📄 Wettekst
7 MEI 2021. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van diverse bepalingen uit de
wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
28/12/1967
pub.
17/08/2007
numac
2007000737
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen
sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
12/12/2008
pub.
10/02/2009
numac
2009035107
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
sluiten tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de
wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
28/12/1967
pub.
17/08/2007
numac
2007000737
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen
sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen
VERSLAG AAN DE LEDEN VAN DE VLAAMSE REGERING De Vlaamse Minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme 1 INLEIDING Op 3 april 2019 werd het decreet betreffende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw goedgekeurd in het Vlaams Parlement en vervolgens op 26 april 2019 bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse Regering (Belgisch Staatsblad 19 juni 2019). Dit decreet voorziet in de actualisatie van de
wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
28/12/1967
pub.
17/08/2007
numac
2007000737
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen
sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen (verder wet onbevaarbare waterlopen).
Het voorliggende uitvoeringsbesluit geeft uitvoering aan een aantal bepalingen uit de
wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
28/12/1967
pub.
17/08/2007
numac
2007000737
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen
sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen, zoals gewijzigd door het
decreet van 26 april 2019Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
26/04/2019
pub.
19/06/2019
numac
2019013160
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw
type
decreet
prom.
26/04/2019
pub.
12/06/2019
numac
2019012697
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de basisbereikbaarheid
type
decreet
prom.
26/04/2019
pub.
05/06/2019
numac
2019012842
bron
vlaamse overheid
Decreet tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de uitrol van digitale meters en tot wijziging van artikel 7.1.1, 7.1.2 en 7.1.5 van hetzelfde decreet
sluiten houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw.
Het voorliggende uitvoeringsbesluit bevat volgende onderwerpen: - Definities; - Digitale atlas; - Publieke grachten; - Het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 19, eerste lid, van de
wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
28/12/1967
pub.
17/08/2007
numac
2007000737
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen
sluiten; - Het beroep, vermeld in artikel 12, § 2, en artikel 19, tweede lid, van de
wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
28/12/1967
pub.
17/08/2007
numac
2007000737
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen
sluiten; - Algemeen reglement onbevaarbare waterlopen en grachten; - Onttrekken van water uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten.
Gebruikte afkortingen - VHAG-code: Vlaamse Hydrografische Atlas Gewestcode. Dit is de identificator van de waterloop in de Vlaamse hydrografische atlas. De Vlaamse hydrografische atlas is het vectoriële bestand met de assen van het waterlopennetwerk in Vlaanderen; - VEN: Vlaams Ecologisch Netwerk zoals bepaald in artikel 17 in het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; - SBZ: Speciale Beschermingszone zoals bepaald in artikel 1 van dit uitvoeringsbesluit; - DABM: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (decreet algemene bepalingen milieubeleid); - VITO: Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek. 2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING 1. Definities Artikel 1. Het eerste artikel voorziet in een beperkt aantal definities. Voor het overige gelden de definities uit de
wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
28/12/1967
pub.
17/08/2007
numac
2007000737
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen
sluiten. 2. Digitale atlas Artikel 2. Het tweede artikel bepaalt de gegevens die de digitale atlas minstens moet omvatten, zowel voor de gerangschikte onbevaarbare waterlopen als voor de publieke grachten.
Voor de gerangschikte onbevaarbare waterlopen worden minimaal de aslijn, de bodem- en kruinbreedte en de diepte van de bedding opgenomen. Bij voorkeur onder de vorm van een dwarsprofiel, aan de bron, monding en elke 500 meter daartussen. Waar geen recente opmetingsgegevens beschikbaar zijn, kan voorlopig de informatie uit de oude atlassen met beschrijvende tabellen worden overgenomen.
Voor de publieke grachten wordt deze informatie beperkt tot de aslijn.
Bijkomend moet wel de breedte van de erfdienstbaarheidszone worden opgenomen omdat deze, in tegenstelling tot de gerangschikte onbevaarbare waterlopen waar standaard een vijfmeterzone voor onderhoud is, kan variëren in functie van het terrein en de noodzakelijkheid tot maximaal vijf meter.
Daarnaast wordt voor iedere gerangschikte onbevaarbare waterloop en publieke gracht de beheerder en de VHAG-code, een unieke code die elke waterloop van bron tot monding identificeert, weergegeven. De laatste gegevens die verplicht opgenomen moeten worden in de digitale atlas is de informatie over de bestuurlijke beslissingen die genomen werden waardoor gegevens van de waterloop moeten worden aangepast, die de publieke gracht aanduiden of hieraan wijzigingen uitvoeren.
Artikel 3.
Artikel 3 bepaalt dat de actuele digitale versie van de atlas raadpleegbaar zal zijn op een geoloket (digitaal platform over geografische informatie) van de Vlaamse overheid. De Vlaamse Milieumaatschappij is verantwoordelijk voor de verwerking van de data in functie van de opmaak en actualisatie van de digitale atlas. Enkel actuele gegevens worden daarop bijgehouden. Er worden geen persoonsgegevens bijgehouden zodat een advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens niet nodig is voor dit artikel. Er moeten ook geen maatregelen getroffen worden in het kader van de regelgeving rond verwerking van persoonsgegevens.
Artikel 4.
In dit artikel wordt het openbaar onderzoek geregeld voor de vaststelling van de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten. Daarbij wordt gekozen voor een maximale afstemming met de regeling van het openbaar onderzoek voor de stroomgebiedbeheerplannen zoals geregeld in artikel 1.6.2.5 van het Gecoördineerd Decreet Integraal Waterbeleid. Het is immers de bedoeling dat om de zes jaar de aanpassingen aan de digitale atlas aan een openbaar onderzoek wordt onderworpen dat samen loopt met het openbaar onderzoek voor de stroomgebiedbeheerplannen (art. 6 van het ontwerp).
Vandaar de keuze om naast de gemeenten ook de CIW in te schakelen bij de organisatie van dit omvangrijke openbaar onderzoek, zowel voor de aankondiging ervan als voor het overmaken van opmerkingen en bezwaren.
De VMM, beheerder van de digitale atlas, verwerkt de opmerkingen en bezwaren. Daarbij is een adviestermijn van dertig dagen voorzien voor de beheerders van onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie, en voor de beheerders van publieke grachten.
De digitale atlas wordt door de minister vastgesteld. De atlas kan pas nuttig geconsulteerd worden als dat online gebeurt, via een systeem dat toelaat tot in detail een bepaalde gracht of loop te bekijken.
Daarom wordt de atlas voor eenieder ter beschikking gesteld via het digitale platform over geografische informatie van de Vlaamse overheid. Zo wordt er ook over gewaakt dat men de recentst vastgestelde versie van de atlas consulteert.
Publicatie in het Belgisch Staatsblad gebeurt bij uittreksel nu het niet zinvol is om dergelijk omvangrijk kaartenmateriaal mee op te nemen. Ook detailconsultatie van de atlas kan via het Belgisch Staatsblad niet verzekerd worden.
Artikel 5.
