📄 Wettekst
17 JULI 2003. - Decreet ter verlening van voorrang aan een personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad is geweest, en ter invoering van de preventieve schorsing van tijdelijk aangestelde personeelsleden en de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst in de onderwijsnetten van de Franse Gemeenschap en de gesubsidieerde onderwijsnetten (1)
De Raad van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - PERSONEELSLEDEN VAN HET ONDERWIJS, GEORGANISEERD DOOR DE FRANSE GEMEENSCHAP Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en sociale promotie-onderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. HOOFDSTUK I. - Terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst Artikel 1.In artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en sociale promotie-onderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, gewijzigd door de decreten van 24 juni 1996 en van 17 juli 1998, wordt littera b) weer ingevoerd in volgende bewoordingen : « b) wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst ». Art. 2.In afdeling 4 « Terbeschikkingstelling » van hetzelfde besluit waarvan artikel 164 zoals gewijzigd de eerste onderafdeling « Algemene bepaling » vormt en de artikelen 165 tot 167ter onderafdeling 2 « Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking » vormen, wordt een onderafdeling 3 ingevoegd die als volgt luidt : « Onderafdeling 3. - Terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs Art. 167quater . - § 1. Het vastbenoemd personeelslid kan ter beschikking worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs door de in functie zijnde minister ingevolge een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, geformuleerd overeenkomstig de modaliteiten, vastgelegd door de Regering. De duur van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs mag een termijn van zes maanden, in een of meerdere periodes, op de volledige loopbaan van het personeelslid niet overschrijden.
De Regering kan echter afwijken van de beperking, bedoeld in lid 1 ten einde de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, in de loop van het schooljaar uitgesproken tegen een personeelslid, tot het einde van het lopende schooljaar te verlengen.
Tijdens de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs ontvangt het personeelslid een wachtwedde die gelijk is aan 75 % van zijn laatste activiteitswedde. Een personeelslid kan niet ter beschikking worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs wanneer de feiten waarvoor deze maatregel is voorzien, het onderwerp kunnen uitmaken van een tuchtstraf of een procedure ter vaststelling van onverenigbaarheid of wanneer het personeelslid om deze feiten strafrechtelijk wordt vervolgd. § 2. Voorafgaand aan het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moet het personeelslid uitgenodigd worden om, naar het geval, door het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of door het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs te worden gehoord. De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen waarom wordt overwogen om over te gaan tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs moeten minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting ter kennis worden gebracht van het personeelslid, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst, hetzij bij onderhandse overhandiging van een brief met bewijs van ontvangst.
Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger, gekozen onder de personeelsleden, hetzij in actieve dienst hetzij gepensioneerd, van inrichtingen van de Franse Gemeenschap of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het wettig opgeroepen personeelslid niet op de hoorzitting verschijnt of er niet vertegenwoordigd is.
Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger echter omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig lid 1 voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen.
In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de procedure geldig voortgezet.
Het personeelslid ten laste van wie een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs werd geformuleerd, kan binnen tien dagen na de kennisgeving van het voorstel, beroep aantekenen bij de raad van beroep.
De raad van beroep spreekt zich uit binnen een termijn van maximum een maand.
De raad van beroep bezorgt met betrekking tot het voorstel een met redenen omkleed advies aan de in functie zijnde minister die een beslissing neemt binnen een termijn van maximum twee weken. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid. § 3. Wanneer het personeelslid binnen de in § 2 voorgeschreven termijn geen beroep bij de raad van beroep heeft aangetekend, wordt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs na het verstrijken van de vermelde termijn aan de in functie zijnde minister doorgegeven. Deze laatste neemt een beslissing binnen een termijn van maximum twee weken. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid. » HOOFDSTUK II. - Preventieve schorsing Art. 3.In artikel 157bis , § 3, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in lid 3 worden de woorden « representatieve vakorganisatie » vervangen door « erkende vakorganisatie »;2° in lid 4 worden de woorden « niet werden gehoord » vervangen door de woorden « niet op de hoorzitting verschenen zonder omstandigheden van overmacht te kunnen inroepen ten einde hun afwezigheid tijdens de hoorzitting te rechtvaardigen »;3° tussen lid 4, zoals gewijzigd, en lid 5 dat lid 7 wordt, worden twee leden ingevoegd die als volgt luiden : « Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde zijn afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig lid 2 voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen. In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de beslissing binnen tien werkdagen na de datum waarop de hoorzitting was voorzien, bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis gebracht van het personeelslid. » Art. 4.In hoofdstuk IXbis « Preventieve schorsing : administratieve maatregel » van hetzelfde besluit, waarvan de artikelen 157bis , zoals gewijzigd, tot quinquies afdeling 1 « Preventieve schorsing van vastbenoemd personeel » vormen, wordt een afdeling 2 « Preventieve schorsing van tijdelijk aangesteld personeel » ingevoegd die als volgt luidt : « Afdeling 2 - Preventieve schorsing van tijdelijk aangesteld personeel Art. 157sexies . - § 1. Als het belang van de dienst of van het onderwijs dat vereist, kan een procedure voor preventieve schorsing worden ingesteld tegen een tijdelijk aangesteld personeelslid : 1° indien het strafrechtelijk wordt vervolgd;2° zodra de regering het, bij een ter post aangetekend schrijven, de vaststelling van onverenigbaarheid ter kennis brengt overeenkomstig de artikelen 57 tot 65. § 2. De bij onderhavige afdeling geregelde preventieve schorsing is een louter administratieve maatregel, geen straf.
