← België

Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het k

Kort samengevat

Dit koninklijk besluit regelt het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en wijzigt een eerder besluit uit 1998 over de organisatie van dit korps. Het vult de bestaande regelgeving aan met specifieke bepalingen voor de inspecteurs van financiën.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
1 APRIL 2003. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van besluit dat ter ondertekening aan Uwe Majesteit wordt voorgelegd, vervolledigt de reglementaire beschikking voorzien bij het koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën. Dit laatste werd genomen in uitvoering van artikel 51 van de bijzondere wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. Het koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten regelde de drie aspecten beoogd in artikel 51 van voormelde wet, met name : - de organisatie van het Korps met inbegrip van de statutaire bepalingen; - de wijze waarop de inspecteurs van financiën ter beschikking worden gesteld van de Deelregeringen en van de Federale Regering; - de wijze waarop deze Regeringen betrokken worden bij het beheer van het Korps. De statutaire bepalingen die van toepassing zijn op de inspecteurs van financiën worden slechts vermeld in de overgangsbepalingen. Het voorliggend ontwerp vervolledigt dus de eerste tekst op dit punt. In zijn advies van 9 juli 1997 omtrent het ontwerp van het latere koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten, heeft de Raad van State opgemerkt dat de inspecteurs van financiën in principe onderworpen zijn aan het federaal statuut van de rijksambtenaren zoals het bestond op de eerste januari 1998. Deze datum werd in het eerste besluit gekozen als referentiedatum. De latere wijzigingen aan dit statuut zijn slechts van toepassing indien alle Deelentiteiten hun akkoord gegeven hebben volgens de procedure bepaald in artikel 51, derde lid, van voormelde bijzondere wet. De algemene regelgeving moet op sommige punten worden aangepast teneinde tegemoet te komen aan de specifieke kenmerken van het ambt van de inspecteurs van financiën en teneinde hun autonomie in de uitvoering van hun opdracht te waarborgen. Deze aanpassingen houden rekening met de algemene principes van het openbaar ambt, in het bijzonder door de oprichting van beroepsorganen en de naleving van de Europese richtlijnen. De tekst van het besluit neemt de beginselen van de modernisering van het openbaar ambt over. Vandaar dat het huidig ontwerp van koninklijk besluit de regelgeving bevat die specifiek van toepassing is voor de inspecteurs van financiën, onder meer op het vlak van aanwerving en stage, opleiding, evaluatie, geldelijk statuut, tuchtstelsel en verlofregeling. Als bijlage gaat een lijst met de wijzigingen in de regelgeving sinds 1 januari 1998 betreffende de teksten die van toepassing zijn op alle rijksambtenaren en van toepassing moeten blijven op de inspecteurs van financiën. Deze lijst wordt goedgekeurd door de verschillende Regeringen en Colleges. Het organiek besluit zoals het wordt aangevuld bij dit besluit betrekt de Regeringen en Colleges van de Deelentiteiten bij de besluitvorming. Het legt het stelsel vast volgens hetwelk het Interministerieel Comité tussenkomt. Het ontwerp van besluit bevat tevens wijzigende bepalingen om rekening te houden met opgedane ervaring, teneinde de werking en het beheer van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën te verbeteren. ARTIKELSGEWIJZE COMMENTAAR Dit besluit werd aan de opmerkingen van de Raad van State aangepast. Artikel 1 verduidelijkt de terminologie die in dit besluit wordt gebruikt. Artikel 2 bevestigt dat een inspecteur van financiën in principe een accreditatie krijgt. Artikel 3 verduidelijkt de toelatings- en wervingsvoorwaarden. De artikelen 4 tot 14 behandelen de werving. Door de in artikel 4 bepaalde nuttige beroepservaring van twee jaar wordt bedoeld een ervaring in de domeinen van het recht, de economie of het openbaar beheer in brede zin, in een functie van universitaire niveau. Naast het onderhoud dat de persoonlijkheid, de geestes- en karakterrijpheid van de deelnemers tot uiting kan laten komen, ligt het programma van het vergelijkend examen in de lijn van de traditioneel als noodzakelijk erkende vakken voor de uitoefening van de opdrachten van de inspecteur van financiën, met name : publiek recht, openbare financiën, openbaar beheer. Elke substantiële verandering vergt een wijziging van artikel 6 waarvoor het akkoord van de Deelentiteiten noodzakelijk is. Conform artikel 20 van het KB van 2 oktober 1937 wordt er een vergelijkende selectie georganiseerd. Volgens dit artikel leidt deze selectie tot een rangschikking van de geslaagden of tot een indeling van de kandidaten in groepen A, B, C of D. De Inspectie van financiën opteert voor een absolute rangschikking door de diensten van SELOR zonder tussenkomst van de Minister van Begroting. De notie selectie is hier dus gelijk aan een vergelijkend wervingsexamen dat leidt tot een verplichte rangschikking van de kandidaten door SELOR volgens het aantal behaalde punten. De artikelen 15 tot 25 organiseren de stage. De stagiair wordt aan een stagemeester toegewezen, die een periodiek verslag maakt over de werkzaamheden van de stagiair. Tijdens de stage, wordt hij bij verschillende inspecteurs van financiën geplaatst om de verschillende aspecten van het ambt te leren. Verder werkt hij een stageprogramma af dat onder meer een aantal cursussen en seminaries omvat. Om deze redenen wordt de stageduur vastgesteld op 15 maanden. In het laatste trimester van de stage maakt de stagemeester een omstandig verslag op over de geschiktheid van de stagiair. Een College samengesteld uit de Korpschef, de stagemeester en twee inspecteurs van financiën is belast met het opstellen van een advies voor de Minister, waarin voorgesteld wordt de stagiair te benoemen in vast verband, of te ontslaan. De artikelen 26 tot 28 behandelen de opleiding. De tekst houdt rekening met het feit dat het koninklijk besluit van 15 september 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/09/1997 pub. 18/10/1997 numac 1997000728 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 april 1995 tot vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden en de specifieke functies van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken type koninklijk besluit prom. 15/09/1997 pub. 27/11/1997 numac 1997002103 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit betreffende de opvang en de opleiding van de personeelsleden van de rijksbesturen type koninklijk besluit prom. 15/09/1997 pub. 23/09/1997 numac 1997009785 bron ministerie van justitie en ministerie van financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de