De Vlaamse Milieumaatschappij is verantwoordelijk voor de actualisatie van de digitale atlas. Dit omvat de wijzigingen die voortvloeien uit bestuurlijke beslissingen: afgeleverde machtigingen die een impact hebben op de gegevens die in de atlas bijgehouden worden, beslissingen die het beginpunt van een derde categorie verschuiven, hercategoriseringen,.... . De provincies leveren de informatie aan waar het gaat om waterlopen van tweede en derde categorie en de publieke grachten. De provincies bekomen deze informatie van de gemeenten en de polders en wateringen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de betrokken waterlopen. Binnen een termijn van dertig dagen nadat de beslissing aan de Vlaamse Milieumaatschappij werd bezorgd, moet de wijziging in de digitale atlas zijn doorgevoerd.
Indien het werken betreft wordt deze termijn verdubbeld (zestig dagen). Door deze werkwijze wordt voor een continue actualisering van de digitale atlas gezorgd.
Artikel 6.
Elke zes jaar wordt een nieuwe versie van de digitale atlas in openbaar onderzoek gebracht (zie artikel 4). Alle wijzigingen die geen deel uitmaakten van een bestuurlijke beslissing en die dateren van na de laatste vastlegging van de versie van de digitale atlas door de minister kunnen op deze manier bekrachtigd worden. Deze wijzigingen kunnen onder meer een verbetering van de gegevens omvatten na een opmeting bijvoorbeeld, of spontaan ontstane wijzigingen aan de natuurlijke waterlopen. Het is aangewezen om het openbaar onderzoek gelijktijdig met de procedure van de stroomgebiedbeheerplannen te organiseren. De procedure uit artikel 4 is van toepassing. 3. Publieke grachten Artikel 7. Dit artikel legt de procedure vast voor het openbaar onderzoek vastgesteld door artikel 23ter, § 3 van de wet onbevaarbare waterlopen voor de beslissing tot overname van het beheer van watersystemen, en voor de beslissing om erfdienstbaarheden op te leggen die nuttig zijn voor het beheer.
Deze regeling komt net zoals de regels opgenomen in artikel 8 en 9 van het ontwerp, grotendeels overeen met de regeling die al vervat was in het
besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
05/08/1970
pub.
17/08/2007
numac
2007000736
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten2 tot uitvoering van titel III, hoofdstuk 4 van het
decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
18/07/2003
pub.
14/11/2003
numac
2003201696
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het integraal waterbeleid
sluiten betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018.
De gemeente organiseert het openbaar onderzoek en legt gedurende 30 dagen het plan en de motiveringsnota op het gemeentehuis ter inzage.
De gemeente publiceert uiterlijk de eerste dag van het openbaar onderzoek de bekendmaking op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op haar website.
Het gemeentebestuur licht de aanpalende eigenaars van het openbaar onderzoek in. Bezwaren en opmerkingen worden uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek ingediend op het gemeentehuis via een beveiligde zending. Een beveiligde zending is een zending die aangetekend verstuurd wordt, die wordt afgegeven tegen ontvangstbewijs, of die op een andere door de Vlaamse Regering toegelaten manier aan de geadresseerde wordt bezorgd, als de datum van kennisgeving met zekerheid vastgesteld kan worden. De algemeen directeur of diens gemachtigde stelt een proces-verbaal op van het openbaar onderzoek waarin ook de bezwaren en opmerkingen over de documenten die ter inzage zijn gelegd worden geïnventariseerd.
Vervolgens bepaalt het artikel hoe lang en waar de aanplakking door de gemeente moet gebeuren en welke gegevens daarin worden opgenomen.
De beslissing wordt bekendgemaakt op dezelfde plaatsen als bij het openbaar onderzoek en opnieuw wordt een proces-verbaal opgesteld door de algemeen directeur. Een afschrift van de beslissing wordt samen met de plannen bezorgd aan de provincie.
Voor grachten gelegen in het werkingsgebied van polders en wateringen geldt eenzelfde werkwijze. Voor het openbaar onderzoek bezorgt de betrokken polder of watering de nodige documenten aan de gemeente. Na afronding van het openbaar onderzoek bezorgt de algemeen directeur of zijn gemachtigde van de gemeente de resultaten van het openbaar onderzoek aan de betrokken polder of watering. Vervolgens wordt het afschrift van de beslissing door de betrokken polder of watering aan de gemeente en de provincie bezorgd.
De regels voor het aankondigen van het openbaar onderzoek, de termijn van ter inzagelegging, het maken van het proces-verbaal van het openbaar onderzoek met de inventaris van bezwaren en opmerkingen over de documenten die ter inzage zijn gelegd zijn dezelfde als voor de openbare onderzoeken vermeld in artikel 19 van de wet onbevaarbare waterlopen. Dit biedt onder andere het voordeel dat men ingeval de opname van een gracht bij de publieke grachten gepaard gaat met een decategorisering van een onbevaarbare waterloop de twee openbare onderzoeken die dan moeten worden gevoerd, volledig samen kan laten verlopen.
Artikel 8.
Artikel 8, § 1 van het besluit geeft de mogelijkheid aan de eigenaar of gebruiker van het lijdend erf van de erfdienstbaarheid om te verzoeken om de stopzetting van de overname van het beheer en om de gehele of gedeeltelijke stopzetting van de erfdienstbaarheid te vragen. Dit gebeurt via een beveiligde zending ingediend op het gemeentehuis of bij de betrokken polder of watering.
De procedure om het verzoek op te volgen wordt ook in dit artikel uiteengezet. Het college van burgemeester en schepenen of in voorkomende geval het bestuur van de polder of watering beslist of de procedure al dan niet wordt opgestart. De eigenaar of gebruiker wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.
De procedure waarbij de gemeente, polder of watering zelf de overname van het beheer wenst stop te zetten of de stopzetting van de erfdienstbaarheid wenst te bekomen, zit tevens vervat in artikel 8, § 2 van het besluit. De procedure zal verlopen zoals vastgesteld in artikel 7 van het besluit. Er wordt echter afgeweken van dat artikel met betrekking tot de documenten die ter inzage moeten worden gelegd.
Artikel 9.
Een beroepsprocedure tegen de beslissingen uit artikel 7 § 3 van het besluit wordt door dit artikel uiteengezet, namelijk de beslissing tot overname van het beheer en de beslissing om een erfdienstbaarheid op te leggen. Er wordt bepaald dat elke belanghebbende beroep kan instellen bij de provincie. Dit in tegenstelling tot wat geregeld was in het besluit van 9 mei 2014; daar moest het beroep ingesteld worden bij de gouverneur.
De termijn waarin het beroep moet worden ingesteld, bedraagt dertig dagen, te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van de kennisname van de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 23ter van de wet onbevaarbare waterlopen. Daarnaast bepaalt het artikel dat het gemotiveerde beroep een kopie van de bestreden beslissing bevat en wordt ingediend met beveiligde zending.
De provincie stuurt binnen tien dagen na de dag waarop ze het beroep heeft ontvangen, een kopie van het ontvangen beroep naar het college van burgemeester en schepenen, respectievelijk de betrokken polder of watering. Zij kunnen binnen de bepaalde termijn een verweernota indienen. De provincie beslist binnen 60 dagen na ontvangst van het beroep en bezorgt de beslissing aan de beroepsindiener, de gemeente en de betrokken polder of watering via een beveiligde zending.
