedoeld in artikel 20 en als vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid. De landbouwer geeft alle percelen van zijn landbouwareaal aan in de aanvraag.
Bij de verzamelaanvraag worden de gevraagde bewijsstukken gevoegd die aantonen dat de voorwaarden van de interventies, vermeld in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, zijn vervuld. Afdeling 3. - Actieve landbouwer
Art. 4.§ 1. In dit artikel wordt verstaan onder: 1° btw-verkoophandeling: de levering van goederen en het verrichten van diensten, die belastbare handelingen zijn conform hoofdstuk III van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;2° erkende terreinbeherende natuurvereniging: de organisaties conform artikel 2, punt 16° van het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten;3° factorinkomen: het verschil tussen de totale opbrengsten, inclusief premies, en de non-factorkosten, inclusief afschrijvingen, ten gevolge van de landbouwactiviteit.Het is de vergoeding voor alle ingezette productiefactoren, grond, bedrijfskapitaal en arbeid, ongeacht of die extern of eigen zijn aan het bedrijf; 4° instromer: een landbouwer waarvan het enige bedrijfshoofd zich in het lopende kalenderjaar of in de voorbije twee kalenderjaren voor het eerst gevestigd heeft of waarvan alle zaakvoerders, bestuurders, vennoten en leden zich in het lopende kalenderjaar of in de voorbije twee kalenderjaren voor het eerst gevestigd hebben;5° landbouwer met biologische productie: de landbouwer die op de uiterste indieningsdatum voldoet aan al de volgende voorwaarden: a) de landbouwer is aangesloten bij een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten;b) de landbouwer heeft zijn activiteit gemeld bij de bevoegde entiteit conform artikel 13 van het besluit van 29 oktober 2021; 6° overheidsinstelling: de instellingen, vermeld in artikel I.3 van het Bestuurs
decreet van 7 december 2018Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
07/12/2018
pub.
19/12/2018
numac
2018032457
bron
vlaamse overheid
Bestuursdecreet
sluiten; 7° standaardverdiencapaciteit: de modelmatige berekening van het factorinkomen, gebaseerd op dier- en perceelgegevens van de landbouwer;8° verbonden onderneming: de ondernemingen, vermeld in artikel 3, lid 3, van bijlage 1 bij verordening (EU) nr.651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard. § 2. Rechtstreekse betalingen kunnen uitsluitend toegekend worden aan actieve landbouwers, ongeacht het bedrag aan rechtstreekse betalingen dat de landbouwer het voorgaande jaar ontvangen heeft. De landbouwer die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt beschouwd als actieve landbouwer: 1° de landbouwer is geregistreerd met een ondernemingsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en heeft een NACEBEL-code voor de btw-activiteiten die betrekking heeft op een landbouwactiviteit; 2° de verhouding tussen de btw-verkoophandelingen als gevolg van de landbouwactiviteit ten opzichte van de btw-verkoophandelingen van alle economische activiteiten van de betrokken onderneming, zonder rekening te houden met de met de actieve landbouwer verbonden ondernemingen, is groter dan of gelijk aan een één derde; 3° de landbouwer heeft een standaardverdiencapaciteit die groter is dan of gelijk is aan het minimaal factorinkomen van 7.500 euro; 4° de landbouwer of een aan de landbouwer verbonden onderneming is geen overheidsinstelling, erkende terreinbeherende natuurvereniging, hogeschool of universiteit;5° binnen de landbouwer is er minstens één bedrijfshoofd, zaakvoerder, lid, vennoot of bestuurder dat of die geen rustpensioen ontvangt. De minister bepaalt de nadere regels voor de voorwaarde bepaald in het eerste lid, punt 5° en de inwerkingtreding ervan.
