📄 Wettekst
8 MEI 2007. - Wet houdende instemming met het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie, gedaan te New York op 31 oktober 2003 (1) (2)
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Art. 2.Het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie, gedaan te New York op 31 oktober 2003, zal volkomen gevolg hebben.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 8 mei 2007.
ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, K. DE GUCHT De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota's (1) Zitting 2006-2007. Senaat.
Documenten. - Ontwerp van wet ingediend op 21 maart 2007, nr. 3-2136/1. - Verslag, nr. 3-2136/2.
Parlementaire Handelingen. - Bespreking en stemming. Vergadering van 29 maart 2007.
Kamer van volksvertegenwoordigers.
Documenten. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 51-3053/1.
Tekst aangensmez in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 51-3053/2.
Parlementaire Handelingen. - Bespreking en stemming. Vergadering van 12 april 2007. (2) Zie decreet van de Vlaamse Gemeenschap/het Vlaamse Gewest van 23 november 2007 (Belgisch Staatsblad van 24 december 2007 ), decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 2008 (Belgisch Staatsblad van 1 april 2008), decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 25 februari 2008 (Belgisch Staatsblad van 7 april 2008), decreet van het Waalse Gewest van 21 februari 2008 (Belgisch Staatsblad van 5 maart 2008 ), Ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 3 mei 2007 (Belgisch Staatsblad van 21 mei 2007), Ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 19 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 19 juni 2007). Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie Preambule De Staten die partij zijn bij dit verdrag, Bezorgd over de ernst van de problemen die corruptie teweegbrengt, evenals van de bedreiging die corruptie vormt voor de stabiliteit en veiligheid van samenlevingen, door de democratische instellingen en waarden en de ethische waarden en de justitie te ondermijnen, alsmede door de duurzame ontwikkeling en de rechtsstaat in gevaar te brengen, Bezorgd tevens over de banden die bestaan tussen corruptie en andere vormen van criminaliteit, in het bijzonder de georganiseerde criminaliteit en de economische criminaliteit, daaronder begrepen het witwassen van geld, Voorts bezorgd over de gevallen van corruptie waarbij sprake is van grote hoeveelheden vermogensbestanddelen, die een aanzienlijk deel van de middelen van een Staat kunnen vertegenwoordigen, en waarbij de politieke stabiliteit en de duurzame ontwikkeling van die Staat worden bedreigd, Ervan overtuigd dat corruptie niet langer een lokale aangelegenheid, maar wel een grensoverschrijdend verschijnsel is waarmee alle samenlevingen en alle economieën worden geconfronteerd, waardoor de internationale samenwerking ter voorkoming en beteugeling ervan van essentieel belang is, Tevens ervan overtuigd dat een brede en multidisciplinaire benadering nodig is om corruptie doeltreffend te voorkomen en te bestrijden, Voorts ervan overtuigd dat het aanbieden van technische bijstand op belangrijke wijze ertoe kan bijdragen Staten beter in staat te stellen, daaronder begrepen door de versterking van hun capaciteit en instellingen, corruptie doeltreffend te voorkomen en te bestrijden, Ervan overtuigd dat de ongeoorloofde verwerving van persoonlijke rijkdom de democratische instellingen, de nationale economieën en de rechtsstaat bijzonder kan schaden, Vastbesloten om op meer doeltreffende wijze de internationale overdracht van op ongeoorloofde wijze verworven vermogensbestanddelen te voorkomen, op te sporen en te ontmoedigen en om de internationale samenwerking bij de recuperatie van vermogensbestanddelen te versterken, Onder erkenning van de grondbeginselen inzake de inachtneming van de waarborgen waarin de wet voorziet met betrekking tot de strafrechtelijke procedures en tot de burgerrechtelijke of administratiefrechtelijke procedures in verband met de erkenning van eigendomsrechten, Indachtig dat alle Staten ervoor moeten zorgen dat corruptie wordt voorkomen en uitgeroeid en dat zij hierbij onderling moeten samenwerken, met de steun en medewerking van personen en groepen die niet tot de publieke sector behoren, zoals het maatschappelijk middenveld, de niet-gouvernementele organisaties en de gemeenschappen van personen, opdat hun inspanningen ter zake doeltreffend zouden zijn, Tevens in het licht van de beginselen van behoorlijk bestuur en goed beheer van de openbare goederen, van billijkheid, van verantwoordelijkheid en van gelijkheid voor de wet en van de noodzaak de integriteit te beschermen en een cultuur te bevorderen waarin corruptie wordt verworpen, Zich verheugend over de werkzaamheden van de Commissie voor misdaadpreventie en strafrechtspleging en het Bureau van de Verenigde Naties voor drugsbestrijding en misdaadpreventie ter voorkoming en bestrijding van corruptie, Herinnerend aan de werkzaamheden in dit verband van andere internationale en regionale organisaties, inzonderheid de activiteiten van de Internationale Douaneraad (ook wel de Mondiale Douaneorganisatie genoemd), van de Raad van Europa, van de Liga van Arabische Staten, van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, van de Organisatie van Amerikaanse Staten, van de Afrikaanse Unie en van de Europese Unie.