In het geval van een wijziging van de beslissing wordt dit door de gemeente bekend gemaakt zoals vermeld in artikel 7, § 3, eerste lid van het besluit. 4. Openbaar onderzoek bedoeld in artikel 19, eerste lid van de wet Artikel 10. Dit artikel bepaalt welke stukken in het dossier opgenomen moeten worden en wie bevoegd is voor het samenstellen van het dossier voor het openbaar onderzoek voor de beslissingen uit artikel 19, eerste lid van de wet onbevaarbare waterlopen. Het artikel maakt een onderscheid tussen die vijf beslissingen vermeld in artikel 3, § 1 en 4, § 1 en § 2 van de wet onbevaarbare waterlopen en artikel 4bis, § 1 en § 4 van de wet onbevaarbare waterlopen.
De provincie stelt de dossiers samen die ter inzage worden gelegd over de gevallen waarbij het openbaar onderzoek gaat over een beslissing van de deputatie: bepalen van het punt van oorsprong van een waterloop, rangschikken van kunstmatige waterlopen of waterlopen waarvan het waterbekken geen 100 hectare bedraagt; opheffen van een rangschikking.
De Vlaamse Milieumaatschappij stelt de dossiers samen die ter inzage worden gelegd met betrekking tot de gevallen waarbij het openbaar onderzoek gaat over een beslissing van de Vlaamse Regering: rangschikking van kunstmatige waterlopen met een waterbekken groter dan 100 hectare, het bepalen van het punt van oorsprong, of het ontnemen van de rangschikking als onbevaarbare waterloop van een kunstmatige waterloop met een waterbekken groter dan 100 hectare.
Artikel 11.
Dit artikel bepaalt dat het dossier aan de gemeentes wordt bezorgd op wier grondgebied de beslissingen, uit artikel 10, § 1-5 van het besluit, betrekking hebben. Naargelang het openbaar onderzoek georganiseerd wordt voor een dossier bedoeld in artikel 10, § 1-3 van het besluit, dan wel voor een dossier bedoeld in artikel 10, § 4 of § 5 van het besluit, zal dit door respectievelijk de deputatie dan wel de Vlaamse Milieumaatschappij gebeuren.
Het artikel bepaalt dat het openbaar onderzoek door de betrokken gemeentes georganiseerd moet worden binnen 10 dagen na de dag van ontvangst van het dossier. De termijn gedurende dewelke het openbaar onderzoek loopt bedraagt 30 dagen, zoals voor een openbaar onderzoek gebruikelijk is in de omgevingsregelgeving.
Artikel 12.
Het artikel bepaalt hoe en waar het openbaar onderzoek door de gemeente bekend gemaakt moet worden, zijnde door middel van aanplakking en in voorkomend geval, op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op de website van de gemeente, en welke gegevens die bekendmaking minstens moet bevatten.
Artikel 13.
Met dit artikel worden de termijnen bepaald waarin de bezwaren en opmerkingen ingediend kunnen worden op het gemeentehuis. Vervolgens bepaalt het artikel dat er een proces-verbaal wordt opgemaakt van het onderzoek en dat deze een inventaris van de bezwaren en opmerkingen dient te omvatten.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde, die instaat voor de opmaak van het proces-verbaal, bezorgt zo snel mogelijk het proces-verbaal en de ontvangen bezwaren en opmerkingen aan de deputatie als het openbaar onderzoek gaat over een dossier uit artikel 10, § 1, § 2 of § 3 van het besluit dat samengesteld wordt door de provincie. Voor dossiers die worden samengesteld door de Vlaamse Milieumaatschappij zoals vermeld in artikel 10, § 4 of § 5 worden het proces-verbaal en de ontvangen bezwaren en opmerkingen zo snel mogelijk aan de Vlaamse Milieumaatschappij bezorgd.
De regels voor het aankondigen van het openbaar onderzoek, de termijn van ter inzagelegging, het maken van het proces-verbaal van het openbaar onderzoek met de inventaris van bezwaren en opmerkingen zijn dezelfde als voor het openbare onderzoek vermeld in artikel 7 van dit besluit. Dit biedt onder andere het voordeel dat men ingeval men een waterloop decategoriseert om er vervolgens een publieke gracht van te maken, de twee openbare onderzoeken die dan moeten worden gevoerd, volledig samen kan laten verlopen.
Artikel 14.
Dit artikel bepaalt de termijn waarbinnen de beslissing genomen moet worden. De termijn bedraagt 60 dagen na de dag van ontvangst van het proces-verbaal. De termijn is een termijn van orde, het niet respecteren van die termijn heeft niet tot gevolg dat de gevatte instantie, wanneer de beslissing toch nog binnen een redelijke termijn genomen wordt, zijn beslissingsbevoegdheid verliest. 5. Het beroep zoals vermeld artikel 12, § 2 en artikel 19, tweede lid van de wet Artikel 15. Het artikel bepaalt dat het beroep tegen de voornoemde beslissingen ingesteld kan worden met een beveiligde zending aan de minister op het adres van de Vlaamse Milieumaatschappij. Verder wordt opgesomd welke stukken het beroep moet bevatten zoals de motieven, een kopie van de beslissing en de genummerde overtuigingsstukken Deze overtuigingsstukken worden in een inventaris aan het beroepsschrift gehecht.
Artikel 16.
Het artikel bepaalt dat de Vlaamse Milieumaatschappij het bestuur dat de bestreden beslissing nam, inlicht over het beroep en op welke wijze dit gebeurt.
Het artikel bepaalt binnen welke termijn het betrokken bestuur de nota met zijn standpunt bezorgt aan de Vlaamse Milieumaatschappij.
Logischerwijze zijn de leden 1 en 2 van het artikel niet van toepassing wanneer de Vlaamse Milieumaatschappij zelf de bestreden beslissing heeft genomen.
Artikel 17.
Dit artikel bepaalt de aanvang en de duur van de termijn van vier maanden waarbinnen de minister over het ingestelde beroep beslist. De termijn vangt aan vanaf ontvangst van de nota vermeld in artikel 16, tweede lid van het besluit of in het geval de Vlaamse Milieumaatschappij de beslissing nam, vanaf de dag na ontvangst van het beroepsschrift. Ook hier gaat het om een termijn van orde.
Artikel 18.
Dit artikel bepaalt dat de beslissing bekend gemaakt moet worden door de Vlaamse Milieumaatschappij via beveiligde zending, binnen de tien dagen, aan de indiener van het beroep en aan de overheid die de beslissing nam. Dit laatste is vanzelfsprekend niet nodig als de Vlaamse Milieumaatschappij de overheid is die de beslissing nam. 6. Algemeen reglement van de onbevaarbare waterlopen en grachten Artikel 19. De aanplant van opgaande bomen binnen de 5 m-zone naast de waterloop is mogelijk wanneer een tussenafstand van 12 meter gerespecteerd wordt. Een opgaande boom is een boom waarvan de vorm van de kruin overeenkomt met zijn natuurlijke, soortgebonden vorm. Opgaande bomen kunnen een hoge, lage, brede, smalle of een afwijkende groeivorm hebben, zoals zuil- en treurvormen.
