← België

Wet tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aa

Kort samengevat

Deze wet wijzigt delen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten, en de invoering van een evaluatiesysteem. Het doel is om de organisatie en werking van de rechterlijke macht te moderniseren en te verbeteren.

Wat het regelt

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
22 DECEMBER 1998. - Wet tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het Gerechtelijk Wetboek Art. 2.In deel II, boek I, van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 58bis ingevoegd, luidende : « Art. 58bis.In dit wetboek wordt verstaan onder : 1° benoemingen : de benoeming tot vrederechter, rechter in de politierechtbank, toegevoegd vrederechter, toegevoegd rechter in de politierechtbank, plaatsvervangend rechter in een vredegerecht of in een politierechtbank, rechter en toegevoegd rechter in de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, plaatsvervangend rechter, substituut-procureur des Konings, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in handelszaken, toegevoegd substituut-procureur des Konings, substituut-arbeidsauditeur en toegevoegd substituut-arbeidsauditeur, substituut-krijgsauditeur, raadsheer in het hof van beroep en in het arbeidshof, plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep bedoeld in artikel 207bis, § 1, substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep, substituut-generaal bij het arbeidshof, substituut-auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof, raadsheer in het Hof van Cassatie en advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie;2° korpschef : de titularis van de mandaten van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, procureur des Konings, arbeidsauditeur, krijgsauditeur, eerste voorzitter van het hof van beroep en van het arbeidshof en voorzitter van het Militair Gerechtshof, procureur-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof, auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof, federale procureur-generaal, eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, procureur-generaal bij het Hof van Cassatie;3° adjunct-mandaat : de mandaten van ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, eerste substituut-procureur des Konings, eerste substituut-arbeidsauditeur, eerste substituut-krijgsauditeur, kamervoorzitter in het hof van beroep en in het arbeidshof, eerste advocaat-generaal en advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof, eerste advocaat-generaal en advocaat-generaal bij het Militair Gerechtshof, voorzitter en afdelingsvoorzitter in het Hof van Cassatie en eerste advocaat- generaal bij het Hof van Cassatie;4° bijzonder mandaat : de mandaten van onderzoeksrechter, rechter in de jeugdrechtbank, beslagrechter, jeugdrechter in hoger beroep, bijstandsmagistraat en federaal magistraat.» Art. 3.In artikel 79 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991, 21 januari 1997 en 10 maart 1997 worden het tweede, het derde en het vierde lid opgeheven. Art. 4.Artikel 80 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991 en 10 maart 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 80.Bij verhindering van een onderzoeksrechter, een beslagrechter of een rechter in de jeugdrechtbank, wijst de voorzitter van de rechtbank een werkend rechter aan om hem te vervangen. Bovendien kan de voorzitter van de rechtbank, indien de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, bij wijze van uitzondering en na het advies van de procureur des Konings te hebben ingewonnen, een werkend rechter aanwijzen om de voornoemde ambten gedurende een termijn van ten hoogste een jaar waar te nemen, die tweemaal kan worden hernieuwd. Om te kunnen worden aangewezen als onderzoeksrechter, moet de werkende rechter de opleiding hebben gevolgd, bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid. De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt; voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn bij de rechter in de jeugdrechtbank of de beslagrechter, blijft de opdracht gelden tot aan het eindvonnis. » Art. 5.In artikel 90 van hetzelfde Wetboek wordt voor het enige lid een nieuwlid ingevoegd, luidend als volgt : « De voorzitter is belast met de organisatie van de werkzaamheden en de verdeling van de zaken overeenkomstig het reglement van de rechtbank. Hij kan een of meer ondervoorzitters aanwijzen om hem bij te staan. » Art. 6.In artikel 100 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1970, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De rechters in en de substituten bij de rechtbanken van eerste aanleg kunnen, al naargelang het geval, gelijktijdig benoemd worden in of bij verschillende rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep.»; 2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Het eerste lid is eveneens van toepassing in de arbeidsrechtbanken, voor de rechters en de substituten-arbeidsauditeur, alsmede in de rechtbanken van koophandel voor de rechters.» Art. 7.In artikel 101 van hetzelfde Wetboek worden het derde, het vierde en het vijfde lid, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten, opgeheven. Art. 8.In artikel 106 van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wetten van 19 juli 1985 en 1 december 1994, wordt het vierde lid vervangen door de volgende bepaling : « De reglementen van het hof van beroep en van het arbeidshof gevestigd te Luik bepalen welke kamers kennis nemen van zaken in het Duits alsook hun samenstelling. » Art. 9.In artikel 106bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten, wordt de laatste volzin vervangen als volgt : « Na beraadslaging door de Wetgevende Kamers over de verslagen van de eerste voorzitter, zoals bedoeld in artikel 112, eerste lid, kan de duur door de Koning worden verlengd wanneer de noodzaak daartoe blijkt. » Art. 10.Artikel 109, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De eerste voorzitter is belast met de organisatie van de werkzaamheden en de verdeling van de zaken overeenkomstig het reglement van het hof. Hij kan een of meer kamervoorzitters aanwijzen om hem bij te staan. » Art. 11.Artikel 112 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 112.De eerste voorzitter is belast met het opmaken van een activiteitenverslag. Dit