De minister kan: 1° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1° : a) bepalen welke NACEBEL-codes in aanmerking komen om te voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1° ;b) het gebruik van andere gegevensbronnen voor de identificatie en registratie van ondernemingen toestaan;c) nadere regels bepalen voor de controle van de voorwaarden;2° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2° : a) de procedure vastleggen om de verhouding te bepalen;b) nadere regels bepalen voor de btw-verkoophandelingen, die in rekening worden gebracht als gevolg van de landbouwactiviteit en als gevolg van alle economische activiteiten van de onderneming in kwestie;c) nadere regels bepalen voor het leveren van tegenbewijs met betrekking tot de voorwaarden;d) voorzien in een vrijstelling voor: 1) landbouwers die opteren voor een door de minister bepaalde bijzondere regeling;2) landbouwers die enkel onderhoud op landbouwareaal als landbouwactiviteit uitvoeren, op ten minste 75% van hun totale landbouwareaal;3) landbouwers waarvan de btw-verkoopshandelingen niet gekend zijn omdat ze recent gestart zijn ;3° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 3° : a) nadere regels bepalen om de standaardverdiencapaciteit vast te stellen;b) nadere regels bepalen voor de procedures die de landbouwer kan volgen als zijn standaardverdiencapaciteit lager is dan het vereiste minimale factorinkomen;c) voorzien in een afwijkende regeling voor wat betreft de minima aan factorinkomens voor instromers en voor landbouwers met biologische productie;d) nadere regels bepalen voor de eerste vestiging bij instromers;4° voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, nadere regels bepalen voor het te leveren tegenbewijs voor de voorwaarden;5° bepalen welk bewijs geleverd moet worden aan de bevoegde entiteit om de hoedanigheid van actieve landbouwer als vermeld in § 2, eerste lid, aan te tonen en nadere regels bepalen voor het te leveren tegenbewijs in het geval de bevoegde entiteit oordeelt dat de voorwaarden niet nageleefd werden;6° nadere regels bepalen voor de controle van de ondernemingen die met de actieve landbouwer, vermeld in § 2, eerste lid, verbonden zijn. Afdeling 4. - Subsidiabiliteit
Art. 5.Onder subsidiabele hectare wordt verstaan: arealen van de landbouwer die bestaan uit: 1° landbouwareaal van het bedrijf dat in de loop van het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd, wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit, of landbouwareaal van het bedrijf dat ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, op voorwaarde dat de uitoefening van de landbouwactiviteit geen noemenswaardige hinder ondervindt van de intensiteit, de aard, de duur en de planning van de niet-landbouwactiviteiten;2° areaal van het bedrijf als vermeld in artikel 4, lid 4, b), i), ii) en iii), van verordening (EU) 2021/2115;3° areaal van het bedrijf dat recht gaf op betalingen op grond van titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 2, van verordening (EU) 2021/2115, of op grond van de basisbetalingsregeling of de regeling over een enkele areaalbetaling, vermeld in titel III van verordening (EU) nr.1307/2013, en dat geen subsidiabele hectare is op basis van punt 1° en 2° : a) als gevolg van de toepassing van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, en richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand of richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid op dat areaal;b) als gevolg van op grond van verordening (EU) 2021/2115 vastgestelde areaalgebonden interventies die onder het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, vermeld in titel IV, hoofdstuk II, van verordening (EU) 2021/2116 vallen en die de productie van producten die niet vermeld zijn in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, door middel van natte teelten mogelijk maken;c) voor de looptijd van een bebossingsverbintenis van de landbouwer, op grond van artikel 31 van verordening (EG) nr.1257/1999, artikel 43 van verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 22 van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad; d) voor de looptijd van, in voorkomend geval, een tot braaklegging van het areaal leidende verbintenis van de landbouwer, vermeld in artikel 70 van verordening (EU) 2021/2115. Niet-landbouwgerelateerde activiteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, 1°, op een subsidiabel landbouwperceel of een deel ervan, wijzigen de subsidiabiliteit van het perceel niet als de activiteiten op het perceel tijdelijk van aard zijn en in totaal, al dan niet aansluitend, niet langer dan drie maanden van het kalenderjaar in kwestie duren.
Arealen worden alleen als subsidiabele hectare beschouwd als ze gedurende het volledige kalenderjaar voldoen aan de voorwaarden, vermeld in dit artikel, tenzij er sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.