protestwet van 3 juni 1997, tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1997 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de protesten en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 1957 betreffende de uitvoering van artikel 38, tweede lid, en van artikel 42 van de gecoördineerde wetten op de wisselbrieven en orderbriefjes type koninklijk besluit prom. 15/09/1997 pub. 26/11/1997 numac 1997015205 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Koninklijk besluit tot wijziging, wat betreft het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren in de Rijksbesturen kunnen titularis zijn en houdende vereenvoudiging van de loopbanen van sommige ambtenaren van het Hoofdbestuur, van de carrière Buitenlandse Dienst en van de Kanselarijcarrière van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking sluiten nog geldig is voor de inspecteurs van financiën. Om op de hoogte te blijven van de recente ontwikkelingen binnen hun werkveld, zullen de inspecteurs van financiën opleidingen kunnen volgen, georganiseerd door het Korps en goedgekeurd door het Comité. Daarnaast kunnen de inspecteurs van financiën op eigen initiatief een opleidingsverlof bekomen van de Korpschef voor opleidingen die verband houden met hun functie. De artikelen 29 tot 32 behandelen de cumulatie van beroepsactiviteiten. Het principe is dat inspecteurs van financiën geen beroepsactiviteiten mogen cumuleren. Uitzondering hierop zijn openbare mandaten van politieke aard en beroepsactiviteiten die inherent zijn aan het uitoefenen van het ambt. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de functie van regeringscommissaris of gemachtigde van de Minister van Begroting of financiën bij een instelling van openbaar nut. Andere afwijkingen moeten het akkoord van het Comité bekomen. De activiteiten moeten verenigbaar zijn met de hoedanigheid van inspecteur van financiën en moeten zonder nadeel voor de dienst uitgeoefend kunnen worden. De artikelen 33 tot 47 behandelen de evaluatie van de inspecteurs van financiën. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de inspecteurs van financiën met een accreditatie en zonder accreditatie - De eerste (art 33 tot 40) worden elke twee jaar geëvalueerd. De evaluatie gebeurt op basis van vooraf bepaalde evaluatiecriteria en een activiteitenverslag. In eerste instantie zal hiertoe een functiebeschrijving worden opgemaakt die voor advies wordt overgemaakt aan de Raad. Gezien de interfederale structuur van het Korps komt het aan het interministerieel Comité toe om de evaluatiecriteria vast te leggen samen met de functioneringskengetallen die met de uitoefeningsmodaliteiten van de opdrachten van de inspecteurs van financiën bij de verschillende regeringen zullen rekening houden. De Raad van State heeft ook gevraagd dat de in artikel 51 van de bijzondere financieringswet voorziene procedure, gevolgd wordt. Vervolgens worden de inspecteurs van financiën in kennis gesteld van de evaluatiecriteria waarna de evaluatieperiode ingaat. De evaluatie omvat drie stappen : - de inspecteur van financiën maakt een activiteitenverslag; - de minister of de ministers bij wie de inspecteur geaccrediteerd is, vullen een vragenlijst in die uitgewerkt is door het Comité op voorstel van de Raad. - na een evaluatiegesprek stelt de Korpschef een verslag op voor het bevoegde lid van de betrokken Regering of College die de inspecteur van financiën evalueert. Wanneer de inspecteur van financiën opeenvolgend bij verschillende ministers geaccrediteerd werd, zal de evaluerende minister met de betrokken collega's contact nemen. De conclusie van een evaluatie is een positieve of negatieve vermelding. Bij een negatieve vermelding wordt de accreditatie van rechtswege ingetrokken en wordt de inspecteur van financiën ter beschikking gesteld van de Korpschef. Een opschortend beroep is voorzien bij een Adviescommissie voor wat betreft de te verlenen evaluatie. Het Comité geeft in dit geval de definitieve evaluatie. - De inspecteur van financiën zonder accreditatie (art. 42 tot 47) wordt na één jaar geëvalueerd door de federale Minister van Begroting. De evaluatiecriteria worden vastgesteld door de Minister en meegedeeld aan de inspecteur van financiën waarna de evaluatieperiode ingaat. Gedurende deze periode zullen de noodzakelijke maatregelen genomen worden voor wat betreft de vorming en begeleiding van de betrokken inspecteur van financiën om hem een extra kans te geven aan de functioneringscriteria die door de functie geëist worden te voldoen. Na een evaluatiegesprek stelt de Korpschef een verslag op voor de minister die de inspecteur van financiën evalueert. De conclusie van een evaluatie is een positieve of negatieve vermelding. Bij een negatieve vermelding wordt de inspecteur van financiën ontslagen wegens professionele ongeschiktheid. Inderdaad, in dit geval zal de betrokkene twee opeenvolgende negatieve evaluaties gekregen hebben. Als de evaluatie positieve is, krijgt hij een nieuwe accreditatie. De inspecteur van financiën beschikt over een opschortend beroep bij de Beroepskamer ingericht door de artikels 63 tot 71. De artikelen 48 tot 52 bepalen het geldelijk statuut. Daar de inspecteurs van financiën de rechtstreekse budgettaire en financiële adviseurs zijn van de Ministers en de Regeringen, oefenen ze hun opdracht uit op het hoogste beslissingniveau waaraan in artikel 12 van het organiek besluit werd herinnerd. Het geldelijk statuut bestaat uit twee elementen : a) de bezoldiging : Een specifieke weddenschaal is voorzien voor de inspecteurs van financiën en de Korpschef. Artikel 48 bepaalt tevens de geldelijke anciënniteit die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de wedde. De Raad zal ermee belast worden de in aanmerking te nemen jaren van anciënniteit bedoeld in artikel 48, § 3, tweede lid, 2 te onderzoeken. b) de accreditatiepremie (artikel 49). De artikelen 50 en 51 vermelden de terugbetaling van de kosten voor de inspecteurs van financiën. De artikelen 53 tot 62 behandelen de algemene kenmerken van de tuchtprocedure en de straffen. Artikel 53 stelt een verjaringstermijn vast van één jaar. De termijn begint bij de kennisneming door de Korpschef van de feiten die verweten worden aan de inspecteur van financiën. Artikel 55 past het beginsel non bis in idem toe. Het artikel 56 preciseert dat indien feiten vastgesteld worden die niet in verband staan met de lopende tuchtprocedure, deze onder een andere tuchtprocedure kunnen vallen. Artikel 57 voorziet dat de uitgesproken tuchtstraffen worden bijgehouden. Artikel 60 somt de tuchtstraffen volgens hun gradatie op, rekening houdend met de specificiteiten van de organisatie van het Korps. Het artikel bepaalt plafonds bij de geldelijke strafmaatregel die voortvloeit uit de weddeinhouding en de