← België

Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams regleme

Kort samengevat

Dit besluit wijzigt bestaande Vlaamse reglementen over milieuvergunningen en grondwatergebruik, met als doel de Europese richtlijnen over onder andere PCB's/PCT's, geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, en zware ongevallen met gevaarlijke stoffen om te zetten in Vlaamse wetgeving.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
12 JANUARI 1999. - Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer, gewijzigd bij de decreten van 12 december 1990 en 20 december 1996; Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de decreten van 7 februari 1990, 12 december 1990, 21 december 1990, 22 december 1993, 21 december 1994 en 8 juli 1996; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 27 februari 1992, 28 oktober 1992, 27 april 1994, 1 juni 1995 en 26 juni 1996; Overwegende dat de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 96/59/EG van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) voor 16 maart 1998 omgezet moet worden; dat deze omzetting reeds plaatsvond met het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 17/12/1997 pub. 24/01/1998 numac 1998035048 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1995 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval en van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en beheer (VLAREA) en met het besluit van de Vlaamse regering van 24 maart 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 24/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998035475 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; dat het evenwel wenselijk is de in deze richtlijn geviseerde apparaten en handelingen expliciet op te nemen op de indelingslijst; Overwegende dat de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 96/61/EG van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging op 20 oktober 1996 in werking is getreden en voor 20 oktober 1999 volledig omgezet moet worden; dat deze omzetting voor een deel plaatsvond met het besluit van de Vlaamse regering van 24 maart 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 24/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998035475 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; dat dit besluit de verdere omzetting regelt voor de aspecten betreft van titel I van het VLAREM; Overwegende dat de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken op 3 februari 1997 in werking is getreden en voor 3 februari 1999 volledig omgezet moet worden; dat dit besluit de omzetting regelt voor de aspecten die op basis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning in titel I van het VLAREM kunnen worden geregeld; Overwegende dat de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 97/11/EG van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten op 3 april 1997 in werking is getreden en voor 14 maart 1999 volledig omgezet moet worden; dat het wenselijk is de indelingslijst zodanig aan te passen dat de inrichtingen die door de richtlijn aan MER onderworpen worden op de indelingslijst voorkomen; Overwegende dat artikel 9 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer bepaalt dat de Vlaamse regering grondwaterwinningen aan een vergunning of melding kan onderwerpen; dat het hier niet gaat om een verplichting; dat om reden van vereenvoudiging en integrale benadering het wenselijk is bedoelde grondwaterwinningen aan een vergunning of melding te onderwerpen met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; Overwegende dat de Parcom-aanbeveling 93/2 betreffende de lozing van kwik afkomstig van de tandheelkunde de installatie voorschrijft van apparatuur om amalgaamdeeltjes van het water te scheiden; dat het daarom wenselijk is deze installatie expliciet in de indelingslijst op te nemen tevens mede in het licht van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen 84/156/EEG van 8 maart 1984 betreffende de grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden; Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat titel I van het VLAREM dringend dient aangepast ter omzetting of mogelijke omzetting van inzonderheid de volgende Richtlijnen van de Raad van Europese Unie : 96/61/EG van 24 september 1996, 96/82/EG van 9 december 1996 en 97/11/EG van 3 maart 1997; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 15 december 1998, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 12 juni 1998; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Wijzigingen aan titel I van het VLAREM Artikel 1.In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 27 april 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° 16°, opgeheven door het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 1994, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « 16° « GPBV-installatie » : een inrichting die in de vierde kolom van de indelingslijst is aangeduid met de letter X en die als dusdanig onder de toepassing valt van de bepalingen van de titels I en II van het VLAREM inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging als bedoeld in de EU-richtlijn 96/61/EEG van 24 september 1996 en die de vaste technische eenheid omvat waarin de activiteiten en processen, vermeld in de tweede kolom, alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;»; 2° 17°, opgeheven door het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 1994, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « 17° « vergunning » : het gedeelte van (een) schriftelijk(e) besluit(en) of het besluit (die besluiten) in zijn (hun) geheel waarbij machtiging wordt verleend om een inrichting te exploiteren onder bepaalde voorwaarden die moeten garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen van dit reglement alsook van titel II van het VLAREM en waarbij een vergunning betrekking kan hebben op een of meer inrichtingen die zich op dezelfde locatie bevinden en die door dezelfde exploitant worden geëxploiteerd;»; 3° 18°, opgeheven door het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 1994, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « 18° « belangrijke wijziging van een inrichting » : een aanzienlijke verandering als gedefinieerd in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM; »; 4° 19°, opgeheven door het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 1994, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « 19° « gevaarlijke stoffen » : stoffen, mengsels of preparaten, genoemd in bijlage 6, deel 1, gevoegd bij dit besluit of beantwoordend aan de criteria in bijlage 6, deel 2, gevoegd bij dit besluit en aanwezig als grondstof, product, bijproduct, residu of tussenproduct, met inbegrip van die stoffen waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat ze bij een ongeval ontstaan;»; 5° 20°, opgeheven door het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 1994, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « 20° « gevaar » : de