📄 Wettekst
11 APRIL 2003. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vastlegging van de Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende de organisatie van de planning en de stedenbouw, inzonderheid op de artikelen 164 tot 173, alsook op het door de ordonnantie van 13 maart 2003 gewijzigd artikel 207;
Gelet op het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juni 1999Relevante gevonden documenten
type
besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering
prom.
03/06/1999
pub.
09/07/1999
numac
1999031282
bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vastlegging van Titels I tot VII van de Gewestelijke stedenbouwkundige verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
sluiten tot vastlegging van de Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofstedelijke Regering van 23 september 1999 tot opheffing van artikel 3 en tot wijziging van artikel 4 van het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juni 1999Relevante gevonden documenten
type
besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering
prom.
03/06/1999
pub.
09/07/1999
numac
1999031282
bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vastlegging van Titels I tot VII van de Gewestelijke stedenbouwkundige verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
sluiten tot vastlegging van de Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening;
Gelet op het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 mei 2001Relevante gevonden documenten
type
besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering
prom.
03/05/2001
pub.
16/06/2001
numac
2001031193
bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende sommige bepalingen betreffende het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid
sluiten tot goedkeuring van het Gewestelijk Bestemmingsplan (GBP);
Gelet op het besluit van 12 september 2002 houdende vaststelling van het gewestelijk ontwikkelingsplan;
Gelet op het arrest van de Raad van State van 6 december 2001 tot vernietiging van artikel 21, 2°, tweede en derde lid, van Titel VI « Reclame en uithangborden » van het besluit van 3 juni 1999;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 3 april 2002;
Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 10 april 2003, bij toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarvan de dringende noodzaak gemotiveerd werd door de hieronder volgende beschouwingen : 1. Retroacta Overwegende dat, in haar besluit van 3 juni 1999, de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing zijn op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, heeft vastgelegd; Dat de maatschappij ROSSEL OUTDOOR bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring van artikel 21, 2°, tweede en derde lid, van Titel VI « Reclame- en uithangborden » van dit besluit heeft ingediend. Deze bepalingen stellen dat : « Het totaal aantal stadsvoorzieningen voor reclame en informatiedragers is beperkt tot 4 per kruispunt of per plein.
In de openbare ruimte mogen de reclame-inrichtingen zonder het algemeen belang als hoofdfunctie zich niet bevinden op minder dan 50 meter van stadsmeubilair voor reclame of andere informatiedragers. » Dat de Raad van State in zijn besluit van 6 december 2001 de betwiste bepalingen nietig verklaard heeft en dit, omwille van de reden dat « het ontwerp dat het besluit van 3 juni 1999 geworden is, niet opnieuw voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgelegd werd, na volledige vervulling van de voorafgaande formaliteiten, noch dat het bovenvermeld besluit het spoedeisend karakter inroept door het een bijzondere rechtvaardiging te geven ».
Dat de afdeling wetgeving van de Raad van State waaraan advies gevraagd was omtrent het ontwerp van besluit, immers op 26 mei 1999 gesteld had dat het ontwerp zich niet in die staat bevond dat het door haar onderzocht kon worden en dit omwille van de reden dat « de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met de adviezen van de gemeenteraden van Oudergem, van Watermaal-Bosvoorde en van Schaarbeek en het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij van 22 februari 1999, allen uitgebracht binnen de wettelijke termijnen, rekening had moeten houden en dat het bovendien aan haar toekwam om de suggesties van de gemeenteraden en de andere over de gewestelijke stedenbouwkundige ordening geraadpleegde instanties te beoordelen en na deze beoordeling, als volgt te werk te gaan : « 1° ofwel schaart ze zich niet achter de gedane suggesties en geeft ze daar haar redenen voor; 2° ofwel schaart ze zich achter deze gedane suggesties en organiseert ze een nieuw openbaar onderzoek.» Dat de Regering indertijd van mening was dat het advies van de Raad van State wel degelijke een advies was en het besluit van 3 juin 1999 houdende goedkeuring van de Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening goedgekeurd heeft.
Dat het middel dat door de Raad van State weerhouden werd om artikel 21, 2°, lid 2 en 3, van Titel VI « Reclame- en uithangborden » nietig te verklaren, op het besluit van 3 juni 1999 in zijn geheel kan worden toegepast aangezien het de hele Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening was die door Raad van State beschouwd werd als zijnde niet voorgelegd aan de afdeling wetgeving. 2.
De dwingende noodzaak om binnen de kortste keren over een operationeel en toepasbaar instrument te beschikken Overwegende dat de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening een van de fundamentele instrumenten van het stedenbouwkundig beleid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is.
Dat inderdaad, overeenkomstig artikel 164 van de ordonnantie, de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening meer bepaald tot doel heeft : « 1° de gezondheid, de instandhouding, de stevigheid en de fraaiheid van de bouwwerken, de installaties en hun omgeving, alsmede hun veiligheid, met name de beveiliging tegen brand en overstroming; 2° de thermische en akoestische kwaliteit van de bouwwerken, de energiebesparingen en de energieterugwinning;3° de instandhouding, de gezondheid, de veiligheid, de bruikbaarheid en de schoonheid van de wegen, de toegangen en de omgeving ervan;4° de aanleg van voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van de gebouwen, met name wat betreft de water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, de verwarming, de telecommunicatie en de vuilophaling;5° de minimumnormen inzake bewoonbaarheid van de woningen;6° de woonkwaliteit en het gemak van het langzaam verkeer met name door voorkoming van lawaai, stof en rook bij de uitvoering van werken, en door deze werken op bepaalde uren en dagen te verbieden;7° de toegang voor de personen met beperkte mobiliteit tot al dan niet bebouwde onroerende goederen of delen ervan toegankelijk voor het publiek, tot installaties en wegen;8° de gebruiksveiligheid van een voor het publiek toegankelijk goed.» Dat de verordening eveneens betrekking kan hebben op « de bouwwerken en installaties boven en onder de grond, op de uithangborden en de reclame-inrichtingen, de antennes, de leidingen, de afsluitingen, de opslagplaatsen en onbebouwde terreinen, de beplantingen, de wijziging van het reliëf van de bodem, en de inrichting van ruimten ten behoeve van het verkeer en het parkeren van voertuigen buiten de openbare weg ».
Dat met andere woorden, naast de territoriale planning, die door het GBP ten uitvoer gelegd wordt, het geheel van de regels aangaande stedenbouw in het Gewest, in de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening gedefinieerd wordt.
Dat de criteria « gezondheid », « stevigheid », « bewoonbaarheid » of « veiligheid » die zij moet definiëren essentieel zijn om de onder artikel 2, derde lid van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw bepaalde criteria te verzekeren en om een gepaste tenuitvoerlegging te verzekeren, meer bepaald op een gewestelijk grondgebied met stedelijk karakter, van de aan artikel 23, derde lid, 3° en 4°, van de Grondwet gewijde rechten.
Dat het dus absoluut noodzakelijk is de door bovengenoemd besluit van de Raad van State ontstane rechtsonzekerheid te verhelpen en de effectieve toepassing van de normen van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening op het gewestelijk grondgebied mogelijk te maken.
Dat op dit ogenblik inderdaad elke, op de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening gebaseerde beslissing door de Raad van State gesanctioneerd kan worden, wanneer één der partijen, bij wege van exceptie, de onwettigheid van voormelde verordening inroept.
