📄 Wettekst
22 FEBRUARI 2021. - Koninklijk besluit betreffende beschermende maatregelen tegen quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake schadelijke organismen
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Wij hebben de eer het bijgevoegde ontwerp van koninklijk besluit voor te leggen ter ondertekening door Uwe Majesteit.
Dit ontwerp betreft een gemengde bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (normering) en het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (controles), waarvoor eerstgenoemde als piloot optreedt.
Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen is met ingang van 14 december 2019 opgeheven en vervangen door: - Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten en - Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen (verordening officiële controles).
Dit ontwerp van koninklijk besluit vervangt het
koninklijk besluit van 10 augustus 2005Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
10/08/2005
pub.
31/08/2005
numac
2005022636
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen
sluiten (omzetting in Belgisch recht van de opgeheven Richtlijn 2000/29/EG) en voorziet in aanvullende bepalingen voor de toepassing in België van de twee bovenstaande Verordeningen die verbindend in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn. Het bevat ook wijzigingen en opheffingen van bestaande koninklijke en ministeriële besluiten om de nationale fytosanitaire wetgeving in overeenstemming te brengen met de nieuwe Europese plantengezondheidswetgeving en de daaraan verbonden uitvoeringshandelingen (Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten).
Artikelsgewijze toelichting: OPSCHRIFT Het opschrift duidt er op dat dit besluit enkel betrekking heeft op quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten, een bevoegdheid van de federale overheid. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen en definities Art. 1.bepaalt dat dit besluit voorziet in aanvullende bepalingen bij Verordening (EU) 2016/2031 ("verordening plantengezondheid") en Verordening (EU) 2017/625 ("verordening officiële controles") die rechtstreeks toepasselijk zijn. Deze bepalingen worden expliciet beperkt tot de bevoegdheden van de federale overheid om gevolg te geven aan de opmerkingen van de Raad van State over de gedeeltelijke bevoegdheid van de gewesten voor de uitvoering van deze Verordeningen. Art. 2.bevat enkele definities van in dit besluit gebruikte termen en begrippen. Art. 3.omschrijft de bevoegdheidsverdeling op het vlak van plantengezondheid tussen de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV). HOOFDSTUK II. - Algemene maatregelen ter bestrijding van quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten Art. 4.bepaalt de meldingsplicht voor de (vermoedelijke) aanwezigheid van quarantaineorganismen, overeenkomstig art. 15 van de verordening plantengezondheid. Art. 5.schrijft de verplichte bestrijding van quarantaineorganismen voor, overeenkomstig art. 15 van de verordening plantengezondheid. Art. 6.bevat de mogelijke maatregelen ter bestrijding van quarantaineorganismen en geeft de Minister de mogelijkheid om omwille van fytosanitaire redenen het vervoer en de teelt van planten te reglementeren of te verbieden, noodmaatregelen of strengere fytosanitaire maatregelen vast te stellen en/of afgebakende gebieden in te stellen, overeenkomstig de artikelen 18, 29 en 31 van de verordening plantengezondheid. Art. 7.geeft de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen de machtiging om documenten- en identiteitscontroles op planten uit te voeren. Art. 8.bevat fytosanitaire verplichtingen voor de door het FAVV geregistreerde operatoren. HOOFDSTUK III. - Bepalingen inzake het verkeer van voor opplant bestemde niet-gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L. Art. 9.bevat voorwaarden waaronder een producent van hoevepootgoed vrijgesteld kan worden van het gebruik van plantenpaspoorten, in toepassing van art. 82 van de verordening plantengezondheid. Dit betreft aardappelpootgoed voor eigen gebruik door de producent dat niet in het verkeer gebracht en niet gecertificeerd wordt. Voor dit hoevepootgoed zijn er geen eisen inzake de aanwezigheid van gereguleerde niet-quarantaineorganismen (RNQP's) van toepassing. De bepalingen van dit artikel betreffen uitsluitend maatregelen tegen quarantaineorganismen en behoren dus volledig tot de bevoegdheid van de federale overheid. HOOFDSTUK IV. - Bepalingen inzake plantenpaspoorten Art. 10.bevat bijkomende voorschriften over de op plantenpaspoorten te vermelden gegevens, overeenkomstig art. 83 en bijlage VII, deel A, van de verordening plantengezondheid. Om gevolg te geven aan de opmerking 4.2. van de Raad van State is op 5 januari 2021 door de federale en gewestelijke ministers van Landbouw een samenwerkingsakkoord ondertekend (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13 januari 2021). Dit samenwerkingsakkoord bepaalt gemeenschappelijk de voorgeschreven vermeldingen op de plantenpaspoorten.
Art. 11 t.e.m. 13 bevatten voorwaarden en modaliteiten voor het afleveren van plantenpaspoorten door het FAVV, zoals voorgeschreven in art. 84 van de verordening plantengezondheid. Deze bepalingen zijn ook opgenomen in het voornoemde samenwerkingsakkoord om gevolg te geven aan de opmerking 4.2. van de Raad van State dat ze niet eenzijdig door de federale overheid kunnen worden uitgevaardigd. Art. 14.bepaalt dat de Minister regels kan vastleggen voor het opmaken van plannen voor de beheersing van risico's op quarantaineorganismen, in toepassing van art. 91 van de verordening plantengezondheid. HOOFDSTUK V. - Bepalingen inzake uitvoer van planten, plantaardige producten en andere materialen Art. 15.legt de modellen vast van het fytosanitair uitvoercertificaat, het fytosanitair wederuitvoercertificaat en het pre-uitvoercertificaat en bepaalt de voorwaarden voor de aflevering van dergelijke certificaten (cfr. art. 100 t.e.m. 102 van de verordening plantengezondheid). Deze modellen zijn ook opgenomen in het voornoemde samenwerkingsakkoord om gevolg te geven aan de opmerking 4.3. van de Raad van State dat ze niet eenzijdig door de federale overheid kunnen worden opgelegd.
