Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Vlaamse Regering houdende uitvoering van het decreet van 25 mei 2012 betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering regelt de uitvoering van het decreet van 25 mei 2012 betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport. Het legt specifieke regels vast voor de preventie van dopingpraktijken en de bewijsregels voor het vaststellen van doping.

Wat het regelt

  • De uitwerking en invoering van informatie- en vormingsactiviteiten over dopingbestrijding.
  • De communicatie van sportverenigingen aan de NADO over statutaire bepalingen, initiatieven en geplande wedstrijden.
  • De gegevensuitwisseling over elitesporters tussen sportverenigingen en de NADO.
  • De naleving van uitsluitingen of schorsingen wegens dopingpraktijken.

Wie het aanbelangt

  • Sportverenigingen en sportfederaties.
  • Elitesporters, begeleiders van sporters en ploegverantwoordelijken.

Kernpunten

  • Sportverenigingen en de NADO moeten informatie- en vormingsactiviteiten organiseren over de gevaren van doping en de antidopingregels.
  • Sportverenigingen moeten de NADO minstens veertien dagen op voorhand op de hoogte brengen van alle geplande wedstrijden.
  • Sportverenigingen zijn verplicht om de voor- en achternaam, geboortedatum, geslacht, contactgegevens, aangesloten sportvereniging en sportdiscipline van elitesporters aan de NADO mee te delen.
  • Sportverenigingen moeten toezien op de naleving van uitsluitingen of voorlopige schorsingen en schendingen hiervan melden aan de NADO, WADA en de internationale sportfederatie.
Wettekst
Wettekst

19 OKTOBER 2012. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende uitvoering van het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron

Art. 26

.De NADO die een dopingcontrole wil uitvoeren, formuleert daarvoor een controleopdracht aan de controlearts. De analyseopdracht, die bestemd is voor het controlelaboratorium, wordt als bijlage bij de controleopdracht gevoegd. De NADO bepaalt welke gegevens de controleopdracht en de analyseopdracht bevatten. De controlearts of de chaperon kan niet optreden voor een controleopdracht waarbij de controleopdracht zou kunnen worden beïnvloed door een persoonlijke betrokkenheid of door bindingen met de sporter, de sportvereniging of sportactiviteit in kwestie. Art. 27.De controleopdracht wordt ondertekend door het personeelslid van de NADO dat daarvoor gemachtigd is. Art. 28.§ 1. De aangewezen controlearts organiseert en controleert de dopingcontrole en de monsterneming. De NADO wijst, afhankelijk van de behoeften, de chaperons aan die de controlearts zullen bijstaan bij de dopingcontrole en de monsterneming. § 2. De controlearts of chaperon die de dopingcontrole uitvoert, legitimeert zich zo nodig aan de hand van zijn legitimatiebewijs, dat daarvoor wordt uitgereikt door de NADO. De minister kan bijkomstige bepalingen vaststellen over de nadere inhoud en het model van het legitimatiebewijs, vermeld in het eerste lid, en de voorwaarden voor de uitreiking ervan door de NADO. § 3. De controlearts kan een of meer taken die hem onder deze titel zijn toegewezen, delegeren aan een aangewezen chaperon. Art. 29.Voor een monsterneming binnen wedstrijdverband moet de controlearts bij de monsterneming rekening houden met het normale verloop van de wedstrijd. Voor een monsterneming buiten wedstrijdverband kan de controlearts beslissen om, als de sporter weigert om de monsterneming te laten uitvoeren binnen bewoonde lokalen, in een redelijke nabijheid, een andere geschikte plaats voor de controle aan te wijzen waarnaar de betrokken sporter zich, onder permanente begeleiding en rechtstreeks toezicht van de controlearts of chaperon die hem bijstaat, moet begeven. Art. 30.In de nabijheid van de plaats waar de wedstrijd plaatsvindt, houdt de sportvereniging of, in voorkomend geval, de organisator een afzonderlijke ruimte ter beschikking die door de controlearts geschikt wordt bevonden voor monsterneming en die als dopingcontrolestation wordt ingericht. Het dopingcontrolestation staat gedurende de monsterneming exclusief ter beschikking van de controlearts en voldoet aan de vereisten van privacy, hygiëne en veiligheid. In het dopingcontrolestation staan een tafel en stoelen zodat de controlearts op een efficiënte manier kan werken met de documenten en materialen. De sportvereniging of, in voorkomend geval, de organisator zorgt voor voldoende ongeopende flessen niet-alcoholische drank. In het dopingcontrolestation of in een afzonderlijke ruimte ernaast is er ook een toilet aanwezig, dat bruikbaar is voor dames en heren, en een wachtruimte. Als de NADO een mobiel dopingcontrolestation ter beschikking stelt, kan de monsterneming op elk moment daar worden uitgevoerd. Bij afwezigheid van een voldoende ingericht dopingcontrolestation bepaalt de controlearts de plaats van de monsterneming. Onderafdeling 2. - Aanwijzing en oproep van de sporters voor monsterneming Art. 31.Zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de controlearts om voorafgaand te overleggen met de afgevaardigde van de sportvereniging of met de organisator van de wedstrijd in kwestie, wijst de controlearts volgens zijn controleopdracht de sporters aan die zich voor een monsterneming moeten aanbieden. Bij een vermoeden van dopingpraktijken kan de controlearts op eigen initiatief een of meer sporters aanvullend aanwijzen voor een monsterneming. Art. 32.De controlearts of chaperon roept de sporter die aangewezen is voor een monsterneming, op met een oproepingsformulier dat beantwoordt aan de bepalingen, vermeld in artikel 33, § 1, en dat vastgesteld wordt door de minister. Als het eerste contact wordt gelegd, moet de persoon die de sporter oproept, hem de volgende informatie meedelen : 1° de verplichting om de monsterneming te laten uitvoeren;2° de bevoegdheid waaronder de dopingcontrole plaatsvindt;3° het type monsterneming en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan bij de monsterneming;4° de rechten van de sporter, met inbegrip van het recht om :

