← België

Besluit van de Waalse Regering voor de investeringen in de landbouwsector

Kort samengevat

Dit besluit van de Waalse Regering regelt investeringen in de landbouwsector, met als doel de plattelandsontwikkeling te ondersteunen en de landbouwproductie te verbeteren. Het kader hiervoor wordt gevormd door diverse Europese en nationale wetgevingen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
19 DECEMBER 2008. - Besluit van de Waalse Regering voor de investeringen in de landbouwsector De Waalse Regering, Gelet op Verordening (EG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee; Gelet op Verordening (EG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen; Gelet op verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal Verordeningen; Gelet op Verordening (EG) nr. 2295/2003 van de Commissie van 23 september 2003 houdende bepalingen voor de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1907/90 van de Raad betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren; Gelet op Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers; Gelet op Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers; Gelet op Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO); Gelet op Verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen; Gelet op Verordening (EEG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen; Gelet op Verordening (EG) nr. 1975/2006 van de Commissie van 7 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling; Gelet op Verordening (EG) nr. 1898/2006 van de Commissie van 14 december 2006 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen; Gelet op Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO); Gelet op Verordening (EG) nr.1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten en de wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001; Gelet op Verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van 20 december 2007 betreffende de toepassing van artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de minimis -steun in de landbouwsector en de visserijsector; (PB L337 van 21.12.2007); Gelet op Verordening (EG) nr. 1320/2006 van de Commissie van 5 september 2006 tot vaststelling van overgangsbepalingen inzake de in Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad voorziene steun voor plattelandsontwikkeling (PB L 243 van 6.9.2006); Gelet op de beslissingen van de Commissie van 27 juni 1977 en 29 juli 1983 tot wijziging van de grenzen van de probleemgebieden in de zin van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 (België); Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 5 mei 1993, 16 juli 1993, 13 juli 2003 en 12 augustus 2003; Gelet op de wet van 15 februari 1961 houdende oprichting van een Landbouwinvesteringsfonds, gewijzigd bij de wetten van 29 juni 1971, 15 maart 1976, 3 augustus 1981 en 15 februari 1990; Gelet op de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw-, en zeevisserijproducten; Gelet op het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 februari 1988 betreffende de beroepsopleiding van de personen die in de landbouw werkzaam zijn; Gelet op het decreet van de Waalse Gewestraad van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw; Gelet op het programmadecreet van 23 februari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten6 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië; Gelet op het decreet van 14 februari 2007 betreffende de identificatie van de meewerkende echtgenoten in de landbouw; Gelet op het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 juli 1952, 8 maart 1968 en 15 februari 1974; Gelet op het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 27 mei 1993 betreffende de beroepsopleiding en de bijscholing van de personen die in de landbouw werkzaam zijn en op de latere wijzigingen ervan; Gelet op het koninklijk besluit van 23 januari 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten betreffende de bescherming van kalveren in kalveehouderijen; Gelet op het koninklijk besluit van 1 maart 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/03/2000 pub. 06/05/2000 numac 2000016099 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu en ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren sluiten betreffende de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 28 februari 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 28/02/2002 pub. 30/03/2002 numac 2002027315 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw sluiten ter uitvoering van het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw; Gelet op het koninklijk besluit van 15 januari 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 02/04/2003 numac 2002013485 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 februari 2001, gesloten in het Paritair Subcomité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, betreffende de toeslagen voor onregelmatige prestaties type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 02/04/2003 numac 2002013486 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 februari 2001, gesloten in het Paritair Subcomité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, betreffende de vaststelling van de baremieke anciënniteit type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 27/03/2003 numac 2002013487 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 september 2001, gesloten in het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, betreffende het gewaarborgd minimumloon en de euro in de sector van de metaalbouw van Brabant type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 05/03/2003 numac 2003022083 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit betreffende de toekenning van een subsidie aan transfusiecentra voor het jaar 2003 type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 02/04/2003 numac 2002013484 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 januari 2002, gesloten in het Paritair Comité voor de schoonmaak- en ontsmettingsondernemingen, betreffende de verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 mei 1997 betreffende het sectoraal halftijds brugpensioen vanaf de leeftijd van 55 jaar met het oog op de bevordering van de tewerkstelling, in uitvoering van het protocol van collectieve arbeidsovereenkomst van 29 april 1997 betreffende de creatie van een tewerkstellingsakkoord in uitvoering van hoofdstuk IV van titel III van de wet van 26 juli 1996 type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 11/02/2003 numac 2003022105 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen sluiten