Ook de aanplant van een houtkant die regelmatig teruggezet wordt én die indien nodig voor de toegankelijkheid van de waterloop periodiek teruggezet wordt op vraag van de waterbeheerder is mogelijk. In het laatste lid wordt bepaald dat ook bij spontane verbossing de bomen en struiken, indien nodig voor de toegankelijkheid, op vraag van de waterbeheerder teruggezet dienen te worden.
Andere vormen van aanplantingen in de 5 m-zone zijn enkel mogelijk na een schriftelijke toelating van de waterbeheerder. Bomen en struiken langsheen waterlopen kunnen belangrijk zijn vanuit landschappelijk en ecologisch oogpunt. Ze kunnen echter ook het onderhoud van de waterloop belemmeren. Om dit te voorkomen wordt voorgesteld dat een toelating aan de waterbeheerder gevraagd wordt. Op die manier kan in overleg met de waterbeheerder bepaald worden waar de bomen en struiken naast de waterloop aangeplant kunnen worden. De toelating kan aangevraagd worden met een gewone brief of via beveiligde zending. De waterbeheerder beslist binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag tot toelating.
Dit artikel heeft geen impact op de reeds aanwezige bomen en beplantingen.
Artikel 20.
Het artikel bepaalt dat aangelanden van de waterloop door de waterbeheerder verplicht kunnen worden om in afrastering van de aanpalende gronden te voorzien indien deze begraasd worden. Een aangelande is een gebruiker van een onroerend goed dat rechtstreeks aan de onbevaarbare waterloop of publieke gracht paalt.
Door in afrastering van de aanpalende gronden te voorzien, kan voorkomen worden dat het talud vertrappeld wordt waarbij de oevers worden verzwakt. De bepalingen inzake de afstanden en de hoogtes van de afrasteringen werden overgenomen uit artikel 8 van het algemeen politiereglement onbevaarbare waterlopen van 5 augustus 1970. In dit artikel was voorzien dat een afrastering steeds verplicht is. In dit artikel is voorzien dat de waterbeheerder bepaalt of een afrastering noodzakelijk is. De praktijk wijst namelijk uit dat afrasteringen niet steeds noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer de begrazingsdensiteit niet hoog is.
De afstandsregels, maximale afmetingen, opstelling en de wegneembaarheid van de afrasteringen zijn noodzakelijk om het onderhoud van de waterloop blijvend vlot te kunnen uitvoeren.
Artikel 21.
Het artikel verbiedt varen met gemotoriseerde vaartuigen op de onbevaarbare waterlopen, tenzij na schriftelijke toestemming door de waterbeheerder. Het varen met gemotoriseerde vaartuigen is in vele gevallen onmogelijk en niet wenselijk omwille van geluidshinder, waterdeining,..... In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld voor grotere waterlopen, kan dit enkel toegelaten worden mits de andere functies van de waterloop niet geschaad worden.
Het artikel laat daarentegen wel toe dat de onbevaarbare waterlopen door niet-gemotoriseerde vaartuigen zoals de kajak en de kano worden bevaren. De waterbeheerder kan echter om specifieke redenen het gebruik van de waterloop permanent of periodiek beperken.
Deze redenen kunnen ecologisch zijn zoals bijvoorbeeld het niet verstoren van soorten tijdens het broedseizoen. Daarnaast kan de aanwezigheid van fysieke obstakels zoals bruggen en duikers ervoor zorgen dat de afvaart niet mogelijk is. Andere redenen zijn de rustige uitoefening van het visrecht, onderhoud en andere werken of redenen van algemeen belang. Wanneer de waterbeheerder beperkingen oplegt aan de bevaarbaarheid van de waterloop dan moet dit duidelijk gemotiveerd worden op basis van bijvoorbeeld natuurbeheerplannen of soortbeschermingsplannen voor het gebied, of moet de beperking in de tijd strikt gerelateerd zijn aan de motivatie die aan de grondslag ligt voor de weigering.
Het artikel bepaalt verder dat de vaarder rekening dient te houden met het natuurlijk karakter van de waterloop (zoals vrije meandering, natuurlijke oeverzones,...) en legt een verbod op om de rust en de in het wild levende diersoorten te verstoren en schade aan te brengen aan de waterloop tijdens het varen.
Het artikel laat, wanneer dit niet in strijd is met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, toe dat de waterbeheerder onderhoudsmaatregelen en inrichtingswerken kan uitvoeren om de niet-gemotoriseerde bevaarbaarheid te verbeteren.
Verder is de waterbeheerder niet verantwoordelijk voor ongevallen en incidenten die zich voordoen met de vaartuigen en opvarenden tijdens het afvaren van onbevaarbare waterlopen. Hieruit volgt dat de waterbeheerders niet verplicht worden om hun beheer af te stemmen op afvaarten.
Artikel 22.
Het artikel bepaalt de nadere regels inzake het verleggen, verdiepen of (gedeeltelijk) dempen van grachten. Grachten zijn als haarvaten van het watersysteem zeer belangrijk. Zowel private eigenaars als de overheid (wegbeheerders, gemeentes, polders en wateringen,...) zijn verantwoordelijk voor het beheer van grachten. In tegenstelling tot voor de gerangschikte onbevaarbare waterlopen is het instrumentarium voor grachten beperkt (bvb. geen machtiging, geen verplicht advies aan de waterbeheerder,...).
Gezien de impact op het watersysteem bij dergelijke stedenbouwkundige handelingen is het noodzakelijk om ze onderhevig te maken aan een omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is desgevallend verbonden aan drie voorwaarden: de ingreep is in overeenstemming met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, de ingreep zorgt niet voor ongewenste verdroging of voor de versnelde afvoer van hemel- en drainagewater en het bufferende volume en de infiltratiecapaciteit blijft minimaal behouden, al dan niet door compenserende maatregelen..
De minister kan nadere regels vastleggen voor de beoordeling van de 2° voorwaarde in functie van een éénduidige beoordeling door de vergunningverlener. Uiteraard moeten ook de voorwaarden die terug te vinden zijn in andere decreten en besluiten die op deze situatie van toepassing zijn nageleefd worden: artikel 16, 26bis en 36ter van het decreet natuurbehoud bijvoorbeeld. Het goede onderhoud van grachten moet door alle beheerders van grachten (wegbeheerders voor baangrachten, gemeentes of polders en wateringen voor publieke grachten, private eigenaars,...) verzekerd worden. Dit geldt in het bijzonder voor de overheid.
Met dit artikel wordt verdere uitvoering gegeven aan de delegatie aan de Vlaamse Regering voor het bepalen van nadere regels inzake het beheer van grachten Artikel 23.
Met dit artikel wordt verdere uitvoering gegeven aan de delegatie voor het bepalen van nadere regels inzake het overwelven en inbuizen van grachten. In meerdere gemeenten en provincies (o.a. Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen) is er momenteel een regelgeving (bvb. stedenbouwkundige verordening) over dit item. Alle actoren drongen aan op een éénduidige regelgeving voor volledig Vlaanderen.
