← België

Besluit van de Vlaamse Regering houdende regeling van de externe personeelsmobiliteit tussen sommige lokale en provinciale overheden onderling en tuss

Kort samengevat

Dit besluit regelt de uitwisseling van personeel tussen bepaalde lokale en provinciale overheden onderling, en tussen deze overheden en de diensten van de Vlaamse overheid. Het doel is om overheden efficiënter personeel te laten uitwisselen en loopbaankansen voor werknemers te verbreden.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
20 MEI 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende regeling van de externe personeelsmobiliteit tussen sommige lokale en provinciale overheden onderling en tussen sommige lokale en provinciale overheden en de diensten van de Vlaamse overheid onderling, en houdende enkele maatregelen ter ondersteuning van de externe personeelsmobiliteit tussen overheden met hetzelfde werkingsgebied VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Dames en heren, Het besluit van de Vlaamse Regering houdende regeling van de externe personeelsmobiliteit tussen sommige lokale en provinciale overheden onderling en tussen sommige lokale en provinciale overheden en de diensten van de Vlaamse overheid onderling, en houdende enkele maatregelen ter ondersteuning van de externe personeelsmobiliteit tussen overheden met hetzelfde werkingsgebied geeft uitvoering aan artikel 116, § 2, van het Gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/07/2005 pub. 31/08/2005 numac 2005036063 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Gemeentedecreet type decreet prom. 15/07/2005 pub. 09/09/2005 numac 2005036055 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005 type decreet prom. 15/07/2005 pub. 30/08/2005 numac 2005036021 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I sluiten, aan artikel 112, § 2, van het Provincie decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom. 09/12/2005 pub. 29/12/2005 numac 2005036605 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Provinciedecreet sluiten en aan artikel 115, § 3, van het decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2008 pub. 24/12/2008 numac 2008036450 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sluiten betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (verder het O.C.M.W.-decreet te noemen). Die bepalingen machtigen de Vlaamse Regering om de externe personeelsmobiliteit te regelen. Artikel 116, § 1 en § 2, van het Gemeentedecreet, artikel 112, § 1 en § 2, van het Provinciedecreet en artikel 115, § 1, § 2, en § 3, van het O.C.M.W.-decreet bieden de rechtsgrond voor genoemd besluit voor zover het de rechtspositieregels vaststelt die bij externe personeelsmobiliteit van toepassing zijn. De ontworpen regeling van externe personeelsmobiliteit is ook van toepassing op personeel van een autonoom gemeente- of provinciebedrijf en op personeel van een O.C.M.W.-vereniging in betrekkingen die niet bestaan bij de gemeente, de provincie of het O.C.M.W.. De rechtstoestand van dat personeel wordt vastgesteld respectievelijk in artikel 241, § 2, van het Gemeentedecreet, artikel 234, tweede lid, van het Provinciedecreet en artikel 229, § 1, van het O.C.M.W.-decreet. Die artikelen leveren samen met artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen voor dat personeel de juridische grondslag voor de in dit besluit ontworpen externe mobiliteitsregeling. Artikel 115 van het O.C.M.W.-decreet werd met ingang van 1 januari 2011 volledig in werking gesteld door artikel 157, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/11/2010 pub. 03/12/2010 numac 2010035925 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (Belgisch Staatsblad van 3 december 2010). 1. Externe personeelsmobiliteit in beleidsteksten Artikel 116, § 2 van het Gemeentedecreet bepaalt : « De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen voor de externe mobiliteit van het gemeentepersoneel.» Dezelfde bepaling vinden we terug in het Provinciedecreet voor « het provinciepersoneel » en in het O.C.M.W.-decreet voor « het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ». De memorie van toelichting bij artikel 116 van het Gemeentedecreet omschrijft de externe personeelsmobiliteit als volgt : « Met 'externe mobiliteit' wordt in de tweede paragraaf bedoeld de mobiliteit tussen betrekkingen bij verschillende overheden en tussen de rest van de publieke sector. » De externe personeelsmobiliteit wordt daarbij beschouwd als een tegenhanger van de interne personeelsmobiliteit, waarvoor de minimale voorwaarden in de rechtspositieregeling worden vastgesteld. De externe personeelsmobiliteit is dan ook een aandachtspunt in het regeerakkoord 2009-2014 van de Vlaamse Regering. Dat akkoord vermeldt : « We moeten verder investeren in talentrijke, geëngageerde personeelsleden, die via interne mobiliteit en herschikkingen breed inzetbaar zijn, ook tussen en binnen de bestuurslagen. » De beleidsnota Binnenlands Bestuur 2009-2014 concretiseert het principe van de externe personeelsmobiliteit en stelt een regeling in het vooruitzicht voor de externe personeelsmobiliteit tussen de bovenvermelde lokale en provinciale overheden enerzijds en tussen de bovenvermelde lokale en provinciale overheden en de diensten van de Vlaamse overheid (DVO) anderzijds. Dit principe werd ook overgenomen in de beleidsnota Bestuurszaken 2009-2014 : « Bij het uittekenen van een personeelsbeleid wordt rekening gehouden met aandachtspunten uit de personeelspeiling : o.m. het mogelijk maken van voldoende mobiliteit. Er komen bijkomende initiatieven om de uitwisselbaarheid van het personeel te vergroten, ook over de bestuurslagen heen. » Vermelden we nog dat de regeling van de externe personeelsmobiliteit tussen de gemeente en haar O.C.M.W. een afspraak is in het sectoraal akkoord 2008-2013 van 19 november 2008 voor het personeel van de lokale en provinciale besturen. Daarin wordt de personeelsmobiliteit tussen gemeente en O.C.M.W. opgevat als een regeling met het oog op een soepele inzet van het personeel, waarbij : - « personeelsleden van de gemeente zich kandidaat kunnen stellen voor interne vacatures bij het O.C.M.W. of omgekeerd via deelname aan de procedure van interne personeelsmobiliteit of van bevordering; - gemeentebestuur en O.C.M.W. van die gemeente gezamenlijk aanwervingsprocedures kunnen opzetten en gemeenschappelijke wervingsreserves kunnen aanleggen. » De Vlaamse Regering honoreert die afspraak in dit besluit. Op vraag van de betrokken overheden worden ook de autonome gemeentebedrijven en de autonome provinciebedrijven in de regeling betrokken. Hetzelfde geldt voor de O.C.M.W.