Wet tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aa
Kort samengevat
Deze wet wijzigt delen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten, en de invoering van een evaluatiesysteem. Het doel is om de organisatie en werking van de rechterlijke macht te moderniseren en te verbeteren.
Wat het regelt
- De definitie van verschillende soorten benoemingen, korpschefs, adjunct-mandaten en bijzondere mandaten binnen de rechterlijke macht.
- De procedures voor de vervanging en aanwijzing van rechters, zoals onderzoeksrechters, beslagrechters en jeugdrechters.
- De organisatie van werkzaamheden en de verdeling van zaken binnen rechtbanken en hoven.
- De samenstelling en taken van het openbaar ministerie op verschillende niveaus.
Wie het betreft
- Magistraten, waaronder vrederechters, rechters, substituut-procureurs, raadsheren en advocaten-generaal.
- Korpschefs, zoals voorzitters van rechtbanken en procureurs-generaal.
Kernpunten
- Een werkend rechter kan een onderzoeksrechter, beslagrechter of jeugdrechter vervangen bij verhindering.
- De voorzitter van de rechtbank kan een werkend rechter aanwijzen voor deze ambten voor maximaal één jaar, tweemaal hernieuwbaar, indien de dienstbehoeften dit rechtvaardigen.
- Om als onderzoeksrechter te worden aangewezen, moet de werkende rechter een specifieke opleiding hebben gevolgd.
- De voorzitter van de rechtbank is verantwoordelijk voor de organisatie van de werkzaamheden en de verdeling van zaken.
Wettekst
Wet tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot
voering van een evaluatiesysteem
artikel 77 van de Grondwet. HOOFDSTUK II. - Wijzigingen
het Gerechtelijk Wetboek Art. 2.
deel II, boek I, van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 58bis
gevoegd, luidende : « Art. 58bis.
dit wetboek wordt verstaan onder : 1° benoemingen : de benoeming tot vrederechter, rechter
de politierechtbank, toegevoegd vrederechter, toegevoegd rechter
de politierechtbank, plaatsvervangend rechter
een vredegerecht of
een politierechtbank, rechter en toegevoegd rechter
de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, plaatsvervangend rechter, substituut-procureur des Konings, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd
fiscale aangelegenheden, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd
handelszaken, toegevoegd substituut-procureur des Konings, substituut-arbeidsauditeur en toegevoegd substituut-arbeidsauditeur, substituut-krijgsauditeur, raadsheer
het hof van beroep en
het arbeidshof, plaatsvervangend raadsheer
het hof van beroep bedoeld
artikel 207bis, § 1, substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep, substituut-generaal bij het arbeidshof, substituut-auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof, raadsheer
het Hof van Cassatie en advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie;2° korpschef : de titularis van de mandaten van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, procureur des Konings, arbeidsauditeur, krijgsauditeur, eerste voorzitter van het hof van beroep en van het arbeidshof en voorzitter van het Militair Gerechtshof, procureur-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof, auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof, federale procureur-generaal, eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, procureur-generaal bij het Hof van Cassatie;3° adjunct-mandaat : de mandaten van ondervoorzitter
de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, eerste substituut-procureur des Konings, eerste substituut-arbeidsauditeur, eerste substituut-krijgsauditeur, kamervoorzitter
het hof van beroep en
het arbeidshof, eerste advocaat-generaal en advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof, eerste advocaat-generaal en advocaat-generaal bij het Militair Gerechtshof, voorzitter en afdelingsvoorzitter
het Hof van Cassatie en eerste advocaat- generaal bij het Hof van Cassatie;4° bijzonder mandaat : de mandaten van onderzoeksrechter, rechter
de jeugdrechtbank, beslagrechter, jeugdrechter
hoger beroep, bijstandsmagistraat en federaal magistraat.» Art. 3.
artikel 79 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991, 21 januari 1997 en 10 maart 1997 worden het tweede, het derde en het vierde lid opgeheven. Art. 4.Artikel 80 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991 en 10 maart 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 80.Bij verhindering van een onderzoeksrechter, een beslagrechter of een rechter
de jeugdrechtbank, wijst de voorzitter van de rechtbank een werkend rechter aan om hem te vervangen. Bovendien kan de voorzitter van de rechtbank,
dien de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, bij wijze van uitzondering en na het advies van de procureur des Konings te hebben
gewonnen, een werkend rechter aanwijzen om de voornoemde ambten gedurende een termijn van ten hoogste een jaar waar te nemen, die tweemaal kan worden hernieuwd. Om te kunnen worden aangewezen als onderzoeksrechter, moet de werkende rechter de opleiding hebben gevolgd, bedoeld
artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid. De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt; voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die
beraad zijn bij de rechter
de jeugdrechtbank of de beslagrechter, blijft de opdracht gelden tot aan het eindvonnis. » Art. 5.
artikel 90 van hetzelfde Wetboek wordt voor het enige lid een nieuwlid
gevoegd, luidend als volgt : « De voorzitter is belast met de organisatie van de werkzaamheden en de verdeling van de zaken overeenkomstig het reglement van de rechtbank. Hij kan een of meer ondervoorzitters aanwijzen om hem bij te staan. » Art. 6.
artikel 100 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1970, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De rechters
en de substituten bij de rechtbanken van eerste aanleg kunnen, al naargelang het geval, gelijktijdig benoemd worden
of bij verschillende rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep.»; 2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Het eerste lid is eveneens van toepassing
de arbeidsrechtbanken, voor de rechters en de substituten-arbeidsauditeur, alsmede
de rechtbanken van koophandel voor de rechters.» Art. 7.
artikel 101 van hetzelfde Wetboek worden het derde, het vierde en het vijfde lid,
gevoegd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten, opgeheven. Art. 8.
artikel 106 van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wetten van 19 juli 1985 en 1 december 1994, wordt het vierde lid vervangen door de volgende bepaling : « De reglementen van het hof van beroep en van het arbeidshof gevestigd te Luik bepalen welke kamers kennis nemen van zaken
het Duits alsook hun samenstelling. » Art. 9.
artikel 106bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
gevoegd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten, wordt de laatste volzin vervangen als volgt : « Na beraadslaging door de Wetgevende Kamers over de verslagen van de eerste voorzitter, zoals bedoeld
artikel 112, eerste lid, kan de duur door de Koning worden verlengd wanneer de noodzaak daartoe blijkt. » Art. 10.Artikel 109, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De eerste voorzitter is belast met de organisatie van de werkzaamheden en de verdeling van de zaken overeenkomstig het reglement van het hof. Hij kan een of meer kamervoorzitters aanwijzen om hem bij te staan. » Art. 11.Artikel 112 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 112.De eerste voorzitter is belast met het opmaken van een activiteitenverslag. Dit activiteitenverslag dient onder meer na te gaan wat het effect is van de maatregelen die zijn genomen om de gerechtelijke achterstand weg te werken. Dit verslag wordt meegedeeld aan de Minister van Justitie, die het aan de Wetgevende Kamers overzendt. Behoudens andersluidende bepalingen zit de eerste voorzitter de verenigde kamers en de plechtige zittingen voor. Hij houdt volgens de behoeften van de dienst zitting
de gewone kamers
welk geval hij deze voorzit. » Art. 12.
artikel 121, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden
het eerste lid de woorden « oudstbenoemde ondervoorzitters en rechters » vervangen door de woorden « oudste ondervoorzitters en rechters
rang ». Art. 13.
artikel 129 van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid, toegevoegd bij de wet van 3 januari 1980 vervangen door de volgende bepaling : « Onder de raadsheren worden vier afdelingsvoorzitters aangewezen. » Art. 14.De artikelen 136bis en 136ter van hetzelfde Wetboek,
gevoegd bij de wet van 6 mei 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1997 pub. 25/06/1997 numac 1997009448 bron ministerie van justitie Wet strekkende tot de bespoediging van de procedure voor het Hof van Cassatie sluiten, worden opgeheven. Art. 15.
artikel 142 van hetzelfde Wetboek worden het tweede en het derde lid vervangen door de volgende bepaling : « De procureur-generaal wordt bijgestaan door een eerste advocaat-generaal en door advocaten-generaal, die onder zijn toezicht en leiding hun ambt uitoefenen. » Art. 16.Artikel 144 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 144.De procureur-generaal bij het hof van beroep wordt bijgestaan door een eerste advocaat-generaal, advocaten-generaal en substituut-procureurs-generaal, die onder zijn toezicht en leiding hun ambt uitoefenen. » Art. 17.
artikel 144bis van hetzelfde Wetboek,
gevoegd bij de wet van 4 maart 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2 wordt opgeheven;2° § 3 wordt § 2. Art. 18.Artikel 145 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij wet van 7 juli 1975, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 145.Er is een arbeidsauditoraat-generaal bij ieder arbeidshof. Dit bestaat uit een eerste advocaat-generaal, een of meer advocaten-generaal en een of meer substituten-generaal die er, onder het toezicht en de leiding van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uitoefenen. » Art. 19.
artikel 151 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1986, 28 december 1990 en 17 juli 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De procureur des Konings wordt bijgestaan door een of meer substituten waarvan een of meer gespecialiseerd zijn
handelszaken. Hij kan worden bijgestaan door een of meer substituten gespecialiseerd
fiscale aangelegenheden en door een of meer toegevoegde substituten aan wie opdracht is gegeven overeenkomstig artikel 326, eerste lid. Zij staan onder zijn toezicht en leiding. »; 2° het derde lid wordt opgeheven;3° het laatste lid wordt opgeheven. Art. 20.
artikel 153 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1990, wordt het laatste lid opgeheven. Art. 21.
het artikel 156bis van hetzelfde Wetboek,
gevoegd bij de wet van 17 juli 1984 en gewijzigd bij de wet van 10 februari 1998, worden
het eerste lid tussen de woorden « leeftijd » en « op rust » de woorden « overeenkomstig artikel 383, § 1 »
gevoegd. Art. 22.
deel II, boek I, titel VI, wordt onder hoofdstuk I van hetzelfde Wetboek een artikel 186bis
gevoegd, luidende : « Art. 186bis.Voor de toepassing van deze titel : - treedt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op als korpschef van de vrederechters en de rechters
de politierechtbank van zijn gerechtelijk arrondissement; - zijn voor de berekening van de termijnen de bepalingen van de artikelen 50, eerste lid, 52, eerste lid, 53 en 54 van toepassing. » Art. 23.
artikel 187 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991 en 6 mei 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
§ 1
worden de woorden « artikel 259bis » vervangen door de woorden « artikel 259bis-9, § 1 » en de woorden « artikel 259quater », vervangen door de woorden « artikel 259octies »;2°
§ 2
, eerste lid, word het 1° aangevuld als volgt : « of gedurende twaalf jaar juridische functies hebben uitgeoefend, waarvan ten minste drie jaar
een gerechtelijk ambt.»; 3°
§ 2
, eerste lid, wordt het 3° opgeheven;4°
§ 2
, derde lid, worden de woorden « bedoeld
het 1°, 2° en 3° van deze paragraaf » vervangen door de woorden « bedoeld
het 1° en 2° van deze paragraaf ». Art. 24.Artikel 189 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991 en 6 mei 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 189.§
- Om tot voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel te worden aangewezen moet de kandidaat : 1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;2° hetzij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen. §
- Om tot ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van rechter
hetzelfde rechtscollege uitoefenen. » Art. 25.Artikel 190 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en
lichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten, wordt opgeheven. Art. 26.
artikel 191 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991, 1 december 1994, 6 mei 1997 en 10 februari 1998, dat artikel 190 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
§ 1
worden de woorden « artikel 259bis » vervangen door de woorden « artikel 259bis-9, § 1 » en de woorden « artikel 259quater, § 2 » vervangen door de woorden « artikel 259octies, § 2 »;2°
§ 2
, 3°, worden de woorden « een juridisch ambt hebben vervuld
een openbare of private dienst » vervangen door de woorden « juridische functies hebben uitgeoefend
een openbare of private dienst ». Art. 27.
