📄 Wettekst
18 DECEMBER 1998. - Besluit van de Vlaamse regering houdende de erkenning en de subsidiëring van verenigingen en welzijnsvoorzieningen in de thuiszorg
De Vlaamse regering, Gelet op het
decreet van 29 april 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
29/04/1997
pub.
11/06/1997
numac
1997035637
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen
sluiten inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen;
Gelet op het
decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
14/07/1998
pub.
05/09/1998
numac
1998035967
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de erkenning en de subsidiëring van verenigingen en welzijnsvoorzieningen in de thuiszorg
sluiten houdende de erkenning en de subsidiëring van verenigingen en welzijnsvoorzieningen in de thuiszorg;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 18 december 1998;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1989 en 4 augustus 1996;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat omwille van de continuïteit van het Vlaamse beleid met betrekking tot de thuiszorg onverwijld uitvoering moet gegeven worden aan de bepalingen van het
decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
14/07/1998
pub.
05/09/1998
numac
1998035967
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de erkenning en de subsidiëring van verenigingen en welzijnsvoorzieningen in de thuiszorg
sluiten die betrekking hebben op de erkenning en subsidiëring van voorzieningen en verenigingen uit de thuiszorg;
Overwegende dat onverwijld een beleidsmatig antwoord moet gegeven worden op de maatschappelijke vraag naar en noodzaak van een kwalitatief en kwantitatief, beschikbaar en betaalbaar aanbod van voorzieningen en verenigingen in de thuiszorg, met inbegrip van de toekenning van de hiervoor door de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking gestelde financiële middelen;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn;
Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Definities Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° decreet : het
decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
14/07/1998
pub.
05/09/1998
numac
1998035967
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de erkenning en de subsidiëring van verenigingen en welzijnsvoorzieningen in de thuiszorg
sluiten houdende de erkenning en de subsidiëring van verenigingen en welzijnsvoorzieningen in de thuiszorg;2° voorziening : een dienst voor gezinszorg, een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum, een dagverzorgingscentrum, een centrum voor kortverblijf of een dienst voor oppashulp;3° vereniging : een vereniging van gebruikers en mantelzorgers;4° rusthuis : een rusthuis dat erkend is krachtens de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991;5° administratie : de administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;6° minister : het lid van de Vlaamse regering, bevoegd voor de bijstand aan personen. HOOFDSTUK II. - De erkenning Afdeling 1. - De erkenningsvoorwaarden
Art. 2.§ 1. Om erkend te worden, moet een voorziening op het ogenblik van het indienen van de erkenningsaanvraag of binnen een termijn van maximum één jaar na de datum van het erkenningsbesluit voldoen aan : 1° de algemene erkenningsvoorwaarden, bepaald in artikel 3, 18, 19, § 2 en § 3, 20 tot en met 23, 24, § 1, en 25 van het decreet;2° de bepalingen van het
decreet van 29 april 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
29/04/1997
pub.
11/06/1997
numac
1997035637
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen
sluiten inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen;3° de specifieke erkenningsvoorwaarden die per soort voorziening bepaald zijn in de bijlagen I tot en met VI, gevoegd bij dit besluit. § 2. Om erkend te blijven, moet een voorziening na één jaar, te rekenen vanaf de datum van het erkenningsbesluit blijvend voldoen aan § 1, 1° tot en met 3°. Art. 3.§ 1. Om erkend te worden, moet een vereniging op het ogenblik van het indienen van de erkenningsaanvraag of binnen een termijn van maximum één jaar na de datum van het erkenningsbesluit voldoen aan : 1° de algemene erkenningsvoorwaarden, bepaald in artikel 3 en 24, § 1, van het decreet;2° de specifieke erkenningsvoorwaarden die bepaald zijn in bijlage VII, gevoegd bij dit besluit. § 2. Om erkend te blijven, moet een vereniging na één jaar, te rekenen vanaf de datum van het erkenningsbesluit blijvend voldoen aan § 1, 1° en 2°. Afdeling 2. - De erkenningsprocedure
Art. 4.Een voorziening of een vereniging kan enkel erkend worden als ze : 1° daartoe een ontvankelijke aanvraag heeft ingediend;2° voldoet aan de programmatie die per soort voorziening en voor de verenigingen bepaald is in bijlage I tot en met VII, gevoegd bij dit besluit;3° voldoet aan de op haar betrekking hebbende bepalingen van afdeling 1. Art. 5.Een voorziening of een vereniging wordt erkend voor onbepaalde duur hetzij, als ze op het ogenblik van het indienen van een ontvankelijke aanvraag reeds werkzaam is, met ingang van de datum van het indienen van die ontvankelijke aanvraag, hetzij, als ze de activiteiten op dat ogenblik nog moet opstarten, vanaf de datum van de aanvang van de exploitatie. Art. 6.Om ontvankelijk te zijn, moet een erkenningsaanvraag : 1° door de voorziening of de vereniging met een aangetekende brief worden ingediend bij de administratie;2° een beleidsplan bevatten : a) waarin wordt aangetoond dat de voorziening of de vereniging voldoet aan de op haar betrekking hebbende bepalingen van afdeling 1 of waarin wordt aangegeven hoe ze binnen de gestelde termijn zal voldoen aan die bepalingen;b) waarin de gegevens worden vermeld en waarbij de stukken zijn gevoegd die per soort voorziening en voor de verenigingen worden vermeld in bijlage I tot en met VII, gevoegd bij dit besluit. Art. 7.§ 1. Als de aanvraag niet conform artikel 6 is ingediend, zendt de administratie de aanvraag binnen één maand na het indienen ervan aan de voorziening of de vereniging terug, met vermelding van de reden waarom ze niet ontvankelijk is. § 2. Als de erkenningsaanvraag wel ontvankelijk is, maar niet voldoet aan de programmatie, zendt de administratie het met redenen omklede voornemen van de minister om de erkenning te weigeren binnen twee maanden na het indienen van de erkenningsaanvraag per aangetekende brief aan de voorziening of de vereniging. Die brief vermeldt de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen als bedoeld in artikel 9. Art. 8.Als de erkenningsaanvraag ontvankelijk is en voldoet aan de programmatie, zendt de administratie hetzij de beslissing van de minister waarin de erkenning wordt verleend, hetzij het met redenen omklede voornemen van de minister om de erkenning te weigeren binnen drie maanden na het indienen van de erkenningsaanvraag per aangetekende brief aan de voorziening of de vereniging.
Ingeval een voornemen om de erkenning te weigeren wordt verzonden, vermeldt die brief de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 9 in te dienen. Art. 9.§ 1. Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan de voorziening of de vereniging tot uiterlijk vijfenveertig dagen na ontvangst van het voornemen van de minister, bedoeld in artikel 7, § 2, of in artikel 8, met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie. Ze kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord.
