📄 Wettekst
2 OKTOBER 2017. - Wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid
FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Definities en toepassingsgebied Afdeling 1. - Definities
Art. 2.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: 1° activiteiten: de activiteiten behorend tot het toepassingsgebied van deze wet, bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk;2° onderneming: elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die activiteiten bestaande uit de blijvende of tijdelijke levering van diensten aan derden, uitoefent, aanbiedt of zich als dusdanig bekend maakt;3° interne dienst: elke dienst die door een natuurlijke persoon of rechtspersoon ten eigen behoeve wordt georganiseerd voor het uitoefenen van activiteiten of die zich als dusdanig bekend maakt;4° bewakingsactiviteiten: activiteiten bedoeld in artikel 3;5° bewakingsagent: elke persoon die belast is met het uitoefenen van bewakingsactiviteiten of die deze uitoefent;6° veiligheidsagent: elk persoon die activiteiten uitoefent in het kader van een veiligheidsdienst;7° statische bewaking: bewakingsactiviteit bestaande uit toezicht op en bescherming van roerende of onroerende goederen met uitzondering van mobiele bewaking;8° mobiele bewaking: bewakingsactiviteit bestaande uit toezicht op en bescherming van roerende of onroerende goederen, waarbij de bewakingsagent zich, met uitsluiting van de verplaatsingen binnen een site en rond een site, op de openbare weg verplaatst van goed naar goed om er toezicht uit te oefenen;9° site: plaats, uitgebaat door één natuurlijke of rechtspersoon, bestaande uit één of meerdere delen die, ofschoon dat ze gescheiden kunnen zijn door één of meerdere openbare wegen, aan elkaar palen;10° winkelinspectie : bewakingsactiviteit waarbij de bewakingsagent in winkelruimtes toezicht uitoefent op het gedrag van klanten teneinde diefstallen te voorkomen of vast te stellen;11° dansgelegenheid: een gelegenheid waarvan uit de materiële organisatie van de plaats, of de bekomen toestemmingen of vergunningen, of het maatschappelijk doel of de handelsactiviteit van de natuurlijke of rechtspersoon die ze uitbaat, of de organisatie van de gebeurtenis, of de publicatie of de aankondiging ervan, blijkt dat ze door de organisator of de beheerder hoofdzakelijk bestemd is om te dansen;12° gewoonlijke dansgelegenheid: een plaats die gewoonlijk onder meer bestemd is als dansgelegenheid;13° occasionele dansgelegenheid: een plaats waar de organisator sporadisch een dansgelegenheid organiseert;14° uitgaansmilieu: cafés, bars, kansspelinrichtingen en dansgelegenheden;15° evenement: gebeurtenis van culturele, maatschappelijke, festieve, folkloristische, commerciële of sportieve aard, met uitzondering van occasionele dansgelegenheden en met inbegrip van festivals, met een tijdelijk karakter waarbij publiek aanwezig is;16° publiek toegankelijke plaats: elke plaats waar andere personen dan de beheerder en de personen die er werkzaam zijn, toegang tot hebben, ofwel omdat ze geacht worden gewoonlijk toegang te hebben tot die plaats, ofwel omdat ze er toegelaten zijn zonder individueel te zijn uitgenodigd;17° bemand kantoor: kantoor van een kredietinstelling, zoals bedoeld in artikel 1, § 3, van de
wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
sluiten3 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, of bpost, waarbinnen minstens één personeelslid werkzaam is;18° biljettenautomaat: toestel bestemd voor het afhalen van geldbiljetten van een bankrekening of een betaalkaart en/of voor het deponeren van geldbiljetten op een bankrekening of een betaalkaart;19° werkzaamheden aan biljettenautomaten: het onderhoud of de herstellingswerken aan deze automaten;20° geldtelcentrum: de plaats waar een onderneming, andere dan een kredietinstelling of bpost, voor rekening van derden geld telt, verpakt, beveiligd bewaart, verdeelt of op een andere wijze manueel of geautomatiseerd behandelt;21° alarmsysteem: systeem bestemd om alarmsituaties ingevolge misdrijven tegen personen of goederen, brand, gaslekken, ontploffingenof noodsituaties in het algemeen vast te stellen en om een alarmsignaal te activeren;22° bewakingscamera: observatiesysteem, zoals bedoeld in artikel 2, 4°, van de
wet van 21 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/03/2007
pub.
31/05/2007
numac
2007000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's
sluiten tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's;23° alarmcentrale: met uitsluiting van de 112-centra, de onderneming die: a) signalen afkomstig van alarmsystemen ontvangt en verwerkt, b) goederen, uitgerust met volgsystemen, lokaliseert teneinde vermissing, beschadiging of vernieling ervan te voorkomen of vast te stellen, c) oproepen van personen in nood ontvangt en verwerkt of d) afstandscontrole van toegangen en uitgangen verzekert.24° volgsysteem: systeem dat dient om een goed van op afstand te lokaliseren, of de verplaatsing ervan te volgen en/of tussen te komen op het functioneren van dit goed;25° personen die de werkelijke leiding hebben: de bedrijfsleider van een onderneming en alle personen met een gezags functie die aan de uitoefening van activiteiten bedoeld in deze wet verbonden is;26° exploitatiezetel: elke permanente infrastructuur van waaruit ondernemingen of interne diensten activiteiten organiseren;27° openbare vervoersmaatschappij: elke publiekrechtelijke rechtspersoon die vervoer van reizigers of goederen organiseert op het Belgisch grondgebied;28° identiteitsdocument: elk schriftelijk middel waarmee de identiteit aangetoond kan worden;29° camerawet: de
wet van 21 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/03/2007
pub.
31/05/2007
numac
2007000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's
sluiten tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's;30° eCall: een noodoproep zoals bedoeld in artikel3 van de ITS-kaderwet;31° ISPS-havenfaciliteit: een havenfaciliteit zoals bedoeld in artikel 5, 6° en 7° van de wet van 5 februari2007 betreffende de maritieme beveiliging;32° SEVESO-inrichting: een inrichting zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken;33° directe discriminatie: een onderscheid zoals bedoeld in artikel 4, 7°, van de
wet van 10 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002097
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002098
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002099
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie
sluiten ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, artikel 5, 6°, van de
wet van 10 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002097
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002098
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002099
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie
sluiten ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, of artikel 4, 7°, van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;34° indirecte discriminatie: een onderscheid zoals bedoeld in artikel 4, 9°, van de
wet van 10 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002097
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002098
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002099
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie
sluiten ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, artikel 5, 8°, van de
wet van 10 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002097
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002098
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen
type
wet
prom.
10/05/2007
pub.