Neemt tevreden nota van de multilaterale instrumenten ter voorkoming en bestrijding van corruptie zoals, onder meer, de Inter-Amerikaanse conventie tegen corruptie, aangenomen door de Organisatie van Amerikaanse Staten op 29 maart 19964, de overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, aangenomen door de Raad van de Europese Unie op 26 mei 19755, het verdrag inzake de bestrijding van corruptie van buitenlandse ambtenaren in internationale zakelijke transacties, aangenomen door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling op 21 november 19976, het verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie, aangenomen door het Comité van ministers van de Raad van Europa op 27 januari 19977, het civielrechtelijk verdrag inzake de bestrijding van corruptie, aangenomen door het Comité van ministers van de Raad van Europa op 4 november 19988, en het verdrag betreffende de voorkoming en bestrijding van corruptie, aangenomen door de staatshoofden en regeringsleiders van de Afrikaanse Unie op 12 juli 2003, Zich verheugend over de inwerkingtreding op 29 september 2003 van het verdrag van de Verenigde Naties tegen transnationale georganiseerde misdaad, Zijn als volgt overeengekomen : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Doelstelling Artikel 1 Dit verdrag heeft tot doel : a) de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van corruptie op meer doeltreffende wijze te stimuleren en te versterken;b) de internationale samenwerking en de technische bijstand met het oog op de voorkoming van corruptie en de bestrijding ervan, daaronder begrepen de recuperatie van vermogensbestanddelen, aan te moedigen, te vergemakkelijken en te ondersteunen;c) de integriteit, de verantwoordelijkheid en het behoorlijk bestuur en het goed beheer van de openbare goederen te bevorderen. Begripsomschrijvingen Artikel 2 Voor de toepassing van dit Verdrag moet worden begrepen onder : a) « ambtenaar » : i) eenieder die een wetgevend, uitvoerend, bestuurlijk of rechterlijk mandaat van een Staat die partij is, heeft, ongeacht of hij benoemd of gekozen is, permanent of tijdelijk, of hij al dan niet bezoldigd wordt en ongeacht zijn hiërarchisch niveau;ii) enige andere persoon die een openbaar ambt uitoefent, daaronder begrepen bij een overheidsinstelling of een overheidsbedrijf, of een openbare dienst verstrekt in de zin van de omschrijving van deze begrippen in het nationaal recht van de Staat die partij is en zoals toegepast in de relevante tak van het recht van die Staat; iii) enige andere persoon omschreven als « ambtenaar » in het nationaal recht van een Staat die partij is. Voor de toepassing van bepaalde specifieke maatregelen bedoeld in hoofdstuk II van dit verdrag kan onder « ambtenaar » worden verstaan eenieder die een openbaar ambt uitoefent of die een openbare dienst verstrekt in de zin van de omschrijving van deze begrippen in het nationaal recht van de Staat die partij is en zoals toegepast in de relevante tak van het recht van die Staat; b) « buitenlands ambtenaar » : eenieder die een wetgevend, uitvoerend, bestuurlijk of rechterlijk mandaat van een vreemde Staat heeft, ongeacht of hij benoemd of gekozen is;evenals eenieder die een openbaar ambt uitoefent in een vreemde Staat, daaronder begrepen bij een overheidsinstelling of een overheidsbedrijf; c) « ambtenaar van een internationale publiekrechtelijke organisatie » : een internationaal ambtenaar of ieder door een dergelijke organisatie gemachtigde persoon om namens haar op te treden;d) « goederen » : vermogensbestanddelen van enigerlei aard, lichamelijk of onlichamelijk, roerend of onroerend, tastbaar of niet-tastbaar, alsmede gerechtelijke stukken of stukken waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van die vermogensbestanddelen blijken;e) « opbrengst van misdrijven » : ieder goed dat rechtstreeks of onrechtstreeks is verkregen uit het plegen van een delict of rechtstreeks of onrechtstreeks is verkregen tijdens het plegen ervan;f) « bevriezing » of « inbeslagneming » : het tijdelijk verbod van de overdracht, omzetting, vervreemding of verplaatsing van goederen of het tijdelijk in bewaring nemen of onder toezicht plaatsen van goederen op grond van een beslissing van een rechtbank of van een andere bevoegde autoriteit;g) « verbeurdverklaring » : het permanent ontnemen van goederen op grond van een beslissing van een rechtbank of van een andere bevoegde autoriteit;h) « basisdelict » : ieder delict waaruit opbrengsten zijn voortgekomen die als strafbaar feit kunnen worden beschouwd zoals omschreven in artikel 23 van dit verdrag;i) « gecontroleerde aflevering » : de methode waarbij wordt toegelaten dat clandestiene of verdachte zendingen het grondgebied van een of meer Staten uit-, door- of ingaan met het medeweten of onder toezicht van de bevoegde autoriteiten van die Staten teneinde onderzoek te verrichten naar een delict en de personen te identificeren die betrokken zijn bij het plegen ervan. Toepassingsgebied Artikel 3 1. Dit verdrag is overeenkomstig de bepalingen ervan toepasselijk op de voorkoming van, het onderzoek naar en de vervolging van corruptie, alsmede op de bevriezing, de inbeslagneming, de verbeurdverklaring en de teruggave van de opbrengst van de uit hoofde van dit verdrag strafbaar gestelde feiten.2. Voor de toepassing van dit verdrag is, behoudens andersluidende bepaling, niet vereist dat de erin opgenomen delicten schade of een vermogensnadeel veroorzaken aan de Staat. Bescherming van de soevereiniteit Artikel 4 1. De Staten die partij zijn, komen hun verplichtingen uit hoofde van dit verdrag na op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van de soevereine gelijkheid en de territoriale integriteit van de Staten en met die van niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van andere Staten.2. Geen enkele bepaling van dit verdrag machtigt een Staat die partij is om op het grondgebied van een andere Staat bevoegdheden en opdrachten uit te oefenen die uitsluitend voorbehouden zijn aan de autoriteiten van die andere Staat op grond van diens nationaal recht. HOOFDSTUK II. - Preventieve maatregelen Beleid en handelwijze inzake de voorkoming van corruptie Artikel 5 1. Iedere Staat die partij is, gaat overeenkomstig de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel over tot de uitwerking en toepassing of nastreving van een doeltreffend en gecoördineerd beleid inzake de voorkoming van corruptie, door middel waarvan de deelname van de samenleving wordt gestimuleerd en waarin de beginselen van de rechtsstaat, van behoorlijk bestuur en goed beheer van de openbare goederen, van integriteit, van transparantie en van verantwoordelijkheid worden gehuldigd.2. Iedere Staat die partij is, stelt alles in het werk om doeltreffende handelwijzen ter voorkoming van corruptie uit te werken en te bevorderen.3. Iedere Staat die partij is, stelt alles in het werk om op gezette tijden de relevante rechtsinstrumenten en bestuurlijke maatregelen te evalueren teneinde te bepalen of zij geschikt zijn om corruptie te voorkomen en te bestrijden.4. Voor zover nodig werken de Staten die partij zijn overeenkomstig de grondbeginselen van hun rechtsstelsel onderling samen, evenals met de regionale en internationale organisaties die bevoegd zijn voor de stimulering en uitwerking van de maatregelen bedoeld in dit artikel. In het kader van deze samenwerking kunnen zij deelnemen aan internationale programma's en initiatieven ter voorkoming van corruptie.