Gelet op de opmerkingen 7 tot en met 7.4. van de Raad van State werd het artikel 16 uit de oorspronkelijke versie van dit ontwerp van besluit geschrapt en zijn de hierna volgende artikelen hernummerd. HOOFDSTUK VI. - Bepalingen inzake informatie-uitwisseling met andere lidstaten van de Europese Unie Art. 16.bevat voorschriften voor het gebruik van het pre-uitvoercertificaat, overeenkomstig art. 102 van de verordening plantengezondheid. Deze zijn ook opgenomen in het voornoemde samenwerkingsakkoord om gevolg te geven aan de opmerking 4.3. van de Raad van State dat ze niet eenzijdig door de federale overheid kunnen worden opgelegd. HOOFDSTUK VII. - Wijzigingsbepalingen Art. 17 t.e.m. 20 wijzigen het
koninklijk besluit van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
10/10/2003
pub.
07/11/2003
numac
2003022958
bron
federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit houdende het toevertrouwen aan de Gewesten van de uitvoering van bepaalde taken die tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen behoren
sluiten om de daarin gebruikte terminologie en verwijzingen in overeenstemming te brengen met de nieuwe Europese plantengezondheidswetgeving. Om gevolg te geven aan de opmerking 4.4.2. van de Raad van State is in art. 19 (wijziging van art. 3 van het
koninklijk besluit van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
10/10/2003
pub.
07/11/2003
numac
2003022958
bron
federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit houdende het toevertrouwen aan de Gewesten van de uitvoering van bepaalde taken die tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen behoren
sluiten) de rol van het FAVV beperkt tot de quarantaineorganismen.
Art. 21 t.e.m. 23 wijzigen het
koninklijk besluit van 13 februari 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten0 om de daarin gebruikte terminologie en verwijzingen in overeenstemming te brengen met de nieuwe Europese plantengezondheidswetgeving. Om gevolg te geven aan de opmerkingen 4.4.3. en 4.4.4. van de Raad van State is in art. 23 (wijziging van art. 2, 2°, en art. 5 van het
koninklijk besluit van 13 februari 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten0) de rol van het FAVV beperkt tot de quarantaineorganismen.
Art. 24 t.e.m. 26 wijzigen het
koninklijk besluit van 23 juni 2008Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten1 omdat bacterievuur (Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.) niet meer is opgenomen op de lijst van quarantaineorganismen, maar nog enkel een quarantaineorganisme blijft in bepaalde beschermde gebieden. De federale bestrijdingsmaatregelen tegen bacterievuur moeten dus beperkt worden tot het plantaardig materiaal dat bestemd is voor deze beschermde gebieden.
Art. 27 wijzigt het
koninklijk besluit van 22 juni 2010Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten2 om de daarin gebruikte terminologie en verwijzingen in overeenstemming te brengen met de nieuwe Europese plantengezondheidswetgeving. HOOFDSTUK VIII. - Bijzondere bepalingen Art. 28.bepaalt dat de samenwerking met de douanediensten verloopt overeenkomstig de reglementering van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen. Art. 29.bepaalt dat de Minister de bijlagen (modellen van certificaten) bij het voorliggende besluit kan wijzigen en uitvoeringsmaatregelen kan vastleggen om te voldoen aan bijkomende bepalingen in het kader van de Europese plantengezondheidswetgeving.
Gelet op de opmerking 5.1. van de Raad van State werd het artikel 31 uit de oorspronkelijke versie van dit ontwerp van besluit geschrapt en zijn de hierna volgende artikelen hernummerd. HOOFDSTUK IX. - Opheffings- en slotbepalingen Art. 30.heft enkele bestaande koninklijke en ministeriële besluiten op die in het kader van de nieuwe Europese en nationale plantengezondheidswetgeving overbodig geworden zijn. Voor wat betreft het
koninklijk besluit van 17 februari 2005Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
17/02/2005
pub.
24/02/2005
numac
2005022142
bron
federale agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit tot vaststelling van de modellen van officiële fytosanitaire certificaten of fytosanitaire certificaten voor wederuitvoer waarvan planten, plantaardige producten of andere materialen afkomstig uit derde landen vergezeld moeten gaan
sluiten wordt er geen gevolg gegeven aan de opmerking 4.5. van de Raad van State omdat de modellen van fytosanitaire invoercertificaten en wederuitvoercertificaten voor het binnenbrengen van planten, plantaardige producten of andere materialen afkomstig uit derde landen vastgelegd zijn in de artikelen 71 en 76 en de bijlage V, delen A en B, van de verordening plantengezondheid. Bijgevolg moet het
koninklijk besluit van 17 februari 2005Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
17/02/2005
pub.
24/02/2005
numac
2005022142
bron
federale agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit tot vaststelling van de modellen van officiële fytosanitaire certificaten of fytosanitaire certificaten voor wederuitvoer waarvan planten, plantaardige producten of andere materialen afkomstig uit derde landen vergezeld moeten gaan
sluiten opgeheven worden voor wat betreft de bevoegdheid van de federale overheid.
Gelet op de opmerking 8 van de Raad van State werd het artikel 33 uit de oorspronkelijke versie van dit ontwerp van besluit geschrapt. Art. 31.bepaalt dat de Minister van Financiën (bevoegd voor de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen) en de Minister van Landbouw (bevoegd voor de veiligheid van de voedselketen) belast zijn met de uitvoering van het voorliggende besluit.
Bijlagen I - III bevatten de modellen van het fytosanitair uitvoercertificaat, het fytosanitair wederuitvoercertificaat en het pre-uitvoercertificaat.
Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Financiën, V. VAN PETEGHEM De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL
RAAD VAN STATE afdeling Wetgeving Advies 67.693/1/V van 14 augustus 2020 over een ontwerp van koninklijk besluit `betreffende beschermende maatregelen tegen quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake schadelijke organismen ' Op 29 juni 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Landbouw verzocht binnen een termijn van zestig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `betreffende beschermende maatregelen tegen quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake schadelijke organismen'.
Het ontwerp is door de eerste vakantiekamer onderzocht op 4 augustus 2020 . De kamer was samengesteld uit Jan Clement, staatsraad, voorzitter, Jeroen Van Nieuwenhove en Pierre Barra, staatsraden, Jan Velaers, assessor, en Astrid Truyens, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Tim Corthaut, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Marnix Van Damme, kamervoorzitter.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 14 augustus 2020. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. STREKKING VAN HET ONTWERP 2. Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt tot de vervanging van het
koninklijk besluit van 10 augustus 2005Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
10/08/2005
pub.