intrinsieke eigenschap van een gevaarlijke stof of van een fysische situatie die potentieel tot schade voor de gezondheid van de mens en/of het milieu kan leiden;»; 6° 21°, opgeheven door het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 1994, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « 21° « risico » : de waarschijnlijkheid dat een bepaald effect zich binnen een bepaalde periode of onder bepaalde omstandigheden voordoet. »; 7° 22°, opgeheven door het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 1994, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « 22° « Verdrag van Espoo » : Verdrag inzake milieu-effectenrapportage in grensoverschrijdend verband en van de aanhangsels I, II, III, IV, V, VI en VII ondertekend in Espoo op 25 februari 1991;»; 8° 24° wordt vervangen door wat volgt : « 24° « zwaar ongeval » : een gebeurtenis zoals een zware emissie, brand of explosie als gevolg van onbeheerste ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een inrichting, waardoor onmiddellijk of na verloop van tijd ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens binnen of buiten de inrichting en/of voor het milieu ontstaat en waarbij een of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn;»; 9° 29° wordt vervangen door wat volgt : « 29° « beste beschikbare technieken » (BBT) : het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden te vormen is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of wanneer dat niet mogelijk blijkt algemeen te beperken;a) « technieken » : zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;b) « beschikbare » : op zodanige schaal ontwikkeld dat de technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van het Vlaamse Gewest worden toegepast of geproduceerd, mits ze voor de exploitant op redelijke voorwaarden toegankelijk zijn;c) « beste » : het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel;». Art. 2.In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 3 worden de woorden « 4° de vermelding of het gaat om een inrichting van : » vervangen door de woorden « 4° in voorkomend geval, de vermelding dat het gaat om een inrichting van : »;2° in § 3 wordt 5° vervangen door wat volgt : « 5° de vermelding dat het gaat om : a) het exploiteren van een nieuwe inrichting of een inrichting die na wijziging of aanvulling van de indelingslijst meldingsplichtig wordt;b) het veranderen van een bestaande inrichting;c) het overnemen van een vergunde inrichting;»; 3° in § 3 wordt 6° vervangen door wat volgt : « 6° de aard alsook de technische kenmerken van de inrichting waarvoor de melding wordt gedaan en inzonderheid : a) wanneer de melding betrekking heeft op een inrichting die ingedeeld is in één of meer van de subrubrieken 9.3 tot en met 9.8 van de indelingslijst : - een lijst met de aantallen dieren gespecificeerd overeenkomstig de diersoorten (categorieën) vermeld in artikel 5 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; - voorzover de meldingsplichtige de cultuurgronden in eigen gebruik nog niet digitaal bij de Mestbank heeft laten registreren, een opgave van de kadastrale percelen die in eigen gebruik zijn en het bijhorend kaartmateriaal op schaal 1/10.000 met aanduiding van de desbetreffende percelen; - de bij de inrichting behorende mestafzet-, mestafname-, mestexport- en/of mestverwerkingsovereenkomsten; b) wanneer de melding betrekking heeft op de winning van grondwater, voor elk van de grondwaterwinningen, gegroepeerd per watervoerende laag : - de activiteit waarvan de grondwaterwinning deel uitmaakt; - de bestemming van het grondwater; - de maximumhoeveelheid gewonnen grondwater uitgedrukt in m3 per dag en per jaar; - de diepte waarop het grondwater gewonnen wordt ten opzichte van het maaiveld; - de aard en het maximumvermogen van de pomp(en) uitgedrukt in m3/uur en in kilowatt; - de apparatuur en/of middelen voor de meting van het gewonnen grondwatervolume; - de situering van alle (geregistreerde en niet geregistreede) pompen op kaartmateriaal op schaal van ten minste 1/5.000; »; 4° een § 5 wordt toegevoegd die luidt als volgt : « § 5.In afwijking van § 2 en § 3 gelden voor de meldingen met betrekking tot de in de derde klasse ingedeelde inrichtingen die samen met inrichtingen van eerste of tweede klasse een milieutechnische eenheid als bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM vormen, de volgende bepalingen : 1° wanneer de ingedeelde inrichtingen, ingedeeld in de derde klasse, worden opgenomen in de vergunningsaanvraag of in de mededeling van verandering die overeenkomstig artikel 5, 6, 6bis en 6ter wordt ingediend bij de bevoegde overheid, geldt de vergunningsaanvraag of de mededeling als melding van deze derde klasse-inrichtingen; 2° in de overige gevallen moet de melding gebeuren overeenkomstig § 2 en § 3 met dien verstande dat ze in dit geval moet worden ingediend bij de overheid die in eerste aanleg bevoegd is voor de vergunningsplichtige inrichting(en) die samen met de gemelde derde klasse-inrichting(en) een milieutechnische eenheid als bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM vormen. ». Art. 3.Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 4.§ 1. Het bevoegde college van burgemeester en schepenen neemt akte van de meldingen, bedoeld in artikel 2 en 3, met uitzondering van deze bedoeld in artikel 2, § 5, 1° en 2°. De burgemeester schrijft de ontvangen meldingen in in een register dat overeenkomstig artikel 32 ingezien kan worden. Wanneer de melding betrekking heeft op een inrichting die ingedeeld is in één of meer van de subrubrieken 9.3 tot en met 9.8 en/of de subrubriek 28.2 van de indelingslijst, stuurt de burgemeester zonder verwijl een afschrift van het meldingsformulier en zijn bijlage(n) naar de Vlaamse Landmaatschappij. § 2. De overheid die in eerste aanleg bevoegd is voor de vergunningsplichtige inrichting(en) die samen met de gemelde derdeklasse-inrichting(en) een milieutechnische eenheid als bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM vormen, neemt akte van de meldingen, bedoeld in artikel 2, § 5, 1° en 2°. Deze akteneming wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 35, 5° wanneer het gaat om een akteneming door de bestendige deputatie van de provincie respectievelijk overeenkomstig artikel 36, 5° wanneer het gaat om een aktename door het college van burgemeester en schepenen. Wanneer de melding betrekking heeft op een inrichting die ingedeeld is in één of meer van de subrubrieken 9.3 tot en met 9.8 en/of de subrubriek 28.2 van de indelingslijst, stuurt de bevoegde overheid in elk geval zonder verwijl een voor eensluidend verklaard afschrift van de akteneming alsook een afschrift van het meldingsformulier en zijn bijlage(n) naar de Vlaamse Landmaatschappij. § 3. De exploitatie of verandering van een inrichting, zoals bedoeld in artikel 2, mag worden aangevat de dag na de datum dat de melding met alle vereiste gegevens conform artikel 2 werd gedaan op voorwaarde dat