📄 Wettekst
5 MAART 2009. - Ordonnantie betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems (1)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Doel Art. 2.Deze ordonnantie wil het ontstaan van bodemverontreiniging voorkomen, de potentiële bronnen van verontreiniging identificeren, de bodemonderzoeken voor het vaststellen van het bestaan van een verontreiniging regelen en de modaliteiten bepalen voor de sanering of het beheer van de verontreinigde bodems, teneinde de bodemverontreiniging te doen verdwijnen, te controleren, in te dijken of te beperken.
Ze wil tevens de toegang tot informatie over bodemverontreiniging regelen.
Deze ordonnantie doet geen afbreuk aan andere, strengere wetgevingen die deze materie regelen.
Begripsomschrijvingen Art. 3.Voor de toepassing van deze ordonnantie wordt verstaan onder : 1° bodem : vast gedeelte van de grond, met inbegrip van grondwater en overige aanwezige elementen en organismen;2° bodemverontreiniging : elke bodemaantasting die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk is of schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid of de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologische potentieel van de bodem en de watermassa's, doordat er rechtstreeks of onrechtstreeks stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen zijn aangebracht aan de oppervlakte of zijn binnengedrongen in de bodem;3° risicoactiviteit : de uitbating van een ingedeelde inrichting, geïdentificeerd als mogelijke bron van bodemverontreiniging;de Regering legt een lijst van de risicoactiviteiten vast; 4° exploitant : iedere persoon die een ingedeelde inrichting overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen uitbaat of voor wiens rekening een dergelijke inrichting wordt uitgebaat;5° instituut : het Brussels Instituut voor Milieubeheer;6° gemachtigde ambtenaar : de gemachtigde ambtenaar bedoeld in artikel 5 van het BWRO;7° terrein : de bodem en/of de constructies en inrichtingen die rechtstreeks op of in de bodem zijn opgericht, begrensd door een perceel, een deel van een perceel of verschillende percelen;de Regering kan bepaalde constructies en inrichtingen uitsluiten; 8° perceel : kadastraal perceel of, bij ontstentenis van een kadastrale referentie, zone afgebakend door elke andere door het Instituut bepaalde identificerende eenheid;9° site : de bodem begrensd door het geheel van de kadastrale percelen die vallen onder een milieuvergunning;10° interventienormen : concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem en in het grondwater, vastgelegd per kwetsbaarheidszone, waarboven de risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu als niet te verwaarlozen beschouwd worden en een behandeling van de verontreiniging vereist is;11° saneringsnormen : concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem en in het grondwater, waaronder de risico's voor de volksgezondheid en het milieu als nihil beschouwd worden en de bodem al zijn functies kan vervullen;12° kwetsbaarheidszone : groepering van de zones die zijn afgebakend in de bodembestemmingsplannen, op basis van een gelijkwaardige gevoeligheid voor de risico's voor de volksgezondheid en het milieu;13° risicowaarde : concentratie van verontreinigende stoffen in de bodem en in het grondwater, berekend via een risico-onderzoek, waarboven de risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu als niet toelaatbaar beschouwd worden en risicobeheer vereist is;14° inventaris van de bodemtoestand : register van de het Instituut beschikbare gegevens over bodemverontreiniging; 15° bodemtoestandcategorie : onderverdeling van de percelen in de inventaris van de bodemtoestand : - categorie 0 : mogelijk verontreinigde percelen, d.w.z. percelen waarvoor een vermoeden van bodemverontreiniging bestaat, met inbegrip van de percelen waarop een risicoactiviteit wordt uitgeoefend; - categorie 1 : percelen die voldoen aan de saneringsnormen; - categorie 2 : percelen die voldoen aan de interventienormen, maar niet aan de saneringsnormen; - categorie 3 : percelen die niet voldoen aan de interventienormen en die onder risicobeheer zijn gesteld, d.w.z. percelen waarvan de risico's aanvaardbaar zijn of aanvaardbaar zijn gemaakt; - categorie 4 : percelen die niet voldoen aan de interventienormen en die behandeld moeten worden of in behandeling zijn, d.w.z. percelen die worden onderzocht, waarvoor saneringswerken worden uitgevoerd of waarvoor risicobeheersmaatregelen uitgevoerd worden; 16° eenmalige verontreiniging : apart identificeerbare bodemverontreiniging, veroorzaakt door een exploitant, een houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein of, indien de verontreiniging is veroorzaakt na 20 januari 2005, door een eenduidig geïdentificeerde persoon;17° gemengde verontreiniging : bodemverontreiniging veroorzaakt door verschillende personen in niet afzonderlijke identificeerbare proporties, onder wie een exploitant, een houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein;of, indien de verontreiniging is veroorzaakt na 20 januari 2005, een eenduidig geïdentificeerde persoon; 18° weesverontreiniging : bodemverontreiniging die niet valt onder de toepassing van de definities bedoeld in punten 16° en 17°;19° bodemverontreiniging veroorzaakt door één persoon : bodemverontreiniging waarvoor een objectief oorzakelijk verband kan worden aangetoond met één of meer activiteiten van deze persoon of een of meer gebeurtenissen die deze persoon heeft veroorzaakt, met uitzondering van marginale verontreiniging;20° behandeling van de bodemverontreiniging : de uitvoering van een gedetailleerd onderzoek in overeenstemming met deze ordonnantie gepaard gaande met ofwel de uitvoering van een risico-onderzoek en eventueel het opstellen van een risicobeheersvoorstel en de toepassing van risicobeheersmaatregelen, ofwel het opstellen van een saneringsvoorstel en de uitvoering van saneringswerken;21° risicobeheer : behandeling van de bodemverontreiniging om de risico's voor de volksgezondheid en het milieu te beoordelen en deze te handhaven of aanvaardbaar te maken;22° sanering : behandeling van de bodemverontreiniging om aan de saneringsnormen te voldoen of om een toename van de verontreiniging uit te sluiten;23° veiligheidsmaatregel : tijdelijke maatregel met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en het milieu in afwachting van de behandeling van de bodemverontreiniging, met inbegrip van de maatregelen voor gebruiksbeperking, toezicht op en indijking van de verontreiniging;24° follow-upmaatregel : maatregel voor het controleren en zonodig het handhaven van het aanvaardbaar