Dat deze onzekerheid verstekt wordt door het feit dat de administratieve overheid de onwettigheid van een reglement niet kan inroepen bij wege van exceptie van de onder artikel 159 van de Grondwet opgenomen onwettigheid.
Dat de afdeling administratie van de Raad van State er alzo herhaaldelijk op gewezen heeft dat artikel 159 van de Grondwet enkel van toepassing was op de rechterlijke overheden en dat de administratieve overheid, op basis van deze bepaling, zelf op eigen initiatief niet kon beslissen een administratieve beslissing te negeren (R.v.S., nr. 74.131 van 2 juli 1998; nr. 71.040 van 22 januari 1998; nr. 65.974 van 22 april 1997).
Dat behalve de rechtsonzekerheid die verbonden is aan de toepassing waartoe het administratief bestuur van een verordening gehouden is, verordening waarvan de bestemmeling de toepassing voor de gerechtshoven zal kunnen aanvechten, deze die verbonden is aan het ontbreken van voorspelbaarheid voor de derden van het werk van het bestuur dat met deze onrechtstreeks ongeldig verklaarde verordening geconfronteerd wordt, eveneens aanzienlijk is.
Dat inderdaad, de vergunningsaanvrager in onzekerheid verkeert wat betreft de norm die op hem zal worden toegepast. Inderdaad, in het ongewisse of het bestuur de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening of het criterium van de goede ordening zal toepassen, weet hij niet, in voorkomend geval, of hij aanvragen om afwijking moet indienen en nog minder volgens welke criteria zijn dossier behandeld zal worden.
Dat daarenboven de bescherming van de inwoners van het Gewest door de normen van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake stevigheid, veiligheid, gezondheid of bewoonbaarheid verzwakt wordt door de mogelijkheid om met alle middelen de onwettigheid van de verordening in te roepen.
Dat om die redenen, de ordonnantie van 13 maart 2003 tot wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw de Regering ertoe gemachtigd heeft de op 3 juni 1999 goedgekeurde Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening onmiddellijk en gelijkluidend goed te keuren, zonder voorshands tot een nieuw openbaar onderzoek te moeten overgaan.
Dat de ordonnantie van 13 maart 2003 tot wijziging van de ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw artikel 207 aldus gewijzigd heeft om er een als volgt opgestelde § 4 aan toe te voegen : « § 4. De Regering is ertoe gemachtigd een Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening goed te keuren, identiek aan de op 3 juni 1999 goedgekeurde, zonder te moeten overgaan tot de onder artikel 165 voorziene modaliteiten.
Deze Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening zal ophouden gevolg te hebben op het ogenblik van de volgens de onder artikel 165 voorziene modaliteiten goedgekeurde nieuwe Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening en, uiterlijk binnen de drie jaar na de inwerkingtreding van deze ordonnantie. » Dat het dus om de hogerop aangehaalde redenen dringend is, bij toepassing van artikel 207, § 4, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw zoals gewijzigd door de ordonnantie van 13 maart 2003, de op 3 juni 1999 goedgekeurde Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening identiek opnieuw goed te keuren.
Overwegende voornoemde motieven;
Op voordracht van de Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, Besluit : Artikel 1.De volgende titels van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening, worden vastgelegd : 1° TITEL I.- Kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving. 2° TITEL II.- Bewoonbaarheidsnormen voor woningen. 3° TITEL III.- Bouwplaatsen. 4° TITEL IV.- Toegankelijkheid van gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit. 5° TITEL V.- Thermische isolatie van gebouwen. 6° TITEL VI.- Reclame en uithangborden. 7° TITEL VII.- De wegen, de toegang ernaar en de omgeving ervan. Art. 2.De gemeenteraden passen de gemeentelijke verordeningen aan aan de bepalingen van deze Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening binnen de drie jaren na de inwerkingtreding ervan. Art. 3.§ 1. De volgende bepalingen van de bouwverordening van de Brusselse Agglomeratie worden opgeheven : 1° TITEL I.- Vergunningen en machtigingen, artikelen 1 tot 10, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 21 maart 1975 en gewijzigd bij de beraadslagingen van de Brusselse Agglomeratieraad van 1 september 1976 en 22 december 1976. 2° TITEL II.- Voorwaarden waarin van deze verordening mag afgeweken worden, artikel 11, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 9 maart 1976. 3° TITEL III.- Hoogte van de gebouwen, artikelen 12 tot 14, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 17 juli 1975 en aangevuld bij de beraadslaging van de Brusselse Agglomeratieraad van 17 maart 1976. 4° TITEL IV.- Diepte van de gebouwen en hun inplantingen, artikelen 15 en 15bis , goedgekeurd bij koninklijk besluit van 17 juli 1975 en aangevuld bij de beraadslaging van de Brusselse Agglomeratieraad van 12 december 1976. 5° TITEL V.- Hoogte onder het plafond van de woon- of verblijfplaatsen, artikelen 16 tot 18, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 9 maart 1976. 6° TITEL VI.- Verlichting van de woon- en verblijfplaatsen, artikel 19, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 17 juli 1975. 7° TITEL X.- Toekenning van financiële voordelen voor de herstelling van bouwvallige woningen, artikelen 28 tot 31, goedgekeurd bij de beraadslaging van de Brusselse Agglomeratieraad van 25 juni 1976 en gewijzigd bij de beraadslaging van 23 maart 1979. 8° TITEL XI.- Uitgravingswerken op de openbare weg, artikelen 34, 35, 36, 38, 39, 42 en 43, goedgekeurd bij de beraadslaging van de Brusselse Agglomeratieraad van 27 april 1977. 9° TITEL XII.- Normen betreffende bepaalde hinder van de bouwwerken naar gelang van hun bestemming, goedgekeurd bij de beraadslaging van de Brusselse Agglomeratieraad van 4 februari 1976. 10° TITEL XIV.- Afsluiting van braakgronden, artikelen 63 en 64, goedgekeurd bij de beraadslaging van de Brusselse Agglomeratieraad van 17 maart 1976. 11° TITEL XV.- De instandhouding, gezondheid, veiligheid, bruikbaarheid en schoonheid van de wegen, hun toegangen en hun omgeving, artikelen 65 en 72, goedgekeurd bij de beraadslaging van de Brusselse Agglomeratieraad van 22 december 1976 en gewijzigd bij de beraadslaging van 2 februari 1977. 12° TITEL XVIII.A. - Tegemoetkoming in de plaatsingskosten van een onconventioneel verwarmingssysteem, artikelen 1 tot 4, goedgekeurd bij de beraadslaging van de Brusselse Agglomeratieraad van 28 maart 1979. 13° TITEL XIX.- Toegang voor mindervaliden tot voor het publiek toegankelijke gebouwen, artikelen 1 tot 8, goedgekeurd bij de beraadslaging van de Brusselse Agglomeratieraad van 25 mei 1977. § 2. Worden eveneens opgeheven : 1° De verordening op de bescherming van de groene ruimten, goedgekeurd bij de beraadslaging van de Brusselse Agglomeratieraad van 26 februari 1975.2° De verordening op de aanleg van begraafplaatsen, goedgekeurd bij de beraadslaging van de Brusselse Agglomeratieraad van 11 juni 1975.3° Artikel 1 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 26 november 1992 betreffende de stedenbouwkundige vergunningen van beperkte duur.4° Het ministerieel besluit van 12 augustus 1982 tot bepaling, voor het Brussels Gewest, van de voorwaarden inzake de bereikbaarheid van alle voetgangerswegen die door de gemeenten worden gesubsidieerd.5° Het koninklijk besluit van 21 oktober 1985 houdende de uitvaardiging van een algemene bouwverordening betreffende de voetgangerswegen. § 3. Worden opgeheven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : 1° Het koninklijk besluit van 9 mei 1977 genomen in uitvoering van de
wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/07/1975
pub.