De preventieve schorsing wordt uitgesproken door de Regering en met redenen omkleed. Ze is bedoeld om het personeelslid van zijn ambt uit te sluiten.
Tijdens de preventieve schorsing behoudt het personeelslid de administratieve stand van dienstactiviteit. § 3. Voor een maatregel tot preventieve schorsing wordt genomen, moet het personeelslid worden uitgenodigd om door de Regering te worden gehoord.
De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen ter rechtvaardiging van de preventieve schorsing worden ten minste drie werkdagen voor de hoorzitting ter kennis gebracht van het personeelslid, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst waardoor de preventieve schorsing ingaat drie dagen na de verzenddatum, hetzij bij onderhandse overhandiging van een brief met bewijs van ontvangst waardoor de preventieve schorsing ingaat op de datum, vermeld op het bewijs van ontvangst.
Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie, door een advocaat of een verdediger, gekozen onder de personeelsleden van inrichtingen van de Franse Gemeenschap, hetzij in actieve dienst hetzij gepensioneerd.
De beslissing wordt binnen tien werkdagen na de datum, voorzien voor de hoorzitting, aan het personeelslid meegedeeld bij een ter post aangetekend schrijven, en dit zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen zonder omstandigheden van overmacht te kunnen inroepen ten einde hun afwezigheid tijdens de hoorzitting te rechtvaardigen.
Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig lid 2 voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen.
In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de beslissing binnen tien werkdagen na de datum, voorzien voor de hoorzitting, bij een ter post aangetekend schrijven aan het personeelslid meegedeeld.
Wanneer de beslissing tot de preventieve schorsing van het personeelslid leidt, gaat deze in op de derde werkdag na de verzenddatum. § 4. In afwijking van § 3, lid 1, kan het personeelslid op staande voet uit zijn ambt worden ontheven in geval van op heterdaad vastgestelde zware fout of wanneer de grieven die het worden verweten van een zodanig ernstige aard zijn dat het in het belang van het onderwijs wenselijk is dat het personeelslid niet meer in de school aanwezig is.
De procedure voor preventieve schorsing moet overeenkomstig de bepalingen van onderhavig artikel worden ingesteld binnen tien werkdagen na de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke uitsluiting werd genomen. Bij ontstentenis wordt de maatregel tot onmiddellijke uitsluiting na de voorgeschreven termijn opgeheven en kan het personeelslid niet opnieuw wegens dezelfde zware fout of dezelfde grieven worden uitgesloten tenzij de procedure voor preventieve schorsing, zoals met name voorzien in § 3 van onderhavig artikel, wordt gevolgd.
De maatregel tot onmiddellijke uitsluiting wordt uitgesproken door de Regering.
Het personeelslid dat op staande voet werd uitgesloten behoudt de administratieve stand van dienstactiviteit. § 5. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 157nonies mag de duur van de preventieve schorsing in het kader van de vaststelling van onverenigbaarheid niet langer zijn dan zes maanden; in het kader van strafrechtelijke vervolgingen is de duur van de preventieve schorsing niet tot zes maanden beperkt.
Art. 157septies . - Ieder preventief geschorst personeelslid behoudt het recht op zijn wedde.
