Ordonnantie betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems
Kort samengevat
Deze ordonnantie regelt het beheer en de sanering van verontreinigde bodems om bodemverontreiniging te voorkomen, te identificeren en te behandelen, en om de toegang tot informatie hierover te regelen. Het doel is om de volksgezondheid en het milieu te beschermen door verontreiniging te doen verdwijnen, te controleren, in te dijken of te beperken.
Wat het regelt
- Het voorkomen van bodemverontreiniging en het identificeren van potentiële bronnen.
- Het regelen van bodemonderzoeken om verontreiniging vast te stellen.
- Het bepalen van de methoden voor sanering of beheer van verontreinigde bodems.
- Het regelen van de toegang tot informatie over bodemverontreiniging.
Wie het aanbelangt
- Personen die een bodemverontreiniging ontdekken of een gebeurtenis veroorzaken die tot verontreiniging kan leiden.
- Houders van zakelijke rechten en exploitanten van risicoactiviteiten op terreinen.
Kernpunten
- Elke ontdekking van bodemverontreiniging moet zo spoedig mogelijk worden aangegeven bij de houder van zakelijke rechten en de exploitant, of bij het Instituut als deze niet te identificeren zijn.
- Gebeurtenissen die kunnen leiden tot bodemverontreiniging moeten zo spoedig mogelijk worden aangegeven bij het Instituut, de houders van zakelijke rechten en de exploitant.
- Het Instituut stelt een inventaris van de bodemtoestand op en houdt deze actueel, met gedetailleerde informatie per perceel.
- Houders van zakelijke rechten en exploitanten van risicoactiviteiten hebben 90 dagen de tijd om opmerkingen te maken over de gedetailleerde informatie die het Instituut wil opnemen in de inventaris.
Wettekst
5 MAART 2009. - Ordonnantie betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems (1) HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in a
Art. 26.§ 1.
Het gedetailleerd onderzoek wordt door een bodemverontreinigingsdeskundige uitgevoerd. §
- Het gedetailleerd onderzoek wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken. Er kan een verlenging van de termijn worden toegekend indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd. §
- Het gedetailleerd onderzoek wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Gelijkvormigheidsverklaring Art. 27.§
- Na ontvangst van het gedetailleerd onderzoek heeft het Instituut 30 dagen de tijd om : - ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren; - ofwel wijzigingen of aanvullingen op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het gedetailleerd onderzoek al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren. In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon belast met het gedetailleerd onderzoek, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen §
- In de gelijkvormigheidsverklaring bepaalt het In stituut op basis van de conclusies van het gedetailleerd onderzoek het type of de types bodemverontreiniging en de termijn waarbinnen het risico-onderzoek en/of het saneringsvoorstel aan het Instituut betekend moeten worden. Het Instituut kan eveneens veiligheidsmaatregelen voorschrijven. De gelijkvormigheidsverklaring wordt per aangetekend schrijven betekend aan de persoon die het gedetailleerd onderzoek moet uitvoeren, de personen die het risico-onderzoek moeten uitvoeren en/of het saneringsvoorstel moeten opstellen, de houder van zakelijke rechten en, in voorkomend geval, de exploitant van een risicoactiviteit op het terrein. §
- Bij ontstentenis van een gelijkvormigheidsverklaring door het Instituut binnen de termijnen bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies geacht te zijn goedgekeurd en wordt het gedetailleerd onderzoek als gelijkvormig beschouwd. Gezamenlijke onderzoeken Art. 28.Binnen de termijn bedoeld in artikel 15, § 4, kan de persoon die het gedetailleerd onderzoek moet uitvoeren, onmiddellijk na het gedetailleerd onderzoek voor eigen rekening een risico-onderzoek laten uitvoeren, zonder tussentijdse kennisgeving aan het Instituut van het eerste onderzoek. In dat geval worden het gedetailleerd onderzoek en het risico-onderzoek gezamenlijk betekend aan het Instituut. De bepalingen van artikelen 26, 27, 30 en 31 zijn naar analogie van toepassing. Indien het verkennend bodemonderzoek, het gedetailleerd onderzoek en het risico-onderzoek gezamenlijk betekend worden, worden de in artikel 31 bedoelde termijnen toegekend aan het Instituut verlengd tot 60 dagen. HOOFDSTUK IV. - Risicobeheer Afdeling I. - Risico-onderzoek Doel en inhoud Art. 29.§
- Het risico-onderzoek beoordeelt de risico's die een bodemverontreiniging met zich brengt voor de volksgezondheid en het milieu. §
- De risicobeoordeling omvat de volgende drie aspecten : het risico van blootstelling voor de mens, het risico van aantasting van de ecosystemen en het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen. De risicobeoordeling bestudeert de huidige risico's, rekening houdend met het huidige geoorloofd feitelijk gebruik van het terrein, en de toekomstige risico's, rekening houdend met de bestemming volgens de geldige stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen voor het terrein, of, bij ontstentenis daarvan, zoals af te leiden uit het huidige geoorloofd feitelijk gebruik en de bestemmingen die toegestaan zijn volgens de bodembestemmingsplannen. De Regering kan voor elke zone die vastgelegd wordt in de bodembestemmingsplannen, opgeven met welke bestemmingen er rekening gehouden moet worden. §
- Het risico-onderzoek formuleert met redenen omklede conclusies betreffende de aanvaardbaarheid van de risico's van de verontreiniging, de dringendheid van risicobeheer, de noodzaak een risicobeheersvoorstel of eventueel een saneringsvoorstel op te stellen en de termijnen waarbinnen dergelijke voorstellen aan het Instituut betekend moeten worden. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name de dringendheid van het risicobeheer en het gebruik van het terrein. Het risico-onderzoek bepaalt in voorkomend geval eveneens welke veiligheids- of followupmaatregelen er genomen moeten worden. §
- De Regering bepaalt de type-inhoud van het risicoonderzoek.
Art. 30.§ 1.
Het risico-onderzoek wordt door een bodemverontreinigingsdeskundige uitgevoerd. §
- Het risico-onderzoek wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken. Er kan een verlenging van de termijn toegekend worden indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd. §
- Het risico-onderzoek wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Gelijkvormigheidsverklaring Art. 31.§
- Na ontvangst van het risico-onderzoek heeft het Instituut 30 dagen de tijd om : - ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren; - ofwel wijzigingen of aanvullingen op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het risico-onderzoek al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren. - In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon belast met het risico-onderzoek, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen. §
- In de gelijkvormigheidsverklaring bepaalt het Instituut, in voorkomend geval, op basis van de conclusies van het risico-onderzoek, de termijn waarbinnen het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel aan het Instituut betekend moet worden. Het Instituut kan eveneens veiligheidsof follow-upmaatregelen voorschrijven. De gelijkvormigheidsverklaring wordt per aangetekend schrijven betekend aan de persoon die het risico-onderzoek moet uitvoeren, de houder van zakelijke rechten en, in voorkomend geval, de exploitant van een risicoactiviteit op het terrein. §
- Bij ontstentenis van een gelijkvormigheidsverklaring door het Instituut binnen de termijnen bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies geacht te zijn goedgekeurd en wordt het risico-onderzoek als gelijkvormig beschouwd. Geldigheidsduur Art. 32.§
- Een risico-onderzoek is geldig zolang er zich geen wijziging heeft voorgedaan in de elementen waarmee rekening is gehouden in dit onderzoek om de risico's van blootstelling voor de mens, aantasting van de ecosystemen en verspreiding van verontreinigende stoffen te bepalen, met inbegrip van de gegevens van het gedetailleerd onderzoek en het bodembestemmingsplan die voor het onderzoek gebruikt werden. Wanneer een risico-onderzoek betreffende een perceel dat onder risicobeheer is gesteld, niet langer geldig is, moet er door de personen bedoeld in artikel 20 een nieuw risicoonderzoek betreffende dat perceel worden uitgevoerd vóór de feiten bedoeld in artikel 17, §
- §
- Het Instituut bepaalt op basis van eerdere onderzoeken en de resultaten van de follow-upmaatregelen of de gegevens van het gedetailleerd onderzoek die in een risico-onderzoek gebruikt zijn, nog voldoende actueel zijn om een exact beeld te geven van de huidige staat van de bodemverontreiniging. Indien deze gegevens niet meer als voldoende actueel beschouwd worden, moet het nieuwe risico-onderzoek, vereist krachtens artikel § 1, voorafgegaan worden door een actualisering van het gedetailleerd onderzoek, uitgevoerd in overeenstemming met afdeling II van hoofdstuk III, afdeling II. Risicobeheersvoorstel. Doel en inhoud Art. 33.§
- Het risicobeheersvoorstel bepaalt het type en de uitvoeringswijze van de risicobeheersmaatregelen die moeten worden genomen om de via een risico-onderzoek geïdentificeerde risico's aanvaardbaar te maken voor de volksgezondheid en het milieu. §
- Het risicobeheersvoorstel beschrijft de gekozen risicobeheersmaatregelen, na ze te hebben vergeleken met andere denkbare risicobeheersmaatregelen wat betreft doeltreffendheid, kostprijs, milieueffecten en uitvoeringstermijn. Op basis van dezelfde criteria vergelijkt het risicobeheersvoorstel op beknopte wijze de gekozen risicobeheersmaatregelen met de saneringswerken volgens een aan de situatie op het terrein aangepaste techniek. Het risicobeheersvoorstel verduidelijkt eveneens de procedure om na de uitvoering van de gekozen risicobeheersmaatregelen de geboekte resultaten inzake blootstelling van de mens en het milieu te meten, evenals de termijn waarbinnen deze maatregelen uitgevoerd moeten worden. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name de dringendheid van het risicobeheer en het gebruik van het terrein. Het risicobeheersvoorstel bepaalt in voorkomend geval eveneens welke veiligheids- of follow-upmaatregelen er genomen moeten worden. De effecten van het ontwerp worden beoordeeld onverminderd de andere wetgevingen op dat gebied. §
- De Regering bepaalt de type-inhoud van het risicobeheersvoorstel.
