← België

Koninklijk besluit inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden

In het kort

Dit Koninklijk besluit regelt de vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden en zet Europese richtlijnen om over het minimumopleidingsniveau van zeevarenden. Het doel is de veiligheid op zeeschepen te waarborgen door de kwalificaties van de bemanning vast te leggen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
24 MEI 2006. - Koninklijk besluit inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der zeeschepen, inzonderheid op artikel 4, 1°, f ; Gelet op de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 28/09/2015 numac 2015000523 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de elektronische communicatie, inzonderheid op artikel 39, § 2; Gelet op het koninklijk besluit van 21 mei 1958 betreffende de toekenning van de brevetten, diploma's, certificaten en vergunningen in de koopvaardij, de zeevisserij en de pleziervaart, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 juni 1959, 13 februari 1961, 8 april 1964, 10 juni 1965, 18 maart 1966, 17 augustus 1966, 14 maart 1967, 3 augustus 1967, 13 maart 1968, 3 juni 1969, 10 april 1970, 27 januari 1971, 26 maart 1971, 20 juli 1971, 25 oktober 1971, 2 oktober 1972, 28 maart 1974, 2 juli 1975, 11 maart 1977, 21 april 1978, 4 december 1978, 14 januari 1983, 5 april 1983, 10 mei 1984, 10 januari 1986, 4 september 1986, 3 september 1987, 21 oktober 1993 en opgeheven bij koninklijk besluit van 12 juni 1996 betreffende de brevetten, certificaten, getuigschriften en dienstbewijzen die vereist zijn voor de zeevisserijvaart voor wat betreft de zeevisserij; Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 20 juni 1977, 24 november 1978, 10 juli 1981, 28 maart 1984, 2 mei 1984, 7 mei 1984, 12 juni 1996, 20 januari 1997, 7 januari 1998, 13 juli 1998, 13 september 1998, 23 december 1998, 3 mei 1999, 23 oktober 2001, 11 maart 2002, 31 januari 2003, 29 februari 2004, 19 maart 2004, 1 september 2004, 17 september 2005 en 21 november 2005; Gelet op het koninklijk besluit van 22 april 1974 tot instelling van een permanente toelating voor gebrevetteerde officieren ter kustvaart om dienst te doen aan boord van koopvaardijschepen ter lange omvaart; Gelet op het koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de baggervaart, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 oktober 1993; Gelet op het koninklijk besluit van 15 oktober 1993 betreffende de brevetten die vereist zijn voor de sleep- en offshorevaart; Gelet op het koninklijk besluit van 15 oktober 1993 tot instelling van een radarbrevet en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de baggervaart; Gelet op het koninklijk besluit van 13 september 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/09/1998 pub. 25/09/1998 numac 1998014228 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement sluiten houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 december 1998, 21 juni 2001, 31 januari 2003 en 25 oktober 2004; Gelet op het koninklijk besluit van 30 november 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/11/1999 pub. 30/12/1999 numac 1999014294 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot uitvoering van richtlijn 98/35/EG van de Raad van 25 mei 1998 tot wijziging van richtlijn 94/58/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden sluiten tot uitvoering van Richtlijn 98/35/EG van de Raad van 25 mei 1998 tot wijziging van Richtlijn 94/58/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 8 mei 2006; Gelet op het advies van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie geven op 8 mei 2006; Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn; Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2002/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 houdende wijziging van de richtlijnen op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 23 november 2003 aan de richtlijn te voldoen; dat artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 2003/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 houdende wijziging van Richtlijn 2001/25/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 14 mei 2005 aan de richtlijn te voldoen; dat artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 2005/23/EG van de Commissie van 8 maart 2005 tot wijziging van Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 29 september 2005 aan de richtlijn te voldoen; Overwegende dat België door de Commissie van de Europese Gemeenschappen met brief van 25 juli 2005 inzake de omzetting van Richtlijn 2003/103/EG en met brief van 5 december 2005 inzake de omzetting van Richtlijn 2005/23/EG in gebreke werd gesteld wegens niet tijdige omzetting van de richtlijnen; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op 2 februari 2006 inzake de omzetting van Richtlijn 2002/84/EG, een arrest heeft gewezen waarbij wordt vastgesteld dat België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; dat België bijgevolg onverwijld de richtlijnen dient om te zetten in nationaal recht; Gelet op het advies 40.461/4 van de Raad van State, gegeven op 17 mei 2006 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en Onze Minister van Mobiliteit, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Verkrijgen van vaarbevoegdheidsbewijzen Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit ter omzetting van Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden, gewijzigd bij Richtlijn 2002/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 in zoverre ze betrekking heeft op Richtlijn 2001/25/EG, bij Richtlijn 2003/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003, bij Richtlijn 2005/23/EG van de Commissie van 8 maart 2005 en bij Richtlijn 2005/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 wordt verstaan onder : 1° "zeeschepen" : schepen, andere dan schepen die uitsluitend varen op de binnenwateren of op wateren binnen of nauw grenzend aan beschutte wateren of zones waar havenvoorschriften van toepassing zijn;2° "lidstaat" : een lidstaat van de Europese Unie;3° "zeeschip dat gerechtigd is de vlag van een lidstaat te voeren" : een zeeschip dat geregistreerd is in en de vlag voert van een lidstaat volgens de wetgeving van die lidstaat.Zeeschepen die niet aan deze definitie voldoen, worden gelijkgesteld met zeeschepen die onder de vlag van een derde land varen; 4° "zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren" : een zeeschip dat in België geregistreerd is en gerechtigd is de Belgische vlag te voeren overeenkomstig de Belgische wetgeving;5° "kapitein" : degene die het bevel voert over een zeeschip;6° "officier" : een lid van de bemanning, niet zijnde de kapitein, die als zodanig aangewezen is op grond van de vigerende wetgeving inzake de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst;7° "dekofficier" : een officier die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van bijlage I;8° "eerste stuurman" : de officier die in rang volgt op de