← België

Decreet betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding

In het kort

Dit decreet regelt de werking van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB's) in Vlaanderen. Het beschrijft hun taken, hoe ze moeten werken en wie erbij betrokken is, met als hoofddoel het welzijn en de ontwikkeling van leerlingen te ondersteunen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
1 DECEMBER 1998. - Decreet betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding (1) Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. Art. 2.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° algemene consulten : periodieke algemene leeftijdsspecifieke medische onderzoeken, collectief georganiseerd voor alle leerlingen;2° begeleiding : leerlingenbegeleiding, zoals bedoeld in artikel 4; 3° bestuur : het bestuursorgaan of de bestuursorganen die t.a.v. de centra voor leerlingenbegeleiding de bestuurshandelingen verrichten overeenkomstig de door of krachtens de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten, naargelang het geval, toegewezen bevoegdheden; 4° bijzondere consulten : medische onderzoeken, individueel of collectief georganiseerd voor leerlingen uit het buitengewoon onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs evenals, onder de voorwaarden door de regering bepaald, voor andere leerlingen;5° centrum : een centrum voor leerlingenbegeleiding, met dien verstande dat, indien het bestuurshandelingen betreft, het bestuur wordt bedoeld;6° centrumnet : één van de volgende soorten centra : a) centrum van het gemeenschapsonderwijs : centrum dat ingericht wordt door een scholengroep van het gemeenschapsonderwijs en dat gefinancierd wordt door de Vlaamse Gemeenschap;b) gesubsidieerd officieel centrum : centrum dat ingericht wordt door openbare besturen, met uitzondering van de centra van het gemeenschapsonderwijs, en dat gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap;c) gesubsidieerd vrij centrum : centrum dat ingericht wordt door privaatrechtelijke rechtspersonen en dat gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap;7° departement : bevoegde dienst of ambtenaar van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;8° DIGO : de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs;9° doorlichting : de externe evaluatie van de werking van een centrum;10° erkende vorming : de voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht erkende vorming, zoals bedoeld in de wet van 29 juni 1983Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/06/1983 pub. 25/01/2011 numac 2011000012 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de leerplicht. - Duitse vertaling sluiten betreffende de leerplicht;11° gefinancierd centrum : centrum van het gemeenschapsonderwijs dat voldoet aan de voorwaarden vastgelegd in dit decreet om door de Gemeenschap gefinancierd te worden;12° Gemeenschap : de Vlaamse Gemeenschap;13° gerichte consulten : collectief georganiseerde medische onderzoeken, gericht op bepaalde gezondheidsaspecten van een welomschreven doelgroep van leerlingen;14° gesubsidieerd centrum : centrum van het vrij onderwijs of van het officieel onderwijs, met uitzondering van het gemeenschapsonderwijs, dat voldoet aan de voorwaarden van dit decreet om door de Gemeenschap gesubsidieerd te worden;15° gewogen leerlingenaantal : het aantal leerlingen van een centrum berekend volgens artikel 68;16° inspectie : de inspectie van de centra, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten;17° leerplicht : leerplicht zoals bedoeld in de wet van 29 juni 1983Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/06/1983 pub. 25/01/2011 numac 2011000012 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de leerplicht. - Duitse vertaling sluiten betreffende de leerplicht;18° lokaal comité : het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;19° leerling : de leerling in het onderwijs en de deelnemer aan de erkende vormingen, zoals door de regering bepaald;20° officieel centrum : een centrum waarvan het bestuur een openbaar bestuur is, waarbij een scholengroep van het gemeenschapsonderwijs beschouwd wordt als een openbaar bestuur;21° onderwijsinspectie : de inspectie voor het onderwijs, bedoeld in artikel 4, eerste lid van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten;22° onderwijswet : één van de volgende soorten onderwijs : a) gemeenschapsonderwijs : onderwijs dat georganiseerd wordt krachtens het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs sluiten betreffende het gemeenschapsonderwijs en gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap;b) gesubsidieerd officieel onderwijs : onderwijs dat georganiseerd wordt door openbare besturen, met uitzondering van het gemeenschapsonderwijs, en dat gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap;c) gesubsidieerd vrij onderwijs : onderwijs dat georganiseerd wordt door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen en dat gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap;23° ouders : de personen die het ouderlijk gezag over een leerling uitoefenen of in rechte of in feite een leerling onder hun bewaring hebben;24° paramedisch werker : de houder van een diploma van het studiegebied gezondheidszorg zoals opgenomen in de bijlage I van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;25° preferentiegroepen : de leerlingen van het kleuteronderwijs, of van het lager onderwijs, of van het buitengewoon onderwijs of het geïntegreerd onderwijs, of van de eerste graad van het secundair onderwijs, of van het technisch secundair en kunstsecundair onderwijs, of van het beroepsonderwijs, of van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs, of van het deeltijds secundair beroepsonderwijs of van de erkende vormingen of de anderstalige nieuwkomers;26° regering : de Vlaamse regering;27° salaris : wedde, weddentoelage, bijwedde, toelagen en vergoedingen;28° school : een pedagogisch geheel in het onderwijs, onder leiding van één directeur, of een instelling of een vereniging met erkende vormingsprogramma's voor het vervullen van de leerplicht;29° schooljaar : de periode van 1 september tot en met 31 augustus;30° schoolpersoneel : het personeel dat in welke hoedanigheid ook in dienstverband behoort tot een school;31° verzekerd aanbod : door de regering te bepalen diensten, die het centrum verplicht aan de school aanbiedt, maar die de school al dan niet kan aanvaarden;32° visitatiecommissie : de visitatiecommissie belast met de doorlichting van de centra, bedoeld in artikel 6 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten;33° vraaggestuurd : op verzoek van de leerling, de ouders of de school. Art. 3.Dit decreet is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op de centra en op de erkende scholen van het gewoon en buitengewoon kleuter-, lager en secundair onderwijs, met inbegrip van het deeltijds beroepssecumdair onderwijs, het experimenteel secundair onderwijs met beperkt leerplan en het experimenteel deeltijds beroepsonderwijs en de erkende vormingen, en op de leerlingen van deze scholen en op hun ouders. Art. 4.Dit decreet heeft betrekking op de leerlingenbegeleiding in de scholen, bedoeld in artikel 3, door centra. Leerlingenbegeleiding bestaat uit geïntegreerde, multidisciplinaire acties vanuit preventief, remediërend of educatief oogpunt ten aanzien van de leerling. Deze acties kunnen ook indirect via de ouders en de school verlopen. Zij behoren tot de zorg voor de ontwikkeling van de leerlingen en vinden plaats in samenwerking met de ouders en de school, die de eerste verantwoordelijken zijn. Waar nodig wordt eveneens samengewerkt met andere diensten, instellingen of voorzieningen. HOOFDSTUK II. - Opdrachtsverklaring en werkingsbeginselen Afdeling 1. - Opdrachtsverklaring Art. 5.