← België

Decreet tot wijziging van de geldende bepalingen inzake verlof en tot inrichting van de moederschapsbescherming (2)

Kort samengevat

Dit decreet wijzigt de bestaande regels voor verlof en introduceert bepalingen voor moederschapsbescherming voor personeelsleden in het onderwijs en aanverwante diensten. Het regelt verschillende soorten verlof, zoals omstandigheidsverlof, verlof wegens persoonlijke aangelegenheden, verlof voor adoptie en pleegvoogdij, en moederschapsrust.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
8 MEI 2003. - Decreet tot wijziging van de geldende bepalingen inzake verlof en tot inrichting van de moederschapsbescherming (1) (2) De Raad van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen wat volgt : TITEL I. - Inspectie, het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het psychologisch personeel, het sociaal personeel en het paramedisch personeel HOOFDSTUK I. - Omstandigheidsverlof en verlof wegens persoonlijke aangelegenheden Artikel 1.Artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 april 1977 en bij het besluit van de Regering van 8 mei 1998, wordt door de volgende bepaling vervangen : « Artikel 5.De in voornoemd koninklijk besluit van 22 maart 1969 bedoelde vastbenoemde en tijdelijke personeelsleden in dienstactiviteit krijgen een uitzonderlijk verlof binnen de volgende perken : a) voor het huwelijk van het personeelslid : vier werkdagen;b) voor de bevalling van de echtgenote of van de persoon met wie het personeelslid op het tijdstip van de gebeurtenis samenleeft : tien werkdagen;c) voor het overlijden van de echtgenoot, van de persoon met wie het personeelslid samenleefde, van een bloed- of aanverwant in de 1ste graad van het personeelslid of van de persoon met wie hij samenleeft : vier werkdagen;d) voor het huwelijk van een kind van het personeelslid, van het kind van de echtgenoot van het personeelslid of van een kind van de persoon met wie hij samenleeft : twee werkdagen;e) voor het overlijden van een bloed- of aanverwant in enig welke graad, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid : twee werkdagen; Onder dezelfde voorwaarden wordt dit verlof eveneens verleend bij het overlijden van een bloedverwant van de persoon met wie het personeelslid samenleeft. f) voor het overlijden van een bloed- of aanverwant in de 2de graad of 3de graad, die niet onder hetzelfde dak woont als het personeelslid : één werkdag; Onder dezelfde voorwaarden wordt dit verlof eveneens verleend bij het overlijden van een bloed- of aanverwant van de persoon met wie het personeelslid samenleeft. Die uitzonderlijke verloven worden bezoldigd en gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. De voornoemde verloven moeten door het personeelslid genomen worden binnen de zeven kalenderdagen voor of na de gebeurtenis waarvoor het verlof hem verleend wordt. Ze kunnen gesplitst worden. In afwijking van vorig lid, moet het in punt b) vernoemd verlof door het personeelslid genomen worden binnen de twintig kalenderdagen voor of na de gebeurtenis waarvoor het verlof hem verleend wordt. Het kan gesplitst worden. Voor de toepassing van dit artikel moet men onder « werkdagen » schooldagen verstaan. » Art. 2.Artikel 5bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 15 april 1977, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 5bis.Behalve de verlofdagen bedoeld in artikel 5, kunnen de in voornoemd koninklijk besluit van 22 maart 1969 bedoelde vastbenoemde en tijdelijke personeelsleden in dienstactiviteit, uitzonderlijke verlofdagen krijgen wegens overmacht, die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval overkomen aan de volgende, met het personeelslid onder hetzelfde dak wonende personen : de echtgenoot, de persoon met wie hij samenleeft, een bloed- of aanverwant, bloedverwant van de persoon met wie het personeelslid samenleeft, een persoon opgenomen met het oog op zijn adoptie of met het oog op de uitoefening van een pleegvoogdij. De noodzaak van de aanwezigheid van het personeelslid bij de in het vorig lid bedoeld persoon wordt bewezen aan de hand van een dokterattest. De duur van deze verloven is tot vier werkdagen per kalenderjaar beperkt. Deze duur kan evenwel tot acht dagen gaan wanneer een ziekte of een ongeval het kind van het personeelslid of van de persoon met wie hij samenleeft aangaat en wanneer dat kind nog geen twaalf jaar oud is. In het geval het personeelslid getrouwd zou zijn of met iemand samen zou leven, wordt door de werkgever een attest geleverd dat bewijst dat de echtgenoot of de persoon met wie het personeelslid samenleeft effectief alle uitzonderlijke verlofdagen gebruikt heeft waarover hij in voorkomend geval kan beschikken; deze worden bezoldigd en gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. De voornoemde verlofdagen kunnen gesplitst worden. Het in het tweede lid bedoeld attest zal voor elke aanvraag om verlofdagen geëist worden. Voor de toepassing van dit artikel moet onder « werkdagen » schooldagen verstaan worden. » Art. 3.In artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 januari 1988 en bij het besluit van de Regering van 10 juni 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt a wordt als volgt aangevuld : « wanneer twee of meerdere verlofperiodes om dwingende familiale redenen slechts door zaterdagen, zondagen of feestdagen gescheiden zijn, bedraagt de totale duur van het toegekend verlof zaterdagen, zondagen en feestdagen;»; 2° artikel 9 wordt met het volgend lid aangevuld : « Het in punt a bedoeld verlof wordt eveneens verleend aan de tijdelijke personeelsleden in dienstactiviteit.» HOOFDSTUK II. - Verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij Art. 4.Artikel 13bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 15 april 1977 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 november en 15 december 1986, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 13bis.De in voornoemd koninklijk besluit van 22 maart 1969 bedoelde vastbenoemde en tijdelijke personeelsleden, in dienstactiviteit, kunnen verlof krijgen voor opvang met het oog op de adoptie van een kind dat nog geen twaalf jaar oud is. De maximale duur van dat verlof wordt vastgesteld op zes weken. De maximale duur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind mindervalide is en aan de voorwaarden voldoet om kinderbijslag te genieten overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kindertoeslagen voor de loonarbeiders of overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen. Het opvangverlof wordt toegekend aan het personeelslid dat het aanvraagt; indien hij gehuwd is en de echtgenoten hetzij personeelslid zijn van het georganiseerd onderwijs of van het onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, hetzij lid zijn van dat personeel en lid van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, kan het verlof, op de aanvraag van de adoptanten, onder hen verdeeld worden. Indien slechts één van de echtgenoten adopteert, kan enkel hij het verlof genieten. Dat verlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Voor de toepassing van dit artikel worden pleegvoogdij en adoptie gelijkgesteld. » Art. 