weddenopschorting als tuchtmaatregel. Bij deze laatste is de weddeninhouding van twintig procent verplicht van toepassing. Artikel 62 bepaalt dat het orgaan dat toeziet op de tucht in het Korps, het interministerieel Comité is. Het is inderdaad logisch dat het hoogste gezagsorgaan van het interfederaal Korps eveneens waakt over de discipline. De artikelen 63 tot 83 betreffen de tuchtprocedures. Artikel 65 preciseert dat in tuchtzaken of in geval van schorsing in het belang van de dienst, de beroepskamer samengesteld wordt uit leden van de Raad en, per afdeling, een magistraat die de kamer voorzit en vertegenwoordigers van de vakorganisaties. Een inspecteur van financiën is in de hoedanigheid van griffier verslaggever door het Comité aangesteld. Deze griffier-verslaggever kan ook worden gekozen uit het administratief personeel dat ter beschikking staat van de Korpschef of van de Raad. Artikel 66 legt een aanwezigheidsquorum op per afdeling, met name vier leden, waaronder de voorzitter. Artikel 68 voorziet het geheim van de stemming. Artikel 69 preciseert dat de raadsman die de inspecteur van financiën bijstaat of hem geldig vertegenwoordigt, een advocaat kan zijn of elke andere persoon die de inspecteur van financiën gekozen heeft (zie ook artikel 81). Artikel 72 bepaalt dat de kennisgeving van de feiten moet gebeuren binnen de termijn van een jaar vastgelegd in artikel 53. Artikel 73 voorziet dat vanaf de oproeping een termijn begint te lopen van minstens vijftien dagen. Tijdens deze termijn kan de in opspraak gebrachte inspecteur van financiën zijn verdediging organiseren. Hij kan eventueel een raadsman (advocaat, vakbondsafgevaardigde,) kiezen en eventueel het tuchtdossier raadplegen. Artikel 73 legt ook de samenstelling vast van de « Tuchtcommissie ». Deze moet de betrokken inspecteur horen. Ze bestaat uit drie inspecteurs van financiën aangeduid door de Minister; deze drie worden bijgestaan door een griffierverslaggever die eveneens door de Minister is aangeduid. Artikelen 75 en 76 : Nadat de commissie de betrokkene gehoord heeft, kan zij kiezen uit twee besluiten : klasseren zonder gevolg ofwel een voorstel tot tuchtstraf verwoorden, en dit binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de hoorzitting. In dit tweede geval beschikt de in opspraak gebrachte inspecteur van financiën over vijftien dagen vanaf deze mededeling om beroep aan te tekenen. Artikel 79 preciseert de termijn van zes maanden die met twee gegevens rekening houdt : enerzijds de gebruikelijke tijd tussen de vergaderingen van het Comité, anderzijds de wenselijkheid niet te lang te laten wachten met een beslissing bij dergelijke dossiers. Elk lid van het Comité die in een klacht in aanvraag van tuchtprocedure betrokken is moet zich onbevoegd verklaren voor het Comité om te vermeiden rechter in zijn eigen zaken te zijn. De artikelen 85 tot 94 bepalen het stelsel van de verloven voor opdracht van algemeen belang dat meer beperkingen inhoudt dan voor de andere rijksambtenaren. Het verlof kan toegestaan worden : voor het uitoefenen van een opdracht bij een ministerieel kabinet of een Belgische openbare dienst; - voor het ter beschikking stellen bij de Koning of een Prins van België; - voor bepaalde internationale opdrachten; - voor een opdracht toevertrouwd door het Comité. - Voor zover het een recht betreft, wordt dit verlof door de federaal Minister van Begroting toegekend. Deze opmerking geldt ook voor de artikelen 95 en volgende. Voor het overige is het voorziene stelsel gelijkaardig aan dit voorzien door het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 28/11/1998 numac 1998002123 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen sluiten betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. De artikelen 95 tot 97 voorzien in het stelsel van de afwezigheden van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden. Het gaat om een herneming van het hoofdstuk XII van bovenvermeld koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 28/11/1998 numac 1998002123 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen sluiten onder één voorbehoud : de maximale duur van de afwezigheid is drie jaar voor de hele loopbaan. De artikelen 98 tot 107 bepalen de procedure in geval van schorsing in het belang van de dienst. Zij inspireren zich ruim op de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing van rijksambtenaren in het belang van de dienst. De autoriteit die met de schorsing belast is hoort de inspecteur van financiën met name de federaal Minister van Begroting. Als de Minister het beroep niet ontvangt is het in artikel 102 voorzien beroep aan de betrokkene open. Er is evenwel geen afzonderlijk beroep tegen de beslissing van de Minister voorzien om het geschorste lid zijn aanspraken op verhoging in wedde en op verhoging in weddeschaal te ontnemen, of zijn wedde te verminderen. De artikelen 108 tot 118 omvatten de wijzigende bepalingen aan het organiek besluit. Artikel 109 : De rechtszekerheid vereist dat de belangrijkste beginselen van de plichtenleer schriftelijk worden vastgelegd. Daar de Raad de taak heeft over het Korps na te denken en adviezen te geven, is hij het best geplaatst om deze opdracht uit te voeren. Deze schriftelijke neerslag zal het akkoord van het Comité moeten bekomen. Artikel 110 bevat, voor wat betreft het statuut van de inspecteurs van financiën, een bijwerking van de regels die van toepassing zijn op de federale ambtenaren en waarvan het wenselijk wordt geacht ze eveneens toe te passen op de inspecteurs van financiën. Artikel 111 legt thans, naar het voorbeeld van wat bepaald is voor elk van de gefederaliseerde entiteiten, het aantal inspecteurs van financiën vast, die ter beschikking worden gesteld van de federale regering, met name 35. Als gevolg van deze becijferde verdeling en rekening houdend met de chronische problemen inzake aanwerving, is het wenselijk een regel in te voeren die het mogelijk maakt op proportionele wijze de effectieven te verdelen tussen de verschillende entiteiten. Er wordt een quotum vastgelegd voor detachering naar ministeriële kabinetten. Artikel 116 preciseert dat de titel waarvan hier sprake is moet worden onderscheiden van de graad. De toekenning ervan is een erekwestie. Artikel 117 voorziet het aantal plaatsvervangers voor de Raad te verhogen, wat wenselijk lijkt, gelet op sommige praktische problemen. Artikel 118 stelt een kiesdrempel in, namelijk tien percent van de uitgebrachte stemmen, en ook nadere persoonlijke voorwaarden. Het verduidelijkt ook het beginsel van de vergelijkende selectie van de Korpschef door het Comité uit de lijst voorgesteld door het Korps. Artikel 119 maakt de toepassing van de reis- en verblijfkosten gelijkvormig op basis van de reglementering van het federaal openbaar ambt. Sire, Van Uwe