activiteitenverslag dient onder meer na te gaan wat het effect is van de maatregelen die zijn genomen om de gerechtelijke achterstand weg te werken. Dit verslag wordt meegedeeld aan de Minister van Justitie, die het aan de Wetgevende Kamers overzendt. Behoudens andersluidende bepalingen zit de eerste voorzitter de verenigde kamers en de plechtige zittingen voor. Hij houdt volgens de behoeften van de dienst zitting in de gewone kamers in welk geval hij deze voorzit. » Art. 12.In artikel 121, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden in het eerste lid de woorden « oudstbenoemde ondervoorzitters en rechters » vervangen door de woorden « oudste ondervoorzitters en rechters in rang ». Art. 13.In artikel 129 van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid, toegevoegd bij de wet van 3 januari 1980 vervangen door de volgende bepaling : « Onder de raadsheren worden vier afdelingsvoorzitters aangewezen. » Art. 14.De artikelen 136bis en 136ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 mei 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1997 pub. 25/06/1997 numac 1997009448 bron ministerie van justitie Wet strekkende tot de bespoediging van de procedure voor het Hof van Cassatie sluiten, worden opgeheven. Art. 15.In artikel 142 van hetzelfde Wetboek worden het tweede en het derde lid vervangen door de volgende bepaling : « De procureur-generaal wordt bijgestaan door een eerste advocaat-generaal en door advocaten-generaal, die onder zijn toezicht en leiding hun ambt uitoefenen. » Art. 16.Artikel 144 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 144.De procureur-generaal bij het hof van beroep wordt bijgestaan door een eerste advocaat-generaal, advocaten-generaal en substituut-procureurs-generaal, die onder zijn toezicht en leiding hun ambt uitoefenen. » Art. 17.In artikel 144bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 maart 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2 wordt opgeheven;2° § 3 wordt § 2. Art. 18.Artikel 145 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij wet van 7 juli 1975, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 145.Er is een arbeidsauditoraat-generaal bij ieder arbeidshof. Dit bestaat uit een eerste advocaat-generaal, een of meer advocaten-generaal en een of meer substituten-generaal die er, onder het toezicht en de leiding van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uitoefenen. » Art. 19.In artikel 151 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1986, 28 december 1990 en 17 juli 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De procureur des Konings wordt bijgestaan door een of meer substituten waarvan een of meer gespecialiseerd zijn in handelszaken. Hij kan worden bijgestaan door een of meer substituten gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden en door een of meer toegevoegde substituten aan wie opdracht is gegeven overeenkomstig artikel 326, eerste lid. Zij staan onder zijn toezicht en leiding. »; 2° het derde lid wordt opgeheven;3° het laatste lid wordt opgeheven. Art. 20.In artikel 153 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1990, wordt het laatste lid opgeheven. Art. 21.In het artikel 156bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 1984 en gewijzigd bij de wet van 10 februari 1998, worden in het eerste lid tussen de woorden « leeftijd » en « op rust » de woorden « overeenkomstig artikel 383, § 1 » ingevoegd. Art. 22.In deel II, boek I, titel VI, wordt onder hoofdstuk I van hetzelfde Wetboek een artikel 186bis ingevoegd, luidende : « Art. 186bis.Voor de toepassing van deze titel : - treedt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op als korpschef van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van zijn gerechtelijk arrondissement; - zijn voor de berekening van de termijnen de bepalingen van de artikelen 50, eerste lid, 52, eerste lid, 53 en 54 van toepassing. » Art. 23.In artikel 187 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991 en 6 mei 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden « artikel 259bis » vervangen door de woorden « artikel 259bis-9, § 1 » en de woorden « artikel 259quater », vervangen door de woorden « artikel 259octies »;2° in § 2, eerste lid, word het 1° aangevuld als volgt : « of gedurende twaalf jaar juridische functies hebben uitgeoefend, waarvan ten minste drie jaar in een gerechtelijk ambt.»; 3° in § 2, eerste lid, wordt het 3° opgeheven;4° in § 2, derde lid, worden de woorden « bedoeld in het 1°, 2° en 3° van deze paragraaf » vervangen door de woorden « bedoeld in het 1° en 2° van deze paragraaf ». Art. 24.Artikel 189 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991 en 6 mei 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 189.§ 1. Om tot voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel te worden aangewezen moet de kandidaat : 1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;2° hetzij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen. § 2. Om tot ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van rechter in hetzelfde rechtscollege uitoefenen. » Art. 25.Artikel 190 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, wordt opgeheven. Art. 26.In artikel 191 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991, 1 december 1994, 6 mei 1997 en 10 februari 1998, dat artikel 190 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden « artikel 259bis » vervangen door de woorden « artikel 259bis-9, § 1 » en de woorden « artikel 259quater, § 2 » vervangen door de woorden « artikel 259octies, § 2 »;2° in § 2, 3°, worden de woorden « een juridisch ambt hebben vervuld in een openbare of private dienst » vervangen door de woorden « juridische functies hebben uitgeoefend in een openbare of private dienst ». Art. 27.In artikel 191bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd hij de wetten van 1 december 1994 en 10 februari 1998, dat artikel 191 wordt, worden de woorden « artikel 259quater, § 3 » vervangen door de woorden « artikel 259octies, § 3 ». Art. 28.Artikel 193 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 193.