30/05/2007
numac
2007002099
bron
programmatorische federale overheidsdienst maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie
Wet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie
sluiten ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, of artikel 4, 9°, van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;35° wapenwet: de
wet van 8 juni 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/06/2006
pub.
09/06/2006
numac
2006009449
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens
sluiten houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens. Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Art. 3.Voor de toepassing van deze wet worden als bewakingsactiviteiten beschouwd: 1° statische bewaking van roerende of onroerende goederen;2° mobiele bewaking van roerende of onroerende goederen en interventie na alarm;3° a) toezicht en/of bescherming bij het vervoer, geheel of gedeeltelijk op de openbare weg, van goederen;b) vervoer, geheel of gedeeltelijk op de openbare weg, van geld of van door de Koning bepaalde goederen, andere dan geld, die omwille van hun kostbaar karakter of hun bijzondere aard aan bedreiging onderhevig zijn;c) beheer van een geldtelcentrum;d) bevoorrading van biljettenautomaten, bewaking bi werkzaamheden aan biljettenautomaten en onbewaakte werkzaamheden aan biljettenautomaten opgesteld buiten bemande kantoren, indien er toegang mogelijk is tot de geldbiljetten of geldcassettes;4° beheer van een alarmcentrale;5° bescherming van personen;6° winkelinspectie;7° elke vorm van statische bewaking van de goederen, van toezicht op en controle van het publiek met het oog op het verzekeren van het veilig en vlot verloop van evenementen, verder genoemd "evenementenbewaking";8° elke vorm van statische bewaking, controleren toezicht op het publiek in plaatsen, behoren tot het uitgaansmilieu, verder genoemd "bewaking uitgaansmilieu";9° doorzoeken van roerende of onroerende goederen naar spionageapparatuur, wapens, drugs, explosieve stoffen, stoffen die voor de aanmaak van explosieve stoffen kunnen aangewend worden of andere gevaarlijke voorwerpen;10° verrichten van de vaststellingen, die uitsluitend betrekking hebben op de onmiddellijk waarneembare toestand van goederen die zich bevinden op het openbaar domein, in opdracht van de bevoegde overheid of van de houder van een overheidsconcessie;11° begeleiding van groepen van personen met het oog op de verkeersveiligheid;12° de bediening van de door de Koning bepaalde technische middelen die met het oog op het verzekeren van de veiligheid aan derden ter beschikking worden gesteld;13° het toezicht op en de controle van personen met het oog op het verzekeren van de veiligheid op al dan niet publiek toegankelijke plaatsen, dat niet voorzien is in 6°, 7° of 8°. Art. 4.Wordt als een bewakingsonderneming beschouwd, elke onderneming die bewakingsactiviteiten aanbiedt, of uitoefent of zich als dusdanig bekend maakt. Art. 5.Wordt als een interne bewakingsdienst beschouwd, elke interne dienst die bewakingsactiviteiten uitvoert: 1° op de plaatsen, beheerd door de natuurlijke of rechtspersoon die de interne bewakingsdienst organiseert;2° voor derden die andere handelsactiviteiten verrichten dan het uitoefenen van bewakingsactiviteiten, onder dezelfde handelsbenaming als de natuurlijke of rechtspersoon die de interne bewakingsdienst organiseert;3° voor rechtspersonen die behoren tot dezelfde verbonden of geassocieerde vennootschap, in de zin van de artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen;4° voor derden gevestigd op dezelfde site als de natuurlijke of rechtspersoon die de interne bewakingsdienst organiseert voor zover de opdrachten van deze derden verband houden met de opdrachten van de natuurlijke of rechtspersoon die de interne bewakingsdienst organiseert. Wordt evenwel niet als een interne bewakingsdienst beschouwd, de interne dienst die de activiteit uitoefent bestaande uit: 1° de activiteit, bedoeld in artikel 3, 1°, voor zover ze uitsluitend wordt uitgeoefend op niet publiek toegankelijke plaatsen;2° één van de activiteiten bedoeld in artikel 3, 4° en 11° ;3° het vervoer van geld dat het bedrag van 30 000 euro niet overschrijdt en voor zover het geen vervoer betreft van of naar klanten;4° het vervoer van geld dat het bedrag van 3 000 euro niet overschrijdt, door het personeel van kredietinstellingen, van of naar klanten, voor zover het uitsluitend particulieren betreft;5° de betaling aan huis van ouderdom- en overlevingspensioenen en van tegemoetkomingen aan personen met een handicap, in overeenstemming met artikel 128 van het
koninklijk besluit van 12 januari 1970Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
sluiten7 houdende reglementering van de postdienst. Art. 6.Wordt als onderneming voor alarmsystemen beschouwd, de onderneming die diensten aanbiedt, of uitoefent of zich als dusdanig bekend maakt, van conceptie, installatie, onderhoud of herstelling van alarmsystemen, de onderdelen ervan en de er op aangesloten componenten voor zover deze alarmsystemen bestemd zijn om misdrijven tegen personen of onroerende goederen te voorkomen of vast te stellen. Art. 7.Wordt als onderneming voor camerasystemen beschouwd, de onderneming die diensten aanbiedt of uitoefent of zich als dusdanig bekend maakt, van conceptie, installatie, onderhoud of herstelling van bewakingscamera's. Art. 8.Wordt als onderneming voor veiligheidsadvies beschouwd, de onderneming die advies aanbiedt of verstrekt, ter voorkoming van strafbare feiten tegen personen of goederen, met inbegrip van het uitwerken, uitvoeren en evalueren van doorlichtingen, analyses, strategieën, concepten, procedures en trainingen op veiligheidsgebied, of die zich als dusdanig bekendmaakt. Art. 9.In afwijking van artikel 8 wordt evenwel niet als een onderneming voor veiligheidsadvies beschouwd: 1° de onderneming waarvan de activiteit inzake veiligheidsadvies niet als een afzonderlijke dienst wordt aangeboden en een inherent bestanddeel uitmaakt van een andere hoofdactiviteit;2° de overheid die activiteiten inzake veiligheidsadvies levert;3° de onderneming waarvan de activiteiten inzake veiligheidsadvies enkel betrekking hebben op informaticasystemen en gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen. Art. 10.Wordt als een opleidingsinstelling beschouwd, de onderneming die een opleiding aanbiedt of organiseert met betrekking tot domeinen zoals bedoeld in dit hoofdstuk, of die zich als dusdanig bekendmaakt. Art. 11.Wordt als een veiligheidsdienst beschouwd, elke interne dienst die ten behoeve van een openbare vervoersmaatschappij, de veiligheid verzekert van het openbaar vervoer op de plaatsen, bedoeld in de artikelen160 tot en met 162. Art. 12.Wordt als een maritieme veiligheidsonderneming beschouwd, de onderneming die diensten aanbiedt of uitoefent van toezicht, bescherming en veiligheid aan boord van schepen, tegen piraterij, of die zich als dusdanig bekend maakt. Art. 13.Deze wet is van openbare orde. Art. 14.Deze wet is van toepassing bij elke uitoefening van de in deze afdeling bedoelde activiteiten of van in deze wet bepaalde bevoegdheden, ook al voorziet een Europese regelgeving of een bijzondere wetgeving inde verplichting dergelijke activiteiten aan te bieden, uit te oefenen of te organiseren. Art. 15.De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst vaststellen van de beroepen of activiteiten die niet als de in deze afdeling bedoelde activiteiten worden beschouwd omdat de functie en de bevoegdheden van de beoefenaars ervan geregeld zijn door een wet die voorziet in de nodige beschermingsregels ten aanzien van de personen die het voorwerp uitmaken van deze activiteiten. HOOFDSTUK 3. - Ondernemingen en interne bewakingsdiensten Afdeling 1. - Vergunningen
Art. 16.Niemand mag de diensten van een onderneming aanbieden of deze van een interne dienst organiseren indien hij daartoe vooraf geen vergunning heeft gekregen van de minister van Binnenlandse Zaken.