kapitein en op wie het bevel over het zeeschip komt te rusten indien de kapitein daartoe niet in staat is;9° "werktuigkundige" : een officier die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III van bijlage I;10° "hoofdwerktuigkundige" : de werktuigkundige die het oudst in rang is en die verantwoordelijk is voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van het zeeschip;11° "tweede werktuigkundige" : de werktuigkundige die in rang volgt op de hoofdwerktuigkundige en op wie de verantwoordelijkheid voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van het zeeschip komt te rusten, indien de hoofdwerktuigkundige daartoe niet in staat is;12° "assistent-werktuigkundige" : een persoon die aan boord van een zeeschip een opleiding volgt tot werktuigkundige en als zodanig op grond van de wet van 5 juni 1928 houdende regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst is aangewezen;13° "BIPT" : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;14° "passend vaarbevoegdheidsbewijs" : een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven en voorzien van een officiële verklaring, in overeenstemming met de bepalingen van dit besluit, dat de rechtmatige houder ervan het recht geeft dienst te doen in de daarin beschreven hoedanigheid, en de daarbij behorende functies te vervullen op het daarin omschreven verantwoordelijkheidsniveau op een zeeschip van het desbetreffende type, tonnage, vermogen en wijze van voortstuwing, tijdens de desbetreffende zeereis;15° "radio-operator" : een persoon die in het bezit is van een bewijs van beroepsbekwaamheid, afgegeven of erkend door het BIPT, krachtens de bepalingen van het radioreglement zoals gedefinieerd onder punt 24;16° "gezel" : een lid van de bemanning van het zeeschip, niet-zijnde de kapitein of een officier;17° "STCW-verdrag" : het internationaal verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, zoals dit geldt voor de van toepassing zijnde onderwerpen, rekening houdend met de overgangsbepalingen van artikel VII en Voorschrift I/15 van het STCW-verdrag en met inbegrip, voorzover van toepassing, van de desbetreffende bepalingen van de STCW-code, die alle worden toegepast, in de meest recente versie;18° "STCW-code" : de code voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, aangenomen in Resolutie 2 van de STCW-conferentie van 1995 van de partijen bij het STCW-verdrag, in de meest recente versie;19° "reizen nabij de kust" : reizen binnen een vaargebied onder Belgische jurisdictie dat zich uitstrekt tot dertig zeemijlen uit de Belgische kust, of reizen in de nabijheid van een lidstaat, zoals door die lidstaat omschreven of in de nabijheid van een partij, zoals door die partij omschreven;20° "voortstuwingsvermogen" : het maximale vermogen uitgedrukt in kilowatt, dat door de voortstuwingsmachine(s) van het zeeschip zonder overbelasting gedurende onbeperkte tijdsduur kan worden geleverd, zoals vermeld in het bijvoegsel aan de meetbrief waarvan het model opgenomen is in bijlage III bij het koninklijk besluit van 7 mei 1984 ter uitvoering van de wet van 12 juli 1983 op de scheepsmeting;21° "olietanker" : een zeeschip gebouwd en gebruikt voor het vervoer in bulk van aardolie en aardolieproducten;22° "chemicaliëntanker" : een zeeschip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van enig vloeibaar product opgenomen in hoofdstuk 17 van de Internationale Code inzake het vervoer van chemicaliën in bulk (International Bulk Chemical Code), in de meest recente versie;23° "vloeibaargastanker" : een zeeschip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van enig vloeibaar gemaakt gas of ander product opgenomen in hoofdstuk 19 van de Internationale Code inzake het vervoer van vloeibaar gemaakt gas (International Gas Carrier Code) in de meest recente versie;24° "radioreglement" : het herziene radioreglement zoals aangenomen door de Administratieve Wereldradioconferentie voor de mobiele dienst, in de meest recente versie;25° "passagiersschip" : een zeeschip dat meer dan twaalf passagiers vervoert;26° "vissersvaartuig" : een vaartuig dat wordt gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;27° "radiowerkzaamheden" : werkzaamheden die, al naar gelang van het geval, de luisterwacht omvatten alsmede het technisch onderhoud en reparatiewerkzaamheden overeenkomstig het radioreglement, het internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS-verdrag) en de desbetreffende aanbevelingen van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), in de meest recente versie;28° "ro-ro-passagiersschip" : een passagiersschip met ruimten voor ro-ro-lading of ruimten van bijzondere aard zoals omschreven in het SOLAS-verdrag, in de meest recente versie;29° "functie" : een verzameling taken, plichten en verantwoordelijkheden, zoals aangegeven in de STCW-code, die vereist zijn voor de bedrijfsvoering aan boord, de beveiliging van mensenlevens op zee of de bescherming van het mariene milieu;30° "maatschappij" : de reder van het zeeschip of elke andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of degene die het zeeschip leeg chartert, die de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering aan boord van de eigenaar van het zeeschip heeft overgenomen en die bij het op zich nemen van deze verantwoordelijkheid, ermee heeft ingestemd alle verplichtingen en verantwoordelijkheden over te nemen die door deze voorschriften aan de maatschappij worden opgelegd;31° "bewijs van beroepsbekwaamheid" : een geldig document in de zin van artikel 4;32° "diensttijd" : een dienst gedaan aan boord van een zeeschip voor zover van belang voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs of een andere kwalificatie;33° "goedgekeurd" : goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn;34° "maand" : een kalendermaand of 30 dagen samengesteld uit perioden van minder dan een maand;35° "derde land" : een land dat geen lidstaat is;36° "Commissie" : de Commissie van de Europese Gemeenschappen;37° "Minister" : de Minister tot wiens bevoegdheid de Maritieme Zaken en de Scheepvaart behoren;38° "Directoraat" : het Directoraat-generaal Maritiem Vervoer bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;39° "aannemersmaterieel" : baggerschepen, sleepschepen en hulpschepen voor offshore installaties;40° "commercieel pleziervaartuig" : elk vaartuig gebruikt voor winstgevende verrichtingen in welke vorm ook, dat op zee aan pleziervaart doet of ervoor bestemd is, met uitsluiting van de vaartuigen gebruikt of bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;41° "SOLAS-verdrag" : het internationaal verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee, en bijhorende protocollen en wijzigingen, in de meest recente versie;42° "Richtlijn 2001/25/EG" : Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden, in de meest recente versie. Art. 2.De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de in dit besluit genoemde zeevarenden die dienst doen op zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, met