28/01/2011
numac
2011000030
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de toegang van gehandicapten tot gebouwen toegankelijk voor het publiek. - Duitse vertaling
type
wet
prom.
17/07/1975
pub.
30/06/2010
numac
2010000387
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de toegang voor mindervaliden tot voor het publiek toegankelijke gebouwen.2° Het koninklijk besluit van 5 december 1957 tot bepaling van de plaatsen waar aanplakking en reclame gereglementeerd zijn, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 februari 1959, 6 mei 1960, 18 april 1963, 2 oktober 1964 en 27 maart 1969.3° Het koninklijk besluit van 8 januari 1958 tot aanduiding van de toeristische verkeerswegen die vallen onder de reglementering inzake aanplakking en reclame, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 14 februari 1959, 6 mei 1960 en 18 april 1963.4° Het koninklijk besluit van 1 maart 1960 tot aanduiding van de verkeerswegen die vallen onder de reglementering inzake aanplakking en reclame, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 26 februari 1963, 13 april 1965, 18 maart 1966 en 27 maart 1969.5° Het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juni 1999Relevante gevonden documenten
type
besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering
prom.
03/06/1999
pub.
09/07/1999
numac
1999031282
bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vastlegging van Titels I tot VII van de Gewestelijke stedenbouwkundige verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
sluiten tot vastlegging van de Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.6° Het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 september 1999Relevante gevonden documenten
type
besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering
prom.
23/09/1999
pub.
24/09/1999
numac
1999031405
bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot opheffing van artikel 3 en tot wijziging van artikel 4 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juni 1999 tot vastlegging van Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en tot vastlegging van de datum van de invoegetreding van de Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening
sluiten tot opheffing van artikel 3 en tot wijziging van artikel 4 van het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juni 1999Relevante gevonden documenten
type
besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering
prom.
03/06/1999
pub.
09/07/1999
numac
1999031282
bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vastlegging van Titels I tot VII van de Gewestelijke stedenbouwkundige verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
sluiten tot vastlegging van de Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening. Art. 4.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 5.De Minister tot wiens bevoegdheden Ruimtelijke Ordening behoort is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 11 april 2003.
Namens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : F.-X. de DONNEA, Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek.
GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE VERORDENING TITEL I. - Kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving Inhoudsopgave HOOFDSTUK I. - Algemeen HOOFDSTUK II. - Vestiging en bouwprofiel Afdeling 1. - Vestiging en bouwprofiel van de mandelige bouwwerken
Afdeling 2. - Vestiging en bouwprofiel van vrijstaande bouwwerken
HOOFDSTUK III. - Benedenverdieping, gevel HOOFDSTUK IV. - Naaste omgeving HOOFDSTUK V. - Nutsvoorzieningen HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Algemeen Artikel 1 Toepassingsgebied § 1. Deze titel is van toepassing op het hele grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. § 2. Deze titel is van toepassing : 1° op de handelingen en werken bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw;2° op de handelingen en werken die, omwille van hun geringe omvang, vrijgesteld zijn van een stedenbouwkundige vergunning, zoals bedoeld in artikel 84, § 2, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. § 3. Deze titel is niet van toepassing op de handelingen en werken aan een bestaand bouwwerk inzoverre zij gebeuren met het oog op het behoud van het bouwwerk en inzoverre zij dit niet aanzienlijk wijzigen.
Artikel 2 Definities In deze titel verstaat men onder : 1. naaste omgeving : gebied langs het bouwwerk en dat bestaat uit : a) de inspringstrook, b) desgevallend de zijdelingse inspringstrook, c) de koeren en tuinen, 2.aanpalend bijgebouw : bouwwerk dat hoort bij het hoofdbouwwerk en er helemaal of gedeeltelijk mee verbonden is, 3. rooilijn : grens tussen de openbare weg en de private of openbare eigendommen, 4.antenne : toestel voor het uitzenden of ontvangen van radio-elektrische golven, met inbegrip van de schotelantennes, 5. balkon : smal platform met borstwering voor één of meerdere gevelopeningen, 6.mandelig bouwwerk : bouwwerk met minstens één muur die op of tegen een zijdelingse mandelige grens staat, 7. driegevelbouwwerk : bouwwerk met één enkele mandelige muur, 8.bovengronds bouwwerk : gedeelte van het bouwwerk dat zichtbaar is vanaf het grondniveau, met inbegrip van de terrassen en andere ondoorlaatbare bedekking, 9. vrijstaand bouwwerk : bouwwerk waarvan geen enkele gevelmuur gebouwd is op of tegen een mandelige grens, 10.naastliggend bouwwerk : bouwwerk op het terrein grenzend aan het desbetreffend terrein, 11. daklijst : constructie voor de opvang van regenwater hangend over de hele voorgevel of, bij gebrek aan een dergelijke constructie, de horizontale lijn op het snijpunt van het vlak gevormd door de voorgevel en het vlak gevormd door het dak, 12.technische verdieping : inspringend gedeelte van een verdieping dat niet bewoonbaar is of onbruikbaar voor de hoofdfunctie van het bouwwerk, maar waar technische voorzieningen ondergebracht zijn, 13. topgevel : gevel aan de straatkant die loodrecht staat op de nok van een dak met schilden, 14.bouwlijn : hoofdvlak gevormd door alle voorgevels van de bouwwerken en dat kan inspringen ten opzichte van de rooilijn, 15. huizenblok : geheel van al dan niet bebouwde terreinen, dat begrensd is door verkeerswegen in de open lucht of natuurlijke grenzen, 16.mandelige grens : grens bestaande uit het vertikaal vlak dat twee eigendommen scheidt, 17. dakkapel : constructie die uitsteekt in een hellend dak en die de ventilatie en de verlichting toelaat via rechtopstaande openingen, 18.erker : gesloten uitsprong die uitsteekt op de gevel en die hangt over verschillende niveaus, 19. doorlaatbare oppervlakte : oppervlakte die regenwater op een natuurlijke wijze laat doordringen in de bodem, met uitzondering van de oppervlakten boven ondergrondse bouwwerken, 20.zijdelingse insprong : afstand tussen de zijkant van het bouwwerk en de grens van het terrein, 21. blinde benedenverdieping : verdieping die gelegen is op straathoogte en waarvan de geveloppervlakte minder dan 20 % gevelopeningen telt of andere openingen zoals toegangs- of garagepoorten, met uitzondering van de omheiningsmuren, 22.terrein : perceel of het geheel van percelen al dan niet opgenomen in het kadaster en dat van dezelfde eigenaar is, 23. hoekterrein : terrein gelegen op de kruising van meerdere openbare wegen, 24.naastliggend terrein : het terrein of de twee terreinen die palen aan het desbetreffend terrein en die, ten opzichte van de openbare weg, aan weerszijden van dit terrein gelegen zijn, 25. inspringstrook : tussen de rooilijn en de bouwlijn gelegen deel van het terrein, 26.koeren en tuinen : het onbebouwde of nog niet-bebouwde bovengronds gelegen gedeelte van het terrein, de inspringstrook niet inbegrepen. HOOFDSTUK II. - Vestiging en bouwprofiel Afdeling 1. - Vestiging en bouwprofiel van de mandelige bouwwerken
Artikel 3 Vestiging § 1. Langs de zijde van de openbare weg wordt de gevel van het bouwwerk geplaatst op de rooilijn of, in voorkomend geval, op de bouwlijn. § 2. Langs de zijkanten van het terrein wordt het bouwwerk geplaatst op of tegen de mandelige grens, behalve wanneer het naastliggend bouwwerk inspringt ten opzichte van deze grens of wanneer een zijdelingse insprong is opgelegd.