5.In hetzelfde besluit wordt een artikel 13ter ingevoegd, als volgt opgesteld : « Artikel 13ter.Het opvangverlof begint op de datum waarop het kind effectief in het tehuis opgevangen wordt. Het bewijs moet blijken uit een getuigschrift van domiciliëring, opgesteld door het gemeentebestuur. In afwijking van lid 1, begint het opvangverlof op de dag waarop het personeelslid naar het buitenland vertrekt, op voorwaarde dat de adoptie gebeurt bij de terugkeer naar België. Indien er evenwel blijkt dat bij de terugkeer geen adoptie gebeurd is, wordt deze verlofperiode omgezet in een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden. Het verlof kan in geen geval de duur van de terbeschikkingstelling voor persoonlijke aangelegenheden die het vastbenoemd personeelslid kan aanvragen, overschrijden krachtens de reglementaire bepalingen die op hem van toepassing zijn. Deze terbeschikkingstelling loopt alleszins ten einde bij het verstrijken van de periode waarvoor het opvangverlof aangevraagd was. Voor het in artikel 13bis bedoeld tijdelijk personeelslid, indien blijkt bij de terugkeer dat er geen adoptie gebeurd is, wordt de verlofperiode beschouwd als een schorsing van aanstelling. Als een vaste benoeming tijdens het opvangverlof gebeurt, wordt die behouden. Het personeelslid wordt dan onderworpen aan de bepalingen van het vorig lid. » HOOFDSTUK III. - Moederschapsrust Art. 6.In hetzelfde besluit wordt in de plaats van hoofdstuk XIII met de artikelen 51 tot 56, een nieuw hoofdstuk XIII ingevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk XIII - Moederschapsrust Artikel 51.Het vrouwelijk vastbenoemd en tijdelijk personeelslid, in dienstactiviteit, geniet de moederschapsrust bepaald in artikel 39 van de arbeids wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten. Onverminderd lid 3 van dit artikel wordt de moederschapsrust gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. De periodes van afwezigheid wegens ziekte of gebrekkigheid gedurende de zes of acht weken in geval van meervoudige geboorte, voor de zevende dag die aan de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat, worden als ze niet gevolgd worden door de hervatting van een ambt gedurende die periode, voor het bepalen van de administratieve stand van de betrokkene in moederschapsrust omgezet. De bezoldiging die verschuldigd is voor de periode gedurende welke de betrokkene moederschapsrust geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of zeventien weken in geval van meervoudige geboorte. Lid 4 van dit artikel is niet van toepassing op de tijdelijke vrouwelijke personeelsleden. Art. 52.Wanneer het vrouwelijk personeelslid het zwangerschapsverlof heeft opgedaan en de bevalling na de voorspelde datum komt, wordt het zwangerschapsverlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Gedurende die periode bevindt het vrouwelijk personeelslid zich in moederschapsrust. In afwijking van artikel 51, lid 4, is de bezoldiging verschuldigd behalve voor de leden van het tijdelijk personeel. Art. 53.Tijdens een periode van zwangerschap of borstvoeding, kan het vrouwelijk personeelslid geen bijkomend werk verrichten. Als bijkomend werk wordt beschouwd, voor de toepassing van dit artikel, elk werk dat uitgevoerd wordt buiten de prestaties van het personeelslid voor de zwangerschap of de borstvoeding. In afwijking van vorig lid, wordt het feit zijn urenlast aan te vullen niet beschouwd als bijkomend werk. Art. 54.Het vrouwelijk personeelslid dat in dienstactiviteit is, verkrijgt op zijn aanvraag het nodig verlof om zich naar de zwangerschapsonderzoeken te begeven en die te ondergaan als die niet buiten de diensturen kunnen plaatsnemen. De aanvraag van het personeelslid moet samengaan met een nuttig bewijs. Het verlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 55.Artikel 51 is niet van toepassing bij een miskraam die voor de 181ste zwangerschapsdag voorkomt. Art. 56.§ 1. Als tussen de datum van de bevalling en het einde van de moederschapsrust de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de vader van het kind op zijn aanvraag een vaderschapsverlof met het oog op de opvang van het kind. In het geval de moeder zou overlijden, zou de duur van het vaderschapsverlof maximaal gelijk zijn aan de duur van de moederschapsrust die door de moeder nog niet is opgedaan. Het personeelslid dat de vader van het kind is en dat een vaderschapsverlof wil genieten, informeert de Regering schriftelijk ervan binnen de zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. Dat geschreven stuk vermeldt de datum van het begin van het vaderschapsverlof en zijn vermoedelijke duur. Een uittreksel van de overlijdensakte van de moeder wordt zo vlug mogelijk ingediend. In het geval de moeder in het ziekenhuis zou opgenomen zijn, kan het personeelslid dat de vader van het kind is het vaderschapsverlof genieten in de volgende gevallen : 1° het pasgeboren kind moet van het ziekenhuis ontslaan zijn;2° de ziekenhuisopname van de moeder moet meer dan zeven dagen duren. Het vaderschapsverlof kan niet voor de zevende dag beginnen volgend op de dag van de geboorte van het kind en eindigt op het moment waarop de ziekenhuisopname van de moeder beëindigt en ten laatste op het einde van het deel van de moederschapsrust dat door moeder nog niet is opgedaan. § 2. Het personeelslid dat de vader van het kind is en dat het vaderschapsverlof wil genieten, brengt de Regering ervan schriftelijk op de hoogte binnen de zeven dagen vanaf de ziekenhuisopname van de moeder. Dat geschreven stuk vermeldt de datum van het begin van het vaderschapsverlof en de vermoedelijke duur ervan. De aanvraag om verlof gaat samen met een getuigschrift van de duur van de ziekenhuisopname van de moeder boven de zeven dagen die volgen op de datum van bevalling en de datum waarop het pasgeboren kind uit het ziekenhuis is ontslaan. Het vaderschapsverlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. In afwijking van vorig lid wordt het tijdelijk personeelslid niet bezoldigd. Art. 7.In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk XIV ingevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk XIV. Pauzes voor borstvoeding Art. 57.Dit hoofdstuk is van toepassing op de leden van het vastbenoemd en tijdelijk vrouwelijk personeel, in dienstactiviteit, bedoeld in voornoemd koninklijk besluit van 22 maart 1969. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de pauzes voor borstvoeding gelijkgesteld met verloven. Art. 58.Het vrouwelijk personeelslid heeft, volgens de bij de artikelen 61 tot 67 van dit besluit bedoelde bepalingen, het recht pauzes te krijgen om haar kind met moedermelk te voeden of haar melk af te kolven. Art. 59.Om te zogen of af te kolven gebruikt het personeelslid een discrete plaats, goed verlucht, goed verlicht, proper en gunstig verwarmd, die in uitvoering van artikel 88, lid 5, van het algemeen reglement voor de bescherming van het werk en het welzijn op het werk, door het hoofd van de instelling ter beschikking gesteld wordt opdat ze de mogelijkheid zou hebben al liggend te rusten in gunstige omstandigheden. In afwijking van vorig lid kunnen het personeelslid en het hoofd van de instelling een andere plaats verkiezen waar het personeelslid zoogt of afkolft. Art. 60.De pauze om te zogen bedraagt een half uur. Het personeelslid waarvan de prestaties 4 uur of meer bedragen gedurende een werkdag, heeft recht op een pauze op die dag. Het personeelslid waarvan de prestaties minstens 7 uur 30 bedragen gedurende een werkdag, heeft recht op twee pauzes op die dag. De duur van de in het 2de en 3de lid van dit artikel bedoelde pauze(s) is inbegrepen in de duur van de prestaties van de werkdag. Art. 61.De totale duur gedurende welke het personeelslid het recht heeft pauzes te nemen om te zogen, bedraagt twaalf maanden vanaf de geboorte van het kind. Art. 62.In uitzonderlijke omstandigheden gebonden met de gezondheidstoestand van het kind bewezen door een medisch getuigschrift kan de totale duur gedurende welke een personeelslid het recht heeft pauzes te nemen om te zogen maximaal met twee maanden verlengd worden. Art. 63.Het (de) tijdstip(pen) van de dag waarop het personeelslid een pauze(s) kan nemen om te zogen is(zijn) te bepalen door hem en het hoofd van de instelling. Art. 64.Het personeelslid dat pauzes wenst te krijgen om te zogen, brengt het hoofd van de instelling twee maanden op voorhand ervan op de hoogte. De termijn van twee maanden kan in overleg verminderd worden. De mededeling van de waarschuwing gebeurt per aangetekende brief of door een geschreven stuk in te dienen dat de handtekening van het hoofd van de instelling draagt. Art. 65.Het recht op pauzes om te zogen wordt toegekend mits een bewijs dat het personeelslid de borst geeft. Het bewijs van borstvoeding wordt ingediend vanaf het begin van de uitoefening van het recht op pauzes om te zogen, naar keuze van het personeelslid, door een medisch getuigschrift van een consultatiecentrum voor zuigelingen of door een medisch getuigschrift. Een attest of een medisch getuigschrift moet daarna door het personeelslid elke maand ingediend worden op de datum waarop het recht op een pauze(s) om te zogen voor het eerst werd uitgeoefend. » Art. 7.Hoofdstuk XIII met de artikelen 53, 54, 55 en 56 van hetzelfde besluit wordt hoofdstuk XV met de artikelen 66, 67, 68 en 69. Art. 8.Artikel 16, § 3, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, gewijzigd bij het koninklijk besluit van de Regering van 16 september 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 3. Voor de toepassing van dit artikel en in afwijking van § 2, wordt het tijdelijk aangesteld vrouwelijk personeelslid geacht effectief in dienstactiviteit te zijn gedurende de hele periode van moederschapsrust voor zover deze dagen gelegen zijn in de periode van aanstelling. » HOOFDSTUK V. - Ouderschapsverlof Art. 9.Het opschrift van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 januari 1992 betreffende het ouderschapsverlof en het verlof om dwingende familiale redenen toegestaan aan personeelsleden van de onderwijsinrichtingen van de Gemeenschap, wordt als volgt gewijzigd : « Besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 januari 1992 betreffende het ouderschapsverlof toegestaan aan sommige personeelsleden van de onderwijsinrichtingen van de Gemeenschap. » Art. 10.In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de woorden « verlof toegestaan worden binnen de 12 maanden volgend op de geboortedatum van het kind waarvan het vader of moeder is » vervangen door de woorden « verlof toegestaan worden genomen vooraleer het kind waarvan het vader of moeder is of dat het geadopteerd heeft twaalf jaar bereikt heeft ». Art. 11.In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de woorden « verlof toegestaan worden binnen het jaar volgend op de geboortedatum van het kind waarvan het vader of moeder is » vervangen door de woorden « verlof toegestaan genomen vooraleer het kind waarvan het vader of moeder is of dat het geadopteerd heeft twaalf jaar bereikt heeft ». Art. 12.Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 6.Zijn maximale duur bedraagt drie maanden na de geboorte of de adoptie van het kind. Het wordt genomen met volle dagen en per periodes van een minimale duur van één maand. » TITEL II. - Leermeesters, leraars en inspecteurs katholieke en protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst der inrichtingen van de Franse Gemeenschap HOOFDSTUK I. - Omstandigheidsverlof en verlof wegens persoonlijke aangelegenheden Art. 13.In artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen ter uitvoering van artikel 40 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de inrichtingen van de Franse Gemeenschap, worden de woorden « en de hoofdstukken XIII en XIV » ingevoegd tussen de woorden « van de hoofdstukken II tot X » en de woorden « van het koninklijk besluit van 15 januari 1974. » HOOFDSTUK II. - Ouderschapsverlof Art. 14.Het opschrift van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 1993 betreffende het ouderschapsverlof en het verlof om dwingende familiale redenen toegestaan aan personeelsleden die onderworpen zijn aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdiensten van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap wordt als volgt gewijzigd : « Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 1993 betreffende het ouderschapsverlof toegestaan aan personeelsleden die onderworpen zijn aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdiensten van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap. » Art. 15.In artikel 2 van hetzelfde besluit worden de woorden « verlof bekomen binnen de twaalf maanden volgend op de datum van de geboorte van het kind wiens vader of moeder hij/zij is » vervangen door de volgende woorden « verlof bekomen dat genomen wordt vooraleer het kind wiens vader of moeder hij/zij is of dat hij geadopteerd heeft de leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft ». Art. 16.In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de woorden « verlof bekomen in de loop van het jaar volgend op de datum van de geboorte van het kind wiens vader of moeder hij/zij is » vervangen door de volgende woorden « verlof bekomen dat genomen wordt vooraleer het kind wiens vader of moeder hij/zij is of dat hij geadopteerd heeft de leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft ». Art. 17.Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt door de volgende bepaling vervangen : « Artikel 5.Zijn duur bedraagt maximaal drie maanden na de geboorte of de adoptie van een kind. Het verlof wordt per volle dagen genomen en per periodes van een minimale duur van één maand. » TITEL III. - Technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap Art. 18.Een hoofdstuk XVII, luidend als volgt, wordt ingevoegd in het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de vakantie- en verlofregeling van het stagedoend en vastbenoemd technisch personeel van de rijks-psycho-medisch-sociale centra, de rijksvormingscentra en de inspectiediensten : « Hoofdstuk XVII. Toepassing van dit besluit op de leden van het tijdelijk technisch personeel in dienstactiviteit. Artikel 62.Dit besluit is van toepassing op de leden van het tijdelijk personeel in dienstactiviteit met uitzondering van hoofdstuk I, artikel 2; hoofdstuk II, artikelen 9, b), 9, c), 10, 11 en 12; hoofdstuk V; hoofdstuk VI; hoofdstuk VII; hoofdstuk IX; hoofdstuk XII en hoofdstuk XIV. Voor de toepassing van hoofdstuk XV van voornoemd koninklijk besluit worden de leden van het vrouwelijk tijdelijk personeel niet bezoldigd. » HOOFDSTUK I. - Omstandigheidsverlof en verlof wegens persoonlijke aangelegenheden Art. 19.Artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 4.De in het eerste lid bedoelde personeelsleden in dienstactiviteit krijgen een uitzonderlijk verlof binnen de volgende perken : a) voor het huwelijk van het personeelslid : vier werkdagen;b) voor de bevalling van de echtgenote of van de persoon met wie het personeelslid op het tijdstip van de gebeurtenis samenleeft : tien werkdagen;c) voor het overlijden van de echtgenoot, van de persoon met wie het personeelslid samenleefde, van een bloed- of aanverwant in de 1ste graad van het personeelslid of van de persoon met wie hij samenleeft : vier werkdagen;d) voor het huwelijk van een kind van het personeelslid, van het kind van de echtgenoot van het personeelslid of van een kind van de persoon met wie hij samenleeft : twee werkdagen;e) voor het overlijden van een bloed- of aanverwant in enig welke graad, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid : twee werkdagen; Onder dezelfde voorwaarden wordt dit verlof eveneens verleend bij het overlijden van een bloedverwant van de persoon met wie het personeelslid samenleeft. f) voor het overlijden van een bloed- of aanverwant in de 2de graad of 3de graad, die niet onder hetzelfde dak woont als het personeelslid : een werkdag; Onder dezelfde voorwaarden wordt dit verlof eveneens verleend bij het overlijden van een bloed- of aanverwant van de persoon met wie het personeelslid samenleeft. Die uitzonderlijke verloven worden bezoldigd en gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. De voornoemde verloven moeten door het personeelslid genomen worden binnen de zeven kalenderdagen voor of na de gebeurtenis waarvoor het verlof hem verleend wordt. Ze kunnen gesplitst worden. In afwijking van het vorig lid, moet het in b) vernoemd verlof door het personeelslid genomen worden binnen de twintig kalenderdagen voor of na de gebeurtenis waarvoor het verlof hem verleend wordt. Het kan gesplitst worden. Voor de toepassing van dit artikel moet men onder « werkdagen » werkingsdagen verstaan. » Art. 20.Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt door de volgende bepaling vervangen : « Artikel 5.Behalve de verlofdagen bedoeld in artikel 4, kunnen de in artikel 1 bedoelde vastbenoemde en tijdelijke personeelsleden in dienstactiviteit, uitzonderlijke verlofdagen krijgen wegens overmacht, die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval overkomen aan de volgende, met het personeelslid onder hetzelfde dak wonende personen : de echtgenoot, de persoon met wie hij samenleeft, een bloed- of aanverwant, bloedverwant van de persoon met wie het personeelslid samenleeft, een persoon opgenomen met het oog op zijn adoptie of met het oog op de uitoefening van een pleegvoogdij. De noodzaak van de aanwezigheid van het personeelslid bij de in het vorig lid bedoeld persoon wordt bewezen aan de hand van een dokterattest. De duur van deze verloven is tot vier werkdagen per kalenderjaar beperkt. Deze duur kan evenwel tot acht dagen gaan wanneer een ziekte of een ongeval het kind van het personeelslid of van de persoon met wie hij samenleeft aangaat en wanneer dat kind nog geen twaalf jaar oud is. In het geval het personeelslid getrouwd zou zijn of samen zou leven, wordt door de werkgever een attest geleverd dat bewijst dat de echtgenoot of de persoon met wie het personeelslid samenleeft effectief alle uitzonderlijke verlofdagen gebruikt heeft waarover hij in voorkomend geval kan beschikken; deze worden bezoldigd en gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. De voornoemde verlofdagen kunnen gesplitst worden. Het in het tweede lid bedoeld attest zal voor elke aanvraag om verlofdagen geëist worden. Voor de toepassing van dit artikel moet onder « werkdagen » werkingsdagen verstaan worden. » Art. 21.In artikel 9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° lid 1, punt a), ingevoegd bij het besluit van de Regering van 11 april 1994 wordt als volgt aangevuld : « wanneer twee of meerdere verlofperiodes om dwingende familiale redenen slechts door zaterdagen, zondagen of feestdagen gescheiden zijn, bedraagt de totale duur van het toegekend verlof zaterdagen, zondagen en feestdagen.; » 2° in het laatste lid worden de woorden « geen enkel verlof toegekend krachtens lid 1, a), kan gesplitst worden » verwijderd. HOOFDSTUK II. - Verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij Artikel 13 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 augustus 1985, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 13.De in dit besluit bedoelde personeelsleden, in dienstactiviteit, kunnen verlof krijgen voor opvang met het oog op de adoptie van een kind dat nog geen twaalf jaar oud is. De maximale duur van dat verlof wordt vastgesteld op zes weken. De maximale duur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind mindervalide is en aan de voorwaarden voldoet om kinderbijslag te genieten overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kindertoeslagen voor de loonarbeiders of overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen. Het opvangverlof wordt toegekend aan het personeelslid dat het aanvraagt; indien hij gehuwd is en de echtgenoten hetzij personeelslid zijn van de georganiseerde psycho-medisch-sociale centra georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, hetzij lid zijn van dat personeel, hetzij lid zijn van het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, kan het verlof, op de aanvraag van de adoptanten, onder hen verdeeld worden. Indien slechts één van de echtgenoten adopteert, kan enkel hij het verlof genieten. De duur van het verlof treedt evenwel niet op om de duur van de stage te vormen bepaald in artikel 34 van voornoemd koninklijk besluit van 27 juli 1979. Dat verlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Voor de toepassing van dit artikel worden pleegvoogdij en adoptie gelijkgesteld. » Art. 22.In hetzelfde besluit wordt een artikel 13bis ingevoegd, luidend als volgt : « Artikel 13bis.Het opvangverlof begint op de datum waarop het kind effectief in het tehuis opgevangen wordt. Het bewijs moet blijken uit een getuigschrift van domiciliëring, opgesteld door het gemeentebestuur. In afwijking van lid 1, begint het opvangverlof op de dag waarop het personeelslid naar het buitenland vertrekt, op voorwaarde dat de adoptie gebeurt bij de terugkeer naar België. Indien er evenwel blijkt dat bij de terugkeer geen adoptie gebeurd is, wordt deze verlofperiode omgezet in een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden. Het verlof kan in geen geval de duur van de terbeschikkingstelling die het vastbenoemd personeelslid bedoeld in artikel 1 kan aanvragen, overschrijden krachtens de reglementaire bepalingen die op hem van toepassing zijn. Deze terbeschikkingstelling loopt alleszins ten einde bij het verstrijken van de periode