voldaan is aan het algemene inplantingsvoorschrift voor inrichtingen van derde klasse, vastgesteld in het artikel 4.1.1.1 van titel II van het VLAREM. § 4. De exploitatie van een inrichting, zoals bedoeld in artikel 3, mag worden voortgezet voorzover de melding met alle vereiste gegevens conform artikel 2 werd gedaan binnen de termijn, bedoeld in artikel 3. ». Art. 4.In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 28 oktober 1992 en 27 april 1994, wordt § 1 vervangen door wat volgt : « § 1. Niemand mag zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of de tweede klasse, exploiteren. ». Art. 5.In artikel 5, § 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 27 april 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de zin « De vergunningsaanvraag in te dienen om een inrichting van klasse 1 of 2 te mogen exploiteren of te veranderen dient te geschieden door middel van een milieuvergunningsaanvraagformulier waarvan het model is vastgesteld in bijlage 4 bij dit besluit en dient tenminste de volgende gegevens te vermelden : » wordt vervangen door wat volgt : « De vergunningsaanvraag om een inrichting van klasse 1 of 2 te exploiteren of te veranderen, wanneer de verandering overeenkomstig artikel 6bis vooraf vergund dient te worden, wordt ingediend door middel van een milieuvergunningsaanvraagformulier waarvan het model is vastgesteld in bijlage 4, gevoegd bij dit besluit en dat formulier bevat ten minste de volgende gegevens : »;2° 11° wordt vervangen door wat volgt : « 11° de op basis van de beste beschikbare technieken voorziene maatregelen en/of installaties om : a) zo weinig mogelijk afval te veroorzaken;b) minder gevaarlijke stoffen te gebruiken;c) de in het proces uitgestoten en gebruikte stoffen alsook afval, waar mogelijk, terug te winnen en te recycleren;d) het verbruik van grondstoffen, met inbegrip van water, te beperken en de energie-efficiëntie zo groot mogelijk te maken;e) het algemene effect van de emissies en de risico's op het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken en dit zowel voor geluid, trillingen, stralingen, lucht-, bodem- en waterverontreiniging als voor het gevaar voor de mens buiten de inrichting en het leefmilieu;f) ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken;g) te voldoen aan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op de inrichting;h) te voldoen aan artikel 14 en artikel 16, § 4 van het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;»; 3° in 15° worden de woorden « verwijdering van afvalstoffen », « verwijdering van de afvalstoffen », « kunnen verwijderd worden » en « de afvalstoffenverwijdering » respectievelijk vervangen door de woorden « verwerking van afvalstoffen », « verwijdering van de afvalstoffen », « verwerkt kunnen worden » en « afvalstoffenverwerking »;4° een 16bis en een 16ter worden ingevoegd, die luiden als volgt : « 16bis in geval de aanvraag betrekking heeft op de winning van grondwater, voor elk van de grondwaterwinningen, gegroepeerd per watervoerende laag : a) de activiteit waarvan de grondwaterwinning deel uitmaakt;b) de bestemming van het grondwater;c) de beoogde of noodzakelijke waterkwaliteit;d) de beoogde maximumhoeveelheid te winnen grondwater uitgedrukt in m3 per dag en per jaar;e) de aard van de waterwinning;f) de technische kenmerken van de grondwaterwinning met inzonderheid de aanduiding van : - de diepte waarop het grondwater gewonnen wordt ten opzichte van het maaiveld; - de binnendiameter van de buis, de plaats, de lengte en de doorsnede van de galerij of van de draineerbuis, de plaats en de lengte van de klei- of cementafdichting; - de aard en het maximumvermogen van de pompen uitgedrukt in m3/uur en in kilowatt; g) de apparatuur en/of middelen voor de meting van : - het gewonnen grondwatervolume; - het grondwaterpeil; h) de verschillende waterbevoorradingsbronnen met hun debieten per dag en per jaar; i) de situering van alle (geregistreede en niet geregistreerde) pompen op kaartmateriaal op schaal van ten minste 1/5.000; 16ter in geval de aanvraag betrekking heeft op het kunstmatig aanvullen van het grondwater : a) de activiteit waarvan de kunstmatige aanvulling deel uitmaakt;b) de omschrijving en diepte van de grondwaterlaag die kunstmatig zal worden aangevuld;c) de herkomst en de kwaliteit van het infiltratiewater;d) de maximumhoeveelheid water ingebracht als kunstmatige aanvulling uitgedrukt in m3 per dag en per jaar;e) de apparatuur en/of middelen voor de meting van : - de hoeveelheid water ingebracht als kunstmatige aanvulling; - het grondwaterpeil; »; 5° in 19° worden de woorden « de verwijdering van afvalstoffen of voor de bescherming van grondwater » vervangen door de woorden « de verwerking van afvalstoffen, de winning van grondwater of voor de bescherming van grondwater »;6° in 21° wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;7° een 22° wordt toegevoegd dat luidt als volgt : « 22° in geval overeenkomstig titel II van het VLAREM een milieucoördinator is aangesteld : de naam, voornaam, geboortedatum en het adres van deze milieucoördinator.». Art. 6.Aan artikel 5, § 3 van hetzelfde besluit wordt een 5° tot en met 7° toegevoegd die luiden als volgt : « 5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die ingedeeld is in een of meer van de subrubrieken 9.3 tot en met 9.8 van de indelingslijst : a) een lijst met de aantallen dieren gespecificeerd overeenkomstig de diersoorten (categorieën) vermeld in artikel 5 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; b) voor zover de aanvrager de cultuurgronden in eigen gebruik nog niet digitaal bij de Mestbank heeft laten registreren, een opgave van de kadastrale percelen die in eigen gebruik zijn en het bijbehorend kaartmateriaal op schaal 1/10.000 met aanduiding van de desbetreffende percelen; c) de bij de inrichting behorende mestafzet-, mestafname-, mestexport- en/of mestverwerkingsovereenkomsten; 6° wanneer de aanvraag betrekking heeft op de winning van grondwater die behoort tot een grondwaterwinningseenheid met een totale capaciteit, inclusief de geplande grondwaterwinning, van meer dan 2.500 m3/dag of meer dan 500.000 m3/jaar : a) een hydrogeologische studie van het terrein en omgeving uitgevoerd door een of meer deskundigen die ten minste voldoende inzicht moet verschaffen inzake : i) algemene geologische situatie : - de geologische opbouw; - de lithologische kenmerken van de verschillende formaties; ii) algemene hydrogeologische situatie : - een algemene beschrijving van de waterhuishouding; - een uitvoerige beschrijving van de hydrogeologische kenmerken van de watervoerende laag waaruit water zal worden gewonnen (o.a. hydraulische geleidbaarheid, transmissiviteit, bergingscapaciteit, enz.); - bepalen van stromingsrichtingen en stromingssnelheden van het grondwater; iii) de fysico-chemische kenmerken van het grondwater van de watervoerende laag waaruit water zal worden gewonnen; iv) een berekening van de afpompingskegel