📄 Wettekst
1 JULI 2016. - Decreet tot wijziging van de regelgeving voor ruimtelijke uitvoeringsplannen teneinde de planmilieueffectrapportage en andere effectbeoordelingen in het planningsproces voor ruimtelijke uitvoeringsplannen te integreren door wijziging van diverse decreten (1)
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet tot wijziging van de regelgeving voor ruimtelijke uitvoeringsplannen teneinde de planmilieueffectrapportage en andere effectbeoordelingen in het planningsproces voor ruimtelijke uitvoeringsplannen te integreren door wijziging van diverse decreten HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Artikel 1.Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid. HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Art. 2.In artikel 4.1.1, § 1, 13°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het
decreet van 18 december 2002Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
18/12/2002
pub.
13/02/2003
numac
2003035183
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage
sluiten en vervangen bij de decreten van 12 december 2008 en 18 december 2015, wordt de zinsnede "overeenkomstig artikelen 41, 44 en 48 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" telkens vervangen door de zinsnede "overeenkomstig de artikelen 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening". Art. 3.In artikel 4.2.4, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het
decreet van 18 december 2002Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
18/12/2002
pub.
13/02/2003
numac
2003035183
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage
sluiten, vervangen bij het
decreet van 27 april 2007Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
27/04/2007
pub.
20/06/2007
numac
2007035854
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten en gewijzigd bij het decreet van 28 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de zinsnede "dit hoofdstuk aan de opmaak van een plan-MER is onderworpen," wordt vervangen door de zinsnede "artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt,"; 2° tussen de woorden "worden bepaald op welke wijze het" en de woorden "plan-MER in de opmaakprocedure" worden de woorden "onderzoek tot milieueffectrapportage of het" ingevoegd;3° in punt 2° wordt het woord "plan-MER" vervangen door de woorden "ontwerp van plan-MER";4° in punt 3° worden tussen de zinsnede "verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, wordt het" en de woorden "plan-MER samen met het ontwerpplan of ontwerpprogramma" de woorden "onderzoek tot milieueffectrapportage of het ontwerp van" ingevoegd;5° in punt 5°, b), 2), wordt het woord "goedgekeurde" vervangen door het woord "definitieve". Art. 4.In artikel 4.2.8 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het
decreet van 18 december 2002Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
18/12/2002
pub.
13/02/2003
numac
2003035183
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage
sluiten, vervangen bij het
decreet van 27 april 2007Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
27/04/2007
pub.
20/06/2007
numac
2007035854
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten en gewijzigd bij de decreten van 23 december 2010 en 28 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 5° vervangen door wat volgt : "5° een voorstel van reikwijdte en detailleringsniveau van het plan-MER;"; 2° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, die luidt als volgt : " § 1bis.Het plan-MER moet ten minste de volgende gegevens bevatten : 1° een schets van de inhoud, een omschrijving van de voornaamste doelstellingen van het plan of van het programma en het verband met andere relevante plannen en programma's;2° de relevante aspecten van de bestaande situatie van het milieu en de mogelijke ontwikkeling ervan als het plan of het programma niet wordt uitgevoerd;3° de milieukenmerken van de gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn;4° alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma, met inbegrip van met name milieuproblemen in gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn, zoals gebieden die overeenkomstig richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG zijn aangewezen;5° de relevante doelstellingen voor de milieubescherming en de wijze waarop rekening wordt gehouden met die doelstellingen en de milieuoverwegingen bij de voorbereiding van het plan of programma;6° een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en van de onderzochte redelijke alternatieven op, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ordening, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit, en de samenhang tussen de vermelde factoren.De beschrijving van de milieueffecten omvat de directe en, in voorkomend geval, de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het plan of programma. De aanzienlijke milieueffecten worden onder meer beoordeeld in het licht van de milieukwaliteitsnormen die zijn vastgesteld conform hoofdstuk II van titel II van dit decreet; 7° de maatregelen om aanzienlijke negatieve milieueffecten als gevolg van de uitvoering van het plan of programma te voorkomen, te beperken of zo veel mogelijk teniet te doen;8° een schets met opgave van de redenen voor de selectie van de onderzochte alternatieven en een omschrijving van de wijze waarop de evaluatie is doorgevoerd, met inbegrip van de moeilijkheden die ondervonden zijn bij het inzamelen van de vereiste gegevens, zoals technische tekortkomingen of gebrek aan kennis;9° een omschrijving van de monitoringsmaatregelen;10° een niet-technische samenvatting van de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met punt 9° ; 11° de nuttige informatie over de milieueffecten van de plannen en programma's die op andere besluitvormingsniveaus of krachtens andere wetgevingen ingewonnen wordt en kan worden gebruikt om de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 9°, te verstrekken."; 3° in paragraaf 6, eerste lid, 2°, worden de woorden "en aanvullende bijzondere" opgeheven. Art. 5.Artikel 4.2.10 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het
decreet van 27 april 2007Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
27/04/2007
pub.
20/06/2007
numac
2007035854
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten en gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 28 februari 2014, wordt vervangen door wat volgt : "Art. 4.2.10. De initiatiefnemer informeert de administratie op geregelde tijdstippen over de voortgang van het ontwerp van plan-MER en van het planningsproces. De administratie toetst het ontwerp van plan-MER en de daarin opgenomen informatie tijdens het planningsproces inhoudelijk aan de beslissing, vermeld in artikel 4.2.8, § 6. De initiatiefnemer zorgt ervoor dat de noodzakelijke informatie daarvoor tijdig en op elk moment beschikbaar is voor de administratie.". Art. 6.Artikel 4.2.11 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het
decreet van 27 april 2007Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
27/04/2007
pub.