De minister bepaalt de boomsoorten voor de toepassing van de definitie van hakhout met korte omlooptijd en de minimale plantdichtheid. Art. 6.Onderhoud van braakliggend land bestaat uit het beperken van opslag van houtige planten en verruiging zodat beweiding of teelt mogelijk is zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan het gebruik van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines. Braakliggend land wordt jaarlijks gemaaid voor 1 oktober van het campagnejaar in kwestie, waarbij het maaisel ter plaatse blijft liggen.
Onderhoud van natuurlijke graslanden bestaat uit het beperken van verruiging zodat beweiding of maaien mogelijk is zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan het gebruik van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines. Het onderhoud bestaat uit een van de volgende maatregelen: 1° het jaarlijks maaien voor 1 oktober van het campagnejaar in kwestie;2° het laten begrazen van de percelen. Onderhoud van percelen met blijvende teelten bestaat uit het beperken van verruiging en het gewas in een toestand houden die voor productie geschikt is. Het onderhoud op gronden met blijvende teelten bestaat uit volgende maatregelen: 1° in geval van houtige teelt: deze houtige planten onderhouden om verruiging tegen te gaan;2° het gras tussen de rijen maaien, indien van toepassing;3° het beperken van opslag van houtige planten. In afwijking van het eerste lid geldt een tweejaarlijkse maaiverplichting op braakliggend land waarop vrijwillige maatregelen worden genomen om de biodiversiteitsvoordelen te vergroten, zoals de inzaai van wildebloemenzaadmengsels.
In afwijking van het tweede lid is op natuurlijke graslanden waarop een beheerovereenkomst van toepassing is de uiterste maaidatum 31 december. Art. 7.Alleen de teelt van gewassen in volle grond kan subsidiabel zijn. Substraatteelt en containerteelt zijn niet subsidiabel. Art. 8.De minister bepaalt de minimumoppervlakte vanaf wanneer een landbouwperceel moet worden aangegeven. Art. 9.Een landbouwperceel met geïsoleerde bomen wordt als subsidiabel areaal aangemerkt als aan al de volgende voorwaarden voldaan is: 1° de landbouwactiviteiten kunnen worden verricht op een wijze die vergelijkbaar is met de landbouwactiviteiten op percelen zonder bomen die in hetzelfde gebied liggen;2° het maximale aantal geïsoleerde bomen op een subsidiabele hectare is gelijk aan tweehonderd.Een uitzondering op dit maximum geldt voor percelen waarvoor een afwijking van dit maximum werd goedgekeurd bij de toekenning van de subsidie voor de aanleg van boslandbouwsystemen, vermeld in artikel 2, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de aanplant en het onderhoud van boslandbouwsystemen.
Geïsoleerde fruitbomen die geregeld een oogst opleveren, en begraasbare geïsoleerde bomen op graslanden worden ook als subsidiabel areaal aangemerkt zonder dat aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, voldaan moet zijn. Art. 10.De volgende gronden en elementen worden niet beschouwd als eenheden die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt, en komen niet in aanmerking voor gebruik in een bedrijf als vermeld in artikel 3, 2), van verordening (EU) 2021/2115: 1° tuinen;2° gazons;3° niet-begraasde dijken;4° niet-begraasde bermen;5° niet-begraasde parken;6° niet-begraasde openbare plaatsen;7° gronden die op basis van hun ligging, historische achtergrond, beperkte beschikbaarheid voor landbouwactiviteiten of de aanwezigheid van vaste inrichtingen onmiskenbaar en blijvend voor andere primaire doelstellingen gebruikt worden dan de landbouwactiviteit.Die primaire doelstelling sluit niet noodzakelijk uit dat landbouwers op die gronden bepaalde onderhoudswerkzaamheden of landbouwgerelateerde nevenactiviteiten uitvoeren; 8° brandgangen;9° geïsoleerde watervlakken met een oppervlakte van meer dan 0,1 hectare die meer dan zes maanden per jaar water bevatten;10° waterlopen met een breedte van meer dan zes meter;11° houtkanten met een breedte van meer dan tien meter. Art. 11.De minister kan bepalen: 1° welke gronden, die hoofdzakelijk gebruikt worden voor niet-landbouwactiviteiten, maar voldoen aan de beschrijving, vermeld in artikel 5, als niet subsidiabel worden beschouwd;2° welke gronden beschouwd worden als geen deel uitmakend van het landbouwareaal;3° welke landschapselementen die op subsidiabel areaal liggen worden beschouwd als deel uitmakend van dat subsidiabele areaal en de toegestane afmetingen van die subsidiabele landschapselementen bepalen. Art. 12.