Artikel 4 Diepte § 1. Op de benedenverdieping voldoet de bovengrondse maximumdiepte van het mandelig bouwwerk aan de volgende twee voorwaarden : 1° niet dieper zijn dan drie vierde van de langs de middenas van het terrein gemeten terreindiepte, de inspringstrook niet inbegrepen;2° a) wanneer de twee naastliggende terreinen bebouwd zijn, mag het bouwwerk : - niet meer dan 3 meter dieper liggen dan het minst diepe naastliggend bouwwerk, tenzij een zijdelingse insprong van minstens 3 meter geëerbiedigd wordt; - niet dieper liggen dan het diepst naastliggend bouwwerk; b) wanneer slechts één van de naastliggende terreinen is bebouwd, mag het bouwwerk niet meer dan 3 meter dieper liggen dan het naastliggend bouwwerk, tenzij een zijdelingse insprong van minstens 3 meter geëerbiedigd wordt;c) wanneer geen van de naastliggende terreinen bebouwd is of wanneer de diepte van het (de) naastliggend(e) bouwwerk(en) ongewoon klein is ten opzichte van die van de andere bouwwerken in de straat, is enkel de voorwaarde bedoeld in 1°, van toepassing. § 2. Voor de bovenverdiepingen wordt de diepte van het (of de) naastliggend(e) bouwwerk(en) gemeten ter hoogte van de vloer van de bovenverdieping van het desbetreffend bouwwerk. § 3. Voor de kelder wordt de ondergrondse maximumdiepte van het bouwwerk bepaald overeenkomstig de regels voorgeschreven in artikel 13.
Het ondergronds bouwwerk wordt bedekt met een laag teelaarde van minstens 0,30 meter over de hele oppervlakte die bovengronds niet bebouwd is. § 4. Op een hoekterrein wordt de maximumdiepte van het mandelig bouwwerk bepaald op grond van de regels van voornoemde § 1, 2°, §§ 2 en 3, van dit artikel. § 5. Schetsen nrs. 1 tot 3 die zijn gevoegd in bijlage 1 van deze titel illustreren dit artikel.
Artikel 5 Hoogte van de voorgevel § 1. De hoogte van de voorgevel wordt vastgesteld rekening houdend met de hoogte van de voorgevel van de twee naastliggende bouwwerken of, wanneer er geen naastliggende bouwwerken zijn, van de twee dichtstbijgelegen bouwwerken langs weerszijden gelegen van het desbetreffend terrein in dezelfde straat of zoniet, in de omtrek van hetzelfde huizenblok.
Deze naastliggende of dichtbijgelegen bouwwerken worden hierna « referentie-bouwwerken » genoemd en de hoogte van de voorgevel ervan « referentie-hoogten ».
De metingen gebeuren vanaf de gemiddelde stoephoogte tot aan de onderkant van de daklijst.
De hoogte van de voorgevel van het mandelig bouwwerk mag niet : 1° lager zijn dan de laagste referentie-hoogte;2° hoger zijn dan de hoogste referentie-hoogte. Wanneer de hoogte van de voorgevel van beide referentie-bouwwerken ongewoon laag is ten opzichte van de gemiddelde hoogte van de voorgevel van de andere bouwwerken in de straat of, bij gebrek hieraan, van het huizenblok, wordt deze hoogte vastgesteld op basis van deze gemiddelde hoogte.
Er moet een harmonieuze aansluiting bestaan tussen de bouwwerken met verschillende hoogte. § 2. Onverminderd artikel 6, mag een topgevel hoger zijn dan de hoogste referentie-hoogte.
Artikel 6 Het dak § 1. Het dak voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° het laagste mandelig dakprofiel van de in artikel 5 bedoelde referentie-bouwwerken met niet meer dan drie meter overschrijden;2° het hoogste mandelig dakprofiel van de in artikel 5 bedoelde referentie-bouwwerken niet overschrijden. Wanneer het laagste referentie-bouwwerk ongewoon laag is ten opzichte van de andere bouwwerken in de straat of, bij gebrek hieraan, ten opzichte van de bouwwerken in hetzelfde huizenblok, is enkel de voorwaarde van het eerste lid van toepassing.
Wanneer beide referentie-bouwwerken ongewoon laag zijn ten opzichte van de andere bouwwerken in dezelfde straat of, bij gebrek hieraan, in hetzelfde huizenblok, zijn de twee voorwaarden van het eerste lid niet van toepassing. In dit geval houdt het mandelig bouwwerk rekening met de gemiddelde hoogte van de mandelige dakprofielen in de straat of, bij gebrek hieraan, in het huizenblok.
Er moet een harmonieuze aansluiting bestaan tussen de naastliggende bouwerken met verschillende hoogte.
Wanneer het om een steile straat gaat, wordt rekening gehouden met de hoogteverschillen die voortkomen uit het oneffen karakter van de bodem.
Schetsen nrs. 4 en 5 die zijn gevoegd in bijlage 1 van deze titel illustreren deze paragraaf. § 2. De in § 1 vastgestelde dakhoogte mag met maximum 3 meter overschreden worden voor de bouw van dakkapellen. § 3. De in § 1 vastgestelde dakhoogte omvat de technische verdiepingen, de inspringende verdiepingen en de machinekamers van liften; deze zijn in de bouwwerken opgenomen.
Enkel de schoorstenen of de ventilatiekappen en de antennes mogen de met toepassing van artikelen 4, 5 en 6 opgelegde bouwprofielen overschrijden op voorwaarde dat : 1° de schoorstenen en ventilatiekappen minder dan 3 % van de dakoppervlakte beslaan;2° behoudens tegengesteld wettelijk of reglementair voorschrift, de overschrijding voor de schoorstenen, de ventilatiekappen en de antennes beperkt is tot drie meter;3° de plaatsing van deze elementen zo min mogelijk de esthetiek van het dak aantast. Afdeling 2. - Vestiging en bouwprofiel van de vrijstaande bouwwerken
Artikel 7 Vestiging § 1. Het bovengronds bouwwerk wordt geplaatst op een gepaste afstand van de terreingrenzen, rekening houdend met het bouwprofiel van de omringende bouwwerken, met het eigen bouwprofiel en met de blijvende bezonning van de naastliggende terreinen. § 2. De maximale ondergrondse diepte van het vrijstaand bouwwerk wordt, op kelderniveau, vastgelegd overeenkomstig de regels bedoeld in artikel 13.
Het ondergronds bouwwerk wordt bedekt met een laag teelaarde van minstens 0,30 meter en dit over de hele oppervlakte die bovengronds niet bebouwd is.