Orgaan of organen ter voorkoming van corruptie Artikel 6 1. Voor zover nodig voorziet iedere Staat die partij is overeenkomstig de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel in een of meer organen belast met de voorkoming van corruptie door middel van : a) de toepassing van het beleid bedoeld in artikel 5 van dit verdrag en, indien nodig, het toezicht op en de coördinatie van deze toepassing;b) de vergroting en verspreiding van de kennis omtrent de voorkoming van corruptie.2. Iedere Staat die partij is, verleent overeenkomstig de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel aan het orgaan of aan de organen bedoeld in het eerste lid van dit artikel de nodige onafhankelijkheid teneinde hen de mogelijkheid te bieden hun functie doeltreffend uit te oefenen zonder ongepaste beïnvloeding.De nodige materiële middelen en gespecialiseerde medewerkers, alsmede de opleiding waaraan deze medewerkers behoefte kunnen hebben om hun functie uit te oefenen, moeten hen worden verstrekt. 3. Iedere Staat die partij is, deelt aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties de naam en het adres van de autoriteit of de autoriteiten mee die andere Staten die partij zijn, kunnen helpen bij de uitwerking en toepassing van specifieke maatregelen ter voorkoming van corruptie. Publieke sector Artikel 7 1. Indien nodig stelt iedere Staat die partij is alles in het werk om overeenkomstig de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel over te gaan tot de goedkeuring, handhaving en versterking van mechanismen om ambtenaren en zo nodig andere niet-gekozen ambtenaren te selecteren, in dienst te nemen, aan zich te binden, promotie te laten maken en op pensioen te stellen, die : a) berusten op de beginselen van doeltreffendheid en van transparantie, alsmede op objectieve criteria zoals merites, billijkheid en geschiktheid;b) passende procedures onderstellen om personen te selecteren en op te leiden voor openbare betrekkingen die beschouwd worden als buitengewoon corruptiegevoelig, en, indien nodig, om te voorzien in een rotatiesysteem voor die betrekkingen;c) een passende bezoldiging en billijke loonschalen stimuleren, rekening houdend met het niveau van economische ontwikkeling van de Staat die partij is;d) het aanbieden van onderwijs- en opleidingsprogramma's bevorderen waardoor zij in staat worden gesteld zich op correcte, waardige en adequate wijze van hun functie te kwijten en hen een passende gespecialiseerde opleiding verschaffen waardoor zij zich nog meer bewust worden van het gevaar van corruptie dat inherent is aan de uitoefening van hun functie.Dergelijke programma's kunnen verwijzen naar toepasselijke gedragscodes en -normen. 2. Iedere Staat die partij is, streeft tevens ernaar passende wetgevende en bestuurlijke maatregelen te nemen die verenigbaar zijn met de doelstellingen van dit verdrag en met de grondbeginselen van zijn nationaal recht teneinde criteria vast te stellen voor de kandidaatstelling en verkiezing voor een openbaar mandaat.3. Iedere Staat die partij is, streeft eveneens ernaar passende wetgevende en bestuurlijke maatregelen te nemen die verenigbaar zijn met de doelstellingen van dit verdrag en met de grondbeginselen van zijn nationaal recht teneinde de transparantie te verhogen van de financiering van de kandidaatstellingen voor een verkiesbaar openbaar mandaat en, in voorkomend geval, van de financiering van de politieke partijen.4. Iedere Staat die partij is, stelt alles in het werk om overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationaal recht over te gaan tot de aanneming, handhaving en versterking van mechanismen die de transparantie bevorderen en belangenconflicten voorkomen. Gedragscodes voor ambtenaren Artikel 8 1. Ter bestrijding van corruptie moedigt iedere Staat die partij is overeenkomstig de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel onder meer de integriteit, de eerlijkheid en de verantwoordelijkheidszin van zijn ambtenaren aan.2. In het bijzonder stelt iedere Staat die partij is alles in het werk om in het kader van zijn eigen institutioneel stelsel en rechtsstelsel gedragscodes of -normen inzake de correcte, waardige en adequate uitoefening van het openbaar ambt toe te passen.3. Voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel neemt iedere Staat die partij is indien nodig overeenkomstig de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel nota van de relevante initiatieven van regionale, interregionale en multilaterale organisaties, zoals de Internationale gedragscode voor ambtenaren van het openbaar ambt die bij resolutie 51/59 van de algemene Vergadering gaat, van 12 december 1996.4. Iedere Staat die partij is, streeft tevens ernaar overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationaal recht maatregelen en mechanismen uit te werken waardoor ambtenaren gemakkelijker aan de bevoegde autoriteiten kennis kunnen geven van corrupte handelingen waarvan zij in het kader van de uitoefening van hun functie kennis nemen.5. Indien nodig stelt iedere Staat die partij is alles in het werk om overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationaal recht, maatregelen en mechanismen uit te werken waardoor ambtenaren verplicht worden onder meer alle externe activiteiten, werk, beleggingen, vermogensbestanddelen en aanzienlijke schenkingen of voordelen waaruit een belangenconflict met hun functie van ambtenaar zou kunnen voortvloeien, aan de bevoegde autoriteiten te melden.6. Iedere Staat die partij is, streeft ernaar overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationaal recht disciplinaire of andere maatregelen te nemen ten aanzien van ambtenaren die de krachtens dit artikel opgestelde codes of normen schenden. Gunning van overheidsopdrachten en beheer van overheidsfinanciën Artikel 9 1. Iedere Staat die partij is, neemt overeenkomstig de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel de maatregelen die noodzakelijk zijn tot uitwerking van passende mechanismen voor de gunning van overheidsopdrachten welke gegrond zijn op transparantie, mededinging en objectieve criteria voor het nemen van beslissingen en onder meer doeltreffend zijn om corruptie te voorkomen.Dergelijke mechanismen voor de toepassing waarvan waardedrempels in aanmerking kunnen worden genomen, voorzien onder meer in : a) de publieke verspreiding van informatie over de procedures inzake de gunning van opdrachten en de opdrachten, daaronder begrepen informatie over offerteaanvragen en relevante informatie over de toewijzing van opdrachten, waarbij de potentiële inschrijvers voldoende tijd wordt gelaten om hun offertes op te stellen en in te dienen;b) vooraf opgestelde deelnemingsvoorwaarden, daaronder begrepen selectie- en toewijzingscriteria en regels inzake offerteaanvragen, alsmede de bekendmaking ervan;c) het gebruik van objectieve en vooraf bepaalde criteria voor het nemen van beslissingen met betrekking tot de gunning van overheidsopdrachten teneinde de controle achteraf van de correcte toepassing van de regels of procedures te vergemakkelijken;d) een mechanisme inzake doeltreffende nationale rechtsmiddelen, daaronder begrepen een doeltreffende beroepsvoorziening, dat de aanwending van dergelijke middelen waarborgt ingeval de overeenkomstig dit lid opgestelde regels of procedures niet in acht worden genomen.e) indien nodig maatregelen tot regeling van de aangelegenheden die de medewerkers belast met de gunning van opdrachten betreffen, zoals de eis inzake de opgave van financiële belangen voor sommige overheidsopdrachten, selectieprocedures voor voornoemde medewerkers en eisen inzake opleiding.2. Iedere Staat die partij is, neemt overeenkomstig de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel passende maatregelen om de transparantie en verantwoordelijkheid bij het beheer van de overheidsfinanciën te bevorderen.Dergelijke maatregelen omvatten onder meer : a) procedures tot aanpassing van de nationale begroting;b) de mededeling te gepasten tijde van de uitgaven en