§ 1. De centra hebben als opdracht bij te dragen tot het welbevinden van leerlingen nu en in de toekomst. Hierdoor wordt bij de leerlingen de basis gelegd van alle leren zodat zij door hun schoolloopbaan heen de competenties kunnen verwerven en versterken die de grondslag vormen voor een actuele en voortdurende ontwikkeling en maatschappelijke participatie. § 2. Teneinde deze opdracht te realiseren, situeert de begeleiding van de leerlingen door het centrum zich op de volgende domeinen : - het leren en studeren; - de onderwijsloopbaan; - de preventieve gezondheidszorg; - het psychisch en sociaal functioneren. Art. 6.Bij het vervullen van die opdracht : 1° stelt het centrum het belang van de leerling centraal;2° werkt het centrum vraaggestuurd, behalve voor de begeleiding die verplicht is;3° werkt het centrum subsidiair ten aanzien van de school en de ouders.Het centrum, de school en de ouders dragen een gezamenlijke verantwoordelijkheid; 4° werkt het centrum raadgevend en begeleidend, waarbij de begeleiding van het centrum waar mogelijk preventief is en waar nodig remediërend;5° werkt het centrum multidisciplinair en benadert het de leerlingen vanuit somatische, psychologische, pedagogische en sociale invalshoek;6° handelt het centrum gratis en discreet;7° werkt het centrum samen met andere diensten in een aanwijsbaar netwerk;8° heeft het centrum bijzondere aandacht voor bepaalde opdrachten in bepaalde groepen en voor de leerlingen die door hun sociale achtergrond bedreigd worden in hun ontwikkeling en in hun leerproces;9° ontwikkelt het centrum een deontologische code die onder andere het onafhankelijke optreden van de personeelsleden waarborgt. De diensten waarmee het centrum samenwerkt, bedoeld in 7°, moeten respect opbrengen voor het pedagogisch project van de school, de eigenheid van het centrum en voor de levensbeschouwing van de leerlingen en de ouders. De beslissingen aangaande de organisatie en werking van de centra voor leerlingenbegeleiding van het Gemeenschapsonderwijs die volgens de artikelen 23 en 27 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs sluiten betreffende het gemeenschapsonderwijs tot de bevoegdheden van respectievelijk de raad van bestuur en het college van directeurs van de scholengroep behoren, mogen geenszins de gewaarborgde methodologische onafhankelijkheid van het personeel en directie van deze centra, zoals bedoeld in 9°, in het gedrang brengen. Afdeling 2. - Werkingsbeginselen Art. 7.Het centrum maakt zijn werking bekend aan de leerlingen en hun ouders. Dat gebeurt minstens op het ogenblik dat de leerling voor de eerste keer wordt ingeschreven in een school die behoort tot het werkgebied van het centrum. Daarbij geeft het centrum ten minste informatie over de rechten en plichten van ouders, leerlingen, de school en het centrum. Art. 8.Onverminderd de bevoegdheden van de respectieve besturen van centra en scholen inzake het sluiten van een beleidsplan of beleidscontract, stellen het centrum en elke school die het begeleidt, gezamenlijk een beleidsplan of beleidscontract op, overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk V, afdeling 2. Art. 9.§ 1. Begeleiding door het centrum is vraaggestuurd vanuit de leerlingen, de ouders en de scholen. Het centrum kan zelf voorstellen tot begeleiding formuleren. Het werkt daarvoor sensibiliserend. De regering kan het centrum verplichten tot het voorstellen van vormen van begeleiding voor deelgroepen van leerlingen, ouders en scholen. Het staat deze leerlingen, ouders en scholen vrij om al dan niet op dit verzekerd aanbod in te gaan. Het niet ingaan op een verzekerd aanbod door scholen wordt geregistreerd. De bijzondere consulten behoren tot het verzekerd aanbod. § 2. In afwijking van § 1 zijn de leerlingen, de ouders en de scholen verplicht mee te werken aan : 1° de algemene consulten en gerichte consulten en de profylactische maatregelen;2° de begeleiding bedoeld in artikel 19. De regering bepaalt de aard en de frequentie van de consulten bedoeld in het eerste lid, 1°. Art. 10.Het centrum legt voor elke leerling voor wie een begeleiding wordt gestart, één multidisciplinair dossier aan. De regering bepaalt de regels voor de samenstelling, het bijhouden en de vernietiging van het leerlingdossier, evenals de procedure voor de raadpleging en voor de overdacht van het dossier. Ze houdt hierbij rekening met de geldende regels inzake het beroepsgeheim. de deontologie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Art. 11.Gezien de multidisciplinaire werking van het centrum, behoort het tot de verantwoordelijkheid van ieder personeelslid om de andere disciplines bij de werking te betrekken. Zonder deze multidisciplinaire werking in het gedrang te brengen moeten alle personeelsleden het beroepsgeheim respecteren. Art. 12.Het centrum gaat in op elk verzoek van een ouder of leerling, behorend tot een school die door het centrum wordt begeleid en dat betrekking heeft op het begeleidingsaanbod bedoeld in artikel 17, § 1. Art. 13.§ 1. Het bestuur kan, onverminderd artikel 6, eerste lid, 7°, en tweede lid, met diensten, verenigingen en organisaties samenwerkingsprotocollen sluiten. § 2. Het centrum zorgt voor een gerichte doorverwijzing van leerlingen die daaraan behoefte hebben. Art. 14.§ 1. Het centrum is gesloten van 15 juli tot en met 15 augustus, op zaterdagen en zondagen en op de wettelijke en decretale feestdagen. § 2. De centra zijn gesloten tijdens de kerstvakantie en de paasvakantie, uitgezonderd twee dagen tijdens de kerstvakantie en twee dagen tijdens de paasvakantie. Deze vier dagen worden jaarlijks gezamenlijk vastgelegd door de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van de besturen van de gesubsidieerde centra, na overleg of onderhandeling in het terzake bevoegde orgaan. Indien er geen akkoord bereikt wordt voor 1 mei voorafgaand aan het schooljaar, legt de regering zelf deze data vast. HOOFDSTUK III. - Strategische doelstellingen Art. 15.Afhankelijk van zijn opdracht en werkingsbeginselen, zoals bepaald in hoofdstuk 11, gelden voor het centrum de strategische doelstellingen, bepaald in dit hoofdstuk. Art. 16.Het centrum verstrekt op een gestructureerde wijze preventief en tijdig aan leerlingen, ouders en schoolpersoneel ten minste informatie over : 1° de structuur en de organisatie van het Vlaamse onderwijs;2° het volledige onderwijsaanbod;3° de aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt;4° de welzijnsvoorzieningen;5° de gezondheidsvoorzieningen. Art. 17.