Majesteit de zeer eerbiedwaardige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Begroting J. VANDE LANOTTE Advies 34.901/4 van de afdeling wetgeving van de Raad van State De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 13 februari 2003 door de Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste een maand, van advies te dienen over een ontwerp van koninkljik besluit « tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën », heeft op 19 maart 2003 het volgende advies gegeven : VOORAFGAANDE OPMERKING Gelet op de adviesaanvraag waarbij de afdeling Wetgeving van de Raad van State verzocht wordt een advies te verstrekken binnen de termijn van ten hoogste een maand, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en op het besluit van de Ministerraad van 7 februari 2003, dat de Minister van Begroting machtigt een nieuwe adviesaanvraag in te dienen waarbij de Raad van State verzocht wordt het advies binnen een termijn van drie dagen uit te brengen, heeft de afdeling wetgeving haar onderzoek beperkt tot de belangrijkste vragen die het ontwerp doet rijzen, vragen die betrekking hebben op de rechtsgrond ervan, dit wil zeggen de verenigbaarheid van het ontwerp met de regels van een hogere rangorde, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan. ALGEMENE OPMERKINGEN A . De in het ontwerp vervatte delegaties 1. Het ontwerp van koninklijk besluit ontleent zijn rechtsgrond aan artikel 51 van de bijzondere wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, dat het volgende bepaalt : « De Gemeenschappen en de Gewesten organiseren een eigen administratieve- en begrotingscontrole en doen daartoe een beroep op inspecteurs van financiën die hun ter beschikking worden gesteld en onder hun gezag staan. De inspecteurs van financiën stellen hun verslagen op in volle onafhankelijkheid, en delen deze alleen mee aan de Regering waaronder zij ressorteren. Na akkoord van de Regeringen, organiseert de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het Korps van de Inspectie van financiën, de betrokkenheid van de Gemeenschappen en de Gewesten aan het beheer ervan alsook de terbeschikkingstelling van de inspecteurs van financiën bij de Gemeenschappen en Gewesten met het oog op de uitvoering van de opdrachten die hun krachtens het eerste lid zijn toevertrouwd. » In haar advies 26.515/9, gegeven op 9 juli 1997, over het ontwerp dat het koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën geworden is, had de afdeling wetgeving de aandacht van de steller van het ontwerp gevestigd op de noodzaak om de voorafgaande instemming van de deelentiteiten te verkrijgen omtrent elk regelgevend initiatief van de Koning dat ertoe strekt het Korps van de Inspectie van financiën te organiseren, ongeacht of het gaat om het beheer dan wel om de terbeschikkingstelling van de inspecteurs ervan bij de Gemeenschappen en de Gewesten. Bij het voormelde koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten wordt een interministerieel Comité van de Inspectie van financiën opgericht (hierna genoemd « het Comité »), dat samengesteld is uit de leden van de federale regering bevoegd voor de begroting en de financiën en uit leden van de regeringen van de deelentiteiten en van de colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie. De afdeling wetgeving heeft evenwel in haar voormelde advies 26.515/9 aangegeven dat de adviezen en beslissingen van dat orgaan die hoofdzakelijk betrekking hebben op het beheer van het Korps van de Inspectie van financiën, niet in de plaats mogen worden gesteld van de instemming van de regeringen van de deelentiteiten, die wordt vereist bij artikel 51, derde lid, van de voornoemde bijzondere wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Op sommige punten voorziet het ontworpen besluit echter in delegaties aan het Comité, terwijl krachtens het voormelde artikel 51, de Koning, met instemming van de regeringen van de deelentiteiten, de regels dient vast te stellen die betrekking hebben op de organisatie van dit interfederaal Korps van de Inspectie van financiën, met inbegrip van de regels betreffende de rechtspositieregeling van de inspecteurs van financiën. De delegaties aan het Comité zijn beperkt tot het beheer van het interfederaal Korps en kunnen geen betrekking hebben op hoofdaspecten van de organisatie ervan. Krachtens artikel 6 van het ontwerp wordt het programma van het vergelijkend wervingsexamen voor het ambt van inspecteur van financiën « opgesteld door het Comité na overleg met de afgevaardigd Beheerder van SELOR en na advies van de Raad ». De hoofdlijnen van dit vergelijkend examen zouden evenwel moeten worden bepaald in het ontworpen besluit om de delegatie aan het Comité beter te omschrijven. Bij de artikelen 33 en 34 van het ontwerp wordt het Comité belast met het opstellen van de vragenlijst voor de evaluatie van de geaccrediteerde inspecteurs van financiën en van hun Korpschef, alsmede van de criteria op basis waarvan deze evaluatie plaatsheeft. Zoals de gemachtigde van de Minister heeft aangegeven, wordt bij de evaluatie rekening gehouden met de activiteiten van de inspecteurs van financiën bij de deelentiteiten, zodat deze evaluatie niet uniform zal zijn. De evaluatiecriteria moeten evenwel een objectieve en onpartijdige evaluatie van elke inspecteur van financiën mogelijk maken om willekeurige beoordelingen en inbreuken op hun onafhankelijkheid te voorkomen. De belangrijkste evaluatiecriteria dienen bijgevolg in het ontwerp zelf te worden bepaald. Ten slotte wijzigt artikel 109 van het ontwerp artikel 6 van het voormelde koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten om de Raad van het Korps te machtigen een « deontologische code » op te stellen, die vervolgens door het Comité moet worden goedgekeurd, welke beroepsethische gedragslijnen de plichten van de inspecteurs dienen vast te stellen, inzonderheid wat hun betrekkingen met de leden van de regeringen betreft. De plichten van ambtenaren vormen een belangrijk gegeven van de rechtspositieregeling en ambtenaren kunnen tuchtrechtelijk worden vervolgd wanneer ze die plichten niet nakomen. In het ontwerp zelf zouden ook deze voornaamste plichten moeten worden bepaald. Met al deze punten moeten de Gemeenschaps- en Gewestregeringen, met inbegrip van de colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, hun instemming kunnen betuigen overeenkomstig artikel 51, derde lid, van de genoemde bijzondere wet. Het gaat hier immers om essentiële elementen van de rechtspositieregeling van de inspecteurs van financiën, die moeten worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. 