Artikel 8 Hoogte § 1. De bouwwerken mogen niet hoger zijn dan de gemiddelde hoogte van de bouwwerken die zich bevinden op de terreinen rond het desbetreffend terrein, zelfs indien al deze terreinen door één of meerdere wegen worden doorkruist. § 2. De dakhoogte mag met maximum 3 meter overschreden worden voor de bouw van dakkapellen. § 3. De hoogte van de bouwwerken omvat de technische verdiepingen, de inspringende verdiepingen en de machinekamers van liften; deze zijn in de bouwwerken opgenomen.
Enkel de schoorstenen of de ventilatiekappen en de antennes mogen het in § 1 opgelegde bouwprofiel overschrijden op voorwaarde dat : 1° de schoorstenen en ventilatiekappen minder dan 3 % van de dakoppervlakte beslaan;2° behoudens tegengesteld wettelijk of reglementair voorschrift, de overschrijding voor de schoorstenen, de ventilatiekappen en de antennes beperkt is tot drie meter;3° de plaatsing van deze elementen zo min mogelijk de esthetiek van het dak aantast. HOOFDSTUK III. - Benedenverdieping, gevels Artikel 9 Commerciële en blinde benedenverdiepingen De inrichting van de commerciële benedenverdiepingen mag de bewoning van de bovenverdiepingen niet in de weg staan.
Een aparte en gemakkelijk bereikbare ingang naar deze verdiepingen is verplicht, behalve : 1° wanneer de gevelbreedte minder dan 6 strekkende meter bedraagt;2° wanneer de uitbater bewijst dat hij de verdiepingen als woning gebruikt;3° bij verbouwing van een bestaand gebouw, wanneer de aanleg van een aparte ingang afbreuk doet aan de architectuur van de benedenverdieping. Blinde benedenverdiepingen zijn verboden.
Artikel 10 Uitsprongen aan de gevel § 1. Uitsprongen aan de gevel mogen geen gevaar opleveren voor voorbijgangers noch hinder veroorzaken voor de buren.
Ten opzichte van de bouwlijn steken de uitsprongen aan de gevel niet meer dan 12cm uit over de eerste 2,5 meter gevelhoogte en één meter daarboven.
De luifels ter bescherming van winkeluitstalramen mogen, ten opzichte van de bouwlijn, verder uitsteken dan de grens bedoeld in het tweede lid, voor zover deze minstens 2,10 meter boven het niveau van het voetpad hangen.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de plaatsing van reclame of uithangborden. § 2. De balkons, terrassen en erkers passen in een vlak vanaf de mandelige grens, dat een hoek van 45° ten opzichte van de gevel beschrijft.
De totaal geplande oppervlakte van de erkers, balkons en terrassen is kleiner dan 2/3 van de totale geveloppervlakte. § 3. Wanneer de bouwlijn op de rooilijn ligt, zitten de regenpijpen vervat in de gevel. Wanneer deze regenpijpen zichtbaar zijn, zijn ze voorzien van een uitloopbuis van minstens 1 meter hoog. HOOFDSTUK IV. - Naaste omgeving Artikel 11 Inrichting en onderhoud van de inspringstroken § 1. De inspringstrook wordt ingericht als tuintje en ligt in beplante teelaarde. Er mogen geen bouwwerken op staan, behalve die welke horen bij de ingang van een gebouw zoals met name brievenbussen, omheiningen of muurtjes, trappen of hellingen.
Ze mag niet worden omgevormd tot parkeerruimte noch worden bedekt met ondoorlaatbare materialen, behalve voor de paden naar de inkomdeuren en garagepoorten, tenzij een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of een gezoneerde verordening dit toelaat en er de voorwaarden van bepaalt.
De inspringstrook wordt regelmatig onderhouden.
Artikel 12 Inrichting van de inspringstroken en tuinen De inrichting van koeren en tuinen heeft tot doel het groen uitzicht kwantitatief en kwalitatief te verbeteren.
De installaties voor de inrichting van deze gebieden, zoals tuinhuisjes, banken, schommels, standbeelden of andere decoratieve of sierelementen zijn toegelaten.
Artikel 13 Behoud van een doorlaatbare oppervlakte De inspringstrook en het gebied voor koeren en tuinen bestaan samen voor minstens 50 % uit doorlaatbare oppervlakte.
Deze doorlaatbare oppervlakte bestaat uit teelaarde en is beplant of bedekt met doorlaatbare materialen.
Het gebied voor koeren en tuinen mag evenwel volledig ondoorlatend zijn om hygiënische redenen, indien de omvang ervan verkleind wordt en indien de blootstelling dit vereist.
Artikel 14 Omheining van het onbebouwd terrein § 1. Het onbebouwd terrein grenzend aan een openbare weg en dat ofwel omringd is door bebouwde terreinen, ofwel gelegen is in een huizenblok dat voor meer dan drievierde bebouwd is, is langs de rooi- of bouwlijn afgesloten door een omheining die voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° stevig in de grond bevestigd zijn met het oog op stabiliteit;2° minstens 2 m hoog zijn;3° een reliëf hebben dat het aanplakken ontraadt;4° geen gevaar vormen voor de voorbijgangers;5° een toegangspoort hebben die naar het terrein toe opengaat. Omheiningen zijn niet verplicht voor onbebouwde terreinen die zijn ingericht als voor het publiek toegankelijke ruimte. § 2. De omheining wordt regelmatig onderhouden. HOOFDSTUK V. - Nutsvoorzieningen Artikel 15 Nutsvoorzieningen van de bouwwerken Bij nieuwbouw mag de aansluiting op de nutsvoorzieningen, onder meer op de netwerken voor telefoon, electriciteit, kabeltelevisie, water, gas en riolering, alsook het leggen van kabels en leidingen hiervoor, niet zichtbaar zijn.
Indien het technisch onmogelijk is de in het eerste lid bedoelde voorschriften na te leven, mag de aansluiting verricht worden door middel van een wachtbuis die is ingewerkt in de structuur en deel uitmaakt van het bouwwerk.
Artikel 16 Opvang van regenwater Het regenwater afkomstig van alle ondoorlaatbare oppervlakken, daken, koeren, bodems van verluchtingskokers, keldergaten, terrassen en parkeerzones wordt opgevangen en afgevoerd naar de riolering.
Bij nieuwbouw kan een systeem voor de opslag van regenwater verplicht worden om meer bepaald een overbelasting van de riolering te vermijden. HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen Artikel 17 Overeenstemming van een project met deze verordening De overeenstemming van een bouwproject met deze verordening houdt niet in dat het strookt met de goede ruimtelijke ordening en met de andere geldende wetten en verordeningen.
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld TITEL II. - Bewoonbaarheidsnormen voor woningen Inhoudsopgave HOOFDSTUK I. - Algemeen HOOFDSTUK II. - Minimumnormen voor oppervlakte en volume HOOFDSTUK III. - Comfort en hygiëne HOOFDSTUK IV. - Voorzieningen HOOFDSTUK V. - Verplichte dienstlokalen in nieuwe gebouwen met meerdere woningen HOOFDSTUK VI. - Verbodsbepalingen HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Algemeen Artikel 1 Toepassingsgebied § 1. Deze titel is van toepassing op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. § 2. Deze verordening is van toepassing op : 1° de handelingen en werken zoals bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw;2° de handelingen en werken die, omwille van hun geringe omvang, vrijgesteld zijn van een stedenbouwkundige vergunning, zoals bedoeld in artikel 84, § 2, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. § 3. Deze titel is niet van toepassing op de handelingen en werken aan een bestaand bouwwerk inzoverre zij gebeuren met het oog op het behoud van dat bouwwerk en inzoverre zij dit niet aanzienlijk wijzigen. § 4. Deze verordening is niet van toepassing op de verblijven voor bejaarden, gemeubileerde verhuurde woningen, hotelinrichtingen en andere collectieve woningvormen zoals kostscholen.