ontvangsten;c) een mechanisme inzake boekhoudkundige normen en auditnormen en inzake toezicht daarop;d) doeltreffende mechanismen inzake risicobeheer en intern toezicht; en e) indien nodig corrigerende maatregelen ingeval de vereisten van dit lid niet worden nagekomen.3. Iedere Staat die partij is, neemt overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationaal recht de civiele en bestuurlijke maatregelen die noodzakelijk zijn om de integriteit van de boeken en boekhoudkundige staten, financiële staten of andere stukken betreffende de overheidsuitgaven en -inkomsten te waarborgen en vervalsing ervan te voorkomen. Voorlichting van het publiek Artikel 10 Gelet op de noodzaak om corruptie te bestrijden, neemt iedere Staat die partij is overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationaal recht de maatregelen die noodzakelijk zijn om de transparantie van zijn overheid te verhogen, daaronder begrepen met betrekking tot de organisatie, werking en besluitvorming ervan waar nodig. Dergelijke maatregelen kunnen onder meer omvatten : a) de goedkeuring van procedures of regelgeving op grond waarvan gebruikers indien nodig informatie kunnen verkrijgen over de organisatie, werking en besluitvorming van de overheid, alsmede, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonsgegevens, over de beslissingen en rechtshandelingen die op hen betrekking hebben;b) indien nodig, de vereenvoudiging van de administratieve procedures teneinde de toegang van gebruikers tot de bevoegde beslissingnemende autoriteiten te vergemakkelijken;en c) de bekendmaking van informatie, eventueel daaronder begrepen van periodieke verslagen over het gevaar van corruptie binnen de overheid. Maatregelen betreffende de rechters en de diensten voor vervolging Artikel 11 1. Gelet op de onafhankelijkheid van de magistraten en hun cruciale rol in de bestrijding van corruptie neemt iedere Staat die partij is overeenkomstig de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel maatregelen om hun integriteit te versterken en de mogelijkheden om hen om te kopen te voorkomen, zonder daarbij afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid.Dergelijke maatregelen kunnen gedragsregels omvatten. 2. Maatregelen in dezelfde zin als die genomen in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel kunnen worden uitgewerkt en toegepast binnen de diensten voor vervolging in de Staten die partij zijn alwaar deze een onderscheiden korps vormen, maar een onafhankelijkheid genieten die vergelijkbaar is met die van rechters. Private sector Artikel 12 1. Iedere Staat die partij is, neemt overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationaal recht maatregelen om corruptie waarbij de private sector betrokken is te voorkomen, de boekhoudkundige normen en auditnormen in de private sector te versterken en indien nodig te voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende burgerrechtelijke, administratiefrechtelijke of strafrechtelijke sancties ingeval dergelijke maatregelen niet in acht worden genomen.2. De maatregelen om deze doelstellingen te bereiken, kunnen onder meer omvatten : a) de stimulering van de samenwerking tussen de diensten voor opsporing en voor bestraffing en de betrokken private entiteiten;b) de bevordering van de uitwerking van normen en procedures tot bescherming van de integriteit van de betrokken private entiteiten, daaronder begrepen van gedragscodes die ervoor zorgen dat bedrijven en alle betrokken beroepen hun activiteiten op correcte, waardige en adequate wijze uitoefenen, belangenconflicten worden voorkomen en de toepassing van goede handelspraktijken door de bedrijven onderling, alsmede in hun contractuele relaties met de Staat, wordt aangemoedigd;c) de bevordering van de transparantie tussen private entiteiten, daaronder begrepen indien nodig door middel van maatregelen met betrekking tot de identiteit van de natuurlijke personen en rechtspersonen die betrokken zijn bij de oprichting en het beheer van vennootschappen;d) de voorkoming van het oneigenlijk gebruik van de procedures inzake regelgeving ten behoeve van private entiteiten, daaronder begrepen procedures in verband met subsidies en vergunningen verleend door autoriteiten voor commerciële activiteiten;e) de voorkoming van belangenconflicten door het opleggen, voor zover nodig en gedurende een redelijke periode, van beperkingen aan de uitoefening van beroepsactiviteiten door voormalige ambtenaren of aan de indienstneming door de private sector van ambtenaren na hun ontslag of pensionering, wanneer voornoemde activiteiten of voornoemde indiensttreding een rechtstreeks verband hebben met de functie die deze voormalige ambtenaren uitoefenden of superviseerden toen zij nog werkten;f) de toepassing op private bedrijven, rekening houdend met de structuur en omvang ervan, van voldoende interne audits ter vergemakkelijking van de voorkoming en opsporing van corrupte handelingen en het onderwerpen van de rekeningen en vereiste financiële staten van dergelijke private bedrijven aan passende audit- en certificatieprocedures.3. Ter voorkoming van corruptie neemt iedere Staat die partij is, overeenkomstig zijn nationale wet- en regelgeving inzake het houden van boeken en boekhoudkundige staten, de bekendmaking van informatie over financiële staten en boekhoudkundige normen en auditnormen, de maatregelen die noodzakelijk zijn om te verbieden dat de volgende handelingen worden verricht met het oogmerk een van de krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten te plegen : a) het openen van niet in de boeken vermelde rekeningen;b) het realiseren van niet in de boeken vermelde of ontoereikend geïdentificeerde verrichtingen;c) het inschrijven van onbestaande uitgaven;d) het inschrijven van lasten waarvan de reden niet correct is omschreven;e) het gebruik van valse stukken;en f) het opzettelijk sneller vernietigen van boekhoudkundige stukken dan in de wet is bepaald.4. Iedere Staat die partij is, weigert fiscale aftrekbaarheid te verlenen aan uitgaven die smeergeld uitmaken en waarvan de storting een van de bestanddelen is van de krachtens de artikelen 15 en 16 van dit verdrag strafbaar gestelde feiten en indien nodig aan andere uitgaven gedaan met het oog op corruptie. Deelname van de samenleving Artikel 13 1. Iedere Staat die partij is, neemt binnen de grenzen van zijn mogelijkheden en overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationaal recht passende maatregelen om de actieve deelname van personen en groepen die niet tot de publieke sector behoren, zoals het maatschappelijk middenveld, de niet-gouvernementele organisaties en de gemeenschappen van personen, aan de voorkoming van corruptie en de strijd tegen dit verschijnsel te bevorderen, alsmede om het publiek beter bewust te maken van het bestaan, de oorzaken en de ernst van corruptie en van de bedreiging die corruptie vormt.Deze deelname moet worden versterkt door maatregelen die erin bestaan om : a) de transparantie van de besluitvorming te verhogen en de deelname van het publiek eraan te stimuleren;b) de daadwerkelijke toegang van het publiek tot de informatie te waarborgen;c) activiteiten te ondernemen ter voorlichting van het publiek waarbij het ertoe wordt aangezet corruptie niet te dulden, alsmede onderwijsprogramma's op te zetten ten behoeve van het publiek, inzonderheid in de scholen en universiteiten;d) de vrijheid om informatie over corruptie te zoeken, te ontvangen, bekend te maken en te verspreiden, in acht te nemen, te stimuleren en te beschermen.Deze vrijheid kan worden onderworpen aan een aantal beperkingen, die evenwel wettelijk bepaald en noodzakelijk moeten zijn : i) met het oog op de eerbiediging van andermans rechten of goede naam; ii) ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden. 2. Iedere Staat die partij is, neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de in dit verdrag vermelde bevoegde organen belast met de voorkoming van corruptie bekend zijn bij het publiek en maakt dat zij wanneer nodig