karakter van de door bodemverontreiniging veroorzaakte risico's voor de volksgezondheid en het milieu, met inbegrip van de maatregelen voor gebruiksbeperking en toezicht op de verontreiniging;25° toename van de verontreiniging : stijging van de concentratie van verontreinigende stoffen in de bodem na 20 januari 2005, vastgesteld door vergelijking met de resultaten van een door het Instituut goedgekeurd of gelijkvormig verklaard of geacht bodemonderzoek, met uitzondering van stijgingen van de concentratie van verontreinigende stoffen in de bodem als gevolg van een verspreiding van een verontreiniging vanaf een naburig perceel of een herverspreiding van reeds bij het eerste bodemonderzoek in de grond aanwezige verontreinigende stoffen;26° eindbeoordeling : eindverslag opgemaakt door een bodemverontreinigingsdeskundige na de uitvoering van de risicobeheersmaatregelen of saneringswerken;27° beste beschikbare technieken : de beste beschikbare technische saneringsoplossingen die met succes in de praktijk worden gebracht en waarvan de kostprijs niet onredelijk is in verhouding tot het bereikte resultaat voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu; de Regering legt de methodologie voor de identificatie van de beste beschikbare technieken vast; deze methodologie kan rekening houden met de bestemming die gedefinieerd is in de bodembestemmingsplannen; 28° vervreemding van een zakelijk recht : iedere overdragende, vestigende, declaratieve of abdicatieve rechtshandeling onder levenden, onder bezwarende titel of om niet, met betrekking tot een zakelijk recht, met inbegrip van de inbreng en overdracht van vermogen in een vennootschap, en de vastlegging van de statuten van het gebouw als bedoeld in artikel 577-4 van het Burgerlijk Wetboek of de registratie van de instemming van de mede-eigenaars met de afwijking bedoeld in artikel 577-3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, met name in geval van een eenzijdige wilsverklaring, met uitsluiting van akten van familiale aard opgesomd door de Regering;29° zakelijk recht : volle eigendom, blote eigendom, vruchtgebruik, opstal, erfpacht, recht van gebruik, onroerende leasing;30° bodemverontreinigingsdeskundige : erkende onafhankelijke deskundige, die voldoet aan de door de Regering vastgelegde voorwaarden, in overeenstemming met artikelen 70 tot 78 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, voor de uitvoering van de door deze ordonnantie omschreven opdrachten;31° bodemsaneringsaannemer : aannemer geregistreerd, die voldoet aan de door de Regering vastgelegde voorwaarden in overeenstemming met artikel 78/1 tot 78/7 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen voor de uitvoering van de door deze ordonnantie omschreven opdrachten. HOOFDSTUK II. - Identificatie van verontreinigde terreinen Afdeling I. - Aangifteplicht
Aangifte Art. 4.§ 1. Iedere ontdekking van een bodemverontreiniging moet door de persoon die de ontdekking gedaan heeft, zo spoedig mogelijk aangegeven worden bij de houder van zakelijke rechten en de exploitant van het betreffede terrein of, als deze personen niet geïdentificeerd kunnen worden, bij het Instituut.
Iedere ontdekking van een bodemverontreiniging moet zo spoedig mogelijk aangegeven worden bij het Instituut door de houder van zakelijke rechten en de exploitant van een risicoactiviteit op het betreffende terrein, wanneer deze personen kennis hadden van de gebeurtenis of de ontdekking. § 2. Iedere gebeurtenis die kan leiden tot een dreigende bodemverontreiniging moet door degene die de gebeurtenis heeft veroorzaakt, zo spoedig mogelijk aangegeven worden bij het Instituut, de houders van zakelijke rechten, indien deze geïdentificeerd kunnen worden, en de exploitant van het betreffende terrein. § 3. De Regering legt de aangifteprocedures vast. Afdeling II. - Inventaris van de bodemtoestand
Inhoud Art. 5.§ 1. Het Instituut maakt een inventaris op van de bodemtoestand en houdt deze actueel. Deze inventaris bevat de gegevens die aan het Instituut werden doorgegeven of waarover het Instituut beschikt met betrekking tot de bodemverontreiniging en het beheer ervan.
De geografische eenheid van de inventaris van de bodemtoestand is het perceel. § 2. De inventaris van de bodemtoestand bevat voor elk perceel dat erin is opgenomen, de volgende gedetailleerde informatie : 1° de identificatie van het perceel : het postadres, de kadastrale referenties of, bij ontstentenis daarvan, de door het Instituut bepaalde identificerende eenheid, en de oppervlakte;2° de kwetsbaarheidszone;3° de identificatie van de houder(s) van zakelijke rechten;4° de risicoactiviteiten die erop worden uitgeoefend;5° de risicoactiviteiten die erop werden uitgeoefend;6° de identificatie van de exploitant(en) van de risicoactiviteiten uitgeoefend na 1 januari 1993 en de periode daarvoor indien deze gegevens beschikbaar zijn;7° de gebeurtenissen die vallen buiten de uitbating van een risicoactiviteit en die een vermoeden van bodemverontreiniging rechtvaardigen of die een bewezen bodemverontreiniging hebben teweeggebracht;8° de daders van deze gebeurtenissen, indien deze bekend zijn;9° de bodemtoestandcategorie;10° de door het Instituut gelijkvormig verklaarde of geachte verkennende bodemonderzoeken, gedetailleerde onderzoeken, risico-onderzoeken, saneringsvoorstellen en risicobeheersvoorstellen;11° de eindbeoordelingen en slotverklaringen betreffende de saneringswerken en de risicobeheersmaatregelen;12° de krachtens deze ordonnantie opgelegde veiligheids en follow-upmaatregelen. De Regering kan de bovenstaande lijst van de vereiste gedetailleerde informatie uitbreiden.
Vervollediging van de inventaris van de bodemtoestand Art. 6.De overheden of administratieve diensten die vallen onder het Gewest, en de gemeenten bezorgen het Instituut op zijn eerste verzoek de informatie in hun bezit die kan helpen bij het opstellen van de inventaris van de bodemtoestand. Ze brengen het Instituut eveneens op de hoogte van alle wijzigingen van deze gegevens.
Validatie van de gedetailleerde informatie en opname in de inventaris van de bodemtoestand Art. 7.§ 1. Het Instituut stelt de houders van zakelijke rechten en de exploitanten van een risicoactiviteit op deze percelen, per aangetekend schrijven in kennis van zijn voornemen om één of meer percelen in de inventaris van de bodemtoestand op te nemen.
Deze kennisgeving vermeldt met name : - de gedetailleerde informatie waarover het Instituut beschikt; - de gevolgen van de opname in de inventaris van de bodemtoestand; - de validatieprocedure voor deze gedetailleerde informatie en de mogelijke correctiewijzen.