Dit bezwaar wordt behandeld overeenkomstig artikel 7 tot en met 14, § 1, van het
besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1998Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
15/09/1998
pub.
19/02/1999
numac
1999035183
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden
sluiten betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden. § 2. Als de voorziening of de vereniging binnen de in § 1, eerste lid, bepaalde termijn geen bezwaarschrift heeft ingediend, wordt het voornemen van de minister van rechtswege geacht een weigeringsbeslissing van de minister te zijn. De administratie deelt dit binnen één maand na het verstrijken van die termijn per aangetekende brief mee aan de voorziening of de vereniging. Art. 10.Als de erkenning door de minister werd geweigerd, of krachtens artikel 9, § 2, geacht wordt te zijn geweigerd, om een andere reden dan het niet voldoen aan de programmatie, kan de voorziening of vereniging op straffe van niet-ontvankelijkheid geen nieuwe gelijksoortige aanvraag indienen, tenzij ze in haar nieuwe aanvraag aantoont dat de reden voor de weigering wat haar betreft niet langer bestaat. Art. 11.§ 1. Als de erkenningsaanvraag ontvankelijk is en voldoet aan de programmatie, maar zoals blijkt uit het in artikel 6, 2° bedoelde beleidsplan betrekking heeft op een lokaal of regionaal dienstencentrum, een dagverzorgingscentrum of een centrum voor kortverblijf waarvoor een gebouw dient te worden opgericht, verbouwd of ingericht, wordt de behandeling van de erkenningsaanvraag in afwijking van artikel 8 opgeschort. In dit geval zendt de administratie de kennisgeving van die opschorting binnen twee maanden na het indienen van de erkenningsaanvraag per aangetekende brief aan de voorziening. In die brief wordt meegedeeld dat de voorziening voldoet aan de programmatie. § 2. De opschorting vangt aan op de datum van verzending van de kennisgeving en duurt tot wanneer de voorziening de administratie per aangetekende brief verzoekt om de behandeling van haar erkenningsaanvraag voort te zetten, zonder dat een termijn van vijf jaar, eenmaal verlengbaar met een termijn van drie jaar, wordt overschreden. § 3. De verlenging van de opschortingstermijn van vijf jaar dient door de voorziening uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van die termijn per aangetekende brief bij de administratie te worden aangevraagd. De brief vermeldt de stand van de bouw-, verbouwings- of inrichtingswerkzaamheden. Als de werkzaamheden nog niet werden aangevat, is de reden daarvan vermeld. De opschortingstermijn wordt enkel verlengd als daartoe objectieve redenen zijn, die buiten de wil van de voorziening liggen. De minister kan bepalen wat die objectieve redenen zijn.
De administratie zendt hetzij de beslissing van de minister waarbij de verlenging wordt verleend, hetzij het met redenen omklede voornemen van de minister om de verlenging te weigeren binnen twee maanden na het indienen van de verlengingsaanvraag per aangetekende brief aan de voorziening. § 4. Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan de voorziening tot uiterlijk vijfenveertig dagen na ontvangst van het in § 3 bedoelde voornemen met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie. Ze kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord.
Dit bezwaar wordt behandeld overeenkomstig artikel 7 tot en met 14, § 1, van het
besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1998Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
15/09/1998
pub.
19/02/1999
numac
1999035183
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden
sluiten betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden.
Als de voorziening of de vereniging binnen de in het eerste lid bepaalde termijn geen bezwaarschrift heeft ingediend, wordt het voornemen van de minister van rechtswege geacht een weigeringsbeslissing van de minister te zijn. De administratie deelt binnen één maand na het verstrijken van die termijn per aangetekende brief mee aan de voorziening of de vereniging. § 5. Het verzoek om de behandeling voort te zetten, dient door de voorziening uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van de al dan niet verlengde opschortingstermijn per aangetekende brief bij de administratie te worden ingediend. Bij dit verzoek voegt de voorziening een geactualiseerd beleidsplan als bedoeld in artikel 6, 2°. In dit geval begint de in artikel 8 bepaalde termijn te lopen vanaf de datum van verzending van dit verzoek.
Als aan de voorziening overeenkomstig § 3, tweede lid, of krachtens § 4, tweede lid, een voornemen of een beslissing om de verlenging te weigeren wordt verzonden, beschikt die voorziening na ontvangst van dit voornemen of die beslissing in ieder geval nog over vijfenveertig dagen om een verzoek om de behandeling voort te zetten in te dienen.
In voorkomend geval wordt van de in het vorige lid gestelde termijn afgeweken. § 6. Als het in § 3 of § 5 bedoelde verzoek niet binnen de gestelde termijn werd ingediend, zendt de administratie de beslissing van de minister om de erkenning te weigeren per aangetekende brief aan de voorziening. Art. 12.Een aanvraag tot wijziging van één of meerdere elementen van de erkenning van een voorziening of een vereniging, die uitdrukkelijk in de erkenningsbeslissing zijn opgenomen, dient met een aangetekende brief aan de administratie te worden gericht. Om ontvankelijk te zijn, bevat ze alle nodige vermeldingen en stukken tot staving van de aangevraagde wijziging.
Op die aanvraag zijn artikel 4, 5, 6, 1°, en 7 tot en met 10 van overeenkomstige toepassing.
In afwijking van het tweede lid kan de minister onmiddellijk beslissen over een aanvraag tot wijziging van één of meer elementen van de erkenning die geen invloed hebben op de programmatie. HOOFDSTUK III. - De subsidiëring Afdeling 1. - De subsidiëringsvoorwaarden
Art. 13.§ 1. De minister kan aan de krachtens dit besluit erkende voorzieningen en verenigingen binnen de perken van de begrotingskredieten een jaarlijkse subsidie-enveloppe toekennen als ze voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk en de specifieke subsidiëringsvoorwaarden die per soort voorziening en voor de verenigingen bepaald zijn in bijlage I tot en met VII, gevoegd bij dit besluit.
Jaarlijks bepaalt de minister per soort voorziening en voor de verenigingen het prioriteitenschema voor de toekenning van de subsidie-enveloppen. Voor het vaststellen van dit prioriteitenschema baseert de minister zich op de voorzieningen en de verenigingen die vóór 1 juli van het betrokken jaar erkend zijn, maar niet gesubsidieerd werden. De datum van het erkenningsbesluit wordt in aanmerking genomen. Het prioriteitenschema houdt minstens rekening met hetgeen per soort voorziening en voor de verenigingen bepaald is in bijlage I tot en met VII, gevoegd bij dit besluit.
De voorzieningen en de verenigingen die het voorgaande jaar reeds gesubsidieerd werden en nog erkend zijn, worden opnieuw gesubsidieerd als ze voldoen aan de subsidiëringsvoorwaarden.