2. Benevens wat bij algemene opmerking 1 gesteld is, bevat het ontwerp andere delegaties die beter dienen te worden omschreven, waarbij het ontworpen koninklijk besluit zelf de essentiële elementen van de rechtspositieregeling die van toepassing is op de inspecteurs van financiën, dient te bepalen. Krachtens artikel 8, tweede lid, 2°, c) en d) , van het ontwerp dient de « afgevaardigd beheerder » van SELOR de nadere regels voor het vergelijkend wervingsexamen te bepalen in overleg met de Korpschef, welke nadere regels inzonderheid betrekking hebben op het aantal punten dat voor het volledige vergelijkend examen en voor ieder examengedeelte wordt toegekend en het minimumaantal punten dat wordt vereist voor het volledige examen en voor elk examengedeelte. Volgens artikel 42, § 2, van het ontwerp is de federale Minister bevoegd voor Begroting gemachtigd de criteria te bepalen voor de evaluatie van de inspecteurs van financiën die ter beschikking van de Korpschef worden gesteld. Artikel 89 van het ontwerp machtigt de federale Minister bevoegd voor Begroting een vergoeding toe te kennen aan de inspecteur van financiën die als nationaal deskundige een opdracht vervult bij de Europese instellingen. Wat al deze punten betreft, dient het ontwerp eveneens te worden aangevuld opdat de in deze bepalingen vervatte machtigingen alleen betrekking hebben op bijkomstige aangelegenheden inzake het beheer van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën. B . De samenhang tussen de rechtspositionele bepalingen en het gezag dat door de deelentiteiten wordt uitgeoefend. Zoals gesteld wordt in artikel 51, eerste lid, van de voormelde bijzondere wet, ressorteren de inspecteurs van financiën weliswaar onder de federale overheid, maar voeren zij hun taken bij de gewest- en gemeenschapsregeringen uit « onder hun gezag ». Zoals hierna uiteengezet wordt, heeft de uitoefening van dit gezag over de inspecteurs van financiën die ter beschikking van de Gemeenschappen en de gewesten worden gesteld, ongetwijfeld gevolgen voor de rechtspositieregeling die op hen van toepassing is. 1. In het ontwerp wordt weliswaar het verband gelegd tussen bepaalde aspecten van de rechtspositieregeling en het gezag dat wordt uitgeoefend door de leden van de regeringen van de deelentiteiten, zoals bijvoorbeeld voor cumulatie van beroepsactiviteiten (1) of inzake evaluatie (2), doch voor andere aspecten van de rechtspositieregeling wordt dit verband niet altijd uitdrukkelijk geregeld, inzonderheid wat de tuchtregeling betreft. Zo is het niet uitgesloten dat een inspecteur van financiën, in het kader van zijn opdrachten bij de regering van een deelentiteit, niet gehandeld heeft in overeenstemming met zijn ambt, zodat het bevoegde lid van deze regering het noodzakelijk kan achten tegen deze inspecteur een tuchtprocedure in gang te zetten (3) of in het belang van de dienst zijn schorsing te vorderen. Luidens artikel 72 van het ontwerp dient de Korpschef aan de betrokken inspecteur van financiën de feiten mede te delen die hem ten laste worden gelegd. In het ontwerp wordt echter niet gepreciseerd of het lid van de regering van een deelentiteit zelf de tuchtprocedure kan instellen indien de Korpschef niet optreedt. Doordat de tuchtprocedure gegrond zou zijn op grieven geuit door de regering van een deelentiteit, zou het daarenboven logischer zijn aan de betrokken inspecteur van financiën rechtstreeks de inhoud van deze grieven bekend te maken in zijn oproeping voor een verhoor door de tuchtcommissie. Om in het kader van deze tuchtprocedure de onpartijdigheid van het Comité niet in het gedrang te brengen, dient te worden gepreciseerd dat het (de) lid (leden) van de regering die de klacht heeft (hebben) ingediend, geen zitting kan (kunnen) hebben in het Comité dat overeenkomstig artikel 79 van het ontwerp de tuchtstraf dient uit te spreken. Artikel 99 van het ontwerp bepaalt dat « de schorsing in het belang van de dienst wordt uitgesproken door de Minister », dit wil zeggen de federale minister bevoegd voor Begroting. Ook hier zou het ontwerp evenwel een lid van de regering van een deelentiteit moeten machtigen de daartoe voorgeschreven procedure toe te passen door zich tot de federale Minister van Begroting te richten. 2. Een vraag van dezelfde aard rijst in verband met het verlof.De artikelen 85 tot 94 van het ontwerp hebben betrekking op het verlof voor opdracht van algemeen belang. In deze bepalingen wordt niet alleen niet aangegeven welke overheid bevoegd is om dit verlof aan de inspecteurs van financiën toe te kennen wanneer zij erom verzoeken (artikel 85 van het ontwerp), maar ze hebben eveneens invloed op de opdrachten die deze inspecteurs bij de deelentiteiten moeten uitoefenen. Volgens artikel 92, § 1, van het ontwerp is het de federale Minister van Begroting die « beslist, volgens de behoeften van de dienst, of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is, als vacant moet worden beschouwd. De werving gebeurt in overtal ». Doordat een inspecteur van financiën die ter beschikking wordt gesteld van een deelentiteit verlof wegens opdracht krijgt, zou een bepaling dat de beoordeling van zijn vervanging veeleer aan het Comité dan alleen aan de federale Minister van Begroting wordt overgelaten, beter beantwoorden aan de strekking van artikel 51 van de voormelde bijzondere wet. De artikelen 95 tot 97 van het ontwerp, die betrekking hebben op afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden, geven geen enkele aanwijzing over de overheid die zich over deze afwezigheid uitspreekt, noch over de te treffen maatregelen om te zorgen voor de continuïteit van de opdrachten, inzonderheid bij de deelentiteiten. Het ontwerp dient bijgevolg te worden herzien om te zorgen voor een betere samenhang tussen enerzijds de rechtspositieregeling die van toepassing is op inspecteurs van financiën en anderzijds het gezag dat over deze inspecteurs wordt uitgeoefend door de leden van de regeringen van de deelentiteiten. C . De inpassing van het ontwerp in de bestaande rechtsordening. Het ontwerp ziet er gedeeltelijk uit als een autonoom besluit en gedeeltelijk als een wijzigingsbesluit. Tot op heden is alleen het voormelde koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten vastgesteld op basis van artikel 51 van de voornoemde bijzondere wet. Hoofdstuk IV van dat koninklijk besluit handelt over het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de inspecteurs van financiën. Omwille van de samenhang en de rechtszekerheid is het wenselijk dat de weinige rechtspositionele bepalingen die in het koninklijk besluit vervat zijn rechtstreeks worden opgenomen in het onderhavige ontwerp, zodat het genoemde koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten hoofdzakelijk zou handelen over de organisatie en het beheer van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en het onderhavige ontwerp de rechtspositieregeling van dat Korps zou bepalen. Zo is het verkieslijk, veeleer dan een autonome