Artikel 2 Definities In deze verordening wordt verstaan onder : 1° bewoonbaar lokaal : lokaal bestemd voor een verblijf van langere duur van personen, zoals een salon, eetkamer, keuken of slaapkamer, 2° niet-bewoonbaar lokaal : lokaal bestemd voor een voorlopig verblijf van personen, zoals een gang, overloop, badkamer, WC of garage, 3° woning : huis, appartement of geheel van lokalen bestemd voor bewoning en die een wooneenheid vormen, 4° netto-vloeroppervlakte : totale vloeroppervlakte gemeten tussen de kale binnenmuren. HOOFDSTUK II. - Minimumnormen voor oppervlakte en volume Artikel 3 Minimumoppervlaktenormen § 1. Voor elke nieuwe woning bedraagt de netto-minimumvloeroppervlakte : 1° 20 m2 voor het hoofdvertrek, 2° 8 m2 voor de keuken, 3° indien de keuken opgenomen is in het hoofdvertrek beslaat dit laatste 28 m2, 4° 14 m2 voor de grootste slaapkamer en 9 m2 voor de andere. § 2. In nieuwe woningen met niet-afgescheiden bewoonbare lokalen, zoals studio's, heeft de woonkamer, met inbegrip van de keuken, een minimum nettovloeroppervlakte van 22 m2. § 3. Elke nieuwe woning heeft een privé-ruimte voor berging en opslag. § 4. De werken aan een bestaande woning die niet bedoeld zijn in artikel 1, § 3, brengen de woning in overeenstemming met §§ 1 tot 3, als zij gevolgen hebben voor de afmeting van de lokalen.
Artikel 4 Hoogte onder het plafond § 1. In elke nieuwe woning bedraagt de hoogte onder het plafond van de bewoonbare lokalen minstens 2,50 meter Deze hoogte wordt vrij gemeten van vloer tot plafond.
De minimumhoogte onder het plafond van de bewoonbare daklokalen geldt voor de helft van de vloeroppervlakte. § 2. In elke nieuwe woning bedraagt de hoogte onder het plafond van overlopen en niet-bewoonbare lokalen minstens 2,10 meter. § 3. De werken aan een bestaande woning die niet zijn bedoeld in artikel 1, § 3, mogen de hoogte onder plafond van de lokalen niet onder de minimumdrempels vermeld in §§ 1 en 2 brengen.
Artikel 5 Tussenverdiepingen De bewoonbare tussenverdiepingen voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° de vrije hoogte van de tussenverdieping bedraagt minstens 2,10 meter;2° het totale volume van het lokaal is gelijk aan of groter dan de som van het aantal m2 vloeroppervlakte van het lokaal en van de tussenverdieping, vermenigvuldigd met 2,50 meter. Dit artikel wordt geïllustreerd aan de hand van de schets die is gevoegd in bijlage 1 van deze titel.
Artikel 6 Toegangsdeur Onverminderd Titel IV van deze vordening heeft de toegangsdeur van de woningen een vrije doorgang van minstens 0,83 meter. HOOFDSTUK III. - Hygiëne Artikel 7 Bad- of douchekamer Elke woning heeft minstens een bad- of douchekamer met warm en koud water.
Artikel 8 WC Elke woning heeft minstens een WC, hetzij in een toilet, hetzij in een bad- of douchekamer.
De afmetingen van het toilet bedragen minstens 0,80 m x 1,20 meter.
In de nieuwe woningen maakt het lokaal waarin de WC zich bevindt, deel uit van het bouwvolume.
Het vertrek waarin de WC zich bevindt, mag niet rechtstreeks uitgeven op het salon, de eetkamer of de keuken, behalve wanneer het gaat om een woning bedoeld in artikel 3, § 2.
Artikel 9 Keuken Elke woning heeft een lokaal of ruimte die kan dienen voor de bereiding van levensmiddelen en die voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° minstens een met water uitgeruste gootsteen hebben;2° de aansluiting van minstens drie elektrische huishoudapparaten en een kooktoestel overeenkomstig de geldende normen. Artikel 10 Verwarming Wanneer er geen inspringstrook is, mag geen enkele schoorsteen van een woning uitgeven op de openbare ruimte.
Artikel 11 Verlichting De bewoonbare lokalen zijn natuurlijk verlicht, met uitzondering van de keuken.
De verlichte netto-oppervlakte bedraagt minstens : 1° 1/5 van de vloeroppervlakte voor bewoonbare lokalen;2° 1/12 van de vloeroppervlakte voor de bewoonbare lokalen waarvan de licht doorlatende oppervlakte zich in het dakschild bevindt. Artikel 12 Ventilatie - Afvoer De verbrandingstoestellen voor verwarming en warm water alsook de lokalen waarin deze zich bevinden, zijn voorzien van een afvoer naar buiten. HOOFDSTUK IV. - Voorzieningen Artikel 13 Aansluitingen § 1. Elke nieuwe woning is aangesloten op de distributienetten voor water, elektriciteit en/of gas.
De elektrische installatie levert een minimum aan normale voeding voor de uitrustingen die bij deze verordening zijn bepaald. § 2. Elke nieuwe woning is voorzien van wachtbuizen met trekdraad voor een eventuele televisie- of telefoonaansluiting.
In elke nieuw gebouw met meerdere woningen is elke woning uitgerust met een parlofoon en deuropener of een ander apparaat waarmee men, zonder zich te verplaatsen, zowel kan spreken met de persoon aan de hoofdingang van het gebouw als toegang tot het gebouw verlenen.
Artikel 14 Rioleringsnet Elke woning is aangesloten op het rioleringsnet.
Artikel 15 Lift Elke nieuw gebouw met meerdere woningen die een benedenverdieping en vier of meerdere bovenverdiepingen omvat, is uitgerust met een lift die voldoet aan de normen zoals voorzien in titel IV van deze verordening. HOOFDSTUK V Verplichte dienstlokalen in nieuwe gebouwen met meerdere woningen Artikel 16 Huisvuil Elke nieuwbouw omvat een lokaal voor de opslag van huisvuil.
Dit lokaal voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° afgesloten kunnen worden en voorzien zijn van een deur met een Rf 1/2h met een deursluiter en van een wand met een Rf 1h;2° gemakkelijk bereikbaar zijn voor de bewoners van het gebouw;3° de verplaatsing van het huisvuil naar de openbare weg probleemloos mogelijk maken;4° voldoende capaciteit hebben voor de selectieve opslag van huisvuil. Artikel 17 Lokaal voor tweewielers en kinderwagens Elke nieuwbouw omvat een lokaal voor het stallen van niet-gemotoriseerde tweewielers en van kinderwagens.
Dit lokaal voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° ter beschikking zijn van alle inwoners van het gebouw;2° afmetingen hebben die verenigbaar zijn met de voorziene functie, rekening houdend met het aantal woningen;3° gemakkelijk bereikbaar zijn vanaf de openbare weg en de woningen;4° los staan van de parkeerplaatsen. Artikel 18 Lokaal voor de berging van schoonmaakmateriaal Elke nieuwbouw omvat een lokaal voor de berging van het materiaal voor de schoonmaak van de gemeenschappelijke delen van het gebouw en van de voetpaden.
