📄 Wettekst
8 FEBRUARI 2018. - Decreet betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen (1)
Het Waals Parlement heeft aangenomen en Wij, Waalse Regering, bekrachtigen hetgeen volgt: TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet aangelegenheden bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet. Art. 2.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° agentschap : het "Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles" (Waals agentschap voor gezondheid, sociale bescherming, handicap en gezinnen), bedoeld in artikel 2 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;2° bijslagtrekkende : een natuurlijke of rechtspersoon die het kind opvoedt en die overeenkomstig dit decreet aangewezen wordt om de gezinsbijslagen geheel of gedeeltelijk te ontvangen;3° kinderbijslagen : het geheel van de voordelen bedoeld in Titel III, met uitzondering van het kraamgeld en de adoptiepremie bedoeld in hoofdstuk I van Titel III;4° sociaal verzekerde : elke persoon die wegens zijn socioprofessionele toestand onder het toepassingsgebied valt van een EG-Verordening, van een Europese Richtlijn of van een bilaterale overeenkomst betreffende sociale zekerheid en die, overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het samenwerkingsakkoord 6 september 2017 betreffende de aanknopingsfactoren een recht tot de gezinsbijslagen kan openen;5° houder van een verblijfstitel : de persoon die niet over de Belgische nationaliteit beschikt en die toegelaten of gemachtigd is, om in België om in België te verblijven of om er zich te vestigen overeenkomstig de bepalingen van de
wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/12/1980
pub.
12/04/2012
numac
2012000231
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
type
wet
prom.
15/12/1980
pub.
20/12/2007
numac
2007000992
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;6° kinderbijslagfonds : een privaat kinderbijslagfonds erkend overeenkomstig artikel 56 of het "Caisse publique wallonne d'allocations familiales" (Waals Openbaar Kinderbijslagfonds) ingesteld krachtens artikel 23;7° wettelijke woonplaats : de plaats waar een persoon in de bevolkingsregisters is ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf overeenkomstig artikel 32, 3°, van het Gerechtelijk wetboek;8° rechtgevend kind : elke minderjarige of meerderjarige persoon die aan de bij dit decreet bepaalde voorwaarden voor de opening van het recht voldoet en ten gunste van wie minstens één van de in titel 3 bedoelde bijslagen wordt gestort;9° vermist kind: het kind van minder dan achttien jaar dat onvrijwillig niet langer op zijn woonplaats is, waarvan men geen nieuws heeft, of dat onwettelijk onttrokken is aan het gezag van zijn ouders, van zijn vader, van zijn moeder of van de persoon of de instelling die onmiddellijk voor de ontvoering overeenkomstig artikel 22 bijslagtrekkende is, en van wie het verdwijnen het voorwerp heeft uitgemaakt van een klacht of een verklaring bij de politie, het parket of bij de Belgische bevoegde administratieve overheden;10° werkdagen : alle kalenderdagen met uitzondering van de zaterdag, zondag en de wettelijke en reglementaire feestdagen;11° AKBW : de algemene kinderbijslag
wet van 19 december 1939Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1939
pub.
15/01/2015
numac
2014000940
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Algemene kinderbijslagwet
sluiten;12°
wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/06/1921
pub.
19/08/2013
numac
2013000498
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten : de
wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/06/1921
pub.
19/08/2013
numac
2013000498
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten over de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;13° gezin : het geheel van de personen die op hetzelfde adres wonen overeenkomstig artikel 32, 3°, van het Gerechtelijk wetboek;14° feitelijk gezin : het samenwonen van personen die niet echtgenoten, noch bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad zijn en die hun gezinsproblemen in onderlinge overeenstemming regelen waarbij ze hun respectieve hulpmiddelen, zelfs gedeeltelijk, bundelen;15° familielid : de bloedverwante in de eerste graad, de persoon die niet bloed- of aanverwante tot en met de derde graad met deze bloedverwante is en met wie laatstgenoemde leeft en een feitelijk gezin vormt of een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd, de echtgenote van de bloedverwante en hun eigen of gezamenlijke kinderen;16° Minister : de Minister die voor de Gezinsbijslagen bevoegd is;17° gezinsbijslagen : het geheel van de voordelen bedoeld in Titel III;18° bevolkingsregisters : de registers bedoeld in artikel 1, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1993 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;19° standplaats : bij gebrek aan wettelijke woonplaats, de plaats waar de persoon eigenlijk gewoonlijk verblijft;20° inkomsten : de belastbare bruto-inkomsten, vóór de aftrek van de beroepskosten, die in aanmerking worden genomen voor de toekenning van de toeslagen bedoeld in de artikelen 11 tot 13. Wat punt 8° betreft, wordt niet als vermist kind beschouwd, het kind dat naar alle waarschijnlijkheid overleden is in omstandigheden zoals ongevallen of rampen, zelfs indien zijn lichaam niet teruggevonden is. Art. 3.Behalve uitdrukkelijk voorziene uitzondering is dit decreet van toepassing op de rechtgevende kinderen geboren vanaf de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid.
TITEL II. - Rechtgevend kind Art. 4.Onverminderd de internationale overeenkomsten die in het Franse taalgebied vigerend zijn, opent een recht op gezinsbijslagen, het kind : 1° dat zijn wettelijke woonplaats heeft op het grondgebied van het Franse taalgebied of dat werkelijk in het Franse taalgebied verblijft, waarbij hij/zij geen wettelijke woonplaats heeft en, 2° van Belgische nationaliteit is of dat houder is van een verblijfstitel in België, of van wie de ouders staatloos zijn. Het attest van immatriculatie vormt in geen geval een verblijfstitel in de zin van dit decreet.
Het kind uit een derde land dat gemachtigd is om in België te verblijven om onderwijs te volgen, wordt geacht niet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden te voldoen.
Voor de toekenning van de kinderbijslagen in de zin van dit decreet wordt vrijgesteld van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, het kind van wie de ouders Europese onderdanen of onderdanen van derde Staten zijn, die vallen onder het toepassingsgebied van Verordening nr. 883/2004 van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en die een economische activiteit uitoefenen op het grondgebied van het Franse taalgebied.
Geacht wordt een economische activiteit uit te oefenen op het grondgebied van het Franse taalgebied, de bijslagtrekkende aangesloten bij één van de kinderbijslagfondsen.
De Regering kan bepalen onder welke voorwaarden het kind dat niet beschikt over de Belgische nationaliteit en dat niet houder is van een verblijfstitel, in aanmerking komt voor de gezinsbijslagen toegekend overeenkomstig dit decreet.