31/08/2005
numac
2005022636
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen
sluiten `betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen' door een nieuwe regeling ter uitvoering van verordening (EU) 2016/2031 1.Die verordening is onder meer in de plaats gekomen van richtlijn 2000/29/EG 2, waarvan het voormelde koninklijk besluit de omzetting vormde.
Tevens worden in een aantal andere besluiten 3 wijzigingen aangebracht om de terminologie af te stemmen op die van verordening (EU) 2016/2031 en worden verscheidene achterhaalde besluiten opgeheven 4. Bovendien worden een aantal bepalingen inzake het toezicht afgestemd op verordening (EU) 2017/625 5.
Het ontwerp omvat tien hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat algemene bepalingen en definities. Hoofdstuk II bevat algemene maatregelen ter bestrijding van quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten. Hoofdstuk III bevat bepalingen over het verkeer van voor opplant bestemde niet-gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L. Hoofdstuk IV bevat bepalingen over plantenpaspoorten. Hoofdstuk V bevat bepalingen over uitvoer van planten, plantaardige producten en andere materialen. Hoofdstuk VI regelt de informatie-uitwisseling met andere lidstaten van de Europese Unie. Hoofdstuk VII bevat wijzigingsbepalingen. Hoofdstuk VIII bevat een bepaling over de verhouding tussen het ontwerp en de regelgeving inzake douane en accijnzen (artikel 29) en een delegatie aan de minister bevoegd voor landbouw (hierna: de minister) met het oog op het wijzigen van de bijlagen (artikel 30). Hoofdstuk IX bevat een strafbepaling. Hoofdstuk X omvat de opheffings- en slotbepalingen. De drie bijlagen bevatten modelformulieren.
Overeenkomstig artikel 33 heeft het te nemen besluit uitwerking met ingang van 14 december 2019.
BEVOEGDHEID 3. De Raad van State heeft recent al de gelegenheid gehad om de bevoegdheidsverdeling met betrekking tot de uitvoering van verordening (EU) 2016/2031 te verduidelijken in advies 66.907/3 van 30 maart 2020 over een ontwerp dat heeft geleid tot het
koninklijk besluit van 11 mei 2020Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten7 `tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen'. "A. Algemeen 2. In advies 38.398/3 over een ontwerp dat heeft geleid tot het
koninklijk besluit van 10 augustus 2005Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
10/08/2005
pub.
31/08/2005
numac
2005022636
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen
sluiten `betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen' (dat in hoofdzaak strekt tot de omzetting van richtlijn 2000/29/EG,6 die wordt ingetrokken bij artikel 109, lid 1, van verordening (EU) 2016/2031), heeft de Raad van State het volgende uiteengezet aangaande de bevoegdheid van de federale overheid. ` Sinds de vervanging van artikel 6, § 1, V, van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen bij de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten is het landbouwbeleid een aangelegenheid welke in beginsel behoort tot de bevoegdheid van de gewesten. Bij wijze van uitzondering is de federale overheid bevoegd gebleven voor een aantal limitatief opgesomde aangelegenheden; te dezen is daarbij van belang `de normering en de daarop toepasbare controle inzake de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen' (artikel 6, § 1, V, eerste lid, 1° ).
Mede op grond van de voornoemde uitzondering blijft de federale overheid bevoegd voor het `sanitaire beleid'; aan de gewesten is daarentegen het `beleid inzake de kwaliteit' overgedragen7. Wat de bestrijding van plantenziekten betreft, hebben de gemachtigde ambtenaren aan de Raad van State uiteengezet dat de bevoegdheidsverdeling inhoudt dat de federale overheid bevoegd is gebleven om plantenziekten te bestrijden die de gezondheid zelf van de planten bedreigen (verbod van invoer, en maatregelen om de besmetting tegen te gaan), terwijl de gewesten bevoegd zijn om maatregelen te nemen i.v.m. de aanwezigheid van schadelijke organismen die enkel de kwaliteit van de plantaardige producten verminderen (maximumtolerantienormen). Met die uitleg kan worden ingestemd.
De respectieve bevoegdheden van de federale overheid en de gewesten blijken aldus afhankelijk te zijn van de aard van de schadelijke organismen. Bovendien volgt uit het voorzorgsbeginsel dat, zolang niet duidelijk is wat de effecten van een schadelijk organisme zijn, de federale overheid zich bevoegd kan achten; zodra aangetoond is dat het organisme geen bedreiging vormt voor de gezondheid van de planten, en er dus geen behoefte meer bestaat aan fytosanitaire maatregelen, zijn de gewesten bevoegd.
Het voorliggende ontwerp voorziet enkel in fytosanitaire maatregelen.
De ontworpen regeling behoort derhalve in haar geheel tot de bevoegdheid van de federale overheid.' Naar aanleiding van de omzetting van richtlijn 2007/33/EG,8 die wordt ingetrokken bij artikel 109, lid 2, f), van verordening (EU) 2016/2031, heeft de Raad van State die bevoegdheidsverdeling verder gepreciseerd in advies 47.815/VR/3 van 23 maart 2010 over een ontwerp dat heeft geleid tot het
koninklijk besluit van 22 juni 2010Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten2 `betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen'.9 De Raad van State merkte daarbij onder meer het volgende op. '4.1. Op grond van artikel 6, § 1, V, van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen zijn de gewesten bevoegd voor het landbouwbeleid, onverminderd de federale bevoegdheid voor bepaalde aangelegenheden. Te dezen is artikel 6, § 1, V, eerste lid, 1°, van die bijzondere wet relevant. Volgens die bepaling behoort `de normering en de daarop toepasbare controle inzake de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen' tot de bevoegdheid van de federale overheid. Overigens is de federale overheid op grond van artikel 6, § 1, V, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet ook bevoegd voor `de normering en de daarop toepasbare controle inzake de dierengezondheid, het dierenwelzijn en de kwaliteit van de dierlijke producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen'.
De Raad van State heeft er in het verleden steeds op gewezen dat inzake landbouw de federale overheid bevoegd is voor het `sanitaire beleid' en dat aan de gewesten daarentegen het `beleid inzake de kwaliteit' is overgedragen, althans voor zover daarbij ook geen sanitaire doelstellingen worden nagestreefd10.
Het onderzoek van het voorliggende ontwerp brengt de Raad van State ertoe om de tot dusver door de afdeling Wetgeving gevolgde adviespraktijk aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. 4.2. In de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten wordt niet nader bepaald wat onder de `veiligheid van de voedselketen' moet worden verstaan.