§ 1. De teelt van hennep is onderworpen aan een voorafgaande vergunning, hierna de teelttoestemming voor hennep genoemd. De teelttoestemming voor hennep is alleen geldig voor het teeltseizoen waarvoor de toestemming wordt aangevraagd en voor het ras dat in de aanvraag is vermeld. Alleen de teelt van rassen als vermeld in artikel 2 van gedelegeerde verordening (EU) 2022/126, is toegestaan. § 2. De minister bepaalt: 1° de wijze waarop de teelttoestemming wordt aangevraagd, de inhoud van de aanvraag en de vereiste bewijsstukken;2° het uiterste tijdstip waarop de aanvraag van teelttoestemming voor een teeltseizoen moet worden ingediend;3° de wijze waarop de teelttoestemming wordt gegeven;4° de regels over de bezorging van de officiële etiketten van de zaaizaden. De minister kan de formulieren voor de aanvraag van de teelttoestemming voor hennep en de vorm ervan vastleggen. § 3. De teelt van hennep wordt gecontroleerd conform artikel 3 van gedelegeerde verordening (EU) 2022/126. De minister kan de aanvullende voorwaarden voor de controle bepalen. HOOFDSTUK 2. - Ontkoppelde rechtstreekse betalingen Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 13.Er worden geen rechtstreekse betalingen uitgekeerd als vermeld in artikel 16, lid 2, van verordening (EU) 2021/2115, aan de actieve landbouwers, vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, voor wie het totaal van de rechtstreekse betalingen die zijn aangevraagd of zijn toe te kennen in een bepaald kalenderjaar vóór de toepassing van verlagingen of uitsluitingen als vermeld in artikel 85, lid 1, van verordening (EU) 2021/2116, minder dan 400 euro bedraagt. Art. 14.De volgende percentages van de jaarlijkse toewijzing voor rechtstreekse betalingen worden overgeheveld naar de ELFPO-toewijzing: 1° 10% in kalenderjaar 2023;2° 11% in kalenderjaar 2024 en 2025;3° 12% in kalenderjaar 2026. In het eerste lid wordt verstaan onder ELFPO-toewijzing: de toewijzing aan het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling. Art. 15.In dit artikel wordt verstaan onder ecoregelingen: de maatregelen voor het klimaat, het milieu en het dierenwelzijn, vermeld in artikel 31 van verordening (EU) 2021/2115 en het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023.
De indicatieve financiële allocatie voor de ecoregelingen voor elk kalenderjaar bedraagt 25% van de toewijzingen voor rechtstreekse betalingen na overheveling als vermeld in artikel 14. Afdeling 2. - Basisinkomenssteun
Onderafdeling 1. - Financiële bepalingen Art. 16.Het deel van de basisinkomenssteun dat hoger is dan 100.000 euro, wordt met 100% verminderd. Het deel tussen de 60.000 en 100.000 euro wordt met 85% verminderd.
De minister legt de gemiddelde minimumbedragen, de gemiddelde maximumbedragen en de indicatieve gemiddelde eenheidsbedragen voor de basisinkomenssteun vast volgens de bepaalde enveloppe en zoals bepaald in de herverdelingsflexibiliteit, vermeld in artikel 102 van verordening (EU) 2021/2115.
De bevoegde entiteit kent de basisinkomenssteun toe op basis van betalingsrechten, vermeld in artikel 23 van verordening (EU) 2021/2115.
Onderafdeling 2. - Waarde van betalingsrechten en convergentie Art. 17.De gemiddelde eenheidswaarde van betalingsrechten voor kalenderjaar 2026 wordt berekend door de enveloppe voor basisinkomenssteun in 2026 te delen door het aantal bestaande rechten gekend op 31 december van 2022. Art. 18.De maximumeenheidswaarde van een betalingsrecht in 2026, vermeld in artikel 24, lid 3, van verordening (EU) 2021/2115, bedraagt 1500 euro.