Niemand mag zich, zonder daartoe een vergunning van de minister van Binnenlandse Zaken te hebben verkregen, als onderneming of interne dienst bekendmaken. Art. 17.Niemand mag gebruik maken van de dienstverlening van een niet-vergunde onderneming. Art. 18.De minister van Binnenlandse Zaken kan vooraleer een beslissing te nemen over een vergunning, het advies vragen van de procureur des Konings van de vestigingsplaats van de onderneming of dienst en bij ontstentenis van een vestigingsplaats op Belgisch grondgebied, van de federale procureur. Hij kan eveneens de in het kader van de
wet van 30 november 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
sluiten houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verzamelde relevante inlichtingen vragen aan de Veiligheid van de Staat alsook, bij ontstentenis van een vestigingsplaats van de onderneming of dienst op Belgisch grondgebied, aan de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid.
De minister van Binnenlandse Zaken vraagt altijd dit advies indien hij heeft vastgesteld dat de onderneming of dienst of de personen die de werkelijke leiding hebben, vermeld in het aanvraagdossier, gekend zijn voor feiten die kunnen raken aan het vertrouwen in de betrokkenen. Art. 19.Indien de aanvrager van de vergunning geen exploitatiezetel heeft in België, houdt de minister van Binnenlandse Zaken bij de beoordeling van de aanvraagrekening met de waarborgen verstrekt in het kader van de wettelijke en gereglementeerde uitoefening van de activiteiten, waarop de aanvraag betrekking heeft, in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. Art. 20.De vergunning kan het uitoefenen van bepaalde activiteiten en het aanwenden van bepaalde middelen en methodes uitsluiten of aan specifieke voorwaarden verbinden. Art. 21.De vergunning vermeldt de vergunde activiteiten. Art. 22.De vergunning wordt verleend voor een termijn van vijf jaar; zij kan voor gelijke termijnen worden vernieuwd. Art. 23.Teneinde hen die beroep wensen te doen op de diensten van vergunde ondernemingen in te lichten aangaande de deeldomeinen, waarvoor een onderneming in het bijzonder competent is, maakt de FOD Binnenlandse Zaken in zijn publicaties melding van de competentiecertificaten die de onderneming aangaande deze domeinen heeft verworven.
De minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de relevante competentiecertificaten die hiervoor in aanmerking komen. Art. 24.Een vereniging kan, bij een evenement of ter gelegenheid van een occasionele dansgelegenheid die ze zelf organiseert, de bewakingsactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 3, 7°, en elke vorm van statische bewaking, controle en toezicht op het publiek in een occasionele dansgelegenheid, laten uitoefenen door de effectieve leden van de vereniging of door de personen die een effectieve en aanwijsbare band hebben met de vereniging, voor zover: 1° de vereniging geen winstoogmerk beoogt en een ander doel nastreeft dan de organisatie of het faciliteren van evenementen;2° de voor bewakingsactiviteiten ingezette leden geen enkele vorm van betaling ontvangen en deze activiteitslechts sporadisch uitoefenen;3° de burgemeester hiertoe, na het advies van de korpschef van de lokale politie, op een door de minister van Binnenlandse Zaken bepaalde wijze, zijn toestemming heeft verleend. De vereniging is onderworpen aan geen enkele in dit hoofdstuk bedoelde verplichting voor interne bewakingsdiensten.
De door de vereniging voor bewakingsactiviteiten ingezette leden moeten voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 61, met uitzondering van: - de voorwaarden bedoeld in artikel 61, 4° en 7° ; - de voorwaarde bedoeld in artikel 61, 2°, voor zover zij hun wettelijke hoofdverblijfplaats sinds ten minste drie jaar in België hebben.
Zij voeren hun opdrachten uit conform de bepalingen van deze wet zonder echter te moeten beschikken over een identificatiekaart.
Deze leden kunnen slechts de bevoegdheden uitoefenen zoals voorzien in de artikelen 102, 105, 110, 111, 112 en 115, 2° en volgens de in deze artikelen voorziene nadere regels.
Deze leden zijn ook onderworpen aan het verbod om fooien of andere beloningen van derden te bekomen voorzien in artikel 120. Art. 25.De natuurlijke of rechtspersoon die met de overheid een concessieovereenkomst afgesloten heeft voor de controle op betalend parkeren op de openbare weg, kan deze activiteit laten uitoefenen door de personeelsleden van haar eigen interne dienst, voor zover de burgemeester hiertoe, na het advies van de korpschef van de lokale politie, zijn toestemming heeft verleend.
Deze interne diensten zijn aan geen enkele verplichting onderworpen, voorzien in dit hoofdstuk voor de interne bewakingsdiensten.
De natuurlijke personen die door deze interne diensten worden ingezet voor de controle op het betalend parkeren, moeten voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 61, met uitzondering van de voorwaarden bedoeld in artikel 61, 4° en 7°. Zij voeren hun opdrachten uit conform de bepalingen van deze wet zonder echter te moeten beschikken over een identificatiekaart. Zij dienen echter in te gaan op elk verzoek om zich te identificeren. Art. 26.Omwille van dringende redenen en onvoorziene omstandigheden kan de minister van Binnenlandse Zaken beslissen dat een derde de door haar overgenomen activiteiten van een vergunde onderneming tijdelijk kan voortzetten gedurende de periode voorafgaand aan de notificatie van de beslissing betreffende haar vergunningsaanvraag.
De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan deze derde, evenals de personen die voor haar werkzaam zijn dienen te voldoen alsook de aanvraagprocedure en de uitoefeningswijze verbonden aan de in het eerste lid bedoelde beslissing.