toegankelijk zijn opdat van alle feiten die beschouwd kunnen worden als feiten die krachtens dit verdrag strafbaar zijn gesteld, aan hen kennis kan worden gegeven, daaronder begrepen op anonieme wijze. Maatregelen ter voorkoming van het witwassen van geld Artikel 14 1. Iedere Staat die partij is : a) werkt een compleet nationaal regelgevings- en controlestelsel uit ten aanzien van banken en niet-bancaire financiële instellingen, daaronder begrepen van natuurlijke personen en rechtspersonen die formele of informele diensten verlenen voor de overdracht van geldmiddelen of waardepapieren, alsmede indien nodig van andere entiteiten die bijzonder kwetsbaar zijn voor het witwassen van geld, zulks binnen de grenzen van zijn bevoegdheden teneinde alle vormen van witwassen van geld te ontmoedigen en op te sporen.In dat stelsel wordt de nadruk gelegd op eisen inzake identificatie van cliënten en indien nodig van de economisch rechthebbenden, registratie van verrichtingen en aangifte van verdachte verrichtingen; b) vergewist zich ervan, onverminderd artikel 46 van dit verdrag, dat de administratieve autoriteiten, de autoriteiten belast met de regelgeving, de opsporing en de bestraffing en andere autoriteiten belast met de bestrijding van het witwassen van geld (daaronder begrepen de gerechtelijke autoriteiten in de gevallen waarin zijn nationaal recht daarin voorziet) nationaal en internationaal kunnen samenwerken en gegevens uitwisselen onder de voorwaarden omschreven in zijn nationaal recht en voorziet daartoe in de oprichting van een financiële inlichtingendienst die fungeert als nationaal centrum voor de verzameling, analyse en verspreiding van gegevens betreffende eventuele witwasoperaties.2. De Staten die partij zijn, streven ernaar realiseerbare maatregelen inzake opsporing en controle van transnationaal verkeer van geld en passende verhandelbare titels ten uitvoer te leggen, zulks onder voorbehoud van garanties die een correcte aanwending van gegevens kunnen waarborgen, zonder het wettelijk kapitaalverkeer op enigerlei wijze te belemmeren.Aan particulieren en bedrijven kan inzonderheid de verplichting worden opgelegd kennis te geven van transnationale overdrachten van een belangrijke hoeveelheid geld of aangepaste verhandelbare titels. 3. De Staten die partij zijn, streven ernaar passende en realiseerbare maatregelen ten uitvoer te leggen om van financiële instellingen, daaronder begrepen van vennootschappen die zich bezighouden met de overdracht van geldmiddelen, te eisen dat : a) zij op de formulieren en in de berichten over de elektronische overdracht van geldmiddelen precieze en nuttige informatie vermelden over de opdrachtgever;b) dat zij deze informatie bewaren gedurende het gehele betalingsproces;en c) dat zij een verhoogd toezicht uitoefenen op de overdrachten van geldmiddelen zonder volledige informatie over de opdrachtgever.4. Ingeval de Staten die partij zijn overeenkomstig dit artikel een nationaal regelgevings- en controlestelsel invoeren, zulks onverminderd enig ander artikel van dit verdrag, worden zij verzocht daarbij uit te gaan van de relevante initiatieven die regionale, interregionale en multilaterale organisaties ter bestrijding van het witwassen van geld hebben genomen. De Staten die partij zijn, streven ernaar de samenwerking op mondiaal, regionaal, subregionaal en bilateraal vlak tussen de gerechtelijke autoriteiten, de diensten voor opsporing en voor bestraffing en de autoriteiten voor financiële regelgeving te ontwikkelen en te bevorderen teneinde het witwassen van geld te bestrijden. HOOFDSTUK III. - Strafbaarstelling, opsporing en bestraffing Corruptie van nationale ambtenaren Artikel 15 Iedere Staat die partij is, neemt de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de volgende handelingen, indien opzettelijk gepleegd, strafrechtelijk strafbaar te stellen : a) het feit aan een ambtenaar rechtstreeks of onrechtstreeks een ongeoorloofd voordeel te beloven, aan te bieden of toe te kennen, voor hemzelf of voor een andere persoon of entiteit, opdat hij in het kader van de uitoefening van zijn officiële functie een bepaalde handeling verricht of nalaat te verrichten;b) het feit dat een ambtenaar rechtstreeks of onrechtstreeks om een ongeoorloofd voordeel verzoekt of een dergelijk voordeel aanvaardt, voor hemzelf of voor een andere persoon of entiteit, opdat hij in het kader van de uitoefening van zijn officiële functie een bepaalde handeling verricht of nalaat te verrichten. Corruptie van buitenlandse ambtenaren en van ambtenaren van internationale publiekrechtelijke organisaties Artikel 16 1. Iedere Staat die partij is, meent de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om, indien opzettelijk gepleegd, strafrechtelijk strafbaar te stellen het feit aan een buitenlands ambtenaar of aan een ambtenaar van een internationale publiekrechtelijke organisatie rechtstreeks of onrechtstreeks een ongeoorloofd voordeel te beloven, aan te bieden of toe te kennen, voor hemzelf of voor een andere persoon of entiteit, opdat hij in het kader van de uitoefening van zijn officiële functie een bepaalde handeling verricht of nalaat te verrichten, met het oog op het binnenhalen of vasthouden van een opdracht of een ander ongeoorloofd voordeel in verband met internationale commerciële activiteiten.2. Iedere Staat die partij is, streeft ernaar de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn te nemen om, indien opzettelijk gepleegd, strafrechtelijk strafbaar te stellen het feit dat een buitenlands ambtenaar of een ambtenaar van een internationale publiekrechtelijke organisatie rechtstreeks of onrechtstreeks om een ongeoorloofd voordeel verzoekt of een degelijk voordeel aanvaardt, voor hemzelf of voor een andere persoon of entiteit, opdat hij in het kader van de uitoefening van zijn officiële functie een bepaalde handeling verricht of nalaat te verrichten. Ontvreemding, verduistering of enig ander onrechtmatig gebruik van goederen door een ambtenaar Artikel 17 Iedere Staat die partij is, neemt de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om, indien opzettelijk gepleegd, strafrechtelijk strafbaar te stellen de ontvreemding, verduistering of enig ander onrechtmatig gebruik door een ambtenaar, ten behoeve van hemzelf of van een andere persoon of entiteit, van goederen, publieke of private geldmiddelen of waardepapieren of enig ander waardevol voorwerp die hem zijn overhandigd in het kader van zijn functie.
Beïnvloeding Artikel 18 Iedere Staat die partij is, streeft ernaar de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn te nemen om de volgende handelingen, indien opzettelijk gepleegd, strafrechtelijk strafbaar te stellen : a) het feit aan een ambtenaar of enige andere persoon rechtstreeks of onrechtstreeks een ongeoorloofd voordeel te beloven, aan te bieden of toe te kennen opdat hij misbruik maakt van zijn reële of veronderstelde invloed met het oog op het verkrijgen van een overheid of autoriteit van de Staat die Partij is van een ongeoorloofd voordeel voor de initiële aanstoker van de handeling of voor enige andere persoon;b) het feit dat een ambtenaar of enige andere persoon rechtstreeks of onrechtstreeks om een ongeoorloofd voordeel verzoekt of een dergelijk voordeel aanvaardt, voor hemzelf of voor een andere persoon, opdat hij misbruik maakt van zijn reële of veronderstelde invloed met het oog op het doen verkrijgen van een overheid of autoriteit van de Staat die partij is van een ongeoorloofd voordeel. Misbruik van functie Artikel 19 Iedere Staat die partij is, streeft ernaar de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn te nemen om, indien opzettelijk gepleegd, strafrechtelijk strafbaar te stellen het feit dat een ambtenaar misbruik maakt van zijn functie of betrekking, te weten dat hij in het kader van de uitoefening van zijn functie een bepaalde handeling verricht of nalaat te verrichten in strijd met de wet teneinde voor zichzelf of voor een andere persoon of entiteit een ongeoorloofd voordeel te verkrijgen.