In afwijking van lid 1 wordt de wedde van ieder preventief geschorst personeelslid, dat : 1° in het kader van strafrechtelijke vervolgingen wordt verdacht of beklaagd;2° niet definitief strafrechtelijk werd veroordeeld, waartegen het personeelslid zijn gewone rechten op beroep heeft laten gelden; op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld.
Deze weddevermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde minder zou bedragen dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het personeelslid recht zou hebben volgens de regeling voor maatschappelijke zekerheid van de werknemers.
Deze weddevermindering gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het personeelslid verdacht of beklaagd wordt of op de dag na de uitspraak van de niet definitieve veroordeling.
Art. 157octies . - Op het einde van de strafrechtelijke procedure wordt de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken, uitgezonderd wanneer : 1° artikel 168, 2°, b) , of 7° wordt toegepast;2° tegen het personeelslid een definitieve strafrechtelijke veroordeling wordt uitgesproken. Als de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken wordt in toepassing van lid 1, ontvangt het personeelslid het aanvullende deel van zijn weddetoelage dat in het begin werd ingehouden, vermeerderd met de achterstallige intresten, berekend tegen de wettelijke rentevoet, die verschuldigd zijn sedert de dag waarop de vermindering werd toegepast.
Het personeelslid behoudt de bedragen die het tijdens de preventieve schorsing heeft ontvangen.
Art. 157nonies . - De procedure voor preventieve schorsing alsook de maatregelen, genomen tegen een tijdelijk aangesteld personeelslid in toepassing van onderhavige afdeling, nemen van rechtswege een einde op de dag waarop de aanstelling een einde neemt en uiterlijk op 30 juni van het lopende schooljaar behalve voor de prioritaire tijdelijken bedoeld in artikel 46, § 1.
Als het personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling de hoedanigheid van vastbenoemde verwerft, zijn de bepalingen van afdeling één van onderhavig hoofdstuk op hem van toepassing. » HOOFDSTUK III. - Voorrang, verleend aan personeelsleden die het slachtoffer van een gewelddaad waren Art. 5.In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk IIIbis ingevoegd, dat als volgt luidt : « Hoofdstuk IIIbis . - Personeelsleden die het slachtoffer van een gewelddaad waren Afdeling 1 . - Algemene bepalingen
Art. 51bis . - Voor de toepassing van hoofdstuk IIIbis dient onder gewelddaad te worden verstaan : elke lichamelijke en/of psychologische aanslag, uitgevoerd met kwaadwillige bedoeling, elke vorm van agressie van raciale, religieuze of seksistische aard tegen een personeelslid alsook iedere vernieling van goederen van laatstgenoemde, begaan hetzij door een leerling, hetzij door een derde op instigatie of met medeplichtigheid van deze, hetzij door een familielid van de leerling of iedere andere onder hetzelfde dak wonende persoon, in het kader van de dienst van het personeelslid of in rechtstreeks verband ermee, hetzij door iedere andere persoon die niet tot het personeel van de inrichting behoort voor zover door het slachtoffer wordt aangetoond dat de gewelddaad rechtstreeks verband houdt met de dienst.
Onder « personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad is geweest » dient te worden verstaan : het vastbenoemde, prioritair tijdelijk of tijdelijk aangestelde personeelslid, dat door de Regeringsdienst bedoeld in artikel 6 van het
koninklijk besluit van 24 januari 1969Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/01/1969
pub.
11/01/2002
numac
2001001040
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
24/01/1969
pub.
01/06/2023
numac
2023042376
bron
federale overheidsdienst personeel en organisatie
Koninklijk besluit betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten betreffende de schadevergoeding, ten voordele van het personeel uit de openbare sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, wordt erkend als slachtoffer van een arbeidsongeval dat het resultaat is van de daad, bepaald in lid 1.
Artikel 51quater tot octies is niet van toepassing voor zover het slachtoffer klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.
Als de gewelddaad buiten de inrichting werd begaan, wordt het verzoek tot voorrang alleen in overweging genomen voor zover de dader van de gewelddaad werd geïdentificeerd.