-vereniging. Op verzoek van de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in het comité C1 voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, onderafdeling Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap, wordt een algemene mobiliteitsregeling gecreëerd waaraan alle lokale en provinciale overheden op een of andere manier kunnen participeren. De meerwaarde van een mobiliteitsregeling tussen de lokale en provinciale overheden onderling en tussen de lokale en provinciale overheden en de diensten van de Vlaamse overheid onderling bestaat erin dat de overheden doelgericht en op een kostenbesparende manier profielen kunnen aantrekken met een specifieke knowhow en ervaring in de openbare sector, die wellicht minder op de algemene arbeidsmarkt aanwezig zijn en waarover ze op dat ogenblik ook niet intern beschikken. Voor de personeelsleden van de betrokken overheden gaat het over een verbreding van de loopbaankansen en mogelijkheden om een meer gevarieerde ervaring op te doen. Voor de gemeenten en O.C.M.W.'s kan de mobiliteitsregeling ook een instrument zijn ter bevordering van de samenwerking tussen gemeente en O.C.M.W. 2. Uitvoering beleidsafspraken De externe personeelsmobiliteit tussen bepaalde lokale overheden onderling en tussen bepaalde lokale overheden en de diensten van de Vlaamse overheid wordt uitgewerkt in dit besluit van de Vlaamse Regering voor de lokale sector.Voor de personeelsmobiliteit vanuit bepaalde lokale overheden naar de diensten van de Vlaamse overheid wordt een afzonderlijk besluit tot aanvulling van het Vlaams Personeelsstatuut getroffen. De timing van de regeling van de externe personeelsmobiliteit houdt rekening met de uitvoering van artikel 115, § 1 en § 2, van het O.C.M.W.- decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2008 pub. 24/12/2008 numac 2008036450 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sluiten betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. De minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de O.C.M.W.'s vormen immers samen met de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en de rechtspositieregeling van het gemeente- en provinciepersoneel en samen met de organieke decreten de basis waarop de externe personeelsmobiliteit geënt wordt. Het besluit is zo opgevat dat het aan de betrokken overheden een menu van mogelijkheden aanbiedt. De volgende lokale en provinciale overheden worden in dit besluit betrokken bij de externe mobiliteit : de gemeenten, de provincies, de O.C.M.W.'s, de O.C.M.W.-verenigingen, vermeld in titel VIII, hoofdstuk I, van het O.C.M.W.-decreet, de autonome gemeentebedrijven (AGB's) en de autonome provinciebedrijven (APB's). Daarnaast heeft de regeling betrekking op het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid (DVO). Wat de O.C.M.W.-verenigingen betreft maakt artikel 219 van het O.C.M.W.-decreet het onderscheid tussen : - de O.C.M.W.-vereniging met het O.C.M.W. als enig lid; - de O.C.M.W.-vereniging met andere O.C.M.W.'s en/of andere openbare besturen, en/ of andere rechtspersonen die geen winstoogmerk hebben; - de O.C.M.W.-vereniging van beide types, die opgericht is met het oog op het exploiteren van een ziekenhuis of van een gedeelte van een ziekenhuis. Dat is de vereniging met de titel 'autonome verzorgingsinstelling of A.V.' Het O.C.M.W.-decreet regelt ook O.C.M.W.-verenigingen naar privaat recht. In dit besluit worden alleen de O.C.M.W.-verenigingen, vermeld in titel VIII, hoofdstuk I, van het O.C.M.W.-decreet bedoeld. Het gaat dus om de verenigingen met een publiekrechtelijke status en niet om verenigingen naar privaatrecht. Het betreft telkens lokale en provinciale overheden met een grote onderlinge verwantschap op het gebied van de rechtspositieregeling van hun personeel. De ziekenhuisverenigingen, vermeld in artikel 219 van het O.C.M.W.-decreet, en het O.C.M.W.-ziekenhuis in eigen beheer, vermeld in artikel 218 van het O.C.M.W.-decreet, worden niet in de mobiliteitsregeling van dit besluit opgenomen. De interlokale samenwerkingsverbanden maken evenmin deel uit van de regeling. Het decreet van 6 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/07/2001 pub. 31/10/2001 numac 2001035984 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking sluiten houdende de Intergemeentelijke Samenwerking bevat daarvoor namelijk geen juridische grondslag. Ook de betrekkingen van gemeentesecretaris, adjunct-gemeentesecretaris, financieel beheerder van de gemeente, O.C.M.W.-secretaris en financieel beheerder van het O.C.M.W. en de betrekkingen van provinciegriffier en financieel beheerder van de provincie zijn uitgesloten van de mobiliteitsregelingen in dit besluit. 3. Concrete vormgeving van de externe personeelsmobiliteit in het besluit De externe personeelsmobiliteit krijgt op twee verschillende manieren vorm.De regeling maakt een onderscheid tussen : 1° externe personeelsmobiliteit die zich uitsluitend afspeelt tussen lokale of provinciale overheden met hetzelfde werkingsgebied (hoofdstuk 2 en 3) 2° externe personeelsmobiliteit tussen lokale en provinciale overheden die niet hetzelfde werkingsgebied hebben, en tussen diezelfde overheden en de diensten van de Vlaamse overheid (hoofdstuk 4). In zijn advies 49.462/3 van 19 april 2011 suggereerde de Raad van State met het oog op terminologische aansluiting op de bovengenoemde organieke decreten om voor beide vormen van mobiliteit de bewoording 'externe personeelsmobiliteit' te gebruiken en het onderscheid tussen de ene en de andere regeling op een andere manier duidelijk te maken dan het geval was in de ontwerptekst. Het besluit drukt het onderscheid tussen beide vormen van personeelsmobiliteit uit door uitdrukkelijk aan te geven dat de ene regeling uitsluitend van toepassing is op lokale en provinciale overheden met hetzelfde werkingsgebied en de andere regeling uitsluitend op overheden die niet hetzelfde werkingsgebied hebben. In hoofdstuk 4 blijft niettemin de formulering 'procedure van externe personeelmobiliteit' behouden om aan te geven dat er, voor de personeelsmobiliteit in de context van dat hoofdstuk, een specifieke procedure voor de vervulling van betrekkingen wordt gecreëerd, die zich onderscheidt van de procedure van interne personeelsmobiliteit, van de bevorderingsprocedure en van de aanwervingsprocedure, waarvan sprake in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3. Het besluit bestaat uit vijf hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat alleen een aantal definities. Voor een goed begrip van het besluit is de definitie van 'de bevoegde raden' in artikel 1, 5° van belang. Daarin wordt weergegeven welk bestuursorgaan voor welk personeel bevoegd is om de mobiliteitsregeling in de rechtspositieregeling vast te stellen. De regeling van hoofdstuk 2 (personeelsmobiliteit tussen overheden met hetzelfde werkingsgebied) en van hoofdstuk 4 (personeelsmobiliteit tussen overheden die niet hetzelfde werkingsgebied hebben) is namelijk afhankelijk van de verwerking daarvan in de plaatselijke rechtspositieregelingen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk in de punten 6°, 7° en 8° van artikel 1, de juridische referenties voor 'de procedure van interne personeelsmobiliteit', 'de bevorderingsprocedure' en 'de aanwervingsprocedure'. Daarmee worden alleen de procedures bedoeld die in de plaatselijke rechtspositieregeling vastgesteld zijn met toepassing van de hogere regelgeving. De genoemde procedures zijn geregeld in de plaatselijke rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel, het provinciepersoneel en het O.C.M.W.