Dit lokaal voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° een minimumoppervlakte van 1 m2 hebben;2° minstens een waterkraan en een afvoer naar de riolering omvatten;3° wanneer een regenwatertank aanwezig is, voorzien zijn van een tweede waterkraan die aangesloten is op deze watertank. HOOFDSTUK VI. - Verbodsbepalingen Artikel 19 Verbodsbepalingen Zijn verboden : 1° Verzamelkokers voor de afvoer van huisvuil of « vuilniskokers ».2° Loden waterleidingbuizen. HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen Artikel 20 Overeenstemming van een project met deze verordening De overeenstemming van een bouwproject met deze verordening houdt niet in dat het strookt met de goede ruimtelijke ordening, die beoordeeld wordt door de overheid, bevoegd voor de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning, noch met de andere geldende wetten en verordeningen.
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld TITEL III. - Bouwplaatsen Inhoudsopgave HOOFDSTUK I. - Algemeen HOOFDSTUK II. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de bouw-plaatsen buiten en op de weg Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Inrichtingen
Afdeling 3. - Bescherming van het voetgangersverkeer
Afdeling 4. - Opslag van materialen
Afdeling 5. - Bouwmachines en -voertuigen
HOOFDSTUK III. - Wijzigingsbepalingen HOOFDSTUK I. - Algemeen Artikel 1 Toepassingsgebied Deze titel is van toepassing op de bouwplaatsen gelegen buiten of op de openbare weg waarop de regels die zijn genomen in uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie van de bouwplaatsen op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, niet van toepassing zijn en waarvoor al dan niet een stedenbouwkundige vergunning, een milieuvergunning of een voorafgaande aangifte vereist is.
Deze titel doet geen afbreuk aan de goedkeuring van maatregelen die zijn onderscheiden in de bijzondere uitbatingsvoorwaarden met betrekking tot de milieuvergunning of de verklaringen die zijn genomen krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
Een bouwplaats die sinds meer dan twaalf maanden stilligt, wordt gelijkgesteld met een onbebouwd terrein in de zin van artikel 14 van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening betreffende de kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving.
Artikel 2 Definities In deze verordening wordt verstaan onder : 1. bouwplaats buiten de openbare weg : de werken die worden uitgevoerd buiten de openbare weg en eventueel uitbreiden tot op de openbare weg, maar die zijn gedekt door de regels genomen in uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de bouwplaatsen op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;2. bouwplaats op de openbare weg : de werken die op de openbare weg of aan de voorzieningen ervan worden uitgevoerd inzoverre deze niet zijn gedekt door de regels genomen in uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie van de bouwplaatsen op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3. openbare weg : de ruimte tussen de rooilijnen die de privé-eigendommen van de weg scheiden;zij omvat met name de rijweg, de voetpaden, de bermen, de flanken, de sloten, de oevers en de taluuds; 4. omgeleide doorgang : het pad langs de bouwplaats, bestemd voor het voetgangersverkeer, 6.bouwheer : diegene die de werken laat uitvoeren; 7. beheerder van de openbare weg : de overheid op wiens gebied de werken worden uitgevoerd;8. vergunninghouders : de gebruikers van de grond of ondergrond van de openbare weg en meer bepaald de intercommnale distributiebedrijven, de overheidsadministraties, de autonome overheidsbedrijven en de privé-ondernemingen;9. milieuvergunning : de vergunning die vereist is krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;10. bewoond gebied : de woongebieden met residentieel karakter, de groengebieden, de gebieden met hoogbiologische waarde, de parkgebieden, de begraafplaatsgebieden en de bosgebieden, de typische woongebieden, de gemengde gebieden, de gebieden voor sport en ontspanning in de open lucht, de landbouwgebieden en de gebieden voor uitrustingen van collectief belang of voor openbare diensten zoals beschreven in het vigerend gewestelijk bestemmingsplan;11. inname : de materiële grenzen van de bouwplaats, aangegeven door omheiningen of ieder ander duidelijk teken;12. bijlage : bijlage 3 van het besluit van de Regering van 16 juli 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de bouwplaatsen op de openbare weg. HOOFDSTUK II Bepalingen geldig voor de bouwplaatsen op en buiten de openbare weg Afdeling 1. - Algemeen
Artikel 3 Beheer van de bouwplaats § 1. Om de rust, de netheid, de bewoonbaarheid en de veiligheid rondom de bouwplaats te garanderen alsook de woonkwaliteit van de aangrenzende wijken te verzekeren : 1° wordt de naaste omgeving van de bouwplaats alsook de vrachtwagens en bouwmachines regelmatig schoongemaakt;2° wordt het verkeer van de bouwplaatsvoertuigen geregeld op de wegen die zijn gezamenlijk uitgestippeld door de bouwheer en de overheid die de weg beheert en, desgevallend, de gemeenten op wier grondgebied dit verkeer plaatsvindt;3° wordt ervoor gezorgd dat de naaste omgeving van de bouwplaats en de openbare weg verlicht zijn als de inrichtingen van de bouwplaats een bestaande verlichting verbergen;4° wordt in de naaste omgeving van de bouwplaats steeds aandacht besteed aan de veiligheids- en verkeersomstandigheden van alle openbare weggebruikers, meer bepaald van de voetgangers en fietsers. § 2. Wanneer een bouwplaats rechtstreeks of onrechtstreeks gevolgen heeft op een lijn van het openbare vervoer, verwittigt de bouwheer de betrokken vervoermaatschappij minstens vijftien dagen vóór de aanvang van de werken, en richt hij zich naar de aanbevelingen van de betrokken vervoermaatschappij om de eventuele weerslag ervan te verminderen.
Artikel 4 Uurrooster van de bouwplaats § 1. Behoudens de werken die worden uitgevoerd door particulieren aan hun eigen woning of omliggend terrein en die niet meer hinder veroorzaken dan de normale buurthinder alsook de werken aan spoorweg-, metro- en tramlijnen, mag op de bouwplaats enkel gewerkt worden van maandag tot vrijdag, zaterdag en feestdagen uitgezonderd, tussen : 1° 7 uur en 19 uur;2° 7 uur en 16 uur wanneer palen en damwanden geheid en puin vergruisd worden. § 2. Behoudens de bouwplaatsen waarvoor een milieuvergunning vereist is, kan de burgemeester, zolang de rust, de netheid, de bewoonbaarheid of de openbare veiligheid is verzekerd, afwijkingen toestaan op § 1 voor : 1° bouwplaatsen buiten bewoonde gebieden;2° de uitvoering van werken die geen geluidshinder veroorzaken;3° de uitvoering van specifieke werken die om technische of veiligheidsredenen niet kunnen worden onderbroken. § 2. Iedere aanvraag om afwijking wordt bij aangetekende brief gericht aan de burgemeester minstens zeven werkdagen vóór de werken waarvoor de afwijking moet worden verkregen.
De burgemeester bepaalt de duur van de afwijking en koppelt hieraan voorwaarden om de hinder van de bouwplaats te beperken.
Zo de burgemeester binnen de vijf werkdagen na de indiening van de aanvraag geen beslissing heeft genomen, is het uurrooster van toepassing dat in de aanvraag om afwijking staat opgegeven.