§ 1. Met het oog op het verhogen van de slaagkansen en het beperken en het voorkomen van risicogedrag van leerlingen, organiseert het centrum een adequaat begeleidingsaanbod voor leerlingen, ouders en schoolpersoneel. § 2. Het centrum verwerft hiervoor voldoende deskundigheid om minstens : 1° signalen bij leerlingen, ouders en hun omgeving te herkennen en te duiden;2° de eerste opvang te verzorgen van leerlingen en ouders, hen preventief of remediërend te begeleiden en zo nodig adequaat door te verwijzen;3° de school te ondersteunen in haar beleid terzake. § 3. Het centrum kan leerlingen, ouders en schoolpersoneel van andere scholen dan deze die het begeleidt en andere personen informeren en begeleiden voor zover dit de realisatie van de strategische doelstellingen niet in het gedrang brengt. Art. 18.Het centrum neemt initiatieven om de gezondheid, groei en ontwikkeling van de leerlingen te bevorderen, te bewaken en te behouden. Dit impliceert naast de multidisciplinaire werking, dat : 1° het centrum systematisch en vroegtijdig stoornissen opspoort op het vlak van gezondheid, groei en ontwikkeling zodat de leerling of de ouders tijdig deze stoornissen kunnen laten behandelen.Het centrum organiseert hiertoe algemene, bijzondere en gerichte consulten; 2° het centrum ten aanzien van de leerlingen maatregelen neemt om het ontstaan van sommige besmettelijke ziekten te beletten.De regering bepaalt hiertoe de maatregelen en legt het vaccinatieschema vast; 3° het centrum ten aanzien van de leerlingen en het schoolpersoneel profylactische maatregelen neemt om het verspreiden van besmettelijke ziekten tegen te gaan.De regering bepaalt hiervoor nadere regels. Art. 19.In het kader van de wettelijke opdracht van de overheid om de leerplicht van minderjarigen af te dwingen, begeleidt het centrum leerplichtige jongeren die, behoudens ingeval van huisonderwijs, niet zijn ingeschreven in een school zoals bedoeld in artikel 4, of die zijn ingeschreven maar die deze school niet regelmatig bezoeken. Deze begeleiding heeft tot doel de minderjarige met leerplichtproblemen opnieuw in te schakelen in het onderwijsproces zodat hij/zij opnieuw voldoet aan de bepalingen inzake leerplicht. Art. 20.§ 1. Het centrum brengt jaarlijks verslag uit op basis van gesystematiseerde gegevens van somatische, psychologische, pedagogische en sociale aard zodat de regering op basis hiervan beleidsopties kan formuleren. De regering bepaalt de vorm en de inhoud van de registratie, het verslag en de procedure van indiening, onverminderd de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens. § 2. Het centrum kan hierover voorstellen formuleren aan de regering. Art. 21.De regering kan tweejaarlijks één onderzoeksopdracht opleggen waaraan het centrum dient mee te werken. De regering bepaalt zo nodig de operationele doelstellingen, de methode, de middelen en de tijdsplanning van die onderzoeksopdracht. Art. 22.Het centrum begeleidt prioritair en intensief die leerlingen die in hun ontwikkeling en leerproces bedreigd worden. Het centrum besteedt daarbij bijzondere aandacht aan die leerlingen die door hun sociale achtergrond en leefsituatie leerbedreigd zijn. Art. 23.Het centrum ondersteunt de scholen bij de ontwikkeling van een visie op zorgverbreding. Het centrum draagt bij tot de zorgverbreding voor de leerlingen Art. 24.Het centrum begeleidt op een intensieve wijze prioritair : 1° het buitengewoon onderwijs bij de ontwikkeling van handelingsplannen, de begeleiding van ontwikkelingsmoeilijkheden en de vermindering van risicogedrag en de begeleiding van de leerlingen van het geïntegreerd onderwijs;2° bij de adequate en kwaliteitsvolle verwijzing van de leerlingen van het gewoon onderwijs naar het buitengewoon onderwijs en omgekeerd en ondersteunt de samenwerking van de scholen voor gewoon en voor buitengewoon onderwijs;3° het kleuteronderwijs en de aanvang van de lagere school bij het werken aan leer- en ontwikkelingsmoeilijkheden;4° bij de keuzeprocessen in de onderwijsloopbaan ter voorbereiding van de overgang van de eerste graad naar de tweede graad van het secundair onderwijs en van de derde graad van het secundair onderwijs naar het hoger onderwijs;5° het technisch, kunst-, beroeps- en buitengewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de erkende vormingen bij het veilig school lopen, in het bijzonder de veiligheid en hygiëne en de impact op de gezondheid van de praktijkvakken;6° het eerste leerjaar B, het beroepsvoorbereidend leerjaar, het beroepsonderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de erkende vormingen, en de anderstalige nieuwkomers om de doorstroming te optimaliseren, het risicogedrag te verminderen en de school zinvol te laten beleven door de leerlingen. Art. 25.§ 1. De regering bepaalt de operationele doelstellingen die aansluiten bij de strategische doelstellingen, bedoeld in de artikelen 18 en 19. § 2. De regering kan operationele doelstellingen bepalen die aansluiten bij de andere strategische doelstellingen, bedoeld in dit hoofdstuk. Ze bepaalt of het centrum deze doelstellingen moet opnemen binnen een verzekerd aanbod. Art. 26.Het centrum kan tegen vergoeding opdrachten aanvaarden van personen of instellingen, andere dan bedoeld in artikel 3. Deze aanvullende opdrachten beperken zich tot die gebieden die in de strategische doelstellingen werden omschreven. Zij mogen in geen geval leiden tot een verminderde verwezenlijking of het in gevaar brengen van de realisatie van de strategische doelstellingen. De regering bepaalt op welke wijze het centrum over deze aanvullende opdrachten rapporteert. HOOFDSTUK IV. - Relatie tussen de centra en de leerlingen en hun ouders Art. 27.Het centrum respecteert te allen tijde de rechten van het kind, zoals opgesomd in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, ondertekend te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd bij het instemmingsdecreet van 15 mei 1991. Art. 28.§ 1. Als een school vraagt aan het centrum om een leerling te begeleiden, beperkt het centrum zich, onverminderd de toepassing van artikel 27, tot een aanbod tot begeleiding. Het centrum zet in dit geval de begeleiding slechts voort als de leerling vanaf 14 jaar of de ouders van de leerling jonger dan 14 jaar hiermee instemmen. § 2. Een instemming van de betrokken leerling of zijn ouders is niet vereist als de begeleiding betrekking heeft op leerplichtproblemen van een leerplichtige jongere in het kader van de wettelijke opdracht van de overheid inzake leerplichtcontrole. Als de betrokken leerling of zijn ouders niet ingaan op de initiatieven van het centrum, meldt het centrum dit aan de door de Vlaamse regering aangeduide instantie. Art. 29.§ 1. Als een leerling van school verandert, behoudt het centrum zijn bevoegdheid en verantwoordelijkheid ten aanzien van die leerling tot de leerling is ingeschreven in een school die door een ander centrum wordt bediend. § 2. Als een leerling voor een bepaalde periode niet ingeschreven is in de school, behoudt het centrum zijn bevoegdheid en verantwoordelijkheid ten aanzien van die leerling tot het einde van de periode van niet- inschrijving. Art. 30.