In afwijking van het tweede en derde lid wordt aan elke krachtens dit besluit erkende dienst voor gezinszorg een subsidie-enveloppe toegekend overeenkomstig de bepalingen van bijlage I, gevoegd bij dit besluit. § 2. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, moet de voorziening of de vereniging een boekhouding voeren overeenkomstig een rekeningstelsel waaruit de kostprijs van de erkende en gesubsidieerde dienstverlening blijkt.
De boekhouding van het voorgaande jaar moet vóór 1 juni aan de administratie bezorgd worden.
In afwijking van het tweede lid worden voor de voorzieningen die opgericht zijn door een openbaar bestuur de eindejaarsdocumenten aan de administratie bezorgd binnen één maand na de goedkeuring van de rekening van het desbetreffende jaar.
De minister kan de bijkomende regels met betrekking tot de te voeren boekhouding bepalen. Afdeling 2. - De subsidiëringsprocedure
Art. 14.§ 1. Op straffe van niet-ontvankelijkheid dient een voorziening of een vereniging die voor het eerst een subsidie-enveloppe aanvraagt, vóór 1 juli per aangetekende brief aan de administratie de subsidie-enveloppe aan te vragen, met toevoeging van de door de minister te bepalen stukken. § 2. De subsidie-enveloppe wordt vastgesteld op de wijze die per soort voorziening en voor de verenigingen is bepaald in bijlage I tot en met VII, gevoegd bij dit besluit. § 3. De minister bepaalt de wijze waarop de subsidie-enveloppe wordt toegekend en vereffend. Om de continue werking van de voorzieningen en de verenigingen te garanderen kan de minister per soort voorziening en voor de verenigingen bepalen dat een gedeelte van de subsidie-enveloppe, dat ten hoogste 50 % van de totale subsidie-enveloppe kan bedragen, bij wijze van voorschot wordt vereffend. Art. 15.Binnen de perken van de begrotingskredieten worden de subsidie-enveloppen die aan de voorzieningen en verenigingen worden toegekend, geïndexeerd overeenkomstig de
wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/03/1977
pub.
05/03/2009
numac
2009000107
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Die koppeling aan het indexcijfer wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen. De basisindex is de spilindex van toepassing op 1 januari 1998. De koppeling aan het prijsindexcijfer gebeurt op 1 januari van het jaar volgend op de indexsprong. HOOFDSTUK IV. - Projecten Art. 16.Afhankelijk van de beschikbare kredieten op de begroting kan de minister aan verenigingen zonder winstoogmerk, provinciebesturen, gemeentebesturen, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, publiek-rechtelijke verenigingen, vennootschappen met sociaal oogmerk en ziekenfondsen, op hun aanvraag, een subsidie verlenen voor projecten. Hiervoor moet het project betrekking hebben op één van de thema's inzake de thuiszorg, die jaarlijks door de minister worden vastgelegd. Art. 17.De minister bepaalt de nadere regels betreffende : 1° de wijze waarop de aanvraag voor een projectsubsidie wordt ingediend;2° de criteria en de methode volgens welke die aanvraag wordt geëvalueerd;3° de vaststelling van het bedrag van de subsidie;4° de wijze waarop de subsidie wordt uitbetaald. HOOFDSTUK V. - Het toezicht Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 18.De administratie oefent ter plaatse of op stukken toezicht uit op de naleving van de bepalingen inzake de erkenning en de subsidiëring, die bepaald zijn in het decreet en in dit besluit. Dit toezicht brengt het recht mede om de voorziening of vereniging te bezoeken en de om zelf kennis te nemen van alle stukken en bescheiden die noodzakelijk zijn in de uitoefening van het toezicht.
De voorziening of vereniging verleent zijn medewerking aan de uitoefening van dit toezicht. Ze bezorgt de administratie, op eenvoudig verzoek, de stukken die met de uitoefening van dit toezicht verband houden. Afdeling 2. - Toezicht op de erkenning
Art. 19.Als een voorziening of een vereniging niet langer voldoet aan één of meer erkenningsvoorwaarden of als ze niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, bedoeld in artikel 18, kan de administratie haar bij aangetekende brief aanmanen om zich binnen een door de administratie te bepalen termijn van maximum zes maanden aan de erkenningsvoorwaarden of binnen een door de administratie te bepalen termijn van maximum één maand aan de regels betreffende het toezicht te conformeren.
De administratie bepaalt de in het eerste lid bedoelde termijnen op basis van de ernst van de vastgestelde feiten en het risico voor de gebruikers. Als de gezondheid en de veiligheid van de gebruikers in het gedrang komt, wordt de termijn om aan de betrokken erkenningsvoorwaarden te voldoen beperkt tot 24 uren. Art. 20.Als de voorziening of de vereniging, ondanks de aanmaning, na verloop van de krachtens artikel 19 bepaalde termijnen, de erkenningsvoorwaarden niet naleeft of niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, kan de minister zijn gemotiveerd voornemen tot intrekking van de erkenning aan de voorziening of de vereniging verzenden.
Die verzending gebeurt door de administratie met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen, worden vermeld.
Bij gevaar voor de gezondheid en de veiligheid van de gebruikers, kan de minister in zijn gemotiveerd voornemen de erkenning van de voorziening schorsen, de onmiddellijke stopzetting van de exploitatie bevelen en alle bewarende maatregelen opleggen die nodig zijn voor de bescherming van de gebruikers. Deze maatregelen gelden zolang niet definitief beslist is over de intrekking van de erkenning. Art. 21.§ 1. Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan de voorziening of de vereniging tot uiterlijk vijfenveertig dagen na ontvangst van het voornemen tot intrekking van de erkenning, hiertegen met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie. Ze kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord.
Dit bezwaar wordt behandeld overeenkomstig artikel 7 tot en met 14 van het
besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1998Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
15/09/1998
pub.
19/02/1999
numac
1999035183
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden
sluiten betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden. § 2. Als de voorziening of de vereniging binnen de in § 1, eerste lid, bepaalde termijn geen bezwaarschrift heeft ingediend, zendt de administratie de definitieve beslissing van de minister over het intrekken van de erkenning binnen één maand na het verstrijken van die termijn per aangetekende brief aan de voorziening of de vereniging.
Als de beslissing van de minister niet binnen de in het eerste lid bepaalde termijn wordt verzonden, blijft de voorziening of de vereniging erkend. Afdeling 3. - Toezicht op de subsidiëring
Art. 22.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 57 en 58 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, kan de minister, als een voorziening of een vereniging niet langer voldoet aan één of meer erkennings- of subsidiëringsvoorwaarden, als bij haar subsidiefraude wordt vastgesteld of als ze niet meewerkt aan de uitoefening van het in artikel 18 bedoelde toezicht, de vereffening van de subsidies geheel of gedeeltelijk stopzetten voor een door hem te bepalen termijn. Ook kan de minister de reeds vereffende subsidies geheel of gedeeltelijk terugvorderen voor een door hem te bepalen termijn.