Art. 34.§ 1.
Het risicobeheersvoorstel wordt door een bodemverontreinigingsdeskundige opgesteld. §
- Het risicobeheersvoorstel wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken. Er kan een verlenging van de termijn worden toegekend indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd. §
- Het risicobeheersvoorstel wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Na ontvangst van het risicobeheersvoorstel heeft het Instituut 15 dagen de tijd om aan de persoon die het risicobeheersvoorstel moet opstellen, per aangetekend schrijven betekening te doen van ofwel een ontvangstbewijs voor het volledige dossier, ofwel een verzoek om aanvullingen, die binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Gelijkvormigheidsverklaring Art. 35.§
- Na ontvangst van de ontvangstbewijs voor het volledige dossier of, desgevallend, de adviezen bedoeld in artikel 51 of na het verstrijken van de in artikelen 34, § 3 en 51 gestelde termijnen om de adviezen in te dienen, heeft het Instituut 45 dagen de tijd om : - ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren; - ofwel wijzigingen of aanvullingen op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het risicobeheersvoorstel al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren. Indien het Instituut geen gelijkvormigheidsverklaring kan betekenen volgens de binnen deze bepaling toegestane termijn, richt het aan de persoon die het risicobeheer uitvoert een voorstel van verlenging van een maximum van 30 dagen van deze termijn. In dit voorstel zijn de in artikelen 55 tot 57 georganiseerde beroepen vermeld. §
- In de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel bepaalt het Instituut op basis van de conclusies van het risicobeheersvoorstel, de milieueffecten ervan en de ontvangen adviezen, op welke voorwaarden de risicobeheersmaatregelen uitgevoerd moeten worden, welke resultaten behaald moeten worden met de uitvoering van deze maatregelen en binnen welke termijnen de uitvoering van deze maatregelen voltooid moet zijn. Het Instituut kan eveneens veiligheids- of follow-upmaatregelen voorschrijven. §
- De gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel wordt per aangetekend schrijven aan de volgende personen betekend : 1° de persoon die de risicobeheersmaatregelen moet uitvoeren;2° de houders van zakelijke rechten en de exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;3° het College van Burgemeester en Schepenen;4° de afgevaardigd ambtenaar, indien deze om advies gevraagd werd ter uitvoering van artikel
- Equivalentie Art. 36.Indien het risicobeheersvoorstel inrichtingen, handelingen of werkzaamheden omvat die onderworpen zijn aan een vergunning krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater of aan een milieuaangifte, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning geldt de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel als de vereiste vergunning of aangifte. Afdeling III. - Risicobeheersmaatregelen Uitvoering van de risicobeheersmaatregelen Art. 37.§
- De risicobeheersmaatregelen worden uitgevoerd door een bodemsaneringsaannemer, onder toezicht van een bodemverontreinigingsdeskundige, binnen de termijnen die het Instituut heeft gesteld in de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel. §
- De risicobeheersmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen in het risicobeheersvoorstel en de voorwaarden vastgelegd in de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel. §
- De Regering kan een standaardprocedure vastleggen voor de uitvoering van de risicobeheersmaatregelen. Aanpassing van de risicobeheersmaatregelen Art. 38.§
- Indien tijdens de uitvoering van risicobeheersmaatregelen blijkt dat deze niet de verwachte resultaten zullen opleveren, dat de uitvoeringsvoorwaarden niet langer geschikt zijn om milieuhinder te voorkomen of te verminderen of dat de resultaten behaald kunnen worden door de toepassing van risicobeheersmaatregelen tegen lagere kostprijs, kunnen de risicobeheersmaatregelen aangepast worden door wijzigingen of aanvullingen, op verzoek van de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren of op ver zoek van het Instituut, in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel. §
- Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van de risicobeheersmaatregelen moet worden opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige die is aangesteld door de persoon die moet instaan voor het risicobeheer, en moet vergezeld zijn van het advies van een bodemsaneringsaannemer. De kennisgeving aan het Instituut gebeurt per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van de risicobeheersmaatregelen moet de aard en de gevolgen stipuleren van deze aanpassing gelet op de criteria die in het gelijkvormig verklaarde of geachte risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden. Indien het verzoek om aanpassing uitgaat van de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, moeten in het verzoek ook de redenen van de aanpassing toegelicht worden. §
- De persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, betekent zijn verzoek om aanpassing van de risicobeheersmaatregelen aan het Instituut. Binnen de 15 dagen na ontvangst van het verzoek stelt het Instituut de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, per aangetekend schrijven ervan in kennis : - ofwel dat het Instituut niet akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, wanneer het meent dat deze niet overeenstemt met de voorwaarden beschreven in § 1 of dat deze een toename van de risico's voor de volksgezondheid of het milieu kan veroorzaken; - ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut wil dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut verzoekt om verduidelijkingen of aanvullingen, die per aangetekend schrijven aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de verduidelijkingen of aanvullingen heeft het instituut 15 dagen de tijd om de gevraagde aanpassing al dan niet goed te keuren of te vragen dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk. Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn, wordt het verzoek om aanpassing van de risicobeheersmaatregelen geacht niet te zijn goedgekeurd. §
- Het Instituut deelt aan de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, de redelijke termijn mee waarbinnen een voorstel tot aanpassing van de risicobeheersmaatregelen, ten laste van deze persoon, moet worden betekend aan het Instituut. Het verzoek van het Instituut is met redenen omkleed. Binnen de 15 dagen na ontvangst van het voorstel stelt het Instituut de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, per aangetekend schrijven ervan in kennis : - ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de voorgestelde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut wil dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut verzoekt om verduidelijkingen of aanvullingen, die per aangetekend schrijven aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de verduidelijkingen of aanvullingen heeft het Instituut 15 dagen de tijd om de voorgestelde aanpassing al dan niet goed te keuren of te eisen dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk. Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het voorstel tot aanpassing van de risicobeheersmaatregelen niet goedgekeurd geacht. §
- De Regering kan de lijst vastleggen van de aanpassingen waarvoor vanwege hun minieme belang geen voorafgaande kennisgeving aan het Instituut vereist is, alsmede de lijst van de aanpassingen waarvoor vanwege hun aanzienlijke belang een nieuw risicobeheersvoorstel moet worden opgesteld. Eindbeoordeling Art. 39.§
- Na de uitvoering van de risicobeheersmaatregelen wordt er door een bodemverontreinigingdeskundige een eindbeoordeling van deze maatregelen gemaakt ten laste van de persoon die de maatregelen moet uitvoeren. De eindbeoordeling wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. §
- Deze eindbeoordeling omvat minstens de volgende elementen : - een gedetailleerde omschrijving van de uitgevoerde risicobeheersmaatregelen; - de verkregen resultaten wat betreft de blootstelling van personen en het milieu op basis van de in het gelijkvormig verklaard of geacht risicobeheersvoorstel beschreven procedure; - de aard en de duur van de eventuele follow-upmaatregelen. §
- De Regering bepaalt de type-inhoud van de eindbeoordeling. Slotverklaring Art. 40.§
- Binnen de 30 dagen na ontvangst van de eindbeoordeling betekent het Instituut, op basis van deze eindbeoordeling en de volgens de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel vereiste resultaten, per aangetekend schrijven aan de personen bedoeld in artikel 35, § 3 : - ofwel een slotverklaring waarin bevestigd wordt dat aan de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging in uitvoering van deze ordonnantie voldaan is, eventueel onder voorwaarde van follow-upmaatregelen; - ofwel een verzoek om aanvulling van de risicobeheersmaatregelen. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 38, § 1, § 2 en § 4, naar analogie van toepassing. De eindbeoordeling wordt geactualiseerd na de uitvoering van de gevraagde aanvulling, ten laste van de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 39; - ofwel een verzoek om wijzigingen of aanvullingen aan de eindbeoordeling die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring te betekenen. §
- Bij ontstentenis van een slotverklaring van het Instituut binnen de termijn van 30 dagen bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies goedgekeurd geacht en wordt de slotverklaring als gelijkvormig beschouwd. §
- De Regering kan de type-inhoud van de eindbeoordeling bepalen. HOOFDSTUK V. - Sanering Afdeling I. - Saneringsvoorstel Doel en inhoud Art. 41.§
- Het saneringsvoorstel bepaalt het type en de uitvoeringswijze van de bodemsaneringswerken die uitgevoerd moeten worden om aan de saneringsnormen te voldoen of om een toename van de verontreiniging uit te sluiten. §
- Het saneringsvoorstel beschrijft de gekozen saneringstechnieken, na ze te hebben vergeleken met andere denkbare saneringstechnieken wat betreft doeltreffendheid, kostprijs, milieueffecten en uitvoeringstermijn. Het saneringsvoorstel verduidelijkt eveneens de procedure om na de uitvoering van de gekozen saneringswerken de resultaten inzake blootstelling van de mens en het milieu te meten, evenals de termijn waarbinnen deze werken uitgevoerd moeten worden. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name de dringendheid van de sanering en het gebruik van het terrein. Het saneringsvoorstel bepaalt in voorkomend geval eveneens welke veiligheids- en followupmaatregelen er genomen moeten worden. De effecten van het ontwerp worden beoordeeld onverminderd de andere wetgevingen op dat gebied. §
- De Regering bepaalt de type-inhoud van het saneringsvoorstel.