uitzondering van : - oorlogsschepen, hulpschepen voor de marine of andere zeeschepen die eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door België en die uitsluitend worden gebezigd voor een niet-commerciële overheidsdienst; - vissersvaartuigen; - pleziervaartuigen andere dan commerciële pleziervaartuigen; - houten zeeschepen van primitieve bouw. Art. 3.Om een vaarbevoegdheidsbewijs te verkrijgen, voldoen zeevarenden die dienst doen op een zeeschip zoals bedoeld in artikel 2 aan de voorschriften inzake opleiding van het STCW-verdrag opgenomen in bijlage I bij dit besluit en aan de bepalingen van dit besluit. Bemanningsleden die een bewijs van beroepsbekwaamheid moeten bezitten overeenkomstig de bepalingen van voorschrift III/10.4 van het SOLAS-verdag hebben een opleiding genoten en zijn in het bezit van een bewijs van beroepsbekwaamheid overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. Het bewijs van beroepsbekwaamheid van scheepskok dienst doende op een zeeschip wordt verleend overeenkomstig de bepalingen van dit besluit mits voldaan wordt aan de minimumeisen vermeld in bijlage V. Art. 4.Een bewijs van beroepsbekwaamheid is elk geldig document, onder welke naam dit ook bekend mag zijn, dat is uitgegeven door of onder de verantwoordelijkheid van de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn of door of onder de verantwoordelijkheid van het BIPT, in overeenstemming met artikel 5 en de in bijlage I vastgelegde vereisten. Art. 5.§ 1. Vaarbevoegdheidsbewijzen worden afgegeven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 9. § 2. De vaarbevoegdheidsbewijzen voor kapiteins, officieren en radio-operators worden door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, voorzien van een officiële verklaring volgens de voorschriften van dit artikel. § 3. De vaarbevoegdheidsbewijzen worden afgegeven overeenkomstig voorschrift I/2, lid 1, van het STCW-verdrag. § 4. Met betrekking tot de radio-operators wordt door het BIPT een afzonderlijk vaarbevoegdheidsbewijs gegeven waarin is vermeld dat de houder de aanvullende kennis vereist volgens de desbetreffende voorschriften bezit. § 5. De officiële verklaringen worden opgenomen in het model van het vaarbevoegdheidsbewijs dat wordt afgegeven zoals voorgeschreven in sectie A-I/2 van de STCW-code. Het gebruikte model komt overeen met het model dat is beschreven in sectie A-I/2, lid 1 van de STCW-code. De officiële verklaringen worden afgegeven overeenkomstig artikel VI, lid 2, van het STCW-verdrag. § 6. Voor een vaarbevoegdheidsbewijs erkend krachtens de procedure van artikel 15, § 1, a), geven de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn een officiële verklaring af teneinde die erkenning te bevestigen. Het model van de gebruikte officiële verklaring komt overeen met het model dat is beschreven in sectie A-I/2, lid 3, van de STCW-code. Met het oog op het afgeven van de officiële verklaringen zien de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn erop toe dat de betrokken zeevarenden passende talenkennis hebben verworven, zoals vastgelegd in de secties A-II/1, A-III/1, A-IV/2 en A-II/4 van de STCW-code opdat zij in staat zijn hun specifieke taken uit te voeren op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren. § 7. De officiële verklaringen bedoeld in de paragrafen 5 en 6 : a) zijn alle voorzien van een eigen, uniek nummer, met dien verstande, dat aan officiële verklaringen die de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs bevestigen hetzelfde nummer mag worden toegekend als aan het desbetreffende vaarbevoegdheidsbewijs, op voorwaarde dat dit nummer uniek is, en b) verliezen hun geldigheid zodra het desbetreffende vaarbevoegdheidsbewijs vervalt of wordt ingetrokken, tijdelijk ingetrokken of ongeldig wordt verklaard door de lidstaat of door het derde land die dat heeft afgegeven en, in elk geval, uiterlijk vijf jaar na de datum van afgifte. § 8. De hoedanigheid waarin de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs gerechtigd is te varen wordt in de officiële verklaring vermeld in bewoordingen gelijk aan die welke worden gebruikt in de van toepassing zijnde eisen inzake het veilig bemannen van zeeschepen zoals bepaald in artikel 90 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement. § 9. Behoudens de bepalingen van artikel 15, § 2, is het origineel van elk op grond van dit besluit vereist vaarbevoegdheidsbewijs beschikbaar aan boord van het zeeschip waarop de houder dienst doet. Art. 6.De in artikel 3 bedoelde vereiste opleiding wordt verstrekt in een vorm die past bij de theoretische kennis en praktische vaardigheden die in de bijlage I worden voorgeschreven, in het bijzonder wat betreft het gebruik van reddings- en brandbestrijdingsmiddelen, en welke goedgekeurd is door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn. Art. 7.§ 1. Voor reizen nabij de kust, worden geen eisen betreffende opleiding, ervaring of bewijzen van beroepsbekwaamheid opgelegd aan zeevarenden, dienstdoende aan boord van zeeschepen die gerechtigd zijn tot het voeren van de vlag van een andere lidstaat of een andere partij bij het STCW-verdrag tijdens dergelijke reizen, op een wijze die leidt tot strengere eisen voor die zeevarenden dan voor de zeevarenden, dienstdoende aan boord van zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren. In geen geval worden eisen gesteld, met betrekking tot zeevarenden dienstdoende aan boord van zeeschepen die gerechtigd zijn tot het voeren van een vlag van een andere lidstaat of een andere partij bij het STCW-verdrag, die strenger zijn dan die van dit besluit met betrekking tot zeeschepen die niet voor reizen nabij de kust worden ingezet. § 2. Met betrekking tot zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, die regelmatig worden ingezet voor reizen nabij de kust voor de kust van een andere lidstaat of een andere partij bij het STCW-verdrag, moeten op zodanige zeeschepen dienstdoende zeevarenden voldoen aan eisen inzake opleiding, ervaring en bewijzen van beroepsbekwaamheid, die ten minste gelijk zijn aan die van de lidstaat of andere partij bij het STCW-verdrag voor wiens kust het zeeschip wordt ingezet, mits deze de eisen van dit besluit met betrekking tot zeeschepen die niet voor reizen nabij de kust worden ingezet niet te boven gaan. Zeevarenden dienst doende op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren waarvan de reis buiten het gebied komt dat door de lidstaat of andere partij bij het STCW-verdrag is omschreven voor reizen nabij de kust, en dat zich begeeft in wateren die niet onder deze omschrijving vallen, dienen aan de van toepassing zijnde pertinente eisen van dit besluit voldoen. § 3. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, kunnen een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren, de voordelen van de bepalingen van dit besluit inzake reizen nabij de kust toekennen wanneer het regelmatig in de nabijheid van de kust van een staat, die geen partij is bij het STCW-verdrag wordt gebruikt voor reizen nabij de kust. Art. 8.