§ 1. Om tot procureur des Konings of tot arbeidsauditeur te worden aangewezen, moet de kandidaat : 1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;2° hetzij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen. § 2. Om tot eerste substituut-procureur des Konings of eerste substituut-arbeidsauditeur te worden aangewezen moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van substituut-procureur des Konings of substituut-arbeidsauditeur bij hetzelfde rechtscollege uitoefenen. » Art. 29.In artikel 194 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991, 1 december 1994 en 6 mei 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 1.Om tot substituut-procureur des Konings, toegevoegd substituut-procureur des Konings, substituut-arbeidsauditeur of toegevoegd substituut-arbeidsauditeur te worden benoemd moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij artikel 259bis-9, § 1, voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt. »; 2° in § 2, 1°, worden de woorden « een juridisch ambt hebben vervuld in een openbare of private dienst » vervangen door de woorden « juridische functies hebben uitgeoefend in een openbare of private dienst »;3° in § 4 worden in het eerste lid de woorden « een in § 2, 1°, bedoeld juridisch ambt hebben vervuld voor zover dit een ambt in fiscale zaken betreft » vervangen door de woorden « juridische functies bedoeld in § 2, 1°, hebben vervuld, voor zover het voor fiscale zaken relevante functies betreft ». Art. 30.Artikel 196 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 16 juli 1993 en 17 januari 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 196.In de rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden elf titularissen van het mandaat van ondervoorzitter aangewezen door de Franse taalgroep van de algemene vergadering en negen titularissen door de Nederlandse taalgroep van de algemene vergadering als de voorzitter Franstalig is. In de rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden twaalf titularissen van het mandaat van ondervoorzitter aangewezen door de Franse taalgroep van de algemene vergadering en acht titularissen door de Nederlandse taalgroep van de algemene vergadering als de voorzitter Nederlandstalig is. Wanneer in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de aanwijzing van een voorzitter leidt tot de wijziging in de verhouding van het aantal adjunct-mandaten per taalrol, blijft een titularis van een adjunct-mandaat in overtal tot aan de eerste nuttige vacature. ». Art. 31.In artikel 197 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « door de Koning benoemd » vervangen door de woorden « , al naar gelang, door de Koning benoemd of aangewezen ». Art. 32.In artikel 203 van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid aangevuld met woorden « , overeenkomstig artikel 287, eerste lid ». Art. 33.Artikel 207 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 207.§ 1. Om tot eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste zeven jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie. § 2. Om tot kamervoorzitter in het hof van beroep of in het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van raadsheer in hetzelfde hof uitoefenen. § 3. Om tot raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof te worden benoemd moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en : 1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;2° hetzij voor het bij artikel 259bis-9, § 1, voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn en sedert ten minste vijftien jaar ononderbroken werkzaam zijn als advocaat;3° hetzij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of van het openbaar ministerie uitoefenen.» Art. 34.Paragraaf 3 van artikel 207bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten, wordt opgeheven. Art. 35.Artikel 208 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 208.Om tot procureur-generaal bij het hof van beroep of federale procureur-generaal bij het federaal parket te worden aangewezen moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste zeven jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie. » Art. 36.Artikel 209 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art 209. § 1. Om tot eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat gedurende ten minste drie jaar de functie van advocaat-generaal respectievelijk bij hetzelfde hof van beroep of bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend. Om tot advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar respectievelijk het ambt van substituut-procureur-generaal bij hetzelfde hof van beroep of substituut-generaal bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend. § 2. Om tot substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep of substituut-generaal bij het arbeidshof te worden benoemd moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 207, § 3. » Art. 37.Artikel 210 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 210.De voorzitter en de raadsheren die alleen zitting houden in de gevallen bedoeld in artikel 109bis, § 1, 2° en 3°, en § 2, worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep, op schriftelijk en met redenen omkleed advies van de procureur-generaal, gekozen uit de raadsheren die sedert ten minste drie jaar zijn benoemd en, bij gebreke daarvan, uit de raadsheren die sedert ten minste een jaar zijn benoemd. De magistraten bedoeld in het vorige lid en de jeugdrechter in hoger beroep kunnen ook volgens hun rang zitting nemen in de andere kamers van het hof. » Art. 38.Worden opgeheven in hetzelfde Wetboek : 1° artikel 210bis, ingevoegd bij de wet van 19 juli 1985 en gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten;2° artikel 210ter, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten. Art. 39.Artikel 211 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 17 januari 1995 en 9 juli 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 211.Voor het hof van beroep te Brussel worden door elke taalgroep van de algemene vergadering evenveel kamervoorzitters aangewezen. Voor het hof van beroep te Brussel worden negenentwintig raadsheren en eenentwintig plaatsvervangende raadsheren voorgedragen door de Franstalige benoemingscommissie en zevenentwintig raadsheren en eenentwintig plaatsvervangende raadsheren door de Nederlandstalige benoemingscommissie. De voordracht van een openstaande plaats van raadsheer of plaatsvervangend raadsheer geschiedt door de benoemingscommissie die de magistraat heeft voorgedragen