  1. a)zich te laten bijstaan door een persoon van zijn keuze en een tolk, als dat nodig en mogelijk is;
  2. b)bijkomende informatie te vragen over de procedure van de dopingcontrole;
  3. c)wegens de redenen, vermeld in artikel 34, uitstel te vragen voor de aanmelding in het dopingcontrolestation;
  4. d)voor een minderjarige sporter of voor een sporter met een handicap, wijzigingen in de monsternemingsprocedure te vragen overeenkomstig artikel 39;
  5. e)informatie te vragen over de mogelijke gevolgen van een verzuim van naleving van de procedures van de dopingcontrole;5° de plichten van de sporter, waaronder de plicht om :
  6. a)onder permanente begeleiding en rechtstreeks toezicht van de controlearts of chaperon te blijven, vanaf het moment van de kennisgeving dat hij een dopingcontrole moet ondergaan tot de voltooiing van de monsterneming, tenzij, in geval van niet-elitesporters, de controlearts het anders bepaalt;
  7. b)een monster met een voor analyse geschikte dichtheid te verstrekken;
  8. c)een identificatiebewijs met foto voor te leggen;
  9. d)te voldoen aan de monsternemingsprocedures;
  10. e)zich onmiddellijk aan te melden in het dopingcontrolestation voor een monsterneming, behalve als hij een geldige reden tot uitstel heeft conform artikel 34;6° de locatie van het dopingcontrolestation;7° dat het voorafgaand consumeren van voedsel en drank op risico van de sporter is en dat buitensporige rehydratatie in elk geval vermeden moet worden;8° dat het verboden is om te urineren voor het monster afgestaan wordt, en dat aan de controlearts en de chaperons de eerst uitgescheiden urine moet worden verschaft sinds de oproep tot de dopingcontrole. Art. 33.§ 1. Het oproepingsformulier vermeldt minstens de volgende gegevens : 1° de voor- en achternaam van de sporter;2° het tijdstip van afgifte;3° de aard van de monsterneming;4° het tijdstip waarop de sporter zich uiterlijk moet aanmelden bij het dopingcontrolestation;5° de wijze waarop de aldus verzamelde persoonsgegevens van de sporter zullen worden verwerkt. Het formulier wordt, overeenkomstig artikel 15, § 3, tweede lid van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten, opgesteld in het Nederlands en voorzien van een Franse en Engelse vertaling. § 2. De controlearts of chaperon laat de sporter het oproepingsformulier ondertekenen, waarmee de sporter aantoont dat hij de kennisgeving, vermeld in artikel 32, tweede lid, erkent en aanvaardt. De sporter en de kennisgevende controlearts of chaperon ondertekenen het oproepingsformulier. Het wordt tegen ontvangstbewijs overhandigd aan de sporter. Als de sporter weigert de oproeping te tekenen of de kennisgeving, vermeld in artikel 32, tweede lid, omzeilt, moet de persoon die de sporter oproept, indien mogelijk, de sporter informeren over de gevolgen van een weigering. De controlearts zal de opdrachtgever daarvan op de hoogte brengen in een gedetailleerd verslag. Art. 34.De sporter meldt zich onmiddellijk na de oproeping aan in het dopingcontrolestation. De controlearts kan, op verzoek van de sporter, toestaan dat de sporter zich niet onmiddellijk in het dopingcontrolestation aanbiedt op voorwaarde dat de sporter onder permanente begeleiding en rechtstreeks toezicht blijft van de controlearts of een chaperon en uitsluitend voor een van de volgende activiteiten : 1° deelname aan een overwinningsceremonie;2° vervullen van mediaverplichtingen;3° deelname aan verdere wedstrijden;4° uitvoeren van een cooling-down;5° krijgen van medische verzorging;6° opsporen van een persoon die de sporter bijstaat, of van een tolk;7° verkrijgen van een identificatiebewijs met foto;8° bij een dopingcontrole buiten wedstrijdverband, afwerken van een trainingssessie;9° andere uitzonderlijke omstandigheden die aanvaard worden door de controlearts. De sporter moet zich in ieder geval binnen een uur na de oproeping aanmelden in het dopingcontrolestation. Art. 35.De controlearts of een chaperon brengen de NADO met een gedetailleerd verslag op de hoogte van iedere onregelmatigheid die ze in het kader van de oproep van de sporter voor de monsterneming vaststellen. Een onregelmatigheid kan bestaan uit : 1° een uitstel van onmiddellijke aanmelding of het vroegtijdig verlaten van het dopingcontrolestation;2° een verzuim van de sporter om onder permanente begeleiding en rechtstreeks toezicht van de controlearts of chaperon te blijven;3° andere omstandigheden die de monsterneming kunnen beïnvloeden. Art. 36.De minister kan, rekening houdend met het specifieke karakter van bepaalde wedstrijden, andere werkwijzen voor de oproeping tot monsterneming vaststellen. Onderafdeling 3. - De eigenlijke monsterneming Art. 37.De controlearts waakt over het normale verloop van de monsterneming. Art. 38.De sporter mag vragen zich te laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Als de controlearts op een dergelijk verzoek niet ingaat, vermeldt hij de redenen van de weigering op het dopingcontroleformulier. Art. 39.Zonder de identiteit, veiligheid en integriteit van het monster in het gedrang te brengen, zijn voor sporters met een handicap de volgende wijzigingen in de monsterneming toegelaten : 1° het gebruiken van door de controlearts aanvaard aangepast materiaal en voorzieningen voor de monsterneming;2° na toelating van de sporter en de controlearts, bijstand door een persoon naar keuze van de sporter of door bevoegd personeel, voor de sporter met een intellectuele, fysieke of sensorische handicap;3° alle overige wijzigingen die de situatie naar het oordeel van de controlearts vereist. Zonder de identiteit, veiligheid en integriteit van het monster in het gedrang te brengen, zijn voor minderjarige sporters de volgende wijzigingen in de monsternemingsprocedure toegelaten : 1° het recht op bijstand door een ouder, voogd of degene die de minderjarige onder zijn bewaring heeft, uitgezonderd tijdens het afscheiden van urine, behalve op verzoek van de minderjarige.Als de minderjarige zich niet op dat recht beroept, wordt dat in het dopingcontroleformulier opgenomen; 2° de locatie voor alle dopingcontroles buiten wedstrijdverband is bij voorkeur de trainingslocatie;3° alle overige wijzigingen die de situatie naar het oordeel van de controlearts vereist. Art. 40.Alleen de volgende personen hebben toegang tot het dopingcontrolestation : 1° de controlearts en de chaperons;2° de sporter en, desgewenst, de door hem aangewezen persoon;3° onafhankelijke waarnemers van het WADA;4° bijkomende personen, toegelaten door de controlearts. Art. 41.Het materiaal dat gebruikt wordt voor de monsterneming, beantwoordt aan de volgende criteria : 1° het is voorzien van een nummer volgens een uniek nummeringssysteem voor alle flesjes, houders, buisjes of andere benodigdheden ter verzegeling van het monster;2° het heeft een afsluitsysteem dat niet vatbaar is voor vervalsing;3° het laat niet toe om de identiteit van de sporter af te leiden;4° het is hygiënisch en het is verzegeld voor het door de sporter gebruikt wordt. Art. 42.De handelingen die vereist zijn voor de monsterneming, worden door de sporter verricht, tenzij de sporter toestemming geeft aan de controlearts om die handelingen uit te voeren. Dat laatste wordt in voorkomend geval op het dopingcontroleformulier genoteerd. Art. 43.§ 1. De afname van urinemonsters verloopt volgens de volgende procedure : 1° de sporter kiest een verzegelde opvangbeker uit een groep van dergelijke bekers, opent die, vergewist zich ervan dat hij leeg en proper is, en vult hem met minstens negentig milliliter urine onder het visuele toezicht van een lid van het dopingcontroleteam, dat van hetzelfde geslacht is;2° de sporter kiest een analysekit uit een groep verzegelde kits, die bestaat uit twee flesjes met hetzelfde codenummer, gevolgd door de letter "A" voor het eerste flesje, en de letter "B", voor het tweede flesje.Hij opent die en kijkt na of de flesjes leeg en proper zijn. Hij giet ten minste dertig milliliter urine in flesje B, en ten minste zestig milliliter urine in het flesje A. Hij behoudt enkele urinedruppels in de opvangbeker. Hij sluit beide flesjes hermetisch, en kijkt na of er geen lekken zijn; 3° de controlearts meet de soortelijke dichtheid van de urine die in de opvangbeker overblijft.Als uit het lezen blijkt dat het monster niet de soortelijke dichtheid heeft die voor de analyse in een controlelaboratorium noodzakelijk is, moet de controlearts een nieuwe urinemonsterneming eisen. De procedure, vermeld in punt 1° en 2°, wordt gevolgd voor de nieuwe monsterneming; 4° de controlearts kijkt na of het codenummer dat op de sluitdoppen en op flesje A en B vermeld is, hetzelfde is.Het codenummer wordt op het dopingcontroleformulier geschreven. De sporter kijkt na of het codenummer dat vermeld is op de sluitdoppen en op flesje A en B, hetzelfde is als het codenummer dat op het dopingcontroleformulier vermeld is; 5° de controlearts verwijdert, voor de ogen van de sporter, de overblijvende urine die niet voor het controlelaboratorium bestemd is;6° de sporter bevestigt, door het dopingcontroleformulier te ondertekenen, dat de procedure verlopen is overeenkomstig deze paragraaf.Iedere onregelmatigheid die de sporter of de persoon die hem bijstaat, vaststelt, wordt in het dopingcontroleformulier opgenomen. § 2. Als de sporter minder dan negentig milliliter urine aflevert, brengt de controlearts de sporter op de hoogte van de plicht om een bijkomend monster af te leveren tot het minimumvolume van negentig milliliter is bereikt. De controlearts laat de sporter materiaal voor de gedeeltelijke monsterneming en een monsternemingskit kiezen. De sporter controleert of al het materiaal goed verzegeld is en niet vatbaar is voor vervalsing. Als dat niet het geval is, kiest hij ander materiaal. Na controle van alle codenummers die vermeld worden op het dopingcontroleformulier, wordt de urine in het flesje A gegoten en tijdelijk verzegeld op de wijze die de controlearts vraagt. Het flesje A wordt door de controlearts bewaard. Bij een onaangekondigde dopingcontrole blijft de sporter onder permanente begeleiding en rechtstreeks toezicht van een lid van het dopingcontroleteam terwijl hij wacht om een bijkomend monster af te staan. Als de sporter in staat is om een bijkomend monster af te staan, wordt de procedure voor de monsterneming van urine herhaald en beëindigd als een toereikend volume is afgestaan. Art. 44.De afname van bloedmonsters verloopt volgens de volgende procedure : 1° voor hij overgaat tot de bloedafname, zorgt de controlearts ervoor dat de sporter zich minstens tien minuten in een comfortabele positie kan bevinden;2° de controlearts laat de sporter de opvangbuisjes en monsternemingskits kiezen die nodig zijn voor de monsterneming.De sporter kan die kiezen uit een aantal goed verpakte opvangbuisjes en monsternemingskits die hem aangeboden worden. De sporter kijkt na of de gekozen opvangbuisjes en kits goed verpakt zijn. Als de sporter niet tevreden is met het gekozen materiaal, kan hij ander materiaal uitkiezen; 3° het materiaal voor de afname van het bloedmonster bestaat uit :
  11. a)één of meer opvangbuisjes die bestemd zijn voor de monstername;
  12. b)één of meer monsternemingskits waarin elk opvangbuisje apart verzegeld kan worden;4° de codenummers op het materiaal worden gecontroleerd en worden genoteerd op het dopingcontroleformulier.Als de nummers niet overeenstemmen, kan de sporter ander materiaal kiezen; 5° de huid wordt door de controlearts gereinigd met een steriel ontsmettingsdoekje op de plaats waar de bloedafname gedaan zal worden. Voor de bloedafname wordt een plaats op het lichaam gekozen waar ze geen nadelig gevolg kan hebben voor de sporter en zijn prestatie. De controlearts moet het bloedmonster uit een oppervlakkige ader in het opvangbuisje laten lopen. Indien nodig zal een knelband aangelegd worden voor de bloedafname. De knelband wordt in voorkomend geval onmiddellijk verwijderd na de aderpunctie; 6° de controlearts neemt de nodige hoeveelheid bloed van de sporter af;7° als de hoeveelheid bloed die tijdens de eerste poging bij de sporter kan worden afgenomen, niet volstaat, moet de controlearts de procedure herhalen.Er mogen maximaal drie pogingen worden ondernomen. Als alle pogingen mislukken, moet de controlearts de bloedafnameprocedure beëindigen en de reden daarvan noteren op het dopingcontroleformulier; 8° de controlearts brengt een pleister aan op de plaatsen van de punctie;9° als het monster verdere behandeling ter plaatse vereist, zoals centrifugering, moet de sporter toezicht blijven houden op het monster tot het in een veilige verzegelde kit is gestoken;10° de opvangbuisjes worden in de daarvoor bestemde monsternemingskits verzegeld;11° het verzegelde monster moet worden opgeslagen op een manier die de integriteit, identiteit en veiligheid ervan beschermt voor het vervoerd wordt van de plaats van afname naar het laboratorium.Het zal vervoerd worden bij een temperatuur tussen 2° en 12° Celsius; 12° de sporter bevestigt, door het dopingcontroleformulier te ondertekenen, dat de procedure verlopen is overeenkomstig dit artikel. Elke onregelmatigheid die de sporter of de persoon die hem vergezelt, meent op te merken, wordt genoteerd op het dopingcontroleformulier. Art. 45.§ 1. Bij elke monsterneming worden de bevindingen vastgelegd in een dopingcontroleformulier, volgens het model dat de minister heeft vastgesteld. Het dopingcontroleformulier vermeldt de wijze waarop de aldus verzamelde persoonsgegevens van de betrokken sporter zullen worden verwerkt. Het dopingcontroleformulier wordt opgesteld in het Nederlands en voorzien van een Franse en Engelse vertaling. Alle relevante rubrieken van het formulier worden ingevuld. § 2. Het dopingcontroleformulier wordt ondertekend door de controlearts en eventueel door de chaperon als die bij het urineren toezicht heeft gehouden of als die de bloedafname heeft uitgevoerd. De gecontroleerde sporter en, in voorkomend geval, de persoon die de gecontroleerde sporter vergezelt, wordt verzocht het dopingcontroleformulier te ondertekenen. De weigering tot ondertekening door de sporter of de persoon die hem vergezelt, tast de rechtsgeldigheid van het dopingcontroleformulier niet aan. § 3. De NADO ontvangt het origineel van het dopingcontroleformulier. De gecontroleerde sporter ontvangt onmiddellijk een kopie. Een kopie kan ook worden overhandigd aan de sportvereniging of internationale sportfederatie en, in voorkomend geval, aan het WADA en, in geanonimiseerde vorm, aan het controlelaboratorium dat het monster analyseert. § 4. Elke onregelmatigheid, met inbegrip van een vermoedelijke dopingpraktijk, die de controlearts vaststelt, wordt door de controlearts beschreven in een aanvullend verslag bij het dopingcontroleformulier, en wordt aan de betrokken sporter en de NADO bezorgd. Onderafdeling 4. - De analyse Art. 46.§ 1. De monsters worden samen met het ingevulde beheersketenformulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, tegen ontvangstbewijs aan het aangewezen controlelaboratorium afgegeven. In afwachting daarvan neemt de controlearts alle maatregelen om de monsters te bewaren. De minister kan ter zake bijkomstige bepalingen vaststellen. § 2. Het controlelaboratorium laat zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de monsters het A-monster analyseren en neemt de nodige maatregelen voor de bewaring van het B-monster. § 3. Op verzoek van de betrokken sporter of de opdrachtgever wordt het laboratoriumdocumentatiepakket aan de verzoeker bezorgd. De kosten daarvoor worden gedragen door de verzoeker. Art. 47.§ 1. Als de analyse van het A-monster leidt tot een afwijkend analyseresultaat, onderzoekt de NADO of : 1° een toepasselijke TTN is verleend of kan worden verleend;2° een onregelmatigheid het afwijkende analyseresultaat heeft veroorzaakt. Als het onderzoek niet uitwijst dat er sprake is van een TTN of een recht daarop, of van een onregelmatigheid die het afwijkende analyseresultaat heeft veroorzaakt, brengt de NADO de betrokken sporter aan de hand van de gegevens die hij heeft opgegeven in het dopingcontroleformulier, met een aangetekende brief op de hoogte van : 1° het afwijkende analyseresultaat;2° de vermoedelijke dopingpraktijk;3° het recht van de sporter om binnen vier dagen na de ontvangst van de kennisgeving de analyse van het B-monster te vragen, en van het feit dat de sporter geacht wordt af te zien van de analyse van het B-monster als dat verzoek uitblijft;4° de vastgestelde datum, het tijdstip en de plaats van de analyse van het B-monster als de sporter of de NADO beslist om die analyse aan te vragen;5° de mogelijkheid van de sporter of de persoon die de sporter bijstaat, om aanwezig te zijn bij de opening van het B-monster en de analyse ervan als die analyse binnen de vastgelegde termijn is aangevraagd;6° het recht van de sporter om, op zijn kosten, kopieën te vragen van het laboratoriumdocumentatiepakket over het A- en B-monster. In het geval, vermeld in het tweede lid, brengt de NADO ook de betrokken sportvereniging, de internationale sportfederatie en het WADA op de hoogte van de naam van de sporter, het land, de sport en de discipline binnen de sport, het competitieniveau van de sporter, of de dopingcontrole binnen of buiten competitie werd uitgevoerd, de datum van de monsterneming en het analyseresultaat. § 2. Als de analyse van het A-monster leidt tot een atypisch analyseresultaat, onderzoekt de NADO of : 1° een toepasselijke TTN is verleend of kan worden verleend;2° een onregelmatigheid het atypische analyseresultaat heeft veroorzaakt. Als het onderzoek niet uitwijst dat er sprake is van een TTN of een recht daarop, of van een onregelmatigheid die het atypische analyseresultaat heeft veroorzaakt, geeft de NADO een controlelaboratorium de opdracht om de oorsprong van de verboden stof te bepalen, zodat nagegaan kan worden of er sprake is van een afwijkend analyseresultaat. Als het onderzoek aantoont dat de verboden stof niet volledig endogeen is, is er sprake van een afwijkend analyseresultaat en is paragraaf 1 van toepassing. § 3. Als de NADO in de gevallen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° of 2° en paragraaf 2 beslist om het afwijkende of atypische analyseresultaat niet als een dopingpraktijk te beschouwen, brengt hij de sporter en de betrokken sportvereniging, de internationale sportfederatie en het WADA op de hoogte van die beslissing. Art. 48.§ 1. Als de sporter wil gebruikmaken van zijn recht tot analyse van het B-monster, verwittigt de sporter de NADO daarvan met een aangetekende brief binnen vier dagen na de ontvangst van de kennisgeving, vermeld in artikel 47, § 1. In die kennisgeving deelt de sporter aan de NADO ook mee of hij zich door een door hem gekozen advocaat, arts of deskundige wil laten bijstaan. Die advocaat, arts of deskundige, alsook de sporter zelf en een afgevaardigde van de NADO, het WADA en de bevoegde nationale en internationale sportfederatie hebben het recht om de analyse van het B-monster bij te wonen. De analyse van het B-monster vindt ook plaats als de sporter of eventueel zijn advocaat, arts of een persoon die hij gekozen heeft om hem als deskundige bij te staan, niet zijn komen opdagen op het tijdstip dat vastgesteld is voor de analyse. § 2. De NADO brengt, zo snel mogelijk na de ontvangst van de beslissing van de betrokken sporter, het controlelaboratorium op de hoogte van de aanvraag om tot de analyse van het B-monster over te gaan. § 3. De kosten van de analyse van het B-monster op verzoek van de sporter zijn volledig voor hem. Op verzoek van de betrokken sporter of de opdrachtgever wordt het laboratoriumdocumentatiepakket aan de verzoeker bezorgd. De kosten daarvoor worden gedragen door de verzoeker. § 4. De sporter of eventueel zijn advocaat, zijn arts of iemand die hij gekozen heeft om hem als deskundige bij te staan, zal, als hij aanwezig is bij de analyse van het B-monster, het codenummer verifiëren en een attest ondertekenen dat het codenummer van het monster en de beschrijving van de verpakking bevat. § 5. Als de analyse van het B-staal negatief blijkt, wordt de volledige dopingcontrole geacht negatief te zijn, en wordt de sporter, zijn sportvereniging en de NADO hieromtrent ingelicht. § 6. Als een verboden stof of het gebruik van een verboden methode wordt vastgesteld, wordt de sporter, zijn sportvereniging, de NADO en het WADA ingelicht. § 7. Elke mogelijke dopingpraktijk die niet volgt uit een analyse wordt verder onderzocht door de NADO. Als de NADO van oordeel is dat een dopingovertreding plaatsvond, brengt het de sporter op de hoogte van de feiten en de overtreden regel. Als de NADO van oordeel is dat geen dopingovertreding plaatsvond, brengt de NADO ook de internationale federatie en het WADA op de hoogte. Afdeling 2. - Dopingcontroles op initiatief van de sportverenigingen, de internationale sportfederaties en het WADA Art. 49.De gegevens, vermeld in artikel 16, 2°, 3°, 4° en 5° van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten, worden naar keuze van de sportvereniging schriftelijk, met de post of via elektronische weg meegedeeld. Ongeacht de gebruikte wijze van mededeling is de sportvereniging ervoor verantwoordelijk dat de betrokken gegevens binnen de termijnen, vermeld in het voormelde decreet, bij de NADO aankomen. Art. 50.Op verzoek van de sportvereniging of de internationale sportfederatie kan de NADO hen voor de uitvoering en afhandeling van dopingcontroles de nodige middelen tegen kostprijs ter beschikking stellen. Bij een dopingcontrole die op initiatief van een sportvereniging, een internationale sportfederatie of het WADA wordt uitgevoerd, worden de artsen en chaperons die voor de uitoefening van die controles bevoegd zijn, overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de betrokken sportvereniging of het WADA, geacht erkend te zijn. Art. 51.Bij dopingcontroles op initiatief van een sportvereniging, een internationale sportfederatie of het WADA wordt gebruikgemaakt van de procedures voor de legitimatie, het dopingcontroleformulier en de methodologie van monsterneming en de overige procedurevoorschriften van de betrokken instantie die in overeenstemming moeten zijn met de Code en de Internationale Standaarden. HOOFDSTUK 7. - Biologisch paspoort Afdeling 1. -