Art. 51ter . - § 1. Het personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad waren, geniet van het stelsel, bepaald in afdeling 2 als het een niet gerangschikte tijdelijk betreft, in afdeling 3 als het een tijdelijke betreft gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 juli 1969 tot vastlegging van de regels volgens dewelke de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in een staatsinstelling voor onderwijs, in afdeling 4 als het een tijdelijke betreft gerangschikt in de eerste groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit, in afdeling 5 als het om een prioritair tijdelijke gaat en in afdeling 6 wanneer het een vastbenoemde betreft. § 2. In geval dat het personeelslid bedoeld in § 1 door de administratieve gezondheidsdienst niet tijdelijk arbeidsongeschikt werd bevonden en behoudens behoorlijk gerechtvaardigde overmacht, dient het personeelslid bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst binnen een termijn van een maand na de dag waarop de feiten zich hebben voorgedaan, een verzoek in om van het stelsel, bepaald in afdeling 2 tot 5, te kunnen genieten bij, naar het geval, het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs die nagaan of aan de voorwaarden van onderhavig decreet is voldaan.
Binnen diezelfde termijn stuurt het personeelslid eveneens bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst een kopie van dit verzoek aan zijn instellingshoofd.
In geval dat het personeelslid door de administratieve gezondheidsdienst tijdelijk arbeidsonbekwaam werd bevonden, dient het personeelslid het verzoek bedoeld in lid 1 in binnen een termijn van een maand nadat hij zijn ambt weer heeft opgenomen.
Het verzoek vermeldt aan welke zones het personeelslid de voorkeur geeft om er zijn ambt uit te oefenen. Een kopie van de klacht bedoeld in § 1 wordt bijgevoegd alsook een kopie van de erkenning van het arbeidsongeval door de Regeringsdienst bedoeld in artikel 6 van het
koninklijk besluit van 24 januari 1969Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/01/1969
pub.
11/01/2002
numac
2001001040
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
24/01/1969
pub.
01/06/2023
numac
2023042376
bron
federale overheidsdienst personeel en organisatie
Koninklijk besluit betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten betreffende de schadevergoeding, ten voordele van het personeel uit de openbare sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. § 3. Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, brengt binnen acht werkdagen na ontvangt van het verzoek bedoeld in § 2 advies uit aan de in functie zijnde minister. Een kopie van dit advies wordt aan het instellingshoofd alsook aan het betrokken personeelslid bezorgd.
De in functie zijnde minister neemt binnen acht werkdagen de beslissing dat van het stelsel kan worden genoten. Deze beslissing wordt onmiddellijk aan het instellingshoofd en aan het betrokken personeelslid meegedeeld. Afdeling 2 . - Recht op een nieuwe aanstelling van niet gerangschikte
tijdelijk aangestelden Art. 51quater . - § 1. Het niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid, slachtoffer van een gewelddaad, kan om een aanstelling in een andere instelling verzoeken overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in afdeling één.
Het verzoek om een nieuwe aanstelling wordt alleen in overweging genomen als de oorspronkelijke aanstelling geen einde neemt voor een termijn van een maand na het indienen van het verzoek is verstreken.
De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in onderhavig artikel mag niet korter zijn dan de resterende duur van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling, behoudens wanneer het betrokken personeelslid ermee instemt. Een aanstelling met een kortere duur dan die van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling kan niettemin aan het slachtoffer van een gewelddaad worden opgelegd op voorwaarde dat deze betrekking beschikbaar is voor een termijn van ten minste vijftien weken en dat het personeelslid aan wie deze aanstelling wordt opgelegd, geen enkel recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen deze aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 2. De in functie zijnde minister stelt het niet gerangschikte personeelslid, bedoeld in onderhavig artikel, aan a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt waarvoor er geen gerangschikte kandidaat is of b) in iedere betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een tijdelijk aangesteld personeelslid dat vrijwillig aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen. Littera b) geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het niet gerangschikt personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen nieuwe aanstelling kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, stelt de in functie zijnde minister het personeelslid aan in een betrekking van hetzelfde ambt dat reeds door een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid wordt bekleed aan wie hij oplegt om met het slachtoffer van een gewelddaad van post te ruilen.
Voorgaand lid geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. Tijdens de periode van bezoldigd verlof waarvan het personeelslid dat slachtoffer van een gewelddaad is geweest en ten gevolge hiervan arbeidsonbekwaam is bevonden, geniet, wordt dit personeelslid geacht om effectief in dienst te zijn. Met betrekking tot de dienstanciënniteit wordt deze evenwel beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 5. Tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid slachtoffer van een gewelddaad is geweest, kan het tijdelijk aangesteld personeelslid niet opnieuw worden aangesteld in de inrichting waar hij het slachtoffer van deze daad is geweest, behoudens akkoord zijnerzijds en op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het
koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012230
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012229
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012228
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
sluiten betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar hij slachtoffer van een gewelddaad is geweest, verder uit te oefenen. § 6. In afwijking van artikel 31, 9°, kan de niet gerangschikte tijdelijk aangestelde die een geldige kandidatuur voor een aanstelling als prioritaire tijdelijke voor het volgende schooljaar heeft ingediend, de door hem gekozen inrichtingen na de termijn, meegedeeld in de oproep aan de kandidaten, wijzigen op voorwaarde dat het door een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het
koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012230
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012229
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012228
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
sluiten betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de in functie zijnde minister toekomt. Afdeling 3 . - Recht op een nieuwe aanstelling van tijdelijk
aangestelden, gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969.