ten gevolge van wiens vertrek de plaats is opengevallen. » Art. 40.Worden opgeheven in hetzelfde Wetboek : 1° artikel 212, gewijzigd bij de wet van 17 januari 1995;2° artikel 213, gewijzigd hij de wetten van 28 december 1990, 16 juli 1993, 9 juli 1997 en 20 juli 1998;3° artikel 213bis, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1997 pub. 13/08/1997 numac 1997009638 bron ministerie van justitie Wet houdende maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep type wet prom. 09/07/1997 pub. 01/01/1998 numac 1997009637 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten sluiten;4° artikel 214, gewijzigd bij de wet van 17 januari 1995. Art. 41.Artikel 215 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 215.Onverminderd de bepalingen betreffende de benoeming van de werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken worden de eerste voorzitter, de kamervoorzitters, de raadsheren in het arbeidshof en de eerste advocaat-generaal, de advocaten-generaal en de substituten-generaal bij dit hof, al naar gelang, aangewezen of benoemd door de Koning op gezamenlijke voordracht van de ministers tot wier bevoegdheid Arbeid en Justitie behoort. » Art. 42.Artikel 254 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 254.§ 1. Om tot eerste voorzitter van het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie. § 2. Om tot voorzitter, in het Hof van Cassatie te worden aangewezen moet de kandidaat sedert tenminste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie. Om tot afdelingsvoorzittter in het Hof van Cassatie te worden aangewezen. moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend. § 3. Om tot raadsheer in het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste tien jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie. » Art. 43.De artikelen 255 tot 257 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 januari 1995, worden opgeheven. Art. 44.Artikel 258 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 258.§ 1. Om tot procureur-generaal bij het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie. § 2. Om tot eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie uitoefenen. § 3. Om tot advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 254, § 3. » Art. 45.In deel II, boek I, titel VI, van hetzelfde Wetboek wordt hoofdstuk Vbis, ingevoegd bij de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten en gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993, 11 juli 1994, 1 december 1994, 19 juli 1996 en 10 februari 1998, dat de artikelen 259bis, 259ter en 259quater bevat, vervangen door de volgende bepalingen : « HOOFDSTUK Vbis. - Hoge Raad voor de Justitie Afdeling I. - Samenstelling Art. 259bis-1. § 1. De Hoge Raad voor de Justitie zoals ingesteld door artikel 151 van de Grondwet, hierna te noemen « Hoge Raad », telt vierenveertig leden van Belgische nationaliteit. De Hoge Raad bestaat uit een Nederlandstalig en een Franstalig college van elk tweeëntwintig leden. Elk college telt elf magistraten en elf niet-magistraten. Alle leden moeten de burgerlijke en politieke rechten genieten en het bewijs leveren van goed gedrag en zeden. § 2. De groep magistraten bestaat per college ten minste uit : 1° een lid van een hof of van het openbaar ministerie bij een hof;2° een lid van de zittende magistratuur;3° een lid van het openbaar ministerie;4° een lid per rechtsgebied van het hof van beroep. De magistraten van het Hof van Cassatie, van de militaire rechtscolleges, de bijstandsmagistraten en de federale magistraten worden geacht deel uit te maken van het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel. § 3. De groep niet-magistraten telt per college ten minste vier leden van elk geslacht en bestaat uit ten minste : 1° vier advocaten met een beroepservaring van ten minste tien jaar balie;2° drie hoogleraren aan een universiteit of een hogeschool in de Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste tien jaar;3° vier leden die houder zijn van ten minste een diploma van een hogeschool van de Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste tien jaar op juridisch, economisch, administratief, sociaal of wetenschappelijk vlak. Ten minste één lid van het Franstalig college moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits. Afdeling II. - Aanstelling van de leden Art. 259bis-2. § 1. De magistraten worden verkozen bij rechtstreekse en geheime verkiezing uit de beroepsmagistraten in actieve dienst door een Nederlandstalig en een Franstalig kiescollege dat bestaat uit de beroepsmagistraten van de taalrol die overeenstemt met die van de benoeming. De stemming is verplicht en geheim. Op straffe van ongeldigheid van het stembiljet brengt elke kiezer drie stemmen uit waarvan, ten minste één voor een kandidaat van de zittende magistratuur, één voor een kandidaat van het openbaar ministerie en één voor een kandidaat van elk geslacht. De kandidaten worden per kiescollege gerangschikt in volgorde van het aantal behaalde stemmen. In de volgorde van het aantal behaalde stemmen zijn eerst de magistraten verkozen die voldoen aan de criteria bedoeld in artikel 259bis-1, § 2, in de aldaar bepaalde volgorde. Zodra aan de criteria bedoeld in artikel 259bis-1, § 2, is voldaan, zijn de magistraten verkozen in de volgorde van het aantal behaalde stemmen. De verkiezingsprocedure wordt geregeld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. § 2. De niet-magistraten worden door de Senaat benoemd met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen. Onverminderd het recht om zich individueel kandidaat te stellen, kunnen door elk van de orden van advocaten en door elk van de universiteiten en hogescholen van de Vlaamse en Franse Gemeenschap kandidaten worden voorgedragen. Per college worden ten minste vijf leden uit de voorgedragen kandidaten benoemd. § 3. Op het ogenblik van de kandidaatstelling mag de leeftijd van 63 jaar niet zijn bereikt. § 4. Voor de leden van de Hoge Raad wordt voor de duur van het mandaat een lijst met opvolgers opgesteld. Voor de magistraten bestaat deze lijst uit de niet-verkozen magistraten in de volgorde van het aantal behaalde stemmen. Voor de niet-magistraten wordt deze lijst opgesteld door de Senaat; hij bestaat uit de niet-benoemde kandidaten. § 5. Ten laatste zes maanden voor het verstrijken