Art. 52

.Het biologisch paspoort kan door de NADO worden opgesteld voor die elitesporters die een sportdiscipline beoefenen waarvoor de bevoegde internationale sportfederatie het biologisch paspoort hanteert. De groep elitesporters waarvoor de NADO een biologisch paspoort opstelt en eventuele nadere samenwerkingsmodaliteiten, worden per sportdiscipline nader bepaald in een overeenkomst die de NADO sluit met de bevoegde internationale sportfederatie. Het biologisch paspoort kan voor de onderworpen elitesporters gebruikt worden om 1° doelgerichte dopingcontroles uit te voeren; 2° een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 2° van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten, vast te stellen. Art. 53.Er wordt een atleet paspoort managementeenheid, afgekort APME, aangeduid door de NADO. De eenheid is verantwoordelijk voor het administratieve beheer van de biologische paspoorten en staat de NADO bij met het oog op het effectiever en doelgerichter maken van dopingcontroles. Verder staat ze in contact met de commissie van experten, stelt ze een documentatiepakket bij het biologisch paspoort voor elitesporters samen en keurt ze dat goed, en rapporteert ze afwijkende paspoortresultaten. De verwerking van de persoonsgegevens door de APME gebeurt onder het toezicht van een arts. Art. 54.De APME geeft aan de hand van het adaptieve model na elke monstername een score aan het profiel van de elitesporter. Het profiel van een sporter is atypisch als het adaptieve model een score van 99,9 of hoger aangeeft. In geval van een atypisch profiel deelt de APME dat mee aan de NADO die een expert aanwijst om het desbetreffende geanonimiseerde biologisch paspoort te onderzoeken en te beoordelen. Bij een profiel dat op een pathologische toestand wijst, brengt de NADO de elitesporter daarvan op de hoogte. Als de betrokken expert van oordeel is dat er mogelijk sprake is van een afwijkend paspoortresultaat, wordt het biologisch paspoort door de NADO bezorgd aan twee bijkomende experten die de NADO aanwijst en die samen met de expert, vermeld in het tweede lid, de commissie van experten vormen. De commissie van experten werkt in onderling overleg. Ze werkt samen met de APME en kan via de NADO bijkomende gegevens opvragen, zoals aanvullende medische gegevens, gegevens over sportpraktijken of trainingsgegevens van de elitesporter, en ze kan andere deskundigen raadplegen. De identiteit van de elitesporter is in deze stand van de procedure niet bekend bij de commissie van experten. Als de commissie van experten unaniem van oordeel is dat er sprake kan zijn van een afwijkend paspoortresultaat, worden de bepalingen, vermeld in artikel 55 tot en met 58, toegepast. In de overige gevallen kan de APME aan de NADO bijkomende informatie verschaffen of aanvullende dopingcontroles aanbevelen. Art. 55.Als de commissie van experten unaniem van oordeel is dat er sprake kan zijn van een afwijkend paspoortresultaat stelt de APME, in voorkomend geval in overleg met de commissie van experten, het ABPDP samen dat minstens de volgende gegevens bevat : 1° het geslacht en de leeftijd van de elitesporter, de sport en de discipline;2° de biologische data en het verkregen resultaat op basis van het adaptieve model;3° informatie over eventuele hoogteverblijven van de elitesporter binnen de periode, bepaald door het expertenpanel;4° wedstrijdinformatie;5° de documenten die melding maken van de personen die verantwoordelijk zijn voor de relevante monsters vanaf het moment van de monsterneming tot het moment waarop het monster ter analyse wordt ontvangen;6° de temperatuursomstandigheden bij het transport van de betrokken monsters;7° de relevante laboratoriumdocumentatie, met inbegrip van de bloedresultaten, de grafieken van het adaptieve model en de interne en externe kwaliteitscontroles;8° informatie van de dopingcontroleformulieren voor elk monster dat afgenomen is gedurende de periode, bepaald door de APME en de experten, met inbegrip van eventuele bloedtransfusies of significant bloedverlies van de sporter in de voorafgaande drie maanden;9° overige relevante informatie, aangeleverd door de NADO. Art. 56.§