Zoals blijkt uit de toelichting die de gemachtigden aan de Raad van State hebben verstrekt, kan aan die omschrijving een enge of een ruime draagwijdte worden gegeven. In een enge zin zou de `veiligheid van de voedselketen' betrekking kunnen hebben op maatregelen die genomen worden om ervoor te zorgen dat de elementen die voorkomen in de voedselketen geen ziekten bij de mens kunnen veroorzaken. In een ruime zin zou de term ook betrekking kunnen hebben op maatregelen die genomen worden om vanuit een sanitair oogpunt de kwaliteit van de planten en de dieren te verzekeren, los van de vraag of de ziekten waaraan de planten of de dieren lijden of zouden kunnen lijden al dan niet van aard zijn om ziekten bij de mens te veroorzaken.
Nu de tekst van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten voor uiteenlopende interpretaties vatbaar is, dient gezocht te worden naar de bedoeling van de bijzondere wetgever, zoals die kan worden afgeleid uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, waarbij onder meer artikel 6, § 1, V, van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten is vervangen. 4.3. In de tekst van het aan de Raad van State voorgelegde voorontwerp van bijzondere wet werd nog geen gewag gemaakt van de `veiligheid van de voedselketen'. Volgens het voorontwerp zou de federale overheid inzake planten bevoegd blijven voor `de normering en de daarop toepasselijke controle inzake de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige producten met het oog op het beschermen van de volksgezondheid'. Inzake dieren zou zij bevoegd blijven voor `de normering en de daarop toepasselijke controle inzake de dierengezondheid, het dierenwelzijn en de kwaliteit van de dierlijke producten met het oog op het beschermen van de volksgezondheid'11'.
In zijn advies over dat ontwerp suggereerde de Raad van State de aan de federale overheid voorbehouden bevoegdheid op een andere manier te bepalen: `De bevoegdheid van de federale overheid hangt aldus mede af van het doel dat deze met een bepaalde maatregel wil bereiken: dat doel moet bestaan in het beschermen van de volksgezondheid.
De ervaring leert dat het omschrijven van bevoegdheden in functie van doelstellingen tot interpretatieproblemen aanleiding geeft. Dit is te dezen des te meer het geval, nu 'het beschermen van de volksgezondheid' een vage uitdrukking is.
De Raad van State stelt overigens vast dat in de memorie van toelichting een enigszins andere omschrijving gegeven wordt van de domeinen waarvoor de federale overheid bevoegd blijft. In de memorie van toelichting wordt immers gesteld dat de federale overheid bevoegd blijft 'voor de aangelegenheden die [haar] toelaten een optimaal [sanitair] beleid te voeren via het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen'. Als dat inderdaad de bedoeling is van de stellers van het ontwerp, kan in het ontworpen artikel 6, § 1, V, eerste lid, 1. en 2. (lees: 1° en 2° ), beter verwezen worden naar de maatregelen die vereist zijn voor het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen, dan naar de bescherming van de volksgezondheid12.
De regering is op die laatste suggestie ingegaan. In het bij de Senaat ingediende ontwerp wordt de federale bevoegdheid omschreven met verwijzing naar `het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen'. In de memorie van toelichting wordt hierbij opgemerkt dat de federale overheid bevoegd blijft voor de aangelegenheden die haar moeten toelaten `een optimaal sanitair beleid te voeren via het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen', en dat die federale bevoegdheid betrekking heeft op `de normering, de op deze normen toepasbare controle en het opleggen van sanitaire, fytosanitaire, veterinaire of kwalitatieve criteria voor grondstoffen, dieren, planten en dierlijke en plantaardige producten'. In dit verband wordt voorts het voorzorgsbeginsel ter sprake gebracht: `Ingevolge het voorzorgsprincipe dat inzake volksgezondheid prevaleert en teneinde een doeltreffend sanitair beleid te kunnen voeren, geldt deze federale bevoegdheid ongeacht of de ziekte momenteel al dan niet erkend wordt als schadelijk voor de mens.' De aan de gewesten overgedragen bevoegdheid omvat, gelet op het voorgaande, `de tot [dan] toe federale bevoegdheid [...] inzake normering en de daarop toepasselijke controle die tot doel heeft de kwaliteit van grondstoffen, dieren, planten, dierlijke en plantaardige producten en de plantaardige sector te verbeteren zonder sanitaire doeleinden na te streven'13.
In de verdere bespreking van het ontwerp is benadrukt dat aan de gewesten het beleid inzake de kwaliteit werd overgedragen, en dat de federale overheid bevoegd bleef voor het sanitaire beleid (in de Nederlandse tekst soms ook het gezondheidsbeleid genoemd)14. Inzake planten kwam die bevoegdheidsverdeling er concreet op neer dat de gewesten bevoegd werden gemaakt voor wat in 2001 volgens de algemene uitgavenbegroting behoorde tot het domein `teeltmateriaal' van het Bestuur voor de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige sector (DG 4) van het toenmalige federale ministerie van Landbouw, terwijl de federale overheid bevoegd bleef voor wat behoorde tot het domein `plantenbescherming' van dat bestuur15.
Ook op het voorzorgsbeginsel is tijdens de verdere bespreking nader ingegaan. Er is opgemerkt dat de ervaring heeft geleerd `dat het niet eenvoudig is te bepalen of een materie de hele voedselketen of de veiligheid van de verbruikers kan treffen', en dat de regering daarom `voorrang geeft aan een globale aanpak en de nadruk legt op alle materies van de federale overheid, die bevoegd is voor de bescherming van de volksgezondheid'. Het voorzorgsbeginsel houdt ook in `dat een eenvormig beleid moet worden gevoerd, met name voor de materies die zowel het gezondheidsbeleid (overschotten, gevolgen voor de voedselketen en de gezondheid, ...) als de kwalitatieve aanpak betreffen (prestatie van het product, ...) zoals bij pesticiden'16.