van het mandaat van de leden van de Hoge Raad wordt een oproep tot de kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Voor de magistraten moeten de kandidaturen op straffe van verval binnen een termijn van een maand na deze oproep bij een ter post aangetekende brief aan de Hoge Raad worden gericht. Voor de niet-magistraten moeten de kandidaturen en de lijsten met voorgedragen kandidaten bedoeld in § 2, tweede lid, op straffe van verval binnen een termijn van drie maanden na deze oproep aan de voorzitter van de Senaat worden gericht bij een ter post aangetekende brief. Binnen vijf maanden na de oproep tot de kandidaten wordt door de Minister van Justitie de lijst met alle aantredende leden van de Hoge Raad en hun opvolgers bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze bekendmaking geldt als installatie. De uittredende leden houden zitting tot het verstrijken van de mandaatstermijn en in ieder geval tot de bekendmaking van de lijst bedoeld in het vorige lid. Afdeling III. - Duur van het mandaat en onverenigbaarheden Art. 259bis-3. § 1. De leden nemen in de Hoge Raad zitting voor een periode van vier jaar, die eenmaal kan worden hernieuwd. § 2. Het lidmaatschap van de Hoge Raad is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met de uitoefening van : 1° een ambt van plaatsvervangend magistraat;2° een bij verkiezing verleend openbaar mandaat;3° een openbaar ambt van politieke aard;4° een mandaat van korpschef. § 3. Het mandaat in de Hoge Raad eindigt van rechtswege indien : 1° het lid er om verzoekt;2° een onverenigbaarheid bedoeld in § 2 ontstaat;3° een lid de hoedanigheid vereist als voorwaarde om in de Hoge Raad zitting te kunnen nemen, verliest;4° een lid kandidaat is voor een benoeming tot magistraat of een aanwijzing tot korpschef, bijstandsmagistraat of federaal magistraat;5° een lid de leeftijd van inruststelling heeft bereikt bepaald in artikel 383, § 1, voor de leden van de rechtscolleges andere dan het Hof van Cassatie. § 4. Het mandaat van een lid kan om ernstige redenen worden opgeheven door de Hoge Raad die daarover beslist met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen in elke college. Tegen de beslissingen staat geen enkel beroep open. Het mandaat kan niet worden opgeheven dan nadat het lid gehoord is over de aangevoerde redenen. Voorafgaandelijk aan de hoorzitting stelt de Hoge Raad een dossier samen dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de aangevoerde redenen. Ten minste vijf dagen voor de hoorzitting wordt de betrokkene opgeroepen bij een ter post aangetekende brief met ten minste opgave van : 1° de aangevoerde ernstige redenen;2° het feit dat de opheffing van het mandaat wordt overwogen;3° plaats, dag en uur van de hoorzitting;4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze;5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan worden ingezien;6° het recht om getuigen te doen oproepen. Vanaf de oproeping tot en met de dag voor de hoorzitting kunnen de betrokkene en de persoon die hem bijstaat het dossier inzien. Van de hoorzitting wordt proces-verbaal opgesteld. Afdeling IV. - Werking Art. 259bis-4. § 1. De Hoge Raad stelt met een meerderheid van twee derden van zijn leden een bureau samen dat bestaat uit twee magistraten en twee niet-magistraten. Elk college draagt hiertoe een magistraat en een niet-magistraat voor. De Hoge Raad wijst tevens op voorstel van elk college met dezelfde meerderheid de commissies aan waarvan de leden van het bureau het voorzitterschap bekleden. De Koning kan op voorstel van de Hoge Raad bij een in Ministerraad overlegd besluit het aantal leden van het bureau verhogen volgens de behoeften van de dienst met inachtneming van de verdeling bedoeld in het eerste lid. De leden van het bureau oefenen hun functie voltijds uit en mogen tijdens de duur van hun mandaat geen andere beroepsactiviteit uitoefenen. De Hoge Raad kan afwijkingen op dit verbod toestaan op voorwaarde dat ze de betrokkene niet beletten zijn opdracht naar behoren te vervullen. § 2. Het voorzitterschap van de Hoge Raad wordt, in de volgorde bepaald door twee derden van zijn leden, voor een termijn van één jaar beurtelings bekleed door een magistraat en een niet-magistraat van een verschillend college die lid zijn van het bureau en nog geen voorzitter van de Hoge Raad zijn geweest. § 3. Het voorzitterschap van elk college wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de benoemingscommissie en de advies- en onderzoekscommissie, te beginnen met de oudste. § 4. Elk lid van de Hoge Raad neemt zitting in één van de commissies van de colleges. Elk college wijst de leden van zijn commissies aan met een meerderheid van twee derden van zijn leden. § 5. Het Nederlandstalige college en zijn commissies verrichten hun werkzaamheden in het Nederlands. Het Franstalige college en zijn commissies verrichten hun werkzaamheden in het Frans. De algemene vergadering en de verenigde commissies verrichten hun werkzaamheden in het Nederlands en het Frans. De leden gebruiken daarbij de taal van het college waartoe zij behoren. De Hoge Raad neemt de nodige maatregelen voor de vertaling. Art. 259bis-5. § 1. Onverminderd andersluidende bepalingen besluiten de Hoge Raad, de colleges, de commissies en het bureau bij volstrekte meerderheid van stemmen op voorwaarde dat ten minste de helft van de leden aanwezig is. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter. § 2. Een lid waarvan het mandaat voortijdig openvalt, wordt voor de resterende duur vervangen door een opvolger. Betreft het een magistraat dan wordt hij vervangen door de eerst gerangschikte kandidaat op de lijst bedoeld in artikel 259bis-2, § 4, tweede lid. Betreft het een niet-magistraat, dan wijst de Senaat de opvolger aan uit de lijst bedoeld in artikel 259bis-2, § 4, derde lid. In deze gevallen valt de opvolger onder de toepassing van artikel 259bis-3, § 1. Art. 259bis-6. § 1. De Hoge Raad, de colleges en de commissies kunnen bij hun werkzaamheden deskundigen raadplegen. § 2. De Hoge Raad beschikt over eigen personeel dat belast is met de ondersteuning van zijn werkzaamheden en de organisatie van de verkiezingen bedoeld in artikel 259bis-2, § 1. De Hoge Raad stelt de personeelsformatie en het taalkader vast, met inachtneming van de taalpariteit per niveau. De Hoge Raad benoemt en