-personeel op basis van de volgende besluiten : 1° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 07/12/2007 pub. 24/12/2007 numac 2007037220 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;2° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/11/2010 pub. 03/12/2010 numac 2010035925 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sluiten houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. De bepalingen in de plaatselijke rechtspositieregeling over die procedures op zich zijn in principe op grond van artikel 241 van het Gemeentedecreet ook van overeenkomstige toepassing op het personeel van het autonome gemeentebedrijf en op grond van artikel 234 van het Provinciedecreet ook op het personeel van het autonome provinciebedrijf. Het personeel van de O.C.M.W.-vereniging is op grond van artikel 229 van het O.C.M.W.-decreet onderworpen aan de rechtspositieregeling van het personeel van het O.C.M.W. van de gemeente die als zetel van de vereniging fungeert. De procedureregels zijn via die rechtspositieregeling van het O.C.M.W.-personeel ook van overeenkomstige toepassing op het personeel van een O.C.M.W.-vereniging. De bevoegde raden moeten ze dus overnemen in de rechtspositieregeling van het AGB, APB, de O.C.M.W.-vereniging. Hoofdstuk 2 regelt uitsluitend de externe personeelsmobiliteit tussen de lokale en provinciale overheden van hetzelfde werkingsgebied. De betrokken lokale overheden zijn : - de gemeente, haar AGB of AGB's, haar O.C.M.W., de O.C.M.W.-vereniging met het O.C.M.W. als enig lid of met het eigen O.C.M.W. en de eigen gemeente als enig lid; - de provincie en haar APB of APB's. Alleen de O.C.M.W.-vereniging met het eigen O.C.M.W. of met het eigen O.C.M.W. en de eigen gemeente als enig lid krijgt een plaats in dit hoofdstuk, dat de territoriaal gebonden personeelsmobiliteit regelt. De overige O.C.M.W.-verenigingen zijn immers geen overheden 'van hetzelfde werkingsgebied'. Ze bedienen meerdere O.C.M.W.'s en gemeenten. De externe personeelsmobiliteit neemt hier de vorm aan van deelname bij de andere overheid aan de procedure van interne personeelsmobiliteit of aan de bevorderingsprocedure. De mobiliteitsregeling van dit hoofdstuk komt erop neer dat het rekruteringsveld voor de betrokken lokale en provinciale overheden verbreed wordt tot de overheden van hetzelfde werkingsgebied. Dit hoofdstuk regelt ook op eenduidige wijze bepaalde gevolgen van de overstap van de ene overheid naar de andere. Hoofdstuk 3 behandelt voor bepaalde, organiek met elkaar verbonden lokale en provinciale overheden enkele maatregelen ter ondersteuning van de externe personeelsmobiliteit, namelijk de gezamenlijke organisatie van selecties, en de gemeenschappelijke wervingsreserves. Het betreft die overheden waarvoor de organieke decreten expliciet melding maken van 'betrekkingen die ook bestaan bij', dus van betrekkingen die voor beide overheden gemeenschappelijk zijn. Dat is het geval voor de gemeente en haar AGB of AGB's (artikel 241, Gemeentedecreet), de gemeente en haar O.C.M.W. (artikel 104, O.C.M.W.-decreet) en de provincie en haar APB (artikel 234 Provinciedecreet). Hoofdstuk 3 geldt dus niet alleen uitsluitend voor overheden met hetzelfde werkingsgebied, maar ook uitsluitend voor de betrekkingen die gemeenschappelijk zijn voor de betrokken overheden. Het toepassingsgebied van hoofdstuk 3 beperkt zich dan ook tot de gemeente, het O.C.M.W. en het AGB en de provincie en het APB. In tegenstelling tot hoofdstuk 2, behoort de O.C.M.W.-vereniging niet tot het toepassingsgebied van hoofdstuk 3. De flankerende maatregelen vergemakkelijken het voor de gemeente en haar O.C.M.W. en de gemeente, respectievelijk provincie en haar AGB, respectievelijk APB om een beroep te doen op elkaars personeel voor de vervulling van een vacature in gemeenschappelijke betrekkingen. Het besluit tekent daarvoor een scenario uit. De hoofdstukken 2 en 3 komen mutatis mutandis in de plaats van het koninklijk besluit nr. 519 tot regeling van de vrijwillige mobiliteit tussen de statutaire personeelsleden van de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die eenzelfde werkingsgebied hebben, dat opgeheven werd door artikel 157 van bovenvermeld besluit rechtspositieregeling O.C.M.W.-personeel van 12 november 2010. Artikel 157 stelt namelijk de opheffingsbepalingen van artikel 277, 3° en 4°, van het O.C.M.W.-decreet in werking op de dag die volgt op de bekendmaking van het besluit van 12 november 2010 in het Belgisch Staatsblad. In de praktijk is dat met ingang van 4 december 2010. Zoals eerder vermeld, zijn de betrekkingen van gemeentesecretaris, adjunct-gemeentesecretaris, financieel beheerder van de gemeente, O.C.M.W.-secretaris en financieel beheerder van het O.C.M.W. en van provinciegriffier en financieel beheerder van de provincie in de huidige stand van zaken uitgesloten van deze regeling. Hoofdstuk 4 regelt de externe personeelsmobiliteit tussen de lokale en provinciale overheden die niet hetzelfde werkingsgebied hebben en tussen diezelfde lokale en provinciale overheden en de diensten van de Vlaamse overheid onderling. Daarvoor wordt een specifieke 'procedure van externe personeelsmobiliteit' uitgewerkt die aan bepaalde uitgangspunten beantwoordt. Die specifieke procedure is van toepassing op : - de gemeenten, de provincies, de O.C.M.W.'s, bepaalde O.C.M.W.-verenigingen, vermeld in titel VIII, hoofdstuk I van het O.C.M.W.-decreet, de autonome gemeentebedrijven (AGB's) en de autonome provinciebedrijven (APB's) - de diensten van de Vlaamse overheid (DVO). Dat zijn alle diensten die onder het toepassingsgebied van het Vlaams Personeelsstatuut vallen. Met bepaalde O.C.M.W.-verenigingen worden in dit hoofdstuk de O.C.M.W.-verenigingen naar publiek recht bedoeld, die meerdere O.C.M.W.'s of meerdere overheden verenigen en die geen ziekenhuisactiviteit uitoefenen. De in dit hoofdstuk aangeduide personeelscategorieën van de vermelde lokale en provinciale overheden komen in aanmerking voor aanstelling in een vacante betrekking bij een andere lokale of provinciale overheid die niet tot hetzelfde werkingsgebied behoort. Personeelsleden van een DVO komen in aanmerking voor aanstelling in een vacante betrekking bij een gemeente, een provincie, een O.C.M.W., een O.C.M.W.-vereniging, een AGB en een APB. Hoofdstuk 5 bevat één slotbepaling. Het besluit bevat geen specifieke inwerkingtredingsbepaling, wat inhoudt dat het in werking treedt op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Dit besluit voert, met uitzondering van 'de procedure van externe personeelsmobiliteit' geen nieuwe begrippen in. 'Personeelsformatie', 'functiebeschrijving', 'aanwervingsprocedure', 'bevorderingsprocedure', 'selectiecommissie', 'selectietechnieken' enzovoort, moeten begrepen worden zoals vermeld in de toepasselijke wetgeving betreffende de rechtspositieregeling van het gemeente- en provinciepersoneel, respectievelijk het O.C.M.W.-personeel. Afgezien van wat in dit besluit geregeld wordt, zijn de overige regels in de bestaande, plaatselijke rechtspositieregeling van het ontvangende bestuur van toepassing op het personeelslid dat overkomt van een ander bestuur. 4. Uitgangspunten voor de procedure van externe personeelsmobiliteit tussen sommige lokale en provinciale overheden die niet hetzelfde werkingsgebied hebben, en tussen diezelfde lokale en provinciale overheden en de diensten van de Vlaamse overheid (hoofdstuk 4) We vatten de uitgangspunten voor de regeling van de procedure van externe personeelsmobiliteit in hoofdstuk 4 hieronder samen. 