Het voornemen van de minister wordt door de administratie aan de voorziening of de vereniging verzonden met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen worden vermeld.
Dit voornemen kan gepaard gaan met de verzending van een voornemen tot intrekking van de erkenning overeenkomstig artikel 20. § 2. Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan de voorziening of de vereniging tot uiterlijk 45 dagen na ontvangst van het voornemen tot stopzetting van de subsidiëring of tot terugvordering van de subsidies, hiertegen met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie. Zij kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord.
In voorkomend geval zal de minister binnen zestig dagen na ontvangst van dit bezwaarschrift zijn beslissing intrekken of bevestigen.
Als de voorziening of de vereniging geen bezwaarschrift heeft ingediend binnen de gestelde termijn of als de minister zijn beslissing binnen de gestelde termijn heeft bevestigd, wordt de subsidiëring geheel of gedeeltelijk stopgezet, worden de subsidies geheel of gedeeltelijk teruggevorderd.
Als de minister zijn beslissing intrekt of als hij zijn beslissing binnen de gestelde termijn niet bevestigt, wordt de subsidiëring voort gezet of blijven de subsidies behouden. HOOFDSTUK VI. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen Art. 23.In het opschrift van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 1985 tot vaststelling van de rechtspleging voor erkenning en sluiting van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening, rusthuizen en dagverzorgingscentra, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991, worden de woorden « rusthuizen en dagverzorgingscentra » vervangen door de woorden « en rusthuizen ». Art. 24.In artikel 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991, worden de woorden « een rusthuis of een dagverzorgingscentrum » vervangen door de woorden « of een rusthuis ». Art. 25.In artikel 9, eerste lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991, worden de woorden « een rusthuis of een dagverzorgingscentrum » vervangen door de woorden « of een rusthuis ». Art. 26.In artikel 10, eerste lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991, worden de woorden « rusthuis of dagverzorgingscentrum » vervangen door de woorden « of rusthuis ». Art. 27.In artikel 13 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991, worden de woorden « de rusthuizen of de dagverzorgingscentra » vervangen door de woorden « of de rusthuizen ». Art. 28.In artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991, worden de woorden « een rusthuis of een dagverzorgingscentrum » vervangen door de woorden « of een rusthuis ». Art. 29.In het opschrift van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 1985 tot vaststelling van de normen waaraan een serviceflatgebouw, woningcomplex met dienstverlening of een rusthuis moet voldoen om voor erkenning in aanmerking te komen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991, worden de woorden « een rusthuis of een dagverzorgingscentrum » vervangen door de woorden « of een rusthuis ». Art. 30.Artikel 3 van hetzelfde besluit, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991, wordt opgeheven. Art. 31.In artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991, worden de woorden « van de rusthuizen en van de dagverzorgingscentra » vervangen door de woorden « en van de rusthuizen ». Art. 32.In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991, worden de woorden « het rusthuis of het dagverzorgingscentrum » vervangen door de woorden « of het rusthuis ». Art. 33.Artikel 5bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991, wordt opgeheven. Art. 34.Bijlage C, gevoegd bij hetzelfde besluit, wordt opgeheven. Art. 35.Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 1985 houdende de bijzondere voorwaarden voor de subsidiëring van de investeringsverrichtingen wordt opgeheven. Art. 36.In het opschrift van hoofdstuk III van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 17 april 1991 en 3 mei 1995, worden de woorden « Rusthuizen en dagverzorgingscentra » vervangen door het woord « Rusthuizen ». Art. 37.In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 17 april 1991 en 3 mei 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « of een dagverzorgingscentrum » en « of dagverzorgingscentrum » worden geschrapt;2° c) wordt opgeheven. Art. 38.In artikel 1 van het
besluit van de Vlaamse regering van 17 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/03/1998
pub.
10/06/1998
numac
1998035595
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning, bedoeld in artikel 10 van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/03/1998
pub.
24/06/1998
numac
1998035637
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het programma voor dienstencentra, serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening, rusthuizen en dagverzorgingscentra
sluiten tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning, bedoeld in artikel 10 van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° 4° wordt opgeheven;2° in 5° worden de woorden « of een dagverzorgingscentrum » geschrapt;3° in 8° worden de woorden « of een verblijfseenheid in een dagverzorgingscentrum » geschrapt. Art. 39.In het opschrift van het
besluit van de Vlaamse regering van 17 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/03/1998
pub.
10/06/1998
numac
1998035595
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning, bedoeld in artikel 10 van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
17/03/1998
pub.
24/06/1998
numac
1998035637
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het programma voor dienstencentra, serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening, rusthuizen en dagverzorgingscentra
sluiten houdende vaststelling van het programma voor dienstencentra, serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening, rusthuizen en dagverzorgingscentra worden de woorden « dienstencentra » geschrapt en worden de woorden « rusthuizen en dagverzorgingscentra » vervangen door de woorden « en rusthuizen ». Art. 40.In artikel 1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° 4° en 5° worden opgeheven;2° in 6° woorden de woorden « een dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum » geschrapt;3° 9° wordt opgeheven. Art. 41.In artikel 3 van hetzelfde besluit worden 3° en 4° opgeheven. Art. 42.In artikel 5 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in 1° de woorden « voor de rusthuizen, serviceflatgebouwen of woningcomplexen met dienstverlening en de dagverzorgingscentra » vervangen door de woorden « voor de rusthuizen en de serviceflatgebouwen of woningcomplexen met dienstverlening »;2° 2° wordt opgeheven. Art. 43.§ 1. De volgende besluiten worden opgeheven : 1° het besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 1985 tot regeling van de erkenning en subsidiëring van de dienstencentra;2° het besluit van de Vlaamse regering van 3 december 1996 houdende subsidiëring van de werking van de dagverzorgingscentra. § 2. In het
besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
24/07/1997
pub.
29/11/1997
numac
1997036423
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp
sluiten tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 24 maart 1998 en 10 november 1998, worden de artikelen 1 tot en met 41 opgeheven.
In de inleidende zin van de bijlage gevoegd bij voornoemd besluit van 24 juli 1997, worden de woorden « diensten voor gezins- en bejaardenbeleid » vervangen door de woorden « diensten voor gezinszorg ».