De gedetailleerde informatie bedoeld in artikel 5, § 2, 10° en 11°, hoeft niet integraal door het Instituut te worden doorgegeven, maar er moet melding van worden gemaakt, evenals van de datum waarop deze onderzoeken, voorstellen of beoordelingen werden uitgevoerd en de conclusies ervan. § 2. Binnen de 90 dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in § 1 kunnen de houders van zakelijke rechten en de exploitanten van een risicoactiviteit het Instituut per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut op de hoogte brengen van : - hetzij hun opmerkingen met betrekking tot de gedetailleerde informatie; - hetzij hun bereidheid een verkennend bodemonderzoek uit te voeren.
In dat geval wordt het verkennend bodemonderzoek betekend aan het Instituut per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut, binnen de 180 dagen na de kennisgeving van het Instituut bedoeld in § 1.
Bij niet-naleving van bovenvermelde termijnen neemt het Instituut het perceel of de percelen op in de inventaris van de bodemtoestand binnen de 10 dagen na het verstrijken van deze termijnen en ten laatste vóór de afgifte van bodemattesten voor deze percelen. Binnen dezelfde termijn brengt het Instituut de houder of houders van zakelijke rechten en de exploitant van de risicoactiviteit op de hoogte van de opname. § 3. Binnen de 60 dagen na ontvangst van de opmerkingen zal het Instituut in voorkomend geval de gedetailleerde informatie wijzigen of aanvullen en de personen bedoeld in § 1 in kennis stellen van zijn beslissing het perceel of de percelen al dan niet op te nemen in de inventaris van de bodemtoestand. Deze beslissing wordt met redenen omkleed en vermeldt de bodemtoestandcategorie evenals de gevolgen van een dergelijke opname.
Binnen de 10 dagen na deze kennisgeving en ten laatste voor de afgifte van bodemattesten voor de betreffende percelen actualiseert het Instituut de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand. § 4. In afwijking van de procedure bedoeld in § 1 tot § 3 neemt het Instituut het perceel of de percelen van de site waarvoor een milieuvergunning voor een risicoactiviteit is aangevraagd, op in categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand binnen de 10 dagen na de afgifte van de vergunning of de kennisgeving van deze afgifte door de gemeente. Binnen dezelfde termijn brengt het Instituut de houder(s) van zakelijke rechten en de exploitant van de risicoactiviteit op de hoogte van de opname. § 5. De verandering van bodemtoestandcategorie van een perceel in de inventaris van de bodemtoestand is onderworpen aan de bepalingen van artikel 8. § 6. De Regering kan de procedure bedoeld in dit artikel nader bepalen.
Wijziging van de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand Art. 8.§ 1. Het Instituut actualiseert de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand binnen de 10 dagen na de betekening van een gelijkvormigsheidsverklaring, een slotverklaring of de oplegging van veiligheidsmaatregelen, of binnen de 10 dagen na een stilzwijgende beslissing ten gevolge van de overschrijding van de termijnen die deze kennisgeving regelen, en ten laatste voor de afgifte van bodemattesten voor de betreffende percelen. § 2. De houders van zakelijke rechten en de exploitanten van een risicoactiviteit brengen het Instituut op de hoogte van alle wijzigingen of pertinente fouten in de gedetailleerde informatie die op hen betrekking heeft.
Binnen de 30 dagen na ontvangst van deze informatie zal het Instituut in voorkomend geval de gedetailleerde informatie wijzigen of aanvullen en zal het deze personen in kennis stellen van zijn met redenen omklede beslissing. Afdeling III. - Toegang tot de informatie
en kaart van de bodemtoestand Toegang tot de informatie Art. 9.De gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand is voor het publiek toegankelijk onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt. De Regering bepaalt onder andere de uurroosters, de prijs van de kopieën en de technische toegangsmodaliteiten tot de inventaris.
De niet-technische samenvattingen van de bodemonderzoeken en de voorstellen ter uitvoering van deze ordonnantie zijn voor iedereen toegankelijk volgens de door de Regering vastgelegde modaliteiten.
Kaart van de bodemtoestand Art. 10.§ 1. Het Instituut stelt een kaart van de bodemtoestand op en houdt deze actueel. Deze kaart is een grafische weergave van de percelen die in de inventaris van de bodemtoestand zijn opgenomen, ingedeeld in de door de Regering vastgelegde bodemtoestandcategorieën van de categorieën bedoeld in artikel 3, 15°.
De geografische eenheid van de kaart van de bodemtoestand is het perceel. § 2. Voor elk perceel dat op de kaart van de bodemtoestand is opgenomen, wordt door het Instituut een identificatiefiche opgesteld en actueel gehouden met daarop een samenvatting van de meest recente gedetailleerde informatie betreffende dit perceel die is opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand.
De Regering kan de type-inhoud van de identificatiefiche bepalen. § 3. Het Instituut publiceert de kaart van de bodemtoestand en de identificatiefiches op het internet. Afdeling IV. - Informatieplicht en bodemattest
Bodemattest Art. 11.Het bodemattest vermeldt de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand met betrekking tot een perceel, naar behoren geactualiseerd op datum van zijn afgifte. Aangezien het gaat om bodemonderzoeken, voorstellen, werken en maatregelen, worden alleen de samenvatting en de conclusies ervan in het bodemattest vermeld.
Het bodemattest vermeldt in voorkomend geval bovendien de verplichtingen en de houders van verplichtingen die volgen uit de toepassing van de ordonnantie en de door het Instituut toegekende afwijking bedoeld in artikel 17, § 2.
De Regering kan de type-inhoud van het bodemattest nader bepalen.
Informatieplicht Art. 12.§ 1. De overdrager van een zakelijk recht op een terrein vraagt per aangetekend schrijven of langs elektronische weg aan het Instituut een bodemattest voor het betreffende perceel of de betreffende percelen en bezorgt deze attesten aan de overnemer vóór de totstandkoming van de overeenkomst of het aanbod betreffende de vervreemding van het zakelijk recht.
De overeenkomst of het aanbod en, in voorkomend geval, de authentieke akte betreffende die vervreemding bevat : - de verklaring van de overnemer dat hij op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest of de bodemattesten; - de verklaring van de overdrager dat hij niet beschikt over aanvullende informatie die de inhoud van de door het Instituut afgeleverde bodemattesten zou kunnen wijzigen.