Alle betalingsrechten met een eenheidswaarde lager dan 85 % van de gemiddelde eenheidswaarde in 2026, worden opgehoogd tot 85 % van de gemiddelde eenheidswaarde in 2026. De financiering van de verhoging van de eenheidswaarde van deze betalingsrechten zal gebeuren door een proportionele vermindering toe te passen op het deel van de rechten dat zich boven die gemiddelde waarde bevindt en door de toepassing van de maximumwaarde.
Het convergentiemechanisme als vermeld in het vorige lid zal uitgevoerd worden in vier stappen waarvan de eerste plaatsvindt in 2023. De minister kan nadere regels inzake het convergentiemechanisme vastleggen. Art. 19.Individuele aanpassingen van het aantal betalingsrechten of de waarde ervan mogen niet leiden tot een systematische herberekening van de overige betalingsrechten.
De minister kan nadere regels vastleggen om de waarde van de betalingsrechten te berekenen.
Onderafdeling 3. - Activering, aangifte en overdracht van betalingsrechten en overdracht van landbouwbedrijven Art. 20.Een actieve landbouwer als vermeld in artikel 4, § 2, kan betalingsrechten activeren via de verzamelaanvraag door aangifte van subsidiabele hectaren die hij in eigen gebruik heeft en waarover hij het genotrecht heeft conform artikel 3, tweede lid. Art. 21.De minister bepaalt in welke periode de aangegeven landbouwpercelen ter beschikking van de landbouwer moeten staan en kan bepalen wat de voorwaarden zijn opdat de percelen worden geacht in eigen gebruik te zijn. Art. 22.In deze onderafdeling wordt verstaan onder: 1° overdracht: verhuur of verkoop of feitelijke of verwachte vererving van betalingsrechten of productie-eenheden.Het terugvallen van betalingsrechten bij het verstrijken van een huurcontract valt daar niet onder; 2° (ver)huur: (ver)huurovereenkomst en een daarmee vergelijkbare tijdelijke transactie;3° verkoop: de verkoop of elke andere definitieve overdracht van de eigendom van betalingsrechten. Art. 23.De minimumoppervlakte van een landbouwperceel waarvoor betalingsrechten aangevraagd en geactiveerd kunnen worden, is 0,01 hectare. Art. 24.Betalingsrechten kunnen alleen worden geactiveerd op percelen die in het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest liggen.
De minister bepaalt op welk moment de landbouwer de betalingsrechten in gebruik moet hebben en ook de bijkomende voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om de uitbetaling te verkrijgen. Art. 25.Als een landbouwer verschillende fracties van betalingsrechten met dezelfde eenheidswaarde bezit, kunnen die fracties samengevoegd worden. Art. 26.De overdracht van betalingsrechten, vermeld in artikel 27, lid 1, van verordening (EU) 2021/2115, mag op elk moment van het jaar plaatsvinden.
Indien een landbouwer een deel van een recht overdraagt, wordt de waarde van dat deel evenredig berekend voor elk betrokken resterend jaar van de uitvoeringsperiode van de basisbetaling.
De overdrager van betalingsrechten brengt de bevoegde entiteit van de overdracht van betalingsrechten op de hoogte op een uiterste datum, die de minister bepaalt, om de betalingsrechten nog in hetzelfde kalenderjaar te kunnen activeren.
De overdracht van betalingsrechten, vermeld in artikel 27, lid 1, van verordening (EU) 2021/2115, gebeurt conform de melding, vermeld in het eerste lid, tenzij de bevoegde entiteit bezwaar aantekent tegen de overdracht. De bevoegde entiteit kan alleen bezwaar aantekenen tegen een overdracht als de overdracht niet in overeenstemming is met artikel 27 van verordening (EU) 2021/2115 en met dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan. Art. 27.De minister kan: 1° de verdere regeling, de procedure en de voorwaarden voor de activering, aangifte en overdracht van betalingsrechten bepalen;2° bepalen welke bewijzen de aanvrager van de overdracht moet aanleveren aan de bevoegde entiteit;3° de regels voor de aangifte van landbouwpercelen in de verzamelaanvraag bepalen. Onderafdeling 5. - Reserve Art. 28.De reserve voor betalingsrechten dient voor de volgende landbouwers: 1° actieve landbouwers als vermeld in artikel 4, § 2, waarbinnen zich minstens één jonge landbouwer, zoals vermeld in artikel 37, eerste lid, gevestigd heeft;2° actieve landbouwers als vermeld in artikel 4, § 2, waarbinnen zich uitsluitend nieuwe landbouwers gevestigd hebben;3° actieve landbouwers als vermeld in artikel 4, § 2, die landbouwers met biologische productie zijn. De reserve worden eerst aangewend voor de actieve landbouwers vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, gevolgd door de actieve landbouwers, vermeld in het eerste lid, 3°.