In punt 2, 3°, c) en in punt 3, 2°, d), van de bijlage gevoegd bij voornoemd besluit van 24 juli 1997, worden de woorden « dienst voor gezins- en bejaardenhulp » vervangen door de woorden « dienst voor gezinszorg ». HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen Art. 44.De overgangsbepalingen die op de voorzieningen en de verenigingen betrekking hebben, liggen per soort voorziening en voor de verenigingen vervat in bijlagen I tot en met VII, gevoegd bij dit besluit. Art. 45.Het decreet treedt in werking op 1 januari 1999, met uitzondering van : 1° artikel 19, § 1;2° artikel 28, § 1, § 2, § 3, tweede lid, en § 4. Art. 46.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1999, met uitzondering van artikel 35 tot en met 37, die in werking treden op een door de minister vast te stellen datum. Art. 47.De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 18 december 1998.
De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, L. MARTENS
Bijlage I Diensten voor gezinszorg Afdeling 1. - Definities
Artikel 1.In deze bijlage wordt verstaan onder : 1° gezinszorg : het hulp- en dienstverleningsaanbod dat bestaat uit persoonsverzorging, huishoudelijke hulp en schoonmaakhulp, alsook de daarmee verband houdende algemene psychosociale en pedagogische ondersteuning en begeleiding;2° verzorgend personeel : de personen tewerkgesteld in een dienst voor gezinszorg, die persoonsverzorging, huishoudelijke hulp en algemene psychosociale en pedagogische ondersteuning en begeleiding aanbieden in het natuurlijke thuismilieu van de gebruiker, zoals bepaald in de bijlage bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
24/07/1997
pub.
29/11/1997
numac
1997036423
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp
sluiten tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp;3° schoonmaakhulpen : de personen die, al dan niet tewerkgesteld in een dienst voor gezinszorg, hulp- en dienstverlening aanbieden bestaande uit werkzaamheden die het reinigen van en het bevorderen van de hygiëne in de woning van de gebruiker tot doel hebben;4° begeleidend personeel : de personeelsleden van een dienst voor gezinszorg, die instaan voor het verrichten van de sociale onderzoeken, de begeleiding van de gebruikers en het hulp- en dienstverleningsproces, die met het aanbieden van de persoonsverzorging, huishoudelijke hulp en algemene psychosociale en pedagogische ondersteuning verband houdt, evenals voor het begeleiden van het verzorgend personeel;5° leidinggevend personeel : de personeelsleden van een dienst voor gezinszorg, die instaan voor de leiding en de algemene beleidsvoering;6° wijkwerking : het overleg van een groep verzorgende personeelsleden in een dienst voor gezinszorg, die onder supervisie van een begeleidend personeelslid staan en verantwoordelijk zijn voor de hulp- en dienstverlening in een bepaald gebied en dit met het oog op het verlenen van een gebruikersgerichte, doelmatige, doeltreffende, continue en maatschappelijk verantwoorde hulp- en dienstverlening. Afdeling 2. - Programmatie
Art. 2.De programmatie voor de diensten voor gezinszorg bestaat uit programmacijfers voor de uren persoonsverzorging en huishoudelijke hulp verstrekt door de erkende diensten voor gezinszorg.
De programmacijfers bedoeld in het eerste lid worden, voor het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, op basis van de leeftijd van de inwoners als volgt vastgelegd : 1° per inwoner van de leeftijdsgroep van 0 - 59 jaar : 0,5 uur per jaar;2° per inwoner van de leeftijdsgroep van 60 - 74 jaar : 3,5 uur per jaar;3° per inwoner van de leeftijdsgroep van 75 - 84 jaar : 17,5 uur per jaar;4° per inwoner van de leeftijdsgroep vanaf 85 jaar : 40 uur per jaar. Voor de toepassing van de programmacijfers wordt uitgegaan van de bevolkingsprojecties van het jaar volgend op het jaar waarop de programmatie betrekking heeft.
De bevolkingsprojectie, bedoeld in het derde lid, wordt door de minister vastgelegd en dient ten minste aan volgende voorwaarden te voldoen : 1° ze is afzonderlijk per kalenderjaar opgesteld;2° ze is specifiek voor het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad berekend. Afdeling 3. - Specifieke erkenningsvoorwaarden
Art. 3.Onverminderd de toepassing van artikel 4 en 5 van het decreet, zijn op de diensten voor gezinszorg volgende specifieke erkenningsvoorwaarden van toepassing : A. Voorwaarden betreffende de hulp- en dienstverlening 1° de dienst biedt persoonsverzorging en huishoudelijke hulp aan op verzoek van de gebruiker of zijn vertegenwoordiger en indien uit een sociaal onderzoek blijkt dat de draagkracht van de gebruiker of zijn omgeving, hetzij wegens geestelijke of lichamelijke ongeschiktheid, hetzij wegens bijzondere sociale omstandigheden, niet voldoende is om de lasten op het gebied van persoonsverzorging en huishoudelijke taken te dragen;2° de persoonsverzorging en de huishoudelijke hulp worden enkel geboden in het natuurlijke thuismilieu van de gebruiker, naar gelang van de noden die worden beoordeeld op basis van voornoemd sociaal onderzoek.Zij kunnen een preventief, herstellend, verzorgend of palliatief karakter hebben, en kunnen ondersteunend, aanvullend of vervangend zijn; 3° de dienst biedt schoonmaakhulp aan op verzoek van de gebruiker of zijn vertegenwoordiger, hetzij zelf, hetzij op basis van een samenwerkingscontract.De minister kan de werkzaamheden in het kader van de schoonmaakhulp, de nadere regels met betrekking tot het samenwerkingscontract en de verhouding tussen het aantal tewerkgestelde voltijdse equivalenten schoonmaakhulpen en het aantal voltijdse equivalenten van verzorgenden van een dienst bepalen; 4° de door de dienst aangewende toewijzingscriteria mogen geen betrekking hebben op : a) de ideologische, filosofische en godsdienstige overtuiging van de gebruiker;b) het lidmaatschap van de gebruiker bij een organisatie of groepering;c) het al dan niet door de gebruiker een beroep doen op andere hulp- en dienstverleningsvormen;d) de financiële draagkracht van de gebruiker, tenzij dit zou inhouden dat de dienst zich prioritair richt naar gebruikers met een verhoogd risico op verminderde welzijnskansen;5° de dienst vordert een bijdrage van de gebruiker per gepresteerd uur.De bijdrage met betrekking tot het gepresteerde uur persoonsverzorging en huishoudelijke hulp moet in overeenstemming zijn met het bijdragesysteem, zoals bepaald door de minister. Dit bijdragesysteem houdt rekening met de middelen, de lasten en de zorgbehoevendheid van de gebruiker.
B. Voorwaarden betreffende het personeel 1° een dienst stelt doorlopend minstens 3 voltijdse equivalenten aan verzorgend personeel te werk op wie het statuut van de verzorgende in de thuiszorg wordt toegepast, dat vervat is in de bijlage bij het
besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
24/07/1997
pub.