4.1. De procedure van externe personeelsmobiliteit is een extra procedure voor de vervulling van betrekkingen. De procedure van externe personeelsmobiliteit is een bijkomende formule voor de vervulling van betrekkingen, naast de procedures die in de bovenvermelde besluiten van 7 december 2007 en 12 november 2010 vermeld staan, meer bepaald, de aanwervingsprocedure, de bevorderingsprocedure en de procedure van interne personeelsmobiliteit. De procedure van externe personeelsmobiliteit is facultatief. De bevoegde raden zijn vrij om de procedure in te voeren in de plaatselijke rechtspositieregeling. Ook als die procedure opgenomen is in de plaatselijke rechtspositieregeling, behoudt de aanstellende overheid haar vrijheid om er al dan niet een beroep op te doen. De aanstellende overheid bepaalt dus altijd zelf voor welke wijze van vervulling van betrekkingen ze kiest. De aanstellende overheid kan niet alleen beslissen een beroep te doen op de procedure van externe personeelsmobiliteit, ze kan daarbij ook bepalen welk segment van de externe overheidsmarkt ze wil aanspreken (bv. alleen andere gemeenten, alleen O.C.M.W.'s, alleen provincies, alleen de DVO...). De procedure van externe personeelsmobiliteit kan ook gecombineerd worden met een andere procedure, bijvoorbeeld de aanwervingsprocedure. 4.2. De procedure van externe personeelsmobiliteit steunt op vrijwillige kandidaatstelling voor een vacature. De procedure van externe personeelsmobiliteit heeft niets gemeen met 'ambtshalve herplaatsing', bijvoorbeeld van overtollige personeelsleden bij gemeente, O.C.M.W. of provincie, noch met personeelsoverdrachten tussen overheden. De regeling van het koninklijk besluit nr. 490 houdende verplichting voor de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn met éénzelfde werkgebied om sommige van hun personeelsleden van ambtswege over te plaatsen wordt in dit besluit niet overgenomen. Het koninklijk besluit nr. 490 werd, zoals vermeld, opgeheven door artikel 157 van het bovenvermelde besluit rechtspositieregeling O.C.M.W.-personeel van 12 november 2010. Ambtshalve herplaatsingen of personeelsoverdrachten tussen overheden veronderstellen overigens een specifieke decretale grondslag en een specifieke regeling. 4.3. De regeling van externe personeelsmobiliteit vertoont samenhang met de regels voor de overige procedures voor de vervulling van betrekkingen De procedure van externe personeelsmobiliteit moet met name samenhangend zijn met de bestaande procedure van interne personeelsmobiliteit. De interne personeelsmobiliteit is de vervulling van een vacature door de « heraanstelling van een personeelslid in een vacante betrekking van de personeelsformatie die in dezelfde graad (functiewijziging) of in een andere graad van dezelfde rang (graadverandering) is ingedeeld. » Komen in aanmerking voor deelname aan die procedure van interne personeelsmobiliteit : - de vast aangestelde statutaire personeelsleden, ongeacht hun administratieve toestand; - de contractuele personeelsleden die aangesteld zijn na een externe bekendmaking van de vacature en na een gelijkwaardige selectieprocedure als van toepassing op vacatures in statutaire betrekkingen, en die de proeftijd beëindigd hebben. De kandidaten moeten bovendien : - een door de raad te bepalen minimale graadanciënniteit hebben; - een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste evaluatie; - voldoen aan de competentievereisten die vastgesteld zijn in de functiebeschrijving voor de functie; - zo nodig, voldoen aan de diplomavereiste voor de functie. De raad stelt de regels vast voor : - de interne bekendmaking van de vacature; - de wijze van kandidaatstelling en de algemeen geldende minimale termijn ervoor; - de wijze waarop nagegaan wordt of de kandidaten voldoen aan de competentievereisten voor de functie. De selectie is louter functiespecifiek. Ook de samenstelling van de selectiecommissie kan anders geregeld worden dan bij aanwerving en bevordering. Er wordt geen proeftijd opgelegd. Het personeelslid behoudt na heraanstelling in een andere betrekking, ongeacht of die tot dezelfde of tot een andere graad behoort, de salarisschaal en de schaalanciënniteit die het al verworven had in zijn vorige functie, als aan de nieuwe betrekking dezelfde functionele loopbaan is verbonden als aan de vorige betrekking. De dienstanciënniteit en de niveau-anciënniteit lopen door. Bij heraanstelling in een vergelijkbare graad loopt de graadanciënniteit eveneens door. De procedure van interne personeelsmobiliteit vertegenwoordigt de 'lichtste' procedure voor de vervulling van een vacante betrekking. De selectie is niet vergelijkbaar met een selectie in het kader van een aanwervingsprocedure of een bevorderingsprocedure. Een ander essentieel verschil is dat er geen proeftijd opgelegd wordt. De bestaande reglementaire bepalingen over de interne personeelsmobiliteit in de rechtspositieregeling van de bovenvermelde lokale en provinciale overheden zijn relevant voor het opzet van de procedure van externe personeelsmobiliteit tussen de betrokken lokale overheden onderling en met de diensten van de Vlaamse overheid in dit hoofdstuk. Zo is het niet wenselijk dat de procedure van externe personeelsmobiliteit op het gebied van voorwaarden lichter zou zijn dan de procedure van interne personeelsmobiliteit, of dat het m.a.w. gemakkelijker zou zijn om van buitenaf via mobiliteit in een vacante betrekking bij de lokale overheid te komen dan van binnen de lokale organisatie zelf. Dat neemt niet weg dat er op een aantal punten een essentieel verschil is tussen interne personeelsmobiliteit en de hier bedoelde procedure van externe personeelsmobiliteit. De procedure van externe personeelsmobiliteit van hoofdstuk 4 draait rond de notie 'gelijkwaardige graad'. Anderzijds is het ook niet de bedoeling dat de in dit besluit geregelde procedure van externe personeelsmobiliteit even zwaar en omslachtig is als de aanwervingsprocedure. Dat geldt meer specifiek voor de selectie en de proeftijd. De procedure van externe personeelsmobiliteit moet in essentie een eenvoudige procedure blijven voor de overstap van de ene overheid naar de andere overheid en zich op dat vlak onderscheiden van de aanwervingsprocedure. Het resultaat is een procedure die het midden houdt tussen een aanwervingsprocedure en een procedure van interne personeelsmobiliteit. 4.4. De procedure van externe personeelsmobiliteit is van toepassing op bestendige betrekkingen. De volgende betrekkingen komen in aanmerking voor vervulling door een procedure van externe personeelsmobiliteit : 1° statutaire betrekkingen van de gemeente, de provincie, het O.C.M.W., de O.C.M.W.-vereniging, het AGB, het APB; 2° bestendige contractuele betrekkingen van de gemeente, de provincie, het O.C.M.W., het AGB, het APB. We herhalen : de betrekkingen van gemeentesecretaris, adjunct-gemeentesecretaris, financieel beheerder van de gemeente, O.C.M.W.