20/06/2007
numac
2007035854
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten en gewijzigd bij het decreet van 28 februari 2014, wordt vervangen door wat volgt : "Art. 4.2.11. § 1. De initiatiefnemer bezorgt, als dat nodig is, het ontwerp van plan of programma samen met het ontwerp van plan-MER en de beslissing, vermeld in artikel 4.2.8, § 6, aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarvoor het ontwerp van plan of programma relevant is. Die gemeenten organiseren een openbaar onderzoek dat minstens zestig dagen duurt. Als al op basis van andere toepasselijke wetgeving een openbaar onderzoek moet worden georganiseerd, gelden de procedureregels van die wetgeving voor het openbaar onderzoek.
Het openbaar onderzoek vindt in elk geval plaats vóór het plan of programma wordt vastgesteld of aan de wetgevingsprocedure wordt onderworpen.
Opmerkingen worden schriftelijk bij het college van burgemeester en schepenen ingediend vóór het einde van de termijn van het openbaar onderzoek. Ze worden gevoegd bij het proces-verbaal tot sluiting van het openbaar onderzoek, dat binnen veertien dagen na de sluiting ervan door het college van burgemeester en schepenen wordt opgesteld. Het college van burgemeester en schepenen stuurt de opmerkingen en het proces-verbaal tot sluiting van het openbaar onderzoek binnen dertig dagen na de sluiting naar de initiatiefnemer.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het openbaar onderzoek. § 2. Op het ogenblik dat de initiatiefnemer de documenten, vermeld in paragraaf 1, in openbaar onderzoek laat brengen, bezorgt hij die documenten ook voor advies aan de reeds geraadpleegde instanties.
Als het voorgenomen plan of programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, of in verdragspartijen bij het Verdrag, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de initiatiefnemer de documenten, vermeld in paragraaf 1, voor advies aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen of gewesten.
De adviezen moeten binnen vijfenveertig dagen na de adviesaanvraag worden bezorgd aan de initiatiefnemer. Als er sprake is van grens- of gewestoverschrijdende milieueffecten als vermeld in het tweede lid, wordt de termijn met zestig dagen verlengd.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten hun mening over het ontwerp van plan-MER en het ontwerp van plan of programma kunnen meedelen, alsook over de wijze waarop overleg daarover wordt gepleegd. § 3. De initiatiefnemer bezorgt de opmerkingen en adviezen, vermeld in paragraaf 1 en 2, en het voltooide plan-MER door betekening of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de administratie. § 4. De administratie toetst het plan-MER inhoudelijk aan de beslissing, vermeld in artikel 4.2.8, § 6, rekening houdend met de opmerkingen en de adviezen, vermeld in paragraaf 1 en 2.
De administratie beslist uiterlijk voor de definitieve vaststelling van het plan of programma over de goedkeuring of afkeuring van het plan-MER. Ze betekent die beslissing onverwijld aan de initiatiefnemer en de geraadpleegde administraties, instanties, autoriteiten van lidstaten, verdragspartijen of gewesten. In geval van afkeuring geeft ze aan waar het plan-MER tekortschiet. § 5. De beslissing, vermeld in paragraaf 4, vermeldt dat de initiatiefnemer tegen de beslissing een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van twintig dagen vanaf de ontvangst van de beslissing.
Bij heroverweging beslist de administratie na advies van de adviescommissie als vermeld in artikel 4.6.4.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de procedure tot heroverweging. § 6. Bij de voorbereiding, en vóór de vaststelling of onderwerping van het plan of programma aan de wetgevingsprocedure, wordt rekening gehouden met : 1° het conform paragraaf 4 goedgekeurde plan-MER;2° de opmerkingen, adviezen en het resultaat van de grens- of gewestoverschrijdende raadpleging, vermeld in paragraaf 1 en 2. § 7. Als een plan of programma wordt vastgesteld, brengt de initiatiefnemer de instanties, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, het publiek en de autoriteiten van alle lidstaten, van de Europese Unie, verdragspartijen of gewesten, geraadpleegd uit hoofde van paragraaf 2, tweede lid, op de hoogte van de volgende documenten : 1° het plan of programma zoals het is vastgesteld;2° een verklaring die samenvat : a) hoe de milieuoverwegingen in het plan of programma zijn geïntegreerd;b) hoe rekening is gehouden met het conform paragraaf 4 goedgekeurde plan-MER en de conform paragraaf 1 en 2 gegeven opmerkingen, adviezen en het resultaat van de grens- of gewestoverschrijdende raadpleging;c) de redenen waarom is gekozen voor het plan of programma zoals het is aangenomen, in het licht van de andere redelijke alternatieven die zijn behandeld; 3° de monitoringsmaatregelen waartoe wordt besloten met toepassing van artikel 4.6.3bis.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die informatie en de wijze van kennisgeving.". Art. 7.Artikel 4.4.1, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het
decreet van 18 december 2002Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
18/12/2002
pub.
13/02/2003
numac
2003035183
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage
sluiten, wordt vervangen door wat volgt : " § 2. De Vlaamse Regering stelt de criteria vast om te bepalen of voor een ruimtelijk uitvoeringsplan al dan niet een ruimtelijk veiligheidsrapport vereist is.". Art. 8.In artikel 4.4.2, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het
decreet van 18 december 2002Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
18/12/2002
pub.