§ 1. De ouders en de leerlingen verlenen, overeenkomstig artikel 9, § 2, eerste lid, 1°, hun medewerking aan de algemene en gerichte consulten en aan de profylactische maatregelen. § 2. De ouders of de leerling vanaf 14 jaar kunnen zich verzetten tegen het uitvoeren van een algemeen of gericht consult door een bepaalde arts van het centrum. In dit geval wordt het consult uitgevoerd door ofwel een andere arts van hetzelfde centrum ofwel door een arts van een centrum naar keuze, ofwel door een arts die niet tot een centrum behoort, maar wel in het bezit is van het hiertoe door de regering bepaalde bekwaamheidsbewijs. § 3. Indien het algemeen of het gericht consult niet wordt uitgevoerd door een arts van het centrum dat de school begeleidt, bezorgt de arts van het ander centrum of de arts die niet tot een centrum behoort, de bevindingen aan een arts van het centrum waarbij de school is aangesloten. § 4. De regering bepaalt de wijze waarop het verzet, bedoeld in § 2, wordt aangetekend, welke gegevens door het gekozen centrum moeten worden bezorgd aan het centrum dat de leerling begeleidt en binnen welke termijn dit gebeurt. De kosten voor een consult dat niet wordt uitgevoerd door een arts van het centrum, zijn ten laste van de betrokkene. Art. 31.De ouders en de leerplichtige leerlingen verlenen overeenkomstig artikel 9, § 2, eerste lid, 2°, hun medewerking aan de begeleidingsinitiatieven van het centrum in het kader van de leerplichtcontrole. HOOFDSTUK V. - Samenwerking tussen centra en scholen Afdeling 1. - Rechten en plichten Art. 32.De school heeft de plicht om haar volledige medewerking te verlenen aan de organisatie en de uitvoering van algemene en gerichte consulten, de profylactische maatregelen en het vaccinatiebeleid en aan de begeleidingsinitiatieven van het centrum inzake leerplichtcontrole. Het centrum heeft de plicht om met de schoolorganisatie rekening te houden. De regering kan daarvoor nadere regels vaststellen. Art. 33.De school heeft de plicht om de ouders, de leerlingen en haar personeel te informeren over het centrum waarmee ze samenwerkt. Het centrum heeft het recht om in overleg met de school, in en via de school vrij informatie te verspreiden over zijn werking aan leerlingen, ouders en schoolpersoneel. Art. 34.Het centrum heeft het recht om in de school besprekingen en overleg over de leerlingen, leerlingenbegeleiding, zorgverbreding en preventieve acties of projecten die betrekking hebben op het begeleidingsaanbod bedoeld in artikel 17, bij te wonen. Het centrum heeft de plicht om de school deskundige ondersteuning over die onderwerpen te geven. Art. 35.Het centrum heeft recht om op de school aanwezig te zijn. Het centrum heeft de plicht om in de scholen met preferentiegroepen optimaal aanwezig te zijn. De school en het centrum maken hierover afspraken in functie van de te bereiken effecten. De school heeft recht op begeleiding door het centrum. Art. 36.Het centrum heeft recht op de relevante informatie die over de leerlingen in de school aanwezig is en de school heeft recht op de relevante informatie over de leerlingen in begeleiding. Ze houden allebei bij het doorgeven en het gebruik van deze informatie rekening met de geldende regels inzake het beroepsgeheim, de deontologie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Art. 37.Het centrum heeft de plicht om het pedagogisch project van de school te respecteren. Afdeling 2. - Beleidsplan of beleidscontract Art. 38.§ 1. De school en het centrum stellen een gezamenlijk beleidsplan op als ze tot hetzelfde bestuur behoren of een gezamenlijk beleidscontract in het andere geval, dat de samenwerking regelt voor de duur van drie jaar. § 2. Desgevallend deelt de school tegen uiterlijk 1 september van het schooljaar waarop het beleidsplan of het beleidscontract ten einde loopt, aan het centrum mee dat de samenwerking wordt stopgezet met ingang van het daaropvolgende schooljaar. § 3. In afwijking van §§ 1 en 2, kan een school het beleidsplan of beleidscontract met het centrum opzeggen in de volgende gevallen : - indien de school van onderwijswet verandert; - indien de school van het gemeenschapsonderwijs van scholengroep verandert; - indien de school voor secundair onderwijs toetreedt tot een scholengemeenschap of tot een andere scholengemeenschap. Het beleidscontract of beleidsplan met het nieuwe centrum kan voor de duur van minder dan drie jaar worden gesloten teneinde de driejaarlijkse termijn bedoeld in § 1, te respecteren. § 4. Indien een scholengemeenschap gevormd wordt op een ander moment dan de driejaarlijkse termijn voor het sluiten van beleidsplannen of beleidscontracten, kunnen de centra die de scholen van de scholengemeenschap begeleiden, een tijdelijk samenwerkingsverband aangaan tot het einde van de driejaarlijkse periode bedoeld in § 1. Dit samenwerkingsverband wordt voor de toepassing van artikel 71, 2° van het decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs sluiten houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 sluiten betreffende het basisonderwijs, beschouwd als één centrum voor leerlingenbegeleiding. § 5. In afwijking van § 1 kan de bevoegde instantie van elke erkende vorming beleidscontracten sluiten met maximum drie centra, waarvan maximum één contract per centrumnet. In dat geval behoren deze drie centra tot een verschillend centrumnet. Art. 39.Het beleidsplan of beleidscontract vermeldt minstens : 1° de wijze waarop het centrum en de school de rechten en plichten, vermeld in afdeling 1 invullen;2° de concrete samenwerking tussen school en centrum waarbij de doelstellingen en de werkwijze van beide aan bod komen;3° de elementen van het verzekerd aanbod waarop de school niet zal ingaan;4° de wijze waarop het centrum de informatie die het verzameld heeft bij de uitvoering van zijn opdracht en die relevant is voor de algemene werking van de school, aan de school bezorgt;5° de wijze waarop de school en het centrum elkaar informatie bezorgen die relevant is voor de werking;6° de wijze waarop de pedagogische begeleidingsdienst betrokken wordt bij de samenwerking tussen de school en het centrum;7° de wijze waarop het centrum en de school elkaar informeren over hun nascholingsbeleid;8° de wijze waarop het beleidsplan of beleidscontract door beide partijen wordt geëvalueerd en de wijze waarop het wordt bijgestuurd. Als de school niet ingaat op elementen van het verzekerd aanbod, wordt de motivering hiervan opgenomen als bijlage bij het beleidsplan of het beleidscontract. Art. 40.De inspectie van de centra gaat na of het beleidsplan of beleidscontract de elementen bevat die in artikel 39 worden vermeld. Het beleidsplan of beleidscontract is een onderdeel van de doorlichting van de school en van het centrum. Bij een doorlichting van een centrum wordt het beleidsplan of beleidscontract ter beschikking gesteld van de visitatiecommissie. HOOFDSTUK VI. - Financierings- of subsidiëringsvoorwaarden van de centra Afdeling 1. - Financierings- of subsidiëringsvoorwaarden van de centra Art. 41.Zonder afbreuk te doen aan de specifieke voorwaarden die gesteld zijn voor het verkrijgen van salarissen, een werkingsbudget of investeringsmiddelen, verkrijgt een bestuur financiering of subsidiëring voor elk centrum dat : 1° georganiseerd is onder de verantwoordelijkheid van een bestuur;2° gevestigd is in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;3° beschikt over een infrastructuur en uitrusting waardoor de taken kwaliteitsvol uitgevoerd kunnen worden en de reglementering