-secretaris en financieel beheerder van het O.C.M.W. en van provinciegriffier en financieel beheerder van de provincie, vallen niet onder het toepassingsgebied van dit besluit. Komen ook niet in aanmerking voor de toepassing van de procedure voor de externe personeelsmobiliteit : 1° tijdelijke betrekkingen;2° betrekkingen in werkgelegenheidsmaatregelen van de hogere overheid;3° betrekkingen voor projecten;4° betrekkingen die bij mandaat vervuld worden, waarbij altijd een specifieke selectie verplicht is. 4.5. Alleen personeelsleden die bij hun overheid werden aangesteld na een algemeen geldende aanwervings- en selectieprocedure kunnen zich kandidaat stellen in een procedure van externe personeelsmobiliteit voor een andere overheid. Dat uitgangspunt komt neer op : 1° de vast aangestelde statutaire personeelsleden van de DVO (vastbenoemden), en in de lokale sector van de lokale en provinciale overheden die tot het toepassingsgebied van deze regeling behoren;2° de contractuele personeelsleden van de lokale en provinciale overheden die tot het toepassingsgebied van deze regeling behoren, en contractuele personeelsleden van de DVO, die bij hun bestuur aangesteld werden na een externe bekendmaking van de vacature en een objectieve selectieprocedure, gelijkwaardig met een selectieprocedure voor statutaire betrekkingen. De beleidslijn, waarbij in de lokale sector statutaire en contractuele personeelsleden die met het oog op het gelijkheidsbeginsel aan welbepaalde criteria voldoen, in aanmerking komen voor de loopbaan, wordt in dit besluit consequent doorgetrokken voor de toegang tot de loopbaan bij andere lokale overheden. 4.6. De procedure van externe personeelsmobiliteit is van toepassing op personeelsleden met ervaring in een gelijkwaardige graad. De procedure van externe personeelsmobiliteit staat open voor personeelsleden van gemeenten, provincies, O.C.M.W.'s, AGB's en APB's en van de DVO die een betrekking bekleden van een gelijkwaardige graad. De gelijkwaardige graad is een sleutelbegrip. Daarmee wordt bedoeld : 1. voor personeelsleden van de lokale overheden, een graad van hetzelfde niveau, van dezelfde rang in de hiërarchie der graden waaraan dezelfde functionele loopbaan en salarisschalen verbonden zijn en met vergelijkbare voorwaarden en functieprofiel;2. voor personeelsleden van de DVO : een graad van hetzelfde niveau, van dezelfde rang in de hiërarchie der graden waaraan vergelijkbare salarisschalen verbonden zijn en met vergelijkbare voorwaarden en functieprofiel. De procedure van externe personeelsmobiliteit richt zich op specifieke profielen. Specifieke ervaring is een essentiële voorwaarde. Op die manier vertoont de regeling ook samenhang met de regeling voor kandidaten die met relevante beroepservaring, al dan niet in de privésector, aangetrokken worden via aanwerving. Zie verder ook onder punt 4.8. 4.7. De procedure van externe personeelsmobiliteit gaat gepaard met een externe bekendmaking van de vacature en een oproep tot kandidaten. De aanstellende overheid zorgt voor de externe bekendmaking van de vacature. Daarbij wordt in dit besluit om praktische redenen een minimaal centraal aanspreekpunt bepaald. 4.8. De personeelsleden moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en aan de taalvereiste. Verder zijn de voorwaarden, selectieprocedure en proeftijd vergelijkbaar met die bij de procedure van interne personeelsmobiliteit. Het personeelslid moet slagen voor een functiespecifieke selectie. Om deel te kunnen nemen aan de procedure van externe personeelsmobiliteit moeten de kandidaten ook : 1. voldoen aan een vereiste inzake specifieke ervaring in een gelijkwaardige graad;2. een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste evaluatie;3. zo nodig, beschikken over het vereiste diploma.Met zo nodig wordt bedoeld : als het gaat om een functie waaraan een beschermde titel is verbonden of om een gespecialiseerde functie. Zoals dat ook het geval is bij de procedure van interne personeelsmobiliteit is er bij toepassing van de procedure van externe personeelsmobiliteit alleen een functiespecifieke selectie die onderzoekt of de kandidaat 'voldoet aan de competentievereisten die vastgesteld zijn in de functiebeschrijving voor de functie'. Het personeelslid moet slagen voor die selectie. De garanties voor het slagen van de externe personeelsmobiliteit worden niet geleverd door middel van een selectieprocedure zoals bij aanwerving, maar door middel van de combinatie van gevraagde specifieke ervaring, gunstige evaluatie en een gerichte, functiespecifieke selectie. De ervaringsvereiste staat centraal en hangt samen met een van de doelstellingen van de procedure van externe personeelsmobiliteit : personen in huis halen met een specifiek profiel en een specifieke knowhow. Een nieuwe proeftijd voor de vast aangestelde statutaire personeelsleden die aangesteld worden in een gelijkwaardige graad bij een ander bestuur na de toepassing van de procedure van externe personeelsmobiliteit is geen verplichting. Een korte proeftijd is facultatief. De statutaire aanstelling op proef, bijvoorbeeld bij de DVO, bij een andere gemeente, een O.C.M.W., een AGB of APB, van personeelsleden die bij hun bestuur van herkomst vastbenoemd waren, brengt voor de betrokken personeelsleden socialezekerheidsproblemen mee. De moederschapsbescherming, en ziekteverzekering zijn in de periode gedurende welke een dergelijke kandidaat aangesteld is als statutair personeelslid op proef namelijk niet gegarandeerd. Er kunnen zich ook complicaties voordoen bij de toepassing van de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie. Op het statutaire personeelslid op proef van gemeenten en O.C.M.W.'s is immers vaak de vakantie- en vakantiegeldregeling van de privésector van toepassing. Ook bij ontslag na een ongunstige proeftijd kunnen er problemen rijzen met de werkloosheidsverzekering. Dat is het geval als het voorheen vastbenoemde personeelslid niet genoeg werkdagen heeft om aanspraak te maken op een werkloosheidsuitkering. Die omstandigheden vormen een hinderpaal voor de personeelsmobiliteit tussen de betrokken overheden waaraan de Vlaamse Regering niet kan verhelpen. Het concept van een eenvoudige en soepele formule van externe personeelsmobiliteit wordt echter ondermijnd, als men daarmee helemaal geen rekening houdt. Om die reden is de proeftijd niet alleen facultatief, maar werd ook de mogelijke duur ervan beperkt gehouden. De proeftijd van contractanten is geregeld in de Arbeidsovereenkomstenwet en dit besluit spreekt er zich dan ook niet over uit. Samenhang in de plaatselijke regeling is echter aangewezen. Zo is het logisch dat de overheden die voor het statutaire personeel een proeftijd binnen de grenzen van dit besluit vaststellen, dat ook doen voor de contractuele personeelsleden, weliswaar rekening houdend met de grenzen van de Arbeidsovereenkomstenwet. 4. 9.Bij de toepassing van de externe personeelsmobiliteit blijven bepaalde verworven rechten behouden, andere niet. 4.9.1. Administratieve anciënniteiten De bestaande reglementaire bepalingen (vastgesteld conform artikel 55, 57 en 59 van het besluit rechtspositieregeling gemeente- en provinciepersoneel van 7 december 2007) over de dienstanciënniteit, niveau-anciënniteit en graadanciënniteit worden toegepast. 