betreffende de bescherming van varkens in varkenshouderijen; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 03/06/2004 pub. 20/07/2004 numac 2004202426 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering houdende definitieve erkenning van de betalende Waalse instelling voor de door het EOGFL, afdeling Garantie medegefinancierde uitgaven sluiten houdende definitieve erkenning van de betalende Waalse instelling voor de door het EOGFL, afdeling Garantie medegefinancierde uitgaven; Gelet op het gewijzigde besluit van de Waalse Regering van 9 september 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten0 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, op de besluiten van de Waalse Regering van 26 januari 2006, 21 december 2006 en 1 maart 2007; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 3 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten1 betreffende Boek II van het van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt; Gelet op het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 13/05/2005 numac 2005022274 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit inzake het welzijn van loopvogels gehouden voor landbouwdoeleinden sluiten betreffende het welzijn van loopvogels gehouden voor landbouwdoeleinden; Gelet op het koninklijk besluit van 17 oktober 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 17/10/2005 pub. 20/10/2005 numac 2005022877 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit tot vaststelling van de minimumnormen voor de bescherming van legkippen sluiten tot vaststelling van de minimumnormen voor de bescherming van legkippen; Gelet op het koninklijk besluit van 22 december 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2005 pub. 30/12/2005 numac 2005023112 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende levensmiddelenhygiëne sluiten betreffende levensmiddelenhygiëne; Gelet op het koninklijk besluit van 22 december 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2005 pub. 30/12/2005 numac 2005023112 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende levensmiddelenhygiëne sluiten betreffende levensmiddelenhygiëne van dierlijke oorsprong; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten2 tot invoering van de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 22 juni 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten3 tot vastlegging van de richtsnoeren voor de randvoorwaarden bedoeld in artikel 27 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten2 tot invoering van de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 24 mei 2007Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten4 betreffende de steun aan de landbouw; Gelet op de samenwerkingsovereenkomst van 18 juni 2003 tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het vlak van landbouw en visserij; Gelet op het samenwerkingsakkoord van 30 maart 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten5 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het vlak van landbouw en visserij; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 14 juli 2008; Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 17 juli 2008; Gelet op het advies nr. 45080/4 van de Raad van State, gegeven op 24 december 2008, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Gelet op Richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden; Gelet op Richtlijn 75/269/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de communautaire lijst van agrarische probleemgebieden in de zin van Richtlijn 75/268/EEG (België); Gelet op Richtlijn 80/666/EEG van de Raad van 24 juni 1980 tot wijziging van Richtlijn 75/268/EEG betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden; Gelet op de communautaire richtsnoeren van 27 december 2006 voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013 (PB 2006/C 319/01); Overwegende dat de huidige steunregeling voor investeringen en installatie in de landbouw en de compenserende vergoedingen in de probleemgebieden moet worden aangepast, rekening houdend met de structurele wijzigingen van de bedrijven en hun lasten; Overwegende dat maatregelen moeten worden genomen om de Waalse beleidskeuzes uit te voeren om in te spelen op de landbouwevolutie; Op de voordracht van de Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme; Besluit : Titel 1. - Gemeenschappelijke bepalingen HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° « landbouwactiviteit » : land- of tuinbouwproducten produceren, fokken of telen tot en met het oogsten, het melken, het fokken en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de grond in goede landbouw- en milieuconditie houden alsmede de verwerking en/of verkoop van de producten die eruit voortvloeien en die deel uitmaken van bijlage I bij het Verdrag;2° « bestuur » : het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu waarvan de leidend ambtenaar hierna Directeur-generaal wordt benoemd;3° « landbouwer » : de natuurlijke of rechtspersoon of de groepering van natuurlijke of van rechtspersonen die een landbouwactiviteit al dan niet als hoofdberoep uitoefent in een bedrijf dat hij zelfstandig, voor eigen baat en voor eigen rekening beheert.Een landbouwer wordt aan de hand van zijn « producentnummer » geïdentificeerd; 4° « landbouwvereniging » : vereniging die gericht is op de bevordering van voorlichting en popularisering ten einde in haar omgeving te zorgen voor de technische, economische en sociale vooruitgang van de landbouwbedrijven en voor het welzijn van de landelijke bevolking;5° « activiteit als bijberoep » : beroepsactiviteit van een rechtspersoon of, in voorkomend geval, van een afgevaardigd-bestuurder of beheerder of vennoot-beheerder van een rechtspersoon, die van zijn landbouw-, toeristische, pedagogische, ambachtelijke activiteiten, uitgeoefend op het betrokken bedrijf, of nog van zijn bosbouwactiviteiten of activiteiten inzake onderhoud van de natuurlijke omgeving met het voordeel van overheidssteun, een jaarlijks totaal belastbaar netto-inkomen vergaart dat hoger is dan 35 % van het belastbare nettobedrag van zijn jaarlijkse globale inkomen uit de beroepsactiviteit als geheel zoals bedoeld in punt 30°, evenwel zonder dat die persoon uit zijn landbouwactiviteit uitgeoefend op het landbouwbedrijf een totaal jaarlijks belastbaar netto-inkomen haalt dat lager is dan 25 % van zijn globaal jaarinkomen uit het geheel van zijn beroepsactiviteiten.Daarnaast moet hij minder dan 1170 uur per jaar besteden aan de beroepsactiviteiten buiten zijn bedrijf; 6° « activiteit als hoofdberoep » : beroepsactiviteit