Art. 51quinquies . - § 1. Het tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de tweede groep, bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, dat het slachtoffer van een gewelddaad was, kan om een aanstelling in een andere inrichting verzoeken overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in afdeling één.
Het verzoek om een nieuwe aanstelling wordt alleen in overweging genomen als de oorspronkelijke aanstelling geen einde neemt voor een termijn van een maand na het indienen van het verzoek is verstreken.
De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in onderhavig artikel mag niet korter zijn dan de resterende duur van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling, behoudens wanneer het betrokken personeelslid ermee instemt. Een aanstelling met een kortere duur dan die van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling kan niettemin aan het slachtoffer van een gewelddaad worden opgelegd op voorwaarde dat deze betrekking beschikbaar is voor een termijn van ten minste vijftien weken en dat het personeelslid aan wie deze aanstelling wordt opgelegd, geen enkel recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen deze aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 2. De in functie zijnde minister stelt het tijdelijk aangestelde personeelslid, bedoeld in onderhavige afdeling, aan a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt, toebehorend aan de inrichting van de zone(s), vermeld in de kandidaatstelling bedoeld in artikel 23 waarbij rekening wordt gehouden met de voorkeuren wat de zone betreft of b) in de betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een tijdelijk aangesteld personeelslid dat aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen. Littera b) geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het tijdelijk aangesteld personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen nieuwe aanstelling kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, stelt de in functie zijnde minister het personeelslid aan in een betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door 1° een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid aan wie hij oplegt om met het slachtoffer van een gewelddaad van post te ruilen;2° bij ontstentenis, een tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, aan wie hij oplegt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen. Voorgaand lid geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. Tijdens de periode van bezoldigd verlof waarvan het personeelslid dat slachtoffer van een gewelddaad is geweest en ten gevolge hiervan arbeidsonbekwaam is bevonden, geniet, wordt dit personeelslid geacht om effectief in dienst te zijn. Met betrekking tot de dienstanciënniteit wordt deze evenwel beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 5. Op voorwaarde dat het tijdelijk aangesteld personeelslid door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het
koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012230
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012229
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012228
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
sluiten betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen, kan het tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid slachtoffer van een gewelddaad is geweest, niet opnieuw worden aangesteld in de inrichting waar het personeelslid het slachtoffer van deze daad was, behoudens akkoord zijnerzijds. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de in functie zijnde minister toekomt. § 6. In afwijking van artikel 18, 8° kan de gerangschikte tijdelijk aangestelde die een geldige kandidatuur voor een aanstelling als tijdelijk aangestelde voor het volgende schooljaar heeft ingediend, de door hem gekozen inrichtingen na de termijn, meegedeeld in de oproep aan de kandidaten, wijzigen op voorwaarde dat het door een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het
koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012230
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012229
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012228
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
sluiten betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen.
In afwijking van artikel 31, 9° kan de gerangschikte tijdelijk aangestelde die een geldige kandidatuur voor een aanstelling als prioritaire tijdelijke voor het volgende schooljaar heeft ingediend, de door hem gekozen inrichtingen na de termijn, meegedeeld in de oproep aan de kandidaten, wijzigen op voorwaarde dat het door een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het
koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012230
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012229
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012228
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
sluiten betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de in functie zijnde minister toekomt. Afdeling 4 . - Recht op een nieuwe aanstelling van tijdelijk
aangestelden, gerangschikt in de eerste groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969.
Art. 51sexies . - § 1. Het tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de eerste groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, dat het slachtoffer van een gewelddaad was, kan om een aanstelling in een andere inrichting verzoeken overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in afdeling één.
Het verzoek om een nieuwe aanstelling wordt alleen in overweging genomen als de oorspronkelijke aanstelling geen einde neemt voor een termijn van een maand na het indienen van het verzoek is verstreken.