ontslaat de leden van zijn personeel. De Koning keurt de formatie en het kader bedoeld in het eerste lid goed. Behoudens andersluidende beslissing van de Hoge Raad, vereist voor de goede werking van zijn diensten en vastgelegd in een reglement goedgekeurd bij koninklijk besluit, is het personeel onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op de in vast verband benoemde ambtenaren van het Rijk. De koninklijke besluiten vermeld in het tweede en het derde lid worden in Ministerraad overlegd. De Hoge Raad beslist over de opdrachten, de verhindering en de vervanging, de afwezigheid, het verlof en de vakantie van de leden van het administratief personeel. § 3. De Hoge Raad stelt een huishoudelijk reglement op dat de werkwijze van de Hoge Raad en het bureau bepaalt. § 4. Het bureau coördineert de werkzaamheden van de Hoge Raad, de colleges en het personeel. Afdeling V. - Algemene vergadering van de Hoge Raad Art. 259bis-7. § 1. De Hoge Raad ontvangt rechtstreeks van de bevoegde instanties de door de wet of bij verordening voorgeschreven verslagen die verband houden met de algemene werking van de rechterlijke orde. § 2. De algemene vergadering is bevoegd voor : 1° de goedkeuring van de adviezen, voorstellen, verslagen, richtlijnen, programma's en andere handelingen van de colleges en de commissies in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in de afdelingen VI en VII;2° de vaststelling van de beëindiging van het mandaat van een lid van de Hoge Raad in de gevallen bedoeld in artikel 259bis-3, § 3. § 3. De algemene vergadering stelt aan de hand van een analyse en een evaluatie van de vergaarde informatie een jaarlijks verslag op over de algemene werking van de rechterlijke orde, dat wordt bezorgd aan de Minister van Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en de korpschefs van de hoven en van het openbaar ministerie bij deze hoven. Deze verslagen bevatten geen enkele aanwijzing over de identiteit van personen. § 4. De Minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger kan op uitnodiging van de Hoge Raad of op eigen verzoek worden gehoord. Afdeling VI. - De benoemings- en aanwijzingscommissies Art. 259bis-8. § 1. Elk college stelt in zijn midden een benoemings- en aanwijzingscommissie in, hierna « de benoemingscommissie » genoemd, die bestaat uit veertien leden, waarvan de helft magistraten en de helft niet-magistraten zijn. Ten minste één lid van de Franstalige benoemingscommissie moet blijk geven van de kennis van het Duits. Het voorzitterschap van elke benoemingscommissie wordt bekleed door het daartoe aangewezen lid van het bureau. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid. Elke benoemingscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste tien leden aanwezig zijn. § 2. De benoemingscommissies vormen samen de verenigde benoemingscommissie. Het voorzitterschap van de verenigde benoemingscommissie wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de benoemingscommissies, te beginnen met de oudste. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid van de commissie waartoe de voorzitter in functie behoort. De verenigde benoemingscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste tien leden van elke benoemingscommissie aanwezig zijn. Art. 259bis-9. § 1. De verenigde benoemingscommissie bereidt de programma's voor het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage voor. Het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage zijn bedoeld om de voor de uitoefening van het ambt van magistraat noodzakelijke maturiteit en bekwaamheid te beoordelen en worden afgelegd in de taal van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten van de kandidaat. De geslaagden voor het examen inzake beroepsbekwaamheid behouden het voordeel van hun uitslag gedurende zeven jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het examen. § 2. De verenigde benoemingscommissie bereidt de richtlijnen en de programma's voor de permanente vorming van magistraten en de gerechtelijke stage voor. De bevoegde dienst bij het ministerie van Justitie zorgt in samenwerking met de verenigde benoemingscommissie voor de uitvoering van de programma's en de logistieke ondersteuning op de wijze door de Koning bepaald. De Koning kan daartoe leden van de zittende magistratuur of magistraten van het openbaar ministerie aanstellen. § 3. De examenprogramma's bedoeld in § 1 en de richtlijnen en programma's bedoeld in § 2 worden na goedkeuring door de algemene vergadering bekrachtigd door de Minister van Justitie en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. 259bis-10. § 1. De benoemingscommissies zijn bevoegd voor : 1° de voordracht van kandidaten voor de benoemingen tot magistraat en de aanwijzingen tot korpschef, bijstandsmagistraat of federale magistraat, bedoeld in artikel 186bis, § 1, 1°, 2° en 4°;2° de organisatie van het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij koninklijk besluit. § 2. Elke benoemingscommissie kan met een meerderheid van twee derden van haar leden besluiten om voor de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in § 1, 2°, en artikel 259bis-9 in haar midden een subcommissie in te stellen die evenveel magistraten als niet-magistraten telt. In de gevallen bedoeld in artikel 259bis-9 kan de ene benoemingscommissie of subcommissie niet meer stemmen uitbrengen dan de andere benoemingscommissie of subcommissie. § 3. Elke benoemingscommissie doet jaarlijks aan de algemene vergadering verslag over zijn werkzaamheden. Afdeling VII. - De advies- en onderzoekscommissies Art. 259bis-11. § 1. Elk college stelt in zijn midden een advies- en onderzoekscommissie in die bestaat uit acht leden, waarvan de helft magistraten en de helft niet-magistraten zijn. Het voorzitterschap van elke advies- en onderzoekscommissie wordt bekleed door het daartoe aangewezen lid van het bureau. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid. Elke advies- en onderzoekscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste zes leden aanwezig zijn. § 2. De advies- en onderzoekscommissies vormen samen de verenigde advies- en onderzoekscommissie. Het voorzitterschap van de verenigde advies- en onderzoekscommissie wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de advies- en onderzoekscommissies, te beginnen met de oudste. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudst aanwezige lid van de commissie waartoe de voorzitter in functie behoort. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste zes leden van elke commissie aanwezig zijn. Art. 259bis-12. § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie bereidt, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de algemene vergadering, de Minister van Justitie of de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat de adviezen en voorstellen voor over : 1° de algemene werking van de rechterlijke orde;2° de wetsvoorstellen en -ontwerpen die een weerslag hebben op de algemene werking van de rechterlijke orde;3° de aanwending van de beschikbare middelen. § 2. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan alle informatie inwinnen die nuttig is voor de taken vermeld in § 1, onverminderd het bepaalde in artikel 259bis-16. Een verzoek tot informatie aan leden van de rechterlijke orde geschiedt na voorafgaande kennisgeving aan hun respectieve korpschefs en hiërarchische meerderen. Is het lid van de rechterlijke orde geen magistraat, dan wordt de informatie meegedeeld na goedkeuring door de korpschef van het betrokken rechtscollege. § 3. De adviezen en voorstellen van de verenigde advies- en onderzoekscommissie zijn schriftelijk en hebben bindende, noch schorsende werking. Art. 259bis-13. De verenigde advies- en onderzoekscommissie bereidt de standaardprofielen voor de functies van korpschef voor op basis van de criteria bepaald door de Hoge Raad. De standaardprofielen worden binnen een maand na goedkeuring door de algemene vergadering bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De Koning kan de verschillende categorieën van profielen vastleggen. Art. 259bis-14. § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie is belast met het algemeen toezicht op en de bevordering van het gebruik van de middelen van interne controle binnen de rechterlijke orde, bedoeld in de artikelen 140, 340, 398 tot 400 in fine, 401 tot 414, 651, 652, 838 en 1088 van het Gerechtelijk Wetboek en 441 en 442 van het Wetboek van Strafvordering. § 2. De overheden bevoegd voor de toepassing van de wetsbepalingen bedoeld in § 1, brengen hierover jaarlijks verslag uit aan de verenigde advies- en onderzoekscommissie en aan de Minister van Justitie. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan bovendien deze overheden om alle nuttige informatie verzoeken. De Minister van Justitie wordt hiervan gelijktijdig in kennis gesteld. § 3. De verenigde advies- en onderzoekscommissie brengt jaarlijks verslag uit over de wijze waarop de middelen van interne controle worden aangewend en hun werking kan worden verbeterd. Art. 259bis-15. § 1. Elke advies- en onderzoekscommissie ontvangt de klachten over de werking van de rechterlijke orde en verzekert de opvolging ervan. § 2. Om ontvankelijk te zijn moeten de klachten schriftelijk, ondertekend en gedagtekend zijn en de volledige identiteit van de klager bevatten. § 3. Komen niet in aanmerking voor behandeling : 1° klachten die behoren tot de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke bevoegdheid van andere overheden;2° klachten met betrekking tot de inhoud van een rechterlijke beslissing;3° klachten waarvan het doel via het aanwenden van een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel kan of kon worden bereikt;4° klachten die reeds zijn behandeld en geen nieuwe elementen bevatten;5° klachten die kennelijk ongegrond zijn. Tot de niet-behandeling van de klacht wordt besloten bij gemotiveerde beslissing waartegen geen enkel beroep openstaat. In voorkomend geval wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde overheden die gehouden zijn de advies- en onderzoekscommissies op gemotiveerde wijze in te lichten over het gevolg dat aan de klacht werd gegeven. § 4. De klachten die de advies- en onderzoekscommissies zelf behandelen worden, al naar gelang, ter kennis gebracht van de korpschef van het rechtscollege en van de korpschefs of hiërarchische meerderen van de personen die het voorwerp zijn van de klacht. Onverminderd de bevoegdheden van de korpschef of de hiërarchische meerdere, delen de advies- en onderzoekscommissies de klacht op het ogenblik dat dit nuttig wordt geacht mee aan de persoon tegen wie de klacht gericht is of voor wie de klacht bezwarend is. § 5. De personen die in kennis zijn gesteld van de klacht hebben het recht om hierover aan de advies- en onderzoekscommissies mondelinge of schriftelijke verklaringen af te leggen. De advies- en onderzoekscommissie kunnen deze personen om bijkomende inlichtingen verzoeken op voorwaarde dat hun korpschef of hiërarchische meerdere gelijktijdig wordt verwittigd. § 6. De advies- en onderzoekscommissies lichten de klager schriftelijk in over het gevolg dat aan de klacht gegeven werd. Bij gegronde klachten kunnen de advies- en onderzoekscommissies aanbevelingen doen ter oplossing van het gestelde probleem en voorstellen ter verbetering van de algemene werking van de rechterlijke orde formuleren ten behoeve van de betrokken instanties en de Minister van Justitie. § 7. Elke advies- en onderzoekscommissie stelt minstens eenmaal per jaar een schriftelijk verslag op over de opvolging van de ontvangen klachten. Art. 259bis-16. § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan met uitsluiting van strafrechtelijke en tuchtrechtelijke bevoegdheden een bijzonder onderzoek instellen naar de werking van de rechterlijke orde. Dit onderzoek gebeurt hetzij ambtshalve na voorafgaande goedkeuring door de meerderheid van de leden van de verenigde advies- en onderzoekscommissie, hetzij op verzoek van de Minister van Justitie of de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat. § 2. Het onderzoek wordt in opdracht van de verenigde advies- en onderzoekscommissie uitgevoerd door de bevoegde korpschef of hiërarchische meerdere die hierover schriftelijk verslag uitbrengt binnen de door de verenigde advies- en onderzoekscommissie vastgestelde termijn. § 3. Het onderzoek wordt uitzonderlijk door de verenigde advies- en onderzoekscommissie zelf uitgevoerd na voorafgaande goedkeuring door twee derden van haar leden wanneer : 1° de Minister van Justitie dit bij zijn verzoek heeft gevraagd;2° het gelet op het onderwerp van het onderzoek niet raadzaam is dit