Het recht om de overgedragen activiteiten uit te oefenen vervalt van rechtswege voor de vergunde onderneming die de activiteiten heeft overgedragen en dit vanaf de datum dat de in het eerste lid bedoelde beslissing haar ter kennis werd gebracht. Art. 27.In afwijking van artikel 42 moeten de ondernemingen voor alarmsystemen die zich beperken tot het aanbieden van diensten inzake interventie na alarm, zoals bedoeld in artikel 3, 2°, of inzake beheer van een alarmcentrale, zoals bedoeld in artikel 3, 4°, zonder deze activiteiten zelf uit te oefenen, niet beschikken over een vergunning als bewakingsonderneming.
In afwijking van artikel 42 en artikel 53 moeten de bewakingsondernemingen vergund voor de uitoefening van activiteiten inzake interventie na alarm, zoal bedoeld in artikel 3, 2°, of inzake beheer van een alarmcentrale, zoals bedoeld in artikel 3, 4°, die zich beperken tot het aanbieden van diensten zoals bedoeld in artikel 6, zonder deze activiteiten zelf uit te oefenen, niet beschikken over een vergunning als onderneming voor alarmsystemen.
De in dit artikel vermelde diensten maken het voorwerp uit van een schriftelijke overeenkomst tussen de aanbiedende onderneming en de opdrachtgever. Deze bevat, op straffe van nietigheid, de inlichtingen bepaald door de minister van Binnenlandse Zaken.
De nietigheid, bedoeld in het derde lid, kan alleen door de opdrachtgever worden ingeroepen. Art. 28.De minister van Binnenlandse Zaken trekt de vergunning in indien hij vaststelt dat de onderneming of interne dienst niet langer voldoet aan de vergunningsvoorwaarden, zoals voorzien in of krachtens de bepalingen bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk. Art. 29.De minister van Binnenlandse Zaken kan de vergunning, voor alle of voor sommige activiteiten, voor alle plaatsen waar die activiteiten worden uitgeoefend of sommigen ervan, intrekken wanneer de onderneming of de interne dienst de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten niet in acht neemt of activiteiten uitoefent die onverenigbaar zijn met de openbare orde of de inwendige of de uitwendige veiligheid van de Staat of wanneer gebreken werden vastgesteld in de controle die door de onderneming of interne dienst wordt uitgeoefend op de naleving van de bepalingen van deze wet door haar personeelsleden of de personen die voor haar rekening werken. Art. 30.De vergunning kan op verzoek van de houder ingetrokken worden. Art. 31.De Koning bepaalt de nadere regels en procedures betreffende het verlenen, het vernieuwen, het weigeren en het intrekken van vergunningen. Afdeling 2. - Vergunningsvoorwaarden
Art. 32.De vergunning wordt eerst verleend indien de aanvrager voldoet aan alle in of krachtens de bepalingen van deze wet bepaalde voorwaarden en aan de door de Koning vastgestelde minimumvereisten inzake personeel en organisatorische, technische en infrastructurele middelen waarover de onderneming of de interne dienst moet beschikken en de gedragsregels die ze dienen te respecteren. Art. 33.De onderneming of de interne dienst moet gedurende de gehele vergunningsperiode aan de vergunningsvoorwaarden voldoen. Art. 34.De onderneming moet opgericht zijn volgens de in het Belgisch recht geldende bepalingen of overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte. Art. 35.De exploitatiezetel van de onderneming moet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen zijn. Art. 36.De onderneming dient te voldoen aan haar verplichtingen ingevolge sociale en fiscale wetgeving.
Ze mag niet doorgehaald of geschrapt zijn in de Kruispuntbank voor Ondernemingen.
Ze mag zich niet in staat van faillissement bevinden. Art. 37.Indien de onderneming een rechtspersoon is, mag ze niet veroordeeld geweest zijn tot een correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7bis van het Strafwetboek.
Indien de onderneming een natuurlijke persoon is, dient hij te voldoen aan de persoonsvoorwaarden, bedoeld in de artikelen 61 tot en met 64. Art. 38.Een bewakingsonderneming of een interne bewakingsdienst dient te beschikken over een verzekering afgesloten bij een verzekeringsonderneming die erkend is of van erkenning ontslagen is krachtens de
wet van 13 maart 2016Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
sluiten4 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekerings-ondernemingen. Deze verzekering dekt de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe de uitoefening van de bewakingsactiviteiten, waarvoor de onderneming of de interne dienst vergund is, aanleiding kan geven.
De verzekering geeft aan de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar.
Geen enkele nietigheid, exceptie of verval van rechten kan door de verzekeraar aan de benadeelde worden tegengeworpen.
De verzekeraar kan zich evenwel een verhaalsrecht voorbehouden op de verzekerde.
De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de verzekering, inzonderheid wat betreft de omvang van de dekking, de gevallen en de wijze van aankondiging of mededeling van de verzekering. Art. 39.De bewakingsondernemingen en, indien zij geen exploitatiezetel hebben in België, de ondernemingen en de natuurlijke of rechtspersonen die een interne dienst organiseren, dienen te beschikken over een uitvoerbare bankwaarborg ten belope van een som van 12 500 euro als waarborg tot betaling van de retributies en administratieve geldboetes.
Deze bankwaarborg moet kunnen aangesproken worden door de Belgische overheid.
De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure tot het stellen van deze bankwaarborg, de wijze waarop de overheid beroep doet op deze bankwaarborg en de aanvulling ervan en de duur en de beëindiging ervan. Art. 40.De ondernemingen mogen onder de bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers, personen bevoegd om de onderneming of instelling te verbinden of personen die de controle uitvoeren over de onderneming of instelling in de zin van artikel 5 van het Wetboek van vennootschappen, geen natuurlijke personen of rechtspersonen hebben: 1° aan wie het uitoefenen van dergelijke functies verboden is krachtens het koninklijk besluit nr.22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen; 2° die de voorbije vijf jaar aansprakelijk zijn gesteld voor de verbintenissen of schulden van een gefailleerde vennootschap met toepassing van de artikelen 213, 229, 231, 265, 314, 315, 456, 4°, of 530 van het Wetboek van vennootschappen, of die door de rechtbank niet verschoonbaar zijn verklaard op basis van artikel 80 van de faillissements
wet van 8 augustus 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1997
pub.