De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in onderhavig artikel mag niet korter zijn dan de resterende duur van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling, behoudens wanneer het betrokken personeelslid ermee instemt. Een aanstelling met een kortere duur dan die van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling kan niettemin aan het slachtoffer van een gewelddaad worden opgelegd op voorwaarde dat deze betrekking beschikbaar is voor een termijn van ten minste vijftien weken en dat het personeelslid aan wie deze aanstelling wordt opgelegd, geen enkel recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen deze aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 2. De in functie zijnde minister stelt het tijdelijk aangestelde personeelslid, bedoeld in onderhavige afdeling, aan a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt, toebehorend aan de inrichting van de zone(s), vermeld in de kandidaatstelling bedoeld in artikel 23, of b) in de betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een tijdelijk aangesteld personeelslid dat aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen. Littera b) geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het tijdelijk aangesteld personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen nieuwe aanstelling kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, stelt de in functie zijnde minister het personeelslid aan in een betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door 1° een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid aan wie hij oplegt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen;2° bij ontstentenis, een tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, aan wie hij oplegt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen. Voorgaand lid geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. Tijdens de periode van bezoldigd verlof waarvan het personeelslid dat slachtoffer van een gewelddaad was en ten gevolge hiervan arbeidsonbekwaam is bevonden, geniet, wordt dit personeelslid geacht om effectief in dienst te zijn. Met betrekking tot de dienstanciënniteit wordt deze evenwel beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 5. Tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid slachtoffer van een gewelddaad was, kan het tijdelijk aangesteld personeelslid niet opnieuw worden aangesteld in de inrichting waar hij het slachtoffer van deze daad was, behoudens akkoord van zijnerzijds en op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het
koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012230
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012229
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012228
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
sluiten betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. § 6. In afwijking van artikel 18, 8° kan de tijdelijk aangestelde die een geldige kandidatuur voor een aanstelling als tijdelijk aangestelde voor het volgende schooljaar heeft ingediend, de door hem gekozen inrichtingen na de termijn, meegedeeld in de oproep aan de kandidaten, wijzigen op voorwaarde dat het door een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het
koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012230
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012229
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012228
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
sluiten betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen.
In afwijking van artikel 31, 9° kan de gerangschikte tijdelijk aangestelde die een geldige kandidatuur voor een aanstelling als prioritaire tijdelijke voor het volgende schooljaar heeft ingediend, de door hem gekozen inrichtingen na de termijn, meegedeeld in de oproep aan de kandidaten, wijzigen op voorwaarde dat het door een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het
koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012230
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012229
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012228
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
sluiten betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de in functie zijnde minister toekomt. Afdeling 5 . - Recht op wijziging van gelegenheidsaffectatie van
personeelsleden, aangesteld als prioritaire tijdelijke Art. 51septies . - § 1. Het personeelslid, aangesteld als prioritaire tijdelijke, kan een verzoek tot gelegenheidsaffectatiewijziging in een andere inrichting in dezelfde zone of in een andere zone indienen overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in afdeling één en tot uiterlijk het einde van het lopende schooljaar.
Het verzoek bedoeld in artikel 51ter , § 2 vermeldt in welke affectatiezone(s) het personeelslid van een gelegenheidsaffectatiewijziging wenst te genieten alsook de inrichtingen waarin het wenst te worden geaffecteerd. Het personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geeft bovendien aan als het aanvaardt om in een niet vacante betrekking te worden aangesteld.
Het verzoek bedoeld in voorgaande leden kan op ieder ogenblik tijdens het jaar worden ingediend; gelijktijdig wordt een kopie van dit verzoek aan de voorzitter van de betrokken zonale affectatiecommissie(s) en, in voorkomend geval, aan de voorzitter van de interzonale affectatiecommissie bezorgd.
De zonale affectatiecommissie(s) en, in voorkomend geval, de interzonale affectatiecommissie stel(llen)t aan de Regering de gelegenheidsaffectatiewijzigingen voor die zij met inachtneming van § 2 het meest gepast acht(en). § 2. De in functie zijnde minister kent een gelegenheidsaffectatiewijziging toe aan het personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1; of b) in een betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een tijdelijk aangesteld personeelslid dat aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1. Littera b) geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het prioritair tijdelijk aangesteld personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen gelegenheidsaffectatiewijziging kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, kent de in functie zijnde minister deze gelegenheidsaffectatiewijziging toe in iedere betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door 1° een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid aan wie hij oplegt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1;2° bij ontstentenis, een tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, aan wie hij oplegt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1. Voorgaand lid geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. De in functie zijnde minister bezorgt aan de voorzitter van de betrokken zonale affectatiecommissie een kopie van de akte van gelegenheidsaffectatiewijziging.