  1. De commissie van experten ontvangt het ABPDP en stelt in onderling overleg een nieuwe beoordeling op. §
  2. Als de commissie van experten op basis van het ABPDP unaniem van oordeel blijft dat er sprake kan zijn van een afwijkend paspoortresultaat, wordt dat op gemotiveerde wijze ter kennis gebracht aan de NADO. De NADO brengt de elitesporter en het WADA vervolgens via een aangetekende brief op de hoogte van : 1° het gemotiveerde oordeel van de betrokken commissie van experten dat er sprake kan zijn van een afwijkend paspoortresultaat;2° het ABPDP;3° de mogelijkheid voor de elitesporter om binnen de door de NADO bepaalde termijn een verklaring af te leggen over de resultaten van het biologisch paspoort en, in voorkomend geval, bijkomende informatie te verschaffen. Art. 57.De commissie van experten beoordeelt, in overleg met de NADO en de APME, de verklaring en informatie die ze in voorkomend geval heeft ontvangen van de elitesporter, en stelt een definitieve gemotiveerde beoordeling op. Als de commissie van experten unaniem van oordeel blijft, op basis van dezelfde gegevens in het biologisch paspoort, dat er sprake is van een afwijkend paspoortresultaat, brengt de APME de NADO daarvan op de hoogte. De NADO brengt de elitesporter en de bevoegde disciplinaire organen op de hoogte van de definitieve gemotiveerde beslissing. Art. 58.Als aan de elitesporter een uitsluiting wordt opgelegd op grond van de beoordeling van het biologisch paspoort, wordt na afloop van de uitsluiting het biologisch paspoort opnieuw ingesteld. In de overige gevallen blijft het biologisch paspoort doorlopen, behalve als de elitesporter uitgesloten is door het gebruik van verboden stoffen of methoden die zijn biologisch paspoort beïnvloedden. Het biologisch paspoort wordt dan opnieuw ingesteld vanaf het tijdstip waarop de disciplinaire maatregel aanvangt. Afdeling
  3. - Bloedmodule van het biologisch paspoort Art. 59.Zonder afbreuk te doen aan deze afdeling wordt de monsterneming voor de bloedmodule van het biologisch paspoort uitgevoerd overeenkomstig artikel 44 en
  4. De monsterneming voor de bloedmodule van het biologisch paspoort wordt uitgevoerd minstens twee uur na het beëindigen van de training of wedstrijd en nadat de elitesporter minstens tien minuten zittend in rust heeft kunnen doorbrengen na de oproep voor de monsterneming. Art. 60.De volgende markers moeten minstens in de bloedmodule van het biologisch paspoort worden opgenomen : 1° hematocriet;2° hemoglobine;3° aantal rode bloedcellen;4° aantal en percentage reticulocyten;5° gemiddeld volume rode bloedcellen;6° gemiddelde hemoglobinemassa per rode bloedcel;7° hemoglobine, gedeeld door hematocriet. Art. 61.Het dopingcontroleformulier bevat bij een monsterneming voor de bloedmodule van het biologisch paspoort ook informatie over : 1° bloedverlies of bloedtransfusies, toegediend aan de sporter in een periode van drie maanden voorafgaand aan de monsterneming;2° het gebruik van hypoxietoestellen door de sporter twee weken voorafgaand aan de monsterneming;3° een verblijf op hoogte van meer dan duizend meter twee weken voorafgaand aan de monsterneming;4° indien relevant, de meest recente training of fysieke activiteit. Art. 62.Het bloedmonster wordt na de monsterneming koel maar niet diepgevroren getransporteerd naar het controlelaboratorium waarbij een temperatuurlogger de temperaturen tijdens het transport registreert. Het bloedmonster wordt geanalyseerd in het controlelaboratorium binnen zesendertig uur na de monsterneming. De resultaten van het bloedmonster worden via ADAMS gerapporteerd aan de NADO, de betrokken internationale federatie, het WADA en de APME. Afdeling
  5. - Bijkomstige regels Art. 63.De minister kan bijkomstige bepalingen over de procedures, het beheer, de werking, monsternemingen voor het biologisch paspoort vaststellen. HOOFDSTUK
  6. - Verblijfsgegevensverplichtingen Afdeling
  7. - Categorieën van sportdisciplines Art. 64.De volgende sportdisciplines gelden als sportdisciplines van categorie A als vermeld in artikel 20, § 1, 1° van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten : 1° biatlon;2° langeafstandslopen (3 000 meter en meer);3° skiën - langlaufen;4° skiën - noordse combinatie;5° wielersport - baanwielrennen;6° wielersport - BMX;7° wielersport - mountainbike;8° wielersport - wielrennen op de weg;9° duatlon;10° veldrijden;11° triatlon. De volgende sportdisciplines gelden als sportdisciplines van categorie B als vermeld in artikel 20, § 1, 2° van het voormelde decreet : 1° atletiek - alles, behalve langeafstandslopen (3 000 meter en meer);2° badminton;3° beachvolley;4° bobslee;5° boksen;6° gewichtheffen;7° gymnastiek - artistiek;8° judo;9° kano - slalom;10° kano - sprint;11° moderne vijfkamp;12° rodelen;13° roeien;14° schaatsen - kunstschaatsen;15° schaatsen - shorttrack;16° schaatsen - snelschaatsen;17° schermen;18° skeleton;19° skiën - alpines;20° skiën - freestyle;21° skiën - snowboarden;22° taekwondo;23° tafeltennis;24° tennis;25° watersport - zwemmen;26° worstelen;27° zeilen. De volgende sportdisciplines gelden als sportdisciplines van categorie C als vermeld in artikel 20, § 1, 3° van het voormelde decreet : 1° basketbal;2° handbal;3° hockey;4° ijshockey;5° voetbal;6° volleybal;7° waterpolo. De volgende sportdisciplines gelden als sportdisciplines van categorie D als vermeld in artikel 20, § 1, 4° van het voormelde decreet : 1° boogschieten;2° gymnastiek - ritmisch;3° gymnastiek - trampoline;4° paardrijden - dressuur;5° paardrijden - eventing;6° paardrijden - jumping;7° schieten;8° watersport - duiken;9° watersport - synchroonzwemmen;10° curling;11° skiën - schansspringen. Afdeling
  8. - Ontstaan en einde van de verblijfsgegevensverplichtingen Art. 65.De NADO die een sporter aan verblijfsgegevensverplichtingen wil onderwerpen, zal die sporter, met kopie aan de betrokken sportverenigingen, met een aangetekende brief op zijn woonplaats informeren over het volgende : 1° dat hij is opgenomen in de nationale doelgroep;2° dat hij tegen de door de NADO opgegeven datum moet voldoen aan de verblijfsgegevensverplichtingen die op hem van toepassing zijn;3° de omvang van de verblijfsgegevensverplichtingen;4° de mogelijke gevolgen van een verblijfsgegevensinbreuk. Art. 66.§
  9. De sporter kan zijn onderworpenheid aan verblijfsgegevensverplichtingen betwisten door binnen veertien dagen na de kennisgeving ervan via een aangetekende brief een verzoek tot heroverweging te richten aan de NADO, waarin hij de redenen uiteenzet op grond waarvan hij de onderworpenheid aan verblijfsgegevensverplichtingen betwist. De NADO neemt deze argumenten mee in zijn beslissing over het verzoek tot heroverweging. Na verloop van die termijn kan de sporter zijn onderworpenheid aan verblijfsgegevensverplichtingen alleen betwisten als er nieuwe elementen zijn met betrekking tot zijn statuut van elitesporter of elitesporter met verblijfsgegevensverplichtingen. §
  10. De verblijfsgegevensverplichtingen eindigen vanaf de datum, opgegeven in de aangetekende brief, waarbij de NADO het einde van de verblijfsgegevensverplichtingen meedeelt aan de sporter. Afdeling
  11. - Omvang van de verblijfsgegevensverplichtingen Art. 67.Een sporter die is opgenomen in de nationale doelgroep, moet de verblijfsgegevens, vermeld in artikel 22, § 1 van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten, verstrekken en moet zich overeenkomstig artikel 22, § 2 van het voormelde decreet beschikbaar houden voor een of meer dopingcontroles, in het bijzonder voor de dopingtest als onderdeel van de dopingcontrole. De elitesporter van categorie A en B kan ervoor kiezen om het nakomen van zijn verblijfsgegevensverplichtingen te delegeren aan een derde, maar hij blijft altijd persoonlijk verantwoordelijk voor het nakomen van de verplichtingen, vermeld in het eerste lid. Art. 68.§
  12. De verblijfsgegevens moeten door de onderworpen sporters voor de eerste dag van elk kwartaal, respectievelijk 1 januari, 1 april, 1 juli, 1 oktober, ingediend zijn. Als de betrokken sporter nog niet exact weet waar hij zal verblijven in het eerstvolgende kwartaal, moet hij de best mogelijke informatie indienen over waar hij zich op de betrokken tijdstippen denkt te zullen bevinden, en moet hij die informatie actualiseren zodra hij over meer gegevens beschikt. §
  13. Een sporter die is opgenomen in de nationale doelgroep, is verplicht er zorg voor te dragen en is ervoor verantwoordelijk dat zijn verblijfsgegevens altijd nauwkeurig, correct, volledig en actueel zijn, zodat een controlearts onaangekondigd : 1° de locatie waar de sporter zich bevindt, kan vinden;2° zich toegang kan verschaffen tot die locatie;3° de sporter op die locatie kan vinden. §
  14. Gedurende het tijdslot moet de elitesporter van categorie A onmiddellijk beschikbaar zijn voor een dopingcontrole. Als de betrokken sporter gedurende het opgegeven tijdslot niet te vinden of beschikbaar is voor een onaangekondigde dopingcontrole, kan dat aanleiding geven tot de vaststelling van een gemiste dopingtest. Als de betrokken sporter gedurende het opgegeven tijdslot niet onmiddellijk te vinden of niet onmiddellijk beschikbaar is voor een onaangekondigde dopingcontrole, kan dat aanleiding geven tot het onderzoeken of er sprake is van een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 3° of 5° van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten. §
  15. De elitesporter van categorie A kan in beginsel op elk moment voor het tijdslot aanvangt, het tijdslot aanpassen. Als een tijdslot regelmatig kort voor de aanvang ervan geactualiseerd wordt, kan dat evenwel aanleiding geven tot het onderzoeken of er sprake is van een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 3° of 5° van het voormelde decreet. §
  16. Als de omstandigheden bijzonder flagrant zijn, kan het indienen van incorrecte, onvolledige of misleidende verblijfsgegevens worden beschouwd als een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 3° of 5° van het voormelde decreet. Afdeling
  17. - Aangifteverzuimen en gemiste dopingtests voor elitesporters van categorie A Onderafdeling
  18. -

Art. 69.§ 1.

