Programmadecreet bij de begroting 2024
In het kort
Dit decreet regelt diverse gewest- en gemeenschapsaangelegenheden ter begeleiding van de begroting 2024, met wijzigingen op het gebied van economie, welzijn, kinderopvang, lokale overheden, en mobiliteit.
Wat het reguleert
- De opheffing van het Fonds voor de Waarborgregeling en het Fonds Administratieve Toeristische Boeten.
- De financiering van het preventief gezondheidsbeleid met middelen van het Minafonds.
- Wijzigingen aan de Vlaamse sociale bescherming en de organisatie van kinderopvang.
- De verdeling van het Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen.
Wie het betreft
- Organisatoren van kinderopvang en gezinnen die gebruikmaken van kinderopvang.
- Lokale overheden en centrumsteden die subsidies ontvangen voor digitalisering en stadsvernieuwingsprojecten.
Kernpunten
- Het Fonds voor de Waarborgregeling wordt ontbonden en de saldi op 31 december 2023 worden gedesaffecteerd naar de algemene middelen.
- De bijdrage in de Vlaamse sociale bescherming wordt verhoogd van 135 euro naar 140 euro.
- Organisatoren van kinderopvang moeten absolute voorrang geven aan gezinnen die minstens 4/5de werken of een opleiding volgen, broertjes/zusjes van reeds opgevangen kinderen, en pleegkinderen.
- Vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 wordt 14.274.239 euro voorzien voor stadsvernieuwingsprojecten in bepaalde centrumsteden en 7.472.984,2 euro voor plattelandsgemeenten.
Wettekst
22 DECEMBER 2023. - Programmadecreet bij de begroting 2024 (1) Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: Programmadecreet bij de begroting 2024 HOOFDSTUK 1. -
3; 2) als de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie als vermeld in punt 1), voor het volledige jaar vóór het heffingsjaar, en als de bepalingen van paragraaf
3 niet worden toegepast, wordt onweerlegbaar vermoed dat de hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume dat wordt bepaald conform artikel 4.2.3.1, § 2, eerste lid, 2° en 3°, van dit decreet; c) de voormelde opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater wordt op de volgende wijze bepaald: 1) het volume wordt gemeten aan de hand van een verzegelde continue debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt, of het volume wordt bepaald conform paragraaf
3;2) als de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater niet vastgesteld is met een verzegelde debietmeting met registratie als vermeld in punt 1), en als de bepalingen van paragraaf
3 niet worden toegepast, wordt de hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de waterweg in kwestie tijdens het jaar vóór het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen om de vergoeding te bepalen voor de vergunning voor de watervang, vermeld in titel II, hoofdstuk IV, van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, of voor onttrekkingen uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten het debiet van het water en de hoeveelheid water die opgenomen wordt volgens de melding, vermeld in artikel 30, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare water- lopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;3) als er geen debietmeting als vermeld in punt 1), is uitgevoerd, als de bepalingen van paragraaf
3 niet worden toegepast en als de vergoeding voor de vergunning voor de watervang of de melding voor onttrekkingen uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten, vermeld in punt 2), ontbreekt, wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur en vermenigvuldigd met T.Daarbij is:
- i)voor seizoensgebonden irrigatie in openlucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T=200;
- ii)voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T=10x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is; iii) in de overige gevallen: T=2000; 4) als de debietmeting, vermeld in punt 1), geen betrekking heeft op het volledige jaar vóór het heffingsjaar:
- i)voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater is gemeten: op basis van tellerstanden van die periode;
- ii)voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn, wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld conform paragraaf
3 en, als de bepalingen van paragraaf
3 niet worden toegepast, conform punt 2) of 3) op dagbasis berekend; d) de hoeveelheid van het voormelde hemelwater wordt op de volgende wijze bepaald: 1) het volume wordt gemeten aan de hand van een verzegelde continue debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt, of het volume wordt bepaald conform paragraaf
3;2) als de heffingsplichtige het ontvangen hemelwater in het jaar vóór het heffingsjaar niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting, voorzien van registratie als vermeld in punt 1), en als de bepalingen van paragraaf
3 niet worden toegepast, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m2 afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens, afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner dan 800 l/m2 is;3) als de debietmeting met registratie, vermeld in punt 1), geen betrekking heeft op het volledige jaar vóór het heffingsjaar: i) voor de periode waarin de hoeveelheid hemelwater is gemeten: op basis van de tellerstanden van die periode; ii) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn, wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld conform paragraaf