In het geval dat het personeelslid een gelegenheidsaffectatiewijziging bekomt in een inrichting, toebehorend aan een andere zone dan de zone van de inrichting waar het personeelslid het slachtoffer van een gewelddaad was, bezorgt de in functie zijnde minister eveneens een kopie van de akte van gelegenheidsaffectatiewijziging aan de voorzitter van de interzonale affectatiecommissie. § 5. In afwijking van artikel 33, lid 3, en van artikel 46, § 2 kan de prioritaire tijdelijke een verzoek tot gelegenheidsaffectatiewijziging indienen voor het volgende schooljaar of de door hem gekozen inrichtingen na de vastgestelde datum wijzigen op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het
koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012230
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012229
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012228
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
sluiten betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de in functie zijnde minister toekomt. Afdeling 6 . - Recht op wijziging van gelegenheidsaffectatie van
vastbenoemde personeelsleden Art. 51octies . - § 1. Het vastbenoemd personeelslid kan een verzoek tot gelegenheidsaffectatiewijziging in een andere inrichting in dezelfde zone of in een andere zone indienen overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in afdeling één.
Het verzoek bedoeld in artikel 51ter , § 2 vermeldt in welke affectatiezone(s) het personeelslid van een gelegenheidsaffectatiewijziging wenst te genieten alsook de inrichtingen waarin het wenst te worden geaffecteerd.
Het verzoek bedoeld in voorgaande leden kan onverminderd § 2, laatste lid, op ieder ogenblik tijdens het jaar worden ingediend; gelijktijdig wordt een kopie van dit verzoek aan de voorzitter van de betrokken zonale affectatiecommissie(s) en, in voorkomend geval, aan de voorzitter van de interzonale affectatiecommissie bezorgd.
De zonale affectatiecommissie(s) en, in voorkomend geval, de interzonale affectatiecommissie stel(llen)t aan de Regering de gelegenheidsaffectatiewijzigingen voor die zij met inachtneming van § 2 het meest gepast acht(en). § 2. De in functie zijnde minister kent een gelegenheidsaffectatiewijziging toe aan het personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt, voor een ononderbroken duur van ten minste vijftien weken of tot het einde van het lopende schooljaar, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1; of b) in een betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een tijdelijk aangesteld personeelslid dat aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1. Littera b) geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het vastbenoemd personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen gelegenheidsaffectatiewijziging kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, kent de in functie zijnde minister deze gelegenheidsaffectatiewijziging toe in iedere betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door 1° een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid aan wie hij oplegt om van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1;2° bij ontstentenis, een tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, aan wie hij oplegt om van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1. Voorgaand lid geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. De in functie zijnde minister bezorgt aan de voorzitter van de betrokken zonale affectatiecommissie een kopie van de akte van gelegenheidsaffectatiewijziging.
In het geval dat het personeelslid een gelegenheidsaffectatiewijziging bekomt in een inrichting, toebehorend aan een andere zone dan de zone van de inrichting waar het personeelslid het slachtoffer van een gewelddaad was, bezorgt de in functie zijnde minister eveneens een kopie van de akte van gelegenheidsaffectatiewijziging aan de voorzitter van de interzonale affectatiecommissie. § 5. In afwijking van artikel 48, § 2 en § 3 kan het personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad was, na 31 januari van het lopende schooljaar tijdens hetwelk het het slachtoffer was, een verzoek tot affectatiewijziging indienen voor het volgende schooljaar of de reeds door hem gekozen inrichtingen wijzigen op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het
koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012230
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012229
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/03/1998
pub.
31/03/1998
numac
1998012228
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
sluiten betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de voorzitter van de zonale of interzonale affectatiecommissie toekomt. » TITEL II. - PERSONEELSLEDEN VAN HET OFFICIEEL GESUBSIDIEERD ONDERWIJS HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs Afdeling 1 . - Terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het
belang van de dienst Art. 6.In het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, wordt hoofdstuk XI, opgeheven door het
decreet van 17 juli 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
17/07/1998
pub.