13/02/2003
numac
2003035183
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage
sluiten, wordt tussen de woorden "moet in voorkomend geval de schriftelijke richtlijnen" en de woorden "van de administratie in acht nemen" de woorden "zoals geïntegreerd in de scopingnota vermeld in artikel 2.2.4, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening," ingevoegd. Art. 9.Artikel 4.4.4 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het
decreet van 18 december 2002Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
18/12/2002
pub.
13/02/2003
numac
2003035183
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage
sluiten en gewijzigd bij het decreet van 28 februari 2014, wordt opgeheven. HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu Art. 10.In artikel 17, § 3, tweede lid, van het
decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/10/1997
pub.
10/01/1998
numac
1997036441
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, ingevoegd bij het
decreet van 19 juli 2002Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
19/07/2002
pub.
26/10/2002
numac
2002036337
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996
type
decreet
prom.
19/07/2002
pub.
31/08/2002
numac
2002036124
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van het bosdecreet van 13 juni 1990, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet zoals aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968
sluiten, vervangen bij het decreet van 19 mei 2006 en gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "artikel 2.2.13, § 1, respectievelijk 2.2.9, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" vervangen door de zinsnede "artikel 2.2.20, tweede lid, respectievelijk artikel 2.2.14, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of binnen de adviestermijn van eenentwintig dagen als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd zoals vermeld in artikel 2.2.20, zesde lid, respectievelijk artikel 2.2.14, zesde lid, van dezelfde codex". Art. 11.In artikel 36ter, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het
decreet van 19 juli 2002Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
19/07/2002
pub.
26/10/2002
numac
2002036337
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996
type
decreet
prom.
19/07/2002
pub.
31/08/2002
numac
2002036124
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van het bosdecreet van 13 juni 1990, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet zoals aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968
sluiten en gewijzigd bij de decreten van 27 april 2007 en 8 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° tussen het vierde en het vijfde lid worden twee leden ingevoegd, die luiden als volgt : "Wat betreft een plan of programma als vermeld in het vierde lid, dat geen ruimtelijk uitvoeringsplan is, maakt de passende beoordeling deel uit van de documenten die de initiatiefnemer bij het onderzoek tot milieueffectrapportage, vermeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bezorgt aan de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage.Als de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de verplichting inzake milieueffectrapportage indient als vermeld in artikel 4.2.3, § 3ter, van het voormelde decreet, maakt de passende beoordeling deel uit van dat verzoek. Als een plan-MER wordt opgemaakt, wordt de passende beoordeling daarin geïntegreerd.
Bij een plan of programma als vermeld in het vierde lid, dat een ruimtelijk uitvoeringsplan is, maakt de passende beoordeling, als er geen plan-MER moet worden opgemaakt, zo mogelijk al deel uit van de startnota, vermeld in artikel 2.2.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en in elk geval van de scopingnota, vermeld in het voormelde artikel. Als uit de scopingnota blijkt dat een plan-MER moet worden opgemaakt, wordt de passende beoordeling in het plan-MER geïntegreerd."; 2° het bestaande zesde lid, dat het achtste lid wordt, wordt vervangen door wat volgt : "De passende beoordeling wordt geïntegreerd in het project-MER of in het gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de verplichting tot het opstellen van een project-MER, vermeld in artikel 4.3.3, § 4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid."; 3° tussen het bestaande zesde en het zevende lid, die het achtste en het tiende lid worden, wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt : "De Vlaamse Regering kan nadere regels van integratie en herkenbaarheid van de passende beoordeling in de milieueffectrapportage bepalen.". HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 Afdeling 1. - Wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van
15 mei 2009, wat betreft de ruimtelijke uitvoeringsplannen Art. 12.In artikel 1.1.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, gewijzigd bij de decreten van 11 mei 2012, 4 april 2014 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een punt 4° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "4° /1 effectbeoordeling : de effectonderzoeken en effectrapportages die noodzakelijk zijn om een ruimtelijk uitvoeringsplan te onderbouwen, of als ondersteuning voor de te nemen beslissingen;"; 2° er wordt een punt 4° /2 ingevoegd, dat luidt als volgt : "4° /2 erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten inzake onroerend erfgoed : de erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten, genomen met toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het Onroerenderfgoed
decreet van 12 juli 2013Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
12/07/2013
pub.
17/10/2013
numac
2013035861
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het onroerend erfgoed
sluiten;"; 3° punt 6°, opgeheven door het
decreet van 4 april 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
04/04/2014
pub.
15/04/2014
numac
2014035382
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het grond- en pandenbeleid
sluiten, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : "6° grondruilplan : het grondruilplan, vermeld in artikel 2.1.65 van het
decreet van 28 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
28/03/2014
pub.
22/08/2014
numac
2014035709
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de landinrichting
sluiten betreffende de landinrichting;"; 4° punt 8°, opgeheven door het
decreet van 4 april 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
04/04/2014
pub.
15/04/2014
numac
2014035382
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het grond- en pandenbeleid
sluiten, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : "8° herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil : de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil, vermeld in artikel 2.1.61 van het
decreet van 28 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
28/03/2014
pub.