Het artikel bepaalt dat men grachten zonder omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen niet kan overwelven of inbuizen. De vergunning kan daarenboven alleen worden verleend om toegang te verlenen of te verbeteren tot een perceel of voor werken van algemeen belang.
Daarnaast moeten de werken voldoen aan enkele voorwaarden om de goede werking van het watersysteem te vrijwaren. Net zoals het geval is bij het verplaatsen of dempen van grachten mag overwelving of inbuizing van de gracht geen schadelijk effect hebben zoals gedefinieerd in artikel 1.1.3, § 2, 18° van het gecoördineerd decreet integraal waterbeleid en moeten de beginselen van het integraal waterbeleid gerespecteerd worden. Daartoe behoort ook de zorg voor waterafhankelijke natuur. Er mag geen ongewenste vernatting van landbouwgronden buiten VEN en SBZ veroorzaakt worden.
Bovendien mag slechts één overwelving of inbuizing per kadastraal perceel of per geheel van kadastrale percelen aangebracht worden tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit redelijkerwijze noodzakelijk is voor het normale gebruik en de vlotte ontsluiting van de gronden.
Tevens worden ook de maximale lengte en de redenen die een verlenging toestaan vastgesteld. In het geval van een verlenging moet indien nodig voorzien worden in compensatiemaatregelen die de infiltratie van hemelwater blijvend toelaten zoals een greppel, geperforeerde buizen of andere technische oplossingen. De minimale diameter wordt op 400 mm gehouden zodat de waterafvoer verzekerd kan worden en bij de plaatsing mag geen schade worden toegebracht aan de gracht en uitspoeling moet onmogelijk zijn. De vergunningverlenende overheid kan bijkomende voorwaarden opleggen, onder meer met betrekking tot de aanvulling van de sleuf rond de inbuizing, het voorzien van kopmuren en het voorzien van inspectieschouwen.
Het artikel bepaalt dat de vergunninghouder verantwoordelijk is voor de goede staat en werking van de overwelving door een goede afwatering te vrijwaren. De vergunninghouder is immers eigenaar van die kunstwerken, waardoor hij ze in het algemeen belang in goede staat moet onderhouden.
Deze bepaling moet samen gelezen worden met artikel 4.2.1., 1° VCRO. Onderhoudswerken zoals bijvoorbeeld het vervangen van de toplaag op een overwelving of inbuizing, het uitvoeren van herstellingen aan de overwelving of inbuizing, het vervangen van een aanwezige reling op een overwelving,... zijn niet vergunningsplichtig. Bij het aanbrengen van bouwwerken of een afsluiting over een overwelving of inbuizing waarbij de overwelving of inbuizing blijft bestaan zoals ze was, moet enkel nagegaan worden of de nieuwe bouwwerken of de nieuwe constructie onder de stedenbouwkundige vergunningsplicht vallen.
Artikel 24.
Het artikel bepaalt de voorwaarden waaronder oever- en bodemverstevigingen bij een gracht aanvaardbaar worden geacht, zoals het behoud van het gabariet, de infiltratie via de gracht en het behoud van de gracht in goede toestand. De goede toestand omvat onder meer de verzekering van de stabiliteit van de talud die moet beoordeeld worden in relatie tot het gebied (bewoning, landbouw, natuur,...) waar de gracht zich bevindt.
De voorwaarden zijn dat het gabariet niet afneemt, de infiltratie in de gracht mogelijk blijft en harde materialen beperkt worden tot het strikt noodzakelijke. Een afwijking wordt enkel toegestaan door de vergunningverlenende overheid indien geen schadelijke effecten zoals gedefinieerd in artikel 1.1.3, § 2, 18° van het Waterwetboek veroorzaakt worden en uiteraard de doelstellingen gerespecteerd worden van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd
decreet van 15 juni 2018Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
15/06/2018
pub.
26/07/2018
numac
2018040433
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de bovenlokale cultuurwerking
type
decreet
prom.
15/06/2018
pub.
17/08/2018
numac
2018013216
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het onderwijs XXVIII
sluiten.
Artikel 25.
Het artikel duidt de gemeenten, polders en wateringen aan als verantwoordelijk aan voor het onderhoud van de publieke grachten en verduidelijkt welke handelingen onder deze onderhouds- en instandhoudingsverplichting vallen. De handelingen zijn onder meer: het onderhouden van begroeiingen en het in stand houden van alle publieke grachten in functie van de volgens de doelstellingen van het integraal waterbeleid gewenste afvoer- en bergingscapaciteit. Voor het beheer van de begroeiingen wordt de code van goede natuurpraktijk voor het beheer van waterlopen als vermeld in artikel 14, § 2, van het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van toepassing gesteld.
Voor baangrachten staat de wegbeheerder in voor de onderhouds- en instandhoudingsverplichting. Baangrachten vormen een onderdeel van de openbare weg, van het openbaar domein van de spoorwegen, van vliegvelden,...
Voor de overige grachten staan de aangelanden in voor deze verplichtingen. Dit houdt in dat er handelingen van onderhoud en herstel worden uitgevoerd door de aangelanden, om de gracht verder zijn functies in de lokale waterhuishouding te laten vervullen.
Artikel 26.
Het artikel regelt de plaatsing van peilschalen of peilspijkers in de bedding van de waterlopen door gebruikers of eigenaars van gemachtigde constructies op onbevaarbare waterlopen. Het legt tevens een verbod op van het verwijderen, onkenbaar maken of wijzigen van de aangebrachte peilschakels, peilspijkers of andere merktekens. 7. Onttrekking van water uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten Onderafdeling 1.Algemeen Artikel 27.
Dit artikel geeft aan dat deze afdeling een gedeeltelijke omzetting is van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 `tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid' (de zogenaamde Kaderrichtlijn Water).
Artikel 28.
In dit artikel wordt omschreven wat begrepen moet worden onder het onttrekken van water uit een onbevaarbare waterloop of publieke gracht: het met alle mogelijke middelen opvangen van water uit de waterloop of gracht. De omschrijving is gebaseerd op de definitie van "watervang" uit artikel 80 van het decreet van 21 december 1990 betreffende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1991. Dat artikel bepaalt dat met capteren van water wordt bedoeld "het met alle mogelijke middelen onttrekken van water uit de waterweg". Ook artikel 2, tweede streepje van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer was een inspiratiebron. Daarin wordt grondwaterwinning gedefinieerd als: alle putten, opvangplaatsen, draineerinrichtingen, bronbemalingen en over het algemeen alle werken en installaties die tot doel of tot gevolg hebben grondwater op te vangen, met inbegrip van het opvangen van bronnen op het uitvloeiingspunt en het tijdelijk of bestendig verlagen van de grondwatertafel ingevolge grondwerken.
De gekozen omschrijving beperkt zich niet tot onttrekkingen met pompen en hevels uit een onbevaarbare waterloop of publieke gracht, maar omvat ook het putten van water uit een gracht of greppel die men vult door bijvoorbeeld het openzetten van schuiven en kleppen aan onbevaarbare waterlopen of publieke grachten. Doel van de regeling is het watersysteem beschermen in tijden van waterschaarste en droogte, wat enkel kan als ook het afleiden van water uit waterlopen en publieke grachten gevat wordt..