Gevraagd naar de betekenis van het begrip `veiligheid van de voedselketen' heeft de regering verklaard dat het gaat om het geheel van `dierlijke en plantaardige elementen die een rol spelen in het voedingsproces van de mens'17. In die optiek `is het criterium 'gezondheid' niet beperkt tot de veiligheid van het vlees18 voor de mens, maar houdt het tevens in dat gelet moet worden op de gezondheid van het vlees (in het algemeen) of van de planten, als elementen van de voedselketen'19. 4.4. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het de bedoeling is geweest van de bijzondere wetgever om het `beleid inzake de kwaliteit' over te dragen aan de gewesten, en om aan de federale overheid de bevoegdheid inzake het `sanitaire beleid' voor te behouden.
De aldus omschreven afbakening van de respectieve bevoegdheden van de gewesten en de federale overheid staat niet met zoveel woorden in de bijzondere wet. Ze is het gevolg van de zeer ruime opvatting van het voorzorgsbeginsel die de bijzondere wetgever hanteerde toen hij het criterium van de `veiligheid van de voedselketen' in de bijzondere wet inschreef. Aangezien het volgens de wetgever niet mogelijk was om met zekerheid te bepalen of een planten- of dierenziekte een gevaar kon inhouden voor de volksgezondheid, is ervoor geopteerd om aan de federale overheid de mogelijkheid te bieden om ten aanzien van planten- en dierenziekten een doeltreffend en globaal sanitair beleid te voeren, `ongeacht of de ziekte momenteel al dan niet erkend wordt als schadelijk voor de mens'20. Er is geen uitzondering gemaakt voor ziekten waarvan, volgens de stand van de wetenschap, redelijkerwijze mag worden aangenomen dat ze enkel gevolgen heeft voor de kwaliteit van de plantaardige of dierlijke producten, niet voor de gezondheid van de mens. Zoals door de gemachtigden aan de Raad van State is uitgelegd, kan overigens niet uitgesloten worden dat de wetenschappelijke inzichten op dit punt evolueren.
Zoals uit de tekst van artikel 6, § 1, V, eerste lid, 1° (en 2° ), van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten blijkt, is de bevoegdheid van de federale overheid bovendien omschreven in termen van doelstellingen.
Maatregelen met een sanitair of fytosanitair oogmerk behoren tot de bevoegdheid van de federale overheid. Het gaat dan in het bijzonder om maatregelen die, wat planten en plantaardige producten betreft, gericht zijn op het bestrijden van schadelijke organismen, meer bepaald op het voorkomen van het invoeren of een verdere verspreiding ervan. De omstandigheid dat dergelijke fytosanitaire maatregelen ook de kwaliteit ten goede komen, doet aan de bevoegdheid van de federale overheid geen afbreuk. Omgekeerd zijn ook de gewesten bevoegd om ten aanzien van schadelijke organismen bepaalde maatregelen te nemen, maar die maatregelen mogen dan enkel gericht zijn op het behoud of de verbetering van de kwaliteit; ze mogen dus niet van fytosanitaire aard zijn. 4.5. Met het om advies voorgelegde ontwerp beogen de stellers te voorzien in een regeling die het mogelijk moet maken om het aardappelcysteaaltje, een voor de aardappel schadelijk organisme, te bestrijden, in het bijzonder door velden en aardappelen te onderwerpen aan maatregelen die erop gericht zijn de aanwezige populatie aardappelcysteaaltjes terug te dringen en hun verdere verspreiding te voorkomen. Aldus gaat het om een fytosanitaire regeling.
Gelet op dit kenmerk van de regeling, kan de federale overheid zich te dezen beroepen op haar bevoegdheid inzake de veiligheid van de voedselketen, begrepen in de ruime zin die de bijzondere wetgever voor ogen stond, om de ontworpen regeling aan te nemen.
De omstandigheid dat de aantasting van de aardappelplant geen ziekte is die kan overgaan op de mens, doet aan die conclusie geen afbreuk, eveneens omwille van de ruime interpretatie die blijkens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere
wet van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten aan het begrip `veiligheid van de voedselketen' moet worden gegeven.' B. Bevoegdheidsrechtelijke kwalificatie van de maatregelen vervat in verordening (EU) 2016/2031 3. Verordening (EU) 2016/2031 bevat, overeenkomstig artikel 1, lid 1, ervan, regels (...) voor de bepaling van de fytosanitaire risico's op elk(e) soort, stam of biotype van ziekteverwekkende agentia, dieren of parasitaire planten die of dat schadelijk is voor planten of plantaardige producten (`plaagorganismen') alsmede maatregelen om die risico's tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen'.21 De verordening maakt een onderscheid tussen quarantaineorganismen enerzijds en door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen (hierna: RNQP's22) anderzijds. Quarantaineorganismen zijn plaagorganismen die in een bepaald gebied (nog) niet voorkomen,23 in tegenstelling tot RNQP's die reeds aanwezig zijn op het grondgebied van de Europese Unie (hierna: EU).24 Bij quarantaineorganismen wordt een verder onderscheid gemaakt tussen EU-quarantaineorganismen25 (die nog niet voorkomen in de EU) en ZP-quarantaineorganismen26 (die wel in de EU voorkomen, maar niet op het grondgebied van een lidstaat of een deel daarvan). Sommige van de EU-quarantaineorganismen worden beschouwd als prioritaire plaagorganismen, onder meer wanneer ze de meest ernstige economische, sociale of milieugevolgen hebben met betrekking tot het grondgebied van de EU.27 Zowel tegen quarantaineorganismen als tegen RNQP's kunnen zogenaamde fytosanitaire maatregelen worden genomen, die in de verordening worden gedefinieerd als maatregelen die tot doel hebben, in het eerste geval om het binnenbrengen of de verspreiding van een quarantaineorganisme te voorkomen en in het tweede geval om de economische gevolgen van RNQP's te beperken.28 De term 'fytosanitair' in de verordening is dan ook ruimer dan de term 'fytosanitair' in de zo-even geschetste Belgische bevoegdheidsrechtelijke context (zie ook opmerking 4.1 in fine).
De gemachtigden stelden het volgende overzicht ter beschikking van de verschilpunten tussen quarantaineorganismen enerzijds en RNQP's anderzijds:
Verordening (EU) 2016/2031 Art. 2, punt 22: definitie "fytosanitaire maatregel": elke officiële maatregel die ten doel heeft het binnenbrengen of de verspreiding van een quarantaineorganisme te voorkomen of de economische gevolgen van gereguleerde niet-quarantaineorganisme te beperken.