25/11/1999
numac
1999029118
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende de eerste aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1998
type
decreet
prom.
17/07/1998
pub.
28/08/1998
numac
1998029357
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende diverse dringende maatregelen in verband met het onderwijs
type
decreet
prom.
17/07/1998
pub.
04/12/1998
numac
1998029459
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende de eerste aanpassing van de middelenbegroting van de Franse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1998
type
decreet
prom.
17/07/1998
pub.
12/01/2000
numac
1999029619
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1999
type
decreet
prom.
17/07/1998
pub.
04/12/1998
numac
1998029458
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende de middelenbegroting van de Franse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1999
sluiten, hersteld in de volgende vorm : « Hoofdstuk XI. - Terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs Art. 81.- Het vastbenoemd personeelslid kan ter beschikking worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs door de inrichtende macht ingevolge een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, geformuleerd overeenkomstig de modaliteiten, vastgelegd door de Regering. De duur van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs mag een termijn van zes maanden, in een of meerdere periodes, op de volledige loopbaan van het personeelslid niet overschrijden.
Van de beperking bedoeld in lid 1 kan echter worden afgeweken ten einde de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, in de loop van het schooljaar uitgesproken tegen een personeelslid, tot het einde van het lopende schooljaar te verlengen.
Het verzoek tot afwijking wordt ter goedkeuring door de inrichtende macht aan de Regering voorgelegd.
Tijdens de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs ontvangt het personeelslid een wachtwedde die gelijk is aan 75 % van zijn laatste activiteitswedde.
Een inrichtende macht kan een personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs wanneer de feiten waarvoor deze maatregel is voorzien, het onderwerp kunnen uitmaken van een tuchtstraf of een procedure ter vaststelling van onverenigbaarheid of wanneer het personeelslid om deze feiten strafrechtelijk wordt vervolgd. Art. 82.- Voorafgaand aan het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moet het personeelslid uitgenodigd worden om door de inrichtende macht te worden gehoord.
De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen waarom de inrichtende macht overweegt om het personeelslid ter beschikking te stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moeten minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting ter kennis worden gebracht van het personeelslid, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst, hetzij bij onderhandse overhandiging van een brief met bewijs van ontvangst.
Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger, gekozen onder de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, hetzij in actieve dienst hetzij gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het wettig opgeroepen personeelslid niet op de hoorzitting verschijnt of er niet vertegenwoordigd is.
Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger echter omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig voorgaande leden voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen.
In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de procedure geldig voortgezet. Art. 83.- § 1. De inrichtende macht brengt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs ter kennis van het personeelslid die binnen tien dagen na de kennisgeving van dit voorstel beroep kan aantekenen bij de bevoegde raad van beroep.
Het personeelslid dat beroep aantekent, stelt de inrichtende macht daarvan onmiddellijk in kennis door voorlegging van een kopie.
De raad van beroep spreekt zich uit binnen een termijn van maximum een maand na ontvangst van het beroep.
De raad van beroep bezorgt een met redenen omkleed advies aan, naar het geval, het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs.
Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, bezorgen binnen een termijn van maximum twee weken na ontvangst van het advies van de raad van beroep een advies aan de in functie zijnde minister. Met het oog hierop beroepen zij zich op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.
Een kopie van het advies bedoeld in voorgaande paragrafen wordt overgemaakt aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid.
De in functie zijnde minister staat het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs toe of wijst het af binnen een termijn van maximum twee weken. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid.
Ingeval het voorstel wordt afgewezen, kan de inrichtende macht het personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs.
Ingeval het voorstel wordt toegestaan, kan de inrichtende macht het personeelslid ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs. § 2. Wanneer het personeelslid binnen de in § 1 voorgeschreven termijn geen beroep bij de raad van beroep heeft aangetekend, wordt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs na het verstrijken van de vermelde termijn, naar het geval, aan het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs doorgegeven.
Het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs tegen hetwelk geen beroep werd aangetekend, kan door de inrichtende macht op haar risico worden uitgevoerd.
Naar het geval, brengt het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs een advies uit binnen een termijn van maximum twee weken na ontvangst van het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs. Met het oog hierop beroepen zij zich op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.
Een kopie van het advies bedoeld in voorgaand lid wordt overgemaakt aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid.
De in functie zijnde minister staat het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs toe of wijst het af binnen een termijn van maximum twee weken. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid.
In geval het voorstel wordt afgewezen, kan de inrichtende macht het personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.