3 en, als de bepalingen van paragraaf 2 en 3 niet worden toegepast, conform punt 2) of 3) op dagbasis berekend;
- e)de hoeveelheid van het voormelde circulair afvalwater wordt op de volgende wijze vastgesteld: 1) het volume circulair afvalwater dat de aanbieder heeft gemeten aan de hand van een continue verzegelde debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering vaststelt krachtens artikel 4.2.2.1.12, § 4, van dit decreet; 2) als de aanbieder van het circulair afvalwater het volume circulair afvalwater dat in het jaar vóór het heffingsjaar wordt aangeboden, niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting, voorzien van registratie als vermeld in punt 1), het minimale volume circulair afvalwater dat is opgenomen in de overeenkomst, vermeld in artikel 4.2.2.1.12, § 2, van dit decreet; 3) als de debietmeting met registratie, vermeld in punt 1), geen betrekking heeft op het volledige jaar vóór het heffingsjaar:
- i)voor de periode waarin de hoeveelheid ontvangen circulair afvalwater is gemeten: op basis van de tellerstanden van die periode;
- ii)voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn, wordt de overeenstemmende hoeveelheid ontvangen circulair afvalwater vastgesteld conform punt 2) en op dagbasis berekend;
- f)de voormelde af te trekken hoeveelheid aangeboden circulair afvalwater wordt bepaald conform punt e);3° als de debietmeting met registratie, vermeld in punt 1°, geen betrekking heeft op het volledige jaar vóór het heffingsjaar:
- a)voor de periode waarin de geloosde hoeveelheid afvalwater is gemeten: op basis van de tellerstanden van die periode;
- b)voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn, wordt de overeenstemmende geloosde hoeveelheid afvalwater vastgesteld conform punt 2° en op dagbasis berekend. In het eerste lid wordt verstaan onder hemelwater: het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de sectoren, vermeld in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd, of vervuild wordt, of samen met het afvalwater geloosd wordt. De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. De voormelde verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde debiet wordt gemeten. Als de verzegeling verbroken wordt, brengt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij op de hoogte die belast zijn met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing. De heffingsplichtige gebruikt daarvoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt. Als de debietmeetsystemen, vermeld in deze paragraaf, gereset worden in het jaar vóór het heffingsjaar, worden de tellerstanden voor dat jaar uitgesloten van de berekening van de heffing. § 2. Als de heffingsplichtige in de loop van het jaar vóór het heffingsjaar of uiterlijk bij de indiening van een tijdig bezwaarschrift tegen de heffing van het betreffende heffingsjaar overgaat tot ingebruikname van een verzegelde continue debietmeeting, kan hij de Vlaamse Milieumaatschappij, uiterlijk in het voormelde bezwaarschrift, schriftelijk verzoeken om de tellerstanden van de verzegelde continue debietmeting in aanmerking te nemen bij de berekening van de heffing. Als de Vlaamse Milieumaatschappij het verzoek, vermeld in het eerste lid, aanvaardt, wordt het volume voor het deel van het jaar waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over tellerstanden, vastgesteld op 1,5 keer het volume dat gemeten is in de overeenkomstige periode in het eerste jaar dat volgt op de datum van installatie, berekend op dagbasis. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op voorwaarde dat: 1° het volume dat conform het tweede lid wordt gebruikt, gemeten is door een verzegelde continue debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering vaststelt;2° de heffingsplichtige de tellerstanden van het continu werkende debietmeetsysteem die gebruikt worden voor de vestiging van de heffing conform het tweede lid, aan de Vlaamse Milieumaatschappij bezorgt uiterlijk dertig dagen nadat deze overeenkomstige periode in het eerste jaar dat volgt op de installatie, afloopt;3° het verzegelde continu werkende debietmeetsysteem in gebruik is genomen conform paragraaf 1;4° in het jaar vóór het heffingsjaar, de waterhuishouding vergelijkbaar is met de waterhuishouding in de periode die wordt gebruikt om de heffing vast te stellen conform het tweede lid;5° als het verzoek een grondwaterwinning betreft, die grondwaterwinning in het jaar vóór het heffingsjaar vergund is met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform titel II van het VLAREM en de bijlagen bij dat besluit gevoegd of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;6° het verzoek betrekking heeft op een eigenwaterwinning waar niet eerder een continue debietmeting in gebruik is genomen;7° uit de bewijsstukken bij de aanvraag blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 6°, is voldaan. § 3. Als de heffingsplichtige als gevolg van een defect aan een verzegeld continu werkend debietmeetsysteem van een eigenwaterwinning voor een deel van het jaar vóór het heffingsjaar niet beschikt over correcte tellerstanden, kan hij uiterlijk