De overeenkomst of het aanbod betreffende de vervreemding van het zakelijk recht kan een opschortende voorwaarde bevatten betreffende de afl evering van het bodemattest en, in voorkomend geval, betreffende de verplichtingen inzake identificering en behandeling van de bodemverontreiniging. § 2. De overdrager van een milieuvergunning voor een risicoactiviteit vraagt per aangetekend schrijven of via electronische weg een bodemattest voor het betreffende perceel of de betreffende percelen aan bij het Instituut en bezorgt dit attest of deze attesten aan de overnemer vóór de overdracht. De aangifte van de overdracht aan het Instituut bevat : - de verklaring van de overnemer dat hij op de hoogte is van de inhoud van het bodemattest of de bodemattesten; - de verklaring van de overdrager dat hij niet beschikt over aanvullende informatie die de inhoud van de door het Instituut afgeleverde bodemattesten zou kunnen wijzigen. § 3. Het Instituut geeft een bodemattest af aan iedere persoon die een bodemattest aanvraagt per aangetekend schrijven. § 4. Het bodemattest wordt door het Instituut afgegeven per aangetekend schrijven of via electronische weg, binnen de 20 dagen na de aanvraag mits betaling van een vergoeding door de aanvrager.
De Regering bepaalt de geldigheidsduur van het bodemattest, de aanvraag- en afgiftemodaliteiten evenals het bedrag van de vergoeding. Afdeling V. - Verkennend bodemonderzoek
Aanleidinggevende feiten Art. 13.§ 1. Vóór de vervreemding van een zakelijk recht op een terrein dat in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 0 is opgenomen, moet er ten laste van de houder van zakelijke rechten een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd op de percelen die het terrein afbakenen. § 2. Er moet een verkennend bodemonderzoek ten laste van de exploitant van een risicoactiviteit worden uitgevoerd op de site waar deze risicoactiviteit wordt uitgeoefend en dit : 1° vóór de stopzetting van deze risicoactiviteit;2° vóór de overdracht van de milieuvergunning voor deze risicoactiviteit;3° vóór de toekenning van een verlenging van de milieuvergunning voor deze risicoactiviteit;4° op periodieke wijze voor bepaalde risicoactiviteiten, met een door de Regering bepaalde regelmaat. § 3. Er moet een verkennend bodemonderzoek ten laste van de aanvrager van een milieuvergunning voor het uitoefenen van een risicoactiviteit of ten laste van de aanvrager van een uitbreiding van een milieuvergunning, indien het gaat om de toevoeging van een nieuwe risicoactiviteit aan de genoemde vergunning, worden uitgevoerd op de site waar deze risicoactiviteit zal worden uitgeoefend en dit vóór de afgifte van deze nieuwe of uitgebreide milieuvergunning. § 4. Vóór de aflevering van een stedenbouwkundige vergunning voor een terrein dat in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 0 is opgenomen, moet er op de percelen die dit terrein afbakenen, een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de aanvrager van deze vergunning indien de handelingen en werken die het voorwerp zijn van de vergunningsaanvraag, ofwel een uitgraving omvatten, ofwel van dien aard zijn dat ze een eventuele latere behandeling of controle van een bodem verontreiniging belemmeren, ofwel van dien aard zijn dat ze de blootstelling van personen of het milieu aan de eventuele door de bodemverontreiniging veroorzaakte risico's verhogen. § 5. Vóór de aflevering van een milieuvergunning voor een terrein dat in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 0 is opgenomen, moet er op de percelen die dit terrein afbakenen, een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de aanvrager van deze vergunning indien de uitbating van de inrichting die het voorwerp is van de vergunningsaanvraag, ofwel een uitgraving omvat, ofwel van dien aard is dat ze een eventuele latere behandeling of controle van een bodemverontreiniging belemmert, ofwel van dien aard is dat ze de blootstelling van personen of het milieu aan de eventuele door de bodemverontreiniging veroorzaakte risico's verhoogt. § 6. Indien er bij uitgravingswerken een bodemverontreiniging wordt ontdekt moet er binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn op de percelen die het betreffende terrein afbakenen, een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de persoon die de uitgravingswerken verricht of voor wiens rekening deze werken verricht worden, of, bij ontstentenis van deze, ten laste van de houder van zakelijke rechten. § 7. Wanneer er op een terrein een gebeurtenis plaatsvindt die bodemverontreiniging veroorzaakt, moet er binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn op de percelen die het terrein afbakenen, een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de persoon die de gebeurtenis heeft veroorzaakt of, wanneer het onmogelijk blijkt deze persoon te identificeren, ten laste van de exploitant van het terrein, of bij ontstentenis van deze, ten laste van de houder van zakelijke rechten op het terrein.
Doel en inhoud Art. 14.§ 1. Het verkennend bodemonderzoek bepaalt de toestand van de bodem door een eventuele bodemverontreiniging aan het licht te brengen. Het houdt een beperkte monsterneming in, rekening houdend met onder andere de vermoedelijke locatie van de verontreiniging, waarvan de analyseresultaten met de interventie- en saneringsnormen worden vergeleken. § 2. Het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op een zone waarvan de grenzen overeenstemmen met de grenzen van één of meer percelen. § 3. Het verkennend bodemonderzoek formuleert met redenen omklede conclusies per perceel wat betreft de raming van de omvang en de aard van de verontreiniging, de noodzaak om al dan niet een gedetailleerd onderzoek uit te voeren en in voorkomend geval de termijn waarbinnen een dergelijk onderzoek aan het Instituut betekend moet conforworden.
Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name het potentiële gevaar van de verontreiniging voor het milieu en de gezondheid alsmede het gebruik van het terrein.
Het verkennend bodemonderzoek bepaalt indien mogelijk het type of de types verontreiniging : eenmalige verontreiniging, gemengde verontreiniging of weesverontreiniging.
Het verkennend bodemonderzoek bepaalt in voorkomend geval eveneens de te nemen veiligheidsmaatregelen. § 4. De Regering bepaalt de type-inhoud en de algemene uitvoeringsmodaliteiten van het verkennend bodemonderzoek. § 5. De Regering bepaalt de criteria op basis waarvan een krachtens andere wetgevingen uitgevoerd bodemonderzoek kan worden gelijkgesteld met een verkennend bodemonderzoek krachtens deze ordonnantie.
Uitvoering, kennisgeving en gelijkvormigheidsverklaring Art. 15.§ 1. Het verkennend bodemonderzoek wordt door een bodemverontreinigingsdeskundige uitgevoerd. § 2. Het verkennend bodemonderzoek wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. § 3. Na ontvangst van het verkennend bodemonderzoek heeft het Instituut 30 dagen de tijd om : - ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren; - ofwel wijzigingen of aanvullingen op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het verkennend bodemonderzoek al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen. § 4. In de gelijkvormigheidsverklaring bepaalt het Instituut op basis van de conclusies van het verkennend bodemonderzoek de termijn waarbinnen het gedetailleerd onderzoek in voorkomend geval aan het Instituut betekend moet worden. De gelijkvormigheidsverklaring bepaalt desgevallend het type of de types verontreiniging. Het Instituut kan eveneens veiligheidsmaatregelen voorschrijven. De gelijkvormigheidsverklaring wordt per aangetekend schrijven betekend aan de persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren, de houder van zakelijke rechten en, in voorkomend geval, de exploitant van een risicoactiviteit op het terrein. § 5. Bij ontstentenis van een gelijkvormigheidsverklaring door het Instituut binnen de termijnen bedoeld in § 3, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies goedgekeurd geacht en wordt het verkennend bodemonderzoek als gelijkvormig beschouwd.