Art. 42.§ 1.
Het saneringsvoorstel wordt opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige. § 2. Het saneringsvoorstel wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken. Er kan een verlenging van de termijn worden toegekend indien de persoon die het voorstel moet opstellen, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd. § 3. Het saneringsvoorstel wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Na ontvangst van het saneringsvoorstel heeft het Instituut 15 dagen de tijd om aan de persoon die het saneringsvoorstel moet opstellen, per aangetekend schrijven betekening te doen van ofwel een ontvangstbewijs voor het volledige dossier, ofwel een verzoek om aanvullingen, die binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut, Gelijkvormigheidsverklaring Art. 43.§ 1. Na ontvangst van de ontvangstbewijs voor het volledige dossier of, desgevallend, de adviezen bedoeld in artikel 51 of na het verstrijken van de in artikelen 42, § 3 en 51 gestelde termijnen om de adviezen in te dienen, heeft het Instituut 45 dagen de tijd om : - ofwel het saneringsvoorstel al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren; - ofwel wijzigingen of aanvullingen op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het saneringsvoorstel al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren. Indien het Instituut geen gelijkvormigheidsverklaring kan betekenen volgens de binnen deze bepaling toegestane termijn, richt het aan de persoon die de sanering uitvoert een voorstel van verlenging van een maximum van 30 dagen van deze termijn. In dit voorstel zijn de in artikelen 55 tot 57 georganiseerde beroepen vermeld. § 2. In de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel bepaalt het Instituut op basis van de conclusies van het saneringsvoorstel, de milieueffecten ervan, de saneringsnormen en de ontvangen adviezen, op welke voorwaarden de saneringswerken uitgevoerd moeten worden, welke resultaten behaald moeten worden met de uitvoering van deze werken en binnen welke termijnen de werken voltooid moeten zijn. Het Instituut kan eveneens veiligheidsmaatregelen voorschrijven. § 3. De gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel wordt per aangetekend schrijven aan de volgende personen betekend : 1° de persoon die de saneringswerken moet uitvoeren;2° de houders van zakelijke rechten en de exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;3° het College van Burgemeester en Schepenen;4° de afgevaardigd ambtenaar, indien deze om advies gevraagd werd ter uitvoering van artikel 51. Equivalentie Art. 44.Indien het saneringsvoorstel inrichtingen, handelingen of werkzaamheden omvat die onderworpen zijn aan een vergunning krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater of aan een milieuaangifte, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning, geldt de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel als de vereiste vergunning of aangifte. Afdeling II. - Saneringswerken Uitvoering van de saneringswerken Art. 45.§ 1. De saneringswerken worden uitgevoerd door een bodemsaneringsaannemer, onder toezicht van een bodemverontreinigingsdeskundige, binnen de termijnen die het Instituut heeft gesteld in de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel. § 2. De saneringswerken worden uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen in het saneringsvoorstel en de voorwaarden vastgelegd in de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel. § 3. De Regering kan een standaardprocedure vastleggen voor de uitvoering van de saneringswerken. Aanpassing van de saneringswerken Art. 46.§ 1. Indien tijdens de uitvoering van saneringswerken blijkt dat deze niet de verwachte resultaten zullen opleveren of dat de uitvoeringsvoorwaarden niet langer geschikt zijn om milieuhinder te voorkomen of te verminderen of dat de resultaten behaald kunnen worden door de uitvoering van saneringswerken tegen lagere kostprijs, met inbegrip van het gebruik van de beste beschikbare technieken, kunnen de saneringswerken aangepast worden door wijzigingen of aanvullingen, op verzoek van de persoon die de sanering moet uitvoeren of op verzoek van het Instituut, in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel. § 2. Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van de saneringswerken moet worden opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige die is aangesteld door de persoon die de sanering moet uitvoeren, en moet vergezeld zijn van het advies van een bodemsaneringsaannemer. De kennisgeving aan het Instituut gebeurt per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van de saneringswerken moet de aard en de gevolgen stipuleren van deze aanpassing gelet op de criteria die in het gelijkvormig verklaarde of geachte saneringsvoorstel geanalyseerd worden. Indien het verzoek om aanpassing uitgaat van de persoon die de sanering moet uitvoeren, moeten in het verzoek ook de redenen van de aanpassing toegelicht worden. § 3. De persoon die de sanering moet uitvoeren, betekent zijn verzoek om aanpassing van de saneringswerken aan het Instituut. Binnen de 15 dagen na ontvangst van het verzoek stelt het Instituut de persoon die de sanering moet uitvoeren, per aangetekend schrijven ervan in kennis : - ofwel dat het Instituut niet akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, wanneer het meent dat deze niet overeenstemt met de voorwaarden beschreven in § 1 of dat deze een toename van de risico's voor de volksgezondheid of het milieu kan veroorzaken; - ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut verzoekt dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut verzoekt om verduidelijkingen of aanvullingen, die per aangetekend schrijven aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de verduidelijkingen of aanvullingen heeft het instituut 15 dagen de tijd om de gevraagde aanpassing al dan niet goed te keuren of te vragen dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk. Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het verzoek om aanpassing van de saneringswerken geacht niet te zijn goedgekeurd. § 4. Het Instituut deelt aan de persoon die de sanering moet uitvoeren, de redelijke termijn mee waarbinnen een voorstel tot aanpassing van de saneringswerken, ten laste van deze persoon, moet worden betekend aan het Instituut. Het verzoek van het Instituut is met redenen omkleed. Binnen de 15 dagen na ontvangst van het voorstel stelt het Instituut de persoon die de sanering moet uitvoeren, per aangetekend schrijven ervan in kennis : - ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de voorgestelde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut wil dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden; - ofwel dat het Instituut verzoekt om verduidelijkingen of aanvullingen, die per aangetekend schrijven aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de verduidelijkingen of aanvullingen heeft het Instituut 15 dagen de tijd om de voorgestelde aanpassing al dan niet goed te keuren of te vragen dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk. Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het voorstel tot aanpassing van de saneringswerken geacht niet te zijn goedgekeurd. § 5. De Regering kan de lijst vastleggen van de aanpassingen waarvoor vanwege hun minieme belang geen voorafgaande kennisgeving aan het Instituut vereist is, alsmede de lijst van de aanpassingen waarvoor vanwege hun aanzienlijke belang een nieuw saneringsvoorstel opgesteld moet worden. Eindbeoordeling Art. 47.§ 1. Na de uitvoering van de saneringswerken wordt er door een bodemverontreinigingdeskundige een eindbeoordeling van deze werken gemaakt ten laste van de persoon die de maatregelen moet uitvoeren. De eindbeoordeling wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut. § 2. De eindbeoordeling omvat minstens de volgende elementen : - een gedetailleerde omschrijving van de uitgevoerde saneringswerken; - de resultaten wat betreft de blootstelling van personen en het milieu op basis van de procedure die beschreven wordt in het gelijkvormig verklaard of geacht saneringsvoorstel. § 3. De Regering bepaalt de type-inhoud van de eindbeoordeling. Slotverklaring Art. 48.§ 1. Binnen de 30 dagen na ontvangst van de eindbeoordeling betekent het Instituut op basis van deze eindbeoordeling en de volgens de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel vereiste resultaten per aangetekend schrijven aan de personen bedoeld in artikel 43, § 3 : - ofwel een slotverklaring waarin bevestigd wordt dat aan de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging in uitvoering van deze ordonnantie voldaan is; - ofwel een verzoek om aanvulling van de saneringswerken. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 46, § 1, § 2 en § 4, naar analogie van toepassing. De eindbeoordeling wordt geactualiseerd na de uitvoering van de gevraagde aanvulling, ten laste van de persoon die de saneringswerken moet uitvoeren, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 47; - ofwel een verzoek om wijzigingen of aanvullingen aan de eindbeoordeling, die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring te betekenen. § 2. Bij ontstentenis van een slotverklaring van het Instituut binnen de termijn van 30 dagen bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies geacht te zijn goedgekeurd en wordt de slotverklaring als gelijkvormig beschouwd. § 3. De Regering kan de type-inhoud van de eindbeoordeling bepalen. HOOFDSTUK VI. - Overige maatregelen Veiligheidsmaatregelen Art. 49.§ 1. Indien het Instituut van mening is dat een bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar betekent voor de volksgezondheid of het milieu, kan het op elk ogenblik de uitvoering van veiligheidsmaatregelen opleggen ten laste van de houder van de verplichting om een bodemverkennend onderzoek of behandeling van de verontreiniging uit te voeren of, bij ontstentenis van dergelijke geïdentificeerde persoon of wanneer het onmogelijk blijkt deze persoon te identificeren, ten laste van de exploitant van het betreffende terrein, of bij ontstentenis van deze, ten laste van de houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein, binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van andere overheden om veiligheidsmaatregelen te nemen. De door het Instituut opgelegde veiligheidsmaatregelen zijn met redenen omkleed en worden per aangetekend schrijven betekend aan de volgende personen : 1° de persoon die ze moet uitvoeren;2° de houders van zakelijke rechten en de exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;3° het College van Burgemeester en Schepenen. De veiligheidsmaatregelen, met uitzondering van de gebruiksbeperkingen, worden uitgevoerd onder toezicht van een bodemverontreinigingsdeskundige. Indien de door het Instituut opgelegde veiligheidsmaatregelen inrichtingen, handelingen of werkzaamheden omvatten die onderworpen zijn aan een vergunning krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater of aan een milieuaangifte, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning, geldt de beslissing van het Instituut als de vereiste vergunning of aangifte. § 2. Indien een bodemverontreinigingsdeskundige bij de uitvoering van een opdracht krachtens deze ordonnantie van mening is dat een bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar betekent voor de volksgezondheid of het milieu en dat er veiligheidsmaatregelen nodig zijn, moet hij het Instituut daarvan zo snel mogelijk op de hoogte stellen. In dat geval deelt de bodemverontreinigingsdeskundige aan het Instituut mee welke veiligheidsmaatregelen hij aanbeveelt rekening houdend met de situatie van het terrein. § 3. Zodra er zich een bodemverontreiniging voordoet of ontdekt wordt, moet de exploitant van het betreffende terrein of, bij ontstentenis van deze, de houder van zakelijke rechten op dit terrein, onmiddellijk op eigen initiatief en te zijnen laste alle eerste veiligheidsmaatregelen nemen die nodig zijn om de bodemverontreiniging te beperken en de risico's voor de volksgezondheid en het milieu te beperken of te voorkomen. De persoon bedoeld in het eerste lid stelt het Instituut zo snel mogelijk op de hoogte van de maatregelen die hij getroffen heeft, in voorkomend geval op het moment van de aangifte bedoeld in artikel 4. § 4. Onverminderd artikel 13, § 7 kan het Instituut, indien het van mening is dat een bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar betekent voor de volksgezondheid of het milieu, de termijn bepalen waarbinnen een verkennend bodemonderzoek ten laste van de exploitant van het betreffende terrein, of bij ontstentenis van deze, ten laste van de houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein, aan het Instituut moet worden betekend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15. De beslissing van het Instituut is met redenen omkleed en wordt per aangetekend schrijven betekend aan de volgende personen : 1° de persoon die het verkennend onderzoek moet uitvoeren;2° de houders van zakelijke rechten en de exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;3° het College van burgemeester en schepenen. Follow-upmaatregelen Art. 50.Het Instituut kan in de gelijkvormigheidsverklaring van een risico-onderzoek of een risicobeheersvoorstel of in de slotverklaring van de risicobeheersmaatregelen, de uitvoering van follow-upmaatregelen opleggen ten laste van de persoon die moet instaan voor het risicobeheer. In voorkomend geval vermeldt het Instituut de termijnen waarbinnen een verslag van de resultaten van de opgelegde followupmaatregelen per aangetekend schrijven aan het Instituut betekend moeten worden. De follow-upmaatregelen, met uitzondering van de gebruiksbeperkingen, worden uitgevoerd onder toezicht van een bodemverontreinigingsdeskundige. Het verslag bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige. HOOFDSTUK VII. - Raadpleging en aanplakking Advies en openbaar onderzoek Art. 51.§ 1. Binnen de 5 dagen na kennisgeving van het ontvangstbewijs voor het volledige dossier bezorgt het Instituut een kopie van het risicobeheersvoorstel of saneringsvoorstel voor advies aan het College van burgemeester en schepenen van de gemeente waar zich het perceel of de percelen bevinden waarop het voorstel betrekking heeft. § 2. Indien het voorstel de realisatie van een bovengrondse inrichtingen met permanent karakter of de uitbating van een aan een milieuvergunning onderworpen inrichting omvat, betekent het College van burgemeester en schepenen zijn advies aan het Instituut binnen de 30 dagen na ontvangst van het voorstel. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de gestelde termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn. In het geval zoals voorzien in de 1e alinea van deze paragraaf, bezorgt het Instituut eveneens binnen de 5 dagen na de betekening van het ontvangstbewijs voor het volledige dossier, een kopie van het risicobeheersvoorstel of saneringsvoorstel aan de afgevaardigd ambtenaar voor advies. Binnen de 30 dagen na ontvangst van het voorstel betekent de afgevaardigd ambtenaar zijn advies aan het Instituut en het College van burgemeester en schepenen. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de gestelde termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn. § 3. Indien het voorstel de uitbating van een aan een milieuvergunning onderworpen inrichting omvat, betekent het College van burgemeester en schepenen zijn advies aan het Instituut binnen de 45 dagen na ontvangst van het voorstel. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de gestelde termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn. In dit geval onderwerpt het College van burgemeester en schepenen het project aan een openbaar onderzoek binnen de 15 dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag tot advies. Het openbaar onderzoek heeft betrekking op de milieueffecten die verbonden zijn aan de aan het project inherente installaties en inrichtingen. Het College van burgemeester en schepenen maakt een samenvatting van de bezwaren en/of opmerkingen die tijdens het openbare onderzoek geformuleerd worden en voegt die bij het advies dat hij aan het Instituut bekend maakt. De Regering legt de modaliteiten vast betreffende de organisatie van het overleg en het openbaar onderzoek waarop onderhavig artikel betrekking heeft. § 4. Binnen dezelfde termijn van 5 dagen na de betekening van het ontvangstbewijs voor het volledige dossier brengt het Instituut de houders van zakelijke rechten en de exploitanten van een risicoactiviteit op de percelen ervan op de hoogte dat er een dergelijk voorstel aan het Instituut betekend is. Deze personen kunnen het voorstel inkijken bij het gemeentebestuur. Aanplakking Art. 52.De persoon die het risicobeheer of de sanering moet realiseren, moet de afgifte van een gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel, het saneringsvoorstel of het beperkt saneringsvoorstel bekendmaken door aanplakking op de plaats waar de maatregelen of de werkzaamheden zullen plaatsvinden. Als er beroep wordt aangetekend tegen de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel, het saneringsvoorstel, het beperkt saneringsvoorstel of tegen de beslissing van het Instituut om de inhoud van de verplichtingen voortvloeiend uit deze ordonnantie te beperken, is deze persoon er eveneens toe gehouden de beslissing van het Milieucollege en in voorkomend geval van de Regering aan te plakken. De aanplakking moet gebeuren vóór de uitvoering van de risicobeheersmaatregelen of de saneringswerken en ten laatste 15 dagen na de betekening van de gelijkvormigheidsverklaring. De aanplakking moet gehandhaafd blijven tot op de datum van de betekening van de slotverklaring voor de risicobeheersmaatregelen of de saneringswerken. De Regering kan de modaliteiten bepalen voor de aanplakking bedoeld in dit artikel. Gebruiksbeperkingen Art. 53.Indien de door het Instituut voorgeschreven veiligheids- of follow-upmaatregelen gebruiksbeperkingen inhouden, brengt de persoon die belast is met de uitvoering ervan, de houders van personenrechten op de betreffende percelen schriftelijk op de hoogte. Het instituut kan eveneens aanplakking van de gebruiksbeperkingen op de plaats waar ze van toepassing zijn verplicht stellen. De Regering kan de voorwaarden en modaliteiten bepalen voor de aanplakking bedoeld in dit artikel. Rapportering aan de Regering en het Parlement Art. 54.Vanaf de inwerkingtreding van de ordonnantie legt het Instituut elke drie jaar een rapport over de toepassing van deze ordonnantie voor aan de Regering en het Parlement. HOOFDSTUK VIII. - Beroep Beroep bij het Milieucollege Art. 55.