Wanneer het kind geen woonplaats in België heeft, kan de sociaal verzekerde binnen de perken bedoeld bij de toepasselijke supranationale regelingen, ten gunste van de kinderen, die lid zijn van zijn familie, een recht op de gezinsbijslagen openen. Art. 5.§ 1. De gezinsbijslagen worden onvoorwaardelijk toegekend ten gunste van het in artikel 4 bedoelde rechtgevend kind tot 31 augustus van het kalenderjaar tijdens welk hij/zij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. § 2. In afwijking van § 1 wordt het recht op een toeslag voor een in artikel 16 bedoeld kind dat een aandoening heeft, toegekend tot het einde van de maand waarin het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt. § 3. De gezinsbijslagen worden overigens ten gunste van het rechtgevend kind toegekend vanaf 1 september van het kalenderjaar waarin hij/zij de leeftijd van achttien jaar bereikt en tot het einde van de maand waarin hij/zij de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt, behalve als hij/zij in één van de moeilijkheden bepaald door de Regering verkeert, met name omdat hij/zij buiten de door de Regering bepaalde grenzen een beroepsactiviteit uitoefent of omdat hij/zij in aanmerking komt voor een socialezekerheidsuitkering die niet toegelaten wordt door de Regering. § 4. De gezinsbijslagen worden ten gunste van het rechtgevend kind toegekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij/zij de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt en uiterlijk tot het einde van de maand waarin hij/zij de leeftijd van vijfentwintig jaar bereikt, onder de door de Regering bepaalde voorwaarden : 1° ten gunste van de persoon met een leercontract;2° ten gunste van het kind dat onderwijs volgt of een stage doorloopt om benoemd te kunnen worden in een ambt;3° ten gunste van het kind dat een afstudeerrichting volgt in een onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd overeenkomstig artikel 24 van de Grondwet door één van de Gemeenschappen van België of in een onderwijs gevolgd buiten het Koninkrijk bij een door een buitenlandse overheid erkende inrichting;4° voor de door haar bepaalde periode, ten gunste van het kind dat niet meer leerplichtig is, ingeschreven als werkzoekende en dat zijn studies of een leeropleiding heeft voltooid. De Regering bepaalt eveneens onder welke voorwaarden de uitoefening van een winstgevende activiteit of het genieten van een sociale bijslag de toepassing van deze paragraaf niet belemmert. § 5. De Regering kan algemene en individuele afwijkingen verlenen wanneer de voorwaarden bedoeld in 1° tot 4° van § 4 van dit artikel niet vervuld worden. Art. 6.§ 1. Het recht op de gezinsbijslagen wordt gehandhaafd ten gunste van het vermist kind indien hij/zij op het moment van zijn/haar verdwijning de hoedanigheid van rechtgevend kind in de zin van de artikelen 4 en 5, §§ 1 en 2, heeft.
Voor de toepassing van dit decreet wordt het vermist kind geacht verder deel uit te maken van het gezin waarin hij/zij zich op het moment van zijn/haar verdwijning bevond.
De gezinsbijslagen worden ten gunste van het vermist kind toegekend vanaf de datum van de verdwijning.
De gezinsbijslagen worden ten gunste van het vermist kind toegekend tot het einde van de maand waarin hij/zij de leeftijd van achttien jaar bereikt.
Wanneer het vermist kind teruggevonden wordt, wordt het recht op de gezinsbijslagen opnieuw onderzocht overeenkomstig de artikelen 4 en 5, §§ 1 tot 4, en binnen de grenzen van artikel 84 opnieuw geopend. § 2. Het in § 1 bedoelde recht wordt geopend alleen bij gebrek aan een recht op de gezinsbijslagen overeenkomstig andere Belgische of buitenlandse regelingen of krachtens bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van een instelling van internationaal publiek recht.
TITEL III. - Gezinsbijslagen HOOFDSTUK I. - Kraamgeld en adoptiepremie Art. 7.§ 1. Een kraamgeld van 1.100 euro wordt toegekend : 1° bij de geboorte van elke rechtgevend kind krachtens dit decreet;2° bij de geboorte van een kind voor wie een aangifte van een levenloos kind is opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand overeenkomstig artikel 80bis van het Burgerlijk Wetboek. § 2. Het kraamgeld wordt gestort aan de overeenkomstig artikel 22 aangewezen bijslagtrekkende. § 3. Het kraamgeld kan, met ingang van de zesde maand van de zwangerschap, aangevraagd worden in de wetenschap dat de vervroegde betaling van bedoelde premie ten vroegste twee maanden voor de vermoedelijke datum van de geboorte vermeld op het bij de aanvraag te voegen medisch attest wordt verricht.
Het toegekende bedrag is het bedrag dat van toepassing is op de geboortedatum, na aftrek van het vervroegd betaalde bedrag. § 4. De Regering kan algemene en individuele afwijkingen verlenen wanneer de voorwaarden bedoeld in dit artikel niet vervuld worden. Art. 8.§ 1. Een adoptiepremie met een forfaitair bedrag van 1.100 euro wordt toegekend bij de adoptie van elk rechtgevend kind onder de volgende voorwaarden : 1° een verzoekschrift wordt ingediend voor de bevoegde rechtbank, of bij gebreke daarvan, een akte van adoptie wordt ondertekend;2° het kind maakt deel uit van het gezin van de adoptant. § 2. De adoptiepremie wordt aan de in artikel 22 bedoelde bijslagtrekkende gestort. § 3. Het toegekende bedrag is het bedrag dat van toepassing is op de datum van indiening van het verzoekschrift of, bij gebreke daarvan, op de datum van ondertekening van de akte van adoptie.
Indien het kind op deze datum nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, is het bedrag van de adoptiepremie nochtans het bedrag dat van toepassing is op de datum waarop het kind werkelijk deel uitmaakt van dit gezin. § 4. De adoptiepremie wordt niet toegekend indien de adoptant, zijn echtgenoot/e of de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt reeds een adoptiepremie of een geboortetoelage heeft ontvangen voor hetzelfde kind. § 5. De Regering kan algemene en individuele afwijkingen verlenen wanneer de voorwaarden bedoeld in dit artikel niet vervuld worden. HOOFDSTUK II. - Basisbijslag en forfaitaire bijslag Art. 9.§ 1. Er wordt maandelijks ten gunste van het rechtgevend kind een basisbijslag toegekend aan de overeenkomstig artikel 22 aangewezen bijslagtrekkende; het bedrag van die bijslag bedraagt : 1° 155 euro tot het einde van de maand waarin hij/zij de leeftijd van achttien jaar bereikt;2° 165 euro vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van zijn/haar achttiende verjaardag tot en met uiterlijk de maand waarin hij/zij de leeftijd van vijfentwintig jaar bereikt. § 2. In afwijking van de in § 1 bedoelde bedragen wordt maandelijks ten gunste van het rechtgevend kind dat wees van beide ouders is, of dat wees is van de enige ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, een basisbijslag van 350 euro toegekend.
De verklaring betreffende de afwezigheid, die met het Burgerlijk Wetboek overeenstemt, wordt gelijkgesteld met het overlijden.
Het genieten van het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt : 1° toegekend zolang de afwezigheid voortduurt;2° verloren in geval van erkenning of gewone of volle adoptie van het rechtgevend kind. Art. 10.Een forfaitaire bijslag met een maandelijks bedrag van 61 euro, waarvan de Regering de toekenningsvoorwaarden vastlegt, is verschuldigd als het kind bij een particulier geplaatst is door bemiddeling van of ten laste van een overheidsinstantie.