bij de indiening van een tijdig bezwaarschrift tegen de heffing de Vlaamse Milieumaatschappij schriftelijk verzoeken om de tellerstanden van het verzegelde continu werkende debietmeetsysteem te berekenen aan de hand van de tellerstanden van de drie opeenvolgende voorgaande heffingsjaren. Als de Vlaamse Milieumaatschappij het verzoek, vermeld in het eerste lid, aanvaardt, wordt het volume voor de periode waarin het defect zorgde voor de afwezigheid van een correcte registratie, vastgesteld op 1,5 keer het rekenkundig gemiddelde van het volume dat geregistreerd is door het debietmeetsysteem dat gebruikt is voor de drie opeenvolgende voorgaande heffingsjaren, berekend op dagbasis. Samen met het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige de afwijking vraagt, vormen de heffingsjaren waarvan de tellerstanden in rekening gebracht worden, vier opeenvolgende heffingsjaren. Het eerste tot en met het derde lid zijn van toepassing op voorwaarde dat: 1° het volume dat conform het tweede lid wordt gebruikt, gemeten is door een verzegelde continue debietmeting met registratie conform de regels die de Vlaamse Regering vaststelt;2° het bewijs van herstel of vervanging van het verzegelde continu werkende debietmeetsysteem door een externe installateur bij de aanvraag wordt gevoegd;3° bij de aanvraag technisch onderbouwd wordt waarom het debietmeetsysteem defect was;4° in het jaar vóór het heffingsjaar de waterhuishouding vergelijkbaar is met de waterhuishouding in de periode die wordt gebruikt om de heffing conform het tweede lid vast te stellen;5° als het verzoek een grondwaterwinning betreft, de grondwaterwinning op het ogenblik waarop het grondwater in het jaar vóór het heffingsjaar wordt gewonnen, vergund is met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform titel II van het VLAREM en de bijlagen bij dat besluit gevoegd of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning; 6° uit de bewijsstukken bij de aanvraag blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 5°, is voldaan.". Art. 48.Aan artikel 4.2.2.4.1, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 16 december 2022Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003036268 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 sluiten4, worden een derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt: "Als een heffingsplichtige effluentwater opneemt van een openbare waterzuiveringsinstallatie en het afvalwater afkomstig van dit effluentwater loost in hetzelfde oppervlaktewater als waarin het effluentwater door de openbare waterzuiveringsinstallatie zou worden geloosd indien dit niet zou zijn opgenomen door de heffingsplichtige, kan de vuilvracht van het effluentwater conform de bepalingen van het eerste lid, in mindering worden gebracht van deze van het geloosde afvalwater. Deze regeling is ook van toepassing als de heffingsplichtige in een ander oppervlaktewater loost conform de bepalingen van het tweede lid. Een heffingsplichtige kan na filtratie van het opgenomen effluentwater of oppervlaktewater een bepaalde retentaatstroom terugsturen naar de openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie. Er wordt geen heffing op de waterverontreiniging gevestigd op deze retentaatstroom als de rechtspersoon die het zuiveringstechnisch werk exploiteert uitdrukkelijk toestemming geeft voor het terugsturen ervan.". Art. 49.In artikel 4.2.2.5.2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 23 december 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden "en ander water" vervangen door de zinsnede "circulair afvalwater en ander water, verminderd met de hoeveelheid aangeboden circulair afvalwater"; 2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt: "Q wordt op de volgende wijze berekend: 1° het gefactureerde waterverbruik wordt bepaald conform artikel 4.2.2.5.1; 2° de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan de hoeveelheid die wordt bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, § 1, eerste lid, 2°, b); 3° de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan de hoeveelheid die wordt bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, § 1, eerste lid, 2°, c); 4° de ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan de hoeveelheid die wordt bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, § 1, eerste lid, 2°, d); 5° de hoeveelheid ontvangen circulair afvalwater is gelijk aan de hoeveelheid die wordt bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, § 1, eerste lid, 2°, e); 6° de af te trekken hoeveelheid aangeboden circulair afvalwater is gelijk aan de hoeveelheid die wordt bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, § 1, eerste lid, 2°, f)."; 3° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: "In het eerste en het tweede lid wordt onder hemelwater verstaan: het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de sectoren, vermeld in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd, of dat vervuild wordt.". Art. 50.In artikel 4.2.3.1, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° aan punt 1° wordt de zinsnede "of de hoeveelheid grondwater die is bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, §
§ 3