§ 1. Er kan beroep worden aangetekend bij het Milieucollege tegen : 1° de inschrijving door het Instituut van een perceel op te nemen in de inventaris van de bodemtoestand bedoeld in artikel 7 § 2, tweede lid, artikel 7, § 3, eerste lid en art.7, § 4; 2° de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring van een verkennend bodemonderzoek bedoeld in artikel 15, § 3, of tegen de stilzwijgende gelijkvormigheid resulterend uit het overschrijden van de termijnen bedoeld in artikel 15, § 5, als zij het type verontreiniging heeft kunnen vastellen;3° de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring van een gedetailleerd onderzoek bedoeld in artikel 27, § 1, of tegen de stilzwijgende gelijkvormigheid resulterend uit het overschrijden van de termijnen bedoeld in artikel 27, § 3, indien het type verontreiniging niet werd vastgesteld door het verkennend bodemonderzoek dat hieraan voorafging;4° de verklaring van gelijkvormigheid of van niet-gelijkvormigheid van een risicobeheerproject, bedoeld in artikel 35, § 1, of tegen het uitblijven van een beslissing tegen de in artikel 35, § 1, tweede lid, bedoelde termijnen;5° de verklaring van gelijkvormigheid of van niet-gelijkvormigheid van een risicobeheerproject, bedoeld in artikel 43, § 1, eerste lid, of tegen het uitblijven van een beslissing tegen de in artikel 43, § 1, tweede lid, bedoelde termijnen;6° de verklaring van gelijkvormigheid of van niet-gelijkvormigheid van een risicobeheerproject, bedoeld in artikel 63, § 3, eerste lid, of tegen het uitblijven van een beslissing tegen de in artikel 63, § 3, tweede lid, bedoelde termijnen;7° het akkoord of het niet-akkoord van het Instituut met betrekking tot een verzoek of voorstel tot aanpassing van de risicobeheersmaatregelen of saneringswerken bedoeld in artikel 38, § 3, tweede lid, artikel 38, § 4, tweede lid, artikel 46, § 3, tweede lid en artikel 46, § 4, tweede lid, of de stilzwijgende niet-aanvaarding bedoeld in artikel 38, § 3, derde lid, artikel 38, § 4, derde lid, artikel 46, § 3, derde lid en artikel 46, § 4, derde lid;8° het verzoek van het Instituut om aanpassing van de risicobeheersmaatregelen of de saneringswerken bedoeld in artikel 38, § 4, eerste lid en artikel 46, § 4, eerste lid;9° de beslissing van het Instituut om de inhoud van de verplichtingen krachtens deze ordonnantie bij toepassing van artikel 66 te beperken. Volgende personen kunnen beroep instellen : - de houder van de verplichtingen resulterend uit de akte waartegen beroep wordt aangetekend; - iedere natuurlijke of rechtspersoon die getroffen wordt of kan worden door de gevolgen van de uitvoering van de handelingen bedoeld in het 1e lid; - elke natuurlijke of rechtspersoon die een belang kan aantonen. Elke vereniging die ijvert voor de bescherming van het milieu op het grondgebied van het Gewest, wordt geacht een belang te hebben, op voorwaarde dat :
- a)de vereniging een VZW is;
- b)de VZW reeds bestond vóór de datum van de kennisgeving door het Instituut bedoeld in artikel 7, § 1, 1e lid, vóór de datum van de kennisgeving aan het Instituut van het bodemonderzoek waarvan de gelijkvormigheidsverklaring het voorwerp van het beroep is, of vóór de datum van de kennisgeving van het Instituut dat de inhoud van de verplichtingen voortvloeiend uit deze ordonnantie beperkt wordt;
- c)in de statuten van de VZW bepaald is dat het doel van de VZW de bescherming van het milieu is;
- d)het geschonden belang dat aangevoerd wordt in het beroep, kadert in het statutaire doel van de VZW, zoals het is op de datum van de kennisgeving door het Instituut bedoeld in artikel 7, § 1, eerste lid, op de datum van de kennisgeving aan het Instituut van het bodemonderzoek waarvan de gelijkvormigheidsverklaring het voorwerp van het beroep is, of op de datum van de kennisgeving van het Instituut dat de inhoud van de verplichtingen voortvloeiend uit deze ordonnantie beperkt wordt. § 2. De eiser of zijn raadsman, alsook het Instituut of zijn afgevaardigde, worden op hun verzoek door het Milieucollege gehoord. Als één partij vraagt om gehoord te worden, worden ook de andere partijen uitgenodigd om te verschijnen. § 3. De beslissing van het Milieucollege wordt betekend aan de eiser, aan het Instituut, aan de houder van de zakelijke rechten en de exploitant van een risico-activiteit op het betrokken terrein en, naargelang de akte die het voorwerp van het beroep is, aan de andere personen en overheden bedoeld in artikelen 15, § 4, 27, § 2, 35, § 3, 43, § 3 en 63, § 5. De beslissingen betreffende een van de akten bedoeld in artikel 38 en 46 worden eveneens betekend aan de andere personen en overheden bedoeld in respectievelijk artikelen 35, § 3 en 43, § 3. De beslissing betreffende een beslissing van het Instituut bedoeld in artikel 66 wordt eveneens betekend aan de houder van de beperkte verplichting. Het Milieucollege betekent zijn beslissing binnen een termijn van 60 dagen na de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende zending met het beroep. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn verlengd met 15 dagen. Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen deze termijn wordt de akte die het voorwerp van het beroep uitmaakt, als bevestigd beschouwd. § 4. De Regering kan de procedure voor het beroep bedoeld in dit artikel nader bepalen. Beroep bij de Regering Art. 56.§ 1. De personen bedoeld in artikel 55, § 1, kunnen bij het Instituut bij de Regering beroep instellen tegen de beslissing van het Milieucollege of tegen de stilzwijgende beslissing van bevestiging bedoeld in artikel 55, § 3, derde lid. § 2. De eiser of zijn raadsman, alsook het Milieucollege of zijn afgevaardigde, worden op hun verzoek gehoord door de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt. Als één partij vraagt om gehoord te worden, worden ook de andere partijen uitgenodigd om te verschijnen. § 3. De beslissing van de Regering wordt betekend aan de eiser, aan het Milieucollege, aan het Instituut en, naargelang de akte die het voorwerp van het beroep is, aan de personen en overheden bedoeld in artikel 55, § 3, binnen een termijn van 60 dagen na de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende zending met het beroep. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn verlengd met 15 dagen. Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen de gestelde termijn kan de houder van de verplichtingen resulterend uit de akte waartegen beroep is aangetekend, per aangetekend schrijven een aanmaning richten aan de Regering. Indien bij het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen na de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende zending met de aanmaning deze persoon geen beslissing heeft ontvangen, wordt de beslissing die het voorwerp van het beroep uitmaakt, ook al was ze stilzwijgend, als bevestigd beschouwd. § 4. De Regering kan de procedure voor het beroep bedoeld in dit artikel nader bepalen. Termijn voor de indiening van het beroep Art. 57.