De in het eerste lid bedoelde forfaitaire bijslag : 1° is verschuldigd aan de overeenkomstig artikel 22 aangewezen bijslagtrekkende die de kinderbijslag voor het kind ontvangt onmiddellijk voor de plaatsing(en), zolang die regelmatig contact onderhoudt met het kind of belangstelling toont voor het kind;2° is niet verschuldigd als de bijslagtrekkende in het opvanggezin waarin het rechtgevend kind wordt geplaatst, verblijft. Als de bijslagtrekkende de in het tweede lid, 1°, bedoelde voorwaarden niet meer vervult, wordt de forfaitaire bijslag betaald aan de persoon die in zijn plaats voor een deel het kind opvoedt, zoals bedoeld in artikel 22, door regelmatig contact te onderhouden met of belangstelling te tonen voor het kind.
Na verificatie van de door de Regering bepaalde voorwaarden wijst de plaatsingsoverheid deze persoon aan. Indien de door de Regering bepaalde voorwaarden niet nageleefd worden, beslist de plaatsende overheid over de storting van het bedrag van de forfaitaire bijslag op een spaarrekening op naam van het kind.
Het recht op de forfaitaire bijslag : 1° ontstaat de eerste dag van de maand na die waarin de beslissing van de plaatsende administratieve of gerechtelijke overheid die vaststelt dat hij aan de voorwaarden voldoet, meegedeeld is aan de bevoegde kinderbijslaginstelling;2° eindigt de eerste dag van de maand na de mededeling van de vaststelling door de plaatsende administratieve of gerechtelijke overheid dat de toekenningsvoorwaarden niet meer vervuld worden. HOOFDSTUK III. - Toeslagen Art. 11.§ 1. De in artikel 9 bedoelde maandelijkse basisbijslag wordt verhoogd met een maandelijks toeslag ten gunste van de gezinnen van minstens drie kinderen voor wie gezinsbijslagen worden toegekend.
Het bedrag van deze maandelijkse toeslag bedraagt : 1° 35 euro per rechtgevend kind wanneer de jaarlijkse bruto-inkomsten lager zijn dan 30.386, 48 euro; 2° 20 euro per rechtgevend kind wanneer de jaarlijkse bruto-inkomsten tussen het in 1° bedoelde plafond en 50.000 euro liggen.
De Regering bepaalt de personen en inkomsten die in aanmerking moeten worden genomen voor de bepaling van de in het tweede lid bedoelde plafonds. § 2. Al de in § 1 bedoelde kinderen hebben dezelfde wettelijke woonplaats, behalve wanneer uit andere daartoe overgelegde officiële documenten blijkt dat de rechtgevende kinderen wel degelijk samenwonen, ook al stemt dat niet of niet meer overeen met de informatie verkregen van het Rijksregister.
Eenzelfde kind wordt niet geboekt in meer dan één gezin voor de toekenning van de in § 1 bedoelde toeslag.
Onder de in § 1 bedoelde kinderen wordt eveneens rekening gehouden met de kinderen : 1° die overeenkomstig artikel 22, § 4, geplaatst zijn in een instelling wanneer de betrokken bijslagtrekkende voor deze kinderen het derde van de kinderbijslag ontvangt;2° die zoals bedoeld in artikel 22, § 3, vermist zijn. § 3. Indien er verschillende bijslagtrekkenden binnen hetzelfde gezin zijn, wordt voor de rangbepaling bedoeld in § 1 rekening gehouden met het geheel van de rechtgevende kinderen onder de volgende cumulatieve voorwaarden : 1° de bijslagtrekkenden hebben dezelfde wettelijke woonplaats, behalve wanneer uit andere daartoe overgelegde officiële documenten blijkt dat de bijslagtrekkenden wel degelijk samenwonen, ook al stemt dat niet of niet meer overeen met de informatie verkregen van het Rijksregister en behalve in de bijzondere toestanden bedoeld in § 2, derde lid;2° de bijslagtrekkenden zijn ofwel echtgenoten, ofwel bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad, ofwel personen die verklaren een feitelijk gezin te vormen. De in 2° bedoelde verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel. Art. 12.De in artikel 9 bedoelde maandelijkse basisbijslag wordt verhoogd met een maandelijkse toeslag voor eenoudergezin van : 1° 20 euro per kind wanneer de jaarlijkse bruto-inkomsten lager zijn dan 30.386,48 euro; 2° 10 euro per rechtgevend kind wanneer de jaarlijkse bruto-inkomsten tussen het in 1° bedoelde plafond en 50.000 euro liggen.
De Regering bepaalt de personen en inkomsten die in aanmerking moeten worden genomen voor de bepaling van de in het tweede lid bedoelde plafonds.
Deze toeslag wordt toegekend indien de overeenkomstig artikel 22 aangewezen bijslagtrekkende geen feitelijk gezin vormt met een andere persoon dan een bloed- of aanverwante tot en met de derde graad, en niet gehuwd is, behalve indien een feitelijke scheiding zich na het huwelijk heeft voorgedaan. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 32, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, met uitzondering van gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het Rijksregister van de natuurlijke personen.
Wordt niet als een feitelijke scheiding beschouwd, de toestand van de echtgenoten die, terwijl geen scheiding tussen hen bewezen is, vrijwillig ervoor kiezen zich niet op hetzelfde adres te domiciliëren of die om administratieve redenen dat niet kunnen doen. Art. 13.§ 1. De in artikel 9 bedoelde maandelijkse basisbijslag wordt verhoogd met een maandelijkse sociale toeslag van : 1° 55 euro per kind wanneer de jaarlijkse bruto-inkomsten lager zijn dan 30.386,48 euro; 2° 25 euro per rechtgevend kind wanneer de jaarlijkse bruto-inkomsten tussen het in 1° bedoelde plafond en 50.000 euro liggen.
De Regering bepaalt de personen en inkomsten die in aanmerking moeten worden genomen voor de bepaling van de in het tweede lid bedoelde plafonds. § 2. Een toeslag van 10 euro wordt bovendien toegekend ten gunste van de rechtgevende kinderen die in aanmerking komen voor de in § 1, eerste lid, 1°, bedoelde maandelijkse sociale toeslag indien één van de leden van het gezin waarvan het kind deel uitmaakt een verlies van het verdienvermogen heeft. Er is in de zin van dit decreet verlies van het verdienvermogen in de toestanden en onder de door de Regering bedoelde voorwaarden.
Het in het eerste lid bedoelde lid van het gezin is een bloedverwant in de eerste graad, een schoonouder of een persoon met wie bedoelde bloedverwant een feitelijk gezin vormt. Indien het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend, wordt de bloedverwante die geen deel uitmaakt van het gezin van het rechtgevend kind, geacht daarvan deel uit te maken.
Bij gebrek aan de in het tweede lid bedoelde personen wordt de persoon die het kind werkelijk opvoedt of de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, in aanmerking genomen. § 3. De in de § § 1 en 2 bedoelde toeslagen zijn niet cumuleerbaar met de in artikel 14 bedoelde toeslag. Art. 14.De in artikel 9 bedoelde maandelijkse basisbijslag wordt verhoogd met een maandelijkse sociale toeslag van 65 euro ten gunste van het rechtgevend kind indien één van de leden van het gezin waarvan het kind deel uitmaakt, een gehandicapte persoon is die geen winstgevende beroepsactiviteit uitoefent en die in aanmerking komt voor een inkomensvervangende uitkering, een tegemoetkoming voor hulp aan ouderen of een inschakelingsuitkering die overeenstemt met een vermindering van de zelfredzaamheid van ten minste negen punten krachtens de
wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/02/1987
pub.