artikel 191bis van hetzelfde Wetboek,
gevoegd hij de wetten van 1 december 1994 en 10 februari 1998, dat artikel 191 wordt, worden de woorden « artikel 259quater, § 3 » vervangen door de woorden « artikel 259octies, § 3 ». Art. 28.Artikel 193 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en
lichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 193.§
- Om tot procureur des Konings of tot arbeidsauditeur te worden aangewezen, moet de kandidaat : 1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;2° hetzij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen. §
- Om tot eerste substituut-procureur des Konings of eerste substituut-arbeidsauditeur te worden aangewezen moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van substituut-procureur des Konings of substituut-arbeidsauditeur bij hetzelfde rechtscollege uitoefenen. » Art. 29.
artikel 194 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991, 1 december 1994 en 6 mei 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 1.Om tot substituut-procureur des Konings, toegevoegd substituut-procureur des Konings, substituut-arbeidsauditeur of toegevoegd substituut-arbeidsauditeur te worden benoemd moet de kandidaat doctor of licentiaat
de rechten zijn en voor het bij artikel 259bis-9, § 1, voorgeschreven examen
zake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt. »; 2°
§ 2
, 1°, worden de woorden « een juridisch ambt hebben vervuld
een openbare of private dienst » vervangen door de woorden « juridische functies hebben uitgeoefend
een openbare of private dienst »;3°
§ 4
worden
het eerste lid de woorden « een
§ 2
, 1°, bedoeld juridisch ambt hebben vervuld voor zover dit een ambt
fiscale zaken betreft » vervangen door de woorden « juridische functies bedoeld
§ 2
, 1°, hebben vervuld, voor zover het voor fiscale zaken relevante functies betreft ». Art. 30.Artikel 196 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 16 juli 1993 en 17 januari 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 196.
de rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden elf titularissen van het mandaat van ondervoorzitter aangewezen door de Franse taalgroep van de algemene vergadering en negen titularissen door de Nederlandse taalgroep van de algemene vergadering als de voorzitter Franstalig is.
de rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden twaalf titularissen van het mandaat van ondervoorzitter aangewezen door de Franse taalgroep van de algemene vergadering en acht titularissen door de Nederlandse taalgroep van de algemene vergadering als de voorzitter Nederlandstalig is. Wanneer
de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de aanwijzing van een voorzitter leidt tot de wijziging
de verhouding van het aantal adjunct-mandaten per taalrol, blijft een titularis van een adjunct-mandaat
overtal tot aan de eerste nuttige vacature. ». Art. 31.
artikel 197 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « door de Koning benoemd » vervangen door de woorden « , al naar gelang, door de Koning benoemd of aangewezen ». Art. 32.
artikel 203 van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid aangevuld met woorden « , overeenkomstig artikel 287, eerste lid ». Art. 33.Artikel 207 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en
lichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 207.§
- Om tot eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste zeven jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie. §
- Om tot kamervoorzitter
het hof van beroep of
het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van raadsheer
hetzelfde hof uitoefenen. § 3. Om tot raadsheer
het hof van beroep of
het arbeidshof te worden benoemd moet de kandidaat doctor of licentiaat
de rechten zijn en : 1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;2° hetzij voor het bij artikel 259bis-9, § 1, voorgeschreven examen
zake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn en sedert ten minste vijftien jaar ononderbroken werkzaam zijn als advocaat;3° hetzij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of van het openbaar ministerie uitoefenen.» Art. 34.Paragraaf 3 van artikel 207bis van hetzelfde Wetboek,
gevoegd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten, wordt opgeheven. Art. 35.Artikel 208 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en
lichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 208.Om tot procureur-generaal bij het hof van beroep of federale procureur-generaal bij het federaal parket te worden aangewezen moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste zeven jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie. » Art. 36.Artikel 209 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en
lichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art
- §
- Om tot eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat gedurende ten minste drie jaar de functie van advocaat-generaal respectievelijk bij hetzelfde hof van beroep of bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend. Om tot advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar respectievelijk het ambt van substituut-procureur-generaal bij hetzelfde hof van beroep of substituut-generaal bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend. §
- Om tot substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep of substituut-generaal bij het arbeidshof te worden benoemd moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden bedoeld
artikel 207, § 3. » Art. 37.Artikel 210 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 210.De voorzitter en de raadsheren die alleen zitting houden
de gevallen bedoeld
artikel 109bis, § 1, 2° en 3°, en § 2, worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep, op schriftelijk en met redenen omkleed advies van de procureur-generaal, gekozen uit de raadsheren die sedert ten minste drie jaar zijn benoemd en, bij gebreke daarvan, uit de raadsheren die sedert ten minste een jaar zijn benoemd. De magistraten bedoeld
het vorige lid en de jeugdrechter
hoger beroep kunnen ook volgens hun rang zitting nemen
de andere kamers van het hof. » Art. 38.Worden opgeheven
hetzelfde Wetboek : 1° artikel 210bis,
gevoegd bij de wet van 19 juli 1985 en gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en
lichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten;2° artikel 210ter,
gevoegd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten. Art. 39.Artikel 211 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 17 januari 1995 en 9 juli 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 211.Voor het hof van beroep te Brussel worden door elke taalgroep van de algemene vergadering evenveel kamervoorzitters aangewezen. Voor het hof van beroep te Brussel worden negenentwintig raadsheren en eenentwintig plaatsvervangende raadsheren voorgedragen door de Franstalige benoemingscommissie en zevenentwintig raadsheren en eenentwintig plaatsvervangende raadsheren door de Nederlandstalige benoemingscommissie. De voordracht van een openstaande plaats van raadsheer of plaatsvervangend raadsheer geschiedt door de benoemingscommissie die de magistraat heeft voorgedragen ten gevolge van wiens vertrek de plaats is opengevallen. » Art. 40.Worden opgeheven
hetzelfde Wetboek : 1° artikel 212, gewijzigd bij de wet van 17 januari 1995;2° artikel 213, gewijzigd hij de wetten van 28 december 1990, 16 juli 1993, 9 juli 1997 en 20 juli 1998;3° artikel 213bis,
gevoegd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten;4° artikel 214, gewijzigd bij de wet van 17 januari 1995. Art. 41.Artikel 215 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 215.Onverminderd de bepalingen betreffende de benoeming van de werkende en de plaatsvervangende raadsheren
sociale zaken worden de eerste voorzitter, de kamervoorzitters, de raadsheren
het arbeidshof en de eerste advocaat-generaal, de advocaten-generaal en de substituten-generaal bij dit hof, al naar gelang, aangewezen of benoemd door de Koning op gezamenlijke voordracht van de ministers tot wier bevoegdheid Arbeid en Justitie behoort. » Art. 42.Artikel 254 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en
lichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 254.§ 1. Om tot eerste voorzitter van het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar
het ambt van raadsheer
het Hof van Cassatie. § 2. Om tot voorzitter,
het Hof van Cassatie te worden aangewezen moet de kandidaat sedert tenminste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar
het ambt van raadsheer
het Hof van Cassatie. Om tot afdelingsvoorzittter
het Hof van Cassatie te worden aangewezen. moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van raadsheer
het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend. § 3. Om tot raadsheer
het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste tien jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie. » Art. 43.De artikelen 255 tot 257 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 januari 1995, worden opgeheven. Art. 44.Artikel 258 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en
lichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 258.§ 1. Om tot procureur-generaal bij het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar
het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie. §
- Om tot eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie uitoefenen. §
- Om tot advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden bedoeld
artikel 254, § 3. » Art. 45.
deel II, boek I, titel VI, van hetzelfde Wetboek wordt hoofdstuk Vbis,
gevoegd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en
lichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten en gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993, 11 juli 1994, 1 december 1994, 19 juli 1996 en 10 februari 1998, dat de artikelen 259bis, 259ter en 259quater bevat, vervangen door de volgende bepalingen : « HOOFDSTUK Vbis. - Hoge Raad voor de Justitie Afdeling I. - Samenstelling Art. 259bis-1. § 1. De Hoge Raad voor de Justitie zoals
gesteld door artikel 151 van de Grondwet, hierna te noemen « Hoge Raad », telt vierenveertig leden van Belgische nationaliteit. De Hoge Raad bestaat uit een Nederlandstalig en een Franstalig college van elk tweeëntwintig leden. Elk college telt elf magistraten en elf niet-magistraten. Alle leden moeten de burgerlijke en politieke rechten genieten en het bewijs leveren van goed gedrag en zeden. §
- De groep magistraten bestaat per college ten minste uit : 1° een lid van een hof of van het openbaar ministerie bij een hof;2° een lid van de zittende magistratuur;3° een lid van het openbaar ministerie;4° een lid per rechtsgebied van het hof van beroep. De magistraten van het Hof van Cassatie, van de militaire rechtscolleges, de bijstandsmagistraten en de federale magistraten worden geacht deel uit te maken van het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel. §
- De groep niet-magistraten telt per college ten minste vier leden van elk geslacht en bestaat uit ten minste : 1° vier advocaten met een beroepservaring van ten minste tien jaar balie;2° drie hoogleraren aan een universiteit of een hogeschool
de Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste tien jaar;3° vier leden die houder zijn van ten minste een diploma van een hogeschool van de Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste tien jaar op juridisch, economisch, administratief, sociaal of wetenschappelijk vlak. Ten minste één lid van het Franstalig college moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits. Afdeling II. - Aanstelling van de leden Art. 259bis-2. § 1. De magistraten worden verkozen bij rechtstreekse en geheime verkiezing uit de beroepsmagistraten
actieve dienst door een Nederlandstalig en een Franstalig kiescollege dat bestaat uit de beroepsmagistraten van de taalrol die overeenstemt met die van de benoeming. De stemming is verplicht en geheim. Op straffe van ongeldigheid van het stembiljet brengt elke kiezer drie stemmen uit waarvan, ten minste één voor een kandidaat van de zittende magistratuur, één voor een kandidaat van het openbaar ministerie en één voor een kandidaat van elk geslacht. De kandidaten worden per kiescollege gerangschikt
volgorde van het aantal behaalde stemmen.