waarvoor het opvangverlof aangevraagd was. Voor het tijdelijk personeelslid, indien blijkt bij de terugkeer dat er geen adoptie gebeurd is, wordt de verlofperiode beschouwd als een schorsing van aanstelling. Als een definitieve vaste benoeming gebeurt tijdens het opvangverlof, wordt die behouden. Het personeelslid wordt dan onderworpen aan de bepalingen van het vorig lid. » HOOFDSTUK III. - Moederschapsrust Art. 23.Een hoofdstuk XV, luidend als volgt wordt in hetzelfde besluit ingevoegd : « Hoofdstuk XV. Moederschapsrust Artikel 48.Het in artikel 1 bedoeld vrouwelijk personeelslid, in dienstactiviteit, geniet op voorstelling van een medi sch getuigschrift dat de vermoede bevallingsdatum vermeldt, een zwangerschapsrust van vijftien weken of zeventien weken in geval van meervoudige geboorte. De periodes van afwezigheid wegens ziekte of gebrekkigheid gedurende de zes of acht weken in geval van meervoudige geboorte, voor de zevende dag die aan de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat, worden als ze niet gevolgd worden door de hervatting van ambt gedurende die periode, voor het bepalen van de administratieve stand van de betrokkene in moederschapsrust omgezet. De bezoldiging die verschuldigd is voor de periode gedurende welke de betrokkene moederschapsrust geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of zeventien weken in geval van meervoudige geboorte. Wanneer het vrouwelijke personeelslid het zwangerschapsverlof heeft opgedaan en de bevalling na de voorspelde datum komt, wordt het zwangerschapsverlof verlengd tot aan de werkelijke datum van de bevalling. Gedurende die periode bevindt het vrouwelijk personeelslid zich in moederschapsrust. In afwijking van lid 3, is de bezoldiging verschuldigd. De moederschapsrust alsmede de periode die de moederschapsrust overschrijdt worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. De duur van dat verlof en deze periode treedt evenwel niet op voor het bepalen van de duur van de stage bedoeld in artikel 34 van voornoemd koninklijk besluit van 27 juli 1979. Artikel 49.Tijdens een periode van zwangerschap of borstvoeding, kan het vrouwelijk personeelslid geen bijkomend werk verrichten. Als bijkomend werk wordt beschouwd, voor de toepassing van dit artikel, elk werk dat uitgevoerd wordt buiten de prestaties van het personeelslid voor de zwangerschap of de borstvoeding. In afwijking van vorig lid, wordt het feit zijn urenlast aan te vullen niet beschouwd als bijkomend werk. Artikel 50.Het vrouwelijk personeelslid dat in dienstactiviteit is, verkrijgt op zijn aanvraag het nodig verlof om zich naar de zwangerschapsonderzoeken te begeven en die te ondergaan als die niet buiten de diensturen kunnen plaatsnemen. De aanvraag van het personeelslid moet samengaan met een nuttig bewijs. Het verlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 51.Artikel 48 is niet van toepassing bij een miskraam die voor de 181ste zwangerschapsdag voorkomt. Art. 52.§ 1. Als tussen de datum van de bevalling en het einde van de moederschapsrust de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de vader van het kind op zijn aanvraag een vaderschapsverlof met het oog op de opvang van het kind. In het geval de moeder zou overlijden, zou de duur van het vaderschapsverlof maximaal gelijk zijn aan de duur van de moederschapsrust die door de moeder nog niet is opgedaan. Het personeelslid dat de vader van het kind is en dat een vaderschapsverlof wil genieten, informeert de Regering schriftelijk ervan binnen de zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. Dat geschreven stuk vermeldt de datum van het begin van het vaderschapsverlof en zijn vermoedelijke duur. Een uittreksel van het overlijdensakte van de moeder wordt zo vlug mogelijk ingediend. In het geval de moeder in het ziekenhuis zou opgenomen zijn, kan het personeelslid dat de vader van het kind is het vaderschapsverlof genieten in de volgende gevallen : 1° het pasgeboren kind moet van het ziekenhuis ontslaan zijn;2° de ziekenhuisopname van de moeder moet meer dan zeven dagen duren. Het vaderschapsverlof kan niet voor de zevende dag beginnen volgend op de dag van de geboorte van het kind en eindigt op het moment waarop de ziekenhuisopname van de moeder wordt beëindigd en ten laatste op het einde van het deel van de moederschapsrust dat door moeder nog niet is opgedaan. § 2. Het personeelslid dat de vader van het kind is en dat het vaderschapsverlof wil genieten, brengt de Regering ervan schriftelijk op de hoogte binnen de zeven dagen vanaf de ziekenhuisopname van de moeder. Dat geschreven stuk vermeldt de datum van het begin van het vaderschapsverlof en de vermoedelijke duur ervan. De aanvraag om verlof gaat samen met een getuigschrift van de duur van de ziekenhuisopname van de moeder boven de zeven dagen die volgen op de datum van bevalling en de datum waarop het pasgeboren kind uit het ziekenhuis is ontslaan. Het vaderschapsverlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. In afwijking van vorig lid wordt het tijdelijk personeelslid niet bezoldigd. HOOFDSTUK IV. - Pauzes voor borstvoeding Art. 24.Een hoofdstuk XVI, luidend als volgt, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd : « Hoofdstuk XVI Pauzes voor borstvoeding Artikel 53.Dit hoofdstuk is van toepassing op de leden van het in artikel 1 bedoeld vrouwelijk personeel, in dienstactiviteit. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de pauzes voor borstvoeding gelijkgesteld met verloven. Art. 54.Het vrouwelijk personeelslid heeft, volgens de bij de artikelen 56 tot 61 van dit besluit bedoelde bepalingen, het recht pauzes te krijgen om haar kind met moedermelk te voeden of haar melk af te kolven. Art. 55.Om te zogen of af te kolven gebruikt het personeelslid een discrete plaats, goed verlucht, goed verlicht, proper en gunstig verwarmd, die in uitvoering van artikel 88, lid 5, van het algemeen reglement voor de bescherming van het werk en het welzijn op het werk, door de directeur van het centrum ter beschikking gesteld wordt opdat ze de mogelijkheid zou hebben al liggend te rusten in gunstige omstandigheden. In afwijking van vorig lid kunnen het personeelslid en de directeur van het centrum een andere plaats verkiezen waar het personeelslid zoogt of afkolft. Art. 56.De pauze om te zogen bedraagt een half uur. Het personeelslid waarvan de prestaties 4 uur of meer bedragen gedurende een werkdag, heeft recht op een pauze op die dag. Het personeelslid waarvan de prestaties minstens 7 uur 30 bedragen gedurende een werkdag, heeft recht op twee pauzes op die dag. De duur van de in het 2de en 3de lid van dit artikel bedoelde pauze(s) is inbegrepen in de duur van de prestaties van de werkdag. Art. 57.De totale duur gedurende welke het personeelslid het recht heeft pauzes te nemen om te zogen bedraagt twaalf maanden vanaf de geboorte van het kind. Art. 58.In uitzonderlijke omstandigheden gebonden met de gezondheidstoestand van het kind bewezen door een medisch getuigschrift kan de totale duur gedurende welke een personeelslid het recht heeft pauzes te nemen om te zogen maximaal met twee maanden verlengd worden. Art. 59.Het (de) tijdstip(pen) van de dag waarop het