28/10/1997
numac
1997009766
bron
ministerie van justitie
Faillissementswet
sluiten. Art. 41.Een onderneming kan, onverminderd de in deze afdeling bedoelde voorwaarden, enkel een vernieuwing van een vergunning verkrijgen: 1° indien ze vrij is van schulden ingevolge de toepassing van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten;2° indien ze vrij is van sociale of fiscale schulden hoger dan 2 500 euro die niet het voorwerp uitmaken van een afbetalingsplan dat nauwgezet wordt nageleefd;3° voor de activiteiten die zij werkelijk heeft uitgeoefend in de loop van de twee jaren voorafgaand aan de aanvraag van de vernieuwing van de vergunning. Afdeling 3. - Verplichtingen voor alle ondernemingen en interne
diensten Art. 42.Ondernemingen en interne diensten kunnen slechts de in deze wet voorziene activiteiten organiseren, of aanbieden of uitoefenen, waarvoor ze een vergunning hebben verkregen. Art. 43.Alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders, websites en andere stukken, al dan niet in elektronische vorm, die uitgaan van een onderneming of een interne dienst, moeten melding maken van de vergunning waarover de onderneming of de interne dienst beschikt. Art. 44.Onverminderd artikel 42 van de wet op het politieambt verrichten de personen die door een onderneming of interne dienst worden ingezet, hun activiteiten onder het uitsluitend gezag van het personeel belast met de werkelijke leiding van de onderneming of interne dienst. Art. 45.De onderneming of interne dienst en de personen die er de werkelijke leiding van hebben, nemen alle voorzorgsmaatregelen en verrichten de nodige controles opdat hun personeelsleden of de personen die voor hun rekening werken, in de uitoefening van hun functie, de wetten in het algemeen en deze wet en haar uitvoeringsbesluiten in het bijzonder zouden naleven. Art. 46.Behoudens datgene waar de wetgeving in voorziet, is het de ondernemingen en hun personeel verboden enig gegeven over hun opdrachtgever, of de personeelsleden of de bezoekers ervan mede te delen aan andere personen dan de opdrachtgever of over deze personen in de onderneming persoonsgegevens te verwerken. Art. 47.Behoudens datgene waar de wetgeving in voorziet, is het de interne diensten en hun personeel verboden, enig persoonsgegeven mede te delen aan andere personen dan deze die deel uitmaken van de natuurlijke of rechtspersoon die de interne dienst organiseert. Art. 48.De ondernemingen en interne diensten alsmede de personen die voor hun rekening werken, beantwoorden onverwijld elke vraag om inlichtingen betreffende hun activiteiten die uitgaat van de gerechtelijke en bestuurlijke overheden of van de met het toezicht op de uitvoering van deze wet belaste ambtenaren en agenten.
Onverminderd artikel 30 van het Wetboek van strafvordering en artikel 1, 3°, van de
wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
sluiten1 betreffende de voorlopige hechtenis, delen ze aan de gerechtelijke instanties telkens als deze erom verzoeken, onverwijld alle inlichtingen mede over misdrijven waarvan zij tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van hun activiteiten kennis krijgen. Art. 49.De personen die de werkelijke leiding hebben van de ondernemingen en interne diensten melden op de door de Koning bepaalde wijze, aan de administratie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, van zodra ze er kennis van krijgen, alle feiten die een wanbedrijf of een misdaad opleveren, begaan door de personen die een in deze wet bedoelde functie uitoefenen en die gepleegd zijn in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van hun functie. Art. 50.§ 1. Ondernemingen en interne diensten alsmede de personen die voor hun rekening werken mogen niet tussenkomen in een politiek of een arbeidsconflict.
Ze kunnen in deze omstandigheden bewakingsactiviteiten uitoefenen voor zover er geen contact is tussen de bewakingsagenten en personen die politieke of vakbondsactiviteiten uitoefenen. § 2. Het is de ondernemingen en interne diensten eveneens verboden toezicht te houden op politieke, filosofische, godsdienstige of vakbondsovertuigingen of op het lidmaatschap van een ziekenbond, en op de uiting van die overtuigingen of dat lidmaatschap, alsmede te dien einde gegevensbestanden aan te leggen of te voeden. Art. 51.De bewakingsonderneming sluit voorafgaand aan de eerste uitoefening van bewakingsactiviteiten, een schriftelijke overeenkomst af met de opdrachtgever.
De minister van Binnenlandse Zaken kan de bepalingen vaststellen die in de overeenkomst moeten worden opgenomen. Art. 52.De ondernemingen en interne diensten dienen de retributie en administratieve kosten te betalen, die hen worden aangerekend.
Deze betalingen dienen om de kosten voor administratie, controle en toezicht, nodig voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, te dekken. Afdeling 4. - Bijkomende verplichtingen voor bewakingsondernemingen en
interne bewakingsdiensten Art. 53.Bewakingsondernemingen kunnen geen andere opdrachten uitvoeren dan de bewakingsactiviteiten waarvoor ze vergund zijn. Ze kunnen evenwel: 1° vergund worden als onderneming, bedoeld in de artikelen 6, 7 en 12;2° diensten die niet aan een vergunning onderworpen zijn, aanbieden en uitoefenen voor zover ze verbandhouden met preventie en veiligheid in het algemeen of een correlatie vormen met de activiteiten waarvoor ze vergund zijn;3° privédetectives in dienst hebben, die ten behoeve van de bewakingsonderneming, activiteiten van privédetective uitoefenen, in overeenstemming met de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective;4° voor zover ze vergund zijn voor de uitoefening van de bewakingsactiviteit, bedoeld in artikel 3, 3°, d), de in en uitstroom opvolgen van de voorraad van geldbiljetten of munten die zich bij derden bevinden. Art. 54.De bewakingsondernemingen en de interne bewakingsdienstenmelden aan de FOD Binnenlandse Zaken: 1° voor de eerste ingebruikname van een exploitatiezetel, de door de Koning bepaalde informatie;2° voor de eerste uitoefening van de door de Koning bepaalde bewakingsactiviteiten, de door de Koning bepaalde informatie. De Koning bepaalt de instanties die door de administratie op de hoogte moeten worden gebracht van de in het eerste lid bedoelde meldingen.