4.9.2. Voor de salarisschaal en schaalanciënniteit geldt het volgende. 1° Bij overkomst uit een andere lokale of provinciale overheid : de salarisschaal en schaalanciënniteit verworven in de functionele loopbaan van de vorige graad blijft behouden. De procedure van externe personeelsmobiliteit houdt dus een beperking in van de keuzevrijheid vastgesteld in artikel 61 van het besluit rechtspositieregeling gemeente- en provinciepersoneel van 7 december 2007 wat betreft de schaalanciënniteit. Artikel 61 van dat besluit bepaalt momenteel immers dat de ontvangende overheid de keuze heeft om schaalanciënniteit al dan niet toe te kennen voor ervaring bij een andere overheid. 2° Bij overkomst uit de DVO : Het personeelslid heeft de functionele loopbaan verbonden met de graad waarin het wordt aangesteld.Het wordt ingeschaald in een salarisschaal van die functionele loopbaan in overeenstemming met de al verworven geldelijke anciënniteit (om de trap in de salarisschaal te bepalen) en de totale, gecumuleerde schaalanciënniteit in zijn graad van herkomst (om de schaal van de functionele loopbaan te bepalen). Ook in dat geval houdt de procedure van externe personeelsmobiliteit een beperking in van de keuzevrijheid vastgesteld in artikel 61 van het besluit rechtspositieregeling gemeente- en provinciepersoneel van 7 december 2007 wat betreft de schaalanciënniteit. Ervaring in de privésector of als zelfstandige die gevaloriseerd werd in de geldelijke anciënniteit en in de schaalanciënniteit bij het bestuur van herkomst, wordt maar gevaloriseerd voor zover het ontvangende bestuur die valorisatieregeling ook heeft voor het eigen personeel. 4.9.3. Verloven De verlofregeling van het ontvangende bestuur primeert. Er gelden geen overgangsbepalingen. Voor de bepaling van het aantal dagen ziektekrediet wordt een uniforme regeling vastgesteld. 5. Commentaar artikelsgewijs HOOFDSTUK 1.- Gemeenschappelijke definities Artikel 1 Artikel 1, 1° tot en met 4°, bevat enkele afkortingen die verder in het besluit gebruikt worden. De definitie van O.C.M.W.-vereniging in punt 4°, sluit aan bij de omschrijving daarvan in artikel 219 van het O.C.M.W.- decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2008 pub. 24/12/2008 numac 2008036450 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sluiten. Artikel 1, 5° bepaalt wat verstaan wordt onder de 'bevoegde raden' in artikelen 3, 11, 22 en 29 van het besluit. De raden die op grond van de organieke decreten bevoegd zijn voor de vaststelling van de rechtspositieregeling van hun personeel, stellen ook de regeling van de externe personeelsmobiliteit vast in de rechtspositieregeling van het personeel. Met 'procedure van interne personeelsmobiliteit', 'de bevorderingsprocedure' en de 'aanwervingsprocedure' in dit besluit worden alleen de gelijknamige procedures in de plaatselijke rechtspositieregelingen bedoeld die vastgesteld zijn conform de hogere regelgeving in de genoemde besluiten van 7 december 2007 en 12 november 2010, of conform de plaatselijke rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel (voor personeel AGB), het provinciepersoneel (voor personeel APB) en het O.C.M.W.-personeel (voor personeel O.C.M.W.-vereniging). Alleen de procedures die in overeenstemming zijn met die hogere regelgeving, zijn geldig. Voor de O.C.M.W.'s veronderstelt dit dat ze ter zake het besluit van 12 november 2010 dat op 1 januari 2011 in werking is getreden, al verwerkt hebben in de rechtspositieregeling van het specifieke personeel en het personeel van bepaalde diensten en instellingen of dat alsnog doen tegelijk met de invoering van de mobiliteitsregeling van dit besluit. HOOFDSTUK 2. - Externe personeelsmobiliteit tussen lokale of provinciale overheden met hetzelfde werkingsgebied Afdeling 1. - Toepassingsgebied en algemene bepalingen Artikel 2 Artikel 2 bepaalt dat hoofdstuk 2 uitsluitend van toepassing is op lokale en provinciale overheden met hetzelfde werkingsgebied en somt die overheden op. Tot die overheden met hetzelfde werkingsgebied behoort ook de O.C.M.W.-vereniging, vermeld in titel VIII, hoofdstuk I, met het eigen O.C.M.W. als enig lid of met het eigen O.C.M.W. en de eigen gemeente als enig lid. De bepaling geeft de juridische toestand weer. Het bovenvermelde artikel 219 van het O.C.M.W.-decreet sluit inderdaad niet uit dat een gemeente lid is van een O.C.M.W.-vereniging. In de context van hoofdstuk 2 gaat het over de eigen gemeente. In de praktijk zijn dergelijke gevallen tot nu toe niet bekend. De ziekenhuizen worden niet opgenomen in de personeelsmobiliteitsregeling. Artikel 3 De externe personeelsmobiliteitsregeling tussen overheden van hetzelfde werkingsgebied is niet verplicht, maar facultatief. De bevoegde raden 'kunnen' ze invoeren. Met 'externe personeelsmobiliteit tussen alle of bepaalde lokale overheden' in het eerste en tweede lid wordt het volgende bedoeld. De mobiliteitsregeling kan wederzijds tussen bepaalde lokale overheden van hetzelfde werkingsgebied worden vastgesteld, of onderling tussen alle lokale overheden van hetzelfde werkingsgebied. Voorbeelden : - mobiliteit tussen gemeente en O.C.M.W.; - mobiliteit tussen gemeente en een bepaald AGB; - mobiliteit tussen gemeente en alle AGB's; - mobiliteit tussen gemeente, O.C.M.W. en een bepaald AGB; - mobiliteit tussen gemeente, O.C.M.W. en alle AGB's; - mobiliteit tussen gemeente, O.C.M.W. en O.C.M.W.-vereniging; - mobiliteit tussen O.C.M.W. en O.C.M.W.-vereniging; - mobiliteit tussen O.C.M.W. en AGB, - enzovoort. Voor de provincies speelt de onderlinge personeelsmobiliteit zich af tussen : - de provincie en een bepaald APB of enkele APB's, - de provincie en alle APB's. De in dit hoofdstuk bedoelde personeelsmobiliteit tussen de gemeente en haar O.C.M.W. beperkt zich niet tot de betrekkingen die gemeenschappelijk zijn voor gemeente en haar O.C.M.W., maar strekt zich ook uit tot betrekkingen die niet bestaan bij de gemeente. Dat komt erop neer dat de personeelsmobiliteit tussen gemeente en O.C.M.W. ook mogelijk is met de betrekkingen die ressorteren onder artikel 104, § 2 en § 6, van het O.C.M.W.-decreet. Hetzelfde principe geldt voor de mobiliteit tussen gemeente en AGB, provincie en APB, gemeente en O.C.M.W. en O.C.M.W.-vereniging. Wat betekent 'de bevoegde raden' in dit artikel? Daarvoor maken we toepassing van de definitie in artikel 1, 5°. De gemeenteraad voert de regeling van de externe personeelsmobiliteit van dit hoofdstuk in de plaatselijke rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel in. Die mobiliteitsregeling geldt dan ook voor de O.C.M.W.-betrekkingen die gemeenschappelijk zijn met de gemeente. Immers de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel is op grond van artikel 104, § 1, van het O.C.M.W.-decreet ambtshalve van toepassing op het personeel in die betrekkingen. Voor alle betrekkingen van het O.C.M.W. die ressorteren onder artikel 104, § 2 en § 6, van het O.C.M.W.-decreet stelt de O.C.M.W.-raad die mobiliteitsregeling vast in de rechtspositieregeling van dat personeel. De raad van bestuur van het AGB, respectievelijk het APB stelt de mobiliteitsregeling vast voor het personeel van het AGB, respectievelijk het APB, ongeacht of de betrekking gemeenschappelijk is met gemeente, respectievelijk provincie, of niet. Het orgaan dat op grond van de statuten van de O.C.M.W.