bepaling vast te stellen zoals artikel 110 van het ontwerp, artikel 11 van het voornoemde koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten rechtstreeks te wijzigen om duidelijk aan te geven welke regelgeving van de federale overheid van toepassing worden verklaard op inspecteurs van financiën. Evenzo is het de afdeling wetgeving niet duidelijk welk onderscheid dient te worden gemaakt tussen artikel 115 van het ontwerp en artikel 12 van het voormelde koninklijk besluit. Onder voorbehoud van deze algemene opmerkingen is het dat bijzondere opmerkingen worden gemaakt. BIJZONDERE OPMERKINGEN Dispositief Artikel 3 1. Artikel 3, 1°, van het ontwerp bepaalt dat wie benoemd wil worden tot inspecteur van financiën, « onderdaan [moet zijn] van een EU-lidstaat ». De vraag rijst of die bepaling van het voorontwerp verenigbaar is met artikel 10, tweede lid, van de Grondwet, alsook met artikel 39 van het Verdrag van Rome, dat het beginsel van het vrije verkeer van werknemers vastlegt. In een advies 34.250/4, uitgebracht op 13 november 2002 over een voorontwerp van wet « betreffende de werving van de militairen en het statuut van de militaire muzikanten en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het personeel van landsverdediging » (4), heeft de afdeling Wetgeving dat vraagstuk moet onderzoeken, aangezien het de bedoeling was de betrekkingen bij het leger open te stellen voor burgers van de Europese Unie. De afdeling Wetgeving heeft daarover het volgende verklaard : « Artikel 10, tweede lid, van de Grondwet bepaalt dat alleen Belgen tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar zijn, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld (5). Die grondwetsbepaling beperkt de toegang tot de krijgsmacht dus tot personen met de Belgische nationaliteit, hoewel bij de wet van dat principe kan worden afgeweken, maar alleen voor bijzondere gevallen (6). Het onderzochte voorontwerp heeft evenwel een ruimere strekking en heeft betrekking op alle soorten betrekkingen die bij de krijgsmacht worden uitgeoefend. Als het de bedoeling is van de steller van het voorontwerp om, in het algemeen, niet-Belgen toegang te verlenen tot militaire betrekkingen, moet eerst artikel 10, tweede lid, tweede zin, van de Grondwet worden gewijzigd. Wat artikel 39 van het Verdrag van Rome betreft : dat artikel bekrachtigt weliswaar het beginsel van het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie, maar lid 4 van dat artikel voorziet in een afwijking van dat beginsel wanneer het gaat om de toegang tot betrekkingen in overheidsdienst. In verschillende arresten heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een restrictieve interpretatie aan die afwijking gegeven (7). Het Hof heeft zijn principiële standpunt vastgelegd in zijn arrest van 17 december 1980 (8), in de volgende bewoordingen : « Door deze bepaling worden een aantal betrekkingen die, al dan niet rechtstreeks, deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden en die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de staat of van andere openbare lichamen, aan de werkingssfeer van de eerste drie leden van artikel 48 onttrokken. ». Uit die rechtspraak blijkt dat de lidstaten het beginsel van het vrije verkeer van werknemers niet mogen belemmeren, ook niet voor betrekkingen in overheidsdienst, behalve wanneer wordt aangetoond dat bepaalde van die betrekkingen verband houden met specifieke werkzaamheden van een overheidsdienst, namelijk wanneer die bevoegd is om openbaar gezag uit te oefenen of verantwoordelijk is voor de bescherming van de algemene belangen van de staat. Voor alle andere betrekkingen in overheidsdienst geldt het beginsel van het vrije verkeer van werknemers. In een mededeling van 18 maart 1988 heeft de Europese Commissie het volgende trachten te doen : « (...) systématiser la jurisprudence de la Cour et (...) déterminer les secteurs de l'administration publique qui doivent faire l'objet d'une ouverture. (...) la Commission propose de distinguer entre les fonctions qui entrent dans l'exception du paragraphe 4 et celles qui apparaissent manifestement comme étant en général suffisamment éloignées des activités spécifiques de l'administration publique, telles que définies par la Cour de justice, pour qu'elles ne puissent que très exceptionnellement relever de l'exception prévue à l'article 48, § 4, du traité (devenu l'article 39, § 4) » (9). Volgens de Commissie slaat de afwijking van het voornoemde artikel 39, lid 4, aldus inzonderheid op betrekkingen bij de krijgsmacht, bij de politie of andere ordetroepen, bij de magistratuur, bij de belastingadministratie en in de diplomatie. Die betrekkingen vallen niet onder het beginsel van het vrije verkeer van werknemers dat gehuldigd wordt in artikel 39, lid 1, van het Verdrag van Rome. De bepalingen van het voorontwerp waarbij militaire betrekkingen algemeen worden opengesteld voor niet-Belgen, in het bijzonder voor burgers van de Europese Unie, moeten vervallen. » Uit artikel 46 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, en uit artikel 51 van de genoemde bijzondere wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten blijkt dat de inspecteurs van financiën de functie vervullen van budgettaire en financiële raadgever van de minister bij wie zij geaccrediteerd zijn en ze, in die hoedanigheid, hun verslagen in volle onafhankelijkheid opstellen, en deze alleen meedelen aan de regering waaronder zij ressorteren. Herman Matthijs, Frank Naert en Jef Vuchelen zeggen daarover het volgende : « De Inspectie van financiën is een autonoom interfederaal Korps binnen de bovenvermelde administratie van de begroting. Ten aanzien van de uitgaven controleert zij de regelmatigheid en de wettelijkheid. Bovendien heeft de inspectie van financiën een opportuniteitscontrole. Dit laatste is uniek voor ambtenaren, want hierdoor kunnen de inspecteurs zich begeven op het gladde politiek ijs. Tevens geven zij advies over alle ontwerpen met een budgettaire weerslag » (10). De inspecteurs van financiën beschikken aldus over een deel van het openbaar gezag, zodat het beginsel van het vrije verkeer van werknemers, verankerd in artikel 39, lid 1, van het Verdrag van Rome, niet op hen van toepassing is. Gelet op artikel 10, tweede lid, van de Grondwet zou derhalve alleen bij een wet voor specifieke gevallen aan Europese onderdanen machtiging kunnen worden verleend om tot inspecteur van financiën te worden benoemd. De ontworpen bepaling dient bijgevolg te vervallen. 2. In onderdeel 3° zou moeten worden vermeld dat de gegadigde « de burgerlijke en politieke rechten » dient te genieten. Artikel 4 1. In onderdeel 1° van deze bepaling wordt verwezen naar artikel 3, 1°, van het ontwerp.Wat dit punt betreft, wordt verwezen naar de opmerking die over die bepaling is gemaakt. 