§ 1. Alle werkzaamheden betreffende opleiding en beoordeling van bekwaamheid, die worden uitgevoerd door niet-gouvernementele instanties of door lichamen die onder hun gezag vallen, worden voortdurend door een systeem van kwaliteitsbewaking volgens de norm ISO 9001:2000 of volgens een gelijkwaardige norm getoetst teneinde te garanderen dat de vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de bevoegdheden en ervaring van instructeurs en beoordelaars. De afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen, officiële verklaringen en verlenging van geldigheid, gebeurt door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn en wordt door een systeem van kwaliteitsbewaking getoetst volgens de ISO norm 9001:2000 of volgens een gelijkwaardige norm teneinde te garanderen dat de vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de bevoegdheden en opgedane ervaring van instructeurs en beoordelaars. De onderwijs- en opleidingsdoelstellingen en de daarmee verband houdende te bereiken niveaus van bekwaamheid zijn duidelijk omschreven met vermelding van de niveaus van kennis, inzicht en vaardigheid die passen bij de krachtens dit besluit vereiste onderzoeken en beoordelingen. De doelstellingen en de daarmee verband houdende kwaliteitsnormen mogen afzonderlijk worden aangegeven voor verschillende cursussen en opleidingsprogramma's en omvatten het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften. Het toepassingsgebied van de kwaliteitsnormen omvat het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften, alle opleidingscursussen en -programma's, de door de instanties, aangewezen overeenkomstig artikel 13, afgenomen examens en de beoordelingen, alsmede de van instructeurs en beoordeelaars verlangde bevoegdheden en ervaring, rekening houdend met de beleidslijnen, systemen, controles en interne kwaliteitsbewakingsonderzoeken die zijn ingesteld ter verwezenlijking van de omschreven doelstellingen. § 2. Het systeem voor het verlenen van getuigschriften en voor de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen, officiële verklaringen en verlenging van geldigheid bedoeld in § 1, is gecertificeerd door een daartoe geaccrediteerde instelling conform de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/1990 pub. 10/06/2010 numac 2010000325 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of door een gelijkwaardige accreditatie-instelling opgericht binnen de Europese Economische Ruimte. § 3. Periodiek, met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar, vindt een onafhankelijke evaluatie plaats van de werkzaamheden met betrekking tot verwerving en beoordeling van kennis, begrip, vaardigheden en bekwaamheid en het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften en voor de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen, officiële verklaringen en verlenging van geldigheid bedoeld in § 1, door geaccrediteerde instellingen als bedoeld in § 2, die zelf niet bij de werkzaamheden zijn betrokken om na te gaan of : a) alle maatregelen van controle en toezicht op de interne bedrijfsvoering en de vervolgwerkzaamheden in overeenstemming zijn met de geplande regelingen en schriftelijk vastgelegde procedures, en doeltreffend zijn om de omschreven doelstellingen te verwezenlijken;b) de resultaten van iedere onafhankelijke evaluatie gestaafd zijn met bewijsstukken en onder de aandacht worden gebracht van diegenen die verantwoordelijk zijn voor het geëvalueerde gebied;c) tijdig stappen worden ondernomen om tekortkomingen te corrigeren. Art. 9.§ 1. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn geven slechts vaarbevoegdheidsbewijzen af aan kandidaten die aan de eisen vastgelegd in dit artikel voldoen. § 2. Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen, leggen op voldoende wijze het bewijs over : a) van hun identiteit;b) dat hun leeftijd niet lager is dan die welke is voorgeschreven in het betreffende voorschrift van bijlage I voor het aangevraagde vaarbevoegdheidsbewijs;c) dat zij voldoen aan de normen voor medische geschiktheid, in het bijzonder voor wat betreft hun gezichts- en gehoororgaan, en in het bezit zijn van een certificaat van medische geschiktheid overeenkomstig artikel 102 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement;d) dat zij de diensttijd, en elke daarmee verband houdende verplichte opleiding die door de voorschriften van bijlage I voor het aangevraagde vaarbevoegdheidsbewijs is vereist, hebben voltooid, en e) dat zij voldoen aan de normen van bekwaamheid die door de voorschriften van bijlage I worden voorgeschreven voor de hoedanigheid, functies en niveaus, die worden vermeld in de officiële verklaring gedaan in het vaarbevoegdheidsbewijs. § 3. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn : a) houden een register of registers bij van alle vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen van kapiteins en officieren en, waar van toepassing, scheepsgezellen, die zijn afgegeven, zijn verlopen of zijn vernieuwd, tijdelijk ingetrokken of ongeldig verklaard of als vermist of in het ongerede geraakt zijn aangemeld, en tevens van dispensaties die zijn verleend, en b) stellen gegevens beschikbaar betreffende de status van dergelijke vaarbevoegdheidsbewijzen, officiële verklaringen en dispensaties aan andere lidstaten of andere partijen bij het STCW-verdrag en maatschappijen die om bevestiging van de echtheid en geldigheid verzoeken van vaarbevoegdheidsbewijzen die aan hen worden overgelegd door zeevarenden die erkenning van hun vaarbevoegdheidsbewijzen aanvragen of werk zoeken aan boord van een zeeschip. § 4. De maatschappij of de kapitein meldt iedere aan- en afmonstering van elke zeevarende met opgave van de datum van inscheping en van ontscheping, de functie die aan boord door de zeevarende wordt uitgeoefend en de naam van het betrokken zeeschip aan de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn. Art. 10.§ 1. Elke kapitein, officier en radio-operator die in het bezit is van een vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven of erkend krachtens enig hoofdstuk van bijlage I, uitgezonderd hoofdstuk VI, en die buitengaats dienst doet of van plan is na een periode aan de wal naar zee terug te keren, dient, teneinde zijn bevoegdheid om buitengaats dienst te doen te behouden, met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar : a) aan te tonen dat hij voldoet aan de normen van medische geschiktheid overeenkomstig artikel 9, en b) aan te tonen dat hij bij voortduring vakbekwaam is in overeenstemming met de sectie A-I/11 van de STCW-code; § 2. Elke kapitein, officier en radio-operator sluit om bij voortduring buitengaats dienst te doen aan boord van zeeschepen waarvoor internationaal bijzondere opleidingseisen overeengekomen zijn, een goedgekeurde desbetreffende opleiding met goed gevolg. § 3. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, vergelijken de normen inzake bekwaamheid die zij aan kandidaten stelden voor vaarbevoegdheidsbewijzen afgegeven vóór 1 februari 2002, met die welke in deel A van de STCW-code voor de passende vaarbevoegdheidsbewijzen zijn genoemd, en stellen vast of het noodzakelijk is de houders van dergelijke vaarbevoegdheidsbewijzen een passende herhalings- en bijscholingscursus te laten volgen of een beoordeling van hun bekwaamheid te laten ondergaan. De herhalings- en bijscholingscursussen worden goedgekeurd door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn en omvatten de wijzigingen van de relevante nationale en internationale voorschriften inzake de beveiliging van mensenlevens op zee en de bescherming van het mariene milieu, en houden rekening met alle aanpassingen van de betreffende bekwaamheidsnorm. Instellingen die erkende getuigschriften voor het volgen van zulke herhalings- en bijscholingscursussen wensen uit te reiken of zulke beoordeling wensen te doen, voldoen aan de bepalingen van artikel 8. § 4. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, formuleren, in overleg met de betrokkenen, de opmaak van een structuur van herhalings- en bijscholingscursussen, zoals bepaald in sectie A-I/11 van de STCW-code. § 5. Teneinde de kennis van kapiteins, officieren en radio-operatoren "up to date" te houden, stellen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn de teksten van de laatste wijzigingen in de nationale en internationale voorschriften inzake de beveiliging van mensenlevens op zee en de bescherming van het mariene milieu elektronisch ter beschikking aan de zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren. Art. 11.Aan de functienormen en andere bepalingen die zijn vermeld in sectie A-I/12 van de STCW-code alsook aan de verdere eisen die in deel A van de STCW-code worden voorgeschreven met betrekking tot een desbetreffend vaarbevoegdheidsbewijs wordt voldaan inzake : a) elke opleiding waarvan het gebruik van een simulator verplicht is;b) elke beoordeling van bekwaamheid vereist krachtens deel A van de STCW-code die met behulp van een simulator wordt gedaan, en c) elk aantonen van bekwaamheid bij voortduring, met behulp van een simulator, zoals vereist in deel A van de STCW-code. Art. 12.§ 1. In buitengewoon dringende omstandigheden kunnen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, indien dit naar hun oordeel geen gevaar oplevert voor personen, goederen of het milieu, dispensatie verlenen waardoor aan een bepaalde zeevarende wordt toegestaan gedurende een bepaalde periode van ten hoogste zes maanden op een bepaald zeeschip dienst te doen in een hoedanigheid waarvoor hij niet het passend vaarbevoegdheidsbewijs bezit - maar niet in de hoedanigheid van radio-operator, behalve zoals is bepaald in artikel 47 van het radioreglement - mits degene aan wie dispensatie wordt verleend voldoende bekwaam is om de onbezette functie op een verantwoorde wijze te vervullen, zulks ter beoordeling van de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn. Niettemin worden geen dispensaties verleend aan kapiteins of hoofdwerktuigkundigen, behalve ingeval van overmacht en dan nog slechts voor de kortst mogelijke tijd. § 2. Iedere ten aanzien van een functie verleende dispensatie wordt slechts verleend aan iemand die het juiste vaarbevoegdheidsbewijs bezit voor de functie onmiddellijk daaronder. Indien geen vaarbevoegdheidsbewijs is vereist voor de functie daaronder, kan dispensatie worden verleend aan iemand wiens bekwaamheden en ervaring naar het oordeel van de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn duidelijk overeenstemmen met de eisen voor de te bezetten functie, mits aan een dergelijk persoon, indien hij/zij het passend vaarbevoegdheidsbewijs niet bezit, de eis zal worden gesteld dat hij/zij met goed gevolg een test aflegt die door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, is aanvaard als bewijs dat die dispensatie zonder gevaar kan worden gegeven. Bovendien dragen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn er zorg voor dat de desbetreffende functie zo spoedig mogelijk wordt vervuld door iemand die een passend vaarbevoegdheidsbewijs bezit. Art. 13.§ 1. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, wijzen de instanties aan die de in artikel 3 bedoelde opleiding verstrekken en waar nodig de examens organiseren en/of er toezicht op houden. De Minister erkent al dan niet de getuigschriften die door de in het eerste lid aangewezen instanties worden afgeleverd. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, geven het in artikel 9 bedoelde vaarbevoegdheidsbewijs af en verlenen de in artikel 12 bedoelde dispensatie. § 2. Om te worden aangewezen overeenkomstig § 1, eerste lid, richten de instanties een aanvraag tot aanwijzing aan de Minister. Bij de aanvraag tot aanwijzing worden alle bewijsstukken gevoegd waaruit blijkt dat : a) alle opleiding en beoordeling van zeevarenden : 1.gestructureerd wordt volgens geschreven programma's met inbegrip van methoden en hulpmiddelen voor kennisoverdracht, werkwijzen en cursusmateriaal die nodig zijn om het voorgeschreven bekwaamheidspeil te bereiken, en 2. geleid, begeleid, geëvalueerd en ondersteund wordt door personen die bevoegd zijn overeenkomstig de punten d), e) en f).b) personen die zeevarenden tijdens de dienst aan boord van een zeeschip opleiden of beoordelen, dit alleen doen, wanneer deze opleiding of beoordeling geen nadelige invloed heeft op de normale bedrijfsvoering aan boord, en wanneer zij hun tijd en aandacht kunnen besteden aan opleiding of beoordeling;c) instructeurs, mentors en beoordelaars de vereiste bevoegdheden hebben voor de specifieke soorten en niveaus van opleiding of beoordeling van bekwaamheid van zeevarenden zowel aan boord als aan de wal;d) eenieder die tijdens de dienst aan boord of aan de wal aan een zeevarende een opleiding geeft die bedoeld is gebruikt te worden voor het verkrijgen van de bevoegdheden vereist voor de verwerving van een vaarbevoegdheidsbewijs krachtens dit besluit : 1.het opleidingsprogramma op zijn waarde kan beoordelen en inzicht heeft in de specifieke leerdoelen van de bijzondere soort opleiding die wordt gegeven; 2. bevoegd is voor de taak waarvoor de opleiding wordt gegeven, en 3.indien hij bij het geven van de opleiding gebruik maakt van een simulator : 1) alle passende aanwijzingen heeft ontvangen voor het geven van onderricht met betrekking tot het gebruik van simulatoren, en 2) praktijkervaring heeft opgedaan in de bediening van het gebruikte type simulator.e) eenieder die verantwoordelijke is voor het toezicht op de opleiding van een zeevarende tijden de dienst aan boord, die bedoeld is te worden gebruikt voor het verkrijgen van de bevoegdheden vereist voor het verwerven van een vaarbevoegdheidsbewijs, een volledig begrip heeft van het opleidingsprogramma en de specifieke doelstelling van iedere soort opleiding die wordt gegeven;f) eenieder die tijdens de dienst aan boord of aan wal een