van een rechtspersoon of, in voorkomend geval, van een afgevaardigd-bestuurder of beheerder of vennoot-beheerder van een rechtspersoon, die van zijn landbouw-, toeristische, pedagogische, ambachtelijke activiteiten, uitgeoefend op het betrokken bedrijf, of nog van zijn bosbouwactiviteiten of activiteiten inzake onderhoud van de natuurlijke omgeving met het voordeel van overheidssteun, een jaarlijks totaal belastbaar netto-inkomen vergaart dat hoger is dan 50 % van het belastbare nettobedrag van zijn jaarlijkse globale inkomen uit de beroepsactiviteit als geheel zoals bedoeld in punt 30°, evenwel zonder dat die persoon uit zijn landbouwactiviteit uitgeoefend op het landbouwbedrijf een totaal jaarlijks belastbaar netto-inkomen haalt dat lager is dan 35 % van zijn globaal jaarinkomen uit het geheel van zijn beroepsactiviteiten.Daarnaast moet hij minder dan 900 uur per jaar besteden aan de beroepsactiviteiten buiten zijn bedrijf; 7° « vereniging van melkproducenten » : vereniging van twee tot hoogstens vijf producenten zoals omschreven in artikel 5 van Verordening (EG) 1788/2003 en in artikel 1, 6°, a, van het besluit van de Waalse Regering van 9 september 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten0 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, opgericht bij authentieke akte voor een onbepaalde duur die niet minder mag bedragen dan drie periodes, met het oog op leveringen en/of rechtstreekse verkopen met de referentiehoeveelheden van de vennoten die er houder van blijven zoals bepaald in artikel 1, 6, c, van voornoemd besluit van de Waalse Regering van 9 september 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten0.Het doel van de vereniging van melkproducenten is uitsluitend het zelfstandig beheer van de melkproductiemiddelen van de vennoten en zowel de productie als de verhandeling van de referentiehoeveelheden vanaf één enkele melkproductie-eenheid van één der vennoten; 8 « adviseur » : persoon bij wie de landbouwer terecht kan, die in het bezit is van de vaardigheden en de minimumervaring bepaald in bijlage en die het landbouwbedrijfshoofd kiest uit de structuren erkend door de Minister volgens de criteria bepaald in bijlage, om hem van advies te voorzien bij verwezenlijking van zijn ontwikkelings- of investeringsplan en/of de uitvoering en evaluatie ervan; 9° « oppervlakteaangifte en steunaanvraag » (afgekort oppervlakteaangifte) : het formulier dat door het bestuur opgemaakt is en door de Minister goedgekeurd wordt, dat het volgende omvat : de steunaanvragen in het kader van de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening en van sommige maatregelen voor plattelandsontwikkeling, de beheers- en controlegegevens betreffende die regelingen en maatregelen en andere communautaire of nationale regelingen alsook de elementen vereist voor de identificatie van alle landbouwpercelen van het bedrijf, hun oppervlakte, plaatsbepaling en gebruik (gewas en bestemming);10° « praktische ervaring » : beroepservaring in de landbouw als landbouwuitbater, -meewerkende of -arbeider, die bewezen wordt door de periodes van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds of door een arbeidsovereenkomst;11° « landbouwbedrijf » : het geheel van de productie-eenheden gelegen op het nationaal grondgebied en zelfstandig beheerd door eenzelfde landbouwer ongeacht de speculaties;12° « landbouwbedrijfshoofd » : de natuurlijke persoon of, voor een rechtspersoon, elke afgevaardigd bestuurder, beheerder of vennoot-beheerder van de rechtspersoon die zich in een bedrijf aan de landbouwactiviteit wijdt en die die activiteit al dan niet als hoofdberoep uitoefent.13° « landbouwbedrijfshoofd-rechtspersoon » : de rechtspersoon wiens statuten de landbouwactiviteit beogen alsook de afzet van de producten die voornamelijk worden voortgebracht op het bedrijf, die deze activiteit al dan niet als hoofdberoep uitoefent en die bovendien voldoet aan één van de volgende voorwaarden : a) indien het gaat om een landbouwbedrijf bedoeld in artikel 2, § 3, van het Wetboek van vennootschappen, moet(en) de venno(o)t(en)-beheerder(s) een beroepsactiviteit als hoofdberoep uitoefenen die betrekking heeft op het betrokken bedrijf overeenkomstig punt 6°;b) indien het gaat om één van de andere vennootschapsvormen bedoeld in artikel 2, § 2, van het Wetboek van vennootschappen : - wordt de vennootschap opgericht voor een minimum duur van 20 jaar; - zijn de aandelen of deelbewijzen op naam; - behoren de aandelen of deelbewijzen voor minstens 51 % aan de bestuurders of beheerders toe; - worden de afgevaardigd-bestuurders of beheerders aangewezen onder de vennoten; - zijn alle afgevaardigde-bestuurders of beheerders of, bij afwezigheid alle bestuurders, natuurlijke personen die het betrokken bedrijf beheren en er een activiteit als hoofdberoep uitoefenen overeenkomstig punt 6°; - vloeit minstens de helft van de omzet van de rechtspersoon voort uit diens landbouwactiviteit; 14° « bedrijf in een probleemgebied » : bedrijf waarvan minstens 40 % van de gebruikte landbouwoppervlakte in een probleemgebied gelegen is;15° « ELFPO » : het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling;16° « Productieketen met gedifferentieerde kwaliteit » : operator of groep operatoren in de productie, de verwerking en de verdeling die een productdossier naleven dat leidt tot een product met gedifferentieerde kwaliteit;17° « overheidsgarantie » : geweststeun in de vorm van een garantie van het Waalse Gewest die gekoppeld kan worden aan de terugbetaling in kapitaal, interesten en accessoria voor leningen die toegekend worden aan de onder de punten 7°, 12°, 13°, 19°, 20°, 32° en 33° bedoelde natuurlijke en rechtspersonen, met het oog op de onder punt 21° bedoelde verrichtingen, op voorwaarde dat ze toegekend worden door een daartoe erkende openbare of privé-kredietinstelling;18° « autonoom beheer » : het beheer van een bedrijf waarbij elke verwarring met één of meerdere andere landbouwers op het gebied van het beheer, de uitoefening van de landbouwactiviteit, de productiemiddelen of hun gebruik uitgesloten wordt;19° « voedergroepering » : feitelijke vereniging die de gezamenlijke aankoop en het gedeelde gebruik van materialen bestemd voor de voederproductie als doel heeft, alsook de ordening en de uitrusting van weilanden, en die bovendien voldoet aan de volgende voorwaarden : a) bestaan uit minstens drie leden-landbouwers die elk minstens 40 % van de in probleemgebieden gebruikte oppervlakte in bedrijf hebben.De gebruikte oppervlakte van de groepering moet minstens 