personeelslid een pauze(s) kan nemen om te zogen is(zijn) te bepalen door hem en de directeur van het centrum. Art. 60.Het personeelslid dat pauzes wenst te krijgen om te zogen, brengt de directeur van het centrum twee maanden op voorhand ervan op de hoogte. De termijn van twee maanden kan in overleg verminderd worden. De mededeling van de waarschuwing gebeurt per aangetekende brief of door een geschreven stuk in te dienen waarvan het dubbel door het hoofd van het centrum ondertekend is. Art. 61.Het recht op pauzes om te zogen wordt toegekend mits een bewijs dat het personeelslid de borst geeft. Het bewijs van borstvoeding wordt ingediend vanaf het begin van de uitoefening van het recht op pauzes om te zogen, naar keuze van het personeelslid, door een medisch getuigschrift van een consultatiecentrum voor zuigelingen of door een medisch getuigschrift. Een attest of een medisch getuigschrift moet daarna door het personeelslid elke maand ingediend worden op de datum waarop het recht op een pauze(s) om te zogen voor het eerst werd uitgeoefend. » HOOFDSTUK V. - Ouderschapsverlof Art. 25.Het opschrift van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 7 november 1991 betreffende het ouderlijk verlof en het verlof om dwingende familiale redenen, toegestaan aan sommige personeelsleden van de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, wordt als volgt gewijzigd : « Besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 7 november 1991 betreffende het ouderschapsverlof toegestaan aan sommige personeelsleden van de psycho-medisch-sociale centra georganiseerd door de Franse Gemeenschap. » Art. 26.In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de woorden « verlof toegestaan worden binnen de 12 maanden volgend op de geboortedatum van het kind waarvan het vader of moeder is » vervangen door de woorden « verlof bekomen genomen vooraleer het kind waarvan het vader of moeder is of dat het geadopteerd heeft twaalf jaar bereikt heeft ». Art. 27.In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de woorden « ouderlijk verlof bekomen binnen de 12 maanden volgend op de geboortedatum van het kind waarvan het vader of moeder is » vervangen door de woorden « verlof bekomen genomen vooraleer het kind waarvan het vader of moeder is of dat het geadopteerd heeft twaalf jaar bereikt heeft ». Art. 28.Artikel 6 wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 6.Zijn maximale duur bedraagt drie maanden na de geboorte of de adoptie van het kind. Het wordt genomen met volle dagen en per periodes van een minimale duur van één maand. » TITEL IV. - Administratief personeel, vak-, meesters- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaal onderwijs HOOFDSTUK I. - Omstandigheidsverlof en verlof wegens persoonlijke aangelegenheden Art. 29.Artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 4.De in artikel 1 bedoelde personeelsleden krijgen een uitzonderlijk verlof binnen de volgende perken : a) voor het huwelijk van het personeelslid : vier werkdagen;b) voor de bevalling van de echtgenote of van de persoon met wie het personeelslid op het tijdstip van de gebeurtenis samenleeft : tien werkdagen;c) voor het overlijden van de echtgenoot, van de persoon met wie het personeelslid samenleefde, van een bloed- of aanverwant in de 1ste graad van het personeelslid of van de persoon met wie hij samenleeft : vier werkdagen;d) voor het huwelijk van een kind van het personeelslid, van het kind van de echtgenoot van het personeelslid of van een kind van de persoon met wie hij samenleeft : twee werkdagen;e) voor het overlijden van een bloed- of aanverwant in enig welke graad, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid : twee werkdagen; Onder dezelfde voorwaarden wordt dit verlof eveneens verleend bij het overlijden van een bloedverwant van de persoon met wie het personeelslid samenleeft. f) voor het overlijden van een bloed- of aanverwant in de 2de graad of 3de graad, die niet onder hetzelfde dak woont als het personeelslid : een werkdag; Onder dezelfde voorwaarden wordt dit verlof eveneens verleend bij het overlijden van een bloed- of aanverwant van de persoon met wie het personeelslid samenleeft. Die uitzonderlijke verloven worden bezoldigd en gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. De voornoemde verloven moeten door het personeelslid genomen worden binnen de zeven kalenderdagen voor of na de gebeurtenis waarvoor het verlof hem verleend wordt. Ze kunnen gesplitst worden. In afwijking van vorig lid, moet het in punt b) vernoemd verlof door het personeelslid genomen worden binnen de twintig kalenderdagen voor of na de gebeurtenis waarvoor het verlof hem verleend wordt. Het kan gesplitst worden. Voor de toepassing van dit artikel moet men onder « werkdagen » de dagen verstaan begrepen tussen de maandag tot en met de vrijdag, met uitzondering van de wettelijke feestdagen en van 27 september. » Art. 30.Artikel 4bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 1976 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 december 1981, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 4bis.Behalve de verlofdagen bedoeld in artikel 4, kunnen de in artikel 1 bedoelde personeelsleden uitzonderlijke verlofdagen krijgen wegens overmacht, die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval overkomen aan de volgende, met het personeelslid onder hetzelfde dak wonende personen : de echtgenoot, de persoon met wie hij samenleeft, een bloed- of aanverwant, bloedverwant van de persoon met wie het personeelslid samenleeft, een persoon opgenomen met het oog op zijn adoptie of met het oog op de uitoefening van een pleegvoogdij. De noodzaak van de aanwezigheid van het personeelslid bij de in het vorig lid bedoeld persoon wordt bewezen aan de hand van een dokterattest. De duur van deze verloven is tot vier werkdagen per kalenderjaar beperkt; ze worden gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. Deze duur kan evenwel tot acht werkdagen gaan wanneer een ziekte of een ongeval het kind van het personeelslid of van de persoon met wie hij samenleeft aangaat en wanneer dat kind mag geen twaalf jaar oud is. In het geval het personeelslid getrouwd zou zijn of samen zou leven, wordt door de werkgever een attest geleverd dat bewijst dat de echtgenoot of de persoon met wie het personeelslid samenleeft effectief alle uitzonderlijke verlofdagen gebruikt heeft waarover hij in voorkomend geval kan beschikken; deze worden bezoldigd en gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. De voornoemde verlofdagen kunnen gesplitst worden. Het in het tweede lid bedoeld attest zal voor elke aanvraag om verlofdagen geëist worden. Voor de toepassing van dit artikel moet onder « werkdagen » de dagen verstaan worden begrepen tussen de maandag tot en met de vrijdag met uitzondering van de wettelijke feestdagen en van 27 september. » Art. 31.Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 6.Het personeelslid kan op zijn aanvraag verlof bekomen vooraleer het kind waarvan hij de vader of de moeder is de leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft. Zijn maximale duur bedraagt drie maanden na de geboorte van het kind. Het wordt genomen per volle dagen en per periodes van een minimale duur van één maand. Het wordt niet bezoldigd en wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. » Art. 32.Artikel 7, lid 1, punt a) , van hetzelfde besluit, wordt als volgt aangevuld : « wanneer twee of meerdere verlofperiodes om dwingende familiale redenen slechts door zaterdagen, zondagen of feestdagen gescheiden zijn, bedraagt de totale duur van het toegekend verlof zaterdagen, zondagen en feestdagen. » HOOFDSTUK II. - Verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij Art. 33.Artikel 8bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1981, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 8bis.De personeelsleden kunnen verlof krijgen voor opvang met het oog op de adoptie van een kind dat nog geen twaalf jaar oud is. De maximale duur van dat verlof wordt vastgesteld op zes weken. De maximale duur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind mindervalide is en aan de voorwaarden voldoet om kinderbijslag te genieten overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kindertoeslagen voor de loonarbeiders of artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen. Het opvangverlof wordt toegekend aan het personeelslid dat het aanvraagt; indien het personeelslid gehuwd is en zijn echtgenote eveneens een opvangverlof kan genieten, mag het verlof op aanvraag van de adoptanten gesplitst worden. Indien slechts één van de echtgenoten adopteert, kan enkel hij het verlof genieten. Dat verlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Voor de toepassing van dit artikel worden pleegvoogdij en adoptie gelijkgesteld. » Art. 34.In hetzelfde besluit wordt een artikel 8ter ingevoegd, luidend als volgt : « Artikel 8ter.Het opvangverlof begint op de datum waarop het kind effectief in het tehuis opgevangen wordt. Het bewijs moet blijken uit een getuigschrift van domiciliëring, opgesteld door het gemeentebestuur. In afwijking van het vorig lid, begint het opvangverlof op de dag waarop het personeelslid naar het buitenland vertrekt, op voorwaarde dat de adoptie gebeurt bij de terugkeer naar België. Indien er evenwel blijkt dat bij de terugkeer geen adoptie gebeurd is, wordt deze verlofperiode omgezet in een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden. Het verlof kan in geen geval de duur van de terbeschikkingstelling voor persoonlijke aangelegenheden, die het vastbenoemd personeelslid kan aanvragen, overschrijden krachtens de reglementaire bepalingen die op hem van toepassing zijn. Deze terbeschikkingstelling loopt alleszins ten einde bij het verstrijken van de periode waarvoor het opvangverlof aangevraagd was. Als een vaste benoeming gebeurt tijdens het opvangverlof, wordt die behouden. Het personeelslid wordt dan onderworpen aan de bepalingen van het vorig lid. » HOOFDSTUK III. - Moederschapsrust Art. 35.In hetzelfde besluit wordt in de plaats van hoofdstuk X met de artikelen 39, 40 en 41, een nieuw hoofdstuk X ingevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk X - Moederschapsrust Artikel 39.Het vrouwelijk personeelslid, in dienstactiviteit, geniet bij voorstelling van een medisch getuigschrift dat de vermoedelijke datum van bevalling vermeldt, een moederschapsrust van vijftien weken of zeventien weken in geval van meervoudige geboorte. De periodes van afwezigheid wegens ziekte of gebrekkigheid gedurende de zes of acht weken in geval van meervoudige geboorte, voor de zevende dag die aan de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat, als ze niet gevolgd worden door de hervatting van een ambt gedurende die periode, voor het bepalen van de administratieve stand van de betrokkene worden in moederschapsrust omgezet. De bezoldiging die verschuldigd is voor de periode gedurende welke de betrokkene moederschapsrust geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of zeventien weken in geval van meervoudige geboorte. Wanneer het vrouwelijke personeelslid het zwangerschapsverlof heeft opgedaan en de bevalling na de voorspelde datum komt, wordt het zwangerschapsverlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Gedurende die periode bevindt het vrouwelijk personeelslid zich in moederschapsrust. In afwijking van lid 3, is de bezoldiging verschuldigd. De moederschapsrust wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 40.Tijdens een periode van zwangerschap of borstvoeding, kan het vrouwelijk personeelslid geen bijkomend werk verrichten. Als bijkomend werk wordt beschouwd, voor de toepassing van dit artikel, elk werk dat uitgevoerd wordt buiten de prestaties van het personeelslid voor de zwangerschap of de borstvoeding. In afwijking van vorig lid, wordt het feit zijn urenlast aan te vullen niet beschouwd als bijkomend werk. Art. 41.Het vrouwelijk personeelslid dat in dienstactiviteit is, verkrijgt op zijn aanvraag het nodig verlof om zich naar de zwangerschapsonderzoeken te begeven en die te ondergaan als die niet buiten de diensturen kunnen plaatsnemen. De aanvraag van het personeelslid moet samengaan met een nuttig bewijs. Het verlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 42.Artikel 39 is niet van toepassing bij een miskraam die voor de 181ste zwangerschapsdag voorkomt. Art. 43.§ 1. Als tussen de datum van de bevalling en het einde van de moederschapsrust de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de vader van het kind op zijn aanvraag een vaderschapsverlof met het oog op de opvang van het kind. In het geval de moeder zou overlijden, zou de duur van het vaderschapsverlof maximaal gelijk zijn aan de duur van de moederschapsrust die door de moeder nog niet is opgedaan. Het personeelslid dat de vader van het kind is en dat een vaderschapsverlof wil genieten, informeert de Regering schriftelijk ervan binnen de zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. Dat geschreven stuk vermeldt de datum van het begin van het vaderschapsverlof en zijn vermoedelijke duur. Een uittreksel van het overlijdensakte van de moeder wordt zo vlug mogelijk ingediend. In het geval de moeder in het ziekenhuis zou opgenomen zijn, kan het personeelslid dat de vader van het kind is het vaderschapsverlof genieten in de volgende gevallen : 1° het pasgeboren kind moet van het ziekenhuis ontslaan zijn;2° de ziekenhuisopname van de moeder moet meer dan zeven dagen duren. Het vaderschapsverlof kan niet voor de zevende dag beginnen volgend op de dag van de geboorte van het kind en eindigt op het moment waarop de ziekenhuisopname van de moeder beëindigt en ten laatste op het einde van het deel van de moederschapsrust dat door moeder nog niet is opgedaan. § 2. Het personeelslid dat de vader van het kind is en dat het vaderschapsverlof wil genieten, brengt de Regering ervan schriftelijk op de hoogte binnen de zeven dagen vanaf de ziekenhuisopname van de moeder. Dat geschreven stuk vermeldt de datum van het begin van het vaderschapsverlof en de vermoedelijke duur ervan. De aanvraag om verlof gaat samen met een getuigschrift van de duur van de ziekenhuisopname van de moeder boven de zeven dagen die volgen op de datum van bevalling en de datum waarop het pasgeboren kind uit het ziekenhuis is ontslaan. Het vaderschapsverlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. » HOOFDSTUK IV. - Pauzes voor de borstvoeding Art. 36.In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk XI ingevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk XI Pauzes voor de borstvoeding Artikel 44.Het in artikel 1 bedoeld vrouwelijk personeelslid heeft, volgens de bij de artikelen 46 tot 51 bedoelde bepalingen, het recht pauzes te krijgen om haar kind met moedermelk te voeden of haar melk af te kolven. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de pauzes voor borstvoeding gelijkgesteld met een verlof. Art. 45.Om te zogen of af te kolven gebruikt het personeelslid een discrete plaats, goed verlucht, goed verlicht, proper en gunstig verwarmd, die in uitvoering van artikel 88, lid 5, van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming en het welzijn op het werk, door het hoofd van de instelling ter beschikking gesteld wordt opdat ze de mogelijkheid zou hebben al liggend te rusten in gunstige omstandigheden. In afwijking van vorig lid kunnen het personeelslid en het hoofd van de instelling een andere plaats verkiezen waar het personeelslid zoogt of afkolft. Art. 46.De pauze om te zogen bedraagt een half uur. Het personeelslid waarvan de prestaties 4 uur of meer bedragen gedurende een werkdag, heeft recht op een pauze op die dag. Het personeelslid waarvan de prestaties minstens 7 uur 30 bedragen gedurende een werkdag, heeft recht op twee pauzes op die dag. De duur van de in het 2de en 3de lid van dit artikel bedoelde pauze(s) is inbegrepen in de duur van de prestaties van de werkdag. Art. 47.De totale duur gedurende welke het personeelslid het recht heeft pauzes te nemen om te zogen, bedraagt twaalf maanden vanaf de geboorte van het kind. Art. 48.In uitzonderlijke omstandigheden gebonden met de gezondheidstoestand van het kind bewezen door een medisch getuigschrift kan de totale duur gedurende welke een personeelslid het recht heeft pauzes te nemen om te zogen maximaal met twee maanden verlengd worden. Art. 49.Het (de) tijdstip(pen) van de dag waarop het personeelslid een pauze(s) kan nemen om te zogen is(zijn) te bepalen door hem en het hoofd van de instelling. Art. 50.Het personeelslid dat pauzes wenst te krijgen om te zogen, brengt het hoofd van de instelling twee maanden op voorhand ervan op de hoogte. De termijn van twee maanden kan in overleg verminderd worden. De mededeling van de waarschuwing gebeurt per aangetekende brief of door een geschreven stuk in te dienen dat de handtekening van het hoofd van de instelling draagt. Art. 51.Het recht op pauzes om te zogen wordt toegekend mits een bewijs dat het personeelslid de borst geeft. Het bewijs van borstvoeding wordt ingediend vanaf het begin van de uitoefening van het recht op pauzes om te zogen, naar keuze van het personeelslid, door een medisch getuigschrift van een consultatiecentrum voor zuigelingen of door een medisch getuigschrift. Een attest of een medisch getuigschrift moet daarna door het personeelslid elke maand ingediend worden op de datum waarop het recht op een pauze(s) om te zogen voor het eerst werd uitgeoefend. » Art. 37.Het hoofdstuk X met de artikelen 39, 40 en 41 wordt hoofdstuk XII met de artikelen 52, 53 en 54. TITEL V. - Bescherming van de moederschap HOOFDSTUK I. - Onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap Afdeling I. - Onderwijspersoneel Art. 38.Deze afdeling is van toepassing op de vastbenoemde of tijdelijke vrouwelijke personeelsleden, in dienstactiviteit, bedoeld bij de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs, met uitzondering van de inspectie, met titel II van het decreet van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 24/07/1997 pub. 06/11/1997 numac 1997029343 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en met titel III van het vierde deel van het decreet van 20 december 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/2001 pub. 03/05/2002 numac 2002029138 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (1) type decreet prom. 20/12/2001 pub. 31/01/2002 numac 2002029065 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van de inspectiedienst van de Franse Gemeenschap voor het gewoon kleuteronderwijs, het gewoon lager onderwijs en het gewoon basisonderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap type decreet prom. 20/12/2001 pub. 31/01/2002 numac 2002029066 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot bespoediging van de benoemingen van de personeelsleden uit het onderwijs van de Franse Gemeenschap sluiten tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten). Art. 39.Wanneer een risico vastgesteld wordt overeenkomstig artikel 41 van de arbeids wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten, stelt het hoofd van de inrichting aan de Regering voor, bij toepassing van artikel 42, 2°, van voornoemde wet, het betrokken personeelslid andere taken toe te kennen binnen zijn inrichting op voorwaarde dat deze aanstelling het lid niet meer blootstelt aan het vastgesteld risico. Als deze aanstelling onmogelijk blijkt, stelt het hoofd van de inrichting overeenkomstig de keuze van het personeelslid aan de Regering voor hem ter beschikking te stellen van : 1° een schoolinrichting van dezelfde zone en georganiseerd door de Franse Gemeenschap;2° de diensten van de Regering, namelijk de Algemene dienst Onderzoek inzake onderwijs en sturing van het netoverschrijdend onderwijs of de algemene dienst Pedagogische aangelegenheden voor onderzoek inzake onderwijs en sturing van onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap of de Algemene directie van het onderwijspersoneel van de Franse Gemeenschap;3° de Commissie voor homologatie;4° het « centre d'autoformation et de formation continuée » (centrum voor zelfvorming en voortgezette vorming);5° een psycho-medisch-sociaal centrum georganiseerd door de Franse Gemeenschap;6° een inrichting voor permanente vorming erkend op basis van het decreet van 8 april 1976 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning en de toekenning van toelagen aan de organisaties voor permanente vorming van de volwassenen in het algemeen;7° een jeugdvereniging erkend op basis van het decreet van 20 juni 1980 dat de erkenningsvoorwaarden voor het toekennen van toelagen aan jeugdverenigingen bepaalt;8° naargelang het geval, de Vereniging ter bevordering van de vorming tijdens de loopbaan in het confessioneel onderwijs of de Vereniging ter bevordering van de vorming tijdens de loopbaan in het niet-confessioneel onderwijs. De terbeschikkingstelling van het personeelslid kan slechts gebeuren op voorwaarde dat het niet meer aan het vastgesteld risico blootgesteld wordt. Als geen van de voorgestelde plaatsen van dit artikel het personeelslid toelaat, volgens het bijzonder gemotiveerd advies van de arbeidsarts en voor de periode die hij bepaalt, een activiteit uit te oefenen zonder aan het risico blootgesteld te worden, wordt deze laatste vrijgesteld te werken. Gedurende de hele duur van deze vrijstelling, wordt het personeelslid bezoldigd en is hij in dienstactiviteit. De maatregelen bepaald in di …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.