18/10/2004
numac
2004000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling
sluiten betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.
De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt ook toegekend ten gunste van het kind geplaatst in een instelling overeenkomstig artikel 22, § 4, indien hij/zij deel uitmaakt van het gezin van de gehandicapte persoon onmiddellijk vóór de plaatsing en indien deze gehandicapte persoon verder deel uitmaakt van het gezin of indien hij, met de natuurlijke persoon die overeenkomstig artikel 22 het derde van de gezinsbijslagen ontvangt, het ouderlijk gezag over het geplaatste kind gezamenlijk uitoefent.
De in het eerste lid bedoelde toeslag is niet cumuleerbaar met de toeslagen bedoeld in artikel 13. Art. 15.De in artikel 9 bedoelde maandelijkse basisbijslag wordt verhoogd met een maandelijkse toeslag van 50 % van het bedrag van die basisbijslag ten gunste van het rechtgevend kind dat wees van beide ouders is, of dat wees is van de enige ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat.
De verklaring betreffende de afwezigheid, die met het Burgerlijk Wetboek overeenstemt, wordt gelijkgesteld met het overlijden zolang deze afwezigheid voortduurt.
Het genieten van het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt verloren vanaf de eerste dag van de maand volgend op elke erkenning of gewone of volle adoptie van het rechtgevend kind. Art. 16.De in artikel 9 bedoelde maandelijkse basisbijslag wordt verhoogd met een maandelijkse toeslag ten gunste van de rechtgevende kinderen met een handicap. Die toeslag schommelt als volgt naar gelang van de ernst en de gevolgen van de handicap: 1° 82,37 euro;2° 109,70 euro;3° 255,99 euro;4° 422,56 euro;5° 480,48 euro;6° 514,80 euro;7° 549,12 euro. De voorwaarden voor de toekenning van deze toeslag worden door de Regering vastgelegd. Art. 17.De in artikel 9 bedoelde maandelijkse basisbijslag wordt verhoogd met een jaarlijkse leeftijdstoeslag van : 1° 20 euro voor een rechtgevend kind dat op 31 december van het kalenderjaar voor het jaar waarin deze toeslag is verschuldigd, de leeftijd van vijf jaar niet heeft bereikt;2° 30 euro voor een rechtgevend kind dat op 31 december van het kalenderjaar voor het jaar waarin deze toeslag is verschuldigd, minstens vijf jaar oud is en dat op deze datum de leeftijd van elf jaar nog niet heeft bereikt;3° 50 euro voor een rechtgevend kind dat op 31 december van het kalenderjaar voor het jaar waarin deze toeslag is verschuldigd, minstens elf jaar oud is en dat op deze datum de leeftijd van zeventien jaar nog niet heeft bereikt;4° 80 euro voor een rechtgevend kind dat op 31 december van het kalenderjaar voor het jaar waarin deze toeslag is verschuldigd, minstens zeventien jaar oud is. De overeenkomstig het eerste lid toegekende toeslag verhoogt de maandelijkse basisbijslag die voor de maand juli verschuldigd is. HOOFDSTUK IV. - Andere bepalingen betreffende het bedrag van de bijslagen Art. 18.Het totaalbedrag van de door de kinderbijslagfondsen uit te betalen bijslagen wordt aangepast zonder rekening te houden met de gedeelten van een cent, indien het gedeelte 0,5 cent niet bereikt. De gedeelten van een cent die 0,5 cent of meer bereiken, worden voor een cent gerekend. Art. 19.§ 1. De in deze titel bedoelde bedragen van de gezinsbijslagen en van de plafonds van inkomsten worden gekoppeld aan de schommelingen van de gezondheidsindex.
De in het eerste lid bedoelde bedragen : 1° zijn gekoppeld aan de door de Regering te bepalen spilindexcijfers;2° schommelen zoals voorzien in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. Het nieuwe bedrag wordt bekomen door het basisbedrag te vermenigvuldigen met een multiplicator gelijk aan 1,0200n, waarbij n overeenstemt met de rang van de bereikte spilindex, zonder dat een intermediaire afronding geschiedt. De spilindex volgend op deze vermeld in het tweede lid wordt als rang 1 beschouwd. De multiplicator wordt uitgedrukt in eenheden, gevolgd door 4 cijfers. Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten en leidt tot een verhoging met één eenheid van het vorige cijfer indien het minstens 5 bereikt. § 2. Indien ingevolge de toepassing van § 1, de bedragen van de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het centgedeelte tot de hogere of de lagere cent afgerond naargelang het gedeelte al dan niet 0,5 bereikt. Art. 20.Onverminderd de in het Franse taalgebied geldende bepalingen van internationale overeenkomsten inzake sociale zekerheid, wordt het bedrag van de gezinsbijslagen verminderd met het bedrag van de bijslagen van dezelfde aard waarop ten behoeve van een rechtgevend kind aanspraak kan worden gemaakt bij toepassing van andere buitenlandse wets - of reglementsbepalingen of krachtens regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, zelfs indien de toekenning van deze bijslagen op grond van voormelde bepalingen of regelen als aanvullend wordt aangemerkt met betrekking tot de gezinsbijslag verleend bij toepassing van dit decreet.
Volgens de door haar vastgestelde modaliteiten kan de Regering van deze regel afwijken ten gunste van de door haar bepaalde volkenrechtelijke instellingen.
TITEL IV. - Personen aan wie de gezinsbijslagen worden betaald Art. 21.De gezinsbijslagen worden betaald aan de bijslagtrekkenden die hun wettelijke woonplaats hebben in het Franse taalgebied of die werkelijk in het Franse taalgebied wonen, waarbij ze geen wettelijke woonplaats hebben.
Als de overeenkomstig artikel 22, §§ 1 tot 5, aangewezen persoon, niet in het Franse taalgebied woont, onderzoekt het kinderbijslagfonds de mogelijkheid om de gezinsbijslagen te storten aan een subsidiaire bijslagtrekkende die overeenkomstig dezelfde regels wordt aangewezen.
In afwijking van het eerste lid kunnen de overeenkomstig dit decreet verschuldigde gezinsbijslagen buiten de Belgische grenzen uitgevoerd worden overeenkomstig de supranationale regels die in het Franse taalgebied van toepassing zijn. Art. 22.§ 1. Het kraamgeld wordt aan de moeder betaald.
De adoptiepremie wordt aan de adoptant betaald. Als echtgenoten of samenwonenden in de zin van artikel 343 van het Burgerlijk Wetboek het kind samen geadopteerd hebben, wordt de premie aan de vrouwelijke adoptant uitbetaald indien de echtgenoten of samenwonenden van verschillend geslacht zijn of aan de oudste van de echtgenoten of de samenwonenden indien deze van hetzelfde geslacht zijn.
De andere gezinsbijslagen worden aan de moeder betaald. In geval van volle adoptie van het kind door twee personen van hetzelfde geslacht of in geval van volle adoptie door één persoon van het kind of het adoptief kind van zijn echtgenoot of samenwonende van hetzelfde geslacht of in geval van toepassing van hoofdstuk 2/1 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de
wet van 5 mei 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
05/05/2014
pub.