3 ha per lid bedragen; b) een activiteitsduur van minstens zes jaar waarborgen;c) de leden moeten de materiaalaankoop medefinancieren naar evenredigheid van de voedergewasoppervlakte die deel uitmaakt van hun bedrijf en met het verworven materiaal verwerkt moet worden;d) een boekhouding houden van het gebruik van materialen door elke gebruiker alsmede de overname van de kosten door elke gebruiker;20° groepering van melkproducenten : de groepering van twee melkproducenten die op zelfstandige wijze voor eigen baat en rekening één enkel bedrijf beheert die uitsluitend voortvloeit uit het samenbrengen van beide bedrijven van de leden ervan, namelijk het geheel van de productie-eenheden die elk van de leden van de groepering voorafgaandelijk aan de oprichting van bedoelde groepering van melkproducenten beheerden. Die groepering verkoopt rechtstreeks melk of andere zuivelproducten of levert melk aan een koper en voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 1, 6, b, van het besluit van de Waalse Regering van 9 september 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten0 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten; 21° « investeringen » : verrichtingen die gericht zijn op de aankoop, bouw, vestiging, vergroting, vernieuwing of verbetering, ten gunste van de natuurlijke of rechtspersonen die de hieronder omschreven steun genieten, van duurzame goederen zoals grond, gebouwen, uitrustingen, installaties, machines, gereedschap, materiaal en aanplantingen in de tuinbouwteelt;22° « vervangingsinvesteringen » : een investering die eenvoudigweg een machine of een bestaand gebouw, of onderdelen ervan, vervangt door een nieuwe machine of een nieuw gebouw, zonder de productiecapacititeit te verhogen met minstens 25 % of zonder de aard van de productie of de aangewende technologie fundamenteel te veranderen.De volledige afbraak van een minstens 30 jaar oud landbouwgebouw en de vervanging ervan door een modern gebouw of nog de ingrijpende renovatie van een bedrijfsgebouw worden niet beschouwd als een vervangingsinvestering. De renovatie wordt als ingrijpend beschouwd indien de kostprijs minstens 50 % van de waarde van het nieuwe gebouw vertegenwoordigt; 23° « Minister » : de Minister bevoegd voor Landbouw;24° « het in overeenstemming brengen van de opslagaccommodatie van dierlijke mest » : werkzaamheden uitgevoerd om een opslagcapaciteit van zes maanden te waarborgen van dierlijke mest afkomstig uit de veestapel die geregistreerd is op 9 december 2002 of die overeenstemt met de huisvestingscapaciteit van de veehouderijgebouwen op dezelfde datum;25° « normering van de opslagaccommodatie van dierlijke mest » : werkzaamheden uitgevoerd om een opslagcapaciteit van zes maanden te waarborgen van dierlijke mest afkomstig uit de veestapel die geregistreerd is afgezien van de veestapel die voor het in 24 ° bedoelde in overeenstemming brengen in aanmerking worden genomen;26° « ontwikkelingsplan » : plan dat voorgesteld moet worden door een jonge landbouwer die de vestigingshulp vraagt.In dat plan dient met name een beginsituatie van het bedrijf te worden besproken, evenals fasen en globale zesjarige doelstellingen, alsmede driejarige specifieke doelstellingen die bepaald worden met het oog op de verwezenlijking van zijn activiteiten. Er wordt eveneens een omstandige omschrijving opgenomen van de investeringen, de opleidingen, de advisering of elke andere noodzakelijke actie voor de totstandkoming van de activiteiten van het landbouwbedrijf. Het ontwikkelingsplan wordt uitgevoerd door de aanvrager met behulp van een adviseur die verplicht is het plan mede te ondertekenen; 27° « investeringsplan » : document dat vertrekkend vanuit de kenmerken van het bedrijf doelstellingen vastlegt en de lijst opmaakt van de investeringen die doorgevoerd moeten worden over een periode van drie jaar om die doelstellingen te bereiken en de uitbating duurzamer te maken; 28° « product van gedifferentieerde kwaliteit » : product dat zich van standaardproducten onderscheidt doordat de productiewijze gedifferentieerd is (o.a. verbetering van de traceerbaarheid van het product, verbetering van het dierenwelzijn, verbetering van het leefmilieu, gegarandeerde traditionele specificiteit, G.T.S afgekort, o.a.) en/of doordat het eindproduct een kwalitatieve meerwaarde oplevert (meer bepaald de verbetering van de smaakkwaliteit) en/of doordat er een erkende geografisch identificatie aanwezig is (beschermde oorsprongbenaming, beschermde geografische aanduiding). Aan die definitie voldoen : - de geregistreerde producten in de zin van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen; - de geregistreerde producten in de zin van Verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de specificiteitscertificering voor landbouwproducten en levensmiddelen; - de producten uit de biolandbouw in de zin van Verordening (EG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen; - de producten die voldoen aan de minimumvereisten voor de « eieren van hennen met vrije uitloop » of de « scharreleieren » in de zin van Verordening (EG) nr. 2295/2003 van de Commissie van 23 december 2003 houdende bepalingen voor de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1907/90 van de Raad betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren; - de producten die voldoen aan de minimumvereisten voor de houderijsystemen « scharrel... - binnengehouden », « scharrel met uitloop », « boerenscharrel/hoeve met uitloop » of « boerenscharrel/hoeve met vrije uitloop » in de zin van Verordening (EEG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee; - de andere producten, verkregen overeenkomstig een productdossier dat voldoet aan de minimumvereisten bepaald door de Minister; 28°bis « Overname » : aankoop door een jonge landbouwer van het geheel of een gedeelte van een al bestaand landbouwbedrijf, die het voorwerp uitmaakt van een gedagtekende en ondertekende overeenkomst en die de datum van de inwerkingtreding van de overname bepaalt; laatstgenoemde overname mag niet eerder gebeurd zijn dan de datum van ondertekening van de overeenkomst; 29° « probleemgebieden » : de probleemgebieden zijn : a) de volgende landbouwgebieden, in hun geheel beschouwd : de Hoge Ardennen, de Famenne, de Venen, de Ardennen, de Jurassische regio;b) het gedeelte van het Luikse weidegebied dat bestaat uit : - - de fusiegemeenten Aywaille, Ferrières, Jalhay, Lierneux, Spa, Sprimont, Stavelot, Stoumont, Theux, Trois-Ponts, Vielsalm; - - de volgende grondgebieden : * het grondgebied van de gemeente Verviers