Hij bepaalt de nadere procedure nodig voor de uitvoering van deze bepaling. Art. 55.Bewakingsopdrachten kunnen niet worden uitbesteed, noch in onderaanneming worden aanvaard of uitgevoerd, behalve indien: 1° zowel de hoofdaannemer als de onderaannemer vergund zijn voor het uitoefenen van deze activiteiten en er tussen hen per opdracht een schriftelijke overeenkomst is afgesloten;2° er voorafgaand aan de eerste uitvoering van een activiteit een schriftelijke overeenkomst is afgesloten tussen de hoofdaannemer en de opdrachtgever die de naam van de onderaannemer, zijn contactgegevens en de periode, de tijdstippen en de plaatsen waar hij de activiteiten zal uitvoeren, bepaalt. De hoofdaannemer neemt in elk geval alle voorzorgsmaatregelen en verricht de nodige controles opdat de onderaannemer en de personen die voor zijn rekening werken de wetten in het algemeen en deze wet en haar uitvoeringsbesluiten in het bijzonder naleven, en hetgeen wat met de opdrachtgever is overeengekomen op een correcte wijze uitvoeren. Art. 56.De Koning kan de bijzondere technische normen vaststellen waaraan de voertuigen, waarvan de bewakingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten gebruik willen maken voor het uitoefenen van hun bewakingsactiviteiten, moeten voldoen. Art. 57.De voertuigen in gebruik bij bewakingsondernemingen of interne bewakingsdiensten mogen geen aanleiding geven tot verwarring met de voertuigen die gebruikt worden door de openbare macht. Afdeling 5. - Bijkomende verplichtingen voorondernemingen voor
veiligheidsadvies Art. 58.Ondernemingen voor veiligheidsadvies nemen bij het verstrekken van een advies neutraliteit in acht ten opzichte van de aanbeveling van diensten en producten, waarop de opdrachtgever ingevolge hun advies, beroep kan doen.
Het is hen verboden producten of diensten aan te bieden die behoren tot de domeinen waarover ze veiligheidsadvies verstrekken. Art. 59.De ondernemingen voor veiligheidsadvies kunnen niet tegelijkertijd activiteiten uitoefenen van een onderneming zoals bedoeld in de artikelen 4, 6, 7 en 12. HOOFDSTUK 4. - Personen Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Art. 60.Dit hoofdstuk is van toepassing op: 1° de personen die de werkelijke leiding hebben ineen onderneming of een interne dienst;2° de personen die zonder de werkelijke leiding te hebben in een onderneming, hetzij zitting hebben in de raad van bestuur van een onderneming, hetzij de controle uitvoeren over een onderneming in de zin van artikel 5 van het Wetboek van vennootschappen;3° de personen belast met het uitoefenen van de activiteiten behorend tot het toepassingsgebied van deze wet, bedoeld onder hoofdstuk 2, afdeling 2;4° de personen, belast met de commerciële relaties met de klanten van een onderneming;5° de lesgevers en cursuscoördinatoren van opleidingsinstellingen;6° de personen die voor een bewakingsonderneming of een interne bewakingsdienst een andere functie uitoefenen dan deze die in dit artikel, onder 1° tot en met 5°, beoogd worden. Afdeling 2. - Persoonsvoorwaarden
Art. 61.De personen, bedoeld in artikel 60, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer;2° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaten hun hoofdverblijfplaats hebben in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat;3° niet tegelijkertijd lid zijn van een politiedienst of een inlichtingendienst, noch een functie hebben in een penitentiaire instelling, noch activiteiten uitoefenen van privédetective, van wapen- of munitiefabrikant of -handelaar of enige andere werkzaamheid uitoefenen die, doordat ze wordt uitgeoefend door dezelfde persoon die ook een functie uitoefent in de sector van de private of bijzondere veiligheid, een gevaar kan opleveren voorde in- of uitwendige veiligheid van de Staat of voor de openbare orde;4° voldoen aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden inzake beroepsopleiding en beroepservaring;5° minstens achttien jaar oud zijn;6° beantwoorden aan het profiel, zoals bedoeld in artikel 64;7° voldoen aan de voorwaarden inzake psychotechnisch onderzoek;8° niet geschrapt zijn uit het Rijksregister van natuurlijke personen zonder nieuw adres achter te laten;9° in de afgelopen drie jaar niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing waarbij werd vastgesteld dat zij aan de veiligheidsvoorwaarden, bedoeld onder 6°, niet voldeden;10° niet tegelijkertijd deel uitmaken van een onderneming of van een interne dienst, vergund voor de uitoefening van bewakingsactiviteit "bewaking uitgaansmilieu" en van een andere niet-geassocieerde onderneming of interne dienst die vergund is voor andere activiteiten;11° in de afgelopen drie jaar geen lid geweest zijn van de inlichtingendiensten of van die politiediensten waarbij het onmiddellijk erna uitoefenen van een functie in de private veiligheid een gevaar oplevert voor de Staat of voor de openbare orde. Art. 62.De in artikel 61, 2° en 4°, vermelde voorwaarden gelden niet voor de personen, bedoeld in artikel 60, 2° en 6°.
De in artikel 61, 4°, vermelde voorwaarde geldt niet voor personen, werkzaam voor ondernemingen voorveiligheidsadvies.
De in artikel 61, 3°, vermelde voorwaarde geldt niet voor leden van politiediensten die een functie uitoefenen van lesgever in een opleidingsinstelling, bedoeld in artikel 10.
De in artikel 61, 7°, vermelde voorwaarde geldt enkel voor bewakingsagenten en veiligheidsagenten.
De in artikel 61, 5°, vermelde voorwaarde geldt niet voor de personen, bedoeld in artikel 60, 6°.
De in artikel 61, 3°, vermelde onverenigbaarheid met de activiteit van privédetective geldt niet voor de personen, bedoeld in artikel 60, 6°, die, in overeenstemming met de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective, voor rekening van de onderneming of de interne dienst, uitsluitend interne onderzoeken van privédetective uitoefenen. Art. 63.Aan de in artikel 61, 6°, vermelde voorwaarde is voldaan indien, nadat is vastgesteld dat de betrokkene niet aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet, hetzij: 1° de gerechtelijke overheid de feiten, waarop de beslissing is gebaseerd niet bewezen heeft verklaard;2° de minister van Binnenlandse Zaken zijn beslissing, waarbij hij vaststelde dat betrokkene niet voldeed aan de veiligheidsvoorwaarden, heeft herzien omdat de belanghebbende nieuwe elementen heeft aangebracht waaruit blijkt dat de ten laste gelegde feiten waarop de beslissing is gebaseerd niet vaststaan. Art. 64.Het profiel van de personen, bedoeld in artikel 60, is gekenmerkt door: 1° respect voor de grondrechten en de rechten van de medeburgers;2° integriteit, loyaliteit en discretie;3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag van derden en het vermogen om zich daarbij te beheersen;4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu;5° respect voor de democratische waarden;6° de afwezigheid van risico voor de inwendige of uitwendige veiligheid van de Staat of voor de openbare orde. Afdeling 3. - Onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden
Art. 65.Het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden gebeurt op initiatief van de door de minister van Binnenlandse Zaken aangewezen ambtenaar. Art. 66.De door de minister van Binnenlandse Zaken aangewezen ambtenaar vraagt een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden aan nadat hij heeft vastgesteld dat betrokkene gekend is voor feiten of handelingen, die een tegenindicatie kunnen uitmaken van het profiel. Art. 67.Het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden wordt uitgevoerd, al naargelang het geval, door de personen bedoeld in de artikelen 208 en 212, tweede lid, of door een inlichtingen- en veiligheidsdienst volgens de artikelen19 en 20 van de
wet van 30 november 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
sluiten houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Art. 68.De persoon die het voorwerp uitmaakt van een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden, dient hiertoe voorafgaandelijk en eenmalig, via de onderneming of interne dienst, waarvoor hij de activiteiten uitoefent of zal uitoefenen, zijn instemming te hebben gegeven op een door de Koning te bepalen wijze. Art. 69.Indien de persoon weigert zijn instemming te geven, wordt hij geacht niet te voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden. Art. 70.De aard van de gegevens die kunnen worden onderzocht, heeft betrekking op inlichtingen van gerechtelijk of bestuurlijke politie, inlichtingen waarover de inlichtingen-en veiligheidsdiensten beschikken of inlichtingen aangaande de beroepsuitoefening. Het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden bestaat uit een analyse en een evaluatie van deze gegevens. Art. 71.Indien de ambtenaar, bedoeld in artikel 66, van oordeel is dat de betrokkene aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet, wordt het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden stopgezet.