zeevarende op zijn bekwaamheid beoordeelt, welke beoordeling gebruikt zal worden bij de verwerving van een vaarbevoegdheidsbewijs : 1.beschikt over de vereiste mate van kennis en inzicht in de te beoordelen bekwaamheid; 2. bevoegd is voor de taak waarvoor de beoordeling wordt verricht;3. passende aanwijzingen heeft ontvangen over beoordelingsmethoden- en praktijk;4. praktijkervaring heeft opgedaan met beoordelen, en 5.indien bij de beoordeling simulatoren moeten worden gebruikt, praktijkervaring heeft opgedaan met beoordeling op het gebruikte type simulator onder toezicht en naar genoegen van een ervaren beoordelaar. g) wanneer de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn een opleidingscursus, een opleidingsinstelling of een door een opleidingsinstelling verleende bevoegdheid erkennen, als onderdeel van hun gestelde eisen met betrekking tot de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs, vallen de bevoegdheden en opgedane evaring van instructeurs en beoordelaars onder de toepassing van de bepalingen inzake kwaliteitsnormen van artikel 8.Deze bevoegdheden, opgedane ervaring en toepassing van kwaliteitsnormen omvatten een passende opleiding in het geven van onderricht en opleidings- en beoordelingsmethoden en -praktijk en voldoen aan alle van toepassing zijnde eisen van de punten d), e) en f). § 3. De aanvraag wordt onderzocht door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn. Na het onderzoek bedoeld in het eerste lid nemen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn een beslissing. Wanneer de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, de aanwijzing van een instantie weigeren, delen zij hun beslissing bij een ter post aangetekende brief mee aan de betrokken instantie. In het geval waarin de aanwijzing wordt geweigerd, kan door de instantie beroep worden ingesteld bij de Minister. Het beroep wordt ingesteld bij een ter post aangetekende brief binnen dertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de beslissing van weigering en moet met redenen omkleed zijn. De Minister beslist binnen 60 dagen na de ontvangst van het beroep. De beslissing van de Minister wordt ter kennis gebracht van de instantie. Art. 14.§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 15 en 16, is dit artikel van toepassing voor erkenningen van passende vaarbevoegdheidsbewijzen of andere bewijzen van beroepsbekwaamheid voor zeevarenden die : a) onderdaan van een lidstaat zijn en opgeleid zijn en van een lidstaat de opleiding en het bewijs van beroepsbekwaamheid hebben ontvangen ten minste overeenkomstig de in bijlage I bij Richtlijn 2001/25/EG vastgelegde eisen;b) onderdaan van een derde land zijn en houder zijn van een door een lidstaat afgegeven bewijs van beroepsbekwaamheid. § 2. Het Directoraat erkent passende vaarbevoegdheidsbewijzen of andere bewijzen van beroepsbekwaamheid die overeenkomstig de eisen van Richtlijn 2001/25/EG zijn afgegeven door een andere lidstaat. § 3. De erkenning van passende vaarbevoegdheidsbewijzen is beperkt tot de daarin omschreven functies, taken en verantwoordelijkheidsniveaus en gaat vergezeld van een officiële verklaring ten bewijze van deze erkenning. § 4. Het Directoraat ziet erop toe dat zeevarenden die met het oog op erkenning bewijzen indienen voor functies op managementniveau, beschikken over een passende kennis van het zeerecht van die lidstaat met betrekking tot de functies die zij mogen uitoefenen. Art. 15.§ 1. Zeevarenden die niet in het bezit zijn van de in artikel 4 bedoelde bewijzen van beroepsbekwaamheid, kunnen op zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, dienst doen indien er over de erkenning van hun passend vaarbevoegdheidsbewijs een beslissing is genomen overeenkomstig de hieronder uiteengezette procedure : a) indien het Directoraat voornemens is door middel van een officiële verklaring, de door een derde land afgegeven passende vaarbevoegdheidsbewijzen voor kapiteins, officieren of radio-operators te erkennen voor dienst op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren, dient het Directoraat bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek om erkenning van dat derde land in;b) indien er binnen de termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van het verzoek om erkenning, geen besluit wordt genomen over de erkenning van het betrokken derde land, kan het Directoraat besluiten het land eenzijdig te erkennen totdat een besluit is genomen door de Commissie, bijgestaan door het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door zeeschepen (COSS) van de Europese Gemeenschappen;c) het Directoraat kan met betrekking tot zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, besluiten door middel van een officiële verklaring vaarbevoegdheidsbewijzen te bevestigen die zijn afgegeven door derde landen die door de Commissie zijn erkend, rekening houdend met het bepaalde sub d) in deze paragraaf en met de bepalingen in punt 3 van bijlage II;d) de vaarbevoegdheidsbewijzen voor functies op managementniveau van zeevarenden die niet beschikken over de vereiste kennis van de Belgische zeevaartwetgeving worden, voorzover van toepassing, niet bevestigd. § 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 5, § 6, mogen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, indien de omstandigheden dit vereisen, een zeevarende toestaan om dienst te doen in een hoedanigheid niet zijnde die van radio-officier of radio-operator (tenzij het radioreglement hierin voorziet), gedurende een periode van ten hoogste drie maanden aan boord van een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren, indien hij in het bezit is van een passend en geldig vaarbevoegdheidsbewijs, voorzien van een officiële verklaring, afgegeven onder de voorschriften van een derde land, maar dat nog niet is voorzien van een officiële verklaring van erkenning door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn die dit tot een passend vaarbevoegdheidsbewijs maken voor het dienst doen aan boord van een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren. Er moet schriftelijk bewijs voorhanden zijn om aan te tonen dat de aanvraag om een officiële verklaring bij de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, is ingediend. Art. 16.