Gezamenlijke onderzoeken Art. 16.De persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren, kan onmiddellijk na het verkennend bodemonderzoek voor eigen rekening een gedetailleerd onderzoek laten uitvoeren, zonder tussentijdse kennisgeving aan het Instituut van het eerste onderzoek.
In dat geval worden het verkennend bodemonderzoek en het gedetailleerd onderzoek gezamenlijk betekend aan het Instituut. De bepalingen van artikelen 15, 26 en 27 zijn naar analogie van toepassing. HOOFDSTUK III. - Behandeling van verontreinigde terreinen Afdeling I. - Beginselen
Termijnen voor de behandeling van de verontreiniging Art. 17.§ 1. De verplichte behandeling van de bodemverontreiniging die voortvloeit uit de conclusies van een door het Instituut gelijkvormig verklaard of geacht verkennend bodemonderzoek, moet vervuld worden vóór : 1° de vervreemding van een zakelijk recht op het terrein waarop deze verplichting betrekking heeft;2° de overdracht van de milieuvergunning voor een risicoactiviteit die wordt uitgeoefend op de site waarop deze verplichting betrekking heeft;3° de uitvoering van handelingen en werken of de ingebruikneming van een inrichting die van dien aard zijn dat ze de behandeling of latere controle van de bodemverontreiniging belemmeren, of van dien aard zijn dat ze de blootstelling van personen of het milieu aan de door de bodemverontreiniging veroorzaakte risico's op het terrein waarop deze verplichting betrekking heeft, verhogen; § 2. In afwijking van § 1, 1° en 2°, kunnen de vervreemding van een zakelijk recht of de overdracht van een milieuvergunning plaatsvinden vóór de behandeling van de bodemverontreiniging, indien aan volgende voorwaarden voldaan is : - een verkennend bodemonderzoek werd gelijkvormig verklaard of geacht; - de houder van de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging heeft zich ertoe verbonden om deze binnen een door het Instituut goedgekeurd tijdschema te vervullen; - er is een financiële zekerheid gesteld die deze verbintenis dekt in overeenstemming met artikel 71.
De houder van de verplichting stuurt per aangetekend schrijven aan het Instituut een voorstel betreffende het tijdschema van behandeling van de bodemverontreiniging en betreffende het bedrag van de financiële zekerheid. Na ontvangst van deze voorstellen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om er al dan niet mee in te stemmen.
Normen en waarden Art. 18.§ 1. De Regering bepaalt de interventienormen per kwetsbaarheidszone waarboven een gedetailleerd onderzoek verplicht is. § 2. De Regering bepaalt de saneringsnormen die door de uitvoering van de saneringswerken bereikt moeten worden, waarbij met name rekening gehouden wordt met de concentraties verontreinigende stoffen die van nature aanwezig zijn in de bodem op gewestelijk niveau. § 3. De Regering bepaalt de berekeningsmethode van de risicowaarden en de verontreinigingdrempels die bepalen of de risico's voor de volksgezondheid en het milieu al dan niet aanvaardbaar zijn.
Realisatie van een gedetailleerd onderzoek en houder van de verplichting Art. 19.§ 1. Wanneer een verkennend bodemonderzoek wijst op ofwel een overschrijding van de interventienormen ofwel een overschrijding van de saneringsnormen en een toename van de verontreiniging, moet er een gedetailleerd onderzoek naar deze verontreiniging worden uitgevoerd. § 2. Wanneer een verkennend bodemonderzoek het mogelijk maakt het type verontreiniging te bepalen, is het gedetailleerd onderzoek ten laste van de houder van de verplichting inzake behandeling van de verontreiniging bedoeld in artikelen 20 tot 22.
Anders is het gedetailleerd onderzoek ten laste van de persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren.
Behandeling van de verontreiniging door middel van risicobeheer en houder van de verplichting Art. 20.§ 1. Wanneer een gedetailleerd onderzoek wijst op de aanwezigheid van een weesverontreiniging, moet er een risico-onderzoek met betrekking tot deze verontreiniging uitgevoerd worden ten laste van : - de exploitant van de site betrokken bij de verontreiniging, indien deze veroorzaakt is na 20 januari 2005; - de houder van zakelijke rechten op het terrein getroffen door de verontreiniging, indien deze veroorzaakt is vóór 20 januari 2005 of indien ze veroorzaakt is na 20 januari 2005, bij ontstentenis van een exploitant van het terrein. § 2. Wanneer een gedetailleerd onderzoek wijst op de aanwezigheid van een gemengde verontreiniging, moet er een risico-onderzoek met betrekking tot deze verontreiniging uitgevoerd worden ten laste van : - de exploitant die een deel van deze verontreiniging heeft veroorzaakt; - de houder van zakelijke rechten die een deel van deze verontreiniging heeft veroorzaakt; - de geïdentificeerde persoon die een deel van deze verontreiniging heeft veroorzaakt. § 3. Wanneer het risico-onderzoek wijst op een overschrijding van de risicowaarden, moeten de risico's aanvaardbaar voor de volksgezondheid en het milieu gemaakt worden door de opstelling van risicobeheersvoorstel en de uitvoering risicobeheersmaatregelen, of eventueel door de uitvoering van een saneringsvoorstel of saneringswerken ten laste van de persoon die het in §§ 1 en 2 bedoelde risicoonderzoek dient uit te voeren Behandeling van de verontreiniging door sanering en houder van de verplichting Art. 21.§ 1. Wanneer een gedetailleerd onderzoek wijst op de aanwezigheid van een eenmalige verontreiniging, moeten er een saneringsvoorstel en saneringswerken met betrekking tot deze verontreiniging. uitgevoerd worden ten laste van : - de exploitant die deze verontreiniging heeft veroorzaakt; - de houder van zakelijke rechten die deze verontreiniging heeft veroorzaakt; - de geïdentificeerde persoon die deze verontreiniging heeft veroorzaakt. § 2. De saneringswerken hebben tot doel te voldoen aan de saneringsnormen.
In geval van toename van de verontreiniging kunnen de saneringswerken echter minstens tot doel hebben deze toename teniet te doen.