Quarantaineorganismen (definitie art. 3)
RNQP's (definitie art. 36)
Doelstelling is sanitair (territoriale bescherming veiligheid voedselketen door uitroeien of inperken organisme in afgebakend gebied)
Doelstelling is garanties voor kwaliteit, gebruikswaarde planten, economische gevolgen beperken (geen sanitair doel)
Afwezig of niet wijdverbreid op het grondgebied noch op alle planten en plantaardige producten
Aanwezig op het grondgebied en op bepaalde planten of plantaardige producten.
Tolerantiedrempels voor aanwezigheid op verschillende soorten en categorieën vermeerderingsmateriaal (planten bestemd voor opplant)
Meldingsplicht (art. 14-15) en verplichte bestrijding (officiële maatregelen, o.a. vernietiging besmette planten) (bijlage II, deel 1, punt 1, g)
Beheersing risico's, geen verplichte bestrijding (bijlage II, deel 2)
Effecten op voedselzekerheid en voedselveiligheid vermeld (bijlage I, deel 1, punt 4, onder q)
Geen effecten op voedselzekerheid en voedselveiligheid vermeld (bijlage I, deel 4, punt 3)
Uitvoeringsverordening 2019/2072 (BIA): de meeste RNQP's zijn afkomstig uit de reglementering inzake vermeerderingsmateriaal (handelsrichtlijnen zaaizaden en pootgoed), andere zijn quarantaineorganismen die RNQP geworden zijn.
De RNQP's zijn eveneens opgenomen in de reglementering inzake vermeerderingsmateriaal (handelsrichtlijnen zaaizaden en pootgoed).
4. De vraag rijst dan ook welke overheden bevoegd zijn voor de aanpassing van de bestaande internrechtelijke voorschriften, in dit geval de voorschriften vervat in het koninklijk besluit van 19 november 1987, aan hetgeen bepaald is in verordening (EU) 2016/2031.29 4.1. Uit de omschrijving van de RNQP's in artikel 36 en bijlage I, deel 4, van verordening (EU) 2016/2031 kan worden afgeleid dat het gaat om plaagorganismen die hoofdzakelijk worden overgedragen door specifieke planten bestemd voor opplant, dat is iedere handeling betreffende het plaatsen van planten in een groeimedium, het enten of soortgelijke handelingen, teneinde hun verdere groei, reproductie of vermeerdering te bewerkstelligen,30 waarbij de aanwezigheid van het plaagorganisme op die voor opplant bestemde planten onaanvaardbare economische gevolgen heeft wat betreft het voorgenomen gebruik van die voor opplant bestemde planten. In de lijst in bijlage IV van uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 komen daadwerkelijk enkel plaagorganismen voor die betrekking hebben op zaaizaad, zaaigranen, teeltmateriaal, groentezaad, pootaardappelen en voor opplant bestemde planten.
Door zich toe te spitsen op voor opplant bestemde planten kan worden vermeden dat het plaagorganisme zich verder verspreidt.31 Dat gebeurt doordat wordt voorzien in een verbod voor professionele marktdeelnemers op het binnenbrengen in het grondgebied van de EU en het daarbinnen vervoeren van de voor opplant bestemde planten, althans wanneer de aanwezigheid van de betrokken plaagorganismen erop een bepaalde drempel overstijgt.32 De maatregelen die op grond van verordening (EU) 2016/2031 kunnen worden genomen ten aanzien van RNQP's betreffen dan ook enkel preventieve maatregelen, terwijl ten aanzien van quarantaineorganismen allerlei andere maatregelen worden genomen, zoals 'fysische, chemische en biologische behandeling van planten, plantaardige producten, bedrijfsruimten, land, water, bodem, groeimedia, installaties, machines, uitrusting en andere materialen, die besmet of mogelijk besmet zijn met quarantaineorganismen'33 en ']vernietiging van planten, plantaardige producten en andere materialen, die besmet of mogelijk besmet zijn met quarantaineorganismen, of voor preventieve doeleinden'34, die, in zoverre ze ertoe strekken die organismen te bestrijden of een verdere verspreiding ervan beogen tegen te gaan, minstens gedeeltelijk tot de federale bevoegdheid kunnen worden gerekend (zie daarover ook opmerking 4.2).
Bij de zo-even aangehaalde onaanvaardbare economische gevolgen35 wordt bovendien geen gewag gemaakt van enig risico voor de veiligheid van de voedselketen, in tegenstelling tot de quarantaineorganismen, waar de ']effecten op de voedselzekerheid en de voedselveiligheid' wel worden vermeld tussen de mogelijke effecten.36 Er kan dan ook worden aangenomen dat de maatregelen ten aanzien van RNQP's niet tot doel hebben om al aanwezige plaagorganismen te bestrijden met het oog op de vrijwaring van de veiligheid van de voedselketen, maar wel om de kwaliteit van teeltmateriaal te vrijwaren door middel van preventieve maatregelen.37 Dergelijke maatregelen moeten tot de bevoegdheid van de gewesten worden gerekend.
De omstandigheid dat ook voor bepaalde RNQP's ']fytosanitaire certificaten' vereist zijn38 en dat ook ten aanzien van RNQP's gewag wordt gemaakt van ']fytosanitaire maatregelen',39 betekent nog niet dat het gaat om fytosanitaire maatregelen in de bevoegdheidsrechtelijke betekenis die eraan wordt gegeven in de voormelde adviezen 38.398/3 en 47.815/VR/3. De term ']fytosanitaire maatregel' wordt in verordening (EU) 2016/2031 immers gedefinieerd als "elke officiële maatregel die ten doel heeft het binnenbrengen of de verspreiding van een quarantaineorganisme te voorkomen of de economische gevolgen van gereguleerde niet-quarantaineorganisme te beperken",40 wat duidelijk ook maatregelen omvat die volgens de bevoegdheidsverdeling in België tot de bevoegdheden van de gewesten inzake het waarborgen van de kwaliteit van landbouwproducten behoren. 4.2. De maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van quarantaineorganismen41 kunnen velerlei zijn en zowel maatregelen omvatten waarvan sommige, zoals zo-even uiteengezet, duidelijk tot de bevoegdheid van de federale overheid kunnen worden gerekend, terwijl andere maatregelen veeleer preventief van aard zijn en bovendien niet rechtstreeks betrekking hebben op de plaagorganismen als dusdanig.