in de watervoerende laag waaruit water zal worden gewonnen en de effecten op het bodemwater; v) een overzicht van de grondwaterwinningen gelegen in een straal van 5 km met hun debiet;b) een technisch rapport waarin het effect, met inbegrip van de gevolgen op de natuur en het natuurlijk milieu, van de geplande grondwaterwinning op de openbare en private bovengrondse eigendommen is bestudeerd en omschreven;7° wanneer de aanvraag betrekking heeft op het kunstmatig aanvullen van het grondwater : a) een hydrogeologische studie als bedoeld in 4°;b) een technische nota betreffende de infiltratietechniek en de maatregelen die genomen worden om verontreiniging van de watervoerende lagen te voorkomen.» . Art. 7.Aan artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 28 oktober 1992 en 27 april 1994, wordt een § 7 toegevoegd die luidt als volgt : « § 7. Bij de vergunningsaanvraag voor een inrichting van de klasse 1 of 2 die in de vierde kolom van de indelingslijst is aangeduid met de letter X, moeten bovendien de volgende stukken gevoegd : 1° een bijlage over geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging die een beschrijving bevat van : a) de installatie en de aard en omvang van de activiteiten die daar plaatsvinden;b) de grondstoffen en hulpmaterialen, de andere stoffen, inzonderheid afvalstoffen en secundaire grondstoffen, en de energie die in de installatie worden gebruikt of door de installatie worden gegenereerd;c) de emissiebronnen van de installatie;d) de situatie van de plaats waar de installatie komt;e) aard en omvang van de te voorziene emissies van de installatie in elk milieucompartiment met een overzicht van de significante milieu-effecten van de emissies;f) de beoogde technologie en de andere technieken ter voorkoming of, indien dat niet mogelijk is, ter vermindering van de emissies van de installatie;g) zo nodig de maatregelen betreffende de preventie en de nuttige toepassing van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;h) de andere maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan de algemene beginselen van de fundamentele verplichtingen van de exploitant, bedoeld in artikel 43ter;i) de maatregelen die worden getroffen ter controle van de emissies in het milieu;2° een niet-technische samenvatting van de in de bijlage, bedoeld in 1°, genoemde gegevens. Als de voormelde gegevens zijn opgenomen in het aanvraagformulier of een hierbij gevoegde andere bijlage en/of milieu-effectrapport, moeten deze gegevens niet herhaald worden maar volstaat een verwijzing in deze bijlage naar deze gegevens in het aanvraagformulier, de bijlage(n) of het milieu-effectrapport. »; Art. 8.In artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen door wat volgt : « § 1.De milieuvergunningsaanvraag, bedoeld in artikel 5, met de voorgeschreven bijlagen wordt bij aangetekende zending of bij afgifte tegen ontvangstbewijs ingediend : 1° in tien exemplaren bij de bestendige deputatie van de provincie tot wiens ambtsgebied de percelen behoren waarop de exploitatie of de verandering van de inrichting gebeurt of gepland is, of, als de inrichting zich over het grondgebied van meer dan een provincie uitstrekt, bij de onderscheiden bestendige deputaties van de provincies voor de respectieve gedeelten van de inrichting gelegen binnen hun ambtsgebied, wanneer het gaat om : a) een vergunningsaanvraag voor de exploitatie, de verdere exploitatie of de verandering van een inrichting van de klasse 1;b) een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een inrichting van de klasse 1 die na haar inbedrijfsstelling vergunningsplichtig wordt door aanvulling of wijziging van de indelingslijst;c) een vergunningsaanvraag voor het veranderen van een vergunde inrichting van de klasse 2 waarbij de geplande verandering de indeling van de inrichting in klasse 1 tot gevolg heeft;d) een vergunningsaanvraag voor het veranderen van een gemelde inrichting van de klasse 3 waarbij de geplande verandering de indeling van de inrichting in klasse 1 tot gevolg heeft;e) een vergunningsaanvraag voor de exploitatie, de verdere exploitatie of de verandering van een inrichting van de klasse 2 van openbare besturen of een door hen opgerichte instelling;f) een vergunningsaanvraag voor het veranderen van een gemelde inrichting van de klasse 3 van openbare besturen of een door hen opgerichte instelling waarbij de geplande verandering de indeling van de inrichting in klasse 2 tot gevolg heeft;2° in zeven exemplaren bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de percelen zijn gelegen waarop de exploitatie of de verandering van de inrichting gebeurt of gepland is, of, als de inrichting zich over het grondgebied van meer dan een gemeente uitstrekt, bij de onderscheiden colleges van burgemeester en schepenen voor de respectieve gedeelten van de inrichting gelegen binnen hun ambtsgebied, wanneer het gaat om : a) een vergunningsaanvraag voor de exploitatie, de verdere exploitatie of de verandering van een inrichting van de klasse 2, andere dan die van openbare besturen of een door hen opgerichte instelling;b) een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een inrichting van de klasse 2, andere dan deze van openbare besturen of een door hen opgerichte instelling, die na haar inbedrijfsstelling vergunningsplichtig wordt door aanvulling of wijziging van de indelingslijst;c) een vergunningsaanvraag voor het veranderen van een gemelde inrichting van de klasse 3, andere dan deze van openbare besturen of een door hen opgerichte instelling, waarbij de geplande verandering de indeling van de inrichting in klasse 2 tot gevolg heeft;d) een vergunningsaanvraag voor de exploitatie of de verlenging van de exploitatie van een tijdelijke inrichting van klasse 1 of 2.»; 2° een § 1bis wordt ingevoegd die luidt als volgt : « § 1bis.Wanneer de inrichting zich over het grondgebied van meerdere gemeenten in eenzelfde provincie uitstrekt, wordt het aantal in te dienen exemplaren, bedoeld in § 1, 1° vermeerderd met 2 per extra gemeente. »; 3° § 3 wordt vervangen door wat volgt : « § 3.Wanneer een inrichting onder toepassing valt van verschillende indelingsrubrieken die behoort tot verschillende klassen, dan geldt voor deze inrichting de procedure van de hoogste klasse. »; Art. 9.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 27 februari 1992, 28 oktober 1992, 27 april 1994, 1 juni 1995 en 26 juni 1996, wordt een hoofdstuk IIIbis, bestaande uit artikel 6bis tot en met 6quater, ingevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK IIIbis. - Verandering van een vergunde inrichting van klasse 1 of 2 Art. 6bis.