Ten laste van een elitesporter van categorie A die zijn verblijfsgegevensverplichtingen niet nakomt, kan overeenkomstig deze afdeling een aangifteverzuim of gemiste dopingtest als vermeld in artikel 21, § 1 van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten, worden vastgesteld. § 2. Overeenkomstig artikel 3, 4° van het voormelde decreet en artikel 79 van dit besluit kunnen aangifteverzuimen en gemiste dopingtests aanleiding geven tot de vaststelling van een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 4° van het voormelde decreet. Elke verblijfsgegevensinbreuk die overeenkomstig de voorschriften die op de elitesporter van toepassing zijn, door een bevoegde ADO vastgesteld wordt, wordt daarbij in aanmerking genomen om te bepalen of er drie verblijfsgegevensinbreuken zijn in een aaneengesloten periode van achttien maanden. § 3. De aangifteverzuimen en gemiste dopingtests die door de NADO worden vastgesteld, worden geregistreerd overeenkomstig de bepalingen, vermeld in onderafdeling 4 en 5. Onderafdeling 2. - Mogelijk aangifteverzuim Art. 70.Er is sprake van een mogelijk aangifteverzuim als voor een elitesporter van categorie A : 1° geen verblijfsgegevens zijn ingediend;2° de verblijfsgegevens niet tijdig zijn ingediend;3° de ingediende verblijfsgegevens niet correct zijn, volledig of voldoende nauwkeurig om de sporter te kunnen vinden voor een onaangekondigde dopingcontrole. Om een mogelijk aangifteverzuim te kunnen vaststellen, moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn : 1° er is conform het derde lid een rapport opgesteld van een mogelijk aangifteverzuim;2° de sporter is tijdig voorafgaand aan het mogelijke aangifteverzuim op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 65 van dit besluit;3° in geval van een tweede of een derde mogelijk aangifteverzuim gedurende hetzelfde kwartaal moet de sporter vooraf op de hoogte gebracht zijn van het vorige mogelijke aangifteverzuim en heeft hij het niet gecorrigeerd binnen de opgegeven termijn.Die termijn bedraagt niet minder dan 24 uur na de eerste kennisgeving, vermeld in artikel 72, van het vorige mogelijke aangifteverzuim, en eindigt niet later dan het einde van de maand waarin de sporter de eerste kennisgeving, vermeld in artikel 72, heeft ontvangen; 4° er is op zijn minst sprake van nalatigheid.Nalatigheid wordt vermoed als is voldaan aan de bepalingen, vermeld in het eerste lid, en een mogelijk aangifteverzuim is vastgesteld. Dat vermoeden kan worden weerlegd als de sporter aantoont dat van zijn kant geen sprake is geweest van nalatigheid die heeft bijgedragen aan het aangifteverzuim of die het aangifteverzuim heeft veroorzaakt. Van elk mogelijk aangifteverzuim wordt door de controlearts een rapport opgesteld. Een mogelijk aangifteverzuim kan vastgesteld worden op basis van de ingediende verblijfsgegevens of door een poging tot onaangekondigde dopingcontrole buiten het tijdslot. Onderafdeling 3. - Mogelijk gemiste dopingtest Art. 71.§ 1. Er is sprake van een mogelijk gemiste dopingtest als de controlearts tijdens het tijdslot bij de elitesporter van categorie A een onaangekondigde dopingcontrole wil uitvoeren, en die sporter tijdens het tijdslot niet te vinden of niet beschikbaar is op de door hem aangegeven locatie. § 2. Om een mogelijk gemiste dopingtest bij een sporter te kunnen vaststellen, moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn : 1° de sporter is tijdig geïnformeerd overeenkomstig artikel 65;2° een controlearts heeft conform paragraaf 3 een rapport opgemaakt van een mogelijk gemiste dopingtest;3° de controlearts is gedurende het opgegeven tijdslot op de opgegeven locatie gebleven.Gedurende die tijd deed hij wat in de gegeven omstandigheden redelijk is om de sporter te vinden, waarbij in acht moet worden genomen dat de dopingtest zonder enige vorm van vooraankondiging moet plaatsvinden; 4° in geval van een tweede of derde gemiste dopingtest gedurende hetzelfde kwartaal moet de sporter in overeenstemming met artikel 75 de eerste kennisgeving over zijn voorgaande mogelijk gemiste dopingtest ontvangen hebben;5° bij het niet te vinden of beschikbaar zijn van de sporter in het tijdslot is op zijn minst sprake van nalatigheid.Nalatigheid wordt vermoed als is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 4°. Dat vermoeden kan alleen worden weerlegd als de sporter aantoont dat van zijn kant geen sprake is geweest van nalatigheid die heeft bijgedragen aan dan wel de oorzaak is geweest van :