dat vóór 1 januari 1977 de gemeenten Polleur en Theux toebehoorde; * het grondgebied van de gemeente Esneux dat vóór 1 januari 1977 de gemeente Dolembreux toebehoorde; * het grondgebied dat ten zuiden van de Vesder en van de gemeenten Baelen, Eupen en Raeren gelegen is; * voor de gemeente Comblain-au-Pont, het gedeelte van de gemeente dat tussen de Ourthe en de Amel gelegen is en het landbouwgebied van het gewestplan dat de deelgemeente Poulseur toebehoort; * voor de gemeente Esneux, de landbouwgebieden van het gewestplan Luik op de rechteroever van de Ourthe, die de deelgemeenten Esneux en Tilff toebehoren; * voor de gemeente Chaudfontaine, de landbouwgebieden van het gewestplan Luik die de deelgemeenten Beaufays en Chaudfontaine toebehoren; * voor de gemeente Trooz, de landbouwgebieden van het ontwerp van het gewestplan Luik die de deelgemeenten Trooz, Forêt, Nessonvaux en Fraipont toebehoren; * voor de gemeente Olne, het landbouwgebied van het ontwerp van het sectorplan Luik ten zuiden van een lijn die van het westen naar het oosten gevormd wordt door de beek « Saint-Hadelin », vervolgens de weg naar Olne via de « six chemins », en vanaf Olne de weg naar de intersectie van de gemeenten Xhendelesse en Soiron; * voor de gemeente Pepinster, de landbouwgebieden van het gewestplan Verviers die de deelgemeenten Soiron, Wegnez en Pepinster toebehoren; * voor de gemeente Verviers, de landbouwgebieden van het gewestplan Verviers die de deelgemeenten Lambermont, Ensival, Heusy, Stembert en Petit-Rechain toebehoren; * voor de gemeente Dison, de landbouwgebieden van het gewestplan Verviers die de deelgemeenten Dison en Andrimont toebehoren; * voor de gemeente Limbourg, de landbouwgebieden van het gewestplan Verviers die de deelgemeenten Limbourg, Goé en Bilstain bezuiden de weg naar Villers toebehoren; * voor de gemeente Baelen, de landbouwgebieden van het gewestplan Verviers bevattende het gedeelte van de secties Baelen en Membach ten zuiden van de weg Eupen-Limbourg en ten noorden daarvan, het landbouwgebied dat afgebakend is door de weg die de wijk « Au Calvaire » met Baelen (Houtem, Les Forges en Medal) verbindt; 30° « globaal jaarinkomen uit de beroepsactiviteit » : het bruto-belastbaar inkomen uit het geheel van de beroepsactiviteiten en de vervangingsinkomens van een landbouwbedrijfshoofd.Dat inkomen omvat meer bepaald : - de inkomsten uit activiteiten als werknemer in loonverband (arbeidsovereenkomst); - de inkomsten uit een activiteit uit een andere pensioenregeling opgericht krachtens een wet, een provinciereglement of door de nationale maatschappij der Belgische spoorwegen; - de inkomsten uit prestaties in het dag- of avondonderwijs; - de inkomsten als zelfstandige uit : a) de nettowinsten van landbouw-, industrie- of handelsondernemingen; voor een landbouwbedrijfshoofd stemt de « totale nettowinst » overeen met rubriek C van het berekeningsblad landbouwer als bijlage bij de aangifte personenbelasting of bij de belasting der niet-inwoners; b) bezoldigingen van bestuurders van in België gelegen kapitaal- en personenvennootschappen;c) inkomsten als actieve vennoot van in België gelegen personenvennootschappen; - de inkomsten als zelfstandig helper; - de pensioeninkomsten; - de vervangingsinkomsten zoals de sociale uitkeringen (werkloosheid of Z.I.V.-vergoedingen, de vergoedingen wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, de inkomsten wegens arbeidsonderbreking); 31° « landbouwsector » : geheel van de landbouwbedrijven, van de coöperatieve vennootschappen voor het gebruik van landbouwmateriaal, van de coöperatieve verwerkings- en afzetvennootschappen, van de voedergroeperingen, van de verenigingen en groeperingen van melkproducenten;32° « coöperatieve verwerkings- en afzetvennootschap » : de coöperatieve vennootschap die opgericht is overeenkomstig artikel 2, § 2, vierde streepje van het Wetboek van vennootschappen, die aan de volgende vereisten voldoet : a) haar doel moet voornamelijk gericht zijn op landbouw, tuinbouw of veeteelt en op de verbetering en rationalisatie van de behandeling, de verwerking of de afzet van landbouwproducten;b) de meerderheid der vennoten, met een minimum van drie, moeten landbouwers zijn;c) de statuten moeten bepalen dat elke vennoot op de algemene vergaderingen over minstens één stem beschikt en dat het aantal stemmen waarover een vennoot beschikt, beperkt wordt tot hoogstens één vijfde van de stemmen die aan de vertegenwoordigde deelbewijzen gekoppeld zijn;d) het jaarlijkse dividend mag niet hoger zijn dan het percentage dat door de Nationale raad voor de coöperatie vastgesteld is;33° « coöperatieve vereniging voor het gebruik van landbouwmateriaal » (« CVGL ») : de coöperatieve vereniging die opgericht is overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen, boek I, titel I, artikel 2, § 2, vierde streepje, en waarvan het maatschappelijk doel binnen het bedrijf van haar leden, hoofdzakelijk gericht moet zijn op het gemeenschappelijk gebruik van landbouwmateriaal dat noodzakelijk is voor landbouwactiviteit van haar leden.De meerderheid der leden van de CVGL, met een minimum van drie, moeten landbouwers zijn. De CVGL moet daarnaast voldoen aan de voorwaarden c en d, vernoemd in bovenstaand punt 32; 34 « voederoppervlakte » : voederoppervlakten zoals gecodificeerd in de toelichtingsnota van de oppervlakteaangifte die op het jaar van de aanvraag vigerend is en die door de Minister goedgekeurd is; 35 « berekeningscijfer » : cijfer dat dient voor de berekening van de hulp die toegekend is in de vorm van een rentetoelage en dat driemaandelijks bepaald wordt en voor de eerste keer voor het eerste kwartaal 2007; het is gelijk aan de gemiddelde waarde van de OLO-rentevoet op 10 jaar van het vorige kwartaal dat met 1 % verhoogd is; 36° « grootvee-eenheid (GVE) » : het aantal grootvee-eenheden wordt berekend door het aantal runderen, paarden, varkens, pluimvee, ooien of geiten te vermenigvuldigen met de volgende coëfficiënten : - stieren, koeien en andere runderen van meer dan twee jaar, paarden ouder dan zes maanden 1,0 G.V.E. - runderen tussen de zes maanden en twee jaar 0,6 G.V.E. - runderen van minder dan zes maanden 0,4 G.V.E. - schapen- en geiten 0,15 G.V.E. - fokvaarzen van meer dan 50 kg 0,5 G.V.E. - andere varkensachtigen 0,3 G.V.E. - Legkippen 0,014 G.V.E. - ander pluimvee 0,003 G.V.E. 37° « productie-eenheid » : het geheel van de functioneel samenhangende productiemiddelen die uitsluitend door de landbouwer zelf worden gebruikt, met inbegrip van de gebouwen, de opslaginfrastructuren, de