29/11/1997
numac
1997036423
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp
sluiten tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp;2° een verzorgend personeelslid moet bij de indiensttreding beschikken over een inschrijvingsbewijs dat door de administratie werd afgeleverd en dat enkel kan worden afgeleverd voor personen die beschikken over een van de volgende documenten : a) een diploma, getuigschrift, attest of brevet uit een pedagogische richting of een richting in de zorgsector en dat aantoont dat betrokkene minstens geslaagd is in het hoger beroeps- of technisch secundair onderwijs;b) een bekwaamheidsattest van verzorgende, uitgereikt door een erkend opleidingscentrum;c) een bekwaamheidsattest, uitgereikt door een andere dan de Vlaamse Gemeenschap, of een buitenlands diploma of getuigschrift, mits het door het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap gelijkgesteld is;3° de dienst stelt per 130 gebruikers, aan wie hij persoonsverzorging en huishoudelijke hulp biedt, één oltijdse equivalent aan begeleidend personeel tewerk.Per 65 bijkomende gebruikers aan wie hij persoonsverzorging en huishoudelijke hulp aanbiedt, stelt hij bijkomend één halftijdse equivalent aan begeleidend personeel tewerk.
Het begeleidend personeel werkt uitsluitend voor de dienst; 4° een begeleidend personeelslid moet bij de indiensttreding minstens beschikken over het niveau van de graad van gegradueerde in het studiegebied gezondheidszorg of het studiegebied sociaalagogisch werk of over een diploma dat zowel naar inhoud als naar niveau door het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap hiermee gelijkgesteld is;5° de dienst stelt per volledige schijf van 75 voltijdse equivalenten aan verzorgend personeel één halftijdse equivalent aan leidinggevend personeel tewerk.Het leidinggevend personeel werkt uitsluitend voor de dienst; 6° een leidinggevend personeelslid moet bij de indiensttreding beschikken over een diploma van het niveau niet-universitair hoger onderwijs in een studiegebied management, gezondheidszorg of sociaalagogisch werk of een diploma van het universitair onderwijs. C. Voorwaarden betreffende de werking De dienst voor gezinszorg registreert zijn activiteiten, zowel naar onderwerp, doel, vorm, frequentie en bereikte doelgroep, als naar resultaten. De minister kan nadere regels bepalen voor deze registratie. Afdeling 4. - Gegevens te vermelden in en stukken gevoegd bij het
beleidsplan Art. 4.In het artikel 6, 2°, van dit besluit bedoelde beleidsplan worden volgende gegevens vermeld : 1° de volledige identiteit van de aanvrager;2° de omschrijving van het werkgebied;3° een stappenplan waarin omschreven staat op welke wijze de dienst voor gezinszorg aan de erkenningsvoorwaarden, zoals bepaald in hoofdstuk II, afdeling 1°, van dit besluit,zal voldoen;4° een toelichting waarom de aanvrager een dienst voor gezinszorg wenst uit te baten. Art. 5.Aan het in artikel 6, 2°, van dit besluit bedoelde beleidsplan worden de volgende stukken toegevoegd : 1° als de aanvrager een rechtspersoon is, met uitzondering van een openbaar bestuur : de statuten van de aanvrager en de eventuele wijzigingen ervan, alsook de rechtsgeldige beslissingen om een dienst voor gezinszorg uit te baten en om de erkenningsaanvraag in te sturen;2° als de aanvrager een openbaar bestuur is : de rechtsgeldige beslissingen om een dienst voor ge zinszorg uit te baten en om de erkenningsaanvraag in te sturen;3° een lijst van het personeel met vermelding van hun kwalificaties en hun wekelijkse arbeidsduur;4° het kwaliteitshandboek en de kwaliteitsplanning. Afdeling 5. - Subsidiëring
Art. 6.Het jaarlijks bijkomend aantal te subsidiëren uren bedraagt vanaf 1 januari 2000 minstens 4 % van het totaal aantal subsidiabele uren van het voorafgaande jaar, zonder dat de programmatie zoals bepaald in artikel 2 kan overschreden worden.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, legt de Vlaamse regering elk jaar het totaal aantal subsidiabele uren voor het volgend jaar vast.
De minister bepaalt jaarlijks per erkende dienst voor gezinszorg het maximum aantal subsidiabele uren waarover de dienst beschikt voor het aanbieden van persoonsverzorging en huishoudelijke hulp. Bij het toekennen van het jaarlijks bijkomend urencontingent houdt de minister onder andere rekening met een evenredige beschikbaarheid van uren in relatie tot de noden die vastgesteld worden in de provincies van het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Art. 7.Binnen de perken van de begrotingskredieten, en overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van dit besluit, kan de minister subsidies toekennen aan de erkende diensten voor gezinszorg, op voorwaarde dat : 1° aan alle erkenningsvoorwaarden wordt voldaan;2° aan de administratie de volgende administratieve stukken worden overgemaakt : a) voor 1 maart, de registratiegegevens met betrekking tot de geholpen gebruikers, zoals voorgeschreven door de minister;b) voor 1 juni, een volledige dienstjaarrekening van ontvangsten en uitgaven met inbegrip van een gedetailleerde opgave van alle subsidies en tegemoetkomingen afkomstig van andere openbare besturen, instellingen en privé-diensten, zoals voorgeschreven door de minister;c) voor 1 juni, een afschrift van de staten van aangifte bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, en/of bewijsstaten voor vervangend personeel van de uitzendbureaus van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, waaruit de arbeidsprestaties van het begeleidend en het leidinggevend personeel blijken;3° de subsidie is aangevraagd op de door de minister bepaalde wijze. Art. 8.De subsidie bestaat uit : 1° een forfaitair bedrag van 574,85 fr.per gepresteerd uur en per uur bijscholing, als subsidiëring van het verzorgend personeel en van het bevorderen van de deskundigheid van het verzorgend personeel; 2° een forfaitair bedrag van 1.102.650 fr. per jaar per 130 geholpen gebruikers, als subsidiëring van het begeleidend personeel; 3° een forfaitair bedrag van 617.179 fr. per jaar en per 75 voltijds equivalenten aan verzorgend personeel, als subsidiëring van het leidinggevend personeel; 4° een forfaitair bedrag van 857.820 fr. per jaar en per 200 geholpen gebruikers als subsidiëring van de administratie- en coördinatiekosten. Art. 9.De subsidie bedoeld in artikel 8, 1°, wordt verhoogd met 30 % voor uren gepresteerd op een zaterdag en voor uren gepresteerd tussen 20 uur en 7 uur.
Ze wordt verhoogd met 60 % voor uren gepresteerd op een zon- of feestdag.
De voormelde verhogingen kunnen niet worden gecumuleerd.
Prestaties op zater-, zon- en feestdagen die korter zijn dan 2 uur worden, binnen het urencontingent, gelijkgesteld met een prestatie van 2 uur.