, van dit decreet" toegevoegd; 2° in punt 2° wordt tussen de zinsnede "als vermeld in punt 1° " en de woorden "wordt onweerlegbaar vermoed" de zinsnede ", en er geen toepassing wordt gemaakt van artikel 4.2.2.3.8, §
§ 3
, van dit decreet" ingevoegd; 3° in punt 3° wordt punt
- b)vervangen door wat volgt: "
- b)voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn, wordt de overeenstemmende hoeveelheid grondwater vastgesteld conform artikel 4.2.2.3.8, §
§ 3
, van dit decreet, en, als er geen toepassing van de voormelde bepalingen wordt gemaakt conform punt 2°, op dagbasis berekend.". Art. 51.In bijlage 5 bij hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018, 26 juni 2020, 23 december 2021 en 16 december 2022, worden aan de tabel de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de volgende rij wordt opgeheven: 21.a Horeca:
- a)hotels, motels restaurants, jeugdherbergen en cafés 1 m3 gebruikt water 0,02 0,001 0,009 0 0,030 21.b
- b)pensions, bungalowparken, campings, pretparken en diergaarden 1 m3 gebruikt water 0,015/100 0,001/100 0,009/100 0 0,000 2° de volgende rijen worden toegevoegd: 62 Water gebruikt bij beregening of op peil hou- den van vijvers door andere heffingsplichti- gen dan land- en tuinbouwbedrijven 1 m3 gebruikt water 0,015/100 0,001/100 0,009/100 0 0,000 63 Niet elders genoemde activiteiten met uit- sluitend NACE- BEL-codes 47 of 53 tot en met 99 (inclusief sanitair afvalwater) 1 m3 gebruikt water 0,017 0,001 0,009 0 0,027 ". Afdeling 5. - Dierenwelzijnsfonds Art. 52.In artikel 107, § 3, van het decreet van 19 december 2014Relevante gevonden documenten type programmawet prom. 24/12/2002 pub. 31/12/2002 numac 2002021495 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Programmawet
- - Onderwijs en Vorming Afdeling
- - Extra werkingsbudget voor een offensief Nederlands voor leerlingen die het Nederlands onvoldoende beheersen Art. 54.Aan hoofdstuk VII, afdeling 2, onderafdeling D, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het laatst gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2023Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003036268 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 sluiten9, wordt een rubriek 7° toegevoegd, die luidt als volgt: "7° Extra werkingsbudget voor een offensief Nederlands voor leerlingen die het Nederlands onvoldoende beheersen". Art. 55.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2023Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid type decreet prom. 18/07/2003 pub. 19/09/2003 numac 2003200811 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende publiek-private samenwerking sluiten0, wordt aan rubriek 7°, toegevoegd bij artikel 54, een artikel 87quinquies toegevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 87quinquies.Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon basisonderwijs voor het schooljaar 20TT-1-20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van februari van 20TT-4 of 20TT-3 of 20TT-2 meer dan 50 procent regelmatige leerlingen lager onderwijs telden die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), van dit decreet. Voor de maatregel, vermeld in het eerste lid en in artikel 48/2 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, wordt voor het basis- en secundair onderwijs samen vanaf 2024 jaarlijks een bedrag van 20 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 79, § 3, derde lid, 2°, van dit decreet. Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt over het basis- en secundair onderwijs verdeeld op basis van het aandeel van het onderwijsniveau in het totale aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het jaar 20TT-2 die voldoen aan het leerlingenkenmerk 3, vermeld in artikel 242, § 1, eerste lid, 1°, c), van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en in artikel 78, § 1, 1°, c), van dit decreet, en voor zover zij ingeschreven zijn in de scholen of centra die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid of in artikel 48/2, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december
- Het extra werkingsbudget per school voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), van dit decreet, op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 in de school met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, voor het basisonderwijs voor dat schooljaar gedeeld door het totale aantal regelmatige leerlingen gewoon lager onderwijs in de scholen die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, dat op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), van dit decreet. Het extra werkingsbudget wordt aangewend om leerlingen met een te beperkte kennis van het Nederlands extra te ondersteunen. Het extra werkingsbudget voor het betrokken schooljaar wordt aan de schoolbesturen in minstens twee schijven uitbetaald, waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50% van het extra werkingsbudget van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt. De regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel, verhogen.". Art. 56.Aan deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 3, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, het laatst gewijzigd bij het decreet van 24 juni 2022Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003036268 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 sluiten2, wordt een onderafdeling 6 toegevoegd, die luidt als volgt: "Onderafdeling