§ 1. Voor de verandering van een vergunde inrichting dient overeenkomstig artikelen 5 en 6 een vergunning te worden aangevraagd : 1° wanneer de verandering van een vergunde inrichting de indeling van die inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft, ongeacht of deze inrichting samen met andere vergunde inrichtingen als een geheel moet worden beschouwd overeenkomstig de definitie van milieutechnische eenheid, bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM; 2° wanneer de verandering een toevoeging betreft.3° wanneer de bevoegde overheid overeenkomstig de procedure vastgelegd in artikel 6ter en 6quater vaststelt dat de verandering van die aard is dat ze een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot. Voor de exploitatie van een nieuwe vergunningsplichtige inrichting, andere dan de vergunde inrichtingen die samen met de nieuwe inrichting overeenkomstig de definitie van milieutechnische eenheid, bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, als een geheel moet worden beschouwd, moet eveneens een vergunning overeenkomstig artikel 5 en 6 te worden aangevraagd. § 2. Voor de toepassing van de bepalingen van § 1, 3° wordt aangenomen dat elk van de volgende verandering van die aard is dat ze een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot : 1° een belangrijke wijziging van een vergunde inrichting, ongeacht of deze inrichting samen met andere vergunde inrichtingen als een geheel moet worden beschouwd overeenkomstig de definitie van milieutechnische eenheid, bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM; 2° een uitbreiding van een vergunde inrichting met meer dan 50 %, ongeacht of deze inrichting samen met andere vergunde inrichtingen als een geheel moet worden beschouwd overeenkomstig de definitie van milieutechnische eenheid, bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM; 3° een uitbreiding van een vergunde inrichting die, of waardoor de inrichting, onderworpen wordt aan een milieu-effectbeoordeling en/of een veiligheidsrapportering. Voor het bepalen van de procentuele stijging zoals bedoeld in 2°, wordt de als gevolg van een milieuvergunningsaanvraag, bedoeld in artikel 6, vergunde situatie als basis genomen. § 3. In de andere gevallen dan deze bedoeld in § 1, moet de verandering van een inrichting overeenkomstig artikel 6ter worden meegedeeld aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is. Art. 6ter.§ 1. De mededeling van de kleine verandering, bedoeld in artikel 6bis, § 3, moet gebeuren door middel van een meldingsformulier waarvan het model is vastgelegd in bijlage 3, gevoegd bij dit besluit. Daarin worden ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 2, § 3 vermeld. Voor de volledigheid van de mededeling moeten bij het meldingsformulier de volgende bijlagen worden gevoegd : 1° de beschrijving van de toestand vóór de beoogde verandering door een of meer uitvoeringsplannen op schaal van tenminste 1/200 waarop per productie-eenheid, per opslagplaats, per gebouw en per verdieping, de schikkingen van de installaties, machines, toestellen, apparaten (in voorkomend geval met hun bijbehorende motoren en opgave van het vermogen ervan) en opslagplaatsen (met capaciteit) evenals de lozingspunten van de afvalwaters weergegeven zijn alsmede de als hinderlijk ingedeelde handelingen aangegeven zijn;2° de beschrijving van de toestand na de beoogde verandering door een of meer uitvoeringsplannen op schaal van tenminste 1/200 waarop per productie-eenheid, per opslagplaats, per gebouw en per verdieping die bij de verandering betrokken zijn, de schikkingen van de installaties, machines, toestellen, apparaten (in voorkomend geval met hun bijbehorende motoren en opgave van het vermogen ervan) en opslagplaatsen (met capaciteit) evenals de lozingspunten van de afvalwaters weergegeven zijn alsmede de als hinderlijk ingedeelde handelingen aangegeven zijn;3° een afschrift van de gedane meldingen, evenals een afschrift van eerdere beslissingen over vergunningsaanvragen die werden ingediend voor de exploitatie, de lozing van afvalwaters, de verwerking van afvalstoffen, de winning van grondwater of voor de bescherming van grondwater met betrekking tot de inrichting of in voorkomend geval de datum waarop alsmede de overheid waarbij dergelijke vergunning(en) werd(en) aangevraagd. § 2. De mededeling van kleine verandering, bedoeld in § 1, moet bij een aangetekende zending of bij afgifte tegen ontvangstbewijs gedaan worden : 1° in vijf exemplaren bij de bestendige deputatie van de provincie tot wiens ambtsgebied de percelen behoren waarop de verandering van de inrichting gepland is, of, als de inrichting zich over het grondgebied van meer dan een provincie uitstrekt, bij de onderscheiden bestendige deputaties van de provincies voor de respectieve gedeelten van de inrichting gelegen binnen hun ambtsgebied, wanneer het gaat om : a) een mededeling voor het veranderen van een vergunde inrichting van de klasse 1;b) een mededeling voor het veranderen van een vergunde inrichting van klasse 2 van openbare besturen of een door hen opgerichte instelling;2° in vijf exemplaren bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de percelen liggen waarop de verandering van de inrichting gepland is, of, als de inrichting zich over het grondgebied van meer dan een gemeente uitstrekt, bij de onderscheiden colleges van burgemeester en schepenen voor de respectieve gedeelten van de inrichting gelegen binnen hun ambtsgebied, wanneer het gaat om een mededeling voor het veranderen van een vergunde inrichting van klasse 2, een andere dan deze van openbare besturen of een door hen opgerichte instelling. § 3. Wanneer de inrichting zich over het grondgebied van meerdere gemeenten in eenzelfde provincie uitstrekt, wordt het aantal bij de betrokken provinciale overheid in te dienen exemplaren, bedoeld in § 2, 1°, vermeerderd met 1 per extra gemeente. Art. 6quater.§ 1. Voor de mededeling van een kleine verandering, bedoeld in artikel 6bis, § 3, geldt de procedure vastgesteld door dit artikel. § 2. Het onderzoek van de ontvankelijkheid en volledigheid gebeurt als volgt : 1° de bevoegde overheid of de door haar daartoe gemachtigde ambtenaar onderzoekt de mededeling op volledigheid en ontvankelijkheid overeenkomstig artikel 6bis en 6ter;2° wordt de mededeling onontvankelijk bevonden, dan wordt de indiener binnen veertien kalenderdagen na het indienen van de mededeling hiervan door de bevoegde overheid of de door haar daartoe gemachtigde ambtenaar schriftelijk in kennis gesteld;3° wordt de mededeling onvolledig bevonden, dan wordt de indiener binnen veertien kalenderdagen na het indienen van de mededeling hiervan door de bevoegde overheid of haar daartoe gemachtigde ambtenaar schriftelijk in kennis gesteld;4° wordt de mededeling ontvankelijk en volledig bevonden, dan wordt de indiener binnen 14 kalenderdagen na de indiening van de mededeling of na het verstrekken van de aanvullende gegevens hiervan door de bevoegde overheid of door haar daartoe gemachtigde ambtenaar schriftelijk in kennis gesteld;5° indien er binnen veertien kalenderdagen na het indienen van de mededeling of na het verstrekken van de aanvullende gegevens geen schriftelijke kennisgeving aan de indiener werd verzonden, wordt de mededeling geacht ontvankelijk en volledig te zijn. De kennisgeving, bedoeld in 2°, vermeldt de reden van de onontvankelijkheid en wijst eventueel de overheid aan die bevoegd geacht wordt om kennis te nemen van de mededeling of van een vergunningsaanvraag. De kennisgeving, bedoeld in 3°, vermeldt de inlichtingen en gegevens die ontbreken of nadere toelichting vereisen; § 3. De bevoegde overheid of de door haar daartoe gemachtigde ambtenaar stuurt op de dag van de verzending van de brief, bedoeld in § 2, 4° een exemplaar van het volledige mededelingsdossier naar de adviesverlenende overheidsorganen, bedoeld in artikel 20, § 1, 1° en 2°. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die ingedeeld is in één of meer van de subrubrieken 9.3 tot en met 9.8 van de indelingslijst wordt daarenboven ook een exemplaar gezonden aan de Vlaamse Landmaatschappij. De overheidsorganen, bedoeld in het eerste lid, brengen hun advies uit overeenkomstig hoofdstuk VI. Bij gebrek aan advies binnen een termijn van 30 kalenderdagen, wordt aangenomen dat bedoeld(e) adviesverlenend(e) overheidsorgaan(en) een gunstige beoordeling over de door haar te onderzoeken aspecten met betrekking tot de meegedeelde verandering heeft (hebben) uitgebracht. § 4. Binnen een termijn van 60 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de brief, bedoeld in § 2, 4°, doet de bevoegde overheid bij gemotiveerd besluit uitspraak over de mededeling van de kleine verandering. Indien deze overheid daarbij vaststelt dat de verandering van die aard is dat ze : 1° ofwel een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt;2° ofwel de bestaande hinder vergroot; moet voor de beoogde verandering een vergunning worden aangevraagd; deze vaststelling is niet vatbaar voor beroep. In het andere geval wordt de verandering door een aktename vergund voor een bepaalde termijn waarvan de einddatum die van de lopende vergunning niet mag overschrijden. Deze aktename is wel vatbaar voor beroep overeenkomstig artikel 49 en 50 wanneer het gaat om een uitspraak van het college van burgemeester en schepenen, respectievelijk van artikel 51 en 52 wanneer het gaat om een uitspraak van de bestendige deputatie van de provincie; § 5. De aktename, bedoeld in § 4, wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 35, 5° wanneer het gaat om een uitspraak van de bestendige deputatie van de provincie respectievelijk overeenkomstig artikel 36, 5° wanneer het gaat om een uitspraak van het college van burgemeester en schepenen.» . Art. 10.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 27 februari 1992, 28 oktober 1992, 27 april 1994, 1 juni 1995 en 26 juni 1996, wordt het opschrift van hoofdstuk IV vervangen door wat volgt : « Preventie van zware ongevallen ». Art. 11.In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt een artikel 6quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt : « Art. 6quinquies.§ 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° « VR-inrichting » : het gehele door een exploitant beheerde gebied waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer VR-installaties, met inbegrip van gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten;2° « VR-installatie » : een technische eenheid binnen een inrichting waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, gebruikt, gebezigd of opgeslagen die omvat alle uitrusting, constructies, leidingen, machines, gereedschappen, eigen spoorwegemplacementen, laad- en loskades, aanlegsteigers voor de installatie, pieren, depots of soortgelijke, al dan niet drijvende constructies, die nodig zijn voor de werking van de installatie;2° « VR-opslag » : de aanwezigheid van een hoeveelheid gevaarlijke stoffen voor opslag, veilige bewaring of voorraadbewaring;3° « aanwezigheid van gevaarlijke stoffen » : de feitelijke of toegestane aanwezigheid van dergelijke stoffen in de inrichting dan wel de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen waarvan bekend is dat zij kunnen ontstaan wanneer een industrieel chemisch proces buiten controle geraakt, in hoeveelheden gelijk aan of hoger dan de drempels in de delen 1 en 2 van bijlage 6, gevoegd bij dit besluit. § 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op : 1° militaire inrichtingen, installaties of opslagplaatsen;2° winningsindustrieën die zich op het gebied van exploratie en exploitatie van delfstoffen in mijnen en groeven en op dat van boringen bewegen;3° stortplaatsen voor afval.». Art. 12.Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 7.§ 1. De exploitant van een VR-inrichting waar gevaarlijke stoffen in hoeveelheden gelijk aan of groter dan de hoeveelheid, genoemd in de delen 1 en 2, kolom 2, van bijlage 6, gevoegd bij dit besluit, aanwezig zijn, neemt alle maatregelen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. § 2. De exploitant, bedoeld in § 1, moet te allen tijde aan de met het toezicht belaste ambtenaren kunnen aantonen dat hij overeenkomstig de bepalingen van dit reglement alle noodzakelijke maatregelen heeft genomen voor het vaststellen van de bestaande risico's voor zware ongevallen, voor het nemen van passende veiligheidsmaatregelen en voor de veiligheidsvoorlichting, -training en -uitrusting van het personeel ter plaatse. De exploitant van een VR-inrichting, een andere dan de VR-inrichting bedoeld in § 3, stelt een document op waarin zijn preventiebeleid voor zware ongevallen wordt vastgelegd en zorgt voor de correcte uitvoering van dat beleid. Het door de exploitant ingevoerde beleid ter preventie van zware ongevallen moet borg staan voor een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu door middel van passende maatregelen, structuren en beheerssystemen. In dit document wordt rekening gehouden met de beginselen van bijlage 5 gevoegd bij dit besluit. Het document wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaren, in het bijzonder met het oog op de toepassing van het eerste lid. § 3. De exploitant van een VR-inrichting waar gevaarlijke stoffen in hoeveelheden gelijk aan of groter dan de hoeveelheid, genoemd in kolom 3, delen 1 en 2 van bijlage 6, gevoegd bij dit besluit, aanwezig zijn, moet een veiligheidsrapport indienen om : 1° aan te tonen dat er een beleid ter preventie van zware ongevallen en een veiligheidsbeheerssysteem voor het uitvoeren daarvan zijn ingevoerd overeenkomstig de punten, genoemd in bijlage 5, gevoegd bij dit besluit;2° aan te tonen dat de gevaren van zware ongevallen geïdentificeerd zijn en dat de nodige maatregelen zijn getroffen om die te voorkomen en de gevolgen van dergelijke voor mens en milieu te beperken;3° aan te tonen dat het ontwerp, de constructie, de exploitatie en het onderhoud van alle met de werking samenhangende installaties, opslagplaatsen, apparatuur en infrastructuur die samenhangen met de gevaren van een zwaar ongeval binnen de inrichting voldoende veilig en betrouwbaar zijn;4° aan te tonen dat er interne noodplannen zijn gemaakt en de nodige gegevens te verstrekken voor de opstelling van het externe