§ 1. Het beroep moet per aangetekend schrijven aan de bevoegde overheid worden gericht binnen de 30 dagen na : 1° ontvangst van de beslissing, de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring, indien het beroep bij het Milieucollege uitgaat van een persoon aan wie deze beslissing betekend moet worden;2° het verstrijken van de termijn voor het betekenen van de beslissing, de gelijkvormigheidsverklaring of niet gelijkvormigheidsverklaring, indien het beroep bij het Milieucollege uitgaat van een persoon aan wie deze beslissing betekend had moet worden;3° ontvangst van de beslissing van het Milieucollege, indien het beroep bij de Regering uitgaat van een van de personen aan wie deze beslissing werd betekend krachtens artikel 55, § 3;4° aanplakking van het bericht of de beslissing bedoeld in artikel 52. § 2. In geval van ernstig gevaar of onherstelbare schade, kan de beslissing, de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring binnen een periode van 5 werkdagen na het indienen van het beroep opgeschort worden door de voorzitter van het Milieucollege of het lid dat hij daartoe aanstelt. § 3. De Regering kan de procedure voor de opschorting bedoeld in dit artikel nader bepalen. HOOFDSTUK IX. - Bijzondere bepalingen Afdeling I. - Bijzondere aanleidinggevende feiten Onteigening Art. 58.§ 1. De overheid die een terrein wenst te onteigenen, verzoekt het Instituut per aangetekend schrijven om een bodemattest voor elk betrokken perceel, en dit vóór het voorlopig vonnis dat wordt uitgesproken door de vrederechter in het kader van de onteigeningsprocedure. Het attest of de attesten worden verstrekt in overeenstemming met de modaliteiten bedoeld in artikel 12, § 3 en § 4. § 2. Voor een terrein dat is opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 0, moet er op dit terrein een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd worden ten laste van de onteigenende overheid, vóór het voorlopig vonnis betreffende de onteigening. De onteigenende overheid laat ambtshalve een verkennend bodemonderzoek uitvoeren en kan ambtshalve een gedetailleerd onderzoek op het betreffende terrein laten uitvoeren. De bepalingen van deze ordonnantie zijn naar analogie van toepassing, doordat de onteigenende overheid de verplichtingen van de houder van zakelijke rechten vervult. Faillissement Art. 59.§ 1. Wanneer de exploitant van een risicoactiviteit failliet verklaard wordt, brengt de curator het Instituut hiervan op de hoogte binnen de 30 dagen na de uitspraak van het vonnis van faillietverklaring. § 2. Onverminderd andere wettelijke bepalingen die het faillissement regelen, moet er binnen de termijn die het Instituut heeft bepaald, op initiatief van de curator en ten laste van de boedel een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd worden op de site waar de risicoactiviteiten plaatsvonden. De bepalingen van deze ordonnantie zijn naar analogie van toepassing, doordat de curator de verplichtingen van de gefailleerde ten laste van de boedel vervult. Afdeling II. - Vrijstellingen Verkennend bodemonderzoek Art. 60.§ 1. Er moet geen nieuw verkennend bodemonderzoek, vereist krachtens artikel 13, § 1, § 2, 1° en 2°, § 4 en § 5, uitgevoerd worden indien het betreffende perceel of de betreffende percelen opgenomen zijn in categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand wegens de uitoefening van een risicoactiviteit en er minder dan een jaar geleden een verkennend bodemonderzoek of, in voorkomend geval, een eindbeoordeling die het geheel van het betreffende perceel of de betreffende percelen omvat, door het Instituut gelijkvormig werd verklaard of geacht. De persoon die het verkennend bodemonderzoek krachtens artikel 13, § 1, § 2, 1° en 2°, § 4 en § 5, moet uitvoeren, brengt het Instituut en de gemeente ten minste 15 dagen voor het bedoelde aanleidinggevende feit per aangetekend schrijven op de hoogte van zijn wens om de bepaling van het eerste lid toe te passen. Bij ontstentenis van een dergelijke kennisgeving kan de bepaling van het eerste lid niet worden toegepast. § 2. Er moet geen verkennend bodemonderzoek, vereist krachtens artikel 13, § 3, uitgevoerd worden indien het betreffende perceel of de betreffende percelen niet opgenomen zijn in categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand. Teneinde een eventuele toename van de verontreiniging door het uitoefenen van de risicoactiviteit te identificeren, wordt de bodemtoestand in dat geval op het betreffende perceel of de betreffende percelen bij de aanvang van de risicoactiviteit : - beschouwd als in overeenstemming met de saneringsnormen, indien het betreffende perceel of de betreffende percelen niet opgenomen zijn in de inventaris van de bodemtoestand; - vastgelegd door het Instituut, op basis van een recent gelijkvormig verklaard of geacht verkennend bodemonderzoek en, in voorkomend geval, op basis van de meest recente eindbeoordeling waarvoor een slotverklaring is afgegeven door het Instituut, indien het betreffende perceel of de betreffende percelen zijn opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand. De persoon die het verkennend bodemonderzoek krachtens artikel 13, § 3, moet uitvoeren, brengt het Instituut en de gemeente ten minste 15 dagen voor het bedoelde aanleidinggevende feit per aangetekend schrijven op de hoogte van zijn wens om de bepaling van het eerste lid toe te passen. Bij ontstentenis van een dergelijke kennisgeving kan de bepaling van het eerste lid niet worden toegepast. § 3. Er moet geen nieuw verkennend bodemonderzoek, vereist krachtens artikel 13, § 2, 3° en § 3, uitgevoerd worden indien het betreffende perceel of de betreffende percelen opgenomen zijn in categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand wegens de uitoefening van een risicoactiviteit en er minder dan vijftien jaar geleden een verkennend bodemonderzoek of, in voorkomend geval, een eindbeoordeling die het geheel van het betreffende perceel of de betreffende percelen omvat, door het Instituut gelijkvormig werd verklaard of geacht. Teneinde een eventuele toename van de verontreiniging door het uitoefenen van de risicoactiviteit te identificeren, wordt de bodemtoestand van het betreffende perceel of de betreffende percelen in dat geval bij de aanvang of de voortzetting van de risicoactiviteit vastgelegd door het Instituut, op basis van een recent gelijkvormig verklaard of geacht verkennend bodemonderzoek en, in voorkomend geval, op basis van de meest recente eindbeoordeling waarvoor een slotverklaring is afgegeven door het Instituut. De persoon die het verkennend bodemonderzoek krachtens artikel 13, § 2, 3° en § 3, moet uitvoeren, brengt het Instituut en de gemeente ten minste 15 dagen voor het bedoelde aanleidinggevende feit per aangetekend schrijven op de hoogte van zijn wens om de bepaling van het eerste lid toe te passen. Bij ontstentenis van een dergelijke kennisgeving kan de bepaling van het eerste lid niet worden toegepast. § 4. Er moet geen nieuw verkennend bodemonderzoek, vereist krachtens artikel 13, § 2, 4°, uitgevoerd worden indien het betreffende perceel of de betreffende percelen opgenomen zijn in categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand wegens de uitoefening van een risicoactiviteit en er binnen de gestelde termijn voor de betreffende risicoactiviteit een verkennend bodemonderzoek of, in voorkomend geval, een eindbeoordeling die het geheel van het betreffende perceel of de betreffende percelen omvat, door het Instituut gelijkvormig werd verklaard of geacht. De persoon die het verkennend bodemonderzoek krachtens artikel 13, § 2, 4°, moet uitvoeren, brengt het Instituut en de gemeente ten minste 15 dagen voor het bedoelde aanleidinggevende feit per aangetekend schrijven op de hoogte van zijn wens om de bepaling van het eerste lid toe te passen. Bij ontstentenis van een dergelijke kennisgeving kan de bepaling van het eerste lid niet worden toegepast. § 5. Het Instituut kan een houder van verplichtingen vrijstellen van de verplichting om een nieuw verkennend bodemonderzoek als vereist op grond van een aanleidinggevend feit bedoeld in artikel 13 of kan de inhoud van dit onderzoek beperken indien het betreffende perceel of de betreffende percelen : - ofwel opgenomen zijn in categorie 3 of 4 van de inventaris van de bodemtoestand; - ofwel opgenomen zijn in categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand wegens de uitoefening een risicoactiviteit waarvoor preventieve maatregelen ter bescherming van de bodem uitgevoerd, gehandhaafd en regelmatig gecontroleerd werden, sinds er een verkennend bodemonderzoek of, in voorkomend geval, een eindbeoordeling die het geheel van het betreffende perceel of de betreffende percelen omvat, door het Instituut gelijkvormig werd verklaard of geacht en indien de exploitatie niet stopgezet is. § 6. Het Instituut kan een houder van verplichtingen vrijstellen van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek als vereist op grond van een ontstaansfeit bedoeld in artikel 13 of de inhoud van dit onderzoek beperken, indien het technisch niet mogelijk is dit onderzoek geheel of gedeeltelijk uit te voeren. § 7. De persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren krachtens artikel 13, vraagt per aangetekend schrijven de vrijstelling bedoeld in § 5 en § 6 aan bij het Instituut. Het instituut stelt de aanvrager, en indien het gaat om een positieve beslissing ook de gemeente, binnen de 30 dagen na de aanvraag per aangetekend schrijven in kennis van zijn beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen of om al dan niet de inhoud van het onderzoek te beperken. De beslissing van het Instituut is met redenen omkleed en stipuleert, in voorkomend geval, de toekenningsvoorwaarden. Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het verzoek geacht te zijn goedgekeurd. In dat geval stelt de aanvrager de gemeente op de hoogte van de vrijstelling of de beperking van de inhoud van het verkennend bodemonderzoek. De Regering kan de modaliteiten en voorwaarden voor de aanvraag en de toekenning van vrijstellingen en beperkingen van de inhoud van het verkennend bodemonderzoek bedoeld in § 5 en § 6 nader bepalen. Gedwongen mede-eigendom Art. 61.§ 1. In afwijking van artikel 13, § 1, kan het Instituut de houder van zakelijke rechten op een kavel die deel uitmaakt van een gedwongen mede-eigendom, als gedefinieerd in artikel 577-3 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, vrijstelling verlenen van de verplichting een verkennend bodemonderzoek uit te voeren of de inhoud van dit onderzoek beperken, indien de mede-eigendom een terrein omvat dat is opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 0, indien de aanwijzing op verontreiniging niet enkel deze kavel betreft. De aanvraag om vrijstelling moet per aangetekend schrijven aan het Instituut gericht worden. Het Instituut stelt de aanvrager binnen de 30 dagen na de aanvraag per aangetekend schrijven in kennis van zijn met redenen omklede beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen of om al dan niet de inhoud van het onderzoek te beperken. Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt de vrijstelling als toegekend beschouwd. § 2. In het geval bedoeld in § 1, indien het vermoeden van verontreiniging niet enkel op een andere kavel betrekking heeft, kan het Instituut opleggen dat de verplichting tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en de eventuele verplichtingen die daaruit voortvloeien, ten laste zijn van de vereniging van mede-eigenaars. Deze beslissing wordt met redenen omkleed en binnen de 30 dagen na vrijstellingsaanvraag betekend aan de vereniging van mede-eigenaars. § 3. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van dit artikel nader bepalen. Afdeling III. - Identificatie en specifieke behandeling van de verontreiniging Onderafdeling I. - Beperkt saneringsvoorstel en beperkte saneringswerken Doel, inhoud en voorwaarden Art. 62.§ 1. Het beperkt saneringsvoorstel en de beperkte saneringswerken zijn erop gericht de bodemverontreiniging via een snelle procedure te saneren, om de lopende uitgravingswerken ten volle te benutten of de omvang en/of duur van de veiligheidsmaatregelen te beperken. § 2. In afwijking van artikel 13, § 6 en § 7 en artikel 49, § 4, kan de persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren, rechtstreeks en voor eigen rekening een beperkt saneringsvoorstel uitvoeren indien aan volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan : - er zijn ernstige aanwijzingen dat de verontreinigde zone beperkt is; - de geschatte termijn voor de uitvoering en de beoordeling van de saneringswerken is korter dan 120 dagen. In dat geval moet de persoon bedoeld in het eerste lid eveneens de beperkte saneringswerken uitvoeren. § 3. Het beperkt saneringsvoorstel schat de omvang en de aard van de bodemverontreiniging in en bepaalt het type, de uitvoeringswijze en de uitvoeringstermijn van de saneringswerken die uitgevoerd moeten worden om de saneringsnormen te halen. Het beperkt saneringsvoorstel verduidelijkt eveneens de procedure om de geboekte resultaten inzake blootstelling van de mens en het milieu te meten. § 4. De Regering bepaalt de type-inhoud van het beperkt saneringsvoorstel. Uitvoering, kennisgeving en gelijkvormigheidsverklaring Art. 63.§ 1. Het beperkt saneringsvoorstel wordt opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige. § 2. Het beperkt saneringsvoorstel wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut binnen de termijn waarbinnen het verkennend bodemonderzoek betekend had moeten worden aan het Instituut. § 3. Na ontvangst van het beperkt saneringsvoorstel heeft het Instituut 30 dagen de tijd om : - het al dan niet gelijkvormig aan de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren, - ofwel wijzigingen of aanvullingen op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor binnen een door het Instituut vastgelegde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het beperkt saneringsvoorstel al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren. Indien het Instituut geen gelijkvormigheidsverklaring kan betekenen volgens de binnen deze bepaling toegestane termijn, richt het aan de persoon die de beperkte sanering uitvoert een voorstel van verlenging van een maximum van 30 dagen van deze termijn. In dit voorstel zijn de in artikelen 55 tot 57 georganiseerde beroepen vermeld. § 4. In de gelijkvormigheidsverklaring van het beperkt saneringsvoorstel bepaalt het Instituut op basis van de conclusies van het beperkt saneringsvoorstel en de milieueffecten ervan, op welke voorwaarden de saneringswerken uitgevoerd moeten worden, welke saneringsnormen gehaald moeten worden met de uitvoering van deze werken en binnen welke termijnen de uitvoering van deze werken voltooid moet zijn. § 5. De gelijkvormigheidsverklaring van het beperkt saneringsvoorstel wordt per aangetekend schrijven aan de volgende personen betekend : 1° de persoon die de beperkte saneringswerken moet uitvoeren;2° de houders van zakelijke rechten en de exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;3° het College van burgemeester en schepenen. Equivalentie Art. 64.Indien het beperkt saneringsvoorstel inrichtingen, handelingen of werkzaamheden omvat die onderworpen zijn aan een vergunning krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater of aan een milieuaangifte, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning, geldt de gelijkvormigheidsverklaring van het beperkt saneringsvoorstel als de vereiste vergunning of aangifte. Uitvoering, eindbeoordeling en slotverklaring Art. 65.§ 1. De bepalingen van artikelen 45 en 47 zijn naar analogie van toepassing op de uitvoering en de eindbeoordeling van de beperkte saneringswerken. § 2. De eindbeoordeling omvat een verkennend bodemonderzoek voor dat deel van het perceel of de percelen dat niet behandeld wordt in het beperkt saneringsvoorstel. § 3. De eindbeoordeling wordt aan het Instituut betekend binnen een periode van 120 dagen na de kennisgeving van de gelijkvormigheidsverklaring van het beperkt saneringsvoorstel. Bij ontstentenis van de kennisgeving van de eindbeoordeling binnen de gestelde termijn, kan het Instituut een verkennend bodemonderzoek ten laste van de persoon bedoeld in artikel 62, § 2, opleggen, dat aan het Instituut betekend moet worden binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. § 4. Binnen de 30 dagen na ontvangst van de eindbeoordeling betekent het Instituut op basis van deze eindbeoordeling en de resultaten die volgens de gelijkvormig heidsverklaring van het beperkt saneringsvoorstel behaald moeten worden, per aangetekend schrijven aan de personen bedoeld in artikel 63, § 5 : - ofwel een slotverklaring waarin bevestigd wordt dat aan de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging in uitvoering van deze ordonnantie voldaan is; - ofwel een verzoek om een gedetailleerd onderzoek uit te voeren ten laste van de persoon bedoeld in artikel 19, § 2, dat aan het Instituut betekend moet worden binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn; - ofwel een verzoek om wijzigingen of aanvullingen aan de eindbeoordeling, die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring te betekenen. Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn, worden de conclusies van de bodemverontreinigingsdeskundige geacht te zijn goedgekeurd en wordt de eindevaluatie als gelijkvormig beschouwd. De Regering kan de type-inhoud van de slotverklaring bepalen. Onderafdeling II. - Overige procedures en bijzondere doelstellingen Beperking van de risico's Art. 66.Het Instituut kan de inhoud van de verplichtingen die voortvloeien uit deze verordening, beperken indien het, op basis van de conclusies van een bodemverontreinigingsdeskundige, van mening is dat de vervulling van de verplichtingen zou leiden tot een blijvende verhoging van de risico's voor de volksgezondheid en het milieu. Het Instituut vermeldt de aard van de beperkingen, met name in de gelijkvormigheidsverklaringen en in de bodemattesten die het afgeeft. Herziening van de saneringsdoelstellingen Art. 67.