de volgorde van het aantal behaalde stemmen zijn eerst de magistraten verkozen die voldoen aan de criteria bedoeld
artikel 259bis-1, § 2,
de aldaar bepaalde volgorde. Zodra aan de criteria bedoeld
artikel 259bis-1, § 2, is voldaan, zijn de magistraten verkozen
de volgorde van het aantal behaalde stemmen. De verkiezingsprocedure wordt geregeld bij een
Ministerraad overlegd koninklijk besluit. § 2. De niet-magistraten worden door de Senaat benoemd met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen. Onverminderd het recht om zich
dividueel kandidaat te stellen, kunnen door elk van de orden van advocaten en door elk van de universiteiten en hogescholen van de Vlaamse en Franse Gemeenschap kandidaten worden voorgedragen. Per college worden ten minste vijf leden uit de voorgedragen kandidaten benoemd. §
- Op het ogenblik van de kandidaatstelling mag de leeftijd van 63 jaar niet zijn bereikt. §
- Voor de leden van de Hoge Raad wordt voor de duur van het mandaat een lijst met opvolgers opgesteld. Voor de magistraten bestaat deze lijst uit de niet-verkozen magistraten
de volgorde van het aantal behaalde stemmen. Voor de niet-magistraten wordt deze lijst opgesteld door de Senaat; hij bestaat uit de niet-benoemde kandidaten. § 5. Ten laatste zes maanden voor het verstrijken van het mandaat van de leden van de Hoge Raad wordt een oproep tot de kandidaten bekendgemaakt
het Belgisch Staatsblad. Voor de magistraten moeten de kandidaturen op straffe van verval binnen een termijn van een maand na deze oproep bij een ter post aangetekende brief aan de Hoge Raad worden gericht. Voor de niet-magistraten moeten de kandidaturen en de lijsten met voorgedragen kandidaten bedoeld
§ 2
, tweede lid, op straffe van verval binnen een termijn van drie maanden na deze oproep aan de voorzitter van de Senaat worden gericht bij een ter post aangetekende brief. Binnen vijf maanden na de oproep tot de kandidaten wordt door de Minister van Justitie de lijst met alle aantredende leden van de Hoge Raad en hun opvolgers bekendgemaakt
het Belgisch Staatsblad. Deze bekendmaking geldt als
stallatie. De uittredende leden houden zitting tot het verstrijken van de mandaatstermijn en
ieder geval tot de bekendmaking van de lijst bedoeld
het vorige lid. Afdeling III. - Duur van het mandaat en onverenigbaarheden Art. 259bis-3. § 1. De leden nemen
de Hoge Raad zitting voor een periode van vier jaar, die eenmaal kan worden hernieuwd. §
- Het lidmaatschap van de Hoge Raad is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met de uitoefening van : 1° een ambt van plaatsvervangend magistraat;2° een bij verkiezing verleend openbaar mandaat;3° een openbaar ambt van politieke aard;4° een mandaat van korpschef. §
- Het mandaat
de Hoge Raad eindigt van rechtswege
dien : 1° het lid er om verzoekt;2° een onverenigbaarheid bedoeld
§ 2
ontstaat;3° een lid de hoedanigheid vereist als voorwaarde om
de Hoge Raad zitting te kunnen nemen, verliest;4° een lid kandidaat is voor een benoeming tot magistraat of een aanwijzing tot korpschef, bijstandsmagistraat of federaal magistraat;5° een lid de leeftijd van
ruststelling heeft bereikt bepaald
artikel 383, § 1, voor de leden van de rechtscolleges andere dan het Hof van Cassatie. § 4. Het mandaat van een lid kan om ernstige redenen worden opgeheven door de Hoge Raad die daarover beslist met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen
elke college. Tegen de beslissingen staat geen enkel beroep open. Het mandaat kan niet worden opgeheven dan nadat het lid gehoord is over de aangevoerde redenen. Voorafgaandelijk aan de hoorzitting stelt de Hoge Raad een dossier samen dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de aangevoerde redenen. Ten minste vijf dagen voor de hoorzitting wordt de betrokkene opgeroepen bij een ter post aangetekende brief met ten minste opgave van : 1° de aangevoerde ernstige redenen;2° het feit dat de opheffing van het mandaat wordt overwogen;3° plaats, dag en uur van de hoorzitting;4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze;5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan worden
gezien;6° het recht om getuigen te doen oproepen. Vanaf de oproeping tot en met de dag voor de hoorzitting kunnen de betrokkene en de persoon die hem bijstaat het dossier
zien. Van de hoorzitting wordt proces-verbaal opgesteld. Afdeling IV. - Werking Art. 259bis-
- §
- De Hoge Raad stelt met een meerderheid van twee derden van zijn leden een bureau samen dat bestaat uit twee magistraten en twee niet-magistraten. Elk college draagt hiertoe een magistraat en een niet-magistraat voor. De Hoge Raad wijst tevens op voorstel van elk college met dezelfde meerderheid de commissies aan waarvan de leden van het bureau het voorzitterschap bekleden. De Koning kan op voorstel van de Hoge Raad bij een
Ministerraad overlegd besluit het aantal leden van het bureau verhogen volgens de behoeften van de dienst met
achtneming van de verdeling bedoeld
het eerste lid. De leden van het bureau oefenen hun functie voltijds uit en mogen tijdens de duur van hun mandaat geen andere beroepsactiviteit uitoefenen. De Hoge Raad kan afwijkingen op dit verbod toestaan op voorwaarde dat ze de betrokkene niet beletten zijn opdracht naar behoren te vervullen. § 2. Het voorzitterschap van de Hoge Raad wordt,
de volgorde bepaald door twee derden van zijn leden, voor een termijn van één jaar beurtelings bekleed door een magistraat en een niet-magistraat van een verschillend college die lid zijn van het bureau en nog geen voorzitter van de Hoge Raad zijn geweest. §
- Het voorzitterschap van elk college wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de benoemingscommissie en de advies- en onderzoekscommissie, te beginnen met de oudste. §
- Elk lid van de Hoge Raad neemt zitting
één van de commissies van de colleges. Elk college wijst de leden van zijn commissies aan met een meerderheid van twee derden van zijn leden. § 5. Het Nederlandstalige college en zijn commissies verrichten hun werkzaamheden
het Nederlands. Het Franstalige college en zijn commissies verrichten hun werkzaamheden
het Frans. De algemene vergadering en de verenigde commissies verrichten hun werkzaamheden
het Nederlands en het Frans. De leden gebruiken daarbij de taal van het college waartoe zij behoren. De Hoge Raad neemt de nodige maatregelen voor de vertaling. Art. 259bis-
- §
- Onverminderd andersluidende bepalingen besluiten de Hoge Raad, de colleges, de commissies en het bureau bij volstrekte meerderheid van stemmen op voorwaarde dat ten minste de helft van de leden aanwezig is. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter. §
- Een lid waarvan het mandaat voortijdig openvalt, wordt voor de resterende duur vervangen door een opvolger. Betreft het een magistraat dan wordt hij vervangen door de eerst gerangschikte kandidaat op de lijst bedoeld
artikel 259bis-2, § 4, tweede lid. Betreft het een niet-magistraat, dan wijst de Senaat de opvolger aan uit de lijst bedoeld
artikel 259bis-2, § 4, derde lid.
deze gevallen valt de opvolger onder de toepassing van artikel 259bis-3, §
- Art. 259bis-
- §
- De Hoge Raad, de colleges en de commissies kunnen bij hun werkzaamheden deskundigen raadplegen. §
- De Hoge Raad beschikt over eigen personeel dat belast is met de ondersteuning van zijn werkzaamheden en de organisatie van de verkiezingen bedoeld
artikel 259bis-2, § 1. De Hoge Raad stelt de personeelsformatie en het taalkader vast, met
achtneming van de taalpariteit per niveau. De Hoge Raad benoemt en ontslaat de leden van zijn personeel. De Koning keurt de formatie en het kader bedoeld
het eerste lid goed. Behoudens andersluidende beslissing van de Hoge Raad, vereist voor de goede werking van zijn diensten en vastgelegd
een reglement goedgekeurd bij koninklijk besluit, is het personeel onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op de
vast verband benoemde ambtenaren van het Rijk. De koninklijke besluiten vermeld
het tweede en het derde lid worden
Ministerraad overlegd. De Hoge Raad beslist over de opdrachten, de verhindering en de vervanging, de afwezigheid, het verlof en de vakantie van de leden van het administratief personeel. §
- De Hoge Raad stelt een huishoudelijk reglement op dat de werkwijze van de Hoge Raad en het bureau bepaalt. §
- Het bureau coördineert de werkzaamheden van de Hoge Raad, de colleges en het personeel. Afdeling V. - Algemene vergadering van de Hoge Raad Art. 259bis-
- §
- De Hoge Raad ontvangt rechtstreeks van de bevoegde
stanties de door de wet of bij verordening voorgeschreven verslagen die verband houden met de algemene werking van de rechterlijke orde. § 2. De algemene vergadering is bevoegd voor : 1° de goedkeuring van de adviezen, voorstellen, verslagen, richtlijnen, programma's en andere handelingen van de colleges en de commissies
de gevallen en onder de voorwaarden bepaald
de afdelingen VI en VII;2° de vaststelling van de beëindiging van het mandaat van een lid van de Hoge Raad
de gevallen bedoeld
artikel 259bis-3, §
- §
- De algemene vergadering stelt aan de hand van een analyse en een evaluatie van de vergaarde
formatie een jaarlijks verslag op over de algemene werking van de rechterlijke orde, dat wordt bezorgd aan de Minister van Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en de korpschefs van de hoven en van het openbaar ministerie bij deze hoven. Deze verslagen bevatten geen enkele aanwijzing over de identiteit van personen. § 4. De Minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger kan op uitnodiging van de Hoge Raad of op eigen verzoek worden gehoord. Afdeling VI. - De benoemings- en aanwijzingscommissies Art. 259bis-8. § 1. Elk college stelt
zijn midden een benoemings- en aanwijzingscommissie
, hierna « de benoemingscommissie » genoemd, die bestaat uit veertien leden, waarvan de helft magistraten en de helft niet-magistraten zijn. Ten minste één lid van de Franstalige benoemingscommissie moet blijk geven van de kennis van het Duits. Het voorzitterschap van elke benoemingscommissie wordt bekleed door het daartoe aangewezen lid van het bureau. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid. Elke benoemingscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste tien leden aanwezig zijn. § 2. De benoemingscommissies vormen samen de verenigde benoemingscommissie. Het voorzitterschap van de verenigde benoemingscommissie wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de benoemingscommissies, te beginnen met de oudste. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid van de commissie waartoe de voorzitter
functie behoort. De verenigde benoemingscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste tien leden van elke benoemingscommissie aanwezig zijn. Art. 259bis-9. § 1. De verenigde benoemingscommissie bereidt de programma's voor het examen
zake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage voor. Het examen
zake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage zijn bedoeld om de voor de uitoefening van het ambt van magistraat noodzakelijke maturiteit en bekwaamheid te beoordelen en worden afgelegd
de taal van het diploma van doctor of licentiaat
de rechten van de kandidaat. De geslaagden voor het examen
zake beroepsbekwaamheid behouden het voordeel van hun uitslag gedurende zeven jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het examen. § 2. De verenigde benoemingscommissie bereidt de richtlijnen en de programma's voor de permanente vorming van magistraten en de gerechtelijke stage voor. De bevoegde dienst bij het ministerie van Justitie zorgt
samenwerking met de verenigde benoemingscommissie voor de uitvoering van de programma's en de logistieke ondersteuning op de wijze door de Koning bepaald. De Koning kan daartoe leden van de zittende magistratuur of magistraten van het openbaar ministerie aanstellen. § 3. De examenprogramma's bedoeld
§ 1
en de richtlijnen en programma's bedoeld
§ 2
worden na goedkeuring door de algemene vergadering bekrachtigd door de Minister van Justitie en bekendgemaakt
het Belgisch Staatsblad. Art. 259bis-
- §
- De benoemingscommissies zijn bevoegd voor : 1° de voordracht van kandidaten voor de benoemingen tot magistraat en de aanwijzingen tot korpschef, bijstandsmagistraat of federale magistraat, bedoeld
artikel 186bis, § 1, 1°, 2° en 4°;2° de organisatie van het examen
zake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij koninklijk besluit. § 2. Elke benoemingscommissie kan met een meerderheid van twee derden van haar leden besluiten om voor de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld
§ 1
, 2°, en artikel 259bis-9
haar midden een subcommissie
te stellen die evenveel magistraten als niet-magistraten telt.
de gevallen bedoeld
artikel 259bis-9 kan de ene benoemingscommissie of subcommissie niet meer stemmen uitbrengen dan de andere benoemingscommissie of subcommissie. §
- Elke benoemingscommissie doet jaarlijks aan de algemene vergadering verslag over zijn werkzaamheden. Afdeling VII. - De advies- en onderzoekscommissies Art. 259bis-
- §
- Elk college stelt
zijn midden een advies- en onderzoekscommissie
die bestaat uit acht leden, waarvan de helft magistraten en de helft niet-magistraten zijn. Het voorzitterschap van elke advies- en onderzoekscommissie wordt bekleed door het daartoe aangewezen lid van het bureau. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid. Elke advies- en onderzoekscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste zes leden aanwezig zijn. § 2. De advies- en onderzoekscommissies vormen samen de verenigde advies- en onderzoekscommissie. Het voorzitterschap van de verenigde advies- en onderzoekscommissie wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de advies- en onderzoekscommissies, te beginnen met de oudste. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudst aanwezige lid van de commissie waartoe de voorzitter
functie behoort. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste zes leden van elke commissie aanwezig zijn. Art. 259bis-
- §
- De verenigde advies- en onderzoekscommissie bereidt, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de algemene vergadering, de Minister van Justitie of de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat de adviezen en voorstellen voor over : 1° de algemene werking van de rechterlijke orde;2° de wetsvoorstellen en -ontwerpen die een weerslag hebben op de algemene werking van de rechterlijke orde;3° de aanwending van de beschikbare middelen. §
- De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan alle
formatie
winnen die nuttig is voor de taken vermeld
§ 1
, onverminderd het bepaalde
artikel 259bis-16. Een verzoek tot
formatie aan leden van de rechterlijke orde geschiedt na voorafgaande kennisgeving aan hun respectieve korpschefs en hiërarchische meerderen. Is het lid van de rechterlijke orde geen magistraat, dan wordt de
formatie meegedeeld na goedkeuring door de korpschef van het betrokken rechtscollege. §
- De adviezen en voorstellen van de verenigde advies- en onderzoekscommissie zijn schriftelijk en hebben bindende, noch schorsende werking. Art. 259bis-
- De verenigde advies- en onderzoekscommissie bereidt de standaardprofielen voor de functies van korpschef voor op basis van de criteria bepaald door de Hoge Raad. De standaardprofielen worden binnen een maand na goedkeuring door de algemene vergadering bekendgemaakt
het Belgisch Staatsblad. De Koning kan de verschillende categorieën van profielen vastleggen. Art. 259bis-
- §
- De verenigde advies- en onderzoekscommissie is belast met het algemeen toezicht op en de bevordering van het gebruik van de middelen van
terne controle binnen de rechterlijke orde, bedoeld
de artikelen 140, 340, 398 tot 400
fine, 401 tot 414, 651, 652, 838 en 1088 van het Gerechtelijk Wetboek en 441 en 442 van het Wetboek van Strafvordering. § 2. De overheden bevoegd voor de toepassing van de wetsbepalingen bedoeld
§ 1
, brengen hierover jaarlijks verslag uit aan de verenigde advies- en onderzoekscommissie en aan de Minister van Justitie. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan bovendien deze overheden om alle nuttige
formatie verzoeken. De Minister van Justitie wordt hiervan gelijktijdig
kennis gesteld. § 3. De verenigde advies- en onderzoekscommissie brengt jaarlijks verslag uit over de wijze waarop de middelen van
terne controle worden aangewend en hun werking kan worden verbeterd. Art. 259bis-
- §
- Elke advies- en onderzoekscommissie ontvangt de klachten over de werking van de rechterlijke orde en verzekert de opvolging ervan. §
- Om ontvankelijk te zijn moeten de klachten schriftelijk, ondertekend en gedagtekend zijn en de volledige identiteit van de klager bevatten. §
- Komen niet
aanmerking voor behandeling : 1° klachten die behoren tot de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke bevoegdheid van andere overheden;2° klachten met betrekking tot de
houd van een rechterlijke beslissing;3° klachten waarvan het doel via het aanwenden van een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel kan of kon worden bereikt;4° klachten die reeds zijn behandeld en geen nieuwe elementen bevatten;5° klachten die kennelijk ongegrond zijn. Tot de niet-behandeling van de klacht wordt besloten bij gemotiveerde beslissing waartegen geen enkel beroep openstaat.