Het artikel bevat verder een aantal bepalingen met betrekking tot de persoon die tot de onttrekking overgaat en het verband wordt gelegd met titel II Beheer van de waterketen uit het gecoördineerd
decreet van 15 juni 2018Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
15/06/2018
pub.
26/07/2018
numac
2018040433
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de bovenlokale cultuurwerking
type
decreet
prom.
15/06/2018
pub.
17/08/2018
numac
2018013216
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het onderwijs XXVIII
sluiten.
Het verband wordt gelegd met de titularis van een private waterwinning als vermeld in artikel 2.1.2, 26° van het gecoördineerd
decreet van 15 juni 2018Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
15/06/2018
pub.
26/07/2018
numac
2018040433
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de bovenlokale cultuurwerking
type
decreet
prom.
15/06/2018
pub.
17/08/2018
numac
2018013216
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het onderwijs XXVIII
sluiten, en als een gebruiker van een private waterwinning als vermeld in artikel 4.1.1., 6° van hetzelfde decreet. Het onttrekken van water uit een onbevaarbare waterloop of publieke gracht beantwoordt immers aan die definities waardoor een aantal verplichtingen van toepassing worden op de onttrekker. Zo onder meer de heffingsplicht voor eigen waterwinning. Een bijkomende heffing voor de onttrekking van water uit onbevaarbare waterlopen of grachten, zoals van toepassing is voor de onttrekking van grondwater of water uit bevaarbare waterwegen, wordt niet voorzien in dit besluit. De wet onbevaarbare waterlopen voorziet deze mogelijkheid niet.
Soms doen zich situaties voor waarbij een onttrekkingsinstallatie wordt gebouwd waarvan verschillende personen gebruik kunnen maken. Het is de persoon die de installatie bouwt die onttrekker is en door het feit dat het water niet alleen of niet enkel voor eigen gebruik bestemd is, moet deze persoon beschouwd worden als waterleverancier als vermeld in artikel 2.1.2., 34° van het gecoördineerd
decreet van 15 juni 2018Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
15/06/2018
pub.
26/07/2018
numac
2018040433
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de bovenlokale cultuurwerking
type
decreet
prom.
15/06/2018
pub.
17/08/2018
numac
2018013216
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het onderwijs XXVIII
sluiten. Momenteel bestaan er voor dergelijke waterleveranciers weinig of geen regels, maar dat kan in de toekomst veranderen.
De aandacht wordt er op gevestigd dat het onttrokken water omschreven moet worden als deel uitmakend van de soorten water die thuishoren in de categorie "water bestemd voor menselijke aanwending" dat geen water is voor menselijke consumptie. Daarmee wordt conform artikel 2.1.2., 32° van het gecoördineerd
decreet van 15 juni 2018Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
15/06/2018
pub.
26/07/2018
numac
2018040433
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de bovenlokale cultuurwerking
type
decreet
prom.
15/06/2018
pub.
17/08/2018
numac
2018013216
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het onderwijs XXVIII
sluiten water bedoeld dat bestemd is voor menselijke consumptie, tweedecircuitwater en al het water dat aangewend wordt voor huishoudelijke, agrarische of industriële toepassingen, ongeacht de herkomst van dat water.In uitvoering van de Europese richtlijn die deze materie regelt werden tot nog toe kwaliteitsnormen en -controles voorzien voor water bestemd voor menselijke consumptie. Mochten er in de toekomst soortgelijke regels komen voor water voor menselijke aanwending, anders dan voor menselijke consumptie, dan zijn deze ook op onttrokken water van toepassing.
Tot slot wordt duidelijk gemaakt dat men om water te kunnen onttrekken het recht moet hebben om aan de waterloop te komen om daar een installatie op te richten e.d.m. In beginsel is de onttrekker eigenaar of gebruiker van het onroerend goed dat grenst aan de waterloop. Het is mogelijk dat de gebruiker door middel van een overeenkomst derden de mogelijkheid geeft om van de grond gebruik te maken om tot onttrekking over te gaan. Daar waar de waterloop paalt aan een openbare weg kunnen ook niet-aangelanden onttrekken. In dat geval zal de wegcode gerespecteerd moeten worden en is het mogelijk dat een overeenkomst gesloten moet worden met de wegbeheerder.
Artikel 29.
Het artikel bepaalt de voorwaarden waaronder het onttrekken van water uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten is toegestaan.
In paragraaf 1 wordt het onttrekken van water aan onbevaarbare waterlopen of publieke grachten onderworpen aan de regels uit dit besluit. Verder wordt voorzien dat wanneer het nodig is voor het halen van de doelstellingen van integraal waterbeleid de gouverneur na advies van de CIW tijdelijk of permanent onttrekkingsverboden of -beperkingen kan opleggen voor één of meerdere waterlopen of voor één of meerdere bekkens binnen zijn provincie. Het gaat om een proactieve maatregel waarbij niet gewacht moet worden op een acute waterschaarste (= de vraag naar water overstijgt de aanbodcapaciteit van het natuurlijke systeem) of droogte (= langere periode zonder neerslag) om reeds te kunnen ingrijpen. De gouverneur moet dergelijke beslissingen degelijk onderbouwen en houdt hierbij rekening met zowel ecologische als economische doelstellingen. De resultaten van het reactief afwegingskader voor prioritair watergebruik kunnen als onderbouwend instrument bij dergelijke beslissing gehanteerd te worden. Op die manier kan verzekerd worden dat alle maatschappelijke belangen voldoende mee afgewogen worden. Ook de minister kan aan de gouverneur een onderbouwde instructie geven om een dergelijk verbod of beperking op te leggen, bijvoorbeeld indien deze maatregel nodig is binnen een gebied dat een provinciegrens overschrijdt.
In paragraaf 2 wordt voorzien dat wanneer men water onttrekt, men zich moet houden aan de principes van duurzaamheid, rationeel gebruik en van het gebruik van de best beschikbare technieken (BBT) voor zowel het onttrekken zelf als het gebruik van het water. Met BBT worden volgende doelstellingen geïntegreerd: - het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel; - op zodanige schaal ontwikkeld dat de technieken onder economisch en technisch haalbare omstandigheden kunnen worden toegepast in de betrokken industriële context; - zowel de toegepaste technieken als de manier waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld.
Water is immers een schaars goed. Het principe van duurzaamheid houdt in dat het natuurlijk kapitaal gebruikt wordt om tegemoet te komen aan de huidige noden zonder dat de noden van toekomstige generaties in het gedrang komen. Dit principe vindt men eveneens terug in de algemene principes van het integraal waterbeleid. Bij de uitwerking van de BBT moet rekening gehouden worden met de kosten-baten verhouding.
Het principe van rationeel gebruik volgt uit het gegeven dat water een gemeenschappelijk goed is (art. 714 Burgerlijk Wetboek) en dat het gebruik ervan op een verstandige wijze dient te gebeuren door onder meer rekening te houden met wijzigende omstandigheden zoals de kwaliteit van het water en de beschikbaarheid ervan (artikel 1.2.2. en 1.2.3. gecoördineerd decreet integraal waterbeleid).