plan om bij een zwaar ongeval de nodige maatregelen te kunnen treffen;5° te waarborgen dat voldoende gegevens aan de bevoegde overheden worden verschaft, zodat zij besluiten kunnen nemen over nieuwe activiteiten of over ontwikkelingen rond bestaande inrichtingen. Een veiligheidsrapport is tevens vereist bij wijziging van een VR-installatie, VR-inrichting, VR-opslag of proces of bij wijziging van aard en van de hoeveelheden gevaarlijke stoffen die voor gevaren van zware ongevallen belangrijke gevolgen kunnen hebben. » . Art. 13.Artikel 8, § 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « § 1. Het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 7, § 3, zal ten minste bevatten : 1° inlichtingen over het beheerssysteem en de organisatie van de inrichting, met het oog op de preventie van zware ongevallen, die de punten dienen te bestrijken die zijn vervat in bijlage 5 bij dit besluit;2° presentatie van de omgeving van de inrichting : a) beschrijving van de plaats en zijn omgeving, met inbegrip van de geografische ligging, de meteorologische, geologische en hydrografische gegevens en in voorkomend geval, de voorgeschiedenis;b) identificatie van de installaties en andere activiteiten binnen de inrichting die het gevaar van een zwaar ongeval met zich kunnen brengen;c) beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen;3° beschrijving van de VR-installatie : a) beschrijving van de voornaamste werkzaamheden en producten uit de delen van de inrichting die belangrijk zijn uit veiligheidsoogpunt, de mogelijke oorzaken van risico's van zware ongevallen en de omstandigheden waarin zo'n zwaar ongeval zich zou kunnen voordoen, vergezeld van een beschrijving van de genomen preventieve maatregelen;b) beschrijving van procédé's, met name de werkwijzen;c) beschrijving van de gevaarlijke stoffen : i) lijst van de gevaarlijke stoffen met : - de beschrijving van de gevaarlijke stoffen : chemische naam, CAS-nummer, naam volgens de IUPAC-nomencaltuur; - de maximale hoeveelheid van de gevaarlijke stof(fen) die aanwezig is (zijn) of kan (kunnen) zijn; ii) fysische, chemische en toxicologische kenmerken en indicatie van zowel de onmiddellijk als de later optredende gevaren voor mens en milieu; iii) het fysisch of chemisch gedrag onder normale gebruiksvoorwaarden of bij een voorzienbaar ongeval; 4° identificatie en analyse van de ongevallenrisico's en preventiemiddelen : a) gedetailleerde beschrijving van de scenario's voor mogelijke zware ongevallen, en de omstandigheden waarin deze zich kunnen voordoen, inclusief een samenvatting van de voorvallen die bij het op gang brengen van deze scenario's een belangrijke rol kunnen spelen, ongeacht of de oorzaken binnen of buiten de installatie liggen;b) beoordeling van de omvang en de ernst van de gevolgen van de geïdentificeerde zware ongevallen;c) beschrijving van de technische parameters en de voor de veiligheid van de installaties aangebrachte apparatuur;5° beschermings- en interventiemaatregelen om de gevolgen van een ongeval te beperken : a) beschrijving van de apparatuur die op de installatie is aangebracht om de gevolgen van zware ongevallen te beperken;b) organisatie van het alarm en de interventie;c) beschrijving van de inzetbare interne of externe middelen;d) synthese van de in a), b) en c) beschreven punten, die nodig is voor het interne noodplan.». Art. 14.In hoofdstuk V van hetzelfde besluit wordt een artikel 19bis ingevoegd, dat luidt als volgt : « Art. 19bis.§ 1. Wanneer op om het even welke wijze door de bevoegde vergunningverlenende overheid wordt vastgesteld dat de exploitatie van de inrichting negatieve en significante effecten op het milieu van een ander Gewest en/of van een andere EU-lidstaat en/of een Verdragspartij bij het Verdrag van Espoo zou kunnen hebben, of wanneer een ander Gewest en/of een EU-lidstaat en/of een Verdragspartij bij het Verdrag van Espoo die daardoor in belangrijke mate getroffen kan worden ter zake een verzoek indient, bezorgt deze bevoegde vergunningverlenende overheid een exemplaar van de milieuvergunningsaanvraag en de bijbehorende bijlagen aan de bevoegde autoriteit van het bedoelde Gewest en/of EU-lidstaat en/of een Verdragspartij bij het Verdrag van Espoo. Deze gegevens dienen als basis voor het nodige overleg in het kader van de bilaterale betrekkingen tussen de gewesten en/of EU-lidstaten en/of een Verdragspartij bij het Verdrag van Espoo volgens het beginsel van wederkerigheid en gelijke behandeling. § 2. De bevoegde vergunningverlenende overheid gaat over tot de toezending, bedoeld in § 1, op het tijdstip waarop zij het vergunningsaanvraagdossier toezendt aan de bevoegde burgemeester met opdracht tot het instellen van het openbaar onderzoek, bedoeld in artikel 17. De belanghebbende inwoners van het betrokken Gewest en/of EU-lidstaat en/of een Verdragspartij bij het Verdrag van Espoo kunnen : 1° deelnemen aan het openbaar onderzoek, bedoeld in artikel 17;2° deelnemen aan het openbaar onderzoek dat de bevoegde autoriteit van het betrokken Gewest en/of EU-lidstaat en/of een Verdragspartij bij het Verdrag van Espoo op basis van het ontvangen vergunningsaanvraagdossier eventueel op haar eigen grondgebied organiseert. De bevoegde autoriteit van het betrokken Gewest en/of EU-lidstaat en/of een Verdragspartij bij het Verdrag van Espoo kan haar opmerkingen samen met de resultaten van het eventueel door haar georganiseerde openbaar onderzoek aan de bevoegde vergunningverlenende overheid ter kennis brengen binnen een termijn van twee maanden na de datum van de toezending, bedoeld in het eerste lid. § 3. Wanneer de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een MER-plichtige inrichting wordt overeenkomstig de EU-richtlijn 97/11/EG van 3 maart 1997 met het betrokken Gewest en/of EU-lidstaat overleg gepleegd over onder andere de potentiële grensoverschrijdende effecten van de inrichting en de maatregelen die worden overwogen om die effecten te beperken of teniet te doen en wordt een redelijke termijn overeengekomen waarbinnen het overleg moet plaatsvinden. ». Art. 15.In artikel 20 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1992, wordt § 1 vervangen door wat volgt : « § 1. De overheidsorganen die advies uitbrengen over een vergunningsaanvraag, bedoeld in artikel 6, § 1, 1°, alsmede over een beroep tegen een beslissing van de bestendige deputatie van de provincie of van het college van burgemeester en schepenen zijn : 1° de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur;2° de bevoegde afdeling ROHM van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur;3° de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg van de administratie Gezondheidszorg van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;4° de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie van de administratie Economie van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw;5° de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest;6° de