In het eerste lid, 2° wordt verstaan onder nieuwe landbouwer de natuurlijke persoon die voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° hij is geen jonge landbouwer als vermeld in artikel 37, eerste lid;2° hij beschikt over de vereiste vakbekwaamheid;3° hij vestigde zich in het lopende kalenderjaar, voor de uiterste indieningsdatum, of in de voorbije twee kalenderjaren voor het eerst als bedrijfshoofd, lid, zaakvoerder, bestuurder of vennoot van de landbouwer en vestigde zich nooit eerder als bedrijfshoofd, lid, zaakvoerder, bestuurder of vennoot van een landbouwer. De minister legt nadere regels vast over de eerste vestiging en over de vakbekwaamheid. De minister bepaalt welke bewijzen geleverd moeten worden aan de bevoegde entiteit om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden over de eerste vestiging en de vakbekwaamheid. Art. 29.De reserve wordt gevormd door in het kalenderjaar 2023 een lineaire procentuele verlaging toe te passen op de enveloppes van de basisinkomenssteun.
De minister legt de percentages van de lineaire verlaging, vermeld in het eerste lid, vast.
De reserve wordt naast de procentuele verlaging, vermeld in het eerste lid, aangevuld met: 1° het aantal niet-gebruikte betalingsrechten en de overeenkomstige waarde ervan.Dat aantal is gelijk aan het totale aantal betalingsrechten dat gedurende twee opeenvolgende jaren niet door landbouwers geactiveerd is overeenkomstig artikel 20, tenzij de activatie is verhinderd door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden; 2° het aantal betalingsrechten en de overeenkomstige waarde ervan die gedurende twee opeenvolgende jaren geen recht op betaling geven doordat de voorwaarden, vermeld in artikel 4, niet zijn vervuld of door de toepassing van artikel 13;3° betalingsrechten en de overeenkomstige waarde ervan waarvan vrijwillig afstand wordt gedaan;4° ten onrechte toegekende betalingsrechten en de overeenkomstige waarde ervan. De reserve kan naast de procentuele verlaging, vermeld in het eerste lid, aangevuld worden door de bevoegde entiteit in de volgende jaren via een lineaire verlaging van de waarde van betalingsrechten indien onvoldoende middelen voor de reserve ter beschikking zijn.
De minister kan bepalen in welke volgorde de betalingsrechten, vermeld in het derde lid, vervallen. Art. 30.De actieve landbouwer, vermeld in artikel 28, eerste lid, 3°, kan eenmalig een aanvraag indienen om één betalingsrecht, met een oppervlakte-equivalent van maximum 1 hectare en gelimiteerd tot het aantal subsidiabele hectaren waarover hij beschikt, uit de reserve toegewezen te krijgen, als hij voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° hij is op de uiterste indieningsdatum aangesloten bij een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten;2° hij heeft op de uiterste indieningsdatum zijn activiteit gemeld bij de bevoegde entiteit conform artikel 13 van het besluit van 29 oktober 2021;3° hij beschikt op de uiterste indieningsdatum over minstens één perceel dat in het Vlaamse Gewest of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt, waarvan de omschakelingsperiode afgelopen is;4° hij heeft geen betalingsrechten in eigendom of in gebruik. Het perceel waarvoor het betalingsrecht wordt aangevraagd, vermeld in het eerste lid, 3°, is niet gedeclasseerd als gevolg van een inbreuk tijdens de hoofdteelt.