Prestaties tussen 22 uur en 7 uur die korter zijn dan 8 uur worden, binnen het urencontingent, gelijkgesteld met een prestatie van 8 uur. Art. 10.Het totaal aan gepresteerde en gelijkgestelde uren, zoals bedoeld in artikel 9, dat voor subsidiëring in aanmerking komt, wordt begrensd tot 3 % van het urencontingent van de dienst. Art. 11.§ 1. Voor de berekening van de subsidies vermeld onder artikel 8, 2°, 3° en 4°, worden naargelang van het aantal geholpen gebruikers en het aantal voltijds equivalent aan verzorgend personeel, volgende subsidiefracties mogelijk : 1° voor het begeleidend personeel : x/130sten van het in artikel 8, 2°, vermelde subsidiebedrag;2° voor het leidinggevend personeel : x/75sten van het in artikel 8, 3°, vermelde subsidiebedrag, vanaf 75 voltijds equivalent;3° voor de administratie- en coördinatiekosten : x/200sten van het in artikel 8, 4°, vermelde subsidiebedrag. § 2. Voor de berekening van het aantal geholpen gebruikers, zoals bepaald in artikel 8, 2° en 4°, wordt het aantal gebruikers in aanmerking genomen dat in het jaar werd geholpen dat voorafgaat aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.
Dit wordt gestaafd op basis van het aantal geopende en bijgehouden dossiers, waaruit blijkt dat 4 uur of langer hulp is verleend. Een onderbroken hulpverlening aan eenzelfde gebruiker kan slechts aanleiding geven tot het aanrekenen van de gebruiker als een nieuw geholpen gebruiker indien de periode van onderbreking van de hulpverlening langer heeft geduurd dan 13 weken. § 3. Voor de berekening van de subsidie bedoeld in artikel 8, 3°, wordt het gemiddeld aantal voltijds equivalenten aan verzorgend personeel in aanmerking genomen dat in dienst was in het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft. Dit gemiddeld aantal voltijds equivalenten aan verzorgend personeel in dienst wordt berekend door het totale aantal gesubsidieerde uren in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft te delen door 1539. Art. 12.Binnen het toegekende urencontingent worden met gepresteerde uren gelijkgesteld : 1° de uren besteed aan de deelname aan de ondernemingsraad;2° de uren besteed aan de deelname aan het comité voor preventie en bescherming op het werk;3° de uren besteed aan syndicale verplichtingen;4° de uren besteed aan werkvergaderingen, al dan niet met andere hulpverleners in de thuiszorg;5° de uren besteed aan wijkwerking. Het totale aantal gelijkgestelde uren wordt begrensd tot 5 % van het toegekende urencontingent. De minister bepaalt de wijze van rapportering over de gelijkgestelde uren. Art. 13.De subsidies vermeld in artikel 8 worden ambtshalve verminderd met de bedragen die de diensten effectief als vermindering worden toegekend ter uitvoering van het koninklijk besluit van 17 november 1989 tot uitvoering van artikel 35, § 5 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Deze verminderingen worden toegepast bij de berekening en toekenning van de subsidies na afloop van het semester waarop de prestaties betrekking hebben. Art. 14.De subsidies voor de gepresteerde uren worden berekend, toegekend en gesaldeerd na afloop van het semester waarop de gepresteerde uren betrekking hebben.
Hierop wordt elk trimester een voorschot toegekend van maximum 22,5 % van de voorziene subsidies voor het betrokken begrotingsjaar. Deze voorschotten worden berekend op basis van de gesubsidieerde prestatie-uren in het voorafgaande jaar en worden uitbetaald voor het einde van de tweede maand van het trimester waarop zij betrekking hebben. Art. 15.De subsidies voor de bijscholing worden berekend, toegekend en gesaldeerd na afloop van het jaar waarin de bijscholing werd gegeven.
Hierop wordt elk trimester een voorschot toegekend van maximum 22,5 % van de voorziene subsidies voor het begrotingsjaar in kwestie. Die voorschotten worden berekend op basis van de subsidies in het voorafgaande jaar en worden uitbetaald vóór het einde van de tweede maand van het trimester waarop zij betrekking hebben.
Het aantal uren bijscholing dat in aanmerking komt voor subsidiëring wordt per dienst begrensd tot 2 % van het toegekende urencontingent. Art. 16.De subsidies voorzien in artikel 8, 2°, 3° en 4°, worden berekend, toegekend en gesaldeerd na afloop van het jaar waarop ze betrekking hebben.
Hierop wordt elk trimester een voorschot toegekend van maximum 22,5 % van de voorziene subsidies voor het begrotingsjaar in kwestie. Die voorschotten worden berekend op basis van de subsidies in het voorafgaande jaar en worden uitbetaald vóór het einde van de tweede maand van het trimester waarop zij betrekking hebben. Art. 17.De subsidiebedragen vermeld in artikel 8 zijn uitgedrukt tegen 100 % op basis van de spilindex van toepassing op 1 januari 1998. Binnen de perken van de begroting worden die subsidiebedragen geïndexeerd overeenkomstig de
wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/03/1977
pub.
05/03/2009
numac
2009000107
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van het Rijk worden gekoppeld.De voormelde koppeling aan het indexcijfer wordt evenwel berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen.
De aanpassing aan het in eerste lid bedoelde prijsindexcijfer wordt voor geen van de in artikel 8 vermelde subsidiebedragen beperkt.
Als de indexsprong zich niet voordoet bij het begin van een trimester, worden de subsidies aangepast vanaf het begin van dat trimester op basis van een coëfficiënt die de verhouding weergeeft tussen het aantal maanden na de indexsprong en het totale aantal maanden binnen dat trimester. Afdeling 6. - Overgangsbepalingen
Art. 18.De voorzieningen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit erkend en gesubsidieerd zijn als diensten voor gezins- en bejaardenhulp, worden geacht erkend te zijn als diensten voor gezinszorg conform de bepalingen van dit besluit. Zij moeten zich uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan alle erkenningsvoorwaarden hebben geconformeerd, onverminderd § 2. Art. 19.De aanvragen voor een erkenning voor een dienst voor gezins- en bejaardenhulp, waarover op datum van de inwerkingtreding van dit besluit nog geen beslissing werd genomen, worden verder behandeld overeenkomstig de regels die voor die datum van kracht waren. In geval van erkenning worden zij erkend als dienst voor gezinszorg. Zij dienen uiterlijk één jaar na datum van het erkenningsbesluit aan alle erkenningsvoorwaarden te voldoen. Art. 20.In afwijking van artikel 5, 4° : 1° moeten de diensten voor gezinszorg een kwaliteitshandboek opmaken en bij de administratie indienen vóór 1 januari 2002;2° moeten de diensten voor gezinszorg vanaf 2003 jaarlijks vóór 1 april een kwaliteitsplanning, samen met een kwaliteitsjaarverslag en de eventuele redactionele wijzigingen van het kwaliteitshandboek, aan de administratie bezorgen. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 18 december 1998 houdende de erkenning en de subsidiëring van verenigingen en welzijnsvoorzieningen in de thuiszorg.