22/08/2014
numac
2014035709
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de landinrichting
sluiten betreffende de landinrichting;"; 5° er wordt een punt 8° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "8° /1 kwaliteitsbeoordeling : de kwaliteitsbeoordeling van de effectrapportages door de diensten, bevoegd voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage, waarin wordt beoordeeld of de effectrapportages voldoen aan de essentiële kenmerken, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, door : a) vast te stellen dat geen milieueffectrapport of ruimtelijk veiligheidsrapport vereist is; b) de inhoudsafbakening van het milieueffectrapport of ruimtelijk veiligheidsrapport te bepalen en het milieueffectrapport of ruimtelijk veiligheidsrapport daaraan te toetsen;"; 6° punt 13° wordt vervangen door wat volgt : "13° stedenbouwkundig voorschrift : een reglementaire bepaling : a) opgenomen in een ruimtelijk uitvoeringsplan;b) opgenomen in een plan van aanleg;c) van stedenbouwkundige aard opgenomen in een stedenbouwkundige verordening, of een bouwverordening vastgelegd op grond van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; d) opgenomen in het herkenbare onderdeel van een projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan;". Art. 13.Artikel 2.2.1 van dezelfde codex, gewijzigd bij het
decreet van 4 april 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
04/04/2014
pub.
15/04/2014
numac
2014035382
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het grond- en pandenbeleid
sluiten, wordt vervangen door wat volgt : "Art. 2.2.1. § 1. Een ruimtelijk uitvoeringsplan is het resultaat van een ruimtelijk planningsproces waarbij de effectbeoordelingen procedureel en inhoudelijk geïntegreerd worden in het proces, hierna genoemd : geïntegreerd planningsproces. Die integratie houdt in dat de effectbeoordelingen plaatsvinden tijdens het proces voor de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan. De effectbeoordelingen leveren gegevens over de mogelijke effecten van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan. Die gegevens worden verwerkt in het planningsproces voor het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan.
De procedure en de termijnen voor de opmaak van de effectbeoordelingen zijn geregeld in hoofdstuk II Ruimtelijke Uitvoeringsplannen van deze codex. Voor de overige aspecten van de effectbeoordelingen zijn artikel 4.2.3, 4.2.4, 4.2.8, § 1bis en § 6, artikel 4.2.9, § 1 en § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor de planmilieueffectrapportage van toepassing, en titel IV, hoofdstuk IV, van het voormelde decreet voor de ruimtelijke veiligheidsrapportage.
De effectrapporten bevatten de informatie zoals voorgeschreven in de toepasselijke regelgeving, met dien verstande dat naar de informatie die overeenkomstig de bepalingen van deze codex al in het ruimtelijk uitvoeringsplan is opgenomen, verwezen wordt in de effectrapporten.
In functie van het geïntegreerde planningsproces wordt een procesnota opgesteld die het volledige verloop van het planningsproces beschrijft. Het is een informatief en evolutief document dat in de loop van het planningsproces kan worden aangevuld. De procesnota geeft aan hoe het proces zal verlopen en bevat informatie over : 1° welke actoren betrokken worden bij het planningsproces, op welke wijze de participatie georganiseerd zal worden en hoe omgegaan wordt met de resultaten van de participatie;2° hoe en wanneer de informatieverstrekking zal verlopen als ze niet geregeld wordt door de Vlaamse Regering. De procesnota en de aangevulde procesnota worden op dezelfde wijze gepubliceerd. § 2. De Vlaamse Regering stelt een handleiding ter beschikking die de procesaanpak van het geïntegreerde planningsproces verduidelijkt.". Art. 14.Artikel 2.2.2 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 12 juli 2013, 28 maart 2014 en 4 april 2014, wordt vervangen door wat volgt : "Art. 2.2.2. § 1. Er worden ruimtelijke uitvoeringsplannen op de volgende niveaus opgemaakt : 1° gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor een of meer delen van het grondgebied van het gewest;2° provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen voor een of meer delen van het grondgebied van de provincie;3° gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor een of meer delen van het grondgebied van de gemeente. § 2. Een planningsniveau kan een planningsbevoegdheid delegeren aan een ander planningsniveau.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, wordt verleend door de Vlaamse Regering, de deputatie, respectievelijk het college van burgemeester en schepenen. Ze wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering of de adviesvraag over het voorontwerp van plan waarvoor de delegatie vereist is. Het delegatiebesluit bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft.
De delegatie kan gecombineerd worden met een instemming als vermeld in artikel 2.2.12, § 1, derde lid, of artikel 2.2.18, § 1, derde lid.
Bij het verlenen van de delegatie, vermeld in het eerste lid, kunnen de planningsniveaus afspraken maken over de verdeling van de kosten die verbonden zijn aan de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan en van financiële lasten of opbrengsten ten gevolge van de planschadevergoeding of de planbatenheffing die in voorkomend geval uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zal ontstaan. In voorkomend geval kan daarbij worden afgeweken van artikel 2.6.17, § 3, eerste lid, 2° tot en met 5°.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, vervalt vanaf de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
De principieel bevoegde planningsniveaus kunnen het in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan later geheel of gedeeltelijk vervangen binnen hun eigen planningsbevoegdheden. In voorkomend geval wordt daarbij het beginsel dat lagere ruimtelijke uitvoeringsplannen niet mogen afwijken van hogere uitvoeringsplannen als vermeld in artikel 2.2.12, § 1, derde lid, en artikel 2.2.18, § 1, derde lid, buiten toepassing gelaten.". Art. 15.Artikel 2.2.3 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. 2.2.3. Het ontwerp van een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgemaakt door een planteam dat kan bestaan uit verschillende personen die werken in een samenwerkingsverband, waaronder minstens een ruimtelijk planner.