In het andere geval, legt hij het dossier voor aan de minister van Binnenlandse Zaken die vaststelt of de persoon al dan niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden. Art. 72.De beslissing aangaande het resultaat van het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden, wordt per aangetekende brief ter kennis gebracht aan de persoon die er het voorwerp van uitmaakt. Art. 73.De kennisgeving van een negatieve beslissing herneemt de motieven die deze beslissing rechtvaardigen, met uitzondering van iedere inlichting waarvan de communicatie ervan schade zou kunnen toebrengen aan de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied en van de militaire defensieplannen, de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, de inwendige veiligheid van de Staat, met inbegrip van het domein van de kernenergie, en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land of elk ander fundamenteel belang van de Staat, de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland, de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat, de bescherming van de bronnen, aan het geheim van een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden. Art. 74.De onderneming of interne dienst kan omtrent een persoon die zij beoogt aan te werven, aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 66, vragen of hij in overweging neemt om een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden aan te vragen, en dit slechts nadat de betrokken persoon zijn instemming heeft verleend, overeenkomstig artikel 68. Art. 75.De Koning kan de nadere regels vaststellen die van toepassing zijn op de in deze afdeling bedoelde bepalingen. Afdeling 4. - Identificatiekaarten
Art. 76.De personen, bedoeld in artikel 60, 1°, 3°, 4° en 5°, moeten houder zijn van een identificatiekaart, afgeleverd door de minister van Binnenlandse Zaken.
De identificatiekaart heeft een geldigheidsduur van vijf jaar. Ze kan met gelijke termijnen vernieuwd worden.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, voor de identificatiekaart voor personen die activiteiten op bepaalde plaatsen of in bepaalde situaties uitoefenen, omwille van veiligheidsredenen, een kortere geldigheidsduur vaststellen.
In de gevallen bepaald door de Koning, kan de minister van Binnenlandse Zaken een niet vernieuwbare tijdelijke kaart afleveren, die geldig is voor een periode van zes maanden.
De onderneming of de interne dienst is er verantwoordelijk voor dat de personen, bedoeld in het eerste lid, die voor haar werkzaam zijn, over een identificatiekaart beschikken voorafgaand aan de uitoefening van enige activiteit. Art. 77.Een identificatiekaart wordt slechts afgeleverd nadat gebleken is dat de persoon voor wie ze werd aangevraagd aan alle voorwaarden, voorzien in en krachtens deze wet, voldoet voor de uitoefening van de activiteiten, waarvoor de identificatiekaart is aangevraagd. Art. 78.Indien de persoon, voor dewelke een identificatiekaart is aangevraagd, het voorwerp uitmaakt van een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden, zoals bedoeld in afdeling 3, neemt de minister van Binnenlandse Zaken slechts een beslissing tot afgifte of weigering van de identificatiekaart, nadat na afloop van dit onderzoek is vastgesteld dat de betrokkene al dan niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden, bedoeld in artikel 61, 6°.
Indien de persoon, voor dewelke een vernieuwing van een identificatiekaart is aangevraagd, het voorwerp uitmaakt van een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden, zoals bedoeld in afdeling 3, wordt, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voorzien in artikel 82, de identificatiekaart voorlopig vernieuwd, in afwachting van de definitieve beslissing na afloop van dit onderzoek. Art. 79.De houder van een identificatiekaart: 1° kan zijn activiteiten slechts uitoefenen als hij de identificatiekaart bij zich draagt;2° overhandigt de identificatiekaart bij elke vordering van leden van politiediensten of van de met het toezicht op de uitvoering van deze wet belaste ambtenaren en agenten;3° toont de identificatiekaart indien een persoon dit vraagt. Art. 80.Bewakingsagenten dragen bij de uitoefening van hun activiteiten de identificatiekaart duidelijk leesbaar. Art. 81.De Koning bepaalt het model, de modaliteiten van het gebruik en de procedure voor de aanvraag, de toekenning, de vernieuwing, de weigering, de geldigheidsduur, de intrekking en de teruggave van de identificatiekaarten. Afdeling 5. - Schorsingen en intrekkingen
Art. 82.De minister van Binnenlandse Zaken kan, overeenkomstig een door de Koning vastgestelde procedure, om redenen van openbare orde of veiligheid of omdat de betrokken persoon het voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek, het recht van een persoon om activiteiten zoals bedoeld in deze wet uit te oefenen, preventief schorsen. Art. 83.De minister van Binnenlandse Zaken kan slechts tot een preventieve schorsing beslissen nadat aangaande de betrokken persoon een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel 66, is aangevraagd. Art. 84.De preventieve schorsing eindigt op het ogenblik dat een beslissing wordt genomen betreffende de intrekking of het behoud van het recht van de persoon om de in deze wet bedoelde activiteiten uit te oefenen. Art. 85.De minister van Binnenlandse Zaken trekt de identificatiekaart in indien de houder ervan niet langer voldoetaan de voorwaarden, zoals voorzien in de bepalingen opgenomen in afdeling 2. Art. 86.De minister van Binnenlandse Zaken kan overeenkomstig en door de Koning te bepalen procedure het recht van de persoon om activiteiten zoals bedoeld inde wet uit te oefenen voor alle activiteiten of voor een gedeelte ervan, voor alle plaatsen waar die activiteiten worden uitgeoefend of voor sommige ervan, intrekken, wanneer een persoon de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten niet in acht neemt of opdrachten uitvoert die onverenigbaar zijn met de openbare orde of de veiligheid van de Staat. Art. 87.De identificatiekaart waarvan de houder geschorst is, wordt gedurende de schorsingsperiode door de FOD Binnenlandse Zaken ingehouden. De FOD Binnenlandse Zaken vernietigt de kaart wanneer aan de houder het recht om zijn activiteiten nog langer uit te oefenen werd ingetrokken. Afdeling 6. - Discretieplicht
Art. 88.Onverminderd de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 48 en 49, onthouden de personen, bedoeld in artikel 60, zich van elke mededeling of verspreiding van informatie, die voor de uitoefening van hun activiteiten niet noodzakelijk is en die de veiligheid van hun collega's of de personen en de plaatsen waar ze hun opdracht uitvoeren of de efficiëntie van de daarbij aangewende middelen of procedures, in het gedrang kunnen brengen. HOOFDSTUK 5. - Bevoegdheden, verplichtingen, procedures en middelen Afdeling 1. - Middelen en procedures
Art. 89.De Koning kan de middelen, methodes en procedures, die de ondernemingen, de interne diensten en hun personeelsleden kunnen of moeten aanwende bij het uitoefenen van hun opdrachten bepalen of nader regelen. Art. 90.De Koning kan aan de opdrachtgever van de dienstverlening van ondernemingen, maatregelen opleggen teneinde een maximale veiligheid te garanderen en het toezicht op de naleving van de bepalingen in of krachtens deze wet mogelijk te maken. Art. 91.In dringende gevallen of in geval van ernstige en onmiddellijke bedreiging van de openbare orde, kan de minister van Binnenlandse Zaken, in het belang van de openbare orde, op de openbare weg en in voor het publiek toegankelijke plaatsen, de uitoefening van bepaalde opdrachten of het gebruik van bepaalde middelen of methodes verbieden of aanvullende veiligheidsmaatregelen opleggen. Art. 92.Bewakingsactiviteiten worden ongewapend uitgeoefend.