Brussel, 18 december 1998.
De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, L. MARTENS
Bijlage II Lokale dienstencentra Afdeling 1. - Programmatie
Artikel 1.De programmatie voor de lokale dienstencentra bestaat enerzijds uit programmacijfers en anderzijds uit evaluatiecriteria. Art. 2.De programmacijfers voor de lokale dienstencentra worden bepaald als volgt : in een gemeente van het Nederlandse taalgebied en van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan per begonnen schijf van 15.000 inwoners één dienstencentrum worden opgericht.
Voor de toepassing van de programmacijfers wordt uitgegaan van de bevolkingsprojectie voor het vijfde jaar, volgend op het jaar van het indienen van de erkenningsaanvraag.
De bevolkingsprojectie, bedoeld in het tweede lid, wordt door de minister vastgelegd en dient ten minste aan volgende voorwaarden te voldoen : 1° ze is per afzonderlijk kalenderjaar opgesteld;2° ze is specifiek voor het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad berekend;3° ze is regionaal gedifferentieerd tot op het niveau van de gemeenten binnen het Nederlandse taalgebied. Art. 3.De evaluatiecriteria voor de lokale dienstencentra worden door de minister vastgelegd. Hij houdt daarbij minstens rekening met : 1° de verhouding voor de gemeente in kwestie tussen enerzijds het programmacijfer, en anderzijds het totale aantal erkende lokale dienstencentra plus het totale aantal lokale dienstencentra waarvoor een ontvankelijke, nog niet afgehandelde, erkenningsaanvraag ingediend werd die voldoet aan de programmatie;2° de datum van indienen van de ontvankelijke erkenningsaanvraag;3° de ligging en de bereikbaarheid van het lokaal dienstencentrum waarvoor een erkenningaanvraag is ingediend;4° het toekomstige profiel van de gebruikers van het lokaal dienstencentrum waarvoor een erkenning wordt aangevraagd;5° de samenwerkingsverbanden met andere welzijnsvoorzieningen;6° de geografische spreiding van de lokale dienstencentra. Afdeling 2. - Specifieke erkenningsvoorwaarden
Art. 4.Onverminderd de toepassing van artikel 6 en 7 van het decreet, zijn op de lokale dienstencentra volgende specifieke erkenningsvoorwaarden van toepassing : A. Voorwaarden betreffende de hulp- en dienstverlening 1° het lokaal dienstencentrum organiseert activiteiten van algemeen-informatieve aard.Dit zijn activiteiten die erop gericht zijn aan een individuele gebruiker of aan een groep gebruikers informatie over te dragen over onderwerpen die relevant zijn voor het behoud of de verhoging van de zelfstandigheid of de emancipatie van de gebruiker(s) en/of die bijdragen tot de integratie van de gebruiker in de lokale leefgemeenschap. In dit kader dient het lokaal dienstencentrum : a) een werking uit te bouwen, waarbij de bewoners van de lokale leefgemeenschap uitgenodigd worden om advies en informatie te vragen;b) jaarlijks in zijn lokalen minstens tien activiteiten in te richten, tijdens dewelke op actieve wijze informatie verschaft wordt aan een groep gebruikers;c) op minstens drie andere wijzen aan de bewoners van de lokale leefgemeenschap algemene informatie aan te bieden;d) in staat te zijn de gebruikers toe te leiden naar de meest geschikte persoon of voorziening.Hiervoor beschikt het over een geactualiseerde sociale kaart; 2° een lokaal dienstencentrum organiseert activiteiten van recreatieve aard.Dit zijn activiteiten ten behoeve van een individuele gebruiker of een groep gebruikers, die gericht zijn op ontmoeting, ontspanning en zinvolle tijdsbesteding, en tot doel hebben het sociaal netwerk te versterken.
In de ontmoetingsruimte, zoals bedoeld in punt D, 2°, is te allen tijde een vrijblijvend aanbod van recreatieve activiteiten ter beschikking.
Het centrum biedt jaarlijks minstens 75 groepsactiviteiten van recreatieve aard aan. Deze activiteiten moeten verspreid zijn over minstens vijf verschillende soorten; 3° een lokaal dienstencentrum biedt activiteiten van algemeen vormende aard aan.Deze activiteiten zijn gericht op de persoonlijke ontwikkeling en de verrijking op vlak van kennis en/of vaardigheden van de gebruikers.
Het centrum biedt jaarlijks minstens 100 groepsactiviteiten van algemeen vormende aard aan. Deze activiteiten moeten verspreid zijn over minstens vijf verschillende onderwerpen; 4° een lokaal dienstencentrum biedt in zijn lokalen hulp bij activiteiten van het dagelijkse leven aan, inzonderheid hygiënische zorg.Deze hulp moet aangeboden worden onder minstens twee vormen; 5° een lokaal dienstencentrum verricht minstens vier van de acht hieronder opgesomde optionele werkzaamheden, hetzij in eigen beheer, hetzij bij middel van een samenwerkingscontract met derden : a) aanbieden van warme maaltijden die kunnen worden genuttigd in een daartoe aangepaste ruimte in het lokaal dienstencentrum en/of organiseren van het thuis bedelen van maaltijden.Bij het aanbieden van deze maaltijden moet het dienstencentrum zich minstens richten naar de maatschappelijk zwakkere bewoners van de lokale buurt; b) aanbieden van hulp bij boodschappen ten aanzien van gebruikers die door onvoldoende mogelijkheden tot zelfzorg niet meer in staat zijn om hun persoonlijke administratieve en huishoudelijke boodschappen te doen;c) aanbieden van hulp bij huishoudelijke klussen, dit wil zeggen het organiseren, het ondersteunen of opvolgen van kleine praktische taken in verband met het huishouden of het huis van de gebruiker;d) aanbieden van buurthulp, dit wil zeggen het organiseren, ondersteunen en opvolgen van activiteiten en initiatieven die het sociale netwerk, de communicatie en het veiligheidsgevoel versterken;e) nemen of ondersteunen van initiatieven die de mobiliteit van de lokale bewoners tot stand brengen of verhogen;f) uitlenen van personenalarmtoestellen;g) organiseren van de dienstverlening van een personenalarmcentrale;h) organiseren van activiteiten voor specifieke doelgroepen.Een specifieke doelgroep bestaat uit bewoners uit de lokale buurt die omwille van een of meerdere gezamenlijke kenmerken e …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.