§ 1. Wanneer het Directoraat, ongeacht de in bijlage II vermelde criteria, van oordeel is dat een erkend derde land niet langer aan de eisen van het STCW-verdrag voldoet, stelt het de Commissie hiervan onverwijld in kennis, met vermelding van de redenen die het Directoraat tot dit oordeel hebben gebracht. § 2. Wanneer het Directoraat voornemens is de officiële verklaring van alle door een derde land afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen in te trekken, stelt het onverwijld de Commissie en de overige lidstaten in kennis van dit voornemen en de redenen die het daartoe hebben geleid. § 3. De officiële verklaringen ten bewijze van erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen die overeenkomstig artikel 5, § 6, zijn afgegeven vóór de datum van het besluit tot intrekking door de Commissie van de erkenning van het derde land, blijven geldig. Houders van een dergelijke officiële verklaring komen echter niet in aanmerking voor een officiële verklaring van een hogere kwalificatie, tenzij een dergelijke opwaardering berust op aanvullende beroepservaring opgedaan op zee. HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement Art. 17.Artikel 1, punt 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1978, 28 maart 1984, 7 mei 1984, 12 juni 1996, 29 februari 2004 en van 19 maart 2004 wordt aangevuld als volgt : "maatschappij" : de reder van het schip of elke andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of degene die het schip leeg chartert, die de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering aan boord van de eigenaar van het schip heeft overgenomen en die bij het op zich nemen van deze verantwoordelijkheid, ermee heeft ingestemd alle verplichtingen en verantwoordelijkheden over te nemen die door deze voorschriften aan de maatschappij worden opgelegd.". Art. 18.Artikel 90, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 10 juli 1981, 28 maart 1984, 2 mei 1984 en 23 oktober 2001, wordt vervangen als volgt : "3° zeevarenden die dienst doen op een schip als bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden beschikken over een vaarbevoegdheidsbewijs in overeenstemming met hetzelfde besluit; ». Art. 19.In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt een artikel 98bis ingevoegd, luidende : "Art. 98bis.Communicatie aan boord. § 1. Onverminderd het bepaalde in de paragrafen 2 en 4, aan boord van alle zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, zijn te allen tijde manieren beschikbaar voor een doelmatige mondelinge communicatie tussen alle bemanningsleden van het schip over veiligheidsaspecten, met name dat boodschappen en instructies tijdig overkomen en juist worden begrepen. § 2. Op alle passagierschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren en op alle passagierschepen die een reis aanvangen en/of beëindigen in een Belgische haven, met het oog op een doeltreffend optreden van de bemanningsleden waar het om veiligheid gaat, wordt een werktaal vastgesteld die in het scheepsdagboek wordt opgetekend. De maatschappij, of eventueel de kapitein, bepaalt de passende werktaal. Van elke zeevarende wordt verlangd deze taal te begrijpen, en, in voorkomend geval, in die taal bevelen en instructies te geven en te rapporteren. Indien de werktaal geen officiële taal is van de lidstaat, bevatten alle op te hangen plannen en lijsten een vertaling in de werktaal. § 3. Aan boord van passagierschepen is het personeel, dat op de alarmrol is aangewezen om de passagiers in kritieke situaties te helpen, duidelijk herkenbaar en beschikt het over voor dat doel toereikende communicatieve vaardigheden, rekening houdend met een relevante en geschikte combinatie van één van de volgende criteria : 1) de taal of talen behorende bij de meest voorkomende nationaliteiten van de passagiers die op een bepaalde route worden vervoerd;2) de waarschijnlijkheid dat het vermogen om een Engelse basiswoordenschat te gebruiken voor elementaire instructies kan dienen als een middel om te communiceren met een passagier die hulp nodig heeft, ongeacht of de passagier en het bemanningslid een gemeenschappelijke taal gemeen hebben;3) de mogelijke noodzaak om in een noodsituatie via enig ander middel te communiceren (bijvoorbeeld voordoen, handgebaren, of het aanduiden van de plaats waar zich instructies, verzamelplaatsen, reddingsmiddelen of ontsnappingsroutes bevinden) wanneer niet mondeling kan worden gecommuniceerd;4) de mate waarin aan de passagiers in hun moedertaal of -talen volledige veiligheidsinstructies zijn verstrekt, en 5) de talen waarin de noodinstructies tijdens een noodsituatie of oefeningen worden omgeroepen, teneinde de passagiers vitale aanwijzingen te geven en het voor de bemanning mogelijk te maken om de passagiers bij staan. § 4. Aan boord van olietankers, chemicaliëntankers en vloeibaargastankers, die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, zijn de kapitein, de officieren en scheepsgezellen in staat met elkaar te communiceren in één of meer gemeenschappelijke werktalen. § 5. Er zijn passende middelen voor communicatie tussen het schip en de autoriteiten aan de wal. Deze communicatie geschiedt in overeenstemming met hoofdstuk V, voorschrift 14, lid 4, van het SOLAS-verdrag. § 6. Wanneer de met de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn krachtens het koninklijk besluit van 13 september 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/09/1998 pub. 25/09/1998 numac 1998014228 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement sluiten houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement havenstaatcontrole uitvoeren, gaan zij ook na dat schepen die gerechtigd zijn onder de vlag van een andere staat dan een lidstaat te varen aan de bepalingen van dit artikel voldoen." Art. 20.Artikel 102 van hetzelfde besluit gewijzigd door de koninklijke besluiten van 24 november 1978 en van 29 februari 2004, wordt vervangen als volgt : "Artikel 102.Certificaten van medische geschiktheid. 1. Elk bemanningslid is in het bezit van een certificaat van medische geschiktheid waaruit blijkt dat hij medisch geschikt is voor de hem opgedragen werkzaamheden. Onverminderd het bepaalde in punt 2, heeft het certificaat van medische geschiktheid een maximumgeldigheidsduur heeft van twaalf maanden. 2. Het certificaat van medische geschiktheid wordt vlak vóór de aanmonstering alsook op eerste verzoek getoond. Op het moment van de aanmonstering moet het certificaat van medische geschiktheid nog minstens twee maanden geldig zijn. Het certificaat van medische geschiktheid blijft geldig tot op het einde van de zeereis waarvoor werd aangemonsterd. 3. Die certificaten worden opgesteld en afgeleverd zoals bepaald in bijlage XX van hetzelfde besluit. 4. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn mogen zich tegen de inscheping verzetten van elk bemanningslid waarvan de gezondheidstoestand een gevaar voor de andere ingescheepte personen kan opleveren." Art. 21.In Hoofdstuk X van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 20 juni 1977, 24 november 1978, 10 juli 1981, 28 maart 1984, 7 januari 1998, 23 oktober 2001 en 29 februari 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° Het opschrift van hoofdstuk X wordt vervangen als volgt : "Hoofdstuk X.- Verplichtingen van de eigenaar, de kapitein en de maatschappijen". 