gekweekte dieren, de gronden en de voedervoorraden die nodig zijn om één of meerdere landbouwspeculaties uit te voeren;38° « arbeidseenheid », afgekort « AE »;de fractie van 1800 uur per arbeidsjaar gewerkt door elke persoon die in een landbouwbedrijf werkzaam is en die aangesloten is bij het sociaal statuut van zelfstandige landbouwbedrijfshoofd ofwel als landbouwer ofwel als meewerkende; deze fractie wordt bepaald op grond van het attest van de kas voor sociale verzekeringen; ze mag niet hoger zijn dan 1 eenheid per persoon en mag niet 0,5 eenheid overschrijden als de persoon meer dan 1 170 uur werkt in beroepsactiviteiten buiten het bedrijf; 39° « landelijke vrije zone » : de zone die deel uitmaakt van die welke vastgesteld zijn overeenkomstig artikel 38 van het programmadecreet van 23 februari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten6 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië ». HOOFDSTUK II. - Voorwaarden voor het in aanmerking komen Art. 2.Om voor investeringssteun in aanmerking te komen, getuigt het landbouwbedrijfshoofd van voldoende beroepskwalificatie als hij aan één van de volgende voorwaarden voldoet : 1° houder zijn van minstens één van de volgende onderwijsdiploma's : a) hoger onderwijs, van het korte of lange type bij een landbouw-, tuinbouw- of een onder sector 1 vallende afdeling;b) master bioingenieur of landbouwkundig ingenieur of van ingenieur voor de scheikunde en de landbouwindustrieën;c) ingenieur voor de scheikunde en de bionijverheden of van doctor in de diergeneeskunde;d) in het bezit zijn van het diploma of het door een Staatsjury gehomologeerd of uitgereikt getuigschrift van het hoger secundair onderwijs, of van het kwalificatiegetuigschrift van het 6e jaar van het secundair onderwijs bij een landbouw-, tuinbouw- of aanverwante afdeling;of 2° twee jaar praktijkervaring aantonen na het verkrijgen van minstens één van de andere door een staatsjury gehomologeerde of uitgereikte diploma's dan bovenbedoeld van het hoger secundair onderwijs, het hoger onderwijs van het korte of het lange type of van het universitaire onderwijs of na het verkrijgen van een kwalificatiediploma of getuigschrift uitgereikt na minstens vier jaar secundair onderwijs bij een landbouw- of tuinbouwonderafdeling of daaraan verwant;of 3° getuigen van drie jaar praktijkervaring na het verkrijgen van een getuigschrift van postschoolse landbouwopleiding van het type B of in het bezit zijn van het door de Duitstalige Gemeenschap uitgereikte opleidingsgetuigschrift voor landbouwers;of 4° getuigen van minstens 5 jaar praktijkervaring. Onverminderd de naleving van de verplichting tot praktijkervaring bepaald bij dit besluit worden de gelijkwaardige diploma's of getuigschriften, uitgereikt door een andere staat, lidstaat van de Europese Unie, aanvaard voor de toegang tot investeringssteun. Art. 3.§ 1. Om voor steun bij de eerste vestiging in aanmerking te komen, getuigt de aanvrager van voldoende beroepskwalificatie als hij aan één van de volgende voorwaarden voldoet : 1° houder zijn van het diploma van het hoger onderwijs van het korte of lange type met de oriëntatie landbouw of tuinbouw of dat behoort tot sector 1, of een diploma master bioingenieur of landbouwkundig ingenieur of van ingenieur voor de scheikunde en de landbouwindustrieën of ingenieur voor de scheikunde en de bionijverheden of van doctor in de diergeneeskunde;2° houder zijn van een diploma of een door een Staatsjury gehomologeerd of uitgereikt getuigschrift van het hoger secundair onderwijs van een landbouw-, tuinbouw of onder sector 1 vallende onderafdeling, of van het kwalificatiegetuigschrift van het 6e jaar van het desbetreffende secundair onderwijs;3° minstens twee jaar praktijkervaring hebben en houder zijn van één van de andere diploma's dan bovenbedoelde van het hoger onderwijs van het korte of het lange type, van het universitair onderwijs of van één van de titels die gelijkwaardig zijn aan één van die diploma's en een getuigschrift van postschoolse landbouwopleiding van het type B of het door de Duitstalige Gemeenschap uitgereikte opleidingsgetuigschrift voor landbouwers;4° minstens twee jaar praktijkervaring bezitten en houder zijn van één van de andere diploma's of getuigschriften dan bovenbedoeld, gehomologeerd of uitgereikt door een Staatsjury van het hoger secundair onderwijs of een kwalificatiegetuigschrift uitgereikt na minstens vier jaar secundair onderwijs bij een land- of tuinbouwonderafdeling of daaraan verwant, ofwel een titel bezitten die gelijkwaardig is aan één van bovenvermelde diploma's of getuigschriften of een studiegetuigschrift van een postschoolse landbouwopleiding van het type B of het getuigschrift van opleiding tot landbouwbedrijfshoofd uitgereikt door de Duitstalige Gemeenschap;5° getuigen van minstens 3 jaar praktijkervaring en houder zijn van : a) een getuigschrift van postschoolse landbouwopleiding van het type B;b) ofwel een getuigschrift van een beroepsopleidingsrichting na een programma van minstens 150 uur, c) ofwel het door de Duitse Gemeenschap uitgereikte getuigschrift voor landbouwersopleiding. Onverminderd de naleving van de verplichting tot praktijkervaring bepaald bij dit besluit worden de gelijkwaardige diploma's of getuigschriften, erkend door een andere staat, lidstaat van de Europese Unie, aanvaard voor de toegang tot de eerste vestiging. § 2. Als hij de in de vorige paragraaf bedoelde beroepservaring niet kan aantonen aan de hand van de aansluitingsperiodes bij een sociale verzekeringskas, kan de aanvrager laten weten dat hij over een voldoende expertise beschikt. Om van deze voldoende expertise te getuigen, dient de aanvrager een met redenen omklede aanvraag in bij het Comité voor de installatie van jonge landbouwers. Binnen dertig werkdagen na ontvangst van deze aanvraag hoort laatstgenoemd Comité de aanvrager en spreekt zich uit over de voldoende aard van de expertise van de aanvrager met inachtneming van het betrokken type exploitatie. Art. 4.