De combinatie met het principe van de best beschikbare technieken zorgt ervoor dat gebruik gemaakt wordt van nieuwere en aangepaste technieken die vaak een meer bewust en efficiënt gebruik van een grondstof verwezenlijken. De onttrekker zal zelf op de hoogte moeten zijn van deze technieken.
Tot slot krijgt de minister de bevoegdheid om daarvoor technische voorschriften vast te stellen in een code van goede praktijk, waarbij rekening gehouden wordt met de kosten-baten verhouding.
In de derde paragraaf wordt gesteld dat de onttrekking geen schade mag veroorzaken aan derden. Verder wordt in deze paragraaf duidelijk aangegeven dat de toelating tot onttrekking geen garanties inhoudt over de kwaliteit van het te onttrekken water. Het is de onttrekker die ervoor moet zorgen dat het onttrokken water alleen wordt aangewend voor toepassingen waarvoor dat toegestaan is. Zo kunnen in het kader van de federale regelgeving inzake voedselveiligheid beperkingen gelden voor de aanwezigheid van bepaalde stoffen waarmee men teelten irrigeert.
Paragraaf 4 van artikel 29 regelt de debietmeting. Deze debietmeting is verplicht vanaf 1 januari 2022. Deze overgangsperiode wordt voorzien zodat de onttrekkers de tijd hebben zich voor te bereiden op deze nieuwe werkwijze. Deze debietmetingen zijn noodzakelijk om een gedegen zicht te krijgen op de onttrekkingen en een sluitende waterbalans voor oppervlaktesystemen op te maken. Bij elke onttrekking, behalve voor weidepompen om vee te drenken, om spuittoestellen te vullen om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, om watertonnen van maximaal 10 m3 te vullen, of onttrekkingen met behulp van een pomp om een of meerdere haspels te voeden met een effectief (gezamenlijk) debiet groter dan 10 m3 per uur en zonnepompen voor weidevogels of pompen om veedrinkpoelen te vullen, en wanneer de onttrekking op jaarbasis minder dan 500m3 bedraagt, moet volgens paragraaf 4 een debietmetingssysteem aanwezig zijn dat een voortdurende registratie mogelijk maakt van het totale volume gecapteerd water. Voor onttrekkingen met grotere tonnen wordt geen debietmeting verplicht, maar wordt het aantal tonnen en het volume dat onttrokken werd doorgeven via een elektronisch loket. De minister kan technische voorschriften rond de meetinrichting uitvaardigen. Deze technische bepalingen dienen afgestemd te worden op de code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van meetinrichtingen voor opgepompt grondwater zoals opgesteld door VITO. Onderafdeling 2. Melding tot onttrekken Artikel 30.
In de eerste paragraaf wordt geregeld dat onttrekkingen enkel kunnen mits melding aan de waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht.
Er wordt zowel gewerkt met een regeling voor permanente onttrekkingen die jaarlijks herhaald worden of het hele jaar door gebeuren (zie paragraaf 2) als voor tijdelijke onttrekkingen (zie paragraaf 3). Voor de tijdelijke onttrekkingen wordt voor een zeer snelle afhandeling geopteerd.
Op de verplichting tot het melden worden vier uitzonderingen voorzien voor zover de onttrekking minder dan 500m3 bedraagt: de kleine hoeveelheden die via weidepompen gebruikt worden om dieren te drenken, het onttrekken van water om spuittoestellen te vullen om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, het onttrekken van water om watertonnen van maximaal 10m3 te vullen én zonnepompen voor weidevogels en de pompen voor veedrinkpoelen.
Paragraaf 2 bepaalt dat voor meer permanente onttrekkingen die jaarlijks herhaald worden of het hele jaar door gebeuren, in de regel vaste inrichtingen opgericht worden. Daarvoor was een stedenbouwkundige vergunning nodig en is nu een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen nodig. Indien deze vergunningen verleend zijn op basis van een gunstig advies van de waterbeheerder, worden ze meteen ook geacht gemachtigd te zijn zoals vermeld in artikel 12, derde lid van de wet onbevaarbare waterlopen. De waterbeheerder heeft dan afgewogen of en hoe de onttrekking mag doorgaan. Het is ook mogelijk dat voor de vaste inrichting een afzonderlijke machtiging is verkregen. In al deze gevallen is het niet nodig om een onttrekking te melden. Het volstaat om de waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht de nodige gegevens te bezorgen over de onttrokken hoeveelheden en het voldoen aan de voorwaarden uit artikel 29, § 2 en artikel 29, § 4.
Paragraaf 3 bepaalt de procedure wanneer de onttrekker niet over een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of een machtiging van de waterbeheerder beschikt voor een permanente onttrekking die jaarlijks herhaald wordt of het hele jaar door gebeurt. Deze paragraaf legt vast welke gegevens de melding voor onttrekking moet bevatten. Voor het melden zal gebruik gemaakt worden van een elektronisch loket dat in ontwikkeling is voor de watervang uit bevaarbare waterlopen. Door deze werkwijze zullen de meldingen en aanvragen voor captaties op zowel onbevaarbare waterlopen als de bevaarbare waterwegen verlopen via hetzelfde elektronische systeem.
Dit zorgt voor éénduidigheid bij de aanvragers. Vermits er persoonsgegevens verwerkt zullen worden, wordt bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is en hoe lang de persoonsgegevens bijgehouden mogen worden. De gegevens over de onttrekkingen die geen persoonsgegevens bevatten, vallen niet onder de beperkte duur van 5 jaar voor het bijhouden van informatie.
In paragraaf 4 is voorzien dat de bevoegde waterbeheerder of beheerder van de publieke gracht nagaat of de melding alle nodige informatie bevat.
Artikel 31.
De termijn waarbinnen de waterbeheerder moet beoordelen of de melding volledig is en het onttrekkingsticket zal moeten bezorgen aan de aanvrager wordt bewust op maximaal 48 uur gehouden om de onttrekker met een mobiele installatie maximale flexibiliteit te bieden. Door de ontwikkeling van een gebruiksvriendelijk e-loket zal een snelle behandeling en afgifte van het onttrekkingsticket mogelijk worden. De waterbeheerders zullen ook maximaal gestimuleerd worden om nog sneller dan de voorziene termijn van 48 uur onttrekkingsticketten te geven.
De tweede paragraaf van artikel 31 voorziet dat het onttrekkingsticket steeds voorgelegd moet kunnen worden tijdens het onttrekken.
Het ticket is voor een niet-vaste inrichting ten hoogste dertig dagen geldig. Daarna moet een nieuwe melding gedaan worden op dezelfde wijze als voorzien in artikel 30 paragraaf 3, al dan niet voor hetzelfde debiet. Verwacht wordt dat onttrekkingen uit niet-vast inrichtingen slechts occasioneel gebeuren in tijden van waterschaarste, waardoor het aangewezen is om dat een mogelijke gebruiker maandelijks aangeeft hoeveel hij wenst te onttrekken. Zo heeft de waterbeheerder ook zicht op wie in welke periode water gebruikt, om gebruikers op de hoogte te kunnen brengen van specifieke bedreigingen van de waterkwaliteit, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van blauwalgen.