Onrechtmatige verrijking Artikel 20 Iedere Staat die partij is, streeft ernaar onder voorbehoud van zijn grondwet en de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn te nemen om, indien opzettelijk gepleegd, strafrechtelijk strafbaar te stellen de onrechtmatige verrijking, te weten de aanzienlijke verhoging van het vermogen van een ambtenaar die deze niet redelijk kan verantwoorden aan de hand van zijn legale inkomsten.
Corruptie in de private sector Artikel 21 Iedere Staat die partij is, streeft ernaar de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn te nemen om de volgende handelingen, indien opzettelijk gepleegd in het kader van economische, financiële of commerciële activiteiten, strafrechtelijk strafbaar te stellen : a) het feit aan een persoon die een entiteit uit de private sector leidt of werkt voor een dergelijke entiteit, ongeacht in welke hoedanigheid, rechtstreeks of onrechtstreeks een ongeoorloofd voordeel te beloven, aan te bieden of toe te kennen, voor hemzelf of voor een andere persoon, opdat hij in strijd met zijn taken, een bepaalde handeling verricht of nalaat te verrichten;b) het feit dat een persoon die een entiteit uit de private sector leidt of werkt voor een dergelijke entiteit, ongeacht in welke hoedanigheid, rechtstreeks of onrechtstreeks om een ongeoorloofd voordeel verzoekt of een dergelijk voordeel aanvaardt, voor hemzelf of voor een andere persoon, opdat hij in strijd met zijn taken een bepaalde handeling verricht of nalaat te verrichten. Ontvreemding van goederen in de private sector Artikel 22 Iedere Staat die partij is, streeft ernaar de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn te nemen om, indien opzettelijk gepleegd in het kader van economische, financiële of commerciële activiteiten, strafrechtelijk strafbaar te stellen de ontvreemding door een persoon die een entiteit uit de private sector leidt of voor een dergelijke entiteit werkt, ongeacht in welke hoedanigheid, van goederen, private geldmiddelen of waardepapieren of enig ander waardevol voorwerp die hem zijn overhandigd in het kader van zijn functie.
Witwassen van de opbrengsten van misdrijven Artikel 23 1. Iedere Staat die partij is, neemt overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationaal recht de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de volgende handelingen, indien opzettelijk gepleegd, strafrechtelijk strafbaar te stellen : a) i) de omzetting of overdracht van goederen, wetende dat deze goederen opbrengsten van misdrijven zijn, met het oogmerk de illegale herkomst ervan te verhelen of te verhullen of een persoon die bij het plegen van het basisdelict is betrokken, te helpen ontkomen aan de gerechtelijke gevolgen van zijn daden; ii) het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van of rechten op goederen, wetende dat deze goederen opbrengsten van misdrijven zijn; b) met inachtneming van de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel : i) de verwerving, het bezit of het gebruik van goederen, wetende op het tijdstip van verkrijging dat deze goederen opbrengsten van misdrijven zijn; ii) de deelneming aan een of meer van de krachtens dit artikel strafbaar gestelde feiten of aan enige vorm van betrokkenheid bij, samenspanning tot, poging tot of medeplichtigheid aan het plegen van die feiten door bijstand, hulp of raadgevingen te verstrekken. 2. Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel : a) streeft iedere Staat die partij is ernaar het eerste lid van dit artikel toe te passen op zo veel mogelijk basisdelicten;b) zorgt iedere Staat die partij is ervoor dat onder de basisdelicten op zijn minst een compleet scala van krachtens dit verdrag strafrechtelijk strafbaar gestelde feiten begrepen is;c) zijn met het oog op de toepassing van bovenstaand lid b) onder de basisdelicten de delicten begrepen die zijn gepleegd op en buiten het grondgebied waarvoor de betreffende Staat die partij is bevoegd is. Een delict dat is gepleegd buiten het grondgebied waarvoor een Staat die partij is bevoegd is, levert evenwel slechts een basisdelict op ingeval de daarmee gepaard gaande daad een strafrechtelijk delict is krachtens het nationaal recht van de Staat waar het is gepleegd en krachtens het nationaal recht van de Staat die partij is en die dit artikel toepast, indien het op zijn grondgebied zou zijn gepleegd; d) verstrekt iedere Staat die partij is aan de Secretaris-generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties een afschrift van zijn wetten op grond waarvan dit artikel ten uitvoer wordt gelegd, alsmede van alle wijzigingen die later in die wetten worden aangebracht of een omschrijving van die wetten en van de latere wijzigingen ervan;e) kan, wanneer de grondbeginselen van het nationaal recht van een Staat die partij is, zulks vereisen, worden gesteld dat de in het eerste lid van dit artikel omschreven delicten niet worden toegepast op personen die het basisdelict hebben gepleegd. Heling Artikel 24 Onverminderd de bepalingen van artikel 23 van dit verdrag streeft iedere Staat die partij is ernaar de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn te nemen om, indien opzettelijk gepleegd na het plegen van een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit zonder dat sprake was van deelneming aan voornoemd feit, strafrechtelijk strafbaar te stellen het verhelen of het achterhouden op continue wijze van goederen wetende dat deze goederen afkomstig zijn van een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit.
Belemmering van de goede werking van de justitie Artikel 25 Iedere Staat die partij is, neemt de maatregelen van wetgevende aard of andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de volgende handelingen, indien opzettelijk gepleegd, strafrechtelijk strafbaar te stellen : a) het feit dat lichamelijk geweld, bedreigingen of intimidatie wordt aangewend of een ongeoorloofd voordeel wordt beloofd, aangeboden of toegekend om een valse getuigenis te verkrijgen of om te verhinderen dat een getuigenis wordt afgelegd of bewijsmateriaal wordt voorgelegd in een procedure betreffende het plegen van krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten;b) het feit dat lichamelijk geweld, bedreigingen of intimidatie wordt aangewend om te beletten dat een ambtenaar van justitie of een ambtenaar van een dienst voor opsporing of voor bestraffing de taken uitvoert waarmee hij in het kader van het plegen van krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten is belast.Niets in dit lid doet afbreuk aan het recht van de Staten die partij zijn om te beschikken over een wetgeving ter bescherming van andere categorieën van ambtenaren.
Aansprakelijkheid van rechtspersonen Artikel 26 1. Iedere Staat die partij is, neemt overeenkomstig zijn rechtsbeginselen de maatregelen die noodzakelijk zijn om de aansprakelijkheid vast te stellen van rechtspersonen die deelnemen aan de krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten.2. Onder voorbehoud van de rechtsbeginselen van de Staat die partij is, kan de aansprakelijkheid van de rechtspersonen van strafrechtelijke, burgerrechtelijke of administratiefrechtelijke aard zijn.3. Deze aansprakelijkheid laat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die het delict hebben gepleegd, onverlet.4. Iedere Staat die partij is, zorgt in het bijzonder ervoor dat op de rechtspersonen die overeenkomstig dit artikel aansprakelijk worden geacht doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties van strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke aard, daaronder begrepen geldboetes, worden toegepast. Deelneming en poging Artikel 27 1. Iedere Staat die partij is, neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om overeenkomstig zijn nationaal recht strafrechtelijk strafbaar te stellen de deelneming ongeacht in welke hoedanigheid, bijvoorbeeld als medeplichtige, helper op enigerlei wijze of aanstoker, aan een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit.2. Iedere Staat die partij is, kan de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn nemen om overeenkomstig zijn nationaal recht strafrechtelijk strafbaar te stellen de poging tot het plegen van een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit.3. Iedere Staat die partij is, kan de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn nemen om overeenkomstig zijn nationaal recht strafrechtelijk strafbaar te stellen de voorbereiding van een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit. Kennis, opzet en motivatie als bestanddelen van een delict Artikel 28 Kennis, opzet of motivatie, vereist als bestanddeel van een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit, kan uit objectieve feitelijke omstandigheden worden afgeleid.