- Extra werkingsbudget voor een offensief Nederlands voor leerlingen die het Nederlands onvoldoende beheersen". Art. 57.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij de decreten van 14 juli 2023, wordt aan onderafdeling 6, toegevoegd bij artikel 56, een artikel 48/2 toegevoegd, dat luidt als volgt: "Art 48/
- Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1- 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van februari van 20TT-4 of 20TT-3 of 20TT-2 meer dan 50 procent regelmatige leerlingen telden die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 242, § 1, eerste lid, 1°, c), van deze codex. Voor de maatregel, vermeld in het eerste lid en in artikel 87quinquies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, wordt voor het basis- en secundair onderwijs samen vanaf 2024 jaarlijks een bedrag van 20 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 79, § 3, derde lid, 2°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari
- Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt over het basis- en secundair onderwijs verdeeld op basis van het aandeel van het onderwijsniveau in het totale aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het jaar 20TT-2 die voldoen aan het leerlingenkenmerk 3, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in artikel 242, § 1, eerste lid, 1°, c), van deze codex, en voor zover zij ingeschreven zijn in de scholen of centra die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid of in artikel 87quinquies, eerste lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari
- Het extra werkingsbudget per school of centrum voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige leerlingen dat beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 242, § 1, eerste lid, 1°, c), van deze codex, op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 in de school of het centrum met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, voor het secundair onderwijs voor dat schooljaar gedeeld door het totale aantal regelmatige leerlingen gewoon secundair onderwijs in de scholen of centra die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, dat op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 242, § 1, eerste lid, 1°, c), van deze codex. Het extra werkingsbudget wordt aangewend om leerlingen met een te beperkte kennis van het Nederlands extra te ondersteunen. Het extra werkingsbudget voor het betrokken schooljaar wordt aan de school- of centrumbesturen in minstens twee schijven uitbetaald, waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50% van het extra werkingsbudget van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel, verhogen.". Afdeling
- - Toekenning jaarlijkse aanvullende vte/leraarsuren/punten/werkingsmiddelen ten behoeve van de asielproblematiek Art. 58.Aan artikel 196sexies, § 1, van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 30 juni 2023Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003036268 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 sluiten8, wordt een tiende lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.". Afdeling
- - Wijziging van de decreetsbepaling voor het begrotingsfonds van het Departement Onderwijs en Vorming Art. 59.Aan artikel 41, § 3, van het decreet van 20 december 2013Relevante gevonden documenten type programmawet prom. 24/12/2002 pub. 31/12/2002 numac 2002021495 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Programmawet
- a)alle niet-duale structuuronderdelen van de finaliteit arbeidsmarkt, behalve binnen het studiedomein taal en cultuur en het studiedomein economie en organisatie;
- b)alle niet-duale structuuronderdelen van de onderwijsvorm bso, behalve de studiegebieden toerisme, handel en maatschappelijke veiligheid;
- c)alle niet-duale structuuronderdelen van de opleidings-, kwalificatie- en integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;2° groep 2:
- a)alle niet-duale structuuronderdelen van de dubbele finaliteit, behalve binnen het studiedomein economie en organisatie, het studiedomein maatschappij en welzijn met uitzondering van het niet-duale structuuronderdeel mode, het studiedomein taal en cultuur, de niet-duale structuuronderdelen ballet, creatie en mode en fotografie binnen het studiedomein kunst en creatie en het niet-duale structuuronderdeel toerisme binnen het studiedomein voeding en horeca;
- b)alle niet-duale structuuronderdelen binnen het studiegebied beeldende kunsten van de onderwijsvorm kso;
- c)alle niet-duale structuuronderdelen van de onderwijsvorm tso, behalve de studiegebieden handel, personenzorg, toerisme en maatschappelijke veiligheid;3° groep 3:
- a)alle duale structuuronderdelen van de finaliteit arbeidsmarkt, behalve binnen het studiedomein taal en cultuur en het studiedomein economie en organisatie;
- b)alle duale structuuronderdelen van de dubbele finaliteit, behalve binnen het studiedomein economie en organisatie, het studiedomein maatschappij en welzijn met uitzondering van het duale structuuronderdeel mode, het studiedomein taal en cultuur, de duale structuuronderdelen ballet, creatie en mode en fotografie binnen het studiedomein kunst en creatie en het duale structuuronderdeel toerisme binnen het studiedomein voeding en horeca;