  1. a)de omstandigheid dat hij niet vindbaar of beschikbaar was voor een dopingtest in het tijdslot;
  2. b)het niet tijdig, volledig en correct actualiseren van de verblijfsgegevens inzake het tijdslot. § 3. Van elke mogelijk gemiste dopingtest wordt door de controlearts een rapport opgesteld. Als een sporter bij aankomst van de controlearts op de opgegeven locatie tijdens het tijdslot niet onmiddellijk te vinden of beschikbaar is, maar wel later tijdens het tijdslot, voert de controlearts de dopingtest uit en stelt hij geen rapport van een mogelijk gemiste dopingtest op. Hij rapporteert de gebeurtenissen wel aan de NADO in het licht van een mogelijk onderzoek of er met betrekking tot de sporter sprake is van een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 3° of 5° van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten. De omstandigheid dat een sporter die niet te vinden of beschikbaar is geweest voor een dopingtest gedurende het tijdslot, eerder of later op dezelfde dag wel een dopingtest heeft ondergaan, heeft geen gevolg voor de rapportage van een mogelijk gemiste dopingtest tijdens het tijdslot. § 4. Als de sporter gedurende het tijdslot een dopingtest ondergaat, moet hij op de betreffende locatie blijven tot de dopingtest helemaal is afgerond, ook als de dopingtest voortduurt na afloop van het tijdslot. § 5. De controlearts moet bij het uitvoeren van een dopingtest tijdens het tijdslot altijd uitgaan van de meeste actuele informatie over het tijdslot. Als de sporter niet te vinden is voor een dopingtest tijdens het tijdslot, maar de sporter tijdig zijn informatie over het tijdslot heeft aangepast, is er geen sprake van een mogelijk gemiste dopingtest. Onderafdeling 4. - Registratie van een aangifteverzuim Art. 72.Als een controlearts vaststelt dat er sprake is van een mogelijk aangifteverzuim en de NADO van oordeel is dat de voorwaarden, vermeld in artikel 70, vervuld zijn, brengt de NADO de sporter binnen veertien dagen na de dag waarop de vaststelling heeft plaatsgevonden, met een aangetekende brief op de hoogte van het volgende : 1° er werd een mogelijk aangifteverzuim vastgesteld;2° het mogelijke aangifteverzuim wordt geregistreerd, tenzij de sporter de NADO ervan overtuigt dat er geen sprake is van een mogelijk aangifteverzuim;3° de termijn waarin de sporter het mogelijke aangifteverzuim kan betwisten, is veertien dagen na de ontvangst van de aangetekende kennisgeving van het mogelijke aangifteverzuim;4° de gevolgen voor de sporter van de registratie van een aangifteverzuim;5° mogelijk eerder geregistreerde verblijfsgegevensinbreuken van de sporter in de aaneengesloten periode van achttien maanden, als die bekend zijn bij de NADO. Art. 73.§ 1. De sporter kan het mogelijke aangifteverzuim betwisten door binnen veertien dagen na de ontvangst van de kennisgeving, vermeld in artikel 72, met een aangetekende brief bezwaar aan te tekenen bij de NADO. § 2. Als de sporter het mogelijke aangifteverzuim tijdig betwist, controleert de NADO of aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 70, is voldaan. Als de NADO vervolgens oordeelt dat er geen mogelijk aangifteverzuim is begaan, deelt de NADO dat binnen veertien dagen na de ontvangst van de aangetekende brief, vermeld in paragraaf 1, mee aan de sporter en aan de partijen die overeenkomstig artikel 80 het recht hebben beroep in te stellen tegen die beslissing. § 3. Als de sporter het mogelijke aangifteverzuim niet of niet tijdig betwist, of als de NADO ondanks de betwisting van de sporter oordeelt dat er sprake is van een mogelijk aangifteverzuim, bevestigt de NADO de sporter dat een aangifteverzuim zal worden geregistreerd. De NADO brengt de sporter met een aangetekende brief op de hoogte van die bevestiging, hetzij binnen veertien dagen nadat de termijn, vermeld in paragraaf 1, is verlopen, hetzij binnen veertien dagen vanaf de dag dat de NADO heeft geoordeeld dat er inderdaad sprake is van een mogelijk aangifteverzuim. In de aangetekende brief licht de NADO de sporter ook in over zijn recht om binnen veertien dagen na de ontvangst van de kennisgeving een administratieve herziening van die bevestiging aan te vragen bij de NADO middels aangetekend schrijven. Art. 74.§ 1. Als de sporter in het geval, vermeld in artikel 73, § 3, tijdig een verzoek indient om een administratieve herziening, zal die herziening worden uitgevoerd door een of meer door de NADO aangewezen personen, die niet betrokken waren bij de eerdere besluitvorming over het mogelijke aangifteverzuim. § 2. De administratieve herziening : 1° vindt plaats op basis van schriftelijke stukken, zonder dat een hoorzitting wordt gehouden;2° bestaat uit de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 70;3° leidt uiterlijk binnen veertien dagen na de ontvangst van het verzoek van de sporter tot een besluit dat het mogelijke aangifteverzuim vervalt of gehandhaafd blijft. § 3. Als de administratieve herziening leidt tot het besluit dat het mogelijke aangifteverzuim vervalt, brengt de NADO de sporter daarvan schriftelijk op de hoogte binnen zeven dagen nadat de beslissing is genomen. De NADO stuurt die kennisgeving ook naar de partijen die overeenkomstig artikel 80 het recht hebben beroep aan te tekenen tegen de beslissing. § 4. Als de sporter de administratieve herziening niet of niet tijdig aanvraagt, dan wel de administratieve herziening bevestigt dat er sprake is van een mogelijk aangifteverzuim, ontvangt de sporter van de NADO de bevestiging dat een aangifteverzuim is geregistreerd. De NADO zal vervolgens het WADA, alsook andere betrokken ADO's informeren over het geregistreerde aangifteverzuim en de datum waarop het is vastgesteld. Die kennisgeving bevat ook informatie over andere verblijfsgegevensinbreuken die de sporter begaan heeft in de aaneengesloten periode van achttien maanden, vermeld in artikel 69, § 2, tweede lid, als die bekend zijn bij de NADO. Onderafdeling 5. - Registratie van een gemiste dopingtest Art. 75.§ 1. Als een controlearts vaststelt dat er sprake is van een mogelijk gemiste dopingtest en de NADO van oordeel is dat de voorwaarden, vermeld in artikel 71, vervuld zijn, brengt de NADO de betrokken elitesporter daarvan op de hoogte met een aangetekende brief binnen veertien dagen na de dag waarop de vaststelling heeft plaatsgevonden. De schriftelijke kennisgeving vermeldt het volgende : 1° er werd een mogelijk gemiste dopingtest vastgesteld;2° de mogelijk gemiste dopingtest wordt geregistreerd, tenzij de sporter de NADO ervan overtuigt dat er geen sprake is van een mogelijk gemiste dopingtest;3° de termijn waarin de sporter de mogelijk gemiste dopingtest kan betwisten, namelijk veertien dagen na de ontvangst van de aangetekende kennisgeving van de mogelijk gemiste dopingtest;4° de gevolgen voor de sporter van de registratie van een gemiste dopingtest;5° mogelijk eerder geregistreerde verblijfsgegevensinbreuken van de sporter in de aaneengesloten periode van achttien maanden, als die bekend zijn bij de NADO. Art. 76.§ 1. De sporter kan de mogelijk gemiste dopingtest betwisten door binnen veertien dagen na de ontvangst van de kennisgeving, vermeld in artikel 75, § 1, met een aangetekende brief bezwaar aan te tekenen bij de NADO. § 2. Als de sporter de mogelijk gemiste dopingtest tijdig betwist, controleert de NADO of aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 71, is voldaan. Als de NADO vervolgens oordeelt dat er geen sprake is van een mogelijk gemiste dopingtest, deelt de NADO dat binnen veertien dagen na de ontvangst van de aangetekende brief, vermeld in paragraaf 1, mee aan de sporter en aan de partijen die overeenkomstig artikel 80 het recht hebben beroep aan te tekenen tegen die beslissing. § 3. Als de sporter de mogelijk gemiste dopingtest niet of niet tijdig betwist, of als de NADO ondanks de betwisting van de sporter oordeelt dat er sprake is van een mogelijk gemiste dopingtest, bevestigt de NADO aan de sporter dat een gemiste dopingtest zal worden geregistreerd. De NADO brengt de sporter via aangetekende brief op de hoogte van die bevestiging, hetzij binnen veertien dagen nadat de termijn, vermeld in paragraaf 1, is verlopen, hetzij binnen veertien dagen vanaf de dag dat de NADO heeft geoordeeld dat er inderdaad sprake is van een mogelijk gemiste dopingtest. In dezelfde brief licht de NADO de sporter ook in over zijn recht om binnen veertien dagen na de ontvangst van de kennisgeving een administratieve herziening van de bevestiging aan te vragen bij de NADO. Art. 77.§ 1. Als de sporter in het geval, vermeld in artikel 76, § 3, tijdig een verzoek indient om een administratieve herziening, zal die herziening worden uitgevoerd door een of meer door de NADO aangewezen personen, die niet betrokken waren bij de eerdere besluitvorming over de mogelijk gemiste dopingtest. § 2. De administratieve herziening : 1° vindt plaats op basis van schriftelijke stukken waarover de betrokkenen overleg hebben gepleegd, zonder dat een hoorzitting wordt gehouden;2° bestaat uit de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 71;3° leidt uiterlijk binnen veertien dagen na de ontvangst van het verzoek van de sporter tot een besluit dat de mogelijk gemiste dopingtest vervalt of gehandhaafd blijft. § 3. Als de administratieve herziening leidt tot het besluit dat de mogelijk gemiste dopingtest vervalt, brengt de NADO de sporter daarvan schriftelijk op de hoogte binnen zeven dagen nadat de beslissing is genomen. De NADO stuurt die kennisgeving ook naar de partijen die overeenkomstig artikel 80 het recht hebben beroep aan te tekenen tegen de beslissing. § 4. Als de sporter de administratieve herziening niet of niet tijdig aanvraagt, dan wel de administratieve herziening bevestigt dat er sprake is van een mogelijk gemiste dopingtest, ontvangt de sporter van de ADO de bevestiging dat een gemiste dopingtest is geregistreerd. De NADO zal vervolgens het WADA, alsook andere betrokken ADO's informeren over de geregistreerde gemiste dopingtest en de datum waarop die is vastgesteld. Die kennisgeving bevat ook informatie over andere verblijfsgegevensinbreuken die de sporter begaan heeft in de aaneengesloten periode van achttien maanden, vermeld in artikel 69, § 2, tweede lid, als die bekend zijn bij de NADO. Onderafdeling 6. - Gevolgen van geregistreerde verblijfsgegevensinbreuken Art. 78.§ 1. Er is sprake van een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 4° van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten, als tegen een elitesporter van categorie A binnen een aaneengesloten periode van achttien maanden drie geregistreerde verblijfsgegevensinbreuken zijn vastgesteld. Die drie verblijfsgegevensinbreuken kunnen bestaan uit drie aangifteverzuimen, drie gemiste dopingtests of een combinatie van de twee, zolang in totaal sprake is van drie verblijfsgegevensinbreuken. De dopingpraktijk wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de dag waarop de derde geregistreerde verblijfsgegevensinbreuk wordt geacht te hebben plaatsgevonden. § 2. Het vaststellen van verblijfsgegevensinbreuken is niet gebonden aan een bepaalde ADO. Elke verblijfsgegevensinbreuk die vastgesteld wordt door een bevoegde ADO, wordt in aanmerking genomen om te bepalen of er drie verblijfsgegevensinbreuken zijn in een aaneengesloten periode van achttien maanden. § 3. De aaneengesloten periode van achttien maanden vangt aan op de datum waarop met betrekking tot een sporter de eerste verblijfsgegevensinbreuk geacht wordt te hebben plaatsgevonden. Als een aangifteverzuim wordt geregistreerd, wordt dat geacht te hebben plaatsgevonden op de eerste dag van het kwartaal waarvoor de verblijfsgegevensverplichtingen waren bedoeld. Bij een volgend aangifteverzuim in hetzelfde kwartaal wordt het aangifteverzuim geacht te hebben plaatsgevonden op het moment dat de termijn om het vorige aangifteverzuim te corrigeren, vermeld in artikel 70, tweede lid, 3°, verstrijkt. Als een gemiste dopingtest wordt geregistreerd, wordt die geacht te hebben plaatsgevonden op de dag waarop de onsuccesvolle poging tot dopingtest gedurende het tijdslot heeft plaatsgevonden. § 4. Als een sporter binnen de aaneengesloten periode van achttien maanden slechts