Het planteam voert het geïntegreerde planningsproces, begeleidt de verschillende onderzoeken, integreert de tussentijdse resultaten in het planningsproces en zorgt voor een continue kwaliteitsbewaking.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaraan een of meer fysieke personen of rechtspersonen, of een gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk bestuur moeten voldoen om te kunnen worden aangewezen als ruimtelijk planner. Die voorwaarden kunnen onder meer variëren naargelang van het planningsniveau of naargelang van de grootte en de aard van de gemeente wat het gemeentelijke niveau betreft.". Art. 16.Artikel 2.2.4 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. 2.2.4. § 1. Het geïntegreerde planningsproces bestaat uit vijf fasen, waarbij het resultaat telkens geconsolideerd wordt in een van de volgende documenten : 1° de startnota;2° de scopingnota;3° het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan;4° het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan;5° het definitieve ruimtelijk uitvoeringsplan. De informatie over de inspraak of adviesvraag in elke fase geeft duidelijk aan waarover de inspraak of adviesvraag gaat. § 2. De startnota bevat : 1° een beschrijving en verduidelijking van de doelstellingen van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan;2° een afbakening van het gebied of de gebieden waarop het plan betrekking heeft;3° een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het ontwerpplan of voor onderdelen ervan, die de initiatiefnemer heeft overwogen, en een beknopte beschrijving van de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven;4° een beschrijving van de reikwijdte en het detailleringsniveau van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan en daaraan gekoppeld de reikwijdte en het detailleringsniveau van de te voeren effectonderzoeken zoals in die fase gekend;5° de relatie met het ruimtelijk structuurplan en, in voorkomend geval, met andere relevante beleidsplannen;6° de beschrijving van de te onderzoeken effecten en van de inhoudelijke aanpak van de effectbeoordelingen, met inbegrip van de methodologie, zoals bepaald door de wetgeving van de op te maken effectbeoordelingen en van andere onderzoeken die nodig zijn voor het plan.In voorkomend geval bevat de startnota ook een weergave van de gedane analyse, vermeld in artikel 4.2.6, § 1, 5°, en artikel 4.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, met inbegrip van de redenen waarom geen planmilieueffectrapport, respectievelijk ruimtelijk veiligheidsrapport moet worden opgemaakt; 7° in voorkomend geval, relevante gegevens uit vorige effectbeoordelingen of uit de goedgekeurde rapporten die daaruit zijn voortgekomen;8° in voorkomend geval, de impact of het effect dat het geïntegreerde planningsproces kan hebben op mens of milieu in een ander gewest of land of op de gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen;9° een overzicht van instrumenten die samen met het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan ingezet kunnen worden, als die al bekend zijn in deze fase. § 3. De scopingnota bouwt voort op de startnota en bevat minstens dezelfde onderdelen als de startnota. De scopingnota bepaalt de te onderzoeken ruimtelijke aspecten en de effectbeoordelingen die moeten worden uitgevoerd, alsook de methode ervan. Bij de opmaak wordt rekening gehouden met de adviezen en het resultaat van de participatie, vermeld in artikel 2.2.7, § 2, artikel 2.2.12, § 2, en artikel 2.2.18, § 2, van deze codex. De diensten, bevoegd voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage, integreren hun kwaliteitsbeoordeling over de inhoudsafbakening van het planmilieueffectrapport conform artikel 4.2.8, § 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, respectievelijk van het ruimtelijk veiligheidsrapport conform artikel 4.4.2, § 3, van het voormelde decreet, in de scopingnota. De scopingnota is samen met de procesnota de leidraad voor het verdere verloop van het geïntegreerde planningsproces dat leidt tot de opmaak van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan.
Als uit de scopingnota blijkt dat een milieueffectrapport of een ruimtelijk veiligheidsrapport opgemaakt moet worden, maakt de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage, respectievelijk de dienst bevoegd voor veiligheidsrapportage, voor het verdere verloop van het geïntegreerde planningsproces deel uit van het planteam in functie van de effectrapportage.
Uiterlijk voor de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan wordt in de scopingnota door de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage bepaald of een milieueffectrapport moet worden opgemaakt.
Uiterlijk voor de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan wordt in de scopingnota door de dienst bevoegd voor veiligheidsrapportage, in de gevallen bepaald overeenkomstig artikel 4.4.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bepaald of een ruimtelijk veiligheidsrapport moet worden opgemaakt.
De scopingnota kan tijdens het geïntegreerde planningsproces aangevuld worden. De aangevulde scopingnota wordt op dezelfde wijze gepubliceerd als de oorspronkelijke scopingnota. § 4. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze de startnota, de scopingnota en de procesnota worden gepubliceerd.". Art. 17.Artikel 2.2.5 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. 2.2.5. § 1. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat : 1° een beschrijving en verantwoording van de doelstellingen van het plan;2° een grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is; 3° de bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting of het beheer en, in voorkomend geval, de normen, vermeld in artikel 4.2.4 van het
decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
27/03/2009
pub.
15/05/2009
numac
2009035411
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het grond- en pandenbeleid
type
decreet
prom.
27/03/2009
pub.