In afwijking van het eerste lid kunnen de bewakingsactiviteiten bedoeld in de artikelen 101 en 139 gewapend worden uitgeoefend, op voorwaarde dat de betrokkenbewakingsonderneming of interne bewakingsdienst voorafgaandelijk een bijzondere toestemming verkrijgt met het oog op het uitvoeren van gewapende bewakingsactiviteiten, afgeleverd door de minister van Binnenlandse Zaken.
De bijzondere toestemming, bedoeld in het tweede lid, kan enkel worden gegeven voor zover dit noodzakelijk is doordat andere middelen of methodes het bijzondere risico waaraan de bewakingsagenten zelf of de personen die zij beschermen, worden blootgesteld, op een onvoldoende wijze kunnen voorkomen of verhinderen. Art. 93.In afwijking van hetgeen voorzien is in de wapenwet, worden de vergunningen tot het voorhanden hebben van wapens uit hoofde van de ondernemingen en de interne diensten en tot het dragen van wapens uit hoofde van de personen bedoeld in deze wet, in het kader van deze wet verleend, beperkt, geschorst of ingetrokken door de minister van Binnenlandse Zaken.
Buiten de uitoefening van de gewapende opdrachten, worden de vuurwapens in een wapenkamer bewaard onder de verantwoordelijkheid van een daartoe aangesteld personeelslid.
In een register wordt voor elk vuurwapen vermeld welk personeelslid op een bepaald ogenblik voor welke opdracht over het desbetreffende wapen beschikte.
De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de procedures en voorwaarden tot het bekomen van een bijzondere toestemming voor het uitvoeren van gewapende bewakingsactiviteiten, de bezitsvergunning, de wapendrachtvergunning, de bewaring, het vervoer, de gebruiksvoorwaarden en de registratie van wapens. Hij kan beperkingen opleggen met betrekking tot het aantal en het soort wapens. Afdeling 2. - Generieke bevoegdheden en verplichtingen bij de
uitoefening van bewakingsactiviteiten Art. 94.De bepalingen opgenomen in deze afdeling gelden bij de uitoefening van bewakingsactiviteiten, ongeacht de omstandigheden waarin ze worden uitgeoefend. Art. 95.Bewakingsagenten dragen bij de uitoefening van bewakingsactiviteiten een uniform.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet bij de uitoefening van de bewakingsactiviteiten winkelinspectie, beheer van een alarmcentrale, beheer van een geldtelcentrum, en bescherming van personen en in de gevallen bepaald door de minister van Binnenlandse Zaken.
De werkkleding is voorzien van een embleem.
De minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de nadere regels betreffende de vereisten, het model en het gebruik van dit uniform en het embleem.
Het uniform mag geen aanleiding geven tot verwarring met die welke agenten van de openbare macht dragen. Art. 96.De personen die de werkelijke leiding hebben, kiezen bij het aanwenden van middelen en het uitoefenen van bevoegdheden voor wat op het vlak van veiligheid toereikend en ter zake dienend is zonder dat dit overmatig is ten opzichte van de persoonlijke levenssfeer van de personen en zonder dat het verder gaat dan wat overeengekomen is met de opdrachtgever en met de uitbaters die actief zijn op de bewaakte plaats. Art. 97.Bewakingsagenten kunnen geen andere handelingen stellen dan deze die voortvloeien uit de rechten waarover iedere persoon beschikt, alsmede de bevoegdheden die uitdrukkelijk voorzien zijn in deze wet of haar uitvoeringsbesluiten.
Ze kunnen de bevoegdheden die ze uitoefenen en de middelen die ze aanwenden enkel uitoefenen voor veiligheidsdoeleinden. Art. 98.Buiten de gevallen waarin de wet voorziet, kunnen bewakingsagenten geen enkele vorm van dwang of geweld uitoefenen.
Ze kunnen niemand dwingen bewakingsmaatregelen te ondergaan, dan in de gevallen en op de wijze voorzien in de wet. Art. 99.De bewakingsagenten verlenen bij de uitoefening van hun functie bijstand aan personen in gevaar. Art. 100.De Koning kan de bewakingsactiviteiten bepalen die, omwille van het veiligheidsrisico, alleen kunnen uitgeoefend worden indien de bewakingsagent permanent wordt opgevolgd door een onderneming of dienst die, op de door de Koning bepaalde wijze, noodoproepen ontvangt, verwerkt en bijstand verleent.
De bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst waartoe de bewakingsagent behoort, is ervoor verantwoordelijk dat deze permanente opvolging wordt voorzien. Art. 101.Het dragen van een wapen is slechts mogelijk bij de uitoefening van de bewakingsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° en 2°, voor zover ze plaatsvinden op plaatsenwaar er geen andere personen geacht worden aanwezig te zijn dan bewakingsagenten, en bij de uitoefening van de activiteiten bedoeld in artikel 3, 3° en 5°.
Bewakingsagenten kunnen slechts wapens dragen voor zover dit noodzakelijk is doordat and …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.