- c)alle duale structuuronderdelen binnen de onderwijsvormen bso en tso, behalve binnen het studiegebied handel, het studiegebied personenzorg tso en het studiegebied toerisme;
- d)alle opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
- e)alle duale structuuronderdelen van de kwalificatie- en integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs. § 2. Een basisbedrag per gewogen regelmatige leerling wordt bekomen door het extra werkingsbudget, vermeld in paragraaf 1, te delen door het aantal gewogen regelmatige leerlingen op de teldatum voor de berekening van de werkingsbudgetten voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, vermeld in artikel 169 tot en met 172 en artikel 357/26 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en in artikel 86, § 1, 2°, van het decreet van 10 juli 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 10/07/2008 pub. 03/10/2008 numac 2008203342 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap sluiten betreffende het stelsel voor leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. De regelmatige leerlingen, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gewogen: 1° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 1, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden gewogen aan factor 1;2° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 2, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden gewogen aan factor 0,75;3° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 3, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, worden gewogen aan factor 0,50. § 3. Het extra werkingsbudget per school of centrum is het resultaat van de vermenigvuldiging van het basisbedrag per gewogen regelmatige leerling, vermeld in paragraaf 2, met het aantal gewogen regelmatige leerlingen in de school of het centrum op de reguliere teldatum voor de berekening van de werkingsbudgetten voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, vermeld in artikel 169 tot en met 172 en artikel 357/26 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, en in artikel 86, § 1, 2°, van het decreet van 10 juli 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 10/07/2008 pub. 03/10/2008 numac 2008203342 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap sluiten betreffende het stelsel voor leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. De regelmatige leerlingen, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gewogen: 1° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 1, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden gewogen aan factor 1;2° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 2, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden gewogen aan factor 0,75;3° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 3, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, worden gewogen aan factor 0,50. § 4. Het extra werkingsbudget wordt aan de school- en centrumbesturen uitbetaald uiterlijk op 30 juni van het jaar 20TT.". Afdeling 7. - Bijkomende middelen voor de werkingsuitkeringen van de universiteiten en hogescholen Art. 63.In artikel III.19 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003036268 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 sluiten0, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° aan paragraaf 3 wordt een zinsnede toegevoegd, die luidt als volgt: "en bedraagt vanaf het begrotingsjaar 2024 het puntengewicht voor de bacheloropleiding "bachelor in visual design" 1,00."; 2° aan paragraaf 4, eerste lid, 1°, wordt een punt
- e)toegevoegd, dat luidt als volgt: "
- e)vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding "bachelor in visual design" de som van het aantal opgenomen studiepunten, vermeld in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, vermeld in artikel III.13, § 4, 1°,
- a)en b), in een hogeschool, met een maximum van 9.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2."; 3° aan paragraaf 4, eerste lid, 2°, worden een punt
- e)en een punt
- f)toegevoegd, die luiden als volgt: "
- e)voor de organisatie van de masteropleiding "master in de dans" wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, § 4, 1°,
- a)en b), in een hogeschool, met een maximum van 600 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 3;
- f)voor de organisatie van de masteropleiding "master in musical" wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, § 4, 1°,