Daarvoor zal van geval tot geval, rekening houdende met de aard van de maatregel, moeten worden nagegaan of de federale overheid, dan wel de gewesten ervoor bevoegd zijn."42 4. Het voorliggende ontwerp heeft volgens het opschrift enkel betrekking op quarantaineorganismen. 4.1. De maatregelen in hoofdstuk II van het ontwerp ("Algemene maatregelen ter bestrijding van quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten") hebben betrekking op de bestrijding van die quarantaineorganismen en moeten tot de bevoegdheid van de federale overheid worden gerekend. Dat veronderstelt wel dat de "fytosanitaire maatregelen" waaraan wordt gerefereerd in artikel 6 van het ontwerp en "alle andere maatregelen die moeten worden genomen", waarvan gewag wordt gemaakt in artikel 8 van het ontwerp, bevoegdheidsconform worden begrepen.43 4.2. Hoofdstuk III ("Bepalingen inzake het verkeer van voor opplant bestemde niet gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L.") van het ontwerp (dat artikel 9 bevat) heeft betrekking op het verkeer van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen (hierna: RNQP's).44 Dat artikel 9 heeft evenwel enkel betrekking op de gevallen waarin geen plantenpaspoort vereist is voor verrichtingen binnen een bedrijf, ter uitvoering van artikel 82 van verordening (EU) 2016/2031. De ontworpen bepaling moet bevoegdheidsrechtelijk samen worden beoordeeld met de bepalingen van hoofdstuk IV ("Bepalingen inzake plantenpaspoorten"), dat de uitvoering vormt van de artikelen 78 en volgende van de voormelde verordening.
Uit de definitie van een plantenpaspoort in artikel 78 van de verordening en uit de artikelen 83, 85 en 86 ervan, blijkt dat het plantenpaspoort zowel betrekking heeft op de afwezigheid van quarantaineorganismen als op de naleving van maatregelen ter voorkoming van NRQP's. Het staat echter niet aan de federale overheid om eenzijdig een regeling uit te vaardigen met betrekking tot dat plantenpaspoort, zoals de vermeldingen die erop moeten worden aangebracht, de voorwaarden voor aflevering en vervanging, alsook de ermee samenhangende verplichtingen. Zelfs indien men ervan zou uitgaan dat de ontworpen regeling bevoegdheidsconform moet worden begrepen en enkel rechtsgevolgen kan hebben voor binnen de federale bevoegdheidssfeer (wat alvast uitgesloten lijkt voor de maatregelen vervat in hoofdstuk III), zou een afzonderlijke regeling ter zake van zowel de federale overheid als van de gewesten, elk wat hen betreft, ertoe leiden dat voor eenzelfde soort plant, plantaardig product of ander materiaal verschillende plantenpaspoorten zouden worden ingevoerd, wat niet verenigbaar lijkt met het Europeesrechtelijke kader. De nadere uitvoering van de verordeningsbepalingen die betrekking hebben op het plantenpaspoort vereisen dan ook een voorafgaandelijke vorm van samenwerking, bij voorkeur een samenwerkingsakkoord, met het oog op een onderling afgestemde of gemeenschappelijke regeling van het plantenpaspoort. In een dergelijk samenwerkingsakkoord is er wel ruimte voor een differentiatie naargelang de drie gewesten, zoals ook naar voor komt in artikel 13, § § 1 en 2, van het ontwerp. Een dergelijke regeling kan echter niet eenzijdig door de federale overheid worden uitgevaardigd.
Om die reden kunnen de bepalingen van de hoofdstukken III en IV vooralsnog geen doorgang vinden. 4.3. Een gelijkaardige conclusie geldt voor de regeling met betrekking tot uitvoer- en preuitvoercertificaten in de hoofdstukken V ("Bepalingen inzake uitvoer van planten, plantaardige producten en andere materialen") en VI ("Bepalingen inzake informatie-uitwisseling met andere lidstaten van de Europese Unie"). Ook die certificaten hebben immers zowel betrekking op quarantaineorganismen als op RNQP's.
Daar komt nog bij dat voor de uitvoer moeilijk kan worden aangevoerd dat de federale overheid bevoegd is "met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen", zoals vereist bij artikel 6, § 1, V, tweede lid, 1°, van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten, aangezien de betrokken producten juist bedoeld zijn om niet in de Belgische voedselketen terecht te komen. In elk geval is ook hier een voorafgaandelijke vorm van samenwerking vereist, bij voorkeur een samenwerkingsakkoord, met het oog op een onderling afgestemde of gemeenschappelijke regeling van de betrokken certificaten.
Om die reden kunnen ook de bepalingen van de hoofdstukken V en VI vooralsnog geen doorgang vinden. 4.4. In zoverre de wijzigingsbepalingen van hoofdstuk VII ertoe strekken terminologische aanpassingen aan te brengen in het licht van het nieuwe Europeesrechtelijke kader, rijzen geen bevoegdheidsrechtelijke bezwaren. Wel moeten de hierna volgende specifieke opmerkingen worden geformuleerd. 4.4.1. Het ontworpen artikel 2, § 1, 1°, van het
koninklijk besluit van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
10/10/2003
pub.
07/11/2003
numac
2003022958
bron
federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit houdende het toevertrouwen aan de Gewesten van de uitvoering van bepaalde taken die tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen behoren
sluiten (artikel 19, 1°, van het ontwerp) verwijst terecht niet naar artikel 85, b), van verordening (EU) 2016/2031, dat betrekking heeft op RNQP's, maar wel (onder meer) naar artikel 85, a), waarin gewag wordt gemaakt van "plaagorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen gelden", hetgeen ook bepaalde preventieve maatregelen inhoudt die mogelijk tot de bevoegdheid van de gewesten kunnen worden gerekend. Op zijn minst zal die verwijzing dan ook bevoegdheidsconform moeten worden begrepen.
Deze opmerking geldt mutatis mutandis ook voor het ontworpen artikel 2, 1°, van het
koninklijk besluit van 13 februari 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten0 (artikel 23, 1°, van het ontwerp). 4.4.2. Het ontworpen artikel 3, § 1, van het
koninklijk besluit van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
10/10/2003
pub.