-vereniging bevoegd is voor de vaststelling van de rechtspositieregeling van het personeel van die vereniging wordt hier beschouwd als 'bevoegde raad'. In de praktijk werden bijvoorbeeld de volgende organen bevoegd gemaakt voor de vaststelling van de rechtspositieregeling van het personeel van de O.C.M.W.-vereniging : 'de raad van bestuur', 'de beheerraad', 'het directiecomité'. Wat is de draagwijdte van artikel 3, laatste lid? Als de externe personeelsmobiliteit tussen overheden met hetzelfde werkingsgebied ingevoerd wordt, dan geldt daarbij het principe van de wederkerigheid tussen de overheden waarop de mobiliteit van toepassing gesteld wordt. De wederkerigheid gaat zowel de aanstellende overheid aan als de personeelsleden. Deze vorm van externe personeelsmobiliteit wordt zodoende geen eenrichtingsverkeer. De mobiliteit wordt tussen de betrokken overheden bovendien toegepast volgens dezelfde regels. Dat wordt bedoeld met 'is gelijk'. De betrokken overheden moeten dus elk voor zich dezelfde regeling in de rechtspositieregeling van hun personeel vaststellen. De bepaling van artikel 3, derde lid, onderschrijft de basisoptie die ten grondslag ligt aan de regeling, namelijk die van wederzijdse samenwerking. Voor de gemeenten en O.C.M.W.'s verwijzen we hiervoor ook naar artikel 270 van het Gemeentedecreet en van het O.C.M.W.-decreet. Artikel 4 Artikel 4 omschrijft welke vorm de externe personeelsmobiliteit tussen de lokale of provinciale overheden van hetzelfde werkingsgebied aanneemt. De mobiliteit wordt geconcretiseerd via openstelling van de procedure van interne personeelsmobiliteit of van bevordering voor bepaalde personeelsleden van de andere overheid of overheden. Het rekruteringsveld van de ene overheid wordt dus uitgebreid tot het personeel van de andere overheid of overheden. Het personeel van de eigen overheid wordt daarbij nooit uitgesloten. Voor de precieze betekenis van de genoemde procedures verwijzen we naar de definities in artikel 1. De passus 'op de volgende manieren of op een van de volgende manieren' in het eerste lid, betekent dat de raden ervoor kunnen kiezen om beide procedures open te stellen voor het personeel van de andere overheid of slechts een van beide procedures. Dus : ofwel interne personeelsmobiliteit en bevordering, ofwel interne personeelsmobiliteit of bevordering. Artikel 5 Artikel 5 stelt vast op welk soort betrekkingen de mobiliteitsregeling van dit hoofdstuk van toepassing is. Het principe is dat de mobiliteitsregeling alleen op bestendige betrekkingen van toepassing is. Dat is logisch. Personeelsmobiliteit naar tijdelijke betrekkingen zal wellicht weinig aantrekkingskracht uitoefenen. De betrekkingen in tewerkstellingsmaatregelen zijn bovendien specifiek toegewezen en toegankelijk voor personen vanuit de werkloosheid. Komen dus in aanmerking : statutaire betrekkingen en bestendige contractuele betrekkingen. De formulering verwijst voor de gemeenten, de provincies en de O.C.M.W.'s naar de 'bestendige contractuele betrekkingen op de personeelsformatie'. Die terminologie stemt overeen met artikel 5 van titel II, De personeelsformatie, in het besluit rechtspositieregeling gemeente- en provinciepersoneel van 7 december 2007, en artikel 5 van deel 2, hoofdstuk 2, De personeelsformatie, in het besluit rechtspositieregeling O.C.M.W.-personeel van 12 november 2010. Die verwijzing impliceert meteen ook dat tijdelijke betrekkingen, betrekkingen voor projecten en betrekkingen in tewerkstellingsmaatregelen van de hogere overheden uitgesloten zijn. De AGB's en APB's werken niet noodzakelijk met de notie personeelsformatie. Daarom wordt voor hen expliciet vermeld dat betrekkingen in tewerkstellingsmaatregelen van de hogere overheden (bv. gesco-betrekkingen) uitgesloten zijn van deze regeling over externe personeelsmobiliteit. De tijdelijke betrekkingen en de betrekkingen voor projecten zijn, net als voor gemeente, O.C.M.W. en provincie, eveneens uitgesloten van de mobiliteitsregeling. De betrekkingen van gemeentesecretaris, adjunct-gemeentesecretaris, O.C.M.W.-secretaris, financieel beheerder van de gemeente, financieel beheerder van het O.C.M.W., provinciegriffier en financieel beheerder van de provincie worden uitgesloten van de regeling van dit hoofdstuk. Artikel 6 De regeling voor de personeelsleden die zich met toepassing van deze mobiliteitsregeling kandidaat kunnen stellen voor een vacature bij een andere overheid is consistent met de regeling die bij interne personeelsmobiliteit of bevordering ook op het eigen personeel van toepassing is. De beleidslijn in de rechtspositiebesluiten van 7 december 2001 en 12 november 2010, waarbij statutaire en contractuele personeelsleden van de lokale sector die met het oog op het gelijkheidsbeginsel aan bepaalde criteria voldoen, in aanmerking komen voor de loopbaan, wordt in dit besluit dus consequent doorgetrokken. « De criteria om bij de eigen overheid in aanmerking te komen voor deelname aan de procedure van interne personeelsmobiliteit of van bevordering » zijn de criteria vastgesteld met toepassing van artikel 75, § 2, respectievelijk artikel 69, § 2, van het besluit rechtspositieregeling gemeente- en provinciepersoneel van 7 december 2007 en met toepassing van artikel 68, § 2, respectievelijk artikel 62, § 2, van het besluit rechtspositieregeling O.C.M.W.-personeel van 12 november 2010. Afdeling 2. - Procedure en voorwaarden Artikel 7 en artikel 8 Zoals dat ook het geval is voor de andere procedures voor de vervulling van een betrekking, is het de aanstellende overheid die bepaalt of ze een beroep doet op de personeelsmobiliteit met de andere overheid van hetzelfde werkingsgebied. Als de aanstellende overheid beslist om zich ook te richten tot het personeel van die andere overheid, dan stelt ze die andere overheid daarvan in kennis en verzoekt ze die overheid om de vacature intern bekend te maken. De mededeling aan de andere overheid is een kwestie van fairplay en goede samenwerking. Daarnaast is de aanstellende overheid aangewezen op de bekendmakingskanalen die normaal bij die andere overheid ingeschakeld worden voor interne bekendmaking van vacatures. Die bieden de meeste garanties dat het personeel er tijdig kennis van neemt. De aanstellende overheid deelt aan de andere overheid die de vacature verspreidt, ook het vacaturebericht mee, de wijze van kandidaatstelling en de termijn van kandidaatstelling. Daarvoor moet de aanstellende overheid de regels ter zake in de eigen rechtspositieregeling respecteren. Een en ander komt erop neer dat hetzelfde vacaturebericht, dezelfde wijze van kandidaatstelling en dezelfde termijn van toepassing zijn op het eigen personeel en op het personeel van de andere overheid. Alle kandidaten worden dus gelijk behandeld. Artikel 9 en artikel 10 Omdat het hier een overstap naar een andere overheid betreft, wordt herhaald dat kandidaten moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden, onder meer dus ook aan de nationaliteitsvereiste die van toepassing is op die betrekking. De regeling komt erop neer dat de externe kandidaat verder onderworpen is aan