§ 1. Enkel de investeringen verricht in de in het Waalse Gewest gelegen productie-eenheden kunnen recht geven op steun bepaald in dit besluit. Het landbouwbedrijfshoofd moet een briefwisselingadres in het Waalse Gewest hebben. Om in aanmerking te komen voor één van de steunregelingen die bedoeld worden in de hoofdstukken I en II van Titel II, moet het landbouwbedrijfshoofd een bedrijfseconomische boekhouding voeren onder toezicht van een door de Minister erkende natuurlijke of rechtspersoon. Deze boekhouding omvat : 1° de opstelling van een jaarlijkse begin- en eindinventaris;2° de systematische en regelmatige registratie van de verschillende goederen- en geldstromen betreffende het bedrijf in de loop van het boekjaar. De jaarlijkse opstelling omvat : 1° een omschrijving van de algemene bedrijfskenmerken, met name van de gebruikte productiefactoren;2° een omstandige balans (activa en passiva) en een omstandige bedrijfsrekening (kosten en opbrengsten);3° de nodige gegevens ter beoordeling van de doeltreffendheid van de bedrijfsvoering in haar geheel, alsmede ter beoordeling van de rentabiliteit van de belangrijkste bedrijfsonderdelen. De Minister kan de voorstellingsvorm van die documenten bepalen. Deze boekhouding wordt gehouden gedurende de hele duur van de steun met een minimum van vijf jaar. § 2. In afwijking van de vorige paragraaf wordt voor de tuinbouwbedrijven elke andere vorm van boekhouding aanvaard. § 3. De CVGL's en voedergroeperingen moeten een gesimplificeerde boekhouding voorstellen in de door de Minister bepaalde vorm. HOOFDSTUK III. - Indiening en behandeling van de investeringsplannen en van de aanvragen beperkt tot een enige investering Art. 5.§ 1. Elk investeringsplan of elke aanvraag beperkt tot een enige investering wordt door de aanvrager per schrijven ingediend bij het bestuur volgens de door de Minister bepaalde voorstelling. Er wordt eveneens een elektronisch afschrift ingediend. Aan de hand van een bericht van ontvangst, opgestuurd binnen de tien werkdagen, wordt aan de aanvrager kennis gegeven van het feit dat het dossier volledig is of, in tegenovergesteld geval, dat er stukken ontbreken. § 2. Het bestuur kan van de aanvrager eisen dat hij zijn plan voorstelt of verdedigt. De aanvrager mag er bijgestaan worden door zijn adviseur. § 3. Als het bestuur bij de behandeling van het dossier meent dat het aanvullende stukken of gegevens moet opvragen bij de aanvrager, wordt laatstgenoemde daarover per schrijven ingelicht. Deze aanvraag schorst de behandeling van het dossier. § 3bis. Wanneer het dossier van de aanvrager als onvolledig is beschouwd of wanneer het bestuur verlangd heeft dat de aanvrager overeenkomstig de vorige paragraaf zijn dossier aanvult, wordt een nieuw bericht van ontvangst overgemaakt aan de aanvrager wanneer zijn dossier als volledig wordt beschouwd. § 4. Binnen een termijn van zes maanden na de kennisgeving van het bericht van ontvangst van het volledige dossier wordt het investeringsplan over drie jaar of de aanvraag beperkt tot een enige investering door de Directeur-generaal volledig, gedeeltelijk of voorwaardelijk goedgekeurd of geweigerd. De beslissing van de Directeur-generaal wordt met redenen omkleed en, in geval van weigering, of gedeeltelijke of voorwaardelijke goedkeuring, vermeldt in extenso de inhoud van paragraaf 5. § 5. De aanvrager kan binnen twee maanden na ontvangst van de beslissing van de Directeur-generaal een aanvraag tot herziening van de beslissing indienen bij de Minister. Deze aanvraag wordt aan het Bestuur gericht. In de herzieningsaanvraag kan de aanvrager erom verzoeken door de Minister of door zijn vertegenwoordiger te worden gehoord. § 6. De kennisgeving dat het investeringsplan over drie jaar of de aanvraag beperkt tot een enige investering door de bevoegde overheid is aanvaard maakt gewag van de waarde en de aard van de gesteunde investeringen en, per investering, van het bedrag, de vorm van de steun, het tijdschema voor de uitvoering ervan, de opvolgingsindicatoren en de stukken die als investeringsbewijs voorgelegd dienen te worden. Art. 6.Artikel 5 is van toepassing op alle steunaanvragen bedoeld in hoofstuk I van titel II. Titel 2. - Investeringssteun en steun bij de vestiging in de landbouwsector HOOFDSTUK I. - Steun voor investeringen in de landbouwsector : het investeringsplan Afdeling 1. - Landbouwbedrijfshoofden Art. 7.§ 1. Voor investeringssteun in de landbouwbedrijven (ook « steun » genoemd) kan in aanmerking komen, het landbouwbedrijfshoofd dat : 1° minstens twintig jaar oud is op de datum van de eerste betaling van de steun behalve in geval van overmacht zoals bedoeld in artikel 96, a) en b) ;2° de voldoende beroepskwalificatie zoals bedoeld in artikel 2° aantoont;3° volgens het door de Minister bepaalde model de boekhoudinggegevens overmaakt, waarbij de levensvatbaarheid van het bedrijf en de impact van de investeringen op die levensvatbaarheid kunnen worden beoordeeld;de levensvatbaarheid wordt bewezen wanneer het aan het bedrijf gebonden inkomen minstens gelijk is aan 7.500 euro per 0,5 arbeidseenheid aan het einde van het investeringsplan; 4° uit zijn landbouwbedrijf dat ten grondslag ligt aan het investeringsplan, een inkomen per arbeidseenheid vergaart kleiner dan 40.000 euro; 5° bewijst dat het bedrijf dat in aanmerking zal komen voor de investeringssteunen, de normen naleeft die bepaald zijn bij de regelgeving inzake de opslagcapaciteit van dierlijke mest en, zoniet, zich ertoe verbindt over te gaan tot het in overeenstemming brengen en de normering van zijn opslagcapaciteiten van dierlijke mest;6° bewijst dat hij zijn activiteit al dan niet hoofdzakelijk uitoefent sinds minstens drie jaar op de datum van de indiening van zijn aanvraag tenzij hij de in artikel 22 bedoelde steun bij de vestiging geniet. § 2. Om voor steun in aanmerking te komen, dient de aanvrager voor zijn bedrijf een investeringsplan over drie jaar op te stellen, eveneens « plan » genoemd. Dat plan beantwoordt aan de volgende eisen : 1° het verschaft een volledig inzicht in de beginsituatie van het bedrijf, evenals in de specifieke doelstellingen die bepaald worden met het oog op de verwezenlijking van zijn activiteiten;2° het stelt alle voorziene investeringen voor - ongeacht of ze voor steun in aanmerking komen -, en toont hun samenhang met de doelstellingen van het bedrijf en hun economische, leefmilieu- en technische relevantie;3° het stelt de lasten en opbrengsten voor die zij teweegbrengen ten opzichte van de gegevens van de bedrijfseconomische boekhouding bedoeld in artikel 4, of beschikbaar of nog uit te werken. § 2bis. Er wordt geen enkele investering uitgevoerd of aangevat vóór de datum van aanneming van het plan door de bevoegde overheid, behalve in geval van overmacht en buitengewone omstandigheden vallend onder artikel 96 en voor zover de investering nodig is voor de voortzetting van de exploitatie. § 3. De Minister bepaalt de inhoud van het plan. Het investeringsplan over drie jaar wordt opgesteld door enkel het landbouwbedrijfshoofd of met de bijstand van een adviseur. In dat laatste geval moet de adviseur het