2. In onderdeel 3° is sprake van een « nuttige beroepservaring » van twee jaar.Die voorwaarde is zeer vaag en laat de Raad van het Korps een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid. Gelet op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dient zulk een beoordelingsbevoegdheid evenwel te worden uitgeoefend met eerbiediging van de gelijke toelaatbaarheid tot de openbare ambten. Deze bepaling dient bijgevolg op dat punt explicieter te worden gesteld wat betreft de sectoren waarin die ervaring moet zijn opgedaan. Artikel 10 Paragraaf 2 van dit artikel luidt als volgt : « De examencommissie stelt, op basis van de uitslagen van de voorselectie, het aantal kandidaten vast dat tot de selectieprocedure wordt toegelaten. » Gelet op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet moeten alle gegadigden die geslaagd zijn voor de voorselectie tot het selectie-examen worden toegelaten. Er kan immers geen sprake van zijn dat de examencommissie zelf bepaalt wie tot de selectie wordt toegelaten. Artikel 13 Volgens deze bepaling mag de « afgevaardigd Beheerder » van SELOR « een nader onderzoek » instellen om uit te maken « of een kandidaat al dan niet een gedrag heeft dat in overeenstemming is met de eisen van de betrekking van inspecteur van financiën ». De geslaagde gegadigde wordt van het onderzoek in kennis gesteld en voorlopig uitgesloten. Deze bepaling is vaag en bevat nauwelijks enige nadere informatie over de reikwijdte van zulk een onderzoek, noch over de middelen die aangewend worden om dat onderzoek uit te voeren. Aangezien dat onderzoek tot doel heeft uit te maken of het gedrag van de geslaagde gegadigde al dan niet in overeenstemming is met de eisen van de betrekking van inspecteur van financiën, zou het kunnen zien op zaken uit diens privé- en gezinsleven. Artikel 22 van de Grondwet luidt evenwel als volgt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht. » Voor elke inmenging in het privé- en gezinsleven van een individu moet in de wet een rechtsgrond te vinden zijn. Zelfs als het onderzoek geen betrekking heeft op het privé- en gezinsleven van de geslaagde gegadigden, moeten de doelstellingen en de procedureregels ervan hoe dan ook preciezer worden omschreven. Artikel 13 moet worden herdacht. Artikel 16 behoort te worden herzien voorzover daarin naar artikel 13 wordt verwezen. Artikel 18 Volgens deze bepaling duurt de proeftijd vijftien maanden en kan hij door de Korpschef worden verlengd « in geval van noodzakelijkheid ». Teneinde willekeur te voorkomen, zou het wenselijk zijn om in deze bepaling uitdrukkelijk vast te stellen in welke omstandigheden de proeftijd kan worden verlengd. Zoals de gemachtigde van de Minister heeft uitgelegd, zal een verlenging doorgaans noodzakelijk zijn wanneer het personeelslid op proef zijn proeftijd om gezondheidsredenen niet volledig heeft kunnen doormaken. Artikel 20 Tijdens zijn proeftijd is het personeelslid op proef onderworpen aan een evaluatie. Het derde lid van deze bepaling luidt als volgt : « De stagiair wordt beoordeeld volgens de functioneringscriteria die van toepassing zijn voor de evaluatie van de vastbenoemde inspecteurs van financiën met een accreditatie. » Artikel 34 van het ontwerp bepaalt het volgende : « De evaluatiecriteria worden opgesteld door het Comité na advies van de Raad op basis van een functiebeschrijving en functioneringskengetallen. » Bijgevolg wordt verwezen naar algemene opmerking A.1. Artikel 21 Volgens het derde lid van deze bepaling stelt de Korpschef de afdanking van het personeelslid op proef voor wanneer twee opeenvolgende periodieke verslagen over hem ongunstig zijn. In deze bepaling wordt evenwel niet gesteld of het personeelslid op proef vooraf wordt gehoord en wie over die afdanking beslist. Deze bepaling moet op die punten worden aangevuld. Deze opmerking geldt eveneens voor artikel 22, § 2, eerste lid, 2°, van het ontwerp, waarbij het College dat opgericht wordt om de test bij het einde van de proeftijd te beoordelen, gemachtigd wordt om voor te stellen het personeelslid op de proef te ontslaan, maar waarin niet wordt gepreciseerd wie dat ontslag uitspreekt. Artikel 28 Bij deze bepaling wordt aan de inspecteur van financiën de mogelijkheid geboden om bij de Korpschef een opleidingsverlof te vragen, maar wordt niet gepreciseerd hoe lang dat soort verlof duurt, noch wat de administratieve stand van de betrokkene is tijdens dat verlof. Voor het overige wordt eveneens verwezen naar algemene opmerking B.2. Deze bepaling dient op die onderscheiden punten te worden aangevuld. Artikel 29 Volgens deze bepaling mogen inspecteurs van financiën geen beroepsactiviteiten cumuleren. Krachtens het derde lid van deze bepaling wordt « een openbaar mandaat van politieke aard (evenwel) niet beschouwd als beroepsactiviteit ». In artikel 51, tweede lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten wordt echter het volgende benadrukt : « De inspecteurs van financiën stellen hun verslagen op in volle onafhankelijkheid, en delen deze alleen mee aan de Regering waaronder zij ressorteren. » De wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten, zoals die wet inzonderheid door de wet van 4 februari 2003 is gewijzigd, is in principe op hen van toepassing. Dat een inspecteur van financiën een politiek mandaat uitoefent, is alleen krachtens die wetsbepalingen mogelijk. Bijgevolg dient het derde lid te vervallen, aangezien dat lid een regel bevat die reeds vervat is in een wettekst. Artikel 37 Het tweede lid van deze bepaling luidt als volgt : « Wanneer de inspecteur van financiën opeenvolgend ter beschikking is gesteld van meerdere Regeringen of Colleges, wordt de evaluatie betekend door het in dit artikel bedoelde Lid van de Regering of (het) College waarbij hij laatst geaccrediteerd is geweest voor een periode van minstens drie maanden tijdens de betreffende evaluatieperiode. » Zou het, gelet op de vrij korte termijn die voor deze evaluatie in aanmerking zou worden genomen, niet wenselijk zijn dat dit lid van de regering of het college, wanneer zulks mogelijk is, zich eveneens wendt tot de andere regerings- en collegeleden waarbij die inspecteur van financiën geaccrediteerd is geweest om hun beoordeling te kennen ? Artikel 39 Volgens deze bepaling kan de inspecteur van financiën die de hem toegekende vermelding « onvoldoende » betwist bij de Adviescommissie beroep instellen. De Adviescommissie moet dan binnen een maand vanaf het instellen van het beroep aan het Comité een advies bezorgen. Het Comité moet een beslissing nemen binnen negentig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van het advies aan de inspecteur van financiën in kwestie. In de ontworpen paragraaf 3, derde lid, wordt bepaald dat wanneer het Comité bij het verstrijken van die termijn geen