06/05/2009
numac
2009035371
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut
sluiten betreffende het grond- en pandenbeleid; 4° een weergave van de juridische toestand;5° een weergave van de feitelijke ruimtelijke toestand en de toestand van het leefmilieu, de natuur en andere relevante feitelijke gegevens;6° de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de ruimtelijke structuurplannen waarvan het een uitvoering is en, in voorkomend geval, een omschrijving van andere relevante beleidsplannen;7° in voorkomend geval, een zo mogelijk limitatieve opgave van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden; 8° de kwaliteitsbeoordeling en, in voorkomend geval, de verklaring, vermeld in artikel 4.2.11, § 7, eerste lid, 2°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en, in voorkomend geval, een overzicht van de conclusies van de volgende effectbeoordelingen waarbij aangegeven wordt hoe die geïntegreerd zijn in het plan : a) het planmilieueffectrapport;b) de passende beoordeling;c) het ruimtelijk veiligheidsrapport;d) andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectenrapporten; in voorkomend geval de monitoringsmaatregelen in het kader van de uitgevoerde effectbeoordelingen; 9° in voorkomend geval, een register, al dan niet grafisch, van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding als vermeld in artikel 2.6.1 van deze codex, een planbatenheffing als vermeld in artikel 2.6.4 van deze codex, of een compensatie als vermeld in boek 6, titel 2 of titel 3, van het
decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
27/03/2009
pub.
15/05/2009
numac
2009035411
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het grond- en pandenbeleid
type
decreet
prom.
27/03/2009
pub.
06/05/2009
numac
2009035371
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut
sluiten betreffende het grond- en pandenbeleid; 10° in voorkomend geval, een register, al dan niet grafisch, van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd of een overdruk wordt toegevoegd die aanleiding kan geven tot gebruikerscompensatie als vermeld in het
decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
27/03/2009
pub.
15/05/2009
numac
2009035411
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het grond- en pandenbeleid
type
decreet
prom.
27/03/2009
pub.
06/05/2009
numac
2009035371
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut
sluiten houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen; 11° voor de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, in voorkomend geval, een overzicht van de geheel of gedeeltelijk gewijzigde of opgeheven erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten inzake onroerend erfgoed, samen met de gegevens, vermeld in artikel 6.2.5 van het Onroerenderfgoed
decreet van 12 juli 2013Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
12/07/2013
pub.
17/10/2013
numac
2013035861
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende het onroerend erfgoed
sluiten, met uitzondering van de aanduiding van de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek op het gegeorefereerde plan; 12° in voorkomend geval, het grondruilplan, vermeld in artikel 2.1.65 van het
decreet van 28 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
28/03/2014
pub.
22/08/2014
numac
2014035709
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de landinrichting
sluiten betreffende de landinrichting; 13° in voorkomend geval, de inrichtingsnota, vermeld in artikel 4.2.1 van het
decreet van 28 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
28/03/2014
pub.
22/08/2014
numac
2014035709
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de landinrichting
sluiten betreffende de landinrichting; 14° in voorkomend geval, een overzicht van de instrumenten waarover samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan een beslissing genomen wordt door de bevoegde overheid om die aspecten te regelen of om de maatregelen of voorwaarden te bepalen die de bevoegde overheid op basis van het planningsproces, in het bijzonder de effectbeoordelingen, noodzakelijk acht voor de vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan en die niet geregeld worden met toepassing van punten 1° tot en met 13°. Het grafische plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is en de bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften hebben verordenende kracht. § 2. Samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan kan de bevoegde overheid stedenbouwkundige verordeningen vaststellen met voorschriften die niet als stedenbouwkundig voorschrift worden opgenomen in het ruimtelijk uitvoeringsplan. De betrokken voorschriften garanderen de uitvoering van maatregelen of het naleven van voorwaarden die het ruimtelijk uitvoeringsplan begeleiden en die uit het planningsproces resulteren.
Voorafgaandelijk aan of gelijktijdig met de beslissing over het ruimtelijk uitvoeringsplan kan de bevoegde overheid overeenkomsten met publiekrechtelijke rechtspersonen, met privaatrechtelijke rechtspersonen of met natuurlijke personen afsluiten om het ruimtelijk uitvoeringsplan te kunnen realiseren.
De stedenbouwkundige verordening, bedoeld in het eerste lid, wordt samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig en definitief vastgesteld en wordt onderworpen aan hetzelfde openbaar onderzoek. Als de stedenbouwkundige verordening niet samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig wordt vastgesteld en onderworpen aan een openbaar onderzoek maar gebaseerd is op of voortvloeit uit de adviezen, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek geformuleerd zijn, dan wordt deze stedenbouwkundige verordening door de bevoegde overheid na het openbaar onderzoek over het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vastgesteld en onderworpen aan een afzonderlijk openbaar onderzoek. Ze wordt dan samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vastgesteld. De termijn voor definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt in dit geval opgeschort met de termijn die nodig is om de stedenbouwkundige verordening en het ruimtelijk uitvoeringsplan op dezelfde datum definitief te kunnen vaststellen waarbij de vervaltermijn voor de stedenbouwkundige verordening in dit geval de bepalende termijn is voor de duur van opschorting. De termijnen uit artikel 2.2.10, 2.2.15 en 2.2.21 van deze codex zijn van toepassing.