voorkomend geval wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde overheden die gehouden zijn de advies- en onderzoekscommissies op gemotiveerde wijze
te lichten over het gevolg dat aan de klacht werd gegeven. §
- De klachten die de advies- en onderzoekscommissies zelf behandelen worden, al naar gelang, ter kennis gebracht van de korpschef van het rechtscollege en van de korpschefs of hiërarchische meerderen van de personen die het voorwerp zijn van de klacht. Onverminderd de bevoegdheden van de korpschef of de hiërarchische meerdere, delen de advies- en onderzoekscommissies de klacht op het ogenblik dat dit nuttig wordt geacht mee aan de persoon tegen wie de klacht gericht is of voor wie de klacht bezwarend is. §
- De personen die
kennis zijn gesteld van de klacht hebben het recht om hierover aan de advies- en onderzoekscommissies mondelinge of schriftelijke verklaringen af te leggen. De advies- en onderzoekscommissie kunnen deze personen om bijkomende
lichtingen verzoeken op voorwaarde dat hun korpschef of hiërarchische meerdere gelijktijdig wordt verwittigd. § 6. De advies- en onderzoekscommissies lichten de klager schriftelijk
over het gevolg dat aan de klacht gegeven werd. Bij gegronde klachten kunnen de advies- en onderzoekscommissies aanbevelingen doen ter oplossing van het gestelde probleem en voorstellen ter verbetering van de algemene werking van de rechterlijke orde formuleren ten behoeve van de betrokken
stanties en de Minister van Justitie. §
- Elke advies- en onderzoekscommissie stelt minstens eenmaal per jaar een schriftelijk verslag op over de opvolging van de ontvangen klachten. Art. 259bis-
- §
- De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan met uitsluiting van strafrechtelijke en tuchtrechtelijke bevoegdheden een bijzonder onderzoek
stellen naar de werking van de rechterlijke orde. Dit onderzoek gebeurt hetzij ambtshalve na voorafgaande goedkeuring door de meerderheid van de leden van de verenigde advies- en onderzoekscommissie, hetzij op verzoek van de Minister van Justitie of de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat. § 2. Het onderzoek wordt
opdracht van de verenigde advies- en onderzoekscommissie uitgevoerd door de bevoegde korpschef of hiërarchische meerdere die hierover schriftelijk verslag uitbrengt binnen de door de verenigde advies- en onderzoekscommissie vastgestelde termijn. § 3. Het onderzoek wordt uitzonderlijk door de verenigde advies- en onderzoekscommissie zelf uitgevoerd na voorafgaande goedkeuring door twee derden van haar leden wanneer : 1° de Minister van Justitie dit bij zijn verzoek heeft gevraagd;2° het gelet op het onderwerp van het onderzoek niet raadzaam is dit op te dragen aan de korpschef of de hiërarchische meerdere bedoeld
§ 2of het onderzoek door dezen niet naar behoren is of wordt gevoerd.
De Minister van Justitie wordt hiervan voor aanvang van het onderzoek
kennis gesteld. De verenigde advies- en onderzoekscommissie voert het onderzoek onder leiding van een lid-magistraat en kan : 1° zich ter plaatse begeven teneinde alle nuttige vaststellingen te doen, zonder te kunnen overgaan tot huiszoeking;2° beëindigde gerechtelijke dossiers raadplegen en zich deze ter plaatse doen overleggen teneinde er kennis van te nemen alsook uittreksels en kopies ervan nemen of zich deze kosteloos doen bezorgen;3° leden van de rechterlijke orde horen bij wijze van
lichting.
voorkomend geval is het deze leden toegestaan verklaringen af te leggen die gedekt zijn door het beroepsgeheim. §
- De verenigde advies- en onderzoekscommissie stelt over elk onderzoek een verslag op dat wordt goedgekeurd met een meerderheid van twee derden van haar leden. Art. 259bis-
- §
- De betrokken commissie heeft
het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld
de artikelen 259bis-11 tot 259bis-16 tevens het recht de werking van de rechterlijke orde door te lichten, zonder zich te kunnen mengen
de behandeling van lopende dossiers. § 2. Wanneer de Hoge Raad bij het uitvoeren van zijn opdrachten van mening is dat een lid van de rechterlijke orde niet voldoet aan de plichten van zijn ambt, door zijn gedrag schade toebrengt aan de waardigheid van zijn beroep of weigert zijn medewerking te verlenen aan de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregelen bedoeld
artikel 259bis-16, § 3, brengt de Hoge Raad dit ter kennis van de bevoegde tuchtoverheden met het verzoek te onderzoeken of een tuchtprocedure dient te worden
gesteld, en deelt zij dit terzelfder tijd mee aan de Minister van Justitie. De tuchtoverheden stellen de Hoge Raad op een met redenen omklede wijze
kennis van het gevolg dat eraan is gegeven. Art. 259bis-18. De adviezen en voorstellen bedoeld
artikel 259bis-12, § 1, en de verslagen bedoeld
de artikelen 259bis-14, § 3, 259bis-15, § 7, en 259bis-16, § 4, worden ter goedkeuring toegezonden aan de algemene vergadering, die ze vervolgens meedeelt aan de Minister van Justitie, aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de Senaat, alsook aan de korpschefs van de hoven en het openbaar ministerie bij deze hoven. Afdeling VIII. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 259bis-19. § 1. Het is de leden van de Hoge Raad verboden deel te nemen aan een beraadslaging of een beslissing over zaken waarbij zij een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben, waarbij hun bloed- of aanverwanten tot
de vierde graad of de personen met wie zij een feitelijk gezin vormen een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben of waarbij zij
een professionele hoedanigheid betrokken zijn of zijn geweest. § 2. Wanneer een lid van de Hoge Raad bij de uitoefening van zijn opdrachten kennis krijgt van een misdaad of een wanbedrijf, moet hij overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegde procureur des Konings onverwijld
kennis stellen. § 3. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de leden van de Hoge Raad, op hun opvolgers, op de deskundigen en op het personeel van de Raad voor alle gegevens waarvan zij kennis nemen
het kader van de uitoefening van hun opdrachten
de Hoge Raad. Art. 259bis-
- §
- De Hoge Raad moet steeds
kennis worden gesteld van een tuchtprocedure tegen een van zijn leden, alsook van de redenen die aan deze procedure ten grondslag liggen.
geval de Hoge Raad van oordeel is dat de tuchtprocedure steunt op de activiteiten die betrokkene
de Raad uitoefent, voegt hij zijn advies bij het dossier betreffende de procedure. §
- De bepalingen van § 1 zijn van toepassing op voormalige leden van de Hoge Raad gedurende vier jaren te rekenen van de beëindiging van hun mandaat. Art. 259bis-
- §
- De magistraten die lid zijn van het bureau, met uitzondering van de voorzitter van de Hoge Raad, hebben op jaarbasis recht op een toelage van 220 000 frank. De niet-magistraten die lid zijn van het bureau, met uitzondering van de voorzitter van de Hoge Raad, genieten een wedde die gelijk staat met die van raadsheer
het hof van beroep met eenentwintig jaar nuttige anciënniteit. De magistraat die voorzitter is van de Hoge Raad heeft op jaarbasis recht op een toelage van 300 000 frank. De niet-magistraat die voorzitter is van de Hoge Raad geniet een wedde die gelijk staat met die van kamervoorzitter
het hof van beroep met eenentwintig jaar nuttige anciënniteit. Artikel 362 is van toepassing op de
de vorige leden vermelde bedragen. § 2. De leden van de Hoge Raad die geen lid zijn van het bureau hebben voor hun werkzaamheden
de Hoge Raad en de commissies recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag niet meer mag bedragen dan 1/30 van de maandelijkse toelage toegekend aan het lid, voorzitter van de Hoge Raad, dat geen magistraat is. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van bovenvermelde maximumtoelage. §
- De leden van de Hoge Raad hebben recht op de vergoedingen voor de reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries. De personen die niet tot het bestuur behoren of voor wie de rang waartoe hun graad behoort niet is bepaald, worden gelijkgesteld met ambtenaren van rang
- De voorzitter wordt gelijkgesteld met een ambtenaar van rang
- Art. 259bis-
- §
- De zetel van de Hoge Raad is gevestigd
het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. § 2. De kredieten die voor de werking van de Hoge Raad nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van de dotaties. » Art. 46.
deel II, boek I, titel VI, van hetzelfde Wetboek wordt hoofdstuk Vter,
gevoegd bij de wet van 6 mei 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1997 pub. 25/06/1997 numac 1997009448 bron ministerie van justitie Wet strekkende tot de bespoediging van de procedure voor het Hof van Cassatie sluiten, dat de artikelen 259quinquies, 259sexies en 259septies bevat, vervangen door de volgende bepalingen : « HOOFDSTUK Vter. - Benoemings- en aanwijzingsprocedure Afdeling I. - Benoemingen Art. 259ter.§ 1. Vooraleer de Koning tot een benoeming bedoeld
artikel 58bis, 1° overgaat, vraagt de Minister van Justitie binnen vijfenveertig dagen na de bekendmaking van de vacature
het Belgisch Staatsblad, een gemotiveerd schriftelijk advies aan : 1° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, behoudens wanneer het een benoeming tot raadsheer
het Hof van Cassatie, raadsheer of plaatsvervangend raadsheer
het hof van beroep of raadsheer
het arbeidshof betreft;2° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als magistraat, hetzij als plaatsvervangend magistraat;3° een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als advocaat, hetzij als magistraat.Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel geeft al naar gelang de kandidaat
geschreven is op het tableau van de Nederlandstalige of Franstalige orde van advocaten of de magistraat behoort tot de Nederlandstalige of Franstalige taalrol, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij de vertegenwoordiger van de Franstalige orde advies. De korpschef van een rechtscollege of het openbaar ministerie bij een rechtscollege met zetel te Brussel die niet wettelijk tweetalig is, wijst een titularis van een adjunct-mandaat van de andere taalrol aan om hem bij te staan bij het
winnen van
lichtingen en doornemen van de stukken voor het verstrekken van advies over de kandidaten behorend tot de andere taalrol. De personen bedoeld
het eerste en tweede lid kunnen geen advies verstrekken over bloed- of aanverwanten tot
de vierde graad noch over personen met wie zij een feitelijk gezin vormen.