Vlaamse Milieumaatschappij;7° de Vlaamse Landmaatschappij;8° de afdeling Water van de administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur. Tenzij anders bepaald, brengen deze overheidsorganen hun advies uit in de schoot van de milieuvergunningscommissies bedoeld in hoofdstuk VII. De afdelingen, bedoeld in het eerste lid 1° en 2°, verlenen advies over alle inrichtingen, de overige organen verlenen advies naar gelang van de aard van de inrichting, zoals bepaald in § 2, 3° tot en met 8°. Tenzij anders bepaald, brengen zij hun advies uit binnen een termijn van zestig kalenderdagen na ontvangst van het dossier, als het gaat om een vergunningsaanvraag, en van dertig kalenderdagen na ontvangst van het dossier, als het gaat om een mededeling kleine verandering of beroep. ». Art. 16.In artikel 20, § 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « als bedoeld in artikel 6, § 1, 3° » worden vervangen door de woorden « als bedoeld in artikel 6, § 1, 2° »;2° in 2°, 3°, 4° en 7° worden de woorden « in de indelingslijst » telkens vervangen door de woorden « in de vierde kolom « bemerkingen » van de indelingslijst »; 3° in 3° en 4° worden de woorden « het ...bedoelde Bestuur telkens vervangen door de woorden « de....bedoelde afdeling »; 4° 5° wordt vervangen door wat volgt : « 5° wanneer het gaat om een inrichting die in de vierde kolom « bemerkingen » van de indelingslijst is aangeduid met de letter « O » : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest;»; 5° 6° wordt vervangen door wat volgt : « 6° wanneer het gaat om een inrichting die in de vierde kolom « bemerkingen » van de indelingslijst is aangeduid met de letter « M » : de Vlaamse Milieumaatschappij;»; 6° aan het eerste lid wordt een 8° toegevoegd dat luidt als volgt : « 8° wanneer het gaat om een inrichting die in de vierde kolom « bemerkingen » van de indelingslijst is aangeduid met de letter « W » : de afdeling, bedoeld in § 1, 8°.» . Art. 17.In artikel 20, § 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1992, worden de woorden « Het in § 1, eerste lid, 1° vermelde bestuur » vervangen door de woorden « De afdeling bedoeld in § 1, eerste lid, 1°. ». Art. 18.In artikel 21 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden « het Bestuur Milieuvergunningen van de Administratie Milieu-, Natuur- en Landinrichting » vervangen door de woorden « de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer »;2° in § 1, 1° wordt het woord « afvalstoffenplan » vervangen door de woorden « milieubeleidsplan en de sectorale uitvoeringsplannen »;3° in § 2 worden de woorden « het Bestuur Ruimtelijke Ordening van de Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting » vervangen door de woorden « de bevoegde afdeling ROHM van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen »;4° in § 3 worden de woorden « het Bestuur Preventieve en Ambulante Gezondheidszorg van de Administratie Gezondheidszorg « vervangen door de woorden « de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg van de administratie Gezondheidszorg »;5° in § 4 worden de woorden « het Bestuur Natuurlijke Rijkdommen van de Administratie Economie » vervangen door de woorden « de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie van de administratie Economie »;6° aan § 4 wordt een 3° toegevoegd dat luidt als volgt : « 3° wanneer het een inrichting betreft die in de 4de kolom van de indelingslijst is aangeduid met de letter X, een beoordeling van het doelmatig gebruik van energie in de installatie.»; 7° in § 5,1° en 2° worden de woorden « de verwijdering » telkens vervangen door de woorden « de verwerking »;8° in § 5, 2° wordt het woord « afvalstoffenplan » vervangen door de woorden « milieubeleidsplan en de sectorale uitvoeringsplannen »;9° een § 8 wordt toegevoegd die luidt als volgt : « § 8.Het advies van de afdeling Water van de administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer bevat volgende gegevens : 1° een gemotiveerde beoordeling over de inrichting waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, wat betreft de kwantitatieve effecten op het beheer van de watervoerende en/of de ontvangende grondwaterlaag enerzijds en op de openbare en private bovengrondse eigendommen anderzijds;2° indien de inrichting verenigbaar wordt geacht met het grondwaterbeheersbeleid, een gemotiveerd voorstel van de vergunningsvoorwaarden die betrekking hebben op het grondwaterbeheer en het voorkomen van schade aan de openbare en private bovengrondse eigendommen.». Art. 19.In artikel 22 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden « de artikelen 6, § 1, 2° en 49 » vervangen door de woorden « de artikelen 6, § 1, 1° en 49 »;2° § 2, 3° wordt vervangen door wat volgt : « 3° een vertegenwoordiger met stemrecht van de volgende permanente adviesverlenende overheidsorganen : a) de afdeling Milieuvergunningen van de administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur;b) de bevoegde afdeling ROHM van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur;»; 3° § 2, 4° wordt vervangen door wat volgt : « 4° een vertegenwoordiger die enkel stemrecht heeft voor de milieuvergunningsdossiers waarvoor zij adviesbevoegd is, van de volgende niet-permanente adviesverlenende overheidsorganen : a) de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg van de administratie Gezondheidszorg van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;b) de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie van de administratie Economie van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw;c) de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest;d) de Vlaamse Milieumaatschappij;e) de Vlaamse Landmaatschappij;f) de afdeling Water van de administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur;»; 4° in § 2 wordt 8° hernummerd tot 6°. Art. 20.In artikel 23, § 1 van hetzelfde besluit worden de woorden « artikel 6, § 1, 2° » vervangen door de woorden « artikel 6, § 1, 1° »; Art. 21.In artikel 24 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 4 worden de woorden « artikel 6, § 1, 2° » vervangen door de woorden « artikel 6, § 1, 1° »;2° in § 5 worden de woorden « artikel 6, § 1, 2° » vervangen door de woorden « artikel 6, § 1, 1° ». Art. 22.In artikel 26 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen door wat volgt : « § 1.Er wordt een gewestelijke milieuvergunningscommissie opgericht die de Vlaamse minister advies verleent over de beroepen die overeenkomstig artikel 51 bij de Vlaamse regering worden ingediend. »; 2° § 2 wordt vervangen door wat volgt : « § 2.De gewestelijke milieuvergunningscommissie, bedoeld in § 1, is samengesteld uit : 1° het afdelingshoofd van de afdeling Milieu-vergunningen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur of zijn afgevaardigde, die de commissie voorzit en stemrecht heeft;2° een secretaris of zijn plaatsvervangend secretaris, beiden aangewezen door de Vla …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.