De uiterste datum voor de aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten uit de reserve, en ook voor de verhoging uit de reserve, is gelijk aan de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag, op voorwaarde dat de verzamelaanvraag is ingediend op de uiterste indieningsdatum en met inachtneming van artikel 74.
De minister kan de nadere regels bepalen voor de aanvraagprocedure, de inhoud van de aanvraag, de bewijzen die de aanvrager moet leveren aan de bevoegde entiteit, en de aanvullende voorwaarden waaraan de actieve landbouwer, vermeld in artikel 28, eerste lid, 3°, moet voldoen om aanspraak te kunnen maken op rechten uit de reserve of op een verhoging van de bestaande betalingsrechten. Art. 31.De actieve landbouwer, vermeld in artikel 28, eerste lid, 1° en 2°, dient een aanvraag in om nieuwe betalingsrechten of een verhoging van bestaande betalingsrechten uit de reserve toegewezen te krijgen.
Actieve landbouwers als vermeld in artikel 28, eerste lid, 1°, kunnen jaarlijks gedurende vijf jaar na de eerste vestiging van de jonge landbouwer vermeld in artikel 38 een aanvraag indienen om betalingsrechten te verkrijgen uit de reserve. Ze krijgen die in de vorm van nieuwe betalingsrechten of door bestaande rechten te verhogen. Actieve landbouwers als vermeld in artikel 28, eerste lid, 2°, kunnen de voormelde aanvraag één keer indienen. De voormelde aanvraag wordt ingediend binnen twee jaar na het jaar van de eerste vestiging.
De uiterste datum voor de aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten uit de reserve, en ook voor de verhoging uit de reserve, is gelijk aan de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag, op voorwaarde dat de verzamelaanvraag is ingediend op de uiterste indieningsdatum en met inachtneming van artikel 74.
De minister kan de nadere regels bepalen voor de aanvraagprocedure, de inhoud van de aanvraag, de bewijzen die de aanvrager moet leveren aan de bevoegde entiteit, en de aanvullende voorwaarden waaraan de actieve landbouwer moet voldoen om aanspraak te kunnen maken op rechten uit de reserve of op een verhoging van de bestaande betalingsrechten. Art. 32.De waarde van betalingsrechten toegekend uit de reserve in een bepaald jaar stemt overeen met de gemiddelde waarde van de betalingsrechten, vermeld in artikel 26, lid 8, van verordening (EU) 2021/2115, welke bepaald wordt door de som van de waarden van alle betalingsrechten te delen door het aantal betalingsrechten in dat jaar. De waarde van bestaande rechten na verhoging wordt op dezelfde manier bepaald. Art. 33.Als de actieve landbouwers, vermeld in artikel 28, eerste lid, 1° en 2°, betalingsrechten aanvragen uit de reserve terwijl ze geen betalingsrechten in eigendom of gebruik hebben, ontvangen ze een aantal betalingsrechten dat gelijk is aan het aantal subsidiabele hectaren waarover ze op de vastgestelde uiterste datum voor de indiening van de aanvraag voor toewijzing beschikken. Als de actieve landbouwers, vermeld in artikel 28, eerste lid, 1° en 2°, wel al betalingsrechten in eigendom of gebruik hebben, ontvangen ze aanvullend een aantal betalingsrechten dat gelijk is aan het aantal subsidiabele hectaren waarover ze op de vastgestelde uiterste datum voor de indiening van de aanvraag tot toewijzing beschikken waarvoor ze geen betalingsrechten in eigendom of gebruik hebben.
Als de betalingsrechten die de actieve landbouwer, vermeld in het eerste lid, in eigendom en gebruik heeft, minder waard zijn dan het gemiddelde, wordt de jaarlijkse waarde per eenheid van die betalingsrechten verhoogd tot het gemiddelde van dat jaar. Art. 34.De minister bepaalt welke overdrachten van rechten uit de reserve niet toegelaten zijn gedurende de vijf jaren die volgen op het jaar van de toekenning. Afdeling 3. - Herverdelende inkomenssteun
Art. 35.De bevoegde entiteit verstrekt herverdelende inkomenssteun aan de actieve landbouwer, met uitsluiting van de mogelijkheid vermeld in artikel 29, lid 6, van verordening (EU) 2021/2115.