- a)en b), in een hogeschool, met een maximum van 900 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 3.". Art. 64.Aan artikel III.24 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 december 2022Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003036268 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 sluiten4, wordt een paragraaf 14 toegevoegd, die luidt als volgt: " § 14. Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen, inclusief de Hogere Zeevaartschool, met 8 miljoen euro vermeerderd. Van dit bedrag wordt 683.000 euro toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts (VOWhko2014). Het resterende bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen. Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 20 miljoen euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2024 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.". Afdeling 8. - Bijkomende middelen voor de opleidingen Geneeskunde en Tandheelkunde Art. 65.Aan artikel III.25/2 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, ingevoegd bij het decreet van 16 december 2022Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003036268 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 sluiten4, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt: " § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt de totale werkingsuitkering voor de universiteiten vermeerderd met 10 miljoen euro. Dit bedrag wordt als volgt verdeeld over de universiteiten die een bacheloropleiding aanbieden in het studiegebied Geneeskunde of Tandheelkunde: 1° een sokkel van 200.000 euro voor elk van de desbetreffende universiteiten; 2° een variabel deel voor elk van de desbetreffende universiteiten op basis van het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een of meer van de volgende opleidingen:
- a)bachelor in de geneeskunde;
- b)master in de geneeskunde;
- c)master in de huisartsengeneeskunde;
- d)master in de specialistische geneeskunde;
- e)bachelor in de tandheelkunde;
- f)master in de tandheelkunde. Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de bedragen, vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.". Afdeling 9. - Bijkomende middelen ter versterking van de lerarenopleidingen in het hoger onderwijs Art. 66.In deel 3, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, onderafdeling 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 december 2022Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003036268 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 sluiten4, wordt een artikel III.25/4 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. III.25/4. Ter versterking van de lerarenopleidingen wordt vanaf het begrotingsjaar 2024 de totale werkingsuitkering van de hogescholen en de universiteiten vermeerderd met 15 miljoen euro. Dit totale bedrag wordt als volgt verdeeld over de hogescholen en universiteiten die een lerarenopleiding als vermeld in artikel II.111 aanbieden: 1° een sokkel van 150.000 euro voor elk van de desbetreffende universiteiten en hogescholen; 2° een variabel deel voor elk van de desbetreffende universiteiten of hogescholen op basis van het aantal opgenomen studiepunten waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een lerarenopleiding als vermeld in artikel II.111. Voor het begrotingsjaar 2024 worden de opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in aanmerking genomen. Voor het begrotingsjaar 2025 wordt het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren 2021-2022 en 2022-2023 in aanmerking genomen. Vanaf het begrotingsjaar 2026 wordt het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2 in aanmerking genomen, waarbij t slaat op het begrotingsjaar. Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de bedragen, vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.". Afdeling 10. - Bijkomende middelen voor de studentenvoorzieningen van de universiteiten en hogescholen Art. 67.In artikel III.67, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, vervangen bij het decreet van 16 juni 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/07/1998 pub. 28/08/1998 numac 1998035917 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998 sluiten2 en gewijzigd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt het vijfde lid vervangen door wat volgt: "Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt een bedrag van 2,8 miljoen euro toegevoegd aan het bedrag van de sociale toelage voor de universiteiten en een bedrag van 3,2 miljoen euro aan het bedrag van de sociale toelage van de hogescholen.". Afdeling 11. - Verlenging lerarenplatform Art. 68.In artikel 153quaterdecies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/07/1998 pub. 28/08/1998 numac 1998035917 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998 sluiten5 en vervangen bij het decreet van 9 juli 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003036268 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 sluiten0, wordt de zinsnede "tot en met het schooljaar 2023-2024" opgeheven. Art. 69.In artikel 153viciesquinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/07/1998 pub. 28/08/1998 numac 1998035917 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998 sluiten5 en gewijzigd bij de decreten van 26 juni 2020 en 9 juli 2021, wordt de zinsnede "en houdt op uitwerking te hebben op het einde van het schooljaar 2023-2024" opgeheven. Afdeling 12. - Eenmalige bijkomende middelen voor het dragen van de kosten verbonden aan de opleidingsaccreditaties van de educatieve masteropleidingen en de educatieve graduaatsopleidingen in de academiejaren 2022-2023 en 2023-2024 Art. 70.In deel 3, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, onderafdeling 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 december 2022Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003036268 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 sluiten4, wordt een artikel III.25/5 