Afwijkingen Art. 22.§ 1. In afwijking van artikel 20, § 2, indien het gedetailleerde onderzoek aangeeft dat de gemengde verontreiniging volledig werd veroorzaakt door de personen bedoeld in deze paragraaf, moeten de saneringswerken van deze verontreiniging solidair uitgevoerd worden door de personen die de verontreiniging hebben veroorzaakt. § 2. In afwijking van artikel 21, § 1, indien het gedetailleerd onderzoek aantoont dat de verontreiniging volledig veroorzaakt werd vüür 1 januari 1993, moet een behandeling van de verontreiniging door risicobeheer uitgevoerd worden ten laste van de exploitant of de houder van zakelijke rechten die de verontreiniging veroorzaakt heeft.
Vrijwillige behandeling van de verontreiniging en andere houders van verplichting Art. 23.§ 1. Iedere persoon kan een verkennend bodemonderzoek laten uitvoeren en in voorkomend geval een bodemverontreiniging op zijn kosten laten behandelen, buiten de feiten die aanleiding geven tot de identificatieverplichting of verplichting tot behandeling van de bodemverontreiniging in uitvoering van de onderhavige ordonnantie. § 2. Iedere persoon die verplicht is de bodemverontreiniging te behandelen door middel van risicobeheersmaatregelen, mag deze verontreiniging behandelen door saneringswerken uit te voeren. § 3. Iedere persoon die houder is van een verplichting om bodemverontreiniging te behandelen, kan deze verplichting overdragen aan een derde persoon, indien aan de volgende voorwaarden voldaan is : - een verkennend bodemonderzoek werd gelijkvormig verklaard of geacht; - de overnemende derde persoon heeft zich ertoe verbonden om de verplichting inzake behandeling van de verontreiniging binnen een door het Instituut goedgekeurd tijdschema te vervullen; - er is een financiële zekerheid gesteld die deze verbintenis dekt in overeenstemming met artikel 71.
De houder van de verplichting stuurt per aangetekend schrijven aan het Instituut een voorstel betreffende het tijdschema voor de behandeling van de bodemverontreiniging en betreffende het bedrag van de financiële zekerheid. Na ontvangst van deze voorstellen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om er al dan niet mee in te stemmen.
Wanneer de voorwaarden van het eerste lid zijn vervuld, zal de derde die zich ertoe heeft verbonden om de verplichtingen inzake behandeling van de verontreiniging te vervullen, de houder van de verplichtingen in de zin van deze ordonnantie worden.
De overdracht van de verplichting tot behandeling van de verontreiniging kan gezamenlijk gebeuren met de toepassing van de afwijking bedoeld in artikel 17, § 2. § 4. Indien een natuurlijke of rechtspersoon bij volmacht een aanzienlijke economische macht heeft verworven over de technische werking van een exploitatie, wordt deze persoon op dezelfde wijze als de exploitant geacht een verkennend bodemonderzoek uit te voeren of de bodemverontreiniging te behandelen. § 5. De in dit artikel bedoelde behandeling van de bodemverontreiniging moet in overeenstemming met de bepalingen van deze ordonnantie uitgevoerd worden.
Aansprakelijkheid Art. 24.§ 1. Hij die een bodemverontreiniging heeft veroorzaakt is aansprakelijk voor de kosten gemaakt voor de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek en voor de behandeling van de verontreiniging door de houder(s) van deze verplichtingen in uitvoering van de onderhavige ordonnantie, evenals voor de schade die door deze onderzoeken, maatregelen of werken wordt teweeggebracht. § 2. De exploitant van een inrichting die is onderworpen aan een milieuvergunning of een aangifte krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, is aansprakelijk voor de kosten bedoeld in de vorige paragraaf, indien de bodemverontreiniging werd veroorzaakt door de uitbating van deze inrichting.
De exploitant is echter niet aansprakelijk voor deze kosten, indien hij kan bewijzen dat hij geen fout of nalatigheid heeft begaan en dat de bodemverontreiniging te wijten is aan een emissie die of een voorval dat uitdrukkelijk toegestaan is, met naleving van alle voorwaarden die verband houden met een op de datum van de emissie of het voorval van toepassing zijnde vergunning of aangifte die uitgereikt of verlengd werd krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. § 3. Wanneer verscheidene personen aansprakelijk zijn voor dezelfde bodemverontreiniging, zijn ze solidair aansprakelijk. § 4. De bepalingen van deze ordonnantie doen geen afbreuk aan het recht van de aansprakelijke persoon om andere rechtsmiddelen aan te wenden om verhaal te zoeken. § 5. De bepalingen van deze ordonnantie doen geen afbreuk aan de andere rechten die de benadeelde personen of personen die kosten aangaan, inroepen tegen de aansprakelijke of andere personen. Afdeling II. - Gedetailleerd onderzoek
Doel en inhoud Art. 25.§ 1. Het gedetailleerd onderzoek bakent de bodemverontreiniging die door een verkennend bodemonderzoek aan het licht is gebracht, verticaal en horizontaal af en bepaalt, en eventueel onderscheidt, de toename van de verontreiniging en het type of de types verontreiniging : eenmalige, wees- of gemengde verontreiniging. § 2. Het gedetailleerd onderzoek bevat met redenen omklede conclusies betreffende de omvang en de aard van de verontreiniging, het type of de types verontreiniging en de termijn waarbinnen een risico-onderzoek of een saneringsvoorstel aan het Instituut moet worden betekend. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name het potentiële gevaar van de verontreiniging voor het milieu en de gezondheid alsmede het gebruik van het terrein. Het gedetailleerd onderzoek bepaalt eveneens, in voorkomend geval, welke veiligheidsmaatregelen er genomen moeten worden. § 3. De Regering bepaalt de type-inhoud en de algemene uitvoeringsmodaliteiten van het gedetailleerd onderzoek.
Uitvoering en kennisgeving Art. 26.§ 1. Het gedetailleerd onderzoek wordt door een bodemverontreinigingsdeskundige uitgevoerd. § 2. Het gedetailleerd onderzoek wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken.
Er kan een verlenging van de termijn worden toegekend indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd. § 3. Het gedetailleerd onderzoek wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut.
Gelijkvormigheidsverklaring Art. 27.§ 1. Na ontvangst van het gedetailleerd onderzoek heeft het Instituut 30 dagen de tijd om : - ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren; - ofwel wijzigingen of aanvullingen op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het gedetailleerd onderzoek al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon belast met het gedetailleerd onderzoek, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen § 2. In de gelijkvormigheidsverklaring bepaalt het In stituut op basis van de conclusies van het gedetailleerd onderzoek het type of de types bodemverontreiniging en de termijn waarbinnen het risico-onderzoek en/of het saneringsvoorstel aan het Instituut betekend moeten worden.