dat geval wordt het advies verstrekt door de daartoe aangestelde plaatsvervanger. § 2. De adviezen worden binnen dertig dagen na het verzoek om advies bedoeld
§ 1
door de adviesverlenende
stanties
tweevoud overgezonden aan de Minister van Justitie en
afschrift tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs meegedeeld aan de betrokken kandidaat. Het ontvangstbewijs wordt gericht aan de Minister van Justitie. Bij gebrek aan advies binnen de vastgestelde termijn, wordt dit geacht gunstig noch ongunstig te zijn, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de Minister van Justitie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaat.
dien een unaniem gunstig advies voor een benoeming is vereist, wordt met dit advies geen rekening gehouden. De kandidaten beschikken op straffe van verval over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de adviezen om hun opmerkingen aan de Minister van Justitie bij een ter post aangetekende brief mee te delen. Wanneer een of meerdere adviezen niet tijdig zijn uitgebracht, dienen zij dit te doen binnen negentig dagen na de bekendmaking bedoeld
§ 1
. Het benoemingsdossier bevat, al naar gelang : - de kandidatuur met de bijlagen; - de schriftelijke adviezen bedoeld
§ 1
en
voorkomend geval de opmerkingen van de kandidaat; - de verslagen van de gerechtelijke stage; - een afschrift van het evaluatiedossier. § 3. Voor een benoeming tot raadsheer
het Hof van Cassatie, raadsheer of plaatsvervangend raadsheer
het hof van beroep of raadsheer
het arbeidshof, zendt de Minister van Justitie binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking bedoeld
§ 1
aan de algemene vergadering van het rechtscollege waar de benoeming moet geschieden voor elke kandidaat het benoemingsdossier over met het verzoek een gemotiveerd advies uit te brengen over elk van de kandidaten; dit advies wordt bij hun dossier gevoegd. De algemene vergadering hoort de kandidaten die haar binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature als bedoeld
§ 1daarom bij een ter post aangetekende brief hebben verzocht.
Voor het hof van beroep en het arbeidshof te Brussel worden de adviezen goedgekeurd met een meerderheid van twee derden van de leden van de algemene vergadering. De algemene vergadering zendt binnen dertig dagen na het verzoek om advies de gemotiveerde adviezen
tweevoud aan de Minister van Justitie over en deelt een afschrift tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs mee aan de betrokken kandidaten. Het ontvangstbewijs wordt gericht aan de Minister van Justitie. Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn over elke kandidaat, wordt met deze adviezen geen rekening gehouden, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de Minister van Justitie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten. § 4. Binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking bedoeld
§ 1
zendt de Minister van Justitie aan de bevoegde benoemingscommissie voor elke kandidaat het benoemingsdossier over met het verzoek over te gaan tot een voordracht van een kandidaat.
geval van tussenkomst van de algemene vergadering bedoeld
§ 3, wordt deze termijn verlengd met veertig dagen.
Met uitzondering van de gerechtelijke stagiairs moeten de kandidaten, al naar gelang, uiterlijk op het einde van de termijn bedoeld
het eerste en het tweede lid voldoen aan de benoemingsvoorwaarden. De gerechtelijke stagiairs moeten aan de benoemingsvoorwaarden voldoen op het ogenblik van de benoeming. De benoemingscommissie hoort de kandidaten die binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature als bedoeld
§ 1
, haar daarom bij een ter post aangetekende brief hebben verzocht.
geval van tussenkomst van de algemene vergadering bedoeld
§ 3wordt deze termijn verlengd met veertig dagen.
De voordracht gebeurt bij meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat.
geval van een vacature voor de ambten bedoeld
artikel 43, § 4, van de wet van 15 juni 1935Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen
gerechtszaken Officieuze coördinatie
het Duits sluiten op het gebruik der talen
gerechtszaken, geschiedt de voordracht door de verenigde benoemingscommissie bij meerderheid van twee derden van de stemmen uitgebracht binnen elke benoemingscommissie. Van de met redenen omklede voordracht wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de voorzitter en een lid van de benoemingscommissie wordt ondertekend. Binnen veertig dagen na het verzoek tot voordracht deelt de benoemingscommissie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs of tegen gedagtekend ontvangstbewijs de lijst met de voorgedragen kandidaat en de niet-voorgedragen kandidaten, en het proces-verbaal van voordracht mee aan de Minister van Justitie. Een afschrift van de lijst wordt bij gewone brief aan de kandidaten meegedeeld. Wordt geen voordracht meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn, dan brengt de Minister van Justitie dit binnen vijftien dagen bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de kandidaten en wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten
het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 5. De Koning beschikt vanaf de ontvangst van de voordracht over zestig dagen om een beslissing te nemen en deze bij een ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs mee te delen aan de benoemingscommissie en de kandidaten.
geval van gemotiveerde weigering beschikt de benoemingscommissie vanaf de ontvangst van deze beslissing over vijftien dagen om een nieuwe voordracht te doen overeenkomstig de nadere regels bepaald
§ 4
. Telkens wanneer de Koning niet beslist binnen de termijn van zestig dagen beschikken de betrokken benoemingscommissie en de kandidaten vanaf de vijfenzestigste dag over een termijn van vijftien dagen om bij een ter post aangetekende brief een aanmaning aan de Koning te betekenen. Wanneer de Koning binnen vijftien dagen na de betekening geen beslissing treft, wordt zijn stilzwijgen geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep bij de Raad van State kan worden
gesteld. Bij ontstentenis van tijdige aanmaning en zo het een eerste voordracht betreft, doet de benoemingscommissie een nieuwe voordracht, overeenkomstig het bepaalde
het tweede lid; zo het geen eerste voordracht betreft, wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten bekendgemaakt. Afdeling II. - Procedure van aanwijzing
mandaten Art. 259quater.§ 1. De korpschefs bedoeld
artikel 58bis, 2°, worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van zeven jaar dat binnen hetzelfde rechtscollege of binnen hetzelfde parket niet onmiddellijk hernieuwbaar is. § 2. De Minister van Justitie vraagt binnen vijfenveertig dagen na de bekendmaking van de vacature
het Belgisch Staatsblad, een gemotiveerd schriftelijk advies, al naar gelang het geval aan : 1° de uittredende korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden;2° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de kandidaat als magistraat werkzaam is;is dit dezelfde persoon als bedoeld
1°, dan wordt het advies
gewonnen bij de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege; 3° een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is als magistraat.Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel geeft, al naar gelang de magistraat behoort tot de Nederlandse of Franse taalrol, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij de vertegenwoordiger van de Franstalige orde advies. De modaliteiten van artikel 259ter, § 1, tweede en derde lid en § 2, eerste tot derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Het aanwijzingsdossier van een korpschef bevat : - de kandidatuur met de bijlagen; - de schriftelijke adviezen en
voorkomend geval de opmerkingen van de kandidaat; - een beleidsplan van de kandidaat; - een afschrift van het evaluatiedossier. § 3. Voor een aanwijzing tot eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, eerste voorzitter van het hof van beroep of eerste voorzitter van het arbeidshof is artikel 259ter, § 3, van overeenkomstige toepassing. Voor het overige zijn de bepalingen bedoeld
artikel 259ter, §§ 4 en 5, van overeenkomstige toepassing, behoudens voor wat hierna volgt : 1° de voordracht geschiedt tevens op basis van het standaardprofiel bedoeld
artikel 259bis-13;2° betreft het een aanwijzing tot korpschef bedoeld
de artikelen 43, § 4, 43bis, § 4, eerste lid, en 49, § 2, eerste en vierde lid
fine, van de wet van 15 juni 1935Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen
gerechtszaken Officieuze coördinatie
het Duits sluiten op het gebruik der talen
gerechtszaken, dan gebeurt de voordracht door de verenigde benoemingscommissie met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen binnen elke benoemingscommissie;3° op het ogenblik van de aanwijzing moet de kandidaat ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld
artikel 383, §
- §
- De korpschef die uit het rechtscollege of het parket zelf afkomstig is, neemt na het verstrijken van het mandaat het ambt waarin hij op het ogenblik van zijn aanwijzing was benoemd weer op of, al naar gelang, het adjunct-mandaat waarin hij vast was aangewezen, en geniet gedurende twee jaar, of tot op het ogenblik dat hij voor het verstrijken van die termijn
een ander ambt of functie wordt benoemd of aangewezen, de overeenkomstige wedde van korpschef met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen. § 5. Een kandidaat van buiten het rechtscollege die tot korpschef wordt aangewezen wordt gelijktijdig
dit rechtscollege benoemd zonder dat artikel 287 van toepassing is. Bij gebrek aan vacature voor een benoeming
dit rechtscollege wordt artikel 100 toegepast.
geval van aanwijzing van een magistraat van de zittende magistratuur tot korpschef bij het openbaar ministerie of van een magistraat bij het openbaar ministerie tot korpschef
een rechtscollege, wordt bij het verstrijken van het mandaat § 4 toegepast.
de andere gevallen wordt de korpschef bij het verstrijken van het mandaat op zijn verzoek door de Koning opnieuw benoemd
het ambt waarin hij het laatst was benoemd voor zijn aanwijzing tot korpschef.
voorkomend geval wordt tevens het adjunct-mandaat waarin men vast was aangewezen weer opgenomen. Bij gebrek aan verzoek hiertoe aan de Koning uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van het mandaat, wordt § 4 toegepast. § 6. Het openvallen van een mandaat van korpschef leidt tot toepassing van artikel 287.
afwijking van het bepaalde
het vorige lid wordt het mandaat van eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, federale procureur, eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel te Brussel en procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dat voortijdig openvalt, voleindigd door de
artikel 319 bedoelde vervanger. Art. 259quinquies.§ 1. De titularissen van de adjunct-mandaten bedoeld
artikel 58bis, 3°, worden aangewezen als volgt : 1° de voorzitter en de afdelingsvoorzitters
het Hof van Cassatie, de kamervoorzitters
het hof van beroep en
het arbeidshof en de ondervoorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel worden door de bevoegde algemene vergaderingen uit hun midden aangewezen, uit twee kandidaten die door de korpschef op gemotiveerde wijze worden voorgedragen voorzover er voldoende leden zijn die
de voorwaarden verkeren en zich kandidaat hebben gesteld.Voor rechtscolleges met zetel te Brussel geschieden de voordrachten en de aanwijzing per taalgroep volgens de taalrol van het mandaat. Telt het betrokken rechtscollege minder dan zeven magistraten, dan geschiedt de aanwijzing door de korpschef bij beschikking; 2° de eerste advocaten-generaal bij de hoven, de advocaten-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof en de eerste substituten worden door de Koning aangewezen op gemotiveerde voordracht door de korpschef van twee kandidaten,
dien voorhanden. § 2. De aanwijzingen
de adjunct-mandaten gebeuren voor een termijn van drie jaar die kan worden hernieuwd na evaluatie. Na negen jaar ambtsvervulling worden zij na evaluatie vast aangewezen. Bij niet-hernieuwing van het mandaat wordt de procedure bedoeld
§ 1
aangevat.
dit geval neemt de magistraat bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt of het adjunct-mandaat waarin hij het laatst werd benoemd of vast aangewezen weer op.