§ 1. Indien het vanwege de kenmerken van de bodemverontreiniging of het verontreinigd terrein plaatselijk niet mogelijk is de saneringsnormen te halen met gebruik van de beste beschikbare technieken, moeten in de betreffende zones van het terrein minstens de van toepassing zijnde interventienormen bereikt worden met de bodemsanering. In afwijking van artikel 41, § 1, moet het saneringsvoorstel of, in voorkomend geval, het verzoek of het voorstel met betrekking tot de aanpassing van de saneringswerken bedoeld in artikel 46, in dat geval de herziene saneringsdoelstellingen vermelden en motiveren op basis van de methodologie bedoeld in artikel 3, 27°. In afwijking van artikel 46, §§ 3 en 4, bedraagt de antwoordtermijn van het Instituut in dat geval 30 dagen na ontvangst van het verzoek om of voorstel tot aanpassing van de saneringswerken. § 2. Indien het vanwege de kenmerken van de bodemverontreiniging of het verontreinigd terrein plaatselijk niet mogelijk is de van toepassing zijnde interventienormen te halen of de toename van de verontreiniging uit sluiten met gebruik van de beste beschikbare technieken, moeten in de betreffende zones van het terrein door de bodemsanering concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem en het grondwater gehaald worden die een aanvaardbaar risico voor de volksgezondheid en het milieu vormen. In afwijking van artikel 41, § 1, moet het saneringsvoorstel of, in voorkomend geval, het verzoek of het voorstel met betrekking tot de aanpassing van de saneringswerken bedoeld in artikel 46, in dat geval de herziene saneringsdoelstellingen vermelden en motiveren op basis van de methodologie bedoeld in artikel 3, 27°, en een risico-onderzoek. Het risico-onderzoek wordt uitgevoerd in overeenstemming met artikelen 29 en 32. In afwijking van artikel 46, § 3 en § 4, bedraagt de antwoordtermijn van het Instituut in dat geval 30 dagen na ontvangst van het verzoek om of voorstel tot aanpassing van de saneringswerken. Ingedeelde inrichtingen Art. 68.De Regering kan voor bepaalde ingedeelde inrichtingen die uitgebaat worden of werden een specifieke procedure bepalen voor de identificatie of de behandeling van de bodemverontreiniging, op voorwaarde dat deze procedure minstens voldoet aan de doelstellingen en de resultaten van deze ordonnantie. Afdeling IV. - Overige maatregelen Verspreiding van de verontreiniging Art. 69.§ 1. Indien tijdens de uitvoering van een gedetailleerd onderzoek blijkt dat de bodemverontreiniging niet beperkt is tot het perceel of de percelen van het terrein of de site waarvoor er een verplichting om de verontreiniging te behandelen bestaat, en dat de kern van waaruit de verontreiniging zich verspreidt, ontstaan is door een activiteit of een gebeurtenis die plaatsgevonden heeft op het betreffende terrein of de betreffende site, moet het gedetailleerd onderzoek het geheel van de verontreinigde zone dekken ten laste van de persoon die dit onderzoek moet uitvoeren, teneinde de verontreiniging in haar geheel af te bakenen. § 2. In dat geval wordt de verplichting inzake de behandeling van de verontreiniging volgend uit het gedetailleerd onderzoek uitgevoerd ten laste van de houder van de verplichting inzake behandeling van de verontreiniging voor het betreffende terrein of de betreffende site, voor het geheel van de verontreinigde zone, ongeacht de kadastrale grenzen. In afwijking van het eerste lid worden in geval van een weesverontreiniging die veroorzaakt werd door een activiteit of een gebeurtenis die plaats heeft gevonden voor 20 januari 2005, de verplichting inzake behandeling van de verontreiniging volgend op het gedetailleerd onderzoek voor elk betreffend perceel echter uitgevoerd ten laste van de houder van zakelijke rechten op het perceel. § 3. In afwijking van § 1 en § 2 moet de behandeling van de verontreiniging op een perceel dat grenst aan het betreffende terrein of de betreffende site niet uitgevoerd worden ten laste van de personen bedoeld in deze paragrafen, indien de houder van zakelijke rechten op dit perceel zich hiertegen verzet. In dat geval wordt het bedoelde perceel opgenomen in categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand. § 4. Als een vermoeden bestaat dat de bodemverontreiniging van een perceel het gevolg is van de verspreiding van verontreiniging vanaf een ander perceel, kan het Instituut : - ofwel de uitvoering verplicht stellen van een gedetailleerd onderzoek op het perceel dat duidelijk geïdentificeerd is als het perceel dat de kern van de verontreiniging bevat, binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn, ten laste van de persoon die de verontreiniging veroorzaakt heeft, of, indien deze persoon niet geïdentifi ceerd kan worden, ten laste van de exploitant, indien de verontreiniging veroorzaakt werd na 20 januari 2005, of ten laste van de houder van zakelijke rechten, indien de verontreiniging veroorzaakt werd vóór 20 januari 2005 of, indien de verontreiniging veroorzaakt werd na 20 januari 2005 en bij ontstentenis van een exploitant; - ofwel ambtshalve te zijnen laste een gedetailleerd onderzoek uitvoeren op het perceel dat vermoedelijk de kern van de verontreiniging bevat en de percelen die te lijden hebben onder de verspreiding van de verontreiniging. In dat geval verhaalt het Instituut de kosten op de persoon die de verontreiniging veroorzaakt heeft of op de persoon die verantwoordelijk is krachtens artikel 24, indien de veroorzaker niet geïdentificeerd kan worden. De bepalingen van artikel 70, § 2, zijn van toepassing. Een maand voor de toepassing van deze bepaling, brengt het Instituut de houder van zakelijke rechten en de exploitant van het betrokken terrein op de hoogte. Het vermoeden van verontreiniging bedoeld in het eerste lid wordt gemotiveerd door : - de conclusies van een bodemverkennend onderzoek dat wijst op een verhoging van het gehalte aan verontreinigende stoffen in de bodem door vergelijking met de resultaten van een door het Instituut gelijkvormig verklaard of geacht bodemonderzoek; - of de conclusies van een gedetailleerd onderzoek die aangeven dat de bodemverontreiniging de grenzen van het betrokken perceel overschrijdt. Ambtshalve optreden Art. 70.§ 1. Het Instituut op elk ogenblik de plaats innemen van een in gebreke gebleven houder van verplichtingen en ambtshalve uit diens naam een verkennend bodemonderzoek, een behandeling van de bodemverontreiniging, veiligheidsmaatregelen of follow-upmaatregelen laten uitvoeren. In diezelfde omstandigheden kan het Instituut eveneens de bekendmakingsverplichtingen bedoeld in artikelen 52 en 53 vervullen. Tijdens de drie voorafgaande maanden betekent het Instituut per aangetekend schrijven minstens één waarschuwing en één ingebrekestelling aan het adres van de in gebreke gebleven houder van de verplichtingen. Een maand voor de toepassing van het eerste lid, brengt het Instituut de houder van zakelijke rechten en de exploitant van het betrokken terrein op de hoogte. Het Instituut verhaalt de gemaakte kosten op de in gebreke gebleven houder van de verplichtingen of de persoon die aansprakelijk is krachtens artikel 24. § 2. Als het Instituut § 1, eerste lid, toepast, beschikt het over een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de nalatige personen bedoeld in § 1 en kan een wettelijke hypotheek leggen op het goed waarop de verplichtingen bedoeld in § 1 niet nagekomenwerden. Het voorrecht neemt rang onmiddellijk na de voorrechten bedoeld in artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851. De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de inschrijvingsdatum krachtens de gelijkvormigheidsverklaring van het verkennend bodemonderzoek, de behandeling van de bodemverontreiniging of de veiligheids- of follow-upmaatregelen. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar die daartoe door de Regering aangesteld wordt. § 3. Het Instituut kan op elk ogenblik ambtshalve voor eigen rekening een verkennend bodemonderzoek, een gedetailleerd onderzoek of een risico-onderzoek laten uitvoeren dat krachtens deze ordonnantie niet ten laste is van een bepaalde geïdentificeerde persoon. Een maand voor de toepassing van deze paragraaf, brengt het Instituut de houder van zakelijke rechten en de exploitant van het betrokken terrein op de hoogte. Financiële zekerheden Art. 71.§ 1. De houders van de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging die de afwijking bedoeld in artikel 17, § 2, wensen toe te passen of de verplichting bedoeld in artikel 23, § 3, wensen over te dragen, stellen aan het Instituut per aangetekend schrijven een bedrag ter financiële zekerheid voor dat overeenstemt met de maximale geraamde kostprijs voor de uitvoering van de verplichting inzake de behandeling van de bodemverontreiniging