op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer nageleefd kan worden;4° de bepalingen naleeft met betrekking tot de onderwijstaal en taalkennis van het personeel zoals bepaald in de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs en in de wet van 20 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken;5° zijn werkgebied meedeelt aan het departement;6° de controle van de inspectie mogelijk maakt;7° de reglementering inzake openingstijden en - periodes zoals bedoeld in artikel 14 in acht neemt;8° de opdrachten uitvoert zoals bepaald in hoofdstuk II en hoofdstuk III;9° samen met de scholen die het begeleidt een beleidsplan of beleidscontract opstelt, overeenkomstig de regels bepaald in hoofdstuk V, afdeling 2;10° een kwaliteitsbeleid voert overeenkomstig de regels bepaald in hoofdstuk XI;11° een aanwijsbaar multidisciplinair team voor de begeleiding van scholen en leerlingen uit het buitengewoon onderwijs heeft als het centrum scholen voor buitengewoon onderwijs begeleidt;12° voldoet aan de programmatie- en rationalisatienormen zoals bepaald in hoofdstuk VII Art.42. De opname in de financiering of subsidiëringsregeling gebeurt door de regering, die de procedure daartoe vastlegt. Art. 43.§ 1. De regering kan de financiering of subsidiëring van een centrum stopzetten na advies van de inspectie wanneer aan één of meer voorwaarden van artikel 41, 1° tot en met 11°, niet meer volledig voldaan is tenzij het bestuur kan aantonen dat deze voorwaarden binnen een termijn overeengekomen met de regering opnieuw vervuld zullen zijn. In voorkomend geval wordt de financiering of subsidiëring geheel of gedeeltelijk ingehouden tot wanneer de voorwaarden opnieuw vervuld zijn. § 2. De regering bepaalt voorwaarden en de procedure voor de opheffing van de financiering of subsidiëring voor de gevallen bedoeld in § 1. Die procedure waarborgt de rechten van de verdediging. § 3. Indien de financiering of subsidiëring van een centrum wordt stopgezet ingevolge de toepassing van § 1, mag gedurende drie jaar vanaf de betekening van de stopzetting in de plaats van dit centrum geen nieuw centrum worden gefinancierd of gesubsidieerd. In die periode worden de scholen die door dat centrum werden bediend, verder bediend door één of meer naburige centra. De regering kan maatregelen treffen om de continuïteit van de begeleiding van de leerlingen te verzekeren. Art. 44.Een bestuur verliest de financiering of subsidiëring van zijn centra die niet meer voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 41, 12°. Afdeling 2. - Financiering of subsidiëring van de centra Onderafdeling A. - Algemene bepalingen Art. 45.Elk bestuur draagt de kosten van en de financiële verantwoordelijkheid voor de organisatie van de centra en de werking van zijn centra. Voor centra die aan de voorwaarden voldoen, bedoeld in artikel 41, komt de Gemeenschap financieel tussenbeide, voor het gemeenschapsonderwijs door een financiering, en voor het gesubsidieerd onderwijs door een subsidiëring, in de vorm van : 1° salarissen;2° een werkingsbudget;3° investeringsmiddelen. Onderafdeling B. - Aanneming van werken, leveringen en diensten Art. 46.Een bestuur moet een overeenkomst sluiten volgens de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten indien het werken, leveringen of diensten laat uitvoeren die geheel of gedeeltelijk betaald worden met middelen uit de dotatie van het gemeenschapsonderwijs, met het werkingsbudget ter beschikking gesteld van gesubsidieerde centra of met middelen ter beschikking gesteld door de DIGO. Onderafdeling C. - Salarisfinanciering of -subsidiëring Art. 47.§ 1. Een bestuur ontvangt voor zijn personeelsleden die tot de categorieën technisch en administratief personeel behoren een salaris indien de personeelsleden voldoen aan de voorwaarden bedoeld in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs of in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra. § 2. Het departement betaalt maandelijks de salarissen rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Art. 48.§ 1. De regering bepaalt voor de verschillende ambten de vereiste bekwaamheidsbewijzen. § 2. Onverminderd § 1 en de bepalingen terzake opgenomen in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs of in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch- sociale centra, dient de directeur van een centrum te beschikken over ervaring inzake leerlingenbegeleiding en dient hij houder te zijn van ten minste een diploma van het hoger onderwijs van twee cycli, aangevuld met een specifieke vorming inzake leidinggeven, erkend door de regering. Art. 49.De regering bepaalt de wijze waarop een aanvraag tot salarisfinanciering of -subsidiëring plaatsvindt en bepaalt het salaris voor de gefinancierde of gesubsidieerde ambten. De salarisschaal voor eenzelfde ambt is dezelfde in alle centra. Onderafdeling D. - De werkingsbudgetten Art. 50.leder schooljaar ontvangt het bestuur een werkingsbudget dat het moet aanwenden voor de werking en de uitrusting van zijn centra. Bij de aanwending van het werkingsbudget moet ieder bestuur rekening houden met een gelijke behandeling van al zijn gefinancierde of gesubsidieerde centra. Art. 51.De regering bepaalt de wijze waarop het bestuur de aanvraag tot werkingsbudget moet indienen. Art. 52.Ieder bestuur van een gesubsidieerd centrum moet aan het departement verantwoording afleggen over het gebruik van zijn werkingsbudget. Art. 53.§ 1. Het werkingsbudget van de gefinancierde en de gesubsidieerde centra wordt vastgesteld op 533 000 000 frank. Dit bedrag wordt als volgt verdeeld : 1° voor de tijdelijke stuurgroep (tot en met 31 augustus 2003) : 2 000 000 frank per jaar;2° voor de permanente ondersteuning : 100 000 frank per omkaderingsgewicht per jaar;3° voor de extra-omkaderingsgewichten : 100 000 frank per omkaderinsgewicht per jaar;4° voor de boventallige klerken bedoeld in artikel 187 : 100 000 frank per omkaderingsgewicht per jaar;5° voor de lineaire omkaderingsgewichten : het totaal bedrag verminderd met de som van de bedragen vermeld in de punten 1 tot en met 4, evenredig te verdelen per lineair omkaderingsgewicht. § 2. Het werkingsbudget en de bedragen bestemd voor de tijdelijke stuurgroep, voor de omkaderingsgewichten verbonden aan de permanente ondersteuning, voor de extra- omkaderingsgewichten en voor de omkaderingsgewichten verbonden aan de boventallige klerken, bedoeld in § 1, worden jaarlijks als volgt geïndexeerd : B x ((0,4 x (c1/c0)) + 0,6x(lkl/lk0)) waarbij : 1° B gelijk is aan het bedoelde bedrag voor het begrotingsjaar 1998, zoals bepaald in § 1;2° c1/c0 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar en de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 1998;3° lk1/lk0 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar en de geraamde index van de eenheidskosten op het einde van het begrotingsjaar 1998. Art. 54.Het werkingsbudget van de gefinancierde centra vormt een onderdeel van de werkingsmiddelen toegekend aan het gemeenschapsonderwijs. Art. 55.De werkingsbudgetten voor de gesubsidieerde centra worden tijdens het lopend schooljaar in twee delen uitbetaald. Een voorschot van 50 % wordt uitbetaald in de loop van de maand januari. Het saldo wordt uitbetaald in de loop van de maand juni. Onderafdeling E. - De investeringsmiddelen Art. 56.De besturen van de centra kunnen voor elk van hun centra een beroep doen op de door de Gemeenschap aan het gemeenschapsonderwijs voor de gefinancierde centra of aan de DIGO voor de gesubsidieerde centra toegekende investeringsmiddelen voorzover : 1° het centrum voldoet aan de subsidiërings- of financieringsvoorwaarden, bedoeld in artikel 41;2° de behoefte aan nieuwbouw, verbouwing of uitbreiding is aangetoond, en er binnen een bepaalde gebiedsomschrijving geen bestaande gebouwen of voorzieningen beschikbaar zijn die geheel of gedeeltelijk door de Gemeenschap zijn gefinancierd of gesubsidieerd;3° de werken beantwoorden aan de door de regering vastgestelde fysische en financiële normen. HOOFDSTUK VII. - Programmatie en rationalisatie Afdeling 1. - Het werkgebied Art. 57.Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van hoofdstuk VIII is de administratieve zetel van een school bepalend voor de gemeente waar de school gevestigd is. § 2. Voor het vaststellen van werkgebieden wordt geen rekening gehouden met scholen voor buitengewoon onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en erkende vormingen. Art. 58.§ 1. Een werkgebied of gemeenschappelijk werkgebied is een geografische omschrijving van aan elkaar grenzende gemeenten. Een werkgebied wordt voor drie jaar vastgelegd. De regering kan nadere regels opstellen voor het bepalen van het werkgebied. § 2. Voor het vaststellen van werkgebieden wordt geen rekening gehouden met scholen voor buitengewoon onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en erkende vormingen. § 3. Als een centrum, als enig centrum van zijn centrumnet, scholen begeleidt in een gemeente, behoort deze gemeente tot zijn werkgebied. § 4. Teneinde te komen tot een geografisch aaneensluitend geheel vult het centrum zijn werkgebied aan met gemeenten waar geen scholen worden begeleid door centra die tot zijn centrumnet behoren. § 5. Als meer centra die behoren tot hetzelfde centrumnet, scholen begeleiden in een gemeente, hebben zij een gemeenschappelijk werkgebied, dat bestaat uit alle gemeenten waar zij scholen begeleiden aangevuld met de gemeenten bedoeld in § 4. In een gemeenschappelijk werkgebied kunnen ten hoogste vijf centra van hetzelfde centrumnet worden opgericht, voor zover voldaan is aan de rationalisatie- en programmatieregels. § 6. Als een centrum scholen voor buitengewoon onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en erkende vormingen begeleidt, kunnen deze, afhankelijk van de gemeente waar zij gelegen zijn, behoren tot het werkgebied of het gemeenschappelijk werkgebied van het centrum. Een centrum kan ook scholen voor buitengewoon onderwijs, voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en erkende vormingen, begeleiden die buiten zijn werkgebied gelegen zijn. Art. 59.§ 1. In afwijking van artikel 58, kunnen centra scholen, andere dan deze bedoeld in artikel 58, § 6, buiten hun werkgebied, begeleiden, nadat de bemiddelingscommissie, bedoeld in § 2, heeft vastgesteld dat een overeenkomst tussen de school en de centra tot wier werkgebied de school behoort, niet kan worden gesloten. § 2. De bemiddelingscommissie bestaat uit : - de algemeen inspecteur-generaal van de onderwijsinspectie die voorzitter is; - twee leden van de onderwijsinspectie en twee leden van de inspectie van de centra, aangeduid door de inspectieraad. Zij wordt aangevuld met twee vertegenwoordigers van de betrokken centrumnetten en twee vertegenwoordigers van het betrokken onderwijswet. Deze leden hebben een raadgevende stem. De regering bepaalt de werking van deze commissie en stelt de bemiddelingsprocedure vast. § 3. De leerlingen van de school bedoeld in § 1, worden voor de toepassing van de rationalisatie- en programmatieregels niet in aanmerking genomen. Het leerlingenaantal van de scholen bedoeld in § 1, wordt voor de toepassing van artikel 70, gehalveerd. Afdeling 2. - Programmatie Onderafdeling A. - Oprichting van centra Art. 60.Om de drie jaar kan een nieuw centrum per 1 september in de financierings- of subsidieregeling worden opgenomen, op voorwaarde dat de scholen die met dit centrum een beleidsplan of beleidscontract hebben, in het voorgaande schooljaar op de eerste schooldag van februari gezamenlijk een leerlingenaantal hebben waardoor voor het centrum de programmatienorm bereikt wordt. De programmatienormen gelden per werkgebied en in voorkomend geval, per gemeenschappelijk werkgebied. Onderafdeling B. - Fusies Art. 61.Om de drie jaar kan elk centrum met één of meer andere centra fuseren. Een fusie van centra heeft uitwerking op 1 september. Het centrum door fusie ontstaan wordt niet als een nieuwe oprichting beschouwd. De programmatienormen zijn niet van toepassing. Onderafdeling C. - Programmatienormen Art. 62.Een centrum waarvan het werkgebied niet gemeenschappelijk is met een ander centrum van hetzelfde centrumnet, kan opgericht worden als het scholen begeleidt die samen aanleiding geven tot een gewogen leerlingenaantal van ten minste 20 000. Art. 63.In een gemeenschappelijk werkgebied kunnen twee centra van hetzelfde centrumnet worden opgericht als de twee centra samen scholen begeleiden die na toepassing van artikel 69 aanleiding geven tot een gewogen leerlingenaantal van ten minste 40 000. Art. 64.In een gemeenschappelijk werkgebied kunnen drie, vier en vijf centra van hetzelfde centrumnet worden opgericht als deze centra samen scholen begeleiden die na toepassing van artikel 69 aanleiding geven tot een gewogen leerlingenaantal van respectievelijk ten minste 60 000, 80 000 en 100 000. Afdeling 3. - Rationalisatie Art. 65.Om gefinancierd of gesubsidieerd te blijven, moet het gewogen leerlingenaantal van een centrum om de drie jaar, geteld op de eerste schooldag van februari van het laatste schooljaar binnen de driejaarlijkse termijn, de rationalisatienorm bereiken. Als dit niet het geval is, wordt het centrum vanaf 1 september van het daarop volgende schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd. Art. 66.De rationalisatienorm wordt vastgesteld op 11 000 gewogen leerlingen. HOOFDSTUK VIII. - Personeelsformatie Afdeling 1. - Omkaderingsgewicht van het centrum Art. 67.Het aantal gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen binnen een centrum is afhankelijk van een aan het centrum toegekend omkaderingsgewicht dat om de drie jaar wordt vastgesteld op basis van : 1° het gewogen leerlingenaantal van het centrum;2° de taakbelasting, zoals beïnvloed door de aanwezigheid van kansarme leerlingen en de densiteit. Het omkaderingsgewicht wordt voor het eerst vastgesteld voor het schooljaar 2000-2001. Afdeling 2. - Gewogen leerlingenaantal Art. 68.Onverminderd de toepassing van artikel 59, § 3, is het gewogen leerlingenaantal van een centrum om de drie jaar gelijk aan het aantal regelmatige leerlingen in de scholen begeleid door het centrum, geteld op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, vermenigvuldigd met de overeenkomstige coëfficiënt, bedoeld in artikel 69. Art. 69.