Een afschrift van de beslissing van de burgemeester of, bij ontstentenis van een beslissing vanwege de burgemeester, een afschrift van de aanvraag om afwijking, wordt door de bouwheer, desgevallend, gehangen naast het aanplakbiljet inzake de stedenbouwkundige vergunning bedoeld in het besluit van 3 juli 1992 betreffende de aanplakking die is voorgeschreven voor stedenbouwkundige handelingen en werken.
Artikel 5 Bescherming van de openbare weg § 1. De bouwheer moet samen met de overheid die de betrokken openbare weg beheert een contradictoire plaatsbeschrijving opmaken van het begin en het einde van de werken : 1° voor alle werken op de openbare weg;2° voor alle werken buiten de openbare weg wanneer deze uitbreiden tot de openbare weg of een negatieve invloed hebben op de staat ervan. Als de bouwheer weigert een plaatsbeschrijving op te maken, wordt de oorspronkelijke staat geacht de goede te zijn. § 2. De contradictoire plaatsbeschrijving van het begin der werken wordt minstens acht dagen vóór de aanvang ervan opgemaakt en bestaat uit : - de naam, voornaam en hoedanigheid van de natuurlijke personen aanwezig bij de opmaak van de plaatsbeschrijving; - de datum en het uur van de plaatsbeschrijving; - een plan met aanduiding van de perimeter van de plaatsbeschrijving en met beschrijving van de staat van de voetpaden, de openbare weg, het rioleringsnet, het stadsmeubilair en de beplanting naast de bouwplaats en met vermelding van de nummers en de camerastandpunten van de foto's die eventueel gevraagd worden door een der beide partijen; - de door één der partijen gevraagde vermeldingen; - de handtekening, onderaan ieder blad van de plaatsbeschrijving, van de natuurlijke personen vermeld in het eerste streepje. § 3. De contradictoire plaatsbeschrijving van het einde der werken wordt opgemaakt uiterlijk vijftien dagen na de beëindiging van de werken en bevat : - een afschrift van de contradictoire plaatsbeschrijving van de aanvang der werken; - de datum waarop de werken zijn beëindigd; - de identeit van de bouwheer, van de bouwplaatsopzichter en van de aannemers die eventueel voor zijn rekening hebben gewerkt alsook van de beheerders van de openbare weg. § 4. Tijdens de werken : 1° is het verboden om in de nabijheid van bomen materialen op te slaan, manoeuvers uit te voeren met bouwvoertuigen of -machines en barakken te plaatsen;2° zijn de wortels, stammen en kruinen van bomen net als het stadsmeubilair, de openbare verlichting en de signalisatie op de bouwplaats of in de nabijheid ervan beschermd aan de hand van passend materiaal;3° wordt het vrijkomen van stof tijdens afbraakwerken tot een minimum beperkt aan de hand van dekzeilen en besproeiing. § 5. Na de werken dient de bouwheer de openbare weg alsook de beplanting, het stadsmeubilair, de openbare verlichting en de signalisatie in de nabije omgeving in hun oorspronkelijke staat te herstellen. Het herstel in de oorspronkelijke staat impliceert met name het opnieuw aanbrengen of de vervanging van de beschadigde beplanting, stadsmeubilair, openbare verlichting en signalisatie. § 6. Wanneer een bouwplaats de bediening of verplaatsing van de openbare weggebruikers gedurende meer dan vijftien dagen gevoelig beïnvloedt, verspreidt de bouwheer vóór de aanvang der werken een tweetalige informatiebrochure in de brievenbussen van de betrokken buurtbewoners. De brochure vermeldt met name de reden en het belang van de werken, de omvang, aard en duur ervan, de naam, het adres en telefoonnummer van de ondernemingen die de werken uitvoeren/bouwheer. Afdeling 2. - Inrichtingen
Artikel 6 Bouwplaatsinstallaties voor het personeel Onverminderd de bevoegdheid van de federale overheid inzake de bescherming van de werknemers, worden de bouwplaatsinstallaties geregeld in perfecte staat onderhouden, schoongemaakt en herschilderd.
De installaties van eenzelfde bouwplaats hebben alle zoveel mogelijk dezelfde kleur.
Artikel 7 Omheining § 1. De bouwplaatsen waarvan de duur geraamd wordt op minder dan 30 dagen, worden afgebakend door een op de grond geplaatste omheining die voldoet aan de voorwaarden die als bijlage gaan. § 2. De bouwplaatsen waarvan de duur geraamd wordt op 30 dagen of meer worden afgebakend door een omheining die voldoet aan volgende voorwaarden : 1° voldoen aan de voorschriften die als bijlage gaan;2° in de grond zijn bevestigd;3° minimum 2 meter hoog zijn;4° het publiek minstens één mogelijkheid geven de bouwplaats te bekijken;5° permanent in goede en veilige staat verkeren;6° voorzien zijn van een conforme verkeerssignalisatie en de omgeving voldoende verlichten. Inrichtingen zoals tankdeksels, luikgrendels, schakelaars en brandkranen zijn steeds bereikbaar. Afdeling 3. - Bescherming van het voetgangersverkeer
Artikel 8 Bescherming van het voetgangersverkeer § 1. Indien het risico op vallende materialen of werktuigen aanwezig is, worden de voetgangers beschermd door elementen met voldoende weerstand die minstens 2,20 meter hoog geplaatst zijn. § 2. De aanwezigheid van steigers op de openbare weg wordt duidelijk gemaakt aan de hand van verlichtingsmateriaal of rode en witte reflectoren die op iedere hoek zijn aangebracht. § 3. Indien het voetgangersverkeer wordt omgeleid langs het voetpad aan de overkant, worden een passende wegmarkering en signalisatie aangebracht zodat de voetgangers de weg veilig kunnen oversteken.
Naargelang van de dichtheid en snelheid van het verkeer worden naast de wegmarkering verkeerslichten geplaatst die met een drukknop worden bediend.
Artikel 9 Omgeleide doorgang Vóór de aanvang der werken wordt een omgeleide doorgang gemaakt wanneer de werken de breedte van het voetgangerspad, vrij van alle hinder, tot minder dan 1,5 meter beperkt.
De omgeleide doorang : 1° is beschermd tegen eventueel vallende materialen, voorwerpen of werktuigen door elementen met voldoende weerstand die minstens 2,20 meter hoog geplaatst zijn;2° heeft een minimumbreedte van 1,50 meter wanneer het bestaand voetpad 1,50 meter breed is of meer;3° is minstens even breed als het bestaande voetpad wanneer dit minstens 1,50 meter breed is;4° staat, ofwel op het niveau van het voetpad, ofwel op het niveau van de rijweg;in dit laatste geval gebeurt de aansluiting met het voetpad via een hellend vlak; 5° is beschermd tegen het autoverkeer door gepaste schuttingen en signalisatie;6° is uitgerust met stabiele, anti-slip en nette vloerbedekking;7° is voorzien van verkeerstekens die zijn aagepast aan de stad en is voldoende verlicht;8° verschaft de vergunninghouders toegang tot hun inrichtingen. Afdeling 4. - Opslag van materialen
Artikel 10 Opslagverbod op de openbare weg Materiaal mag op de openbare weg buiten de bouwplaats niet worden opgeslagen, behalve bij de levering van materiaal.
Materiaal wordt opgeslagen in een daartoe bestemde ruimte, in voorzieningen die de stabiliteit van het opgeslagen materiaal waarborgen en de verspreiding ervan tegengaan …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.