Verjaring Artikel 29 Indien nodig bepaalt iedere Staat die partij is in het kader van zijn nationaal recht een lange verjaringstermijn waarbinnen vervolging kan worden ingesteld wegens een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit en bepaalt hij een langere termijn of schorst de verjaring ingeval de vermoedelijke dader van het delict zich onttrokken heeft aan de justitie.
Gerechtelijke vervolging,berechting en sancties Artikel 30 1. Iedere Staat die partij is, straft het plegen van een feit dat krachtens dit verdrag strafbaar is gesteld met sancties waarbij rekening wordt gehouden met de ernst van dat delict.2. Iedere Staat die partij is, neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om overeenkomstig zijn rechtsstelsel en zijn grondwettelijke beginselen een passend evenwicht te bereiken of te behouden tussen enige immuniteit of voorrecht van rechtsmacht verleend aan zijn ambtenaren in het kader van de uitoefening van hun functie, en de mogelijkheid, indien noodzakelijk, om de krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten daadwerkelijk te onderzoeken, te vervolgen en te berechten.3. Iedere Staat die partij is, streeft ernaar dat discretionaire rechtsbevoegdheden verleend op grond van zijn nationaal recht met betrekking tot de gerechtelijke vervolging van personen wegens krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten, zodanig worden uitgeoefend dat de maatregelen voor de opsporing en voor de bestraffing van dergelijke delicten, zo doeltreffend mogelijk worden toegepast, waarbij voldoende rekening wordt gehouden met de noodzaak een afschrikkingeffect te bewerkstelligen met betrekking tot het plegen ervan.4. In geval van feiten die krachtens dit verdrag strafbaar zijn gesteld, neemt iedere Staat die Partij is passende maatregelen in overeenstemming met zijn nationaal recht, waarbij voldoende rekening wordt gehouden met de rechten van de verdediging, teneinde ervoor te zorgen dat bij de voorwaarden waaraan de beslissingen tot invrijheidstelling in afwachting van het vonnis of van de beroepsprocedure zijn onderworpen, rekening wordt gehouden met de noodzaak om de aanwezigheid van de verweerder te waarborgen.5. Iedere Staat die partij is, houdt rekening met de ernst van de betrokken feiten wanneer hij overweegt personen die schuldig zijn bevonden aan dergelijke delicten eventueel vervroegd of voorwaardelijk in vrijheid te stellen.6. Iedere Staat die partij is, streeft ernaar, voor zover verenigbaar met de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel, procedures uit te werken op grond waarvan, indien nodig, de bevoegde autoriteit een ambtenaar die ervan wordt beschuldigd een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit te hebben gepleegd, uit zijn ambt kan ontzetten, hem kan schorsen of hem kan overplaatsen, zonder daarbij de inachtneming van het beginsel van het vermoeden van onschuld uit het oog te verliezen.7. Ingeval de ernst van het delict zulks verantwoordt, streeft iedere Staat die partij is ernaar, voor zover verenigbaar met de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel, procedures uit te werken op grond waarvan de personen die schuldig zijn bevonden aan krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten, bij gerechtelijke beslissing of door middel van enig ander passend middel, voor een in zijn nationaal recht bepaalde duur uit het recht te ontzetten om : a) een openbaar ambt uit te oefenen;en b) een functie uit te oefenen in een bedrijf waarvan de Staat geheel of gedeeltelijk de eigenaar is.8. Het eerste lid van dit artikel geldt onverminderd de uitoefening van disciplinaire bevoegdheden ten aanzien van ambtenaren door de bevoegde autoriteiten.9. Geen enkele bepaling van dit verdrag doet afbreuk aan het beginsel krachtens welk de omschrijving van de feiten die krachtens dit verdrag strafbaar zijn gesteld en van de toepasbare rechtsmiddelen op het stuk van de verdediging of andere rechtsbeginselen die de wettigheid van de strafbaarstellingen regelen, tot de uitsluitende bevoegdheid behoort van het nationaal recht van een Staat die partij is en op grond waarvan die delicten worden vervolgd en gestraft overeenkomstig dat recht.10. De Staten die partij zijn, streven ernaar de resocialisatie te bevorderen van de personen die schuldig zijn bevonden aan krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten. Bevriezing, inbeslagneming en verbeurdverklaring Artikel 31 1. Iedere Staat die partij is, neemt, voor zover zulks mogelijk is in het kader van zijn nationaal rechtsstelsel, de maatregelen die noodzakelijk zijn om verbeurdverklaring mogelijk te maken van de : a) opbrengsten van misdrijven voortvloeiend uit krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten of van goederen waarvan de waarde met die van de opbrengsten overeenkomt;b) goederen, materiaal en andere hulpmiddelen die worden of zijn bestemd om te worden gebruikt bij het plegen van krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten.2. Iedere Staat die partij is, neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om de in het eerste lid van dit artikel bedoelde zaken te identificeren, te lokaliseren, te bevriezen of in beslag te nemen, met verbeurdverklaring als uiteindelijk doel.3. Iedere Staat die partij is, neemt overeenkomstig zijn nationaal recht de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om het beheer te regelen door de bevoegde autoriteiten van de bevroren, in beslag genomen of verbeurdverklaarde goederen bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel.4. Indien opbrengsten van misdrijven gedeeltelijk of volledig in andere goederen zijn omgezet, kunnen die goederen in de plaats van de opbrengsten worden onderworpen aan de in dit artikel bedoelde maatregelen.5. Indien opbrengsten van misdrijven met op wettige wijze verworven goederen zijn vermengd, kunnen die goederen, onverminderd enige mogelijkheid tot bevriezing of inbeslagneming, tot de hoogte van de geraamde waarde van de vermengde opbrengsten worden verbeurdverklaard.6. Inkomsten of andere voordelen verworven uit opbrengsten van misdrijven, uit goederen waarin de opbrengsten zijn omgezet of uit goederen waarmee de opbrengsten zijn vermengd, kunnen eveneens worden onderworpen aan de in dit artikel bedoelde maatregelen, op dezelfde wijze en in dezelfde mate als opbrengsten van misdrijven.7. Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 55 van dit verdrag machtigt iedere Staat die partij is zijn rechtbanken of andere bevoegde autoriteiten te bevelen dat bankdossiers en financiële en commerciële dossiers beschikbaar worden gesteld of in beslag worden genomen.Een Staat die partij is, kan het bankgeheim niet aanvoeren om te weigeren overeenkomstig dit lid te handelen. 