22/08/2014
numac
2014015171
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, gedaan te 's-Gravenhage op 19 oktober 1996 (2) (3)
type
wet
prom.
05/05/2014
pub.
07/07/2014
numac
2014009353
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder
sluiten houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder, worden de andere kinderbijslagen betaald aan de oudste van de verwanten in de eerste graad.
Indien de persoon aan wie de gezinsbijslagen krachtens het derde lid moeten worden betaald het kind niet daadwerkelijk opvoedt, worden de gezinsbijslagen betaald aan de natuurlijke of rechtspersoon die deze rol vervult.
Wanneer beide ouders van verschillend geslacht die niet samenwonen het ouderlijke gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed, worden de in het derde lid bedoelde bijslagen volledig aan de moeder betaald. Deze bijslagen worden echter volledig aan de vader betaald vanaf diens aanvraag, als het kind en hijzelf op die datum dezelfde wettelijke woonplaats hebben.
Wanneer beide ouders van hetzelfde geslacht die niet samenwonen het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed, worden de in het derde lid bedoelde gezinsbijslagen volledig betaald aan de oudste onder de verwanten in de eerste graad. De gezinsbijslagen worden echter volledig aan de andere verwante betaald vanaf zijn aanvraag, als het kind en hijzelf op die datum dezelfde wettelijke woonplaats hebben.
Als een van de ouders de opportuniteit betwist van de betaling verricht krachtens de bepalingen van het derde lid, tweede zin, het vijfde en het zesde lid, kan hij de familierechtbank vragen hemzelf als bijslagtrekkende aan te wijzen, in het belang van het kind. Die aanwijzing heeft uitwerking de eerste dag van de maand na de maand waarin de beslissing van de rechtbank betekend is aan het bevoegde kinderbijslagfonds.
In de situaties bedoeld in het vijfde en het zesde lid kan de betaling op vraag van beide ouders verricht worden op een rekening waartoe ze beiden toegang hebben. § 2. De in § 1, derde lid, bedoelde bijslagen worden aan het rechtgevend kind zelf uitbetaald : 1° als het gehuwd is;2° als het ontvoogd is of de leeftijd van 16 jaar bereikt heeft en niet bij de in § 1 bedoelde persoon woont;3° als het zelf bijslagtrekkende is voor één of meer van zijn kinderen. Wat punt 2 ° betreft, wordt aan de voorwaarde betreffende de verblijfplaats voldaan door afzonderlijke hoofdverblijfplaatsen, in de zin van artikel 32, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, of als met daartoe voorgelegde officiële documenten aangetoond wordt dat de gegevens in het Rijksregister niet of niet meer overeenstemmen met de realiteit.
Het kind bedoeld in deze paragraaf kan evenwel in zijn eigen belang een andere persoon als bijslagtrekkende aanwijzen, op voorwaarde dat die persoon met het kind verbonden is door verwantschap of aanverwantschap in de eerste graad. De verwantschap verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen.
Het kind bedoeld in deze paragraaf is rechtsbekwaam om zelf als eiser of verweerder in rechte op te treden in de geschillen betreffende de rechten op kinderbijslag. § 3. In afwijking van de §§ 1 en 2 wordt de volgende persoon, indien het kind verdwijnt, als bijslagtrekkende beschouwd : 1° de ouder, vader of moeder, die voor het vermiste kind bijslagtrekkende is onmiddellijk voor de verdwijning, overeenkomstig § 1;2° bij gebreke daarvan, de moeder van het vermiste kind die voor dat kind niet bijslagtrekkende is;3° bij gebreke daarvan, de vader of de oudste ouder van het vermiste kind, die voor dat kind niet bijslagtrekkende is, indien de ouders van hetzelfde geslacht zijn;4° bij gebreke daarvan, de persoon die voor het vermiste kind bijslagtrekkende is, onmiddellijk voor de verdwijning, overeenkomstig § 1, vierde lid. De in het eerste lid bedoelde personen kunnen alleen als bijslagtrekkenden worden beschouwd indien ze: 1° niet rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken zijn bij de verdwijning van het kind;2° in de zin van artikel 32, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek hun hoofdverblijfplaats in België hebben en dit, op het moment van de verdwijning van het kind. De aanwijzing van de bijslagtrekkende overeenkomstig het eerste lid is geldig vanaf de datum van de verdwijning van het kind en tot het einde van de maand waarin hij/zij de leeftijd van achttien jaar bereikt. § 4. De in artikel 9 bedoelde basisbijslag en de in de artikelen 11 tot 17 bedoelde toeslagen verschuldigd ten behoeve van een kind dat door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid geplaatst is in een instelling, worden betaald ten belope van : 1° twee derden aan die instelling, zonder dat dit gedeelte hoger mag zijn dan het bedrag dat de Regering kan vaststellen voor bepaalde categorieën van kinderen;2° het saldo aan de natuurlijke persoon bedoeld in § 1, derde tot zesde leden. De in de artikelen 13, § 2, en 14 bedoelde toeslagen worden alleen verschuldigd en verdeeld indien de bijslagtrekkende deel uitmaakt van het gezin van de persoon die een recht opent op bedoelde toeslagen, of indien ze het ouderlijke gezag over het rechtgevend kind gezamenlijk uitoefenen.
Indien de in het eerste lid, 2°, bedoelde persoon geldelijk bijdraagt in de onderhoudskosten van het kind, wordt zijn bijdrage verminderd met het bedrag van de overeenkomstig het eerste lid, 1°, gestorte kinderbijslag.
In afwijking van het eerste lid worden de bijslagen, verschuldigd ten behoeve van een kind dat met toepassing van de reglementering betreffende de jeugdbescherming in een instelling geplaatst is ten laste van de bevoegde overheid, ten belope van twee derden aan die overheid uitbetaald zonder dat dit gedeelte hoger mag zijn dan het bedrag dat de Regering kan vaststellen voor bepaalde categorieën van kinderen.
Over de storting van het saldo op een spaarrekening geopend op naam van het kind wordt ambtshalve beslist, naar gelang van het geval : 1° door de jeugdrechtbank die de plaatsing in een instelling heeft bevolen;2° door de overheid, aangeduid door een Gemeenschap of door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, die tot die plaatsing heeft beslist, onverminderd het recht van de betrokkenen om zich bij verzoekschrift te wenden tot de jeugdrechtbank van de hoofdverblijfplaats van de ouders, de voogden, de kinderen of diegenen die het kind onder hun bewaring hebben. Wanneer het derde van de gezinsbijslagen verschuldigd aan het geplaatste kind gestort moet worden op een spaarrekening op zijn naam, omvat het bedrag dat voor dat kind is verschuldigd, de in artikel 9 bedoelde basisbijslag alsook de in de artikelen 13 tot 17 bedoelde toeslagen.
Om het bedrag van de verschuldigde toeslagen te bepalen wordt alleen rekening gehouden voor de toekenning van het in artikel 13, § 2, bedoelde toeslag met het statuut van invalide of gelijkgestelde van de vader of de moeder van het geplaatste kind.