voorkomend geval verdwijnt het overtal bij het openvallen van een mandaat van dezelfde rang. Art. 259sexies.§ 1. De titularissen van de bijzondere mandaten bedoeld
artikel 58bis, 4°, worden aangewezen als volgt : 1° de onderzoeksrechters, de beslagrechters en de rechters
de jeugdrechtbank worden door de Koning aangewezen op voordracht van de bevoegde algemene vergadering uit de kandidaten die op gemotiveerde wijze door de korpschef worden voorgesteld. Zij worden aangewezen uit de rechters die gedurende ten minste drie jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter
de rechtbank van eerste aanleg hebben uitgeoefend en die voornoemde ambten reeds hebben uitgeoefend krachtens artikel 80, tweede lid, tenzij de Koning van de laatste voorwaarde afwijkt en Hij zijn keuze met bijzondere redenen omkleedt. Om het ambt van onderzoeksrechter te kunnen uitoefenen, moet men, onverminderd de voorgaande bepalingen, gedurende ten minste een jaar het ambt van rechter
de rechtbank van eerste aanleg hebben uitgeoefend en een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd georganiseerd
het kader van de opleiding van magistraten zoals bedoeld
artikel 259bis-9, § 2; 2° de jeugdrechter
hoger beroep wordt door de Koning aangewezen op voordracht van de bevoegde algemene vergadering uit de kandidaten die op gemotiveerde wijze door de korpschef worden voorgesteld.Hij wordt aangewezen uit de kamervoorzitters en raadsheren; 3° de bijstandsmagistraten en de federale magistraten worden aangewezen uit de leden van het openbaar ministerie die gedurende ten minste vijf jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van onderzoeksrechter hebben uitgeoefend. De aanwijzing geschiedt door de Koning op voordracht van de verenigde benoemingscommissie overeenkomstig de bepalingen bedoeld
artikel 259ter, §§ 1, 2, 4 en 5. De Minister van Justitie zendt binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature
het Belgisch Staatsblad aan het college van procureurs-generaal voor elke kandidaat het benoemingsdossier over met het verzoek een gemotiveerd advies uit te brengen over elk van de kandidaten; dit advies wordt bij hun dossier gevoegd. Het college van procureurs-generaal hoort de kandidaten die haar binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature zoals bedoeld
het vorige lid daarom bij een ter post aangetekende brief hebben verzocht. Het college van procureurs-generaal zendt binnen dertig dagen na het verzoek om advies de gemotiveerde adviezen
tweevoud aan de Minister van Justitie over en deelt een afschrift tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs mee aan de betrokken kandidaten. Het ontvangstbewijs wordt gericht aan de Minister van Justitie. Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn over elke kandidaat, wordt met deze adviezen geen rekening gehouden, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de Minister van Justitie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten. § 2. De onderzoeksrechters, de beslagrechters en de rechters
de jeugdrechtbank worden aangewezen voor een termijn van een jaar, die na evaluatie een eerste maal voor twee jaar en vervolgens telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd. De jeugdrechters
hoger beroep worden aangewezen voor een termijn van drie jaar die na evaluatie telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd. De bijstandsmagistraten en de federale magistraten worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar, die na evaluatie tweemaal kan worden hernieuwd. § 3.
geval een bijzonder mandaat niet wordt hernieuwd, wordt de procedure bedoeld
§ 1aangevat.
De bijstandsmagistraat en de federale magistraat nemen bij het verstrijken van hun mandaat het ambt waarin zij zijn benoemd weer op en
voorkomend geval het adjunct-mandaat waarin zij vast zijn aangewezen. Art. 259septies.De uitoefening van een mandaat van korpschef is onverenigbaar met de uitoefening van een adjunct-mandaat en met de uitoefening van een bijzonder mandaat
dien dit laatste buiten het rechtscollege gebeurt. De uitoefening van een adjunct-mandaat is verenigbaar met de uitoefening van een bijzonder mandaat voor zover dit binnen hetzelfde rechtscollege gebeurt. » Art. 47.
deel II, boek I, titel VI, wordt na artikel 259septies een nieuw hoofdstuk Vquater
gevoegd, luidende : « HOOFDSTUK Vquater. - De gerechtelijke stage Art. 259octies.§ 1. De Koning bepaalt bij een
Ministerraad overlegd besluit voor elk gerechtelijk jaar het aantal vacante plaatsen van gerechtelijk stagiair voor de Nederlandse en voor de Franse taalrol. De Minister van Justitie benoemt de kandidaten die geslaagd zijn voor het vergelijkend toelatingsexamen tot het ambt van gerechtelijk stagiair en wijst het arrondissement aan waar de stage wordt doorgemaakt met voorrang volgens de rangschikking. De kandidaten die zich voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage
schrijven moeten, op het ogenblik van hun
schrijving, doctor of licentiaat
de rechten zijn en tijdens de periode van drie jaar voorafgaand aan de
schrijving gedurende ten minste een jaar als voornaamste beroepsactiviteit hetzij een stage bij de balie hebben doorlopen, hetzij andere juridische functies hebben uitgeoefend. De geslaagden voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage kunnen uiterlijk drie jaar na de afsluiting van het examen benoemd worden tot gerechtelijk stagiair. Onder geslaagden voor twee of meer vergelijkende toelatingsexamens voor de gerechtelijke stage, wordt voorrang verleend aan de geslaagden voor het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten. De kandidaturen voor dit vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage moeten worden
gediend binnen een maand na de bekendmaking van de oproep tot de kandidaten
het Belgisch Staatsblad. § 2. De stage die toegang geeft tot het ambt van lid van de zittende magistratuur of van magistraat van het openbaar ministerie heeft een duur van drie jaar. Zij behelst een theoretische opleiding bestaande uit een cyclus van cursussen georganiseerd door de Minister van Justitie overeenkomstig artikel 259bis-9, en een praktische vorming die verloopt
verschillende opeenvolgende stadia : - van de 1e tot en met de 15e maand bij het parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur en/of van de krijgsauditeur; deze periode omvat eveneens een maand
een administratieve dienst van een of meer parketten; - van de 16e tot en met de 21e maand
een strafinrichting van de Staat, een politiedienst, een kantoor van een notaris of van een gerechtsdeurwaarder, of
een juridische dienst van een openbare economische of sociale
stelling; - van de 22e tot en met de 36e maand
een of meer kamers van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel, dan wel
de krijgsraad; deze periode omvat eveneens een maand
een of meer griffies. De gerechtelijk stagiair staat onder leiding van twee stagemeesters die met zijn opleiding zijn belast. Vooraf wijst de korpschef van het betrokken parket twee magistraten van het openbaar ministerie aan die de taak van eerste stagemeester voor het eerste en het tweede stadium zullen waarnemen. Op dezelfde wijze worden door de voorzitter bij iedere rechtbank twee leden van de zittende magistratuur aangewezen die de taak van tweede stagemeester voor het derde stadium zullen waarnemen. Na de 12e en voor het einde van de 21e maand van de opleiding dient de eerste stagemeester onverwijld bij de korpschef een uitvoerig verslag
omtrent het eerste en het tweede stadium van de opleiding. Een afschrift van dit verslag wordt door de procureur-generaal of de auditeur-generaal overgezonden aan de Minister van Justitie en aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie. Voor het einde van de 33e maand van de opleiding dient de tweede stagemeester onverwijld bij de voorzitter van de rechtbank een uitvoerig verslag
omtrent het derde stadium van de opleiding. Een afschrift van dit verslag wordt door de eerste voorzitter overgezonden aan de bevoegde benoemingscommissie en aan de procureur-generaal of de auditeur-generaal, die het op zijn beurt toezendt aan de Minister van Justitie en aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie.
dien nodig zendt de tweede stagemeester, op dezelfde wijze, een aanvullend verslag over omtrent de laatste drie stagemaanden. § 3. De stage die toegang geeft tot het ambt van magistraat van het openbaar ministerie heeft een duur van 18 maanden. Zij behelst een theoretische opleiding bestaande uit een cyclus van cursussen georganiseerd door de Minister van Justitie overeenkomstig artikel 259bis-9, en een praktische vorming die verloopt
verschillende opeenvolgende stadia : - van de 1e tot en met de 12e maand bij het parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur en/of van de krijgsauditeur; deze periode omvat eveneens een maand
een administratieve dienst van een of meer parketten; - van de 13e tot en met de 15e maand
een strafinrichting van de Staat, een politiedienst of
een juridische dienst van een openbare economische of sociale
stelling; - van de 16e tot en met de 18e maand bij het parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur en/of van de krijgsauditeur. De gerechtelijk stagiair staat onder leiding van een stagemeester. Vooraf wijst de korpschef bij ieder parket twee magistraten van het openbaar ministerie aan die de taak van stagemeester zullen waarnemen. Vóór het einde van de 15e maand van de opleiding dient de stagemeester onverwijld bij de korpschef een uitvoerig verslag
omtrent het eerste en het tweede stadium van de opleiding. Een afschrift van dit verslag wordt aan de bevoegde benoemingscommissie overgezonden en door de procureur-generaal of de auditeur-generaal overgezonden aan de Minister van Justitie.
dien nodig zendt de stagemeester, op dezelfde wijze, een aanvullend verslag over omtrent de laatste drie stagemaanden. §
- Vóór het einde van de 11e maand brengt de stagiair de eerste stagemeester op de hoogte van zijn keuze omtrent het verdere verloop van zijn stage met toepassing van § 2 of van §
- De eerste stagemeester deelt dit mede aan de procureur-generaal, die het op zijn beurt meedeelt aan de Minister van Justitie. §
- Zowel de stagiair vermeld
§ 2
als de stagiair vermeld
§ 3
ontvangt een afschrift van het stageverslag.
dien de
houd van een of meer verslagen ongunstig is, geeft de korpschef advies, na de betrokkene te hebben gehoord. Van de
achtneming van dit voorschrift wordt melding gemaakt
het aan de Minister van Justitie toegezonden verslag. § 6. Wegens professionele ongeschiktheid of om ernstige redenen kan de Minister van Justitie de stage, op gemotiveerd advies van de korpschef en de bevoegde benoemingscommissie, vroegtijdig beëindigen, na de betrokkene te hebben gehoord, en met
achtneming van een opzegtermijn van drie maanden. De opzegtermijn gaat
na het verstrijken van de kalendermaand waarin de opzegging ter kennis wordt gebracht van de betrokkene.
dat geval is de betrokkene tijdens de opzegtermijn onderworpen aan het statuut van de tijdelijke ambtenaren bedoeld
de artikelen 8, 16 en 17 van het besluit van de Regent van 30 april 1947 houdende vaststelling van het statuut van het tijdelijk personeel. De stage kan om gegronde redenen worden geschorst door de Minister van Justitie, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de betrokkene.
geval van een onafgebroken schorsing of afwezigheid van meer dan een maand wordt de stage van rechtswege met eenzelfde termijn verlengd zonder dat deze verlenging meer dan een jaar kan bedragen
het kader van de stage bedoeld
§ 2
en zes maanden
het kader van de stage bedoeld
§ 3
. De Minister van Justitie kan de duur van de stage
een rechtbank of bij een parket met een of twee perioden van zes maanden verlengen wanneer bij het einde van respectievelijk de 36e maand of de 18e maand de benoeming van de stagiair niet kan plaatshebben bij gebrek aan een openstaande plaats waarvoor de stagiair
aanmerking komt voor benoeming. § 7. De gerechtelijke stagiairs benoemd overeenkomstig § 1 worden
die hoedanigheid
dienst genomen nadat zij de eed hebben afgelegd die bepaald is
artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/1831 pub. 26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten betreffende de eed. De stagiair heeft niet de hoedanigheid van magistraat. De stagiair heeft, voor de duur van de stage bij het parket van de procureur des Konings, voor de duur van de stage bij het parket van de arbeidsauditeur of voor de duur van de stage bij het parket van de krijgsauditeur, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier respectievelijk van de procureur des Konings, van de arbeidsauditeur en van de krijgsauditeur, maar mag
deze hoedanigheid niet optreden dan na aanstelling door de procureur-generaal of door de auditeur-generaal. Na 6 maanden stage kan hij door de procureur-generaal of door de auditeur-generaal worden aangesteld om het ambt van openbaar ministerie geheel of ten dele uit te oefenen, enkel voor de duur van de stage bij het parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur en/of van de krijgsauditeur.
geval van stage als bedoeld
§ 2
, kan de stagiair als griffier toegevoegd worden na 15 maanden stage overeenkomstig artikel 329.
geval van stage als bedoeld
§ 2
, staat de gerechtelijk stagiair de rechter of de rechters bij uit wie de kamer van de rechtbank waarvoor hem dienstaanwijzing is verleend, is samengesteld. Hij woont de beraadslagingen bij, maar kan geen rechter vervangen. Deze dienstaanwijzingen worden ter kennis gebracht van de stagemeester bedoeld
§ 2of § 3, en van de respectieve korpschef.