dezelfde voorwaarden als de interne sollicitant. Voor de interne personeelsmobiliteit houdt dat in dat de externe kandidaten ook : - de door de raad bepaalde minimale graadanciënniteit hebben; - een gunstig evaluatieresultaat voor de laatste evaluatie hebben; - aantonen dat ze voldoen aan de competentievereisten die vastgesteld zijn in de functiebeschrijving van de vacante betrekking; - zo nodig, voldoen aan de diplomavereisten voor de functie. Voor de bevordering houdt dat in dat de externe kandidaten ook : - de door de raad bepaalde minimale anciënniteit hebben; - een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de periodieke evaluatie of evaluaties, of, in voorkomend geval voor de potentieelinschatting; - zo nodig, het vereiste diploma hebben; - slagen voor de selectieprocedure. Artikel 11 Voor de toepassing van de externe personeelsmobiliteit tussen overheden van hetzelfde werkingsgebied wordt er in principe geen nieuwe proeftijd opgelegd aan het personeelslid dat bij de andere overheid aangesteld wordt in statutair verband. De garanties voor de keuze van de kandidaat moeten in eerste instantie geboden worden door de ervaringsvereiste en een adequate selectie. Het ligt overigens voor de hand dat de leidinggevenden en het personeelslid een inwerkingstraject in de nieuwe organisatie afspreken. Dat traject kan bijvoorbeeld ook gepaard gaan met functioneringsgesprekken en vorming. Bij de toepassing van de bevorderingsprocedure wordt er wel een proeftijd opgelegd aan het statutaire personeelslid als in dat geval ook een proeftijd geldt voor de statutaire personeelsleden van de ontvangende overheid. Artikel 71 van het besluit rechtspositieregeling gemeente- en provinciepersoneel van 7 december 2007 laat de raden immers toe te bepalen dat de bevordering gepaard gaat met een proeftijd. Als die regeling ook plaatselijk van toepassing is, dan worden externe kandidaten ten aanzien van die regeling op gelijke wijze behandeld als interne kandidaten. In afwijking van het bovenstaande kunnen de bevoegde raden bepalen dat het personeelslid dat na deelname aan de procedure van interne personeelsmobiliteit overkomt van een andere overheid en aangesteld wordt in statutair dienstverband, toch onderworpen wordt aan een proeftijd, waarvan de maximale duur drie maanden bedraagt. Die termijn is verlengbaar met de duur van de afwezigheden volgend op de tiende afwezige werkdag. De verlenging wordt mogelijk gemaakt opdat de relatief korte proeftijd door een langere afwezigheidsduur niet volledig zou uitgehold worden. De eventuele proeftijd van contractanten is geregeld in de Arbeidsovereenkomstenwet en kan in dit besluit niet geregeld worden. Het principe voor de statutaire personeelsleden kan, mits respect voor de beperkingen van de Arbeidsovereenkomstenwet, ook toegepast worden op het personeelslid dat aangesteld wordt in contractueel dienstverband. Samenhang in de regeling voor het statutaire en het contractuele personeel is in dit geval aangewezen. Om de impact van de onderstaande socialezekerheidsproblemen te beperken, wordt de maximale duur van de proeftijd kort gehouden. Een korte proeftijd is ook in het belang van het bestuur van herkomst van het personeelslid én van het ontvangende bestuur. De korte duur voorkomt aanslepende personeelsbeheersproblemen in beide besturen. Bij afloop van de proeftijd wordt het personeelslid geëvalueerd volgens de regels over de evaluatie van de proeftijd in de rechtspositieregeling. De overheden moeten bij de externe bekendmaking van de vacature meedelen of er al dan niet een proeftijd van toepassing is. Voor die voorzorgsmaatregel zijn er, met name voor de kandidaten die vast aangeteld zijn in statutair verband en die solliciteren voor een statutaire betrekking bij een andere overheid, twee belangrijke redenen : 1° de socialezekerheidsstelsels en ook het stelsel van de vakantie en van het vakantiegeld voor, enerzijds, vastbenoemde personeelsleden en, anderzijds, statutaire personeelsleden op proef stemmen niet met elkaar overeen en dat gegeven houdt bepaalde risico's in voor de kandidaten die vastbenoemd waren bij de andere overheid en die als statutair personeelslid op proef aangesteld worden bij het ontvangende bestuur.2° de ongunstige eindevaluatie van de proeftijd leidt tot het ontslag van het statutaire personeelslid op proef. Het is aangewezen dat externe kandidaten die bij hun overheid van herkomst vastbenoemd waren en die als statutair personeelslid met een proeftijd geconfronteerd worden, een beroep kunnen doen op een verlofmogelijkheid bij het bestuur van herkomst, bijvoorbeeld het onbetaald verlof of de loopbaanonderbreking zonder uitkering. Artikel 12 De ontvangende overheid bezorgt een kopie van de aanstellingsbeslissing aan de andere overheid. Die regel kadert in de fairplay en de goede samenwerking. De aanstellingsbeslissing vermeldt de datum of termijn van indiensttreding van de geselecteerde kandidaat. Op die manier kan de andere overheid de nodige stappen zetten voor het (vrijwillige) ontslag van het vertrekkende personeelslid en kan ze maatregelen treffen voor de vervulling van de ontstane vacature. De indiensttreding bij een andere overheid gaat gepaard met de eedaflegging bij die andere overheid. Artikelen 13 en 14 De regels over salarisschaal en schaalanciënniteit die normaal gelden bij interne personeelsmobiliteit gelden ook bij toepassing van de externe personeelsmobiliteit tussen de lokale en provinciale overheden van hetzelfde werkingsgebied. Hetzelfde geldt voor de niveau-anciënniteit, de dienstanciënniteit en de graadanciënniteit. De regeling in artikelen 13 en 14 is van dwingende aard. Artikel 61 van het besluit rechtspositieregeling gemeente- en provinciepersoneel, waarbij de overname van administratieve anciënniteiten voor ervaring bij een andere overheid facultatief is, is dus niet van toepassing op de personeelsmobiliteit als gevolg van hoofdstuk 2 van dit besluit. Het tegendeel zou ontmoedigend zijn voor de mobiliteit. In artikel 13 worden nog twee bijzondere situaties geregeld : - De gegarandeerde salarisverhoging bij niveau-overschrijdende bevordering geldt ook bij de externe personeelsmobiliteit met toepassing van dit hoofdstuk. - Als het ontvangende bestuur in de eigen rechtspositieregeling geen of slechts een beperkte valorisatie kent van ervaring in de privésector of als zelfstandige in de geldelijke anciënniteit en in de schaalanciënniteit, dan kan de overkomende kandidaat die bij zijn bestuur van herkomst het genot had van gevaloriseerde geldelijke anciënniteit en schaalanciënniteit, daar geen of slechts een beperkte aanspraak op maken. Beide maatregelen waarborgen de gelijke behandeling van interne en externe kandidaten. Die bijzondere bepalingen zijn belangrijk voor de kandidaten. Als dergelijke regels met gevolgen voor de primaire arbeidsvoorwaarden (loon) niet standaard meegedeeld worden in het vacaturebericht op grond van de rechtspositieregeling, moeten ze op zijn minst een aandachtspunt zijn voor de contactpersoon die meer informatie verstrekt aan de kandidaten over de functie, de arbeidsvoorwaarden en de selectieprocedure. Artikel 15 …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.