Indien het belang van het geplaatste kind dit vordert, kan de jeugdrechter van de wettelijke woonplaats van de ouders, voogden of degenen die het kind onder hun bescherming hebben, hetzij van ambtswege, hetzij op eenvoudige vordering van een lid van de familie en na de in het eerste lid bedoelde personen te hebben gehoord of opgeroepen, ofwel beslissen over de aanwending, ten bate van het kind, van het bedrag bepaald in het eerste lid, 2°, ofwel voor dit kind een te allen tijde afzetbare bijzondere voogd aanstellen, gelast over dit bedrag te beschikken voor de behoeften van het kind. § 5. Zo het belang van het kind dit vereist, kan de vader, de moeder, de adoptant, de pleegvoogd, de toeziende voogd, de curator, de bewindvoerder, naargelang het geval, overeenkomstig artikel 572bis, 14° en 15°, of 594, 8° en 9°, van het Gerechtelijk Wetboek verzet aantekenen tegen de betaling aan de persoon bedoeld in de §§ 1, 2 of 3.Het meerderjarig kind kan zich ook, overeenkomstig artikel 572bis, 14° en 15°, van het Gerechtelijk Wetboek, verzetten tegen de betaling aan de persoon bedoeld in § 1, vierde lid, door zijn belang in te roepen. § 6. Wanneer het de bijslagtrekkende materieel onmogelijk is om de verschuldigde gezinsbijslagen te ontvangen omdat hij zijn identiteit niet kan aantonen, dan wordt die in afwijking van de §§ 1 tot 5 voor zijn rekening betaald aan de persoon die de bijslagtrekkende aanwijst, in de wetenschap dat bedoelde persoon ofwel de echtgenote is, ofwel de persoon met wie de bijslagtrekkende een feitelijk gezin vormt, ofwel een bloed- of aanverwante van het rechtgevend kind tot en met de derde graad. De betaling verricht door het kinderbijslagfonds is liberatoir voor zover de bijslagtrekkende, die in staat is gesteld om zijn identiteit aan te tonen, hem niet zijn wil om voortaan deze bijslag rechtstreeks of door bemiddeling van een andere persoon te ontvangen schriftelijk betekende.
TITEL V. - "Caisse publique wallonne d'allocations familiales" (Waals openbaar kinderbijslagfonds) HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 23.Er wordt een openbare bestuurseenheid met rechtspersoonlijkheid genoemd "Waals openbaar kinderbijslagfonds" opgericht; hierna wordt ze voor deze Titel "het openbare Fonds" genoemd.
Het openbare Fonds volgt, wat het Waalse Gewest betreft, in de rechten, verplichtingen, goederen en laste van het Federaal agentschap voor de kinderbijslag op voor wat de betaling van de gezinsbijslagen bedoeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming van de instellingen betreft. Art. 24.Het openbare Fonds heeft zijn zetel in Charleroi.
De Regering bepaalt het aantal van zijn gewestelijke bureaus, hun bevoegdheid, hun ligging en het grondgebied dat ze bedienen.
Het openbare Fonds beschikt minstens over een gewestelijk bureau in elke van de vijf Waalse provincies.
In de provincie Luik is dit bureau in het Franse taalgebied gelegen. Art. 25.Het openbare Fonds oefent de volgende opdrachten uit overeenkomstig de bijzondere regels en voorwaarden vastgesteld bij het in artikel 51 bedoelde beheerscontract: 1° de betaling verrichten van de in de artikelen 7 tot 20 bedoelde gezinsbijslagen voor de gezinnen die overeenkomstig artikel 72 bij het openbare Fonds aangesloten zijn, de van ambtswege aangesloten gezinnen bij gebrek aan keuze gesteld onder de voorwaarden en binnen de termijnen bepaald door de Regering, alsook voor de gezinnen die voor de datum die krachtens artikel 136, eerste lid, door de Regering is bepaald, van een federaal betaalorgaan afhangen en waarvan het openbare Fonds als opvolger wordt aangeduid.2° de kinderen opsporen voor wie geen recht door het gezin wordt aangevraagd, het recht automatisch onderzoeken en de gezinsbijslagen zoals bedoeld in de artikelen 7 tot 20 betalen. De modaliteiten van de in 2° bedoelde opdracht worden door de Regering vastgelegd. Art. 26.Het openbare Fonds valt onder de wetten van openbare dienstverlening voor al zijn activiteiten, met inbegrip van de beginselen van continuïteit van de dienstverlening, gelijke behandeling, veranderlijkheid. In die hoedanigheid zorgt het ervoor om een universele dienst te bieden aan de gebruikers.
Het zorgt ervoor om zijn opdrachten met inachtneming van de algemene principes van doorzichtigheid en van leesbaarheid van zijn actie, van administratieve vereenvoudiging, openbare doeltreffendheid en doelmatigheid te vervullen met het oog op de optimalisering en de optimale toekenning van de beschikbare middelen en hulpbronnen. HOOFDSTUK II. - Structuur en bestuur Afdeling 1. - Algemeenheden
Art. 27.Er wordt binnen het openbaar fonds het volgende opgericht : 1° een Beheerscomité;2° een Raad van financiële opvolging. Afdeling 2. - Het Beheerscomité
Art. 28.§ 1. Het Beheerscomité is samengesteld uit : 1° vijf vertegenwoordigers van de Overheid;2° drie vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van het geheel van de werkgevers en van de representatieve organisaties van het geheel van de zelfstandige werknemers, aangewezen op de voordracht van de "Conseil économique et social de la Wallonie" (Sociaal-economische raad van Wallonië);3° drie vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van het geheel van de werknemers, aangewezen op voorstel van de "Conseil économique et social de la Région wallonne" (Sociaal-economische raad van het Waalse Gewest);4° twee vertegenwoordigers aangewezen door de representatieve organisaties van de gezinnen. Onder vertegenwoordigers van de Overheid, dient men te verstaan de overheidsbestuurders aangewezen krachtens het
decreet van 12 februari 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten0 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet.
De Directeur-generaal of diens afgevaardigde wonen de vergaderingen van het Beheerscomité met raadgevende stem bij. De afgevaardige van de Directeur-generaal wordt aangewezen onder de personeelsleden van minstens rang 4. § 2. De Regering benoemt de leden van het Beheercomité en wijst een voorzitter en een ondervoorzitter aan onder de leden. De Regering kan de leden van het Beheerscomité aanwijzen vóór de datum die zij vaststelt krachtens artikel 136, eerste lid.