§ 1. Voor de weging van de leerlingen gelden de volgende coëfficiënten : 1° de leerlingen van het buitengewoon onderwijs, van het geïntegreerd onderwijs, van het deeltijds secundair beroepsonderwijs en de deelnemers aan de erkende vormingen worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt 7;2° de leerlingen van het eerste leerjaar B en van het beroepsvoorbereidend leerjaar, van de tweede en derde graad van het beroepsonderwijs en de anderstalige nieuwkomers in het basis- en het secundair onderwijs worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt 4;3° de leerlingen van het kleuteronderwijs en van het lager onderwijs worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt 2;4° de leerlingen van de eerste graad van het secundair onderwijs, met uitzondering van het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar en de leerlingen van het kunst- en technisch secundair onderwijs worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt 1,5;5° de overige leerlingen van het secundair onderwijs worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt 1. § 2. Een leerling die een erkende vorming volgt, behoort tot het centrum waaronder die erkende vorming valt en dat bovendien tot hetzelfde centrumnet behoort als het centrum dat instond voor de begeleiding toen de leerling voltijds of deeltijds onderwijs volgde. Afdeling 3. - Normen voor het omkaderingsgewicht per aantal gewogen leerlingen Art. 70.§ 1. Het omkaderingsgewicht op basis van het gewogen leerlingenaantal van een centrum wordt als volgt bepaald : o = l/n en n=L/|gSo waarbij : 1° o = omkaderingsgewicht op basis van het gewogen leerlingenaantal van het centrum;2° l = gewogen leerlingenaantal;3° n = gewogen leerlingenaantal per eenheid omkaderingsgewicht;4° L = totaal gewogen leerlingenaantal van alle centra;5° |gSo = totaal aantal lineair te verdelen omkaderingsgewichten; § 2. Het totaal aantal lineair te verdelen omkaderingsgewichten, °o, wordt berekend als volgt : |gSo = 0G - |gSart72 - KL - ST - PO waarbij : OG = 2630, zijnde het totaal aantal omkaderingsgewichten te verdelen overeenkomstig de bepalingen van dit decreet; |gSart72 = de 300 extra-omkaderingsgewichten bedoeld in artikel 71; KL = de omkaderingsgewichten die-aan de centra van het gemeenschapsonderwijs uitdovend worden toegewezen voor het aanwenden van de boventallige klerken bedoeld in artikel 187; ST = de 18 omkaderingsgewichten die tot en met 31 augustus 2003 worden aangewend voor de personeelsleden werkzaam in de tijdelijke stuurgroep bedoeld in artikel 199 en die vanaf 1 september 2003 worden toegewezen aan de permanente ondersteuningscellen of de pedagogische begeleidingsdiensten; PO = de omkaderingsgewichten die worden aangewend voor de permanente en netgebonden ondersteuning van de centra, bedoeld in artikel 89. Afdeling 4. - Extra omkaderingsgewichten Art. 71.§ 1. Ter compensatie van de taakbelasting, bedoeld in artikel 67, 2°, worden 300 extra omkaderingseenheden aan de centra toegewezen. § 2. Een omkaderingsgewicht van 100 wordt verdeeld over de centra die leerlingen begeleiden die ingeschreven zijn in scholen gelegen in één van de SIF+gemeenten, bedoeld in het decreet van 14 mei 1996 tot vaststelling van de regelen inzake de werking en de verdeling van het Sociaal Impulsfonds. Van dat omkaderingsgewicht krijgt elk van die centra een gedeelte dat evenredig is met het aandeel van de door hem begeleide leerlingen in die gemeenten, vermenigvuldigd met het bedrag per inwoner in het Sociaal Impulsfonds. § 3. Een omkaderingsgewicht van 20 wordt verdeeld over de centra die leerlingen begeleiden die ingeschreven zijn in scholen gelegen in het Tweetalig Gebied Brussel-Hoofdstad, a rato van het aantal leerlingen dat zij daar begeleiden. § 4. Een omkaderingsgewicht van 180 wordt verdeeld over de centra gelegen in het Vlaamse Gewest met de laagste densiteit. De densiteit van een centrum wordt als volgt bepaald : d = l/k, waarbij, d = de densiteit; l = het leerlingenaantal van het centrum, met uitzondering van het leerlingenaantal van de scholen buiten het werkgebied; k = de som van de oppervlakten van die gemeenten binnen het werkgebied met uitzondering van die gemeenten waarin het centrum geen enkele school begeleidt. De centra met een gemeenschappelijk werkgebied komen niet in aanmerking voor extra omkaderingsgewichten op basis van densiteit. De 180 omkaderingsgewichten worden, tot uitputting van deze gewichten, als volgt verdeeld : 1° de 10 centra met de laagste densiteit krijgen een extra-omkaderingsgewicht van 40 % boven hun lineair berekend omkaderingsgewicht, met een maximum van 7 extra-omkaderingsgewichten;2° de volgende 9 centra met de laagste densiteit krijgen een extra-omkaderingsgewicht van 35 % boven hun lineair berekend omkaderingsgewicht, met een maximum van 6 extra-omkaderingsgewichten;3° de volgende 8 centra met de laagste densiteit krijgen een extra-omkaderingsgewicht van 30 % boven hun lineair berekend omkaderingsgewicht, met een maximum van 5 extra-omkaderingsgewichten;4° de volgende 7 centra met de laagste densiteit krijgen een extra-omkaderingsgewicht van 25 % boven hun lineair berekend omkaderingsgewicht, met een maximum van 4 extra-omkaderingsgewichten;5° de volgende 6 centra met de laagste densiteit krijgen een extra-omkaderingsgewicht van 20 % boven hun lineair berekend omkaderingsgewicht, met een maximum van 3 extra-omkaderingsgewichten;6° de volgende 5 centra met de laagste densiteit krijgen een extra-omkaderingsgewicht van 15 % boven hun lineair berekend omkaderingsgewicht, met een maximum van 2 extra-omkaderingsgewichten;7° de volgende centra met de laagste densiteit krijgen een extra-omkaderingsgewicht van 10 % boven hun lineair berekend omkaderingsgewicht, met een maximum van 1 extra-omkaderingsgewicht. Afdeling 5. - De personeelsformatie Art. 72.Op basis van het omkaderingsgewicht, stelt het bestuur, na onderhandeling in het lokaal comité, de personeelsformatie van het centrum vast voor de volgende drie schooljaren. Het omkaderingsgewicht wordt in eerste instantie aangewend voor betrekkingen van de basisformatie. Het kan extra worden aangewend voor betrekkingen van de aanvullende formatie en voor coördinatiefuncties. De som van de gewichten van de toegekende ambten of van de coördinatiefuncties, bedoeld in artikel 73 en 76, mag niet meer bedragen dan het omkaderingsgewicht van het centrum, bedoeld in artikel 67, rekening houdend met de overgedragen omkaderingsgewichten bedoeld in de artikelen 90 en 92. Art. 73.§ 1. De personeelsformatie van een centrum bestaat uit een basisformatie als bedoeld in artikel 74 en in voorkomend geval uit een aanvullende formatie. Ze wordt uitsluitend samengesteld uit de volgende wervingsambten : 1° arts;2° consulent;3° psycho-pedagogische consulent;4° administratief werker;5° maatschappelijk werker;6° paramedisch werker;7° psycho-pedagogisch werker;8° medewerker en uit het bevorderingsambt van directeur dat bij mandaat wordt toegewezen. § 2. De wervingsambten bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° en 7°, en het bevorderingsambt van directeur behoren tot de personeelscategorie van het technisch personeel. De wervingsambten bedoeld in § 1, 4° en 8°, behoren tot de personeelscategorie van het administratief personeel. Art. 74.De basisformatie bestaat uit volgende mandaten en wervingsambten : 1° 1 volledige betrekking van arts;2° 1 volledige betrekking van directeur;3° 2 volledige betrekkingen van maatschappelijk werker;4° 2 volledige betrekkingen van paramedisch werker : 5° 2 volledige betrekkingen van psycho-pedagogisch consulent;6° 1 volledige betrekking van administratief werker of van medewerker. Art. 75.De aanvullende formatie kan alle wervingsambten bevatten. Art. 76.Een personeelslid kan een coördinatiefunctie krijgen. Het omkaderingsgewicht voor een coördinatiefunctie is 0,2. Als een directeur of arts wordt belast met coördinatie, wordt het omkaderingsgewicht voor de coördinatiefunctie niet toegepast. Art. 77.Het omkaderingsgewicht per ambt is : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Art. 78.