beslissing heeft genomen, het advies van de Commissie « als beslissing geldt ». De ontworpen bepaling bevat evenwel geen enkele aanwijzing betreffende de exacte reikwijdte van dat advies. De mogelijkheid bestaat immers dat in het advies geen andere evaluatie wordt voorgesteld, maar dat daarin wordt voorgesteld de inspecteur van financiën nogmaals te horen, bijvoorbeeld over bepaalde punten van de evaluatie. Als het de bedoeling is het advies te beperken tot de vermelding van een nieuwe evaluatie, dient de bepaling op dat punt te worden verduidelijkt. Overigens blijkt niet duidelijk uit de tekst dat het advies van de Commissie ter kennis van de inspecteur van financiën moet worden gebracht. Deze opmerkingen gelden mutatis mutandis eveneens voor artikel 46. Artikel 40 Deze bepaling luidt als volgt : « Wanneer een inspecteur van financiën de vermelding onvoldoende krijgt, is zijn accreditatie van rechtswege ingetrokken vanaf de datum van notificatie van de evaluatie. » Artikel 39, § 1, tweede lid, van het ontwerp bepaalt evenwel dat het beroep dat de inspecteur van financiën in geval van een evaluatie « onvoldoende » bij de Adviescommissie instelt, « opschortend » is ten aanzien van de evaluatiebeslissing. Zoals de gemachtigde van de Minister beaamd heeft, dient in artikel 40 van het ontwerp te worden gepreciseerd dat de accreditatie wordt ingetrokken onder voorbehoud van artikel 39, § 1, tweede lid, van het ontwerp. In de ontworpen bepaling dient eveneens te worden aangegeven wat de administratieve stand is van de inspecteur van financiën die niet meer over een accreditatie beschikt. Zoals de gemachtigde van de Minister heeft beaamd, dient deze bepaling te worden aangevuld opdat, naast de periode van terbeschikkingstelling, wordt bepaald dat die inspecteur van financiën ter beschikking van de Korpschef wordt gesteld. Artikelen 42 tot 47 Bij deze bepalingen van het ontwerp wordt een afzonderlijke evaluatie ingesteld voor inspecteurs van financiën die ter beschikking van de Korpschef zijn gesteld. Uit het ontwerp blijkt evenwel niet duidelijk welke inspecteurs van financiën bij die terbeschikkingstelling betrokken zijn. Overigens ziet de Raad van State niet in om welke objectieve reden een geaccrediteerde inspecteur van financiën die een vermelding « onvoldoende » heeft gekregen, zijn accreditatie verliest (artikel 40 van het ontwerp), terwijl een inspecteur van financiën die ter beschikking van de Korpschef is gesteld en dezelfde vermelding heeft gekregen, wegens beroepsongeschiktheid wordt ontslagen (artikel 47 van het ontwerp). De bepalingen van het ontwerp moeten op deze punten worden verduidelijkt, inzonderheid gelet op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Artikel 48 Er wordt verwezen naar opmerking 2 die bij artikel 4 is gemaakt. Artikel 59 Krachtens deze bepaling kan een tuchtprocedure worden ingesteld tegen een inspecteur van financiën die zijn plichten niet nakomt. In de ontworpen tekst worden die plichten evenwel niet bepaald, aangezien in artikel 109 van het ontwerp alleen wordt aangegeven dat de Raad beroepsethische normen zal uitwerken die ter goedkeuring aan het Comité zullen worden voorgelegd. Wat dit punt betreft, wordt verwezen naar algemene opmerking A.1. Artikel 69 In deze bepaling wordt niet gepreciseerd of de betrokken inspecteur van financiën of zijn raadsman het tuchtdossier kunnen inkijken, noch op welk tijdstip. Zoals de gemachtigde van de Minister heeft beaamd, dient de bepaling op die punten te worden aangevuld. Artikelen 78 en 79 Volgens artikel 78 van het ontwerp dient de Beroepskamer haar advies uit te brengen na de betrokkene gehoord te hebben. « Indien het advies besluit dat een tuchtvoorstel gerechtvaardigd is, wordt het dossier aan het Comité (overgezonden) ». Hierbij rijst de vraag of de Beroepskamer de tuchtstraf die door de disciplinaire commissie wordt voorgesteld, mag beoordelen en in haar advies mag aangeven dat die straf haar overdreven lijkt in verhouding tot de ten laste gelegde feiten. Zoals de gemachtigde van de minister heeft beaamd, zou het wenselijk zijn in artikel 79, tweede lid, van het ontwerp te bepalen dat de straf die door het Comité wordt uitgesproken niet zwaarder mag zijn dan die welke door de disciplinaire commissie of de Beroepskamer is voorgesteld. Artikel 101 Naar luid van deze bepaling, die betrekking heeft op de procedure van schorsing in het belang van de dienst, « (wordt) de inspecteur van financiën vooraf in zijn verdediging gehoord over de feiten die hem ten laste worden gelegd (en mag) hij zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze ». Naast hetgeen in algemene opmerking B.1. is gezegd, dient erop te worden gewezen dat in deze bepaling niet wordt aangegeven door welke overheid de inspecteur van financiën zal worden gehoord, noch op welke voorwaarden de betrokkene of zijn raadsman toegang zullen krijgen tot het dossier dat met het oog daarop is aangelegd. Zoals de gemachtigde van de Minister heeft beaamd, dient deze bepaling op die punten te worden aangevuld. Artikel 103 Krachtens deze bepaling kan de inspecteur van financiën « beroep » instellen tegen de beslissing tot handhaving van de schorsing in het belang van de dienst wanneer nieuwe feiten kunnen worden aangevoerd, maar er wordt niet aangegeven welke overheid bevoegd is om van dat beroep kennis te nemen. Volgens de gemachtigde van de Minister dient deze bepaling op dat punt te worden aangevuld. Artikel 111 Bij deze bepaling worden verscheidene wijzigingen aangebracht in artikel 10 van het voormelde koninklijk besluit van 28 april 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/04/1998 pub. 05/08/1998 numac 1998003348 bron ministerie van financien Koninklijk besluit tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën sluiten, waaronder de invoeging van een paragraaf 1bis , op grond waarvan bepaalde inspecteurs van financiën gedetacheerd mogen worden bij de « Cel algemene beleidscoördinatie », de « Cel algemeen beleid », een « persoonlijk secretariaat », een « Cel beleidsvoorbereiding » of een kabinet van een minister. Er rijzen vragen over de juridische aard van zulk een terbeschikkingstelling en over de rechtspositie van die inspecteurs van financiën tijdens die detachering. Op grond van bijlage 2 bij het ontwerp vallen de inspecteurs van financiën immers niet onder hoofdstuk XI van het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 28/11/1998 numac 1998002123 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen sluiten betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, terwijl dat hoofdstuk inzonderheid de regeling bevat van het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een minister of van de voorzitter van een wetgevende vergadering …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.