Een stedenbouwkundige verordening die vastgesteld wordt met het ruimtelijk uitvoeringsplan of een overeenkomst die afgesloten wordt voor of samen met de vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan, kan worden gewijzigd op voorwaarde dat daarbij steeds de doelstelling van de stedenbouwkundige verordening of overeenkomst gerespecteerd blijft. De wijziging van een stedenbouwkundige verordening volgt dezelfde procedure als vermeld in artikel 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 van deze codex.
Alle aangelegenheden die krachtens artikel 2.3.1 geregeld kunnen worden in stedenbouwkundige verordeningen, met uitsluiting van artikel 2.3.1, eerste lid, 11° en 13°, kunnen het voorwerp uitmaken van een stedenbouwkundig voorschrift van een ruimtelijk uitvoeringsplan. § 3. Ruimtelijke uitvoeringsplannen blijven gelden tot ze worden vervangen. Ze kunnen op elk moment geheel of gedeeltelijk worden vervangen.
De regels voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen zijn ook van toepassing op de vervanging ervan. § 4. De voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan heffen de voorschriften van de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die er strijdig mee zijn, van rechtswege op.
De voorschriften van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan heffen de voorschriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die er strijdig mee zijn, van rechtswege op.". Art. 18.In titel II, hoofdstuk II, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij
decreet van 18 december 2015Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
19/07/2002
pub.
26/10/2002
numac
2002036337
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996
type
decreet
prom.
19/07/2002
pub.
31/08/2002
numac
2002036124
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van het bosdecreet van 13 juni 1990, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet zoals aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968
sluiten0, wordt het opschrift "Afdeling 2. Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen" opgeheven. Art. 19.Artikel 2.2.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 18 november 2011 en 28 maart 2014, wordt vervangen door wat volgt : "Art. 2.2.6. § 1. De stedenbouwkundige voorschriften kunnen eigendomsbeperkingen inhouden, met inbegrip van bouwverbod.
De stedenbouwkundige voorschriften kunnen van die aard zijn dat ze een tijdelijk ruimtegebruik toelaten, na verloop van tijd in werking treden, dat de inhoud op een bepaald tijdstip verandert of dat een onderdeel van een voorschrift in werking treedt als de opgenomen voorwaarde vervuld is.
De stedenbouwkundige voorschriften kunnen modaliteiten voorschrijven die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen.
Stedenbouwkundige voorschriften kunnen bepalen dat de uitvoering ervan afhankelijk is van de vaststelling of uitvoering van één of meer van de volgende instrumenten : 1° de vaststelling van een instrument uit het overzicht, vermeld in artikel 2.2.5, § 1, 14°, van deze codex; 2° de vaststelling of uitvoering van een instrument van het
decreet van 28 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
28/03/2014
pub.
22/08/2014
numac
2014035709
bron
vlaamse overheid
Decreet betreffende de landinrichting
sluiten betreffende de landinrichting indien dit ingezet wordt via een inrichtingsnota vermeld in artikel 4.2.1 van dat decreet en op voorwaarde dat deze inrichtingsnota deel uitmaakt van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
Zij kunnen tevens bepalen dat zij niet langer uitvoerbaar zijn indien de stedenbouwkundige verordening of een ander instrument uit het overzicht, vermeld in artikel 2.2.5, § 1, 14°, niet langer rechtskracht heeft of gewijzigd is in strijd met artikel 2.2.5, § 2, vierde lid. § 2. Een stedenbouwkundig voorschrift in een ruimtelijk uitvoeringsplan ressorteert op elk moment onder een categorie of een subcategorie van gebiedsaanduiding.
De gebiedsaanduiding bestaat uit de volgende categorieën : 1° wonen.Deze categorie bestaat ten minste uit de volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding : a) woongebied : in hoofdzaak bestemd voor wonen en aan wonen verwante activiteiten en voorzieningen;b) gebied voor wonen en voor landbouw : in hoofdzaak bestemd voor wonen, landbouw, openbare groene ruimten en openbare verharde ruimten en aan wonen verwante activiteiten;2° bedrijvigheid : in hoofdzaak bestemd voor bedrijfsactiviteiten of kantoren;3° recreatie : in hoofdzaak bestemd voor recreatie, dagrecreatie of verblijfsrecreatie;4° landbouw.Deze categorie bestaat ten minste uit de volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding : a) agrarisch gebied : in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw;b) agrarische bedrijvenzone : in hoofdzaak bestemd voor de inplanting van agrarische bedrijven, in het bijzonder glastuinbouw;c) bouwvrij agrarisch gebied : in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw, met dien verstande dat de oprichting van gebouwen er niet is toegelaten;5° bos : in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van het bos;6° overig groen.Deze categorie bestaat ten minste uit de volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding : a) gemengd openruimtegebied : waarbij natuurbehoud, bosbouw, onroerend erfgoed, landbouw en recreatie nevengeschikte functies zijn;b) parkgebied : in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van een of meer parken;7° reservaat en natuur : in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en het bos;8° lijninfrastructuur : in hoofdzaak bestemd voor verkeers- en vervoersinfrastructuur, weginfrastructuur, spoorinfrastructuur of waterweginfrastructuur en de aanhorigheden ervan;9° gemeenschaps- en nutsvoorzieningen : in hoofdzaak bestemd voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of infrastructuur van openbaar nut voor de zuivering van afvalwater;10° ontginning en waterwinning.Deze categorie bestaat ten minste uit de volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding : a) gebied voor infrastructuur voor duurzame watervoorziening : in hoofdzaak bestemd voor infrastructuur van openbaar nut voor duurzame watervoorziening;b) gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen : in hoofdzaak bestemd voor de ontginning van delfstoffen;c) gebied voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen : in hoofdzaak bestemd voor bedrijven die oppervlaktedelfstoffen verwerken. De Vlaamse Regering kan bijkomende subcategorieën van gebiedsaanduiding bepalen. § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. § 4. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering (ook financiële) ondersteuning verlenen aan de provincies en gemeenten voor het vervullen van hun taken met betrekking tot de ruimtelijke uitvoeringsplannen en de bijzondere plannen van aanleg.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en nadere regels hiertoe.". Art. 20.In titel II, hoofdstuk II, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij
decreet van 18 december 2015Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
19/07/2002
pub.