Voor de gewone leden wordt hetzelfde aantal plaatsvervangende leden aangewezen als voor de gewone leden. Een plaatsvervangend lid mag slechts zitting hebben indien het gewoon lid afwezig is. § 3. De mandaten van de leden bedoeld in paragraaf 1 : 1° vangen aan binnen de zes maanden die volgen op de datum van eedaflegging van de leden van de Regering als gevolg van de hernieuwing van het Parlement;2° kunnen worden verlengd;3° eindigen in het geval van overlijden, ontslag, burgerlijke onbekwaamheid, of wanneer het lid de hoedanigheid verliest op grond waarvan hij aangewezen is. Wanneer het mandaat van één van de leden bedoeld de paragraaf één eindigt om één van de redenen vermeld in het eerste lid, voltooit het nieuwe lid het mandaat van zijn voorganger. § 4. Een mandaat binnen het Beheerscomité van het openbare fonds, zoals bedoeld in paragraaf één, eerste lid, is onverenigbaar met de uitoefening van een mandaat binnen: 1° een erkend privé kinderbijslagfonds en het feit dat men dit privé kinderbijslagfonds in een ander mandaat vertegenwoordigt;2° de Algemene raad en het Comité van de afdeling « Gezinnen » van het Agentschap. Art. 29.§ 1. Het beheerscomité : bespreekt en sluit de beheersovereenkomst met de Regering, zorgt voor de tenuitvoerlegging, de opvolging ervan en de evaluatie ervan volgens de modaliteiten bepaald door de artikelen 37 en volgende; 2° neemt alle strategie- en principebeslissingen, overeenkomstig de beheersovereenkomst;3° stelt het ontwerp van begroting van het openbare fonds op, overeenkomstig artikel 87, § 2, van het
decreet van 15 december 2011Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten1 houdende organisatie van de begroting, de boekhouding en de verslaggeving van de Waalse openbare bestuurseenheid, houdt de boekhouding van het openbare fonds, legt de rekeningen vast, alsook de situaties voorgeschreven door het genormaliseerde boekhoudplan;4° beslist over de verdeling van de begrotingsmiddelen die door de Regering ter beschikking worden gesteld, volgt de evolutie van het geheel van de uitgaven en legt aan de Regering voor, met het oog op de opmaking van het ontwerp van begroting van het Waalse Gewest en de begrotingscontroles, een verslag betreffende de evolutie van de uitgaven en de middelen waarover het openbare fonds moet beschikken om het financieel evenwicht te garanderen rekening houdend met zijn evolutie;5° legt het ondernemingplan vast;6° stelt aan de Regering de organieke personeelsformatie van het openbare fonds en zijn wijzigingen voor;7° maakt een jaarverslag op van de activiteiten van het openbare fonds;8° neemt de administratieve beslissingen met een individuele draagwijdte betreffende de overheidsopdrachten onverminderd de machtigingen aan de Directeur-generaal: a) toegekend door het openbare fonds;b) van meerjaarlijkse diensten, als deze opdrachten geen betrekking hebben op de lopende uitgaven die nodig zijn voor de werking van het openbare fonds;9° beslist over de aankoop, het gebruik of de overdracht van de materiële of immateriële goederen van het openbare fonds, over het stellen of afschaffen van zakelijke rechten op die goederen;10° kan zijn macht overdragen aan de Directeur-generaal met uitzondering van de macht bedoeld in 1°, 2°, 3°, 4° en 6° van deze paragraaf;11° beschikt over alle nodige macht voor de uitvoering van de bevoegdheden bedoeld in 1° tot 10°. Worden beschouwd als strategie- en principebeslissingen bedoeld in 2°, beslissingen die wegens hun omvang en de gevolgen die ze voor het openbare fonds teweegbrengen, een oriëntatie, een beleid of een standpunt t.o.v. zijn omgeving of een gedragslijn bepalen of wijzigen.
Hij zorgt voor de uitvoering van de beslissingen bedoeld in 9°. De beheersovereenkomst bepaalt het bedrag waarboven elke beslissing tot aankoop, bouw of vervreemding van een onroerend goed of een onroerend recht aan de voorafgaande toestemming van de Regering onderworpen wordt, binnen de termijn waarin de beheersovereenkomst voorziet. § 2. De Regering onderwerpt aan het advies van het beheerscomité elk voorontwerp van decreet, ontwerp-besluit, of ontwerp van reglement betreffende de werking van het openbare fonds.
Het Beheerscomité geeft zijn advies binnen de maand, te rekenen van de datum van het verzenden van de aanvraag.
Op verzoek van de Regering kan deze termijn worden beperkt tot tien dagen. Het advies wordt niet langer vereist als het niet binnen de gestelde termijn uitgebracht wordt.
Als het advies niet eenstemmig onthaald wordt door de leden van het Beheercomité, worden de verschillende standpunten uitgedrukt. Art. 30.Als het algemeen belang, de wetten, decreten, besluiten, reglementen en de beheersovereenkomst het verlangen, kan de Regering of, in voorkomend geval, één van de daartoe gemachtigde commissarissen het beheerscomité verzoeken te beraadslagen over elke aangelegenheid die zij bepaalt, of hem bevelen de nodige maatregelen te nemen of de nodige handelingen te verrichten binnen een termijn die zij bepaalt en die niet korter mag zijn dan dertig dagen, behalve in spoedgevallen.
Als het Beheerscomité na afloop van de termijn bedoeld in het eerste lid geen beslissing heeft genomen of als de Regering niet instemt met deze beslissing, kan de Regering de beslissing nemen in de plaats van het Beheerscomité.
Van elke beslissing die de Regering in de plaats van het Beheerscomité neemt, wordt onmiddellijk een afschrift aan het Beheerscomité en aan het Parlement overgemaakt. Afdeling 3. - De Raad van financiële opvolging
Art. 31.§ 1. De Raad van financiële opvolging is samengesteld uit : 1° twee leden van het Beheerscomité aangewezen door het Beheerscomité;2° een Inspecteur van Financiën, aangewezen door de Regering;3° de Directeur-generaal van het openbare fonds en de verantwoordelijke van de administratieve dienst belast met de begroting van het openbare fonds of diens afgevaardigden. Voor de gewone leden wordt hetzelfde aantal plaatsvervangende leden aangewezen. Een plaatsvervangend lid zetelt alleen maar als een gewoon lid afwezig is.
De Directeur-generaal van het openbare fonds en de financiële verantwoordelijke van het openbare fonds wijzen hun afgevaardigde aan.
De leden van de Raad van financiële opvolging worden aangewezen voor een mandaat van vijf jaar. § 2. De mandaten van de leden bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2° : 1° beginnen te lopen binnen zes maanden na de datum van de eedaflegging van de leden van de Regering als gevolg van de hernieuwing van het Parlement.2° kunnen worden hernieuwd;3° eindigen in geval van overlijden, ontslag, burgerlijke onbekwaamheid of wanneer het lid de hoedanigheid verliest waarin het is aangewezen. Als het mandaat van één van de leden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, eindigt om één van de redenen bedoeld in het eerste lid, voleindigt het nieuwe lid het mandaat van zijn voorganger.
De Regering wijst de voorzitter en de ondervoorzitter aan onder de leden bedoeld in paragraaf 1. Art. 32.De raad van financiële opvolging evalueert op regelmatige wijze de hulpmiddelen en de uitgaven verbonden met de opdrachten bedoeld in artikel 25. De Regering bepaalt de frequentie van de evaluatie Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen voor het Beheerscomité en
de Raad van financiële opvolging Art. 33.Het Beheerscomité en de Raad van financiële opvolging maken elk hun huishoudelijk reglement op. De huishoudelijke reglementen worden door de Regering goedgekeurd.