op te dragen aan de korpschef of de hiërarchische meerdere bedoeld in § 2 of het onderzoek door dezen niet naar behoren is of wordt gevoerd. De Minister van Justitie wordt hiervan voor aanvang van het onderzoek in kennis gesteld. De verenigde advies- en onderzoekscommissie voert het onderzoek onder leiding van een lid-magistraat en kan : 1° zich ter plaatse begeven teneinde alle nuttige vaststellingen te doen, zonder te kunnen overgaan tot huiszoeking;2° beëindigde gerechtelijke dossiers raadplegen en zich deze ter plaatse doen overleggen teneinde er kennis van te nemen alsook uittreksels en kopies ervan nemen of zich deze kosteloos doen bezorgen;3° leden van de rechterlijke orde horen bij wijze van inlichting.In voorkomend geval is het deze leden toegestaan verklaringen af te leggen die gedekt zijn door het beroepsgeheim. § 4. De verenigde advies- en onderzoekscommissie stelt over elk onderzoek een verslag op dat wordt goedgekeurd met een meerderheid van twee derden van haar leden. Art. 259bis-17. § 1. De betrokken commissie heeft in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 259bis-11 tot 259bis-16 tevens het recht de werking van de rechterlijke orde door te lichten, zonder zich te kunnen mengen in de behandeling van lopende dossiers. § 2. Wanneer de Hoge Raad bij het uitvoeren van zijn opdrachten van mening is dat een lid van de rechterlijke orde niet voldoet aan de plichten van zijn ambt, door zijn gedrag schade toebrengt aan de waardigheid van zijn beroep of weigert zijn medewerking te verlenen aan de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregelen bedoeld in artikel 259bis-16, § 3, brengt de Hoge Raad dit ter kennis van de bevoegde tuchtoverheden met het verzoek te onderzoeken of een tuchtprocedure dient te worden ingesteld, en deelt zij dit terzelfder tijd mee aan de Minister van Justitie. De tuchtoverheden stellen de Hoge Raad op een met redenen omklede wijze in kennis van het gevolg dat eraan is gegeven. Art. 259bis-18. De adviezen en voorstellen bedoeld in artikel 259bis-12, § 1, en de verslagen bedoeld in de artikelen 259bis-14, § 3, 259bis-15, § 7, en 259bis-16, § 4, worden ter goedkeuring toegezonden aan de algemene vergadering, die ze vervolgens meedeelt aan de Minister van Justitie, aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de Senaat, alsook aan de korpschefs van de hoven en het openbaar ministerie bij deze hoven. Afdeling VIII. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 259bis-19. § 1. Het is de leden van de Hoge Raad verboden deel te nemen aan een beraadslaging of een beslissing over zaken waarbij zij een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben, waarbij hun bloed- of aanverwanten tot in de vierde graad of de personen met wie zij een feitelijk gezin vormen een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben of waarbij zij in een professionele hoedanigheid betrokken zijn of zijn geweest. § 2. Wanneer een lid van de Hoge Raad bij de uitoefening van zijn opdrachten kennis krijgt van een misdaad of een wanbedrijf, moet hij overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegde procureur des Konings onverwijld in kennis stellen. § 3. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de leden van de Hoge Raad, op hun opvolgers, op de deskundigen en op het personeel van de Raad voor alle gegevens waarvan zij kennis nemen in het kader van de uitoefening van hun opdrachten in de Hoge Raad. Art. 259bis-20. § 1. De Hoge Raad moet steeds in kennis worden gesteld van een tuchtprocedure tegen een van zijn leden, alsook van de redenen die aan deze procedure ten grondslag liggen. Ingeval de Hoge Raad van oordeel is dat de tuchtprocedure steunt op de activiteiten die betrokkene in de Raad uitoefent, voegt hij zijn advies bij het dossier betreffende de procedure. § 2. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing op voormalige leden van de Hoge Raad gedurende vier jaren te rekenen van de beëindiging van hun mandaat. Art. 259bis-21. § 1. De magistraten die lid zijn van het bureau, met uitzondering van de voorzitter van de Hoge Raad, hebben op jaarbasis recht op een toelage van 220 000 frank. De niet-magistraten die lid zijn van het bureau, met uitzondering van de voorzitter van de Hoge Raad, genieten een wedde die gelijk staat met die van raadsheer in het hof van beroep met eenentwintig jaar nuttige anciënniteit. De magistraat die voorzitter is van de Hoge Raad heeft op jaarbasis recht op een toelage van 300 000 frank. De niet-magistraat die voorzitter is van de Hoge Raad geniet een wedde die gelijk staat met die van kamervoorzitter in het hof van beroep met eenentwintig jaar nuttige anciënniteit. Artikel 362 is van toepassing op de in de vorige leden vermelde bedragen. § 2. De leden van de Hoge Raad die geen lid zijn van het bureau hebben voor hun werkzaamheden in de Hoge Raad en de commissies recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag niet meer mag bedragen dan 1/30 van de maandelijkse toelage toegekend aan het lid, voorzitter van de Hoge Raad, dat geen magistraat is. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van bovenvermelde maximumtoelage. § 3. De leden van de Hoge Raad hebben recht op de vergoedingen voor de reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries. De personen die niet tot het bestuur behoren of voor wie de rang waartoe hun graad behoort niet is bepaald, worden gelijkgesteld met ambtenaren van rang 13. De voorzitter wordt gelijkgesteld met een ambtenaar van rang 17. Art. 259bis-22. § 1. De zetel van de Hoge Raad is gevestigd in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. § 2. De kredieten die voor de werking van de Hoge Raad nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van de dotaties. » Art. 46.In deel II, boek I, titel VI, van hetzelfde Wetboek wordt hoofdstuk Vter, ingevoegd bij de wet van 6 mei 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/05/1997 pub. 25/06/1997 numac 1997009448 bron ministerie van justitie Wet strekkende tot de bespoediging van de procedure voor het Hof van Cassatie sluiten, dat de artikelen 259quinquies, 259sexies en 259septies bevat, vervangen door de volgende bepalingen : « HOOFDSTUK Vter. - Benoemings- en aanwijzingsprocedure Afdeling I. - Benoemingen …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.