8. De Staten die partij zijn, streven ernaar te eisen dat de dader van een delict de wettige oorsprong bewijst van de vermoedelijke opbrengsten van misdrijven of van andere goederen die kunnen worden verbeurdverklaard, voor zover een dergelijke handelwijze strookt met de grondbeginselen van hun nationaal recht en met de aard van de gerechtelijke en andere procedures.9. De bepalingen van dit artikel mogen geenszins zodanig worden uitgelegd dat daardoor de rechten van derden te goeder trouw worden geschaad.10. Geen enkele bepaling van dit artikel doet afbreuk aan het beginsel dat de hierin bedoelde maatregelen worden omschreven en ten uitvoer gelegd in overeenstemming met en met inachtneming van de bepalingen van het nationaal recht van iedere Staat die partij is. Bescherming van getuigen, deskundigen en slachtoffers Artikel 32 1. Iedere Staat die partij is, neemt, overeenkomstig zijn nationaal rechtsstelsel en binnen de grenzen van zijn middelen, passende maatregelen om te zorgen voor een doeltreffende bescherming tegen eventuele represailles of intimidatie ten behoeve van getuigen en deskundigen die een getuigenis afleggen over krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten en, indien nodig, ten behoeve van hun ouders en andere personen die dicht bij hen staan.2. De in het eerste lid van dit artikel beoogde maatregelen kunnen onverminderd de rechten van de verweerder, daaronder begrepen het recht op een regelmatige procedure, onder meer bestaan in : a) de lichamelijke bescherming van die personen in procedures om hen indien noodzakelijk en voor zover mogelijk een nieuwe woonplaats te geven en zo nodig ervoor te zorgen dat de inlichtingen betreffende hun identiteit en de plaats waar zij zich bevinden, niet of slechts beperkt worden bekendgemaakt;b) regels inzake de bewijsvoering waardoor getuigen en deskundigen op zodanige wijze een getuigenis kunnen afleggen dat hun veiligheid is gewaarborgd, inzonderheid hen toestaan een getuigenis af te leggen door gebruik te maken van communicatietechnieken zoals videoconferencing of andere adequate middelen.3. De Staten die partij zijn, streven ernaar overeenkomsten te sluiten en regelingen te treffen met andere Staten teneinde de in het eerste lid van dit artikel bedoelde personen een nieuwe woonplaats te geven.4. De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing op slachtoffers wanneer zij getuige zijn.5. Iedere Staat die partij is, zorgt onverminderd zijn nationaal recht ervoor dat de mening en de bezorgdheid van de slachtoffers in het gepaste stadium van de strafrechtelijke procedure tegen de daders van delicten worden voorgelegd en in aanmerking genomen op een wijze die geen afbreuk doet aan de rechten van de verdediging. Bescherming van personen die informatie meedelen Artikel 33 Iedere Staat die partij is, streeft ernaar in zijn nationaal rechtsstelsel passende maatregelen op te nemen om personen die aan de bevoegde autoriteiten te goeder trouw en op grond van redelijke vermoedens kennis geven van enig feit in verband met krachtens dit verdrag strafbaar gestelde feiten te beschermen tegen iedere vorm van onverantwoorde behandeling.
Gevolgen van corrupte handelingen Artikel 34 Met inachtneming van de te goeder trouw verworven rechten van derden neemt iedere Staat die partij is overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationaal recht maatregelen om de gevolgen van corruptie aan te pakken. Vanuit dit perspectief kunnen de Staten die partij zijn corruptie beschouwen als een relevante factor in een gerechtelijke procedure om te beslissen tot nietigverklaring of vernietiging van een overeenkomst of tot intrekking van een vergunning of van enige andere analoge rechtshandeling, dan wel om enige andere corrigerende maatregel te nemen.
Herstel van nadeel Artikel 35 Iedere Staat die partij is, neemt overeenkomstig de beginselen van zijn nationaal recht de maatregelen die noodzakelijk zijn om aan de entiteiten of personen die nadeel hebben geleden ingevolge een corrupte handeling het recht te verlenen een rechtsvordering in te stellen tegen de verantwoordelijken voor voornoemd nadeel met het oog op het verkrijgen van herstel.
Gespecialiseerde autoriteiten Artikel 36 Iedere Staat die partij is, zorgt overeenkomstig de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel ervoor dat hij beschikt over een of meer organen of personen gespecialiseerd in de bestrijding van corruptie door middel van opsporing en bestraffing. Dit of deze organen of personen wordt overeenkomstig de grondbeginselen van het rechtsstelsel van de Staat die partij is de nodige onafhankelijkheid verleend om doeltreffend hun functie te kunnen uitoefenen zonder enige ongeoorloofde beïnvloeding. Deze personen of medewerkers van voornoemd orgaan of organen moeten beschikken over de passende opleiding en middelen om hun taken uit te oefenen.
Samenwerking met de diensten voor opsporing en voor bestraffing Artikel 37 1. Iedere Staat die partij is, neemt passende maatregelen om de personen die deelnemen of hebben deelgenomen aan het plegen van een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit, ertoe aan te moedigen aan de bevoegde autoriteiten nuttige informatie met het oog op het onderzoek en de bewijsvergaring te verstrekken, alsmede feitelijke en concrete hulp die ertoe kan bijdragen de daders van het delict de opbrengsten van het misdrijf te ontnemen en deze opbrengsten te recupereren.2. Iedere Staat die partij is, streeft ernaar in de gepaste gevallen te voorzien in de mogelijkheid de straf die een beklaagde kan oplopen te verlichten wanneer hij op wezenlijke wijze meewerkt aan het onderzoek naar of de vervolging van een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit.3. Iedere Staat die partij is, streeft overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationaal recht ernaar te voorzien in de vrijstelling van vervolging van een persoon die op wezenlijke wijze meewerkt aan het onderzoek naar of de vervolging van een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit.4. De bescherming van die personen wordt, mutatis mutandis, gewaarborgd overeenkomstig artikel 32 van dit verdrag.5. Ingeval een in het eerste lid van dit artikel bedoelde persoon die zich in een Staat die partij is, bevindt op wezenlijke wijze kan samenwerken met de bevoegde autoriteiten van een andere Staat die partij is, kunnen de betrokken Staten die partij zijn, overwegen in overeenstemming met hun nationaal recht overeenkomsten te sluiten of regelingen te treffen betreffende de eventuele toekenning door een andere Staat die partij is van de in het tweede en derde lid van dit artikel omschreven behandeling. Samenwerking tussen nationale autoriteiten Artikel 38 Iedere Staat die partij is, neemt overeenkomstig zijn nationaal recht de maatregelen die noodzakelijk zijn om de samenwerking aan te moedigen tussen enerzijds zijn autoriteiten en ambtenaren en anderzijds zijn autoriteiten belast met het onderzoek naar en de vervolging van strafrechtelijke delicten. Deze samenwerking kan erin bestaan : a) voor de eersten, om uit eigen beweging de tweeden te informeren wanneer redelijke motieven bestaan om aan te nemen dat een krachtens de artikelen 15, 21 en 23 van dit verdrag strafbaar gesteld feit is gepleegd;of b) voor de eersten, om op verzoek aan de tweeden alle nodige informatie te verstrekken. Samenwerking tussen nationale autoriteite …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.