Het ambt van gerechtelijk stagiair is onverenigbaar met iedere andere bezoldigde betrekking. De Minister van Justitie kan evenwel op advies van de procureur-generaal of de auditeur-generaal, aan de belanghebbende toestemming verlenen tot het uitoefenen van de ambten bedoeld
artikel 294, eerste lid. § 8. De gerechtelijk stagiair ontvangt een jaarwedde gelijk aan die van een ambtenaar met de laagste graad van niveau 1, behorend tot het personeel der ministeries, maandelijks betaalbaar na vervallen termijn. Hij geniet de bijslagen, vergoedingen en bijkomende bezoldigingen die aan het personeel der ministeries worden toegekend. Artikel 362 is van toepassing. De wedde wordt gekoppeld aan het
dexcijfer 138,01. De gehele wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers, met uitzondering van die betreffende de jaarlijkse vakantie, is op de gerechtelijk stagiair toepasselijk. » Art. 48.
deel II, boek I, titel VI van hetzelfde Wetboek wordt na artikel 259octies een hoofdstuk Vquinquies
gevoegd, luidende : « HOOFDSTUK Vquinquies. - De evaluatie van magistraten Afdeling I. - Algemene bepalingen Art. 259nonies.De werkende beroepsmagistraten worden onderworpen aan een gemotiveerde schriftelijke evaluatie, hetzij een periodieke evaluatie wanneer het een benoeming betreft, hetzij een evaluatie van het mandaat wanneer het een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat betreft. Deze evaluaties geschieden binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijnen bepaald
dit hoofdstuk. Er kan vervroegd worden overgegaan tot een nieuwe evaluatie wanneer zich sedert de laatste evaluatie bijzondere feiten hebben voorgedaan of bijzondere vaststellingen zijn gedaan. De periodieke evaluatie kan leiden tot een beoordeling « zeer goed », « goed », « voldoende » of « onvoldoende ». De evaluatie van de titularissen van een adjunct-mandaat en van een bijzonder mandaat kan leiden tot een beoordeling « goed » of « onvoldoende ». De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de
houd van een rechterlijke beslissing, en geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de
tellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten. De Koning bepaalt op voorstel van de Hoge Raad de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten en mandaten, en stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op. De evaluatie wordt voorafgegaan door een of meerdere functioneringsgesprekken tussen de geëvalueerde en ten minste een van zijn beoordelaars. De korpschef zendt bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene. De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan de korpschef, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt en een afschrift zendt aan de Minister van Justitie. Binnen tien dagen na de ontvangst van de opmerkingen, zendt de korpschef een afschrift van de definitieve beoordeling aan de Minister van Justitie en bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene. De evaluatiedossiers berusten bij de korpschef. Een afschrift van de beoordelingen wordt bewaard bij de Minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen
gekeken worden. Afdeling II. - De periodieke evaluatie Art. 259decies.§ 1. De periodieke evaluatie van een magistraat vindt de eerste maal plaats een jaar te rekenen van de eedaflegging
het ambt waarin hij moet beoordeeld worden en vervolgens om de drie jaar. § 2. De evaluatie geschiedt bij volstrekte meerderheid van stemmen door de korpschef en twee magistraten, verkozen door de algemene vergadering of de korpsvergadering. De beoordelaars moeten ten minste de beoordeling « goed » hebben. De twee magistraten worden verkozen voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar uit de leden van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege. Telt het rechtscollege of het openbaar ministerie bij een rechtscollege minder dan vijf leden
de personeelsformatie, dan geschiedt de evaluatie door de korpschef.
de rechtscolleges met zetel te Brussel en het openbaar ministerie bij deze rechtscolleges worden met het oog op de evaluatie uit en door elke taalgroep van de algemene vergadering of de korpsvergadering twee magistraten gekozen die samen met de korpschef belast zijn met de evaluatie van de magistraten die behoren tot hun taalrol. Heeft de evaluatie betrekking op het ambt van toegevoegd substituut-procureur des Konings, toegevoegd substituut-arbeidsauditeur of toegevoegd rechter, dan geschiedt deze, al naar gelang het geval, door de korpschef van het hof van beroep, van het arbeidshof of van het openbaar ministerie bij deze rechtscolleges
het rechtsgebied waar de benoeming is gebeurd samen met de twee magistraten die verkozen zijn door de algemene vergadering of de korpsvergadering van het rechtscollege waar de betrokkene werkzaam is. §
- De beoordeling « onvoldoende » geeft aanleiding tot de toepassing van artikel 360ter. Afdeling III. - De evaluatie van mandaten Art. 259undecies.§
- De evaluatie van de titularissen van een adjunct-mandaat en van een bijzonder mandaat vindt plaats op het einde van elke termijn waarvoor het mandaat is verleend en geschiedt uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de termijn op de wijze bedoeld
artikel 259decies, § 2, met uitzondering van de bijstandsmagistraat en de federaal magistraat die worden onderworpen aan een evaluatie door het college van procureurs-generaal. § 2. Krijgt de titularis van een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat de beoordeling « goed », dan wordt zijn mandaat hernieuwd. Is de beoordeling « onvoldoende » dan is, al naar gelang het geval, de procedure bedoeld
artikel 259quinquies of 259sexies van toepassing. De titularissen van een adjunct-mandaat die na negen jaar vast aangewezen zijn, worden onderworpen aan een periodieke evaluatie. » Art. 49.
deel II, boek I, titel VI van hetzelfde Wetboek wordt na artikel 259undecies een hoofdstuk Vsexies
gevoegd, luidende : « HOOFDSTUK Vsexies. - Referendarissen bij het Hof van Cassatie Art. 259duodecies.Om tot referendaris bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men volle vijfentwintig jaar oud zijn en doctor of licentiaat
de rechten zijn. De kandidaten worden met het oog op hun benoeming gerangschikt op grond van een vergelijkend examen. Het Hof stelt de examenstof vast rekening houdend met de behoeften van de dienst. Het bepaalt de voorwaarden van het vergelijkend examen en stelt de examencommissies aan. Met
achtneming van het taalevenwicht bestaat elke examencommissie uit twee leden van het Hof aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, twee leden van het parket aangewezen door de procureur-generaal bij het Hof en vier buiten de
stelling staande personen die door de Koning worden aangewezen uit twee lijsten van vier kandidaten, elk met
achtneming van het taalevenwicht, die respectievelijk door de eerste voorzitter en procureur-generaal voorgedragen worden. De examenuitslag blijft drie jaar geldig. Art. 259terdecies.De referendarissen worden door de Koning benoemd voor een stage van drie jaar volgens de rangschikking bedoeld
artikel 259duodecies. Na drie jaar wordt de benoeming definitief tenzij de Koning, uitsluitend op voorstel van al naar het geval de eerste voorzitter of de procureur-generaal, anders beslist, ten laatste tijdens het derde kwartaal van het derde stagejaar. De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij dit Hof wijzen
onderlinge overeenstemming de referendarissen-stagiairs en de definitief benoemde referendarissen aan die onder het gezag van de ene en die onder het gezag van de andere komen te staan. Art. 259quaterdecies.De jaren als referendaris bij het Hof van Cassatie doorgebracht, komen
aanmerking voor de berekening van de anciënniteit
elke administratieve of gerechtelijke functie of
een functie bij het Arbitragehof of bij de Raad van State, die de referendarissen nadien zouden bekleden. » Art. 50.Artikel 286 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 286.§ 1. Voor de ambten, de functies en bedieningen die
deze titel zijn bepaald moet men aan de bij de wet gestelde eisen
zake kennis van de landstalen hebben voldaan. § 2. Voor de ambten en functies bedoeld
de artikelen 187 tot 194, de artikelen 207 tot 209 en de artikelen 254 en 258, moeten de kandidaten de voorgeschreven juridische functies als houder van het diploma van doctor of licentiaat
de rechten en als voornaamste beroepsactiviteit hebben uitgeoefend. Art. 51.
artikel 287 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en
lichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten en gewijzigd bij de wetten van 1 december 1994 en 17 februari 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Elke kandidatuur voor een benoeming
de rechterlijke orde of voor een aanwijzing tot korpschef, tot bijstandsmagistraat of tot federaal magistraat moet op straffe van verval bij een ter post aangetekend schrijven aan de Minister van Justitie worden gericht binnen een termijn van een maand na de bekendmaking van de vacature
het Belgisch Staatsblad.Een koninklijk besluit kan de stukken vaststellen die bij de kandidatuur moeten worden gevoegd teneinde vast te stellen of aan de benoemings- of aanwijzingsvoorwaarden voldaan is. De bekendmaking van de vacature vermeldt,
voorkomend geval, binnen welke termijn de kandidaten kunnen vragen gehoord te worden met toepassing van de artikelen 259ter, 259quater en 259sexies, § 1, 3°. »; 2°
het tweede lid worden de woorden « zes maanden » vervangen door « negen maanden »;3°
het derde lid wordt tussen de woorden « benoeming » en « kan » de woorden « en aanwijzing »
gevoegd;4°
het vierde lid wordt tussen het woord « hoofdstukken » en het cijfer « VII » het cijfer « Vsexies, »
gevoegd. Art. 52.
artikel 288 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 17 februari 1997, 6 mei 1997, 9 juli 1997 en 10 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° een nieuw eerste lid wordt
gevoegd, luidend als volgt : « De
stallatie geschiedt bij elke benoeming, bij elke aanwijzing tot korpschef en bij elke eerste aanwijzing
een adjunct-mandaat.»; 2°
het huidige eerste lid wordt tussen de woorden « procureur-generaal, » en « de » en de woorden « beroep, » en « de » telkens de woorden « de eerste advocaat-generaal, »
gevoegd;3°
het huidige derde lid, tussen de woorden « procureurs des Konings » en de woorden « en hun substituten » de woorden « , hun eerste substituten »
voegen. Art. 53.Artikel 290 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 290.De eed moet worden afgelegd binnen een maand na de kennisgeving van de benoeming of de aanwijzing; anders kan deze als niet-bestaande worden beschouwd. » Art. 54.
artikel 310 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1970 en 17 februari 1997, worden de woorden « De advocaten-generaal, naar orde van hun benoeming; » vervangen door de woorden « De advocaten-generaal naar orde van hun aanwijzing. » Art. 55.
artikel 311 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 17 februari 1997 en 9 juli 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « advocaten-generaal bij het arbeidshof, naar orde van hun benoeming;» worden vervangen door de woorden « advocaten-generaal bij het arbeidshof, naar orde van hun aanwijzing; »; 2° de woorden « substituten-generaal bij het arbeidshof, naar dezelfde orde;» worden vervangen door de woorden « substituten-generaal bij het arbeidshof, naar orde van hun benoeming; ». Art. 56.
artikel 312 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 17 februari 1997 en 10 februari 1998, worden de woorden « de rechters en,
voorkomend geval, de toegevoegde rechters
de volgorde van hun benoeming; » vervangen door de woorden « de rechters en de toegevoegde rechters
de volgorde van hun benoeming; » en de woorden « de substituut-procureurs des Konings en de substituut-arbeidsauditeurs, naar orde van hun benoeming; » door de woorden « de substituut-procureurs des Konings, de substituut-arbeidsauditeurs, de toegevoegde substituut-procureurs des Konings en de toegevoegde substituut-arbeidsauditeurs, naar orde van hun benoeming als substituut of toegevoegde substituut; ». Art. 57.
artikel 312bis van hetzelfde Wetboek,
gevoegd bij de wet van 17 februari 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende
stemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid sluiten, worden tussen de woorden « De vrederechter; » en « De plaatsvervangende vrederechters » de woorden « De toegevoegde vrederechter; »
gevoegd. Art. 58.
artikel 312ter van hetzelfde Wetboek,
gevoegd bij de wet van 17 februari 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende
stemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid sluiten, wordt tussen de woorden « hun benoeming; » en « De plaatsvervangende rechters » de volgende zin
gevoegd : « De toegevoegde rechters
dezelfde volgorde; ». Art. 59.Artikel 319 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 319.De korpschef die verhinderd is de hem bepaaldelijk opgedragen ambtsverrichtingen te vervullen, wordt vervangen door de magistraat die hij daartoe aanwijst. Wanneer de korpschef geen vervanger heeft aangewezen, wordt hij vervangen door een adjunct-mandaathouder naar orde van dienstanciënniteit of bij ontstentenis van deze door een ander magistraat naar orde van dienstanciënniteit. De vervanger moet voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als de korpschef. De vervanging neemt van rechtswege een einde bij het bereiken van de leeftijdsgrens bedoeld
artikel 383, § 1. » Art. 60.Artikel 320 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 320.Behoudens andersluidende bepalingen regelen de korpschefs van de hoven en rechtbanken of van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken voor de dienst van de zitting de vervangingen
geval van verhindering of vacature van adjunct-mandaathouders of bijzondere mandaathouders. » Art. 61.