De actieve landbouwer heeft minstens een betalingsrecht geactiveerd overeenkomstig artikel 20 van dit besluit.
De actieve landbouwer ontvangt de herverdelende inkomenssteun voor de eerste 30 subsidiabele hectaren.
De aanvraag voor de herverdelende inkomenssteun wordt jaarlijks ingediend via de verzamelaanvraag. De uiterste datum voor de aanvraag is gelijk aan de uiterste wijzigingsdatum van de verzamelaanvraag, op voorwaarde dat de verzamelaanvraag is ingediend op de uiterste indieningsdatum en met inachtneming van artikel 74. De minister kan nadere regels bepalen voor de aanvraag en de aanvraagprocedure. Art. 36.Met behoud van de toepassing van artikel 87, lid 3, van verordening (EU) 2021/2115 bedraagt de indicatieve financiële allocatie voor de herverdelende inkomenssteun voor elk kalenderjaar 10% van de toewijzingen voor rechtstreekse betalingen na overheveling als vermeld in artikel 14.
De minister legt de maximumbedragen en de indicatieve eenheidsbedragen vast volgens de bepaalde indicatieve financiële allocatie, vermeld in artikel 101 van verordening (EU) 2021/2115, en zoals bepaald in de herverdelingsflexibiliteit, vermeld in artikel 102 van verordening (EU) 2021/2115. Afdeling 4. - Jonge landbouwer
Art. 37.Een jonge landbouwer is de natuurlijke persoon die aan al de volgende voorwaarden voldoet: 1° hij vervult binnen de actieve landbouwer, vermeld in artikel 4, § 2, de functie van bedrijfshoofd door het uitoefenen van daadwerkelijk en langdurig zeggenschap als: a) natuurlijke persoon, of;b) lid, zaakvoerder of vennoot binnen de maatschap of de feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die over een ondernemingsnummmer moet beschikken;c) zaakvoerder, lid, bestuurder of vennoot binnen de rechtspersoon, die voor de controleerbaarheid van deze voorwaarde verplicht over een aandelenregister moet beschikken;2° hij is niet ouder dan veertig jaar in het kalenderjaar van de eerste steunaanvraag;3° hij beschikt over de vereiste vakbekwaamheid. De minister legt nadere regels vast over de daadwerkelijke en langdurige zeggenschap en over de vakbekwaamheid. De minister bepaalt welke bewijzen geleverd moeten worden aan de bevoegde entiteit om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden over de daadwerkelijke en langdurige zeggenschap en de vakbekwaamheid. Art. 38.De steun, vermeld in artikel 30 van verordening (EU) 2021/2115, kan alleen aangevraagd worden door de actieve landbouwer, vermeld in artikel 4, § 2, waarbinnen de jonge landbouwer, vermeld in artikel 37, eerste lid, zich voor het eerst vestigde. De steun wordt voor de eerste keer aangevraagd binnen vijf jaar na de eerste vestiging van de jonge landbouwer, inclusief het kalenderjaar waarin die termijn verloopt. Als de actieve landbouwer, vermeld in artikel 4, § 2, al eerder bestond, maar de jonge landbouwer, vermeld in artikel 37, eerste lid, later is toegetreden, wordt als jaar van eerste vestiging het jaar genomen waarin de jonge landbouwer, vermeld in artikel 37, eerste lid, bedrijfshoofd, zaakvoerder, lid, bestuurder of vennoot is geworden binnen de actieve landbouwer.
Per actieve landbouwer als vermeld in artikel 4, § 2, waarin meerdere jonge landbouwers, vermeld in artikel 37, eerste lid, zich gevestigd hebben wordt het maximum aantal hectaren zoals bedoeld in artikel 41, zo veel keer toegepast als er gevestigde jonge landbouwers, vermeld in artikel 37, eerste lid, zijn binnen de actieve landbouwer, vermeld in artikel 4, § 2. Voor elke hectare kan jaarlijks maar een keer de aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers, vermeld in art …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.