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. III.25/5. In het begrotingsjaar 2024 wordt eenmalig de totale werkingsuitkering van de hogescholen en universiteiten vermeerderd met 706.680 euro. Dit bedrag wordt verdeeld over de hogescholen die in het academiejaar 2023-2024 een procedure voor opleidingsaccreditatie doorlopen hebben voor de educatieve graduaatsopleidingen en over de universiteiten die in het academiejaar 2022-2023 een procedure voor opleidingsaccreditatie doorlopen hebben voor de educatieve masteropleidingen a rato van het aantal educatieve graduaatsopleidingen en het aantal educatieve masteropleidingen per instelling.". Afdeling 13. - Bijzondere maatregelen in het kader van de capaciteitsproblematiek Art. 71.Aan deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 3, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, het laatst gewijzigd bij het decreet van 24 juni 2022Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003036268 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 sluiten2, wordt een onderafdeling 7 toegevoegd, die luidt als volgt: "Onderafdeling 7. Bijzondere maatregelen in het kader van de capaciteitsproblematiek". Art. 72.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij de decreten van 14 juli 2023, wordt aan onderafdeling 7, toegevoegd bij artikel 71, een artikel 48/3 toegevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 48/3.Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste dertig regelmatige leerlingen meer dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen;2° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1. Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan een van de volgende voorwaarden: 1° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in de eerste graad B-stroom;2° de school of centrum had op de eerste schooldag van februari 20TT-1 nog geen aanbod eerste graad B-stroom, en heeft wel een aanbod eerste graad B-stroom op de eerste schooldag van oktober 20TT-1. Een school die aan een van de in het tweede lid bepaalde voorwaarden voldoet, komt slechts in aanmerking indien de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1. Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen;2° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1. Voor de maatregelen, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt vanaf 2024 jaarlijks in een bedrag van 10 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, § 3, derde lid, 2°. Het extra werkingsbudget per school of centrum voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal bijkomende regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, gedeeld door het totale aantal bijkomende regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid. Het bedrag dat een school of centrum ontvangt per bijkomende regelmatige leerling kan niet meer bedragen dan 11.000 euro. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, § 3, derde lid, 2°. Scholen en centra die voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT de eerste schooldag van oktober hanteren als teldatum als vermeld in artikel 86, § 2, derde lid, van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en in artikel 171 en 172, § 1, komen voor het betrokken schooljaar niet in aanmerking voor het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel. Het extra werkingsbudget voor het betrokken schooljaar wordt aan de school- of centrumbesturen vóór 1 februari van het betrokken schooljaar betaald. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het bedrag, vermeld in het vijfde lid, verhogen.". Afdeling 14. - Monitoring en bevordering van het welbevinden van de studenten Art. 73.Aan deel 3, titel 2, hoofdstuk 8, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 wordt een artikel III.98/0 toegevoegd, dat luidt als volgt: "Art. III.98/0. De Vlaamse Regering kan vanaf het begrotingsjaar 2024 een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar afsluiten met een via oproep geselecteerde partner voor de monitoring en de bevordering van het welbevinden van de studenten, waarin ten minste de volgende elementen voorkomen en worden afgesproken:
- a)een begroting en beleidsplan voor de looptijd van de beheersovereenkomst;
- b)de kwantiteit en de kwaliteit van de te leveren prestaties;
- c)de jaarlijkse monitorings- en rapporteringsafspraken. De jaarlijkse financiële ondersteuning die in de beheersovereenkomst wordt afgesproken, bedraagt maximaal 300.000 euro. De Vlaamse Regering kan de hoogte van de basissubsidie herzien afhankelijk van de mate waarin de in de beheersovereenkomst afgesproken doelstellingen worden gehaald. De Vlaamse Regering kan een deel van de financiële ondersteuning inhouden en zo nodig terugvorderen indien de Vlaamse Regering vaststelt dat de partner de beheersovereenkomst niet naleeft. Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt het bedrag, vermeld in het tweede lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.". HOOFDSTUK 8. - Werk en Sociale Economie Art. 74.In titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, van de programmawet van 24 december 2002Relevante gevonden documenten type programmawet prom. 24/12/2002 pub. 31/12/2002 numac 2002021495 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Programmawet