plan medeondertekenen. § 4. Eenzelfde bedrijf mag niet tegelijk in meerdere investeringsplannen opgenomen worden. Hetzelfde landbouwbedrijfshoofd kan al dan niet tegelijkertijd en al dan niet onder bescherming van twee nummers van verschillende producenten meer dan één steunregeling vragen voor de verrichting van een investeringsplan of van een aanvraag beperkt tot één enige investering. steun voor de verrichting van een investeringsplan mag niet tegelijkertijd toegekend worden aan een landbouwbedrijfshoofd-natuurlijke persoon, en aan de rechtspersoon waarvan laatstgenoemd landbouwbedrijfshoofd-natuurlijke persoon afgevaardigd bestuurder, beheerder of vennoot of één onder hen is. § 5. De in het plan of in de aanvraag bedoelde investering(en) leeft (leven) de gemeenschappelijke normen na die erop toepasselijk zijn. § 6. De toekenning van steun aangevraagd door de andere verenigingen en groeperingen dan de verenigingen en groeperingen van melkproducenten is onderworpen aan de volgende voorwaarden : 1° alle leden van de vereniging ondertekenen de steunaanvraag;2° de vereniging leeft de voorwaarden na die toepasselijk zijn op de landbouwbedrijfshoofden;de in § 1, tweede lid, bedoelde voorwaarden worden geacht aanvaard te zijn als minstens 50 % van de personen uit wie de vereniging bestaat, ze vervullen; 3° de in artikel 15, 1°, bedoelde verhoging wordt toegepast voor zover het landbouwbedrijfshoofd persoonlijk in aanmerking komend is. Art. 8.§ 1. Bij de verwezenlijking van het investeringsplan over drie jaar waarvan de aanvaarding door de bevoegde overheid is medegedeeld, hierna « het goedgekeurde plan » genoemd, zijn de volgende regels van toepassing. § 2. Enkel de investeringen opgenomen in het plan goedgekeurd onder de voorwaarden bedoeld in laatstgenoemd plan of met inachtneming van aanpassingen die eerst goedgekeurd zijn door de bevoegde overheid, komen voor steun in aanmerking. § 3. Voor de investeringen die een landbouwbedrijfshoofd uitvoert overeenkomstig de voorwaarden van dat goedgekeurde plan, kan de uitbetaling van de steun slechts verzekerd worden op basis van de voorlegging, in de door Minister bepaalde vormen, van het verantwoordingsstuk van de investering. De uitbetaling van de steun wordt verzekerd zolang het landbouwbedrijfshoofd aan de voorwaarden voor het in aanmerking komen voldoet. § 4. De in het plan bedoelde investeringen moeten verricht worden of minstens begonnen zijn binnen zes maanden na het jaar waarvoor ze gepland zijn. Enkel het jaartal wordt vereist als geplande verrichtingsdatum. Er wordt een prijsschommeling aanvaard van min of meer 20 % tegenover de kostprijs van de investering bepaald in het goedgekeurde plan met inachtneming van het algemene maximumbedrag van de steun bepaald in artikel 18, § 1. Het steunbedrag wordt dienovereenkomstig aangepast. Het totaal van de steun die daadwerkelijk is toegekend tijdens de duur van het plan mag evenwel het totale steunbedrag dat de bevoegde overheid bij aanvaarding van het plan heeft medegedeeld, niet overschrijden. Het landbouwbedrijfshoofd heeft de plicht om aan de bevoegde overheid een aanpassing te vragen van het totale steunbedrag dat hem voorafgaandelijk wordt toegekend voor een investering waarbij het oorspronkelijk door de bevoegde overheid medegedeelde steunbedrag overschreden wordt. De aldus doorgevoerde aanpassingen mogen de voor het goedgekeurde plan vastgelegde doelstellingen en richtsnoeren niet onzeker maken. § 5. Boven de in § 4 bedoelde toegestane afwijking dient voor elke aanpassing van het goedgekeurde plan met betrekking tot de waarde, de aard van de investering of het tijdschema voor de uitvoering ervan, een aanvraag bij het bestuur worden ingediend bij aangetekend schrijven. Voor zover de doorgevoerde aanpassingen de doelstellingen en de richtsnoeren, opgenomen in het plan, niet onzeker maken en niet leiden tot een overschrijding van het totale steunbedrag, medegedeeld door de bevoegde overheid, beschikt het bestuur over 20 werkdagen om op de aanvraag in te gaan. Zijn er aanpassingen waarbij het totale steunbedrag in één of meerdere keren overschreden wordt dat de bevoegde overheid bij aanvaarding van het plan heeft medegedeeld, wordt dat totaalbedrag door de bevoegde overheid aangepast met inachtneming van het maximumbedrag bepaald in artikel 18, § 1. De aanpassingsaanvragen die enkel betrekking hebben op het afzien van één of meerdere investeringen waarvan sprake in het goedgekeurde plan kunnen te allen tijde worden ingediend. In alle andere gevallen kan een steungerechtigde slechts drie keer per jaar tijdens de duur van het plan aanpassingsaanvragen indienen. Zij mogen enkel betrekking hebben op de investeringen waarvan de voorziene uitvoeringsdatum niet overschreden wordt. Ze mogen de voor het goedgekeurde plan vastgelegde doelstellingen en richtsnoeren niet onzeker maken en moeten de relevantie en de coherentie van het goedgekeurde plan versterken. Elke wijziging door afschaffing of toevoeging moet met redenen omkleed zijn en om technische, economische of sociale redenen gerechtvaardigd worden door een geval van overmacht of door buitengewone omstandigheden. Hetzelfde geldt voor een aanvraag tot verlenging van het plan met maximum twee jaar. De verhoging van de steun bedoeld bij artikel 15, § 3, wordt tenietgedaan indien een aanvraag tot aanpassing van een plan dat oorspronkelijk ingediend wordt met de bijstand van een adviseur, zonder diens bijstand wordt ingediend. Het verlies van de verhoging geldt met terugwerkende kracht voor de gehele duur van het plan en voor alle investeringen die in het plan voorzien zijn. § 6. Behalve in de gevallen van overmacht of van buitengewone omstandigheden vallend onder artikel 96, in gevallen van vereniging van landbouwbedrijven zoals bedoeld in artikel 21 of bij buitengewone kansen, erkend door de Minister, mag een investeringsplan niet onderbroken worden in de twee jaar volgend op de datum van goedkeuring ervan door de Minister. Een nieuw plan, ingediend door een landbouwer, alleen of in vereniging, binnen de twee maanden volgend op de toegelaten vroegtijdige onderbreking van het (de) goedgekeurde plan(nen) krijgt een voorrangsbehandeling. § 7. Het staat een steungerechtigde vrij een investering die in zijn goedgekeurde plan voorzien is, niet uit te voeren. Overeenkomstig artikel 4 dient hij er het bestuur over in te lichten en de helft van het steunbedrag waarvan hij vrijwillig afziet, wordt afgetrokken van het totale maximumsteunbedrag bepaald i …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.