één geregistreerde verblijfsgegevensinbreuk heeft begaan, vervalt die na het verstrijken van die periode. Als een sporter binnen de aaneengesloten periode van achttien maanden twee geregistreerde verblijfsgegevensinbreuken begaat, vervalt na het verstrijken van de periode van achttien maanden de minst recent geregistreerde verblijfsgegevensinbreuk. De meest recent geregistreerde verblijfsgegevensinbreuk blijft van kracht. De datum waarop die wordt geacht te hebben plaatsgevonden, is de aanvangsdatum van de volgende aaneengesloten periode van achttien maanden. § 5. De periodes waarin een sporter niet als elitesporter van categorie A onderworpen is aan verblijfsgegevensverplichtingen, worden niet meegenomen in de berekening van de aaneengesloten periode van achttien maanden. In dergelijke gevallen worden geregistreerde verblijfsgegevensinbreuken die zijn vastgesteld voorafgaand aan het niet langer van toepassing zijn van de verblijfsgegevens-verplichting, gecombineerd met geregistreerde verblijfsgegevensinbreuken die zijn vastgesteld nadat de verblijfsgegevensverplichting weer van toepassing is geworden. § 6. Noch de aaneengesloten periode van achttien maanden, noch een verblijfsgegevensinbreuk die in die periode heeft plaatsgevonden, wordt beïnvloed door een of meer dopingtests die op latere momenten gedurende de aaneengesloten periode van achttien maanden succesvol uitgevoerd zijn bij de betreffende sporters. Onderafdeling 7. - Disciplinaire behandeling van geregistreerde verblijfsgegevensinbreuken Art. 79.Zodra ten aanzien van een sporter sprake is van drie geregistreerde verblijfsgegevensinbreuken in een aaneengesloten periode van achttien maanden, maakt de ADO die een of meer van de drie geregistreerde verblijfsgegevensinbreuken heeft vastgesteld, bij de sportvereniging melding van een mogelijke dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 4° van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten, met het verzoek voor de disciplinaire afhandeling ervan te zorgen. Onderafdeling 8. - Beroep Art. 80.De volgende partijen hebben het recht bij het TAS beroep in te stellen tegen de besluiten dat er geen sprake is van een mogelijk aangifteverzuim of mogelijk gemiste dopingtest, vermeld in artikel 73, § 2, tweede lid, artikel 74, § 3, artikel 76, § 2, tweede lid, en artikel 77, § 3 : 1° de sportvereniging;2° de bevoegde internationale sportfederatie;3° de ADO van het land waarvan de aangeslotene de nationaliteit heeft, dan wel van het land waarin hij woont;4° het Internationaal Olympisch Comité (IOC) of het Internationaal Paralympisch Comité (IPC), indien van toepassing, als de uitspraak een effect kan hebben dat betrekking heeft op de Olympische Spelen of de Paralympische Spelen, waaronder uitspraken die van invloed zijn op de bevoegdheid tot deelname aan de Olympische Spelen of de Paralympische Spelen;5° WADA. De termijn voor het instellen van beroep komt overeen met de termijn die is opgenomen in het tuchtreglement van de sportvereniging. Hetzelfde geldt voor het moment van de aanvang van de beroepstermijn. Afdeling 5. - Niet-nakoming van de verblijfsgegevensverplichtingen door een elitesporter van categorie B Art. 81.Er is sprake van een mogelijke niet-nakoming van de verblijfsgegevensverplichtingen door een elitesporter categorie B als een controlearts een van de volgende gevallen vaststelt : 1° er zijn geen verblijfsgegevens ingediend;2° de verblijfsgegevens zijn niet tijdig ingediend;3° de ingediende verblijfsgegevens zijn niet correct, volledig of voldoende nauwkeurig om de sporter te kunnen vinden voor een onaangekondigde dopingcontrole. Om een niet-nakoming als vermeld in artikel 21, § 2, tweede lid van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten, te kunnen vaststellen, moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn : 1° er is conform het derde lid een rapport opgesteld van een mogelijke niet-nakoming;2° de sporter is tijdig en voorafgaand aan het mogelijke aangifteverzuim geïnformeerd overeenkomstig artikel 65 van dit besluit;3° er is op zijn minst sprake van nalatigheid.Nalatigheid wordt vermoed als is voldaan aan de bepalingen, vermeld in artikel 65 van dit besluit, en een mogelijke niet-nakoming is vastgesteld. Dat vermoeden kan worden weerlegd als de sporter aantoont dat van zijn kant geen sprake is geweest van nalatigheid die heeft bijgedragen aan de niet-nakoming of die de niet-nakoming heeft veroorzaakt. Van elke mogelijke niet-nakoming van verblijfsgegevensverplichtingen door een elitesporter van categorie B wordt door de controlearts een rapport opgesteld. Een mogelijke niet-nakoming kan vastgesteld worden op basis van de opgegeven verblijfsgegevens of op basis van een poging tot onaangekondigde dopingcontrole. Art. 82.§ 1. Als een controlearts vaststelt dat er sprake is van een mogelijke niet-nakoming als vermeld in artikel 81, eerste lid, en de NADO van oordeel is dat de voorwaarden, vermeld in artikel 81, tweede lid, vervuld zijn, informeert de NADO de sporter daarover met een aangetekende brief binnen veertien dagen na de dag waarop de vaststelling heeft plaatsgevonden. § 2. De schriftelijke kennisgeving vermeldt het volgende : 1° er werd een mogelijke niet-nakoming van verblijfsgegevensverplichtingen vastgesteld;2° de termijn waarin de sporter dat kan betwisten, namelijk veertien dagen na de ontvangst van de schriftelijke kennisgeving;3° de bepalingen, vermeld in artikel 21, § 2, tweede lid van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten. § 3. De sporter kan de vaststelling, vermeld in paragraaf 1, betwisten door binnen veertien dagen na de ontvangst van de kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, aangetekend bezwaar aan te tekenen bij de NADO. § 4. Als de sporter de vaststelling, vermeld in paragraaf 1, tijdig betwist, controleert de NADO of aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 81, voldaan is. Aan de sporter wordt binnen veertien dagen na de ontvangst van het aangetekende bezwaar, vermeld in paragraaf 3, schriftelijk meegedeeld of de NADO van oordeel is dat hij inderdaad zijn verblijfsgegevensverplichtingen niet is nagekomen. § 5. Als de sporter de vaststelling, vermeld in paragraaf 1, niet of niet tijdig betwist, of als de NADO in antwoord op de betwisting door de sporter oordeelt dat de sporter zijn verblijfsgegevensverplichtingen niet is nagekomen, zal de NADO de sporter een aangetekende waarschuwing bezorgen, waarbij hem wordt meegedeeld dat hij bij een tweede niet-nakoming van zijn verblijfsgegevensverplichtingen binnen twaalf maanden verplicht zal worden om dezelfde verblijfsgegevensverplichtingen na te komen als een elitesporter van categorie A. § 6. Als de elitesporter van de categorie B zijn verblijfsgegevensverplichtingen een tweede keer binnen twaalf maanden niet nakomt, deelt de NADO hem met een aangetekende brief mee dat hij gedurende een termijn van zes maanden dezelfde verblijfsgegevensverplichtingen in acht moet nemen als een elitesporter van categorie A. De termijn van zes maanden kan door de NADO worden verlengd met telkens zes maanden, voor iedere gemiste dopingtest of aangifteverzuim dat voor de betrokken sporter wordt geregistreerd tijdens de eerste periode van zes maanden. De periode van twaalf maanden vangt aan op de datum waarop voor de betrokken sporter de eerste niet-nakoming van de verblijfsgegevensverplichtingen werd vastgesteld. Afdeling 6. - Niet-nakoming van de verblijfsgegevensverplichtingen door een elitesporter van categorie C Art. 83.§ 1. Er is sprake van een mogelijke niet-nakoming van de verblijfsgegevensverplichtingen door een elitesporter categorie C als een controlearts vaststelt dat : 1° er geen verblijfsgegevens werden ingediend;2° de verblijfsgegevens niet tijdig werden ingediend;3° de ingediende verblijfsgegevens niet correct, volledig of voldoende nauwkeurig zijn om de elitesporter van categorie C aan een dopingcontrole te kunnen onderwerpen tijdens een ploegactiviteit. In het eerste lid, 3° wordt verstaan onder ploegactiviteit : activiteit binnen een ploegsport die gezamenlijk wordt uitgevoerd. Als een sporter in een ploegsport niet in staat is om deel te nemen aan een ploegactiviteit, maar individueel andere activiteiten in opdracht van de ploeg uitvoert, worden die activiteiten ook aangemerkt als een ploegactiviteit. § 2. Om een niet-nakoming als vermeld in artikel 21, § 3, tweede lid van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten, te kunnen vaststellen, moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn : 1° er is conform paragraaf 3 een rapport opgesteld van een mogelijke niet-nakoming;2° de sporter is tijdig en voorafgaand aan het mogelijke aangifteverzuim geïnformeerd overeenkomstig artikel 65 van dit besluit;3° er is op zijn minst sprake van nalatigheid.Nalatigheid wordt vermoed als is voldaan aan de bepalingen, vermeld in artikel 65 van dit besluit, en een mogelijke niet-nakoming is vastgesteld. Dat vermoeden kan worden weerlegd als de sporter aantoont dat van zijn kant geen sprake is geweest van nalatigheid die heeft bijgedragen aan de niet-nakoming of die de niet-nakoming heeft veroorzaakt. § 3. Van elke mogelijke niet-nakoming van verblijfsgegevensverplichtingen door een elitesporter van categorie C wordt door de controlearts een rapport opgesteld. Een mogelijke niet-nakoming kan vastgesteld worden op basis van de ingediende verblijfsgegevens of op basis van een poging tot onaangekondigde dopingcontrole. Art. 84.§ 1. Als een controlearts vaststelt dat er sprake is van een mogelijke niet-nakoming als vermeld in artikel 83, § 1, en de NADO van oordeel is dat de voorwaarden, vermeld in artikel 83, § 2, vervuld zijn, brengt de NADO de sporter daarvan via aangetekende brief op de hoogte binnen veertien dagen na de dag waarop de vaststelling heeft plaatsgevonden. § 2. De schriftelijke kennisgeving vermeldt het volgende : 1° er werd een mogelijke niet-nakoming van verblijfsgegevensverplichtingen vastgesteld;2° de termijn waarin de sporter de niet-nakoming kan betwisten, namelijk veertien dagen na de ontvangst van de schriftelijke kennisgeving;3° de bepalingen, vermeld in artikel 21, § 3, tweede lid van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten. § 3. De sporter kan de vaststelling, vermeld in paragraaf 1, betwisten door binnen veertien dagen na de ontvangst van de kennisgeving, vermeld in paragraaf 4, via aangetekende brief bezwaar aan te tekenen bij de NADO. § 4. Als de sporter de vaststelling, vermeld in paragraaf 1, tijdig betwist, moet de NADO controleren of aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 83, § 2, voldaan is. Aan de sporter wordt binnen veertien dagen na de ontvangst van het schriftelijke bezwaar, vermeld in paragraaf 3, schriftelijk meegedeeld of de NADO van oordeel is dat de sporter inderdaad zijn verblijfsgegevensverplichtingen niet is nagekomen. § 5. Als de sporter de vaststelling, vermeld in paragraaf 1, niet of niet tijdig betwist, of als de NADO in antwoord op de betwisting door de sporter oordeelt dat de sporter zijn verblijfsgegevensverplichtingen niet is nagekomen, zal de NADO de sporter een aangetekende waarschuwing bezorgen, waarbij hem wordt meegedeeld dat hij bij een tweede niet-nakoming van zijn verblijfsgegevensverplichtingen binnen twaalf maanden verplicht zal worden om dezelfde verblijfsgegevensverplichtingen na te komen als een elitesporter van categorie A. § 6. Als de elitesporter van categorie C zijn verblijfsgegevensverplichtingen een tweede keer binnen twaalf maanden niet nakomt, deelt de NADO hem met een aangetekende brief mee dat hij gedurende een verlengbare periode van zes maanden dezelfde verblijfsgegevensverplichtingen in acht moet nemen als een elitesporter van categorie A. In afwijking hiervan kan de NADO op basis van specifieke omstandigheden aangereikt door de betrokken sporter, beslissen dat de betrokken sporter niet dezelfde verblijfsgegevensverplichtingen in acht moet nemen als een elitesporter van categorie A maar wel die van een elitesporter van categorie B. De periode van twaalf maanden vangt aan op de datum waarop voor de betrokken sporter de eerste niet-nakoming van de verblijfsgegevensverplichtingen werd