26/10/2002
numac
2002036337
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996
type
decreet
prom.
19/07/2002
pub.
31/08/2002
numac
2002036124
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van het bosdecreet van 13 juni 1990, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet zoals aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968
sluiten0, wordt tussen artikel 2.2.6 en 2.2.7 het volgende opschrift ingevoegd : "Afdeling 2. Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen". Art. 21.Artikel 2.2.7 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 18 november 2011, 12 juli 2013, 4 april 2014 en 18 december 2015, wordt vervangen door wat volgt : "Art. 2.2.7. § 1. De Vlaamse Regering is belast met de opmaak van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en neemt de nodige maatregelen voor de samenstelling van het planteam en voor het voeren van het geïntegreerde planningsproces, vermeld in artikel 2.2.1.
Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. § 2. De Vlaamse Regering vraagt advies over de startnota aan : 1° de strategische adviesraad en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen;2° de deputaties van de betrokken provincies;3° de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten;4° de door de Vlaamse Regering aangewezen diensten;5° als het plan grenst aan een ander gewest of land of aanzienlijke effecten kan hebben op mens of milieu in een ander gewest of land, wordt het advies van het gewest of het land in kwestie gevraagd.Als het plan grenst aan of aanzienlijke effecten kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de startnota te bezorgen, wordt ook advies gevraagd.
Het advies wordt uitgebracht binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
De Vlaamse Regering informeert de bevolking van de betrokken gemeenten uiterlijk de eerste dag van de termijn van zestig dagen over de inhoud van de startnota, raadpleegt de bevolking over de startnota gedurende dezelfde termijn, organiseert hierover ten minste één participatiemoment en maakt daarvan een verslag.
De reacties worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van de inspraak aan de Vlaamse Regering bezorgd. De wijze waarop reacties bezorgd kunnen worden, alsook de uiterste datum worden uitdrukkelijk vermeld in de informatie over de startnota.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor deze adviesvraag en inspraak.". Art. 22.Artikel 2.2.8 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 18 juli 2011, 12 juli 2013 en 4 april 2014, wordt vervangen door wat volgt : "Art. 2.2.8. De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen voor de opmaak van de scopingnota.''. Art. 23.In titel II, hoofdstuk II, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij
decreet van 18 december 2015Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
19/07/2002
pub.
26/10/2002
numac
2002036337
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996
type
decreet
prom.
19/07/2002
pub.
31/08/2002
numac
2002036124
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van het bosdecreet van 13 juni 1990, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet zoals aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968
sluiten0, wordt het opschrift "Afdeling 3. Provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen" opgeheven. Art. 24.Artikel 2.2.9 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 28 maart 2014 en 4 april 2014, wordt vervangen door wat volgt : "Art. 2.2.9. De Vlaamse Regering stuurt het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en, in voorkomend geval, de ontwerpen van planmilieueffectrapport, ruimtelijk veiligheidsrapport en andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectbeoordelingsrapporten voor advies naar de deputatie van de betrokken provincies, de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten en de door de Vlaamse Regering aangewezen adviserende diensten. Als het plan grenst aan een ander gewest of land of aanzienlijke grensoverschrijdende effecten voor mens of milieu kan hebben, zoals blijkt uit de startnota, de scopingnota of de ontwerprapporten, wordt het advies van het desbetreffende gewest of land gevraagd. Als het plan grenst aan of een aanzienlijk effect kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de scopingnota of de ontwerprapporten te bezorgen of al een advies heeft verleend over de startnota, wordt ook een advies gevraagd.
De Vlaamse Regering kan beslissen om al dan niet een of meer plenaire vergaderingen te houden. Als de Vlaamse Regering een plenaire vergadering organiseert met de instanties, vermeld in het eerste lid, vindt die op zijn vroegst plaats de eenentwintigste dag na het versturen van het voorontwerp door de Vlaamse Regering.
Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengen de deputaties en de colleges van burgemeester en schepenen en, in voorkomend geval, een ander land, de federale overheid of een gewest, schriftelijk advies uit, en delen de adviserende diensten, vermeld in het eerste lid, hun schriftelijke opmerkingen mee. De vertegenwoordigers van die instanties moeten gemandateerd zijn om een standpunt in te nemen tijdens de vergadering.
Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt.
Dat verslag wordt binnen veertien dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig moesten zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen veertien dagen na de ontvangst van het verslag bezorgd worden aan de Vlaamse Regering.
Als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd, wordt een schriftelijk advies uitgebracht binnen een termijn van eenentwintig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgeg …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.