hetzelfde Wetboek wordt na het artikel 323 een artikel 323bis
gevoegd, luidend als volgt : « Art. 323bis.
de bij de wet bepaalde gevallen kan een lid van de zittende magistratuur een opdracht vervullen. Is de opdracht voltijds, dan kan voor magistraten van het hof van beroep of het arbeidshof
de vervanging worden voorzien door een benoeming, en
voorkomend geval, een aanwijzing
overtal. De magistraten die een opdracht vervullen, behouden hun plaats op de ranglijst en worden geacht hun ambt of functie te hebben uitgeoefend. Zij behouden hun wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden. De korpschef die een opdracht aanvaardt, verliest zijn mandaat van korpschef maar behoudt de wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden. Op het einde van de opdracht valt hij onder de toepassing van artikel 259quater, § 4. » Art. 62.Artikel 324 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven. Art. 63.Artikel 325, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven. Art. 64.
artikel 326 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1990, worden het tweede en derde lid vervangen door de volgende bepalingen : « Bovendien wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur-generaal bij een hof van beroep aan een magistraat van zijn parket-generaal of een magistraat van een parket van de procureur des Konings van zijn rechtsgebied opdracht geven om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen bij een ander parket van hetzelfde rechtsgebied. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur-generaal bij een hof van beroep aan een magistraat van zijn auditoraat-generaal of een magistraat van een arbeidsauditoraat van zijn rechtsgebied opdracht geven om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen bij een ander auditoraat van hetzelfde rechtsgebied. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de Minister van Justitie, op gelijkluidend advies van de bevoegde procureurs-generaal, aan een magistraat van een parket-generaal bij een hof van beroep of van een parket van de procureur des Konings opdracht geven om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen bij een parket van een ander rechtsgebied. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de Minister van Justitie, op gelijkluidend advies van de bevoegde procureurs-generaal, aan een magistraat van een auditoraat-generaal bij een arbeidshof of van een arbeidsauditoraat opdracht geven om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen bij een auditoraat-generaal of een auditoraat van een ander rechtsgebied. » Art. 65.
artikel 327 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 juli 1974 en gewijzigd bij de wetten van 17 juli 1978 en 1 december 1994, wordt het zesde lid vervangen door wat volgt : « Bij toepassing van de voorgaande leden op een korpschef is artikel 323bis, derde lid, van toepassing. » Art. 66.
artikel 327bis van hetzelfde Wetboek,
gevoegd bij de wet van 6 augustus 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/08/1993 pub. 18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende
stemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de
ternationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom. 06/08/1993 pub. 04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het
ternationaal Verdrag ter oprichting van een
ternationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten, worden het derde en het vierde lid vervangen door de volgende bepalingen « Artikel 327, vijfde en zesde lid, is van toepassing op deze magistraten. Voor zover het een voltijdse opdracht betreft kan
de vervanging van een magistraat bij het hof van beroep of het arbeidshof worden voorzien door een benoeming en,
voorkomend geval, een aanwijzing
overtal. » Art. 67.Artikel 340 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 340.§ 1. Bij elk hof en elke rechtbank wordt een algemene vergadering
gesteld. § 2. De algemene vergadering wordt bijeengeroepen : 1° hetzij om te beraadslagen en te beslissen over onderwerpen die voor alle kamers van belang zijn, hetzij ter behandeling van zaken van openbare orde die tot de bevoegdheid van het hof of de rechtbank behoren;2° voor het opstellen van een verslag en het doen van voorstellen, vóór 15 oktober van elk jaar, over de werking van het rechtscollege. Dit verslag wordt door de korpschef overgezonden aan de Hoge Raad voor de Justitie en door de procureur-generaal bij het hof van beroep en bij het Hof van Cassatie aan de Minister van Justitie; 3° voor de verkiezing van de magistraten belast met de evaluatie en hun plaatsvervangers;4° voor de aanwijzing
de adjunct-mandaten;5° voor de voordrachten bij de aanwijzing
de bijzondere mandaten. § 3. De algemene vergadering van de hoven van beroep en de arbeidshoven wordt eveneens bijeengeroepen : 1° voor de adviezen bedoeld
artikel 259ter, § 3, en 259quater, § 2, 2°;2° wanneer de eerste voorzitter na kennisgeving door een lid van het hof dat het aangifte wenst te doen
enige tot de bevoegdheid van het hof behorende zaak van openbare orde, de bijeenroeping van het hof dienstig acht.
dien de eerste voorzitter het niet nodig heeft geacht het hof bijeen te roepen, kan degene die een aangifte wenste te doen, zijn kamer
lichten over de zaak welke hij voornemens was aan te geven;
dien de kamer, na beraadslaging, om bijeenroeping van de algemene vergadering verzoekt, is de eerste voorzitter gehouden daarop
te gaan. Bovendien wordt de algemene vergadering van het hof van beroep bijeengeroepen om : 1° een van zijn leden te horen
de aangifte van misdaden en wanbedrijven;het kan de procureur-generaal ontbieden om hem bevel tot vervolging wegens die feiten te geven of om hem de reeds
gestelde vervolging te horen verantwoorden; 2° elk jaar
de loop van de maand september de hangende zaken te onderzoeken en hierover uiterlijk op 15 oktober verslag uit te brengen;3° een verslag op te stellen met betrekking tot de gerechtelijke achterstand binnen het hof.Heeft het verslag betrekking op de werking van het hof van beroep, dan bevat dit tevens de vaststellingen en voorstellen van de eerste voorzitter; 4°
een meerjarenplan maatregelen voor te stellen die strekken tot het wegwerken van de achterstand
het rechtsgebied. De verslagen bedoeld
2°, 3° en 4° worden door toedoen van de procureur-generaal overgezonden aan de Hoge Raad voor de Justitie en aan de Minister van Justitie, die ze meedeelt aan de Ministerraad en aan de voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat. § 4. De algemene vergadering van het Hof van Cassatie wordt eveneens bijeengeroepen om : 1° de adviezen bedoeld
artikel 259ter, § 3, en 259quater, § 2, 2°, op te stellen;2° jaarlijks een activiteitenverslag op te maken en bekend te maken dat onder meer een stand van de zaken die hangende zijn bevat;3°
een vierjarenplan maatregelen te formuleren die, zonder dat zij afbreuk doen aan het vervullen van zijn rechtsprekende taak, kunnen bijdragen tot het wegwerken van de gerechtelijke achterstand van het Hof van Cassatie;4° elk jaar
de loop van de maand september de stand van de zaken die hangende zijn te onderzoeken en hierover uiterlijk op 15 oktober verslag uit te brengen aan de Minister van Justitie en aan de voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat; § 5. De algemene vergaderingen worden, al naar gelang, bijeengeroepen : 1° door de eerste voorzitter of de voorzitter;2° wanneer een vierde van de leden er om verzoekt;3° op de met redenen omklede vordering van de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur.
dit geval geschiedt de bijeenroeping binnen drie dagen na de vordering. Telkens wanneer de algemene vergadering wordt bijeengeroepen, geeft de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan kennis aan de Minister van Justitie onder opgave van de zaak waarover de algemene vergadering zal beraadslagen en beslissen. Er wordt over geen andere zaak beraadslaagd dan die waarvoor de bijeenroeping is geschied. De algemene vergadering mag de gang van de zittingen
geen geval verhinderen of onderbreken. » Art. 68.Artikel 341 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 17 juli 1984 en 9 juli 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 341.§ 1. De algemene vergadering bestaat uit : 1° de leden bedoeld
artikel 129, eerste lid, voor het Hof van Cassatie;2° de leden bedoeld
de artikelen 101, tweede lid, en 102, § 1, voor de hoven van beroep;3° de leden bedoeld
artikel 103, tweede en derde lid, voor de arbeidshoven;4° de leden bedoeld
de artikelen 77, eerste lid, en 87, eerste lid, voor de rechtbanken van eerste aanleg;5° de leden bedoeld
de artikelen 82 en 87, eerste en derde lid, voor de arbeidsrechtbanken;6° de leden bedoeld
de artikelen 85 en 87, eerste en derde lid, voor de rechtbanken van koophandel;7° de leden van de algemene vergadering van de rechtbank van eerste aanleg en de leden bedoeld
de artikelen 59, 60, 64 en 69 voor de vredegerechten en de politierechtbanken gelegen binnen hetzelfde gerechtelijk arrondissement. § 2.
de gevallen bedoeld
artikel 340, § 2, 3°, 4° en 5°, en § 3, 1°, maken de plaatsvervangende magistraten, de rechters
handelszaken en de raadsheren en rechters
sociale zaken geen deel uit van de algemene vergadering. § 3.
de gevallen bedoeld
artikel 340, § 2, 2° en § 3, 2° woont de procureur-generaal of, naar gelang van het geval, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur de algemene vergadering bij. Hij kan zijn vorderingen
de registers laten optekenen. § 4. Wanneer de hoven
algemene vergadering kennis nemen van tuchtvervolgingen, bestaat die vergadering uit de elf naar rangorde eerste leden van het hof of degenen die hen vervangen. » Art. 69.Artikel 342 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 342.§
- De algemene vergadering kan slechts geldig beraadslagen of stemmen als de meerderheid van de leden aanwezig is. §
- Iedere beslissing wordt genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. De verkiezingen, de voordrachten, de aanwijzingen en de adviezen geschieden afzonderlijk en bij geheime stemming; verkrijgt geen kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen, dan wordt herstemd over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald. §
- Bij staking van stemmen beslist al naar gelang, de eerste voorzitter, de voorzitter, de magistraat die hen vervangt of de door de algemene vergadering aangewezen voorzitter. §
- Het is de magistraten verboden aan de beraadslaging en de stemming deel te nemen
geval van een persoonlijk of strijdig belang. » Art. 70.Artikel 342bis van hetzelfde Wetboek,
gevoegd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten, wordt opgeheven. Art. 71.Artikel 343 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 343.
afwijking van artikel 60, § 3, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen
gerechtszaken Officieuze coördinatie
het Duits sluiten op het gebruik der talen
gerechtszaken, worden niet geacht te zijn verhinderd, de raadsheren
het Hof van Cassatie die onbekend zijn met de taal welke op de algemene vergaderingen, de zittingen van de verenigde kamers of op de voltallige zittingen van iedere kamer dient te worden gebruikt. Nemen zulke raadsheren zitting, dan wordt simultaanvertaling
gericht opdat zij alle debatten op de openbare zitting kunnen volgen, en voor de raadkamerdebatten of voor het beraad treedt als tolk een magistraat op die van de kennis van beide landstalen heeft doen blijken. » Art. 72.Artikel 344 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 344.Op de algemene vergadering van de hoven en rechtbanken wordt dienst gedaan door de hoofdgriffier. De griffier maakt proces-verbaal van de verrichtingen op. Dat proces-verbaal vermeldt de naam van de leden die van de algemene vergadering deel uitmaakten en eventueel van de magistraat van het openbaar ministerie die erop aanwezig was. Het wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend. » Art. 73.Artikel 345 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 345.Het Hof van Cassatie en de hoven van beroep komen ieder jaar na de vakantie
algemene en openbare vergadering bijeen. De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie of een van de advocaten-generaal die hij daarmee belast heeft, houdt een rede over een bij die gelegenheid passend onderwerp. De procureur-generaal bij het hof van beroep geeft aan hoe binnen het rechtsgebied recht is gesproken en wijst op de misbruiken die hij heeft vastgesteld. Bovendien kan hij,
dien hij zulks nuttig acht, een rede houden over een bij die gelegenheid passend onderwerp. Hij kan een van de advocaten-generaal opdragen deze rede te houden. De procureurs-generaal doen aan de Minister van Justitie een afschrift van hun rede toekomen. » Art. 74.
deel II, boek II, titel II van hetzelfde Wetboek, worden de artikelen 346 tot 352 ondergebracht
een nieuw hoofdstuk VIbis met als opschrift : « De korpsvergadering ». Art. 75.Artikel 346 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 346.§ 1. Voor elk parket bij elk hof en elke rechtbank wordt een korpsvergadering
gesteld. § 2. De korpsvergadering