Paragraaf 3 bevat een regeling om bij waterschaarste en droogte tijdelijke beperkingen aan onttrekkingen op te leggen of onttrekkingen tijdelijk te verbieden. De gouverneur kan dit op voorstel van de CIW of op voorstel van een waterbeheerder opleggen voor het hele Vlaamse Gewest, voor de hele provincie of voor een deel ervan. Bij de voorbereiding van het advies worden de partners van de droogtecommissie betrokken. De gouverneur houdt bij het nemen van dergelijke beslissing ten minste rekening met de beginselen van het integraal waterbeleid (1.2.2 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018) en andere relevante bepalingen inzake natuurbehoud.Het reactief afwegingskader dient als onderbouwend instrument bij dergelijke beslissing gehanteerd te worden. Op die manier kan verzekerd worden dat alle maatschappelijke belangen voldoende mee afgewogen worden.
De minister kan aan de gouverneur een onderbouwde instructie geven om een dergelijk verbod of beperking op te leggen, indien deze maatregel nodig is binnen een gebied dat een provinciegrens overschrijdt De handhaving van de op te leggen beperkingen of tijdelijke verboden vallen onder de toepassing van de bepalingen van het Milieuhandhavingsdecreet gezien de
wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
28/12/1967
pub.
17/08/2007
numac
2007000737
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen
sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen en zijn uitvoeringsbesluiten volledig onder de toepassing van het Milieuhandhavingsdecreet gebracht werden (artikel 20 Wet Onbevaarbare Waterlopen).
Artikel 32.
Artikel 32 voorziet dat de waterbeheerders de hen gekende onttrekkers inlicht van het feit dat de gouverneur beperkingen of verboden oplegde voor onttrekkingen. Bij nieuwe meldingen worden gegevens over beperkingen meegegeven bij het afleveren van het onttrekkingsticket.
Wanneer een tijdelijk verbod wordt ingesteld, kan de bevoegde waterbeheerder voor de duur van het tijdelijk verbod geen nieuw onttrekkingsticket bezorgen.
Artikel 33.
Dit artikel bevat de regels voor het doorgeven van meterstanden en voor het doorgeven van onttrokken volumes in die gevallen waarin het plaatsen van een meter niet voorgeschreven is. Dit zowel voor het geval er onttrokken wordt vanuit een vaste inrichting als voor het geval met een onttrekkingsticket gewerkt wordt.
Hoofdstuk 2. Wijzigingen aan het
besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
12/12/2008
pub.
10/02/2009
numac
2009035107
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
sluiten tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Artikel 34.
Door het
decreet van 26 april 2019Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
26/04/2019
pub.
19/06/2019
numac
2019013160
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw
type
decreet
prom.
26/04/2019
pub.
12/06/2019
numac
2019012697
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de basisbereikbaarheid
type
decreet
prom.
26/04/2019
pub.
05/06/2019
numac
2019012842
bron
vlaamse overheid
Decreet tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de uitrol van digitale meters en tot wijziging van artikel 7.1.1, 7.1.2 en 7.1.5 van hetzelfde decreet
sluiten werd het toepassingsgebied van titel XVI DABM uitgebreid tot de
wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
28/12/1967
pub.
17/08/2007
numac
2007000737
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen
sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen. Om de handhaving effectief mogelijk te maken, moet de wet onbevaarbare waterlopen ook opgenomen worden in het Milieuhandhavingsbesluit van 12 december 2008. De eerste stap daartoe is een verwijzing naar de wet onbevaarbare waterlopen toe te voegen aan artikel 1 van dat besluit.
Daarmee worden meteen ook de uitvoeringsbesluiten bij deze wet gevat.
Artikel 35.
Een verontreiniging die waargenomen wordt in een onbevaarbare waterloop van eerste categorie kan afkomstig zijn uit een onbevaarbare waterloop van tweede of derde categorie of een publieke gracht. Om het toezicht in dergelijke gevallen efficiënt te laten verlopen is het nuttig dat de beheerder van de waterloop van eerste categorie ook toezichtrechten kan uitoefenen op onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 én publieke grachten. Dit wordt geregeld in punt 1° van artikel 35.
Verder wordt voorzien dat personeelsleden van de afdeling bevoegd voor het beheer van de onbevaarbare waterlopen 1° categorie van de Vlaamse Milieumaatschappij toezicht kunnen uitoefenen op de wet onbevaarbare waterlopen en de uitvoeringsbesluiten.
Artikel 36.
Met dit artikel wordt ervoor gezorgd dat de provincies, beheerders van de onbevaarbare waterlopen van tweede categorie, toezicht kunnen houden op de naleving van de wet onbevaarbare waterlopen en de bijhorende besluiten langs deze waterlopen. Zoals hiervoor al werd aangegeven bij artikel 35 is het nuttig dat beheerders van onbevaarbare waterlopen ook meer stroomopwaarts toezicht kunnen houden omdat de oorzaak van wat mis loopt soms stroomopwaarts ligt.
Zoals reeds het geval is bij verontreiniging van de waterloop via artikel 33, § 1, 1° van het milieuhandhavingsbesluit worden de provincies ook bevoegd gemaakt om toezicht uit te oefenen op onbevaarbare waterlopen van derde categorie en publieke grachten.
Artikel 37.
Met dit artikel wordt ervoor gezorgd dat de gemeenten, beheerder van de onbevaarbare waterlopen van derde categorie en de publieke grachten, toezicht kunnen houden op de naleving van deze wet en de bijhorende besluiten langs deze waterlopen en publieke grachten.
Hoofdstuk 3. Wijzigingen van het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
05/08/1970
pub.
17/08/2007
numac
2007000736
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten0 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (Wijzigingsbepalingen) Artikel 38.- 42.
De artikelen 38, 39 en 40 heffen de vrijstelling op om grachten te overwelven of in te buizen rond woningen (art. 38), andere gebouwen dan woningen (art. 39) en in landbouwgebied (art. 40).
Met artikel 41 wordt in groengebied de vrijstelling rond ingrepen aan grachten en verplaatsen van grachten in overeenstemming gebracht met de artikelen 22-24 van het voorliggend ontwerp van besluit. Het artikel 42 regelt hetzelfde voor werken van algemeen belang.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen Artikel 43.
Met dit artikel worden de verouderde algemene en provinciale politiereglementen afgeschaft, alsook de koninklijke besluiten die het openbaar onderzoek en de opmaak van de papieren atlassen regelden. Dit is mogelijk gezien de nodige bepalingen opgenomen zijn in dit ontwerp van besluit.
Artikel 44.
Het artikel bepaalt dat de regeling met betrekking tot de onttrekkingen die aangevraagd moeten worden via het elektronisch loket in werking treden op de datum bepaald door de minister. Het elektronisch loket is nog in opbouw en kandidaat-onttrekkers moeten zich op de nieuwe regeling kunnen voorbereiden.
In het tweede lid wordt voorzien dat de artikelen 6 en 24 van het
decreet van 26 april 2019Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
26/04/2019
pub.
19/06/2019
numac
2019013160
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw
type
decreet
prom.
26/04/2019
pub.
12/06/2019
numac
2019012697
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de basisbereikbaarheid
type
decreet
prom.
26/04/2019
pub.
05/06/2019
numac
2019012842
bro …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.