vastgesteld. HOOFDSTUK 9. - Disciplinaire maatregelen Afdeling 1. - Opstart van de disciplinaire procedure Art. 85.De NADO opent een dossier zodra ze op de hoogte wordt gebracht van het mogelijke bestaan van een of meer dopingpraktijken door een niet-elitesporter of, naar aanleiding van een door de NADO uitgevoerde dopingcontrole, door een elitesporter. Elk dossier wordt opgevolgd door de NADO. Elk dossier bevat, zo mogelijk en in voorkomend geval : 1° een omschrijving van de reden die aanleiding heeft gegeven tot het openen van het dossier;2° de vermelding van de datum van de opening van het dossier;3° een inventaris van de stukken, met vermelding van de datum van opname in het dossier;4° de identiteit van de vermoedelijke overtreder;5° een afschrift van alle andere stukken die nuttig kunnen zijn voor de behandeling van het dossier. In geval van een vermoedelijke dopingpraktijk, gepleegd door een sporter, bevat elk dossier, zo mogelijk en in voorkomend geval, de volgende gegevens : 1° geboortedatum en adres van de sporter;2° voornaam, achternaam en adres van de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige sporter;3° voornaam en achternaam van degene die de sporter vergezeld heeft tijdens de dopingcontrole;4° naam en adres van de sportvereniging waarbij de sporter is aangesloten of van de organisator van de sportactiviteit waaraan hij deelnam;5° aard, datum en plaats van de controle;6° voornaam, achternaam en adres van de advocaat of arts van de sporter;7° de controleopdracht waarbij de controlearts belast werd met de uitvoering van een dopingcontrole;8° het aanplakbiljet bij de sportactiviteit waarbij de oproep voor dopingcontrole wordt gedaan met een aanplakbiljet;9° het dopingcontroleformulier;10° de analysecertificaten en laboratoriumdocumentatiepakketten van de controlelaboratoria;11° de aangetekende brief waarmee de sporter op de hoogte wordt gebracht van het afwijkende analyseresultaat, alsook van het afgiftebewijs, vermeld in artikel 47, § 2;12° het ondertekende document waarin de sporter een analyse van het B-monster vraagt, vermeld in artikel 48, § 1. Art. 86.Zodra de NADO het dossier als volledig beschouwt, wordt het verstuurd naar het bevoegde disciplinaire orgaan. Art. 87.Als een sporter zich uit de sport terugtrekt, behoudt het bevoegde disciplinaire orgaan de bevoegdheid om op basis van een aangifteverzuim, gemiste test of monster, vastgesteld of afgenomen op een tijdstip dat de sporter zich nog niet uit de sport teruggetrokken had, de disciplinaire procedure op te starten, te voeren en af te ronden. Afdeling 2. - Disciplinaire organen voor niet-elitesporters Art. 88.De volgende personen komen niet in aanmerking om de functie van voorzitter of lid van de disciplinaire commissie of van de disciplinaire raad uit te oefenen : 1° de controleartsen, de chaperons en de experts;2° de personen die werken voor een controlelaboratorium en de personeelsleden van de NADO;3° de parketmagistraten;4° de leden van de gemeenschaps- of gewestparlementen of van de federale wetgevende macht;5° de leden van de algemene raad van de Raad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media of de sectorraad voor Sport, vermeld in artikel 4 van het decreet van 30 november 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/11/2007 pub. 15/01/2008 numac 2008037385 bron vlaamse overheid Decreet houdende de oprichting van de Raad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media sluiten houdende de oprichting van de Raad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media;6° de leden van de expertcommissies, vermeld in artikel 22 en 23 van het decreet van 13 juli 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/07/2007 pub. 13/09/2007 numac 2007036532 bron vlaamse overheid Decreet inzake medisch verantwoorde sportbeoefening sluiten inzake medisch en ethisch verantwoorde sportbeoefening;7° de leden van de TTN-commissie. Art. 89.Leden of plaatsvervangende leden van de disciplinaire commissie en van de disciplinaire raad moeten deskundig, onafhankelijk en onpartijdig zijn. Jaarlijks bezorgen ze aan de NADO een geschreven verklaring waarin ze hun professionele en persoonlijke bindingen met sporters, sportverenigingen en wedstrijdorganisatoren meedelen. Bij een mogelijk belangenconflict moeten ze zich laten vervangen. Het secretariaat van de disciplinaire commissie en de disciplinaire raad wordt waargenomen door de NADO. Art. 90.Voor de toepassing van artikel 28 en 29 van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten wordt een master in de Geneeskunde gelijkgesteld met een arts. Art. 91.Voor de benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden van de disciplinaire commissie en van de disciplinaire raad, die magistraat zijn, kan het advies van het Ministerie van Justitie worden ingewonnen. Art. 92.De minister legt de vergoedingen voor de voorzitter, de leden, de plaatsvervangende voorzitter en de plaatsvervangende leden van de disciplinaire commissie en de disciplinaire raad vast. Afdeling 3. - Disciplinaire sancties voor niet-elitesporters Art. 93.De bepalingen van deze afdeling gelden voor de niet-elitesporters. Art. 94.Voor de uitsluiting, vermeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 1° van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten, en in de gevallen waarin een berisping als vermeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 2° van het voormelde decreet, kan worden uitgesproken, gelden de bepalingen, vermeld in artikel 95 van dit besluit. Art. 95.§ 1. In geval van de overtredingen, vermeld in artikel 41 van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport sluiten, zal de disciplinaire commissie of de disciplinaire raad in hoger beroep de sancties toepassen overeenkomstig paragraaf 2 tot en met 7. § 2. Met uitzondering van de specifieke stoffen waarnaar verwezen wordt in het tweede lid, en met behoud van de toepassing van paragraaf 4 of 5 wordt twee jaar uitsluiting opgelegd voor een overtreding als vermeld in artikel 3, 1°, 2° en 6° van het voormelde decreet. De lijst van verboden stoffen kan specifieke stoffen vermelden die gemakkelijk kunnen leiden tot onbedoelde overtreding van antidopingregels doordat ze veel worden gebruikt in medicijnen, of waarvan het minder waarschijnlijk is dat ze met succes worden gebruikt als doping. Als een sporter kan aantonen hoe een specifieke stof in zijn lichaam is binnengekomen of in zijn bezit is gekomen, en dat die specifieke stof niet bedoeld was om zijn sportprestaties te verbeteren of om het gebruik van een prestatieverbeterende stof te maskeren, wordt de uitsluitingsperiode, vermeld in deze paragraaf, vervangen door minimaal een berisping en maximaal twee jaar uitsluiting voor een eerste overtreding. Om een opheffing of een vermindering te rechtvaardigen, moet de sporter zijn verklaring staven met bewijsmateriaal waaruit tot tevredenheid van het disciplinaire orgaan blijkt dat er geen sprake was van een intentie om de sportprestatie te verbeteren of om het gebruik van een prestatieverbeterende stof te maskeren. De ernst van de fout van de sporter geldt als criterium om te beslissen tot een eventuele vermindering van de uitsluitingsperiode. § 3. Voor overtredingen als vermeld in artikel 3, 3° en 5° van het voormelde decreet, geldt, met behoud van de toepassing van paragraaf 4 of 5, twee jaar uitsluiting. Voor overtredingen als vermeld in artikel 3, 7° en 8° van het voormelde decreet, wordt, met behoud van de toepassing van paragraaf 4, een periode van uitsluiting opgelegd van minimaal vier jaar en maximaal levenslang. Voor overtredingen als vermeld in artikel 3, 4° van het voormelde decreet, is de periode van uitsluiting minimaal één jaar en maximaal twee jaar. § 4. In de volgende gevallen wordt de periode van uitsluiting vermeld in paragraaf 2 en 3 niet toegepast of verminderd op grond van uitzonderlijke omstandigheden : 1° als de sporter in een individueel geval kan aantonen dat hem geen schuld treft of dat hem geen nalatigheid te verwijten is voor de dopingpraktijk, vervalt de periode van uitsluiting die normaal van toepassing was.In geval van een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 1° van het voormelde decreet, moet de sporter aanvullend aantonen hoe de verboden stof in zijn lichaam is terechtgekomen opdat de periode van uitsluiting kan vervallen. Als de periode van uitsluiting vervalt, telt de dopingpraktijk niet mee voor het vaststellen van de periode van uitsluiting die geldt voor overtredingen als vermeld in paragraaf 6 van dit artikel; 2° als de sporter in een individueel geval voor de dopingpraktijk kan aantonen dat hem geen significante schuld of nalatigheid te verwijten is voor de overtreding, kan de periode van uitsluiting worden verminderd tot maximaal de helft.Als de periode van uitsluiting levenslang is, mag de verminderde periode niet korter zijn dan acht jaar. In geval van een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 1° van het voormelde decreet, moet de sporter bijkomend aantonen hoe de verboden stof in zijn lichaam is terechtgekomen voor de periode van uitsluiting kan worden verminderd; 3° bij het verstrekken door de betrokken sporter van substantiële hulp bij de ontdekking of het vaststellen van andere dopingpraktijken.De NADO kan, voorafgaand aan een beslissing in laatste instantie of voor het verstrijken van de periode waarin beroep kan worden aangetekend, een deel van de uitsluitingsperiode opschorten in individuele gevallen waarin de sporter een ADO, een gerechtelijke instantie of een professioneel tuchtorgaan substantiële hulp heeft geboden die ertoe leidt dat de NADO een dopingovertreding door een andere persoon ontdekt of vaststelt, of waardoor een gerechtelijk orgaan of tuchtorgaan een strafbaar feit of een overtreding van de beroepsregels ontdekt of vaststelt. Na een beslissing in laatste instantie of het verstrijken van de periode waarin beroep kan worden aangetekend, kan de NADO alleen een deel van de anderszins toepasselijke uitsluitingsperiode opschorten met de goedkeuring van het WADA en de toepasselijke internationale federatie. In hoeverre de anderszins toepasselijke uitsluitingsperiode kan worden opgeschort, hangt af van de ernst van de dopingovertreding die de sporter heeft begaan, en van het belang van de substantiële hulp die de sporter heeft geboden in de strijd tegen doping in de sport. Niet meer dan driekwart van de anderszins toepasselijke uitsluitingsperiode kan worden opgeschort. Indien de anderszins toepasselijke uitsluitingsperiode levenslang is, mag de volgens dit artikel niet-opgeschorte periode nooit minder dan acht jaar bedragen. Indien de NADO eender welk deel van de anderszins toepasselijke uitsluitingsperiode opschort op basis van dit artikel, dient de NADO een schriftelijke rechtvaardiging voor haar beslissing te bezorgen aan iedere ADO die het recht heeft om tegen de beslissing beroep aan te tekenen. Wanneer de NADO vervolgens eender welk deel van de opgeschorte uitsluitingsperiode opnieuw invoert omdat de sporter er niet in geslaagd is de verwachte substantiële hulp te bieden, kan de sporter tegen de herinvoering in beroep gaan bij de disciplinaire raad. 4° als een sporter vrijwillig een dopingpraktijk bekent vóór hem een monsterneming wordt aangekondigd die een dopingpraktijk zou kunnen aantonen of, als het een andere dopingpraktijk betreft dan een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 1° van het voormelde decreet, voor hij de eerste kennisgeving van de toegegeven overtreding ontvangt en die bekentenis het enige betrouwbare bewijs is van de overtreding op het ogenblik van de bekentenis.In dit geval kan de uitsluitingsperiode worden verminderd, zonder ooit minder lang te zijn dan de helft van de uitsluitingsperiode die normaal van toepassing is. Voor een vermindering of schorsing op basis van het eerste lid, 2°, 3° of 4°, wordt toegepast, moet de uitsluitingsperiode die normaal van toepassing is, worden bepaald in overeenstemming met paragraaf 2, 3 en 5. Als de sporter aanspraak maakt op een vermindering of opschorting van de uitsluitingsperiode op basis van twee of meer va

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.