Het huishoudelijk reglement van het Beheerscomité voorziet: 1° de regels betreffende de oproeping van het Beheerscomité op aanvraag van de Regering, op aanvraag van de voorzitter, op aanvraag van één van de Regeringscommissarissen of op aanvraag van twee leden;2° de regels betreffende het voorzitterschap van het Beheerscomité bij afwezigheid van de voorzitter en de ondervoorzitter of als zij verhinderd zijn;3° de regels betreffende de inschrijving van de agendapunten en, in geval van uitstel van een vergadering, de verplichte opneming van de punten op de agenda van de eerstkomende vergadering;4° de aanwezigheid van ten minste de helft van de leden om op geldige wijze te beraadslagen en te beslissen, alsook de wijze waarop gestemd wordt binnen het Beheerscomité;5° de periodiciteit van zijn vergaderingen;6° de wijze waarop de driemaandelijkse verslagen door de Directeur-generaal worden opgemaakt;7° de handelingen die onder het dagelijks beheer vallen in het bevoegdheidsgebied van het Beheerscomité;8° de regels op grond waarvan het Beheerscomité, bovenop de bevoegdheden bedoeld in artikel 38, bepaalde specifieke taken kan delegeren aan de Directeur-generaal. Het huishoudelijk reglement van de Raad van financiële opvolging bevat: 1° de regels betreffende de oproeping voor de vergaderingen op aanvraag van de Regering, op aanvraag van de voorzitter, op aanvraag van één van de Regeringscommissarissen of op aanvraag van een lid;2° de regels betreffende het voorzitterschap van de Raad van financiële opvolging bij afwezigheid of verhindering van de voorzitter en de ondervoorzitter;3° de regels betreffende de inschrijving van de agendapunten en, in geval van uitstel van een vergadering, de verplichte opneming van de punten op de agenda van de eerstkomende vergadering; 4 de aanwezigheid van ten minste de helft van de leden om op geldige wijze te beraadslagen en te beslissen, alsook de wijze waarop gestemd wordt binnen de Raad van financiële opvolging; 5° de periodiciteit van zijn vergaderingen. Art. 34.Op de voordracht van de Directeur-generaal wijst het Beheerscomité onder de personeelsleden van het openbare fonds de persoon aan die de processen-verbaal van de vergaderingen van het Beheerscomité en van de Raad van financiële opvolging zal opmaken, alsmede zijn plaatsvervanger. Art. 35.De voorzitter van het Beheerscomité en de ondervoorzitter als hij het Beheerscomité effectief voorzit krijgt presentiegelden waarvan het bedrag door de Regering wordt bepaald.
De voorzitters en de ondervoorzitters, de gewone en plaatsvervangende leden van het Beheerscomité en van de Raad van financiële opvolging hebben recht op de terugbetaling van de reiskosten die ze wegens hun werk binnen die organen hebben gemaakt, volgens de modaliteiten die door de Regering bepaald worden.
De vergoedingen waarop ze hiervoor aanspraak kunnen maken, vallen ten laste van het openbare fonds. Art. 36.Het Beheerscomité deelt uiterlijk op 31 mei van het jaar volgend op het betrokken jaar het jaarlijkse activiteitenverslag van het openbare fonds aan de Regering mede. De Regering maakt het verslag onmiddellijk over aan het Parlement.
Het Beheerscomité richt aan de Regering elke andere informatie dan degene die door haar wordt gevraagd. HOOFDSTUK III. - Het dagelijjks beheer Art. 37.De Directeur-generaal : 1° voert de beslissingen van het Beheerscomité uit en brengt hem driemaandelijks verslag uit over de uitvoering ervan;2° neemt het dagelijks beheer waar voor alle opdrachten die bij dit decreet aan het openbare fonds opgedragen worden;3° oefent elke andere opdracht uit, die hem door het Beheerscomité wordt toegewezen;4° bespreekt en sluit de beheersovereenkomst in samenwerking met het Beheerscomité. Wat punt 2° betreft, kan hij alle bewarende maatregelen nemen en alle handelingen van tenuitvoerlegging van de door het Beheerscomité genomen beslissingen verrichten, alsook de handelingen die, vanwege hun omvang of de gevolgen die ze voor het openbare fonds hebben, geen uitzonderlijk karakter vertonen of geen verandering van het bestuursbeleid teweegbrengen en die de behandeling van de lopende zaken van het openbare fonds vormen. Art. 38.§ 1. Overeenkomstig artikel 37 en met inachtneming van de beheersovereenkomst en de door het Beheerscomité genomen beslissingen wordt de Directeur-generaal belast met de volgende opdrachten : 1° hij licht het Beheerscomité in en legt hem elk voorstel voor dat nuttig is voor de werking van het openbare fonds;2° hij heeft de leiding over het personeel van het openbare fonds;3° hij organiseert de diensten in het kader van het organogram aangenomen door het Beheerscomité;4° hij ondertekent alle stukken en briefwisselingen die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden van dagelijks beheer;5° hij vertegenwoordigt het openbare fonds rechtsgeldig in de gerechtelijke en buitengerechtelijke akten, en handelt, wat betreft het dagelijkse beheer, in zijn naam en voor zijn rekening;6° hij vertegenwoordigt het openbare fonds in gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen en treedt op in naam en op verzoek van het Beheerscomité wat betreft de handelingen die tot hun bevoegdheden behoren;7° hij neemt de administratieve beslissingen met een individuele draagwijdte die betrekking hebben op overheidsopdrachten waarvoor het Beheerscomité hem zijn bevoegdheden heeft afgevaardigd : a) die betrekking hebben op de lopende, al dan niet meerjarige, uitgaven die nodig zijn voor de werking van het openbare fonds;b) van meerjarige diensten en op de meerjarige overheidsopdrachten van leveringen en werken die niet betrekking hebben op de lopende uitgaven die nodig zijn voor de werking van het openbare fonds. § 2. Via zijn Directeur-generaal en op verzoek van de Regering bereidt het openbare fonds het werk van de Regering voor en zorgt het voor de administratieve, begrotings- en boekhoudopvolging in het kader van zijn opdrachten. § 3. De Directeur-generaal mag, binnen de perken en onder de voorwaarden die hij bepaalt, een deel van de bevoegdheden die hem bij of krachtens dit artikel worden toegewezen, overdragen aan één of meerdere personeelsleden van het openbare fonds, ongeacht of hij ambtenaar is in de zin van artikel 1 van het
besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten3 houdende de Waalse Ambtenarencode of contractueel personeelslid in de zin van het
besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten3 betreffende de voorwaarden voor de indienstneming en de administratieve en geldelijke toestand van de contractuele personeelsleden, met inbegrip van zijn bevoegdheid om het openbare fonds voor de administratieve of gewone gerechten te vertegenwoordigen. Art. 39.De Regering wijst de Directeur-generaal aan voor een mandaat van rang A2 onder de voorwaarden bepaald in Boek II van het
besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten3 houdende de Waalse ambtenarencode. Art. 40.Bij verhindering van de Directeur-generaal, worden de bevoegdheden van de Directeur-generaal uitgeoefend door een personeelslid aangewezen door het Beheerscomité met minstens de graad van Directeur. Art. 41.Het Directiecomité, samengesteld uit de Directeur-generaal en de Inspecteurs-generaal, is belast met de coördinatie van de operationalisering van de strategie- en principebeslissingen en van de begrotingsbeslissingen genomen of gedelegeerd door het Beheerscomité.
Het Directiecomité voert een a priori en a posteriori controleregeling in die meer bepaald bedoeld is om het volgende te verzekeren : 1° de overeenstemming met de wetten en reglementen;2° de toepa …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.