§ 1. Elke betrekking kan worden georganiseerd voor 50 %, 60 %, 80 % of 100 %. Het mandaat van directeur wordt georganiseerd voor 100 %. De arbeidstijd voor een voltijdse betrekking bedraagt 38 uur per week. Indien een betrekking deeltijds wordt georganiseerd, wordt het omkaderingsgewicht van de betrekking vermenigvuldigd met de breuk van de arbeidstijd. § 2. In afwijking van § 1, kan een betrekking in een centrum worden georganiseerd voor minder dan 50 % op voorwaarde dat het betrokken personeelslid tewerkgesteld is in twee centra, of in een centrum en in het onderwijs, en voor zover het aldus een totale tewerkstellingstijd bereikt van ten minste 50 %. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de regionale ondersteuningscellen en de permanente ondersteuningscel als een centrum beschouwd. § 3. In afwijking van de §§ 1 en 2, kan een personeelslid als tijdelijk vervanger van een titularis, worden tewerkgesteld voor een tewerkstellingstijd kleiner dan 50 %. Afdeling 6. - Personeel voor rekening van het werkingsbudget Art. 79.Het bestuur kan voor rekening van het werkingsbudget, bedoeld in artikel 50, of met andere inkomsten personeel in dienst nemen. Het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, zijn op deze personeelsleden niet van toepassing. Afdeling 7. - Vakantie van het personeel van de centra Art. 80.Het personeel van de centra is met vakantie op de dagen dat het centrum gesloten is. Art. 81.Onverminderd artikel 80, heeft het personeel recht op 23 werkdagen vakantie. Deze vakantiedagen moeten worden opgenomen tijdens de schoolvakanties, met uitzondering van zeven werkdagen die buiten de schoolvakanties, behalve in de maand juni, kunnen worden opgenomen. HOOFDSTUK IX. - Tijdelijke projecten Art. 82.De regering kan tijdelijke projecten aanbieden waarop centra van alle centrumnetten kunnen ingaan. Ze omschrijft deze projecten, bepaalt de tijdsduur ervan en bepaalt onder welke voorwaarden centra kunnen deelnemen aan de projecten. Art. 83.§ 1. Afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten kunnen aan centra die deelnemen aan de projecten een aanvullend omkaderingsgewicht en/of extra middelen worden toegekend. § 2. Het aanvullend omkaderingsgewicht en/of extra middelen worden toegekend binnen een schooljaar en dienen aangewend te worden zoals door de regering bepaald. § 3. De personeelsleden die fungeren op basis van het aanvullend omkaderingsgewicht worden tijdelijk aangesteld, nl. voor de duur van het project. Deze personeelsleden kunnen ook ingezet worden om vastbenoemden of andere tijdelijken te vervangen, indien de laatstgenoemden het project uitvoeren. Het bestuur kan in geen geval personeelsleden een vaste aanstelling geven op basis van het aanvullend omkaderingsgewicht. Art. 84.§ 1. De inspectie evalueert ten minste jaarlijks de lopende projecten en formuleert de resultaten daarvan in een advies aan de regering. De regering beslist op basis van het advies over de voortgang of beëindiging van de projecten. § 2. De verlenging van een tijdelijk project dat reeds drie jaar duurt kan alleen gebeuren na een gemotiveerde mededeling aan het Vlaams Parlement. HOOFDSTUK X. - Samenwerking Afdeling 1. - Regionale ondersteuningscel Art. 85.Om specifieke deskundigheid maximaal aan te wenden, kunnen twee of meer centra een regionale ondersteuningscel oprichten. Art. 86.§ 1. Maximaal tien procent van het omkaderingsgewicht van de betrokken centra bedoeld in de artikelen 70 en 71, kunnen worden toegewezen aan een regionale ondersteuningscel. De personeelsleden die fungeren in een regionale ondersteuningscel blijven administratief verbonden aan hun centrum. Jaarlijks meldt ieder centrum op de door de regering te bepalen wijze welke personeelsleden zijn toegewezen aan welke regionale ondersteuningscel. Elk centrum kan eveneens het overeenstemmende werkingsbudget geheel of gedeeltelijk overdragen aan de regionale ondersteuningscel. § 2. De toepassing van § 1 mag er niet toe leiden dat een centrum zijn basisformatie bedoeld in artikel 74 niet meer kan realiseren. Art. 87.De regering maakt jaarlijks de lijst van alle regionale ondersteuningscellen bekend. Bij de doorlichting van een centrum wordt ook de regionale ondersteuningscel die het mee heeft opgericht betrokken. Afdeling 2. - Net- en discipline-overstijgende wetenschappelijke samenwerking Art. 88.De regering stelt jaarlijks maximaal 20 miljoen frank ter beschikking voor wetenschappelijke en netoverstijgende samenwerking. Met netoverstijgend wordt bedoeld dat de drie netten, bedoeld in artikel 2, 6°, samenwerken. Minimum 40 percent van dit bedrag wordt gereserveerd voor permanente en multidisciplinaire ondersteuning van de centra. De regering stelt deze middelen via convenanten ter beschikking van de samenwerkende contractanten. De regering stelt minimum 40 percent van dit bedrag ter beschikking voor andere netoverstijgende en multidisciplinaire projecten. Afdeling 3. - Netgebonden permanente ondersteuning Art. 89.De gefinancierde centra, de gesubsidieerde officiële centra en de gesubsidieerde vrije centra richten ieder een permanente ondersteuningscel op, voor de netgebonden ondersteuning. Deze permanente ondersteuningscellen krijgen hiertoe respectievelijk drie, één en vier omkaderingsgewichten. Met ingang van 1 september 2003, wordt het omkaderingsgewicht van de permanente ondersteuningscellen uitgebreid met de omkaderingsgewichten bedoeld in artikel 202. Art. 90.§ 1. Elk centrum kan, na onderhandeling in het lokaal comité, driejaarlijks maximum 0,5 omkaderingsgewichten van het omkaderingsgewicht bedoeld in artikel 70, overdragen aan het permanent ondersteuningscentrum. In deze overgedragen omkaderingsgewichten is geen vaste benoeming mogelijk. Elk centrum mag eveneens het overeenstemmende werkingsbudget geheel of gedeeltelijk overdragen. § 2. De toepassing van § 1 mag er niet toe leiden dat een centrum zijn basisformatie bedoeld in artikel 74 niet meer kan realiseren. Art. 91.Met de omkaderingsgewichten bedoeld in de artikelen 89 en 90, kunnen tijdelijke betrekkingen in alle ambten inclusief de coördinatiefunctie bedoeld in artikel 76, gefinancierd of gesubsidieerd worden. Vastbenoemde personeelsleden kunnen worden toegewezen aan de permanente ondersteuningscel en worden in hun centrum tijdelijk vervangen op basis van de toegekende en niet overgedragen omkaderingsgewichten. Afdeling 4. - Overdracht van omkaderingsgewichten tussen centra Art. 92.§ 1. Een centrum kan, na onderhandeling in het lokaal …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.