2° In artikel 115 worden de woorden "de eigenaar en de kapitein" vervangen door de woorden "de eigenaar, de kapitein en de maatschappijen,".3° Een § 3 wordt toegevoegd, luidende als volgt : "§ 3.Verantwoordelijkheden van de maatschappijen Art. 157bis.1. De maatschappijen zijn verantwoordelijk voor de aanstelling van zeevarenden op hun schepen in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel. Elke maatschappij vergewist zich ervan dat : a) elke zeevarende, aangesteld op één van haar schepen in het bezit is van een passend vaarbevoegdheidsbewijs in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden;b) haar schepen bemand zijn overeenkomstig de van toepassing zijnde eisen inzake het veilig bemannen van;c) documentatie en gegevens met betrekking tot alle zeevarenden die op haar schepen zijn tewerkgesteld, worden bijgehouden en direct beschikbaar zijn en, zonder overigens andere gegevens uit te sluiten, documentatie en andere gegevens betreffende hun gedane ervaring, opleiding, geschiktheid uit medisch oogpunt en bekwaamheid in opgedragen taken bevatten;d) zeevarenden na hun aanstelling op één van haar schepen vertrouwd worden gemaakt met hun specifieke taken en met alle regelingen, installaties, uitrusting, procedures en kenmerken van het zeeschip die verband houden met hun taken onder normale omstandigheden of in noodsituaties;e) de voltallige bemanning van het schip in een noodsituatie en bij het vervullen van functies die van vitaal belang zijn voor de veiligheid of voor het voorkomen of verminderen van verontreiniging, haar werkzaamheden, doeltreffend kan coördineren.2. De maatschappijen, kapiteins en bemanningsleden hebben ieder voor zich tot taak zich ervan te vergewissen dat aan de in dit artikel vermelde verplichtingen volledig wordt voldaan en uitvoering gegeven en dat zodanige maatregelen als verder nodig mochten zijn, genomen worden om ervoor te zorgen dat ieder bemanningslid met kennis van zaken en goed geïnformeerd een bijdrage kan leveren tot een veilige bedrijfsvoering aan boord.3. De maatschappij voorziet de kapitein van elk zeeschip waarop het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden van toepassing is, van schriftelijke instructies waarin de beleidslijnen en procedures beschreven staan die worden gevolgd om ervoor te zorgen dat alle nieuw aangestelde zeevarenden aan boord van het schip behoorlijk de gelegenheid krijgen zicht vertrouwd te maken met de uitrusting van het schip, de werkmethoden en andere regelingen die nodig zijn voor een juiste uitvoering van hun taken, voordat die taken hun worden toegewezen.Genoemde beleidslijnen en procedures omvatten : a) het toewijzen van een redelijke periode gedurende welke iedere nieuw aangeworven zeevarende de gelegenheid krijgt om zich vertrouwd te maken met : i.de specifieke uitrusting die hij zal gebruiken of bedienen, en ii. de specifieke wachtloop-, veiligheids-, milieubescherming- en noodprocedures en -regelingen van het schip die hij moet kennen om de hem toegewezen taken naar behorente kunnen vervullen, en b) het aanwijzen van een deskundig bemanningslid die tot taak zal hebben ervoor te zorgen dat iedere nieuw aangeworven zeevarende de gelegenheid krijgt om essentiële informatie te ontvangen in een voor die zeevarende begrijpelijke taal." Art. 22.Bijlage XX bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1978, 7 januari 1998, 23 oktober 2001 en 29 februari 2004, wordt vervangen overeenkomstig het bepaalde in bijlage III bij dit besluit. Art. 23.Bijlage XXIV bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1978, 10 juli 1981, 28 maart 1984 en 23 oktober 2001, wordt aangevuld overeenkomstig het bepaalde in bijlage IV bij dit besluit. HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 13 september 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/09/1998 pub. 25/09/1998 numac 1998014228 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement sluiten houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement Art. 24.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 september 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/09/1998 pub. 25/09/1998 numac 1998014228 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement sluiten houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 januari 2003 en 25 oktober 2004 wordt aangevuld als volgt : "(l) "passend vaarbevoegdheidsbewijs" : een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven en voorzien van een officiële verklaring, in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden, dat de rechtmatige houder ervan het recht geeft dienst te doen in de daarin beschreven hoedanigheid, en de daarbij behorende functies te vervullen op het daarin omschreven verantwoordelijkheidsniveau op een schip van het desbetreffende type, tonnage, vermogen en wijze van voortstuwing, tijdens de desbetreffende zeereis. (m) "STCW-code" : de code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst voor zeevarenden (STCW-code), zoals aangenomen bij Resolutie 2 van de STCW-Conferentie van 1995 van de partijen bij het STCW 78, in de meest recente versie." Art. 25.In artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 januari 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 31/01/2003 pub. 21/02/2003 numac 2003014034 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 september 1998 houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement sluiten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt aangevuld als volgt : "3) onderzoekt of alle aan boord dienst doende zeevarenden die in het bezit moeten zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig de bepalingen van het STCW 78, een passend vaarbevoegdheidsbewijs of een geldige dispensatie bezitten of een schriftelijk bewijs kunnen voorleggen waaruit blijkt dat een aanvraag om officiële verklaring van erkenning bij de autoriteiten van de vlaggenstaat is ingediend. 4) onderzoekt of de aantallen en de vaarbevoegdheidsbewijzen van de aan boord dienst doende zeevarende voldoen aan de van toepassing zijnde eisen inzake het veilig bemannen van schepen van de autoriteiten van de vlaggenstaat." 2° § 3 wordt aangevuld als volgt : "Wanneer het na de in § 1, 3) en 4), bedoelde onderzoeken of na de in § 2 bedoelde controle, aannemelijk is dat de normen voorgeschreven door het STCW 78 niet worden nageleefd omdat zich één van de feiten vermeld in hoofdstuk IIIbis van bijlage I heeft voorgedaan, vindt de beoordeling van de geschiktheid van zeevarenden van het schip om zich te houden aan de normen inzake wachtdienst, als voorgeschreven in het STCW 78 plaats, in overeenstemming met deel A van de STCW-code. Onverminderd de verificatie van het vaarbevoegdheidsbewijs, kan de beoordeling krachtens het voorgaande lid, eisen dat de zeevarende de betreffende bekwaamheid op de plaats waar hij dienst doet, aantoont. Zo'n beoordeling kan mede inhouden dat nagegaan wordt of de voor wachtdienst geldende operationele normen zijn nageleefd en of de zeevarende binnen zijn bevoegdheid adequaat op noodsituaties reageert." Art. 26.In bijlage I van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 december 1998, 21 juni 2001 en 31 januari 2003, wordt een hoofdstuk IIIbis ingevoegd luidende : "Hoofdstuk IIIbis. - Feiten die aanleiding geven tot de beoordel …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.