07/11/2003
numac
2003022958
bron
federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit houdende het toevertrouwen aan de Gewesten van de uitvoering van bepaalde taken die tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen behoren
sluiten (artikel 20, 1°, van het ontwerp) maakt het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) verantwoordelijk voor de organisatie van officiële controles en andere activiteiten als bevoegde autoriteit voor de toepassing van verordening (EU) 2016/2031. Aangezien de bevoegdheid van de federale overheid slechts een deel van de maatregelen omvat die moeten worden genomen ter uitvoering van verordening (EU) 2016/2031, is die rol van het FAVV te ruim omschreven. 4.4.3. Gelet op wat is uiteengezet in opmerking 4.3 over de uitvoercertificaten is ook de omschrijving in het ontworpen artikel 2, 2°, van het
koninklijk besluit van 13 februari 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten0 (artikel 23, 2°, van het ontwerp) te ruim. 4.4.4. Ook het ontworpen artikel 5 van het
koninklijk besluit van 13 februari 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/07/2001
pub.
03/08/2001
numac
2001021378
bron
diensten van de eerste minister
Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen
sluiten0 (artikel 24 van het ontwerp) lijkt te ruim in het licht van wat in opmerking 4.2 is uiteengezet over de plantenpaspoorten. 4.5. De opheffingsbepalingen in hoofdstuk X kunnen slechts doorgang vinden in zoverre ze betrekking hebben op bepalingen die tot de bevoegdheid van de federale overheid kunnen worden gerekend, zoals reeds is uiteengezet in advies 66.907/3 (opmerkingen 7.1 tot 8.2).
Gelet op wat in de opmerkingen 4.2 en 4.3 van dit advies is uiteengezet aangaande het plantenpaspoort en de uitvoercertificaten, kan het
koninklijk besluit van 17 februari 2005Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
17/02/2005
pub.
24/02/2005
numac
2005022142
bron
federale agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit tot vaststelling van de modellen van officiële fytosanitaire certificaten of fytosanitaire certificaten voor wederuitvoer waarvan planten, plantaardige producten of andere materialen afkomstig uit derde landen vergezeld moeten gaan
sluiten niet eenzijdig worden opgeheven door de federale overheid (artikel 32, 1°, van het ontwerp).
Het
koninklijk besluit van 10 augustus 2005Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
10/08/2005
pub.
31/08/2005
numac
2005022636
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen
sluiten kan enkel worden opgeheven voor zover het betrekking heeft op maatregelen ten aanzien van plaagorganismen die tot de federale bevoegdheid kunnen worden gerekend.45 RECHTSGROND 5.1. Het ontworpen besluit vindt in hoofdzaak rechtsgrond in de artikelen 2 en 3, § 1, van de
wet van 2 april 1971Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/04/1971
pub.
07/12/2010
numac
2010000674
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten `betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen'.
In de aanhef wordt ook verwezen naar de artikelen 4, 5 en 5bis van dezelfde wet, allicht als rechtsgrond voor artikel 31 van het ontworpen besluit. De twee eerstgenoemde bepalingen bevatten evenwel geen delegatie aan de Koning en kunnen dan ook niet fungeren als rechtsgrond. Paragraaf 11 van artikel 5bis bepaalt dat dat artikel niet van toepassing is op inbreuken die zijn vastgesteld ter uitvoering van het
koninklijk besluit van 22 februari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
22/02/2001
pub.
28/02/2001
numac
2001022136
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen
sluiten `houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen'. Ook dat artikel kan dus niet als rechtsgrond fungeren voor artikel 31 van het ontworpen besluit. Dat artikel 31 lijkt overigens niets toe te voegen aan hetgeen reeds voortvloeit uit de strafbepalingen in de
wet van 2 april 1971Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/04/1971
pub.
07/12/2010
numac
2010000674
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten en de bepalingen van het
koninklijk besluit van 22 februari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
22/02/2001
pub.
28/02/2001
numac
2001022136
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen
sluiten, zodat het beter kan worden weggelaten. 5.2. Wat betreft het toevertrouwen van (gewone) opdrachten aan het FAVV in het kader van de
wet van 2 april 1971Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/04/1971
pub.
07/12/2010
numac
2010000674
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten, kan het ontworpen besluit worden gesteund op de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Koning (artikel 108 van de Grondwet), gelezen in samenhang met artikel 4, § § 1 tot 3, en artikel 5, tweede lid, 7°, van de
wet van 4 februari 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/02/2000
pub.
18/02/2000
numac
2000022108
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen
sluiten `houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen'. De rechtsgrondvermeldingen in de aanhef moeten dan ook in die zin worden aangevuld en gepreciseerd.
Zoals wordt uiteengezet in opmerking 7.1, betekent dat echter niet dat elke in het ontwerp geregelde opdracht aan het FAVV in die rechtsgrondbepalingen kan worden ingepast. 5.3. In de aanhef wordt ook verwezen naar de artikelen 4 en 8 van het (bekrachtigde)
koninklijk besluit van 22 februari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
22/02/2001
pub.
28/02/2001
numac
2001022136
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen
sluiten `houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen'. Artikel 4, § 1, van dat besluit kan als rechtsgrond dienen voor de nadere regeling van de controles in het ontworpen besluit. Artikel 8 bevat enkel opdrachten aan de minister bevoegd voor de veiligheid van de voedselketen en niet aan de Koning en kan dan ook niet fungeren als rechtsgrond voor het ontworpen besluit.
ALGEMENE OPMERKING 6. Het ontwerp voorziet in "aanvullende bepalingen" bij verordening (EU) 2016/2031 en verordening (EU) 2017/625.Om duidelijk te maken welke bepalingen worden uitgevoerd of aangevuld, is het raadzaam om in de betrokken bepalingen van het ontwerp expliciet te verwijzen naar de verordeningsbepaling die wordt uitgevoerd ("overeenkomstig artikel ...") of aangevuld ("onverminderd artikel ..."). Op die manier wordt ook duidelijk welke bepalingen louter internrechtelijk van aard zijn, en welke bepalingen rechtstreeks verband houden met de twee verordeningen, wat gevolgen kan hebben voor de toepasselijkheid van uniale beginselen en van het Handvest.46 ONDERZOEK VAN DE TEKST Artikel 16 7. Artikel 16, § 1, van het ontwerp voorziet in de mogelijkheid voor het FAVV om "fytosanitaire akkoorden" af te sluite …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.