Het Instituut kan eveneens veiligheidsmaatregelen voorschrijven. De gelijkvormigheidsverklaring wordt per aangetekend schrijven betekend aan de persoon die het gedetailleerd onderzoek moet uitvoeren, de personen die het risico-onderzoek moeten uitvoeren en/of het saneringsvoorstel moeten opstellen, de houder van zakelijke rechten en, in voorkomend geval, de exploitant van een risicoactiviteit op het terrein. § 3. Bij ontstentenis van een gelijkvormigheidsverklaring door het Instituut binnen de termijnen bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies geacht te zijn goedgekeurd en wordt het gedetailleerd onderzoek als gelijkvormig beschouwd.
Gezamenlijke onderzoeken Art. 28.Binnen de termijn bedoeld in artikel 15, § 4, kan de persoon die het gedetailleerd onderzoek moet uitvoeren, onmiddellijk na het gedetailleerd onderzoek voor eigen rekening een risico-onderzoek laten uitvoeren, zonder tussentijdse kennisgeving aan het Instituut van het eerste onderzoek.
In dat geval worden het gedetailleerd onderzoek en het risico-onderzoek gezamenlijk betekend aan het Instituut. De bepalingen van artikelen 26, 27, 30 en 31 zijn naar analogie van toepassing.
Indien het verkennend bodemonderzoek, het gedetailleerd onderzoek en het risico-onderzoek gezamenlijk betekend worden, worden de in artikel 31 bedoelde termijnen toegekend aan het Instituut verlengd tot 60 dagen. HOOFDSTUK IV. - Risicobeheer Afdeling I. - Risico-onderzoek
Doel en inhoud Art. 29.§ 1. Het risico-onderzoek beoordeelt de risico's die een bodemverontreiniging met zich brengt voor de volksgezondheid en het milieu. § 2. De risicobeoordeling omvat de volgende drie aspecten : het risico van blootstelling voor de mens, het risico van aantasting van de ecosystemen en het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen.
De risicobeoordeling bestudeert de huidige risico's, rekening houdend met het huidige geoorloofd feitelijk gebruik van het terrein, en de toekomstige risico's, rekening houdend met de bestemming volgens de geldige stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen voor het terrein, of, bij ontstentenis daarvan, zoals af te leiden uit het huidige geoorloofd feitelijk gebruik en de bestemmingen die toegestaan zijn volgens de bodembestemmingsplannen.
De Regering kan voor elke zone die vastgelegd wordt in de bodembestemmingsplannen, opgeven met welke bestemmingen er rekening gehouden moet worden. § 3. Het risico-onderzoek formuleert met redenen omklede conclusies betreffende de aanvaardbaarheid van de risico's van de verontreiniging, de dringendheid van risicobeheer, de noodzaak een risicobeheersvoorstel of eventueel een saneringsvoorstel op te stellen en de termijnen waarbinnen dergelijke voorstellen aan het Instituut betekend moeten worden. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name de dringendheid van het risicobeheer en het gebruik van het terrein. Het risico-onderzoek bepaalt in voorkomend geval eveneens welke veiligheids- of followupmaatregelen er genomen moeten worden. § 4. De Regering bepaalt de type-inhoud van het risicoonderzoek.
Uitvoering en kennisgeving Art. 30.§ 1. Het risico-onderzoek wordt door een bodemverontreinigingsdeskundige uitgevoerd. § 2. Het risico-onderzoek wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken.
Er kan een verlenging van de termijn toegekend worden indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd. § 3. Het risico-onderzoek wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut.
Gelijkvormigheidsverklaring Art. 31.§ 1. Na ontvangst van het risico-onderzoek heeft het Instituut 30 dagen de tijd om : - ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren; - ofwel wijzigingen of aanvullingen op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het risico-onderzoek al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren. - In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon belast met het risico-onderzoek, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen. § 2. In de gelijkvormigheidsverklaring bepaalt het Instituut, in voorkomend geval, op basis van de conclusies van het risico-onderzoek, de termijn waarbinnen het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel aan het Instituut betekend moet worden. Het Instituut kan eveneens veiligheidsof follow-upmaatregelen voorschrijven. De gelijkvormigheidsverklaring wordt per aangetekend schrijven betekend aan de persoon die het risico-onderzoek moet uitvoeren, de houder van zakelijke rechten en, in voorkomend geval, de exploitant van een risicoactiviteit op het terrein. § 3. Bij ontstentenis van een gelijkvormigheidsverklaring door het Instituut binnen de termijnen bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies geacht te zijn goedgekeurd en wordt het risico-onderzoek als gelijkvormig beschouwd.
Geldigheidsduur Art. 32.§ 1. Een risico-onderzoek is geldig zolang er zich geen wijziging heeft voorgedaan in de elementen waarmee rekening is gehouden in dit onderzoek om de risico's van blootstelling voor de mens, aantasting van de ecosystemen en verspreiding van verontreinigende stoffen te bepalen, met inbegrip van de gegevens van het gedetailleerd onderzoek en het bodembestemmingsplan die voor het onderzoek gebruikt werden.
Wanneer een risico-onderzoek betreffende een perceel dat onder risicobeheer is gesteld, niet langer geldig is, moet er door de personen bedoeld in artikel 20 een nieuw risicoonderzoek betreffende dat perceel worden uitgevoerd vóór de feiten bedoeld in artikel 17, § 1. § 2. Het Instituut bepaalt op basis van eerdere onderzoeken en de resultaten van de follow-upmaatregelen of de gegevens van het gedetailleerd onderzoek die in een risico-onderzoek gebruikt zijn, nog voldoende actueel zijn om een exact beeld te geven van de huidige staat van de bodemverontreiniging. Indien deze gegevens niet meer als voldoende actueel beschouwd worden, moet het nieuwe risico-onderzoek, vereist krachtens artikel § 1, voorafgegaan worden door een actualisering van het gedetailleerd onderzoek, uitgevoerd in overeenstemming met afdeling II van hoofdstuk III, afdeling II. Risicobeheersvoorstel.
Doel en inhoud Art. 33.§ 1. Het risicobeheersvoorstel bepaalt het type en de uitvoeringswijze van de risicobeheersmaatregelen die moeten worden genomen om de via een risico-onderzoek geïdentificeerde risico's aanvaardbaar te maken voor de volksgezondheid en het milieu. § 2. Het risicobeheersvoorstel beschrijft de gekozen risicobeheersmaatregelen, na ze te hebben vergeleken met andere denkbare risicobeheersmaatregelen wat betreft doeltreffendheid, kostprijs, milieueffecten en uitvoeringstermijn. Op basis van dezelfde criteria vergelijkt het risicobeheersvoorstel op beknopte wijze de gekozen risicobeheersmaatregelen met de saneringswerken volgens een aan de situatie op het terrein aangepaste techniek. Het risicobeheersvoorstel verduidelijkt eveneens de procedure om na de uitvoering van de gekozen risicobeheersmaatregelen de geboekte resultaten inzake blootstelling van de mens en het milieu te meten, evenals de termijn waarbinnen deze maatregelen uitgevoerd moeten worden. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name de dringendheid van het risicobeheer en het gebruik van het terrein. Het risicobeheersvoorstel bepaalt in voorkomend geval eveneens welke veiligheids- of follow-upmaatregelen er genomen moeten worden.
De effecten van het ontwerp worden beoordeeld onverminderd de andere wetgevingen op dat gebied. § 3. De Regering bepaalt de type-inhoud van het risicobeheersvoorstel.
Uitvoering en kennisgeving Art. 34.§ 1. Het risicobeheersvoorstel wordt door een bodemverontreinigingsdeskundige opgesteld. § 2. Het risicobeheersvoorstel wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken.
Er kan een verlenging van de termijn worden toegekend indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd. § 3. Het risicobeheersvoorstel wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut.
Na ontvangst van het risicobeheersvoorstel heeft het Instituut 15 dagen de tijd om aan de persoon die het risicobeheersvoorstel moet opstellen, per aangetekend schrijven betekening te doen van ofwel een ontvangstbewijs voor het volledige dossier, ofwel een verzoek om aanvullingen, die binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut.
Gelijkvormigheidsverklaring Art. 35.§ 1. Na ontvangst van de ontvangstbewijs voor het volledige dossier of, desgevallend, de adviezen bedoeld in artikel 51 of na het verstrijken van de in artikelen 34, § 3 en 51 gestelde termijnen om de adviezen in te dienen, heeft het Instituut 45 dagen de tijd om : - ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren; - ofwel wijzigingen of aanvullingen op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het risicobeheersvoorstel al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
Indien het Instituut geen gelijkvormigheidsverklaring kan betekenen volgens de binnen deze bepaling toegestane termijn, richt het aan de persoon die het risicobeheer uitvoert een voorstel van verlenging van een maximum van 30 dagen van deze termijn. In dit voorstel zijn de in artikelen 55 tot 57 georganiseerde beroepen vermeld. § 2. In de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel bepaalt het Instituut op basis van de conclusies van het risicobeheersvoorstel, de milieueffecten ervan en de ontvangen adviezen, op welke voorwaarden de risicobeheersmaatregelen uitgevoerd moeten worden, welke resultaten behaald moeten worden met de uitvoering van deze maatregelen en binnen welke termijnen de uitvoering van deze maatregelen voltooid moet zijn. Het Instituut kan eveneens veiligheids- of follow-upmaatregelen voorschrijven. § 3. De gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel wordt per aangetekend schrijven aan de volgende personen betekend : 1° de persoon die de risicobeheersmaatregelen moet uitvoeren;2° de houders van zakelijke rechten en de exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;3° het College van Burgemeester en Schepenen;4° de afgevaardigd ambtenaar, indien deze om advies gevraagd werd ter uitvoering van artikel 51. Equivalentie Art. 36.Indien het risicobeheersvoorstel inrichtingen, handelingen of werkzaamheden omvat die onderworpen zijn aan een vergunning krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater of aan een milieuaangifte, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning geldt de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel als de vereiste vergunning of aangifte. Afdeling III. - Risicobeheersmaatregelen
Uitvoering van de risicobeheersmaatregelen Art. 37.§ 1. De risicobeheersmaatregelen worden uitgevoerd door een bodemsaneringsaannemer, onder toezicht van een bodemverontreinigingsdeskundige, binnen de termijnen die het Instituut heeft gesteld in de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel. § 2. De risicobeheersmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen in het risicobeheersvoorstel en de voorwaarden vastgelegd in de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel. § 3. De Regering kan een standaardprocedure vastleggen voor de uitvoering van de risicobeheersmaatregelen.
Aanpassing van de risicobeheersmaatregelen Art. 38.§ 1. Indien tijdens de uitvoering van risicobeheersmaatregelen blijkt dat deze niet de verwachte resultaten zullen opleveren, dat de uitvoeringsvoorwaarden niet langer geschikt zijn om milieuhinder te voorkomen of te verminderen of dat de resultaten behaald kunnen worden door de toepassing van risicobeheersmaatregelen tegen lagere kostprijs, kunnen de risicobeheersmaatregelen aangepast worden door wijzigingen of aanvullingen, op verzoek van de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren of op ver zoek van het Instituut, in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel. § 2. Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van de risicobeheersmaatregelen moet worden opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige die is aangesteld door de persoon die moet instaan voor het risicobeheer, en moet vergezeld zijn van het advies van een bodemsaneringsaannemer. De kennisgeving aan het Instituut gebeurt per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut.
Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van de risicobeheersmaatregelen moet de aard en de gevolgen stipuleren van deze aanpassing gelet op de criteria die in het gelijkvormig verklaarde of geachte risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden.
Indien het verzoek om aanpassing uitgaat van de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, moeten in het verzoek ook de redenen van de aanpassing toegelicht worden. § 3. De persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, betekent zijn verzoek om aanpassing van de risicobeheersmaatregelen aan het Instituut.
Binnen de 15 dagen na ontvangst van het verzoek stelt het Instituut de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, per aangetekend schrijven ervan in kennis : - ofwel dat het Instituut niet akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, wanneer het meent dat deze niet overeenstemt met de voorwaarden beschreven in § 1 of dat deze een toename van de risico's voor de volksgezondheid of het milieu kan veroorzaken; - ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut wil dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut verzoekt om verduidelijkingen of aanvullingen, die per aangetekend schrijven aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de verduidelijkingen of aanvullingen heeft het instituut 15 dagen de tijd om de gevraagde aanpassing al dan niet goed te keuren of te vragen dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn, wordt het verzoek om aanpassing van de risicobeheersmaatregelen geacht niet te zijn goedgekeurd. § 4. Het Instituut deelt aan de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, de redelijke termijn mee waarbinnen een voorstel tot aanpassing van de risicobeheersmaatregelen, ten laste van deze persoon, moet worden betekend aan het Instituut. Het verzoek van het Instituut is met redenen omkleed.
Binnen de 15